Marathon
Gerardus Betz




G. H. Betz

Marathon





I


De Athener Simon, zoon van Panaitios, had het bijster druk op den voorlaatsten dag der Panathenaien van het jaar 491 v. C. Hij had, in zijne hoedanigheid van commissaris voor den optocht, die den volgenden dag gehouden zou worden, allerlei teleurstellingen gehad en van den een naar den ander moeten draven. Een der meisjes, die in den stoet als korfdraagster zouden optreden, had zich plotseling ongesteld gevoeld en was door een ander vervangen moeten worden. Onder de runderen, voor het offer bestemd en die mede in de processie eene plaats bekleedden, waren er eenige ontdekt, die bepaald onvoldoende moesten geacht worden. Een tweetal der paradewagens, sedert het vorige jaar niet gebruikt, hadden bij de beproeving hun dienst geweigerd en behoorden nog eens flink nagezien te worden. Geen wonder dan ook, dat het hem aan tijd had ontbroken, de hippische en gymnische spelen, die heden plaats hadden, in hun vollen omvang te genieten. Hij had alleen hooren vertellen van de wonderbaarlijke behendigheid van Annikeris, die in het hippodroom met den diphriskos, het lichte, tweewielige karretje, rijk met zilver en ivoor versierd, vier en een half maal in vliegenden galop de baan had afgelegd, steeds in hetzelfde spoor blijvend, zoodat het den indruk maakte als hadde slechts éénmaal een wagen geloopen. Vervolgens was hij naar het stadion gestapt en had daar ten minste nog het laatste nummer van het program kunnen bijwonen: den wedloop der jongelieden, geheel naakt, op het hoofd den helm, aan den linkerarm het ronde schild der hopliten. Het was bij zijn komst reeds begonnen en juist toen hij eene plaats had weten machtig te worden, kwamen zij hem voorbij, in den tweeden omgang der baan, zeven in getal, voorafgegaan door het donderend gejuich, dat aanzette als een opkomende vloed, zich verplaatsend naarmate ze voortijlden, alsof zij het waren die door eene magnetische werking het aan de omstanders mededeelden. «De zevende haalt straks den prijs, zoowaar ik een kolenbrander uit Acharnai ben,» riep een der buren van Simon. «Zie hem eens lange schreden nemen, gelijk men behoort te doen om met den minsten arbeid den grootsten afstand af te leggen.» «Het mocht wat,» liet een ander volgen, «dat zou juist wezen wanneer hij met korte schreden was aangevangen en ze steeds langer had genomen. Maar met hem gaat het omgekeerd; hij is te hard begonnen en ge zult zien dat zijn stappen steeds korter worden.» «Ik houd het met drie of vier, die loopen nog altijd zooals ze van den aanvang af liepen,» meende een derde. «Maar toch,» merkte Simon op, «met heel wat inspanning; zij hijgen en zie eens hoe beider schild naar beneden hangt. Nummer zes schijnt flinker; hij is in het geheel niet verhit en houdt het schild kranig op één hoogte.» «Dat jongetje?» riep de schonkige kolenbrander uit, in zijn diepe minachting voor den schier al te fijnen jeugdigen hardlooper met een meisjesgezicht en smachtende, vioolkleurige oogen. «Een der voorsten zal het wel winnen; dat zijn prachtige jongelieden, mooi op adem en taai, met spierbundels, die men voelen en tasten kan,» voegde hij er bij, door zijne geringschatting van nummer zes vergetende, dat hij zooeven den triomf reeds aan een ander had toegedacht. «Let eens goed op den vijfde,» luidde het weder, «die heeft blijkbaar in de palaistra geleerd, hoe men, evenals de struisvogels met hun korte vleugels, zich bij den wedloop met de armen vaart moet geven; zie hem eens werken!» «Doch lang niet vrij en ongedwongen,» klonk het daartegen, «het hindert hem meer dan het hem baat. Het zijn de schoolsche bewegingen van een beginner; hij heeft de palaistra te vroeg verlaten. Daar haalt dan ook zes hem al voorbij; die weet wat het zegt, zijn adem voor het laatst bewaren.» «En zeven ook; drie en vier raken het kwijt; wat zeide ik?» merkte Simon op. «Om het even, als dat gladde gezicht er maar niet komt,» meende de kolenbrander uit Acharnai. «Ik zie hem wel, als ik ’s morgens vroeg met mijn kolen in Athene kom; dan zwiert hij nog met zijn makkers langs de straat en haalt allerlei streken uit.» «Pheidippides is het, de zoon van Timotheos,» zeide een deftige Athener van goeden huize, die zich thans voor het eerst in het gesprek mengde. «Ik ken zijn vader, een braaf man, die niet ledig heeft gezeten toen het gold den tiran[1 - Tiran, hier en verder, in de oude beteekenis van hem, die zich op onwettige wijze van de alleenheerschappij in een staat meester maakt of deze door erfrecht verkrijgt. ’s Mans persoonlijke geaardheid heeft daarmede niet te maken.] Hippias te verjagen. Maar de jongen is bedorven door zijne moeder; daar komt niets van terecht.» «Hij is mij nog twaalf minen schuldig voor een raspaard, dat nog niet betaald en al dood is,» liet een paardenkooper uit de omstanders zich hooren. «Hij heeft er mee gereden te Olympia, waar het beest op hol is gegaan bij den paardeschrik en een poot gebroken heeft, zoodat men het heeft moeten afmaken.» «Wat is dat, de paardeschrik?» vroeg een Aziatische Helleen, die ter bijwoning van de feesten Athene bezocht. En de paardenkooper verklaarde hem hoe met die benaming werd aangeduid een rond altaar bij een der standpalen in de baan te Olympia, waarvoor de paarden keer op keer schrikten en er van door gingen.

Maar de gesprekken werden gestaakt; de wedloopers naderden in de laatste ronde. Een voor een, langs den standpaal aan Simons kant, kwamen zij wederom te voorschijn. Het gejuich der omstanders klonk gedempter dan straks; het was de laatste ronde en instinctmatig spaarde ieder zijn adem voor de luidruchtige uitbarsting bij de overwinning. Nummer drie en vier waren thans achteraan. Een en twee hadden hunne plaats behouden, nauw op de hielen gezeten door zes, die, zonder zijn stappen zichtbaar te vergrooten of te versnellen, een geweldige vaart begon te nemen, en door zeven, die zijn lange schreden van den aanvang voor een oogenblik terugvond. Voor nummer vijf was de kans verkeken; zijn theoretische struisvogelbewegingen hadden hem uitgeput, zoodat hij langzamerhand door allen werd voorbijgehaald, onhandig met het schild slingerend, te uitgeput om een anderen pas aan te nemen.

De eindpaal was aan de overzijde; nog eene halve ronde moest worden afgelegd. Daar begon nummer twee de beenen met ontzettende snelheid te reppen, op eens overgaand in een veel vluggeren pas, zóó plotseling, dat de toejuichingen weer luider klonken. Die wist het hoe men loopen moest; van den aanvang af eene goede plaats houden, niet te hard aanzetten en bij de laatste helft er van door! Maar, langzamerhand, kwam Pheidippides vooruit, met een taaie inspanning, steeds zijn schreden versnellend, zonder merkbare overgangen, alles vermijdend wat hem in de laatste oogenblikken zou kunnen afmatten. En men besefte rondom, dat tusschen die twee de overwinning aarzelde, tusschen den prachtig gebouwden jongeling, die met een verbijsterende vaart, doch onberispelijke bewegingen, vooruitstoof, met ernstigen blik den eindpaal grijpend, als wilde hij hem tot zich halen door de macht van zijn streven – en den tengeren, netten Pheidippides, eveneens volkomen correct en harder loopend dan de ander, zonder dat men het aan hem zag, dat hij zoo hard liep. Tot, kort voor den eindpaal, terwijl het schild van den een den arm van den ander raakte, in de spotzieke, vioolkleurige oogen van Pheidippides zich eene uitdrukking vertoonde van zeegrijke wilskracht en zoo stoven ze, eerst een heel eind voorbij den paal met de kamprechters en fluitspelers ophoudend, meegesleurd door de geweldige vaart, die hen had voortgedreven, vier ronden lang. Met een schier onmerkbaar verschil had Pheidippides zijn mededinger geslagen.

De toeschouwers, die gedurende de laatste oogenblikken van den wedstrijd gezwegen hadden, met eene angstige uitdrukking de loopers volgend, als stond het heil van het vaderland op het spel, ontspanden zich. Een woest geschreeuw rees omhoog, lang aangehouden, soms even verzwakkend en dra, als schaamde men er zich over, met dubbele kracht opdonderend en het uitspansel vullend. Sommigen, met gelaatstrekken verwrongen van enthousiasme en met zenuwachtige schoklachjes, wierpen hoeden en mantels omhoog, gevolgd door anderen, die ook hoeden en mantels omhoog wierpen, zonder het te weten het gegeven voorbeeld volgend en wederom ten voorbeeld strekkend aan anderen. Men viel elkander in de armen met kreten van eindelijk en onverwachts gevonden geluk, als hadde er iets zeer buitengewoons plaats gehad in stede van het gewild resultaat van iederen wedloop. De paardenkooper naast Simon vergat de twaalf minen, waarop hij nog altijd tevergeefs wachtte en schreeuwde: “Pheidippides! Pheidippides!” even luid als de anderen. De kolenbrander uit Acharnai had even een spijtigen trek getoond, maar met zuidelijke levendigheid zich spoedig in het onvermijdelijke geschikt en was aan het brullen gegaan met een gelaat, kwaadaardig van opgewondenheid. De deftige Athener en Simon stemden mede in, wat rustiger, doch even voldaan, en met hen de Helleen uit Azië, die zich tusschen al die toeschietelijke menschen al heel gauw tehuis gevoeld had en zich schor juichte, om zijne belangstelling te toonen in de feesten eener stad, waar men vreemdelingen zoo aangenaam ontving. En onderwijl was aan Pheidippides de krans van olijfbladeren ter hand gesteld en lieten de mededingers zich met een soort roskam van het stof en het zweet reinigen, die zich gedurende den wedloop op hunne met olie ingewreven huid rijkelijk hadden verzameld.

Van het stadion begaf Simon zich naar den Erechtheustempel op de akropolis, den ommuurden burchtheuvel der stad. Hij herdacht met tevredenheid hoe hij in zijne omgeving de eerste was geweest, die Pheidippides als overwinnaar had aangewezen. Een mooie jongeling, Pheidippides, iets te klein misschien, maar uitstekend gevormd. Simon kende hem ook wel, door zijne reputatie, die niet al te best was; hij zwierde geweldig, gebruikte warme baden en droeg geen gouden krekeltjes meer in het haar, zooals de Atheners in hunne hoedanigheid van autochthonen sedert menschenheugenis gedaan hadden. Maar overigens was hij flink genoeg en bij alle lichaamsoefeningen kon men hem vooraan vinden, nu hij ten vorigen jare bij het bereiken van den achttienjarigen leeftijd in het heiligdom van Agraulos den burgereed had afgelegd en hem de lange jongenslokken geschoren waren. Hij reed om den prijs te Olympia; hij liep om den prijs bij de Panathenaien; hij roeide om den prijs op het feest van Artemis Mounychia. En men had flinke mannen noodig te Athene; de oorlog met Aigina bleef nog altijd slepen en het gerucht liep dat de Perzen bezig waren eene tweede expeditie tegen Hellas voor te bereiden, nadat de eerste ten vorigen jare bij den berg Athos schipbreuk geleden en terug had moeten keeren. Overal in de Perzische zeehavens werden schepen getimmerd en de satrapen der verschillende provinciën van het groote rijk waren druk bezig ieder in zijn ressort het noodige krijgsvolk bijeen te brengen. Maar Pallas Athene zou hare stad weten te beschermen en hij, Simon, zou ook gereed staan als het noodig was. En daarom had het hem, den dertigjarige, verheugd te zien dat de jongeren zoo braaf konden loopen en zich niet bezwaard gevoelden door den zwaren helm en het kolossale schild der hopliten.

Zoo peinzende stapte hij door de nauwe, kromme straten der stad. In vroeger jaren was dat nog erger geweest; toen mocht een ieder bouwen naar het hem lustte, zoodat de woningen schots en scheef door en tegen elkander stonden. Maar sedert Peisistratos moest althans het onderste gedeelte der huizen op één lijn zijn aangebracht; alleen het bovenste sprong meestal uit, om aan de Atheensche vrouwen de gelegenheid te geven, naar de drukte op straat te kijken, want zij kwamen weinig uit, schier alleen bij feestelijke gelegenheden, zooals het nachtfeest heden avond, de pannychis, waarbij de fakkelwedloop zou plaats hebben door jongelingen met fakkels, die men onder het loopen steeds brandende moest houden. En morgen, bij den grooten optocht, daar zou men ze ook zien. Doch overigens kreeg men ze bijna niet te aanschouwen.

Simon had de akropolis bestegen en den Erechtheustempel bereikt, waarin zich een oud houten, niet door menschenhand vervaardigd beeld der schutsgodin bevond, dat den volgenden dag met het telken jare aan de godin nieuw aangeboden prachtgewaad, den peplos, zou worden omhangen. Hij had in verband met die plechtigheid nog het een en ander met het personeel van het heiligdom te bespreken en kweet zich thans van die taak. Toen hij den tempel weder uittrad, was de zon schier ondergegaan en ontrolde zich voor zijn blik het wondere schouwspel, dat zich in die ure ook thans nog van de akropolis vertoont. Ten noorden de stout zich verheffende rotskegel van den Lykabettos en de Attische vlakte met het olijvenwoud en het frissche groen langs den Kephissos, omlijst door de schoone noordelijke Attische bergen. Ten zuiden het kustland met zijn bochten en spitsen, grillig uitgesneden; daartusschen de havens van Athene, de Saronische zeeboezem met Aigina en de kleinere eilanden tot de kust van Argolis, waarachter zich amphitheatersgewijs eerst de bergen van Argolis zelf, dan die van Arkadië verheffen. Juist was de zon in het ter kimme zinken die bergen genaderd en het blauw des hemels verfde zich gloeiend rood; de laatste stralen verlichtten de karyatiden van het Erechtheusheiligdom. Plotseling bemerkte Simon dat hij niet alleen was; zijn oog viel op een man, die, met de armen over de borst gekruist, den blik onafgewend op den Lykabettos gevestigd hield. Hij was slechts weinige jaren ouder dan Simon, hoewel het verschil in leeftijd veel grooter scheen, daar ’s mans voorhoofd reeds geheel kaal was en zijn diepliggende oogen eene buitengewoon ernstige uitdrukking vertoonden. Simon trad op hem toe en zeide, hem begroetend:

«Zijt ge bezig rust te zoeken voor uwen geest, geschokt door de behandeling van tragische stoffen, Aischylos?»

«De behandeling van tragische stoffen schokt den geest niet, maar verleent hem juist kalmte, wanneer hij bewogen en ontroerd is,» was het antwoord.

«Ik hoor den voedsterling der Eleusinische Demeter,» zeide Simon. «En toch, wanneer wij gezeten zijn bij de opvoering eener tragedie, zou onze geest dan niet ontroerd worden? Herinner u slechts hoe bij de opvoering van Phrynichos’ Inneming van Miletos voor een tweetal jaren alle toeschouwers in tranen uitbarstten en het gelaat verhulden.»

«Het was de herinnering aan het wee eener stamverwante stad, die dus de gemoederen ontrustte en den dichter werd dan ook eene zware boete opgelegd voor het stout bestaan, nauw geheelde wonden weder open te rijten. Doch de tragedie zelve, in stede van den geest te schokken, doet hem juist eene kalmte deelachtig worden als nooit voorheen. Is het u overkomen dat ge, beproefd door eene droevige ervaring, uw gemoedsrust verloren hadt en naar buiten werdt gedreven, waar de storm loeide en de donder ratelde? En was het niet juist te midden van die vreeselijke tooneelen dat de vrede in uw binnenste terugkeerde, zoodat ge kalm en berustend uwe woning binnentraadt, die ge ontsteld en geschokt hadt verlaten?»

«Doch waar de voorstelling van het bovenmatig menschelijk lijden het wezen der tragedie is, zal die voorstelling toch niet kunnen nalaten een pijnlijken indruk te maken en de tragedie juist aan haar wezen ontrouw worden, waar dit niet geschiedde.»

«De tragedie zou ontrouw worden aan haar wezen, waar zij alleen een bron van tranen opende en niet tevens bevrediging schonk aan het geloof in de eindelijke overwinning der gerechtigheid. Er bestaat lijden, zwaarder dan de schuld, die het heeft veroorzaakt; waar dat lijden begint, vangt ook de tragedie aan. Maar de dichter behoort naast de schildering van dat lijden een klein gedeelte op te lichten van den sluier, die de menschelijke volkomenheid bedekt en steeds het oog gericht te houden en anderer oog te richten op ’s menschen hoogen aanleg en bestemming.»

De twee vrienden hadden onder het wisselen dezer woorden den tocht huiswaarts aangevangen. Nog even zagen zij in het oosten den in de lengte uitgerekten Hymettos zich roos- en purperkleurig verven, als de zon verdween en na eene korte, wonderschoone wisseling van tinten, de duisternis inviel. Zij deden door de hen vergezellende slaven toortsen ontsteken en daalden langs de eenige toegankelijke zijde van de akropolis naar Athene af.

«Zoo vaak ik u hoor, Aischylos,» zeide Simon, «hetzij door het masker van den tooneelspeler, hetzij als thans in vriendschappelijk gesprek, breng ik mijn dank den goden, dat zij zich het lot der zorgbeladen stervelingen aangetrokken en hun de Muzen en den Muzenleider Apollon terzijde hebben gesteld. En met smachtend verlangen zie ik de aanstaande Dionysosfeesten tegemoet, die ons wederom de gelegenheid zullen schenken, uw gulden taal te hooren en uwe diepzinnige gedachten in ons op te nemen.»

«Ik sprak zooeven, Simon,» liet Aischylos hooren, «van het menschelijk lijden dat de tragedie schildert. Maar als ik op de akropolis in gepeinzen verdiept was, doemde op voor mijne verbeelding de gestalte van een hooger wezen, lijdend door eigen schuld, van wiens lijden wij ons rekenschap kunnen geven, terwijl het ons niettemin zwaarder toeschijnt dan de schuld, die het heeft veroorzaakt. En ik nam mij voor den naam van dat wezen te schenken aan de tragedie, welke ik in het aanstaande voorjaar hoop te doen opvoeren en het mysterie van dat lijden neder te leggen in mijne verzen.»

Eene korte pooze hield hij met spreken op. Simon, wetende dat Aischylos zijne werken tot zich opnam en schiep in oogenblikken van verheven zielsverrukking, de juiste gedachte en het gepaste woord vindend zonder er naar te zoeken, hoedde zich wel hem in de rede te vallen, terwijl de godheid hem vervulde. Weldra ging de dichter voort:

«Ik zag in de verte, door het avondrood gekleurd, den stuggen Lykabettos zich verheffen. En het werd mij te moede onder het staren, als ware ik alleen op de aarde, als bevond zich daar niemand en niets dan ik zelf en de barre rots, die mijn blik geboeid hield. Ik sloot de oogen, de nabijheid der godheid bespeurende en het kwam mij voor als werd, nu het gezicht rustte, mijn gehoor opgevoerd tot eene ongekende scherpte, geluiden opvangend, den overigen stervelingen onverneembaar. Ik hoorde van de zijde van den Lykabettos verbijsterende mokerslagen weerklinken, aangebracht door meer dan menschelijke hand, dof dreunend door het luchtruim; en ieder van die slagen vond weerklank bij mij zelf, als werden ze aangebracht op mijne ziel, haar beukend en plettend met geweldige vuist. Als ik de oogen weder opsloeg, door pijnlijk verlangen gedreven, schoon ik wist dat een bitter schouwspel mij wachtte, daar zag ik, tegen den rotswand met scherpe nagelen geklonken, een gedaante, gruwzaam mishandeld en ontsteld, doch op het rampzalig gelaat door alle smarten heen den stempel dragend van goddelijke afkomst en van het hoogste streven. En terwijl een gevoel van nameloozen weemoed mij bij dien aanblik vervulde, opende de gedaante de veege lippen en sprak de woorden: «Ziehier, menschheid! wat ik lijde voor u. Ik, die om uwentwil mij tegen het bevel des oppergods durfde verzetten; die u heb opgeheven uit den treurigen staat, waarin ge verkeerdet; die de taak heb volvoerd, welke Zeus naliet te aanvaarden en u heb leeren zien, die ziende blind, heb leeren hooren, die hoorende doof waart. Een dwingeland is Zeus; een onrechtvaardige, die zijn oppermacht hard en willekeurig uitoefent; wiens bestuur slechts gegrond is op schrik en ontzetting! Maar het uur zal komen, waarin zijn schepter gebroken wordt en zijn troon ineen zal storten; waarin hij, de gedeemoedigde, zelf de hand ter verzoening zal reiken aan den vroegeren vriend, die thans onduldbare zielesmarten lijdt, omdat hij zelfstandig durfde optreden tegen den wreeden oppergod. De tijd zal alles volledig openbaren, dat zeg ik u, ik titan Prometheus!»

«Eene schoone bloem, uit schoone gaarde in eigen gaard overgebracht. Doch mijns bedunkens past de voorstelling, die ge hier van Zeus’ wereldbestuur geeft, weinig bij den eerbied voor de goden, welke ons, Atheners, steeds gekenmerkt heeft. Kunt ge het goedkeuren dat Prometheus de door Zeus verwaarloosde taak aanvaard en tegen den wil der opperste godheid volvoerd heeft, den menschen ten gevalle?»

Wederom aarzelde Aischylos een oogenblik. Gevoelde wellicht de jongere tijdgenoot van den pantheïst Xenophanes zich niet meer geheel bevredigd door het godsbegrip, van de vaderen geërfd? Hoe het zij, hij antwoordde:

«Wat ik zooeven schetste, is slechts een klein gedeelte der trilogie, welke den naam van Prometheus zal voeren. Elk opstaan tegen de goddelijke wereldordening, ook waar het uit de edelste beweegredenen voortspruit, kan slechts op kortzichtigheid berusten. Maar ook de kortzichtige kan tragisch wezen door de verhevenheid van het naaste doel, waarop zijn averechtsch streven gericht was en door de fiere kracht, waarmede hij de straf voor zijne overtreding weet te dragen.»

«Nog tal van maanden scheiden ons van de groote Dionysosfeesten. Mocht het mij echter alsdan gegeven zijn tot uw choreeg aangewezen te worden, dan zal het aan mij niet liggen of ge zult den zegekrans erlangen, al kostte het mij ook mijn geheele aandeel in de zilvermijnen van Laureion.»

Met deze woorden verliet Simon den dichter en ging huiswaarts.




II


Simon begaf zich ter ruste. Tegen zijne gewoonte nam hij geen deel aan het nachtfeest, dat den laatsten dag der Panathenaien vooraf ging; nu hij behoorde onder hen, wien de leiding van den stoet was opgedragen, wilde hij zijne krachten sparen voor den volgenden dag en eenige uren ongestoorden slaap genieten. Hij had er anders vaak en veel pleizier gehad, hetzij als mededinger bij den fakkelwedloop, hetzij als eenvoudig toeschouwer, in welke hoedanigheid men allerlei aardige avontuurtjes kon hebben met niet te preutsche meisjes. Maar ook dit trok hem minder aan nu hij dertig jaar was geworden en sedert eenigen tijd ernstig aan trouwen dacht. Evenwel, hij aarzelde voortdurend den beslissenden stap te doen, een meisje zoekend dat hij eenigszins tot leidsman en opvoeder kon strekken, daar hij eene andere opvatting van het huwelijk huldigde dan de Atheners in den regel deden. Een dergelijk meisje had hij echter tot dusver nog niet ontmoet en waar het verkeer tusschen jongelieden van beiderlei geslacht zoo uiterst beperkt was, wanhoopte hij er aan het ooit te vinden.

Vóór dag en dauw stond Simon op, ontbeet met een stuk brood in ongemengden wijn gedoopt en begaf zich naar den buiten-Kerameikos, de wijk waar de feeststoet zou worden opgesteld. Het kostte heel wat tijd eer hij zelf en de overige commissarissen, herauten en tempeldienaars de omvangrijke processie hadden geordend en aan menschen, dieren en wagens de juiste plaats gewezen: aan de groepen van twijgdragende grijsaards, overwinnaars in de wedloopen, hooge magistraatspersonen, fluit- en citerspelers, jongelingen te voet en te paard, hopliten en ruiterij van goeden huize, gezantschappen van stamverwante staten, dragers van wijgeschenken voor de godin, korf- en offergereedschapdraagsters van deftige geboorte, Atheensche burgers en burgeressen, burgerrechtlooze ingezetenen, kudden van runderen en rammen, paradewagens en eindelijk aan het hoofdbestanddeel van den optocht, den in die dagen nog door jonkvrouwen gedragen peplos. Het feestgewaad, door vrouwen en meisjes vervaardigd, was ditmaal bijzonder fraai en vertoonde in schitterende kleuren op saffraanvervigen ondergrond den strijd der goden met de giganten. Eindelijk was alles gereed en begaf men zich langs den voorgeschreven weg naar de akropolis.

Simon had gedurende den langen tocht ruimschoots gelegenheid zijne blikken te doen weiden. En er viel heel wat te zien. Zoodra hij het hoofd een weinig wendde, rustte zijn oog op de tot wijgeschenken bestemde fraaiste producten der Atheensche kunst: beeldhouwwerken in marmer en brons, sierlijke amphoren en drievoeten, offerschalen en schilden. En vóór zich aanschouwde hij de liefste en bevalligste meisjes uit de beste Atheensche familiën, sierlijke mandjes met bloemen, vruchten en reukwerk gevuld, boven het hoofd houdend. Hij had er pleizier in, de houding der onderscheidene meisjes gedurende den optocht gade te slaan. Allen wisten dat de blikken der Atheensche jongelingschap, voor welke zij gedurende het grootste gedeelte van het jaar onzichtbaar waren, heden op haar rustten; dat het feest der Panathenaien de aanleiding tot menig huwelijk was. Sommigen waren zichtbaar onder den indruk er van en hielden de schoone oogen strak op den grond gericht, terwijl ze met langzame passen voortschreden. Anderen vonden het zoo heel erg niet en keken vroolijk en lustig de wereld in, blijkbaar van meening dat men alle goede eigenschappen, ook maagdelijke schuchterheid, kan overdrijven. Nog waren er die de lange oogharen wel is waar neergeslagen hadden, doch niettemin uitstekend bespeurden wat er rondom haar voorviel en wie der omstanders haar zijne stilzwijgende hulde bracht. En Simon maakte bij zichzelf voorspellingen en phantaseerde hoe die verschillende jonge meisjes, vrouwen en moeders geworden, zich zouden gedragen. Die dáár, die zoo verbazend zedig keek, vertrouwde hij niet te best; zij had een plooi om haar lippen, die hem niet aanstond en kwalijk bij haar bedeesde blikken paste. Die andere meende het beter; haar heele gelaat stond buitengewoon stemmig; zij zou waarschijnlijk een feillooze, maar tevens een heel vervelende vrouw worden. En naast haar…

Er ontstond eene stremming in den optocht. Men was op de agora aangekomen en een deel der offerbeesten werd van den stoet gescheiden, om ter slachting geleid te worden op den Areiopagos en naar het altaar van Athene Hygieia. Enkele der runderen met vergulde hoorns, die toch reeds door de kransen, waarmede zij getooid waren en door al de in en om den stoet heerschende drukte, lastig waren geworden, weigerden mede te gaan en zwaaiden onrustig de koppen heen en weder. Met moeite werden ze door de geleiders tot hun plicht gebracht en ter offerplaats gevoerd, om later met hun lotgenooten tot besluit van het feest door het volk te worden verorberd.

Simon zette zijne jonkvrouwelijke studiën voort. Dàt was een aardig meisje, zwart van haar en oogen; zij merkte heel goed dat men haar aardig vond, maar kon het best verdragen. Zij bezat bij al haar levendigheid een gezonden eenvoud en Simon zag haar al in de toekomst, moeder van een talrijk gezin, met denzelfden helderen blik als thans het toezicht houden op krijschende kinderen, wevende slavinnen en voor keuken en kelder zorgen, zooals eene eerzame Atheensche huisvrouw schuldig was te doen. Of echter die gedecideerde jonkvrouw, die vrij wat vasten wil leek te bezitten, wel de meest geschikte deelgenoote zou wezen voor een huwelijk in hooger en intiemer zin, zooals hij beoogde en waarbij hij in den aanvang als gids en leeraar zou moeten optreden? Hij betwijfelde het en wendde het oog naar een tweetal meisjes, blijkbaar vriendinnen, die heel netjes naast elkander liepen en schijnbaar rechts noch links keken. Het eene kende hij wel…

Een nieuwe stoornis in den optocht had plaats. Het Eleusinion was bereikt, toen plotseling een hevig paardengetrappel zich deed hooren en aller blikken zich richtten naar het gedeelte van den stoet, waar de ruiterij zich bevond. Deze, uit jongelieden van de beste familiën bestaande, zonder uitzondering op fraaie paarden gezeten, welken tot kenmerk van echt ras de letter k of s op het kruis was ingebrand, had gedurende de processie manoeuvres uitgevoerd en op elegante wijze geparadeerd. Een der paarden had zich van den aanvang af koppig gedragen, onophoudelijk gesteigerd en was er thans in geslaagd zijn berijder, door stijgbeugel noch zadel gesteund, af te werpen, bij welke gelegenheid hij eene diepe hoofdwond had bekomen. Simon spoedde zich naar de plaats waar het ongeluk gebeurd was. Daar lag de jonge Athener, doodsbleek, het aangezicht met bloed bedekt dat de lichtbruine haren saam deed kleven, in zijn fraaie uitrusting, met den blauwen mantel om het lijf, alleen de rechtervoet van een spoor voorzien, een sierlijken armband om den pols. Het kleine bronzen schild en de groen-bronzen helm met liervormige kamversiering en gouden lauwerkrans, van achteren met een zwaren, witten paardestaart getooid, lagen op eenigen afstand. Het paard, op eens bedaard geworden, als ware het zich bewust iets heel verkeerds gedaan te hebben, werd door een stalknecht weggevoerd.

Men nam den bewusteloozen ruiter op en bracht hem naar eene veilige plaats. Ongeluksprofeten zagen in het gebeurde een slecht voorteeken; er waren er zelfs die beweerden, dat het beter ware de plechtigheid niet te laten doorgaan. Doch de stoet schreed verder, langs den Pelasgischen muur rondom de akropolis naar den ingang des burchtheuvels. En het oog van Simon zocht terstond onder den groep der korfdraagsters de twee meisjes wederom op, die zoo straks zijn aandacht hadden getrokken. Ja, het eene, het blondje, kende hij wel; het was de zestienjarige Erinna, de dochter van den beeldhouwer Rhoikos, die hij wel eens in de werkplaats van haar vader had gezien. Een echt kind, dat altijd als een hagedis wegslipte, zoo vaak er bezoekers kwamen. Maar de andere jonkvrouw, met dat buitengewoon korte, rosbruine haar, kende hij niet. En toch, hij kende haar wel; hij wist zeker dat hij die vioolkleurige, smachtende oogen meer gezien had; waar, dat kon hij zich niet herinneren. Zij was zeker niet ouder dan haar buurmeisje Erinna; toch was ze meer vrouw; ze had een ernstiger trek op haar gelaat en tevens iets kinderlijks, iets vertrouwelijks, dat hem bijzonder aantrok. Waar had hij ook weer die vioolkleurige oogen gezien? Hoe jammer dat het rosbruine, mooie haar zoo kort gesneden was! Hoe gelukkig aan den anderen kant dat het meisje zoo tenger en fijn was; stel u voor een statige, zwaar gebouwde jonkvrouw met korte krulletjes! En Simon keek zóó lang en zóó diep in die vioolkleurige oogen, welker herkomst hij nog maar steeds niet kon ontdekken; en hij staarde zóó onafgebroken naar dat rosbruine kroeshaar, dat hij, toen de optocht den ingang van de akropolis bereikt had, smoorlijk verliefd was en vast besloten, indien de goden het wilden, met deze bekoorlijke korfdraagster een huwelijksband te sluiten, gelijk hij zich dien steeds had voorgespiegeld.

De processie maakte halt. De weg, die naar den top der akropolis leidde, was voor dieren en voertuigen onbruikbaar; de ruiters stegen af; de paarden, offerbeesten en paradewagens bleven aan den ingang wachten. Simon, die als commissaris den stoet zou sluiten, zag achtereenvolgens de verschillende deelnemers voorbij trekken, den burchtheuvel op. Daar naderden de overwinnaars in de onderscheidene wedstrijden van den vorigen dag, onder hen Pheidippides, keurig en netjes en fijntjes evenals gisteren, een beetje vermoeid van uitzicht, door het voorafgaande nachtfeest zeker. En plotseling ging Simon een licht op: de smachtende, vioolkleurige oogen van Pheidippides geleken als twee druppelen water op die van de bevallige korfdraagster.




III


Den volgenden morgen begaf Simon zich op weg naar de woning van den beeldhouwer Rhoikos. Hij vond den kunstenaar in zijne werkplaats, in gezelschap zijner dochter Erinna, die bij Simons komst als gewoonlijk wilde verdwijnen, doch de jonge man liet haar zulks ditmaal niet toe. Hij had een klein, albasten, nauwhalzig fleschje, met kostelijk Syrisch reukwerk gevuld, medegebracht en, terwijl hij haar dit voorhield, zeide hij: «Wel, Erinna, ge hebt u gisteren voortreffelijk van uwe taak in den optocht der Panathenaien gekweten. En ik wil u toonen dat de goden nooit onbeloond laten, als iemand zijne plichten tegenover hen goed en nauwlettend vervult. Immers heden nacht in den droom kwam het mij voor dat de godin Athene zelve mij verscheen en opdroeg, een klein geschenk aan hare lieve korfdraagster ter hand te stellen.» Het meisje, hoewel zeer in haar schik dat de godin Athene zooveel aandacht aan haar wijdde, stond besluiteloos; zij had den ondankbaren leeftijd bereikt, waarop het aannemen van een geschenk even bezwaarlijk is als het weigeren daarvan. Doch het sierlijke, welriekende fleschje was zóó verleidelijk, dat hare aarzeling van korten duur was; zij nam het aan en wilde na eene onhandige dankbetuiging ijlings het vertrek verlaten, toen Simon haar opnieuw den doortocht versperde. «Niet zoo haastig, Erinna,» zeide hij. «Een geschenk is een tegengeschenk waard, temeer nu dat tegengeschenk slechts de beantwoording eener enkele vraag is. Hoe heet het meisje met kort rosbruin haar, dat gisteren in den stoet naast u liep?» Erinna zag den spreker verbaasd in de oogen; als een jongeling van twintig jaren haar die vraag had gedaan, zou zij de strekking ervan wel begrepen hebben, maar Simon, dien zij reeds een tiental jaren als bezoeker van haars vaders huis had gekend, was in de oogen van het meisje een veel te deftig persoon, dan dat hij met verliefde bijoogmerken den naam van haar vriendinnetje zou wenschen te weten. Zij antwoordde: «Demetria, de dochter van Timotheos,» en slipte de deur uit met het fleschje in de hand – net een hagedis, dacht Simon evenals gisteren. Hij wist echter wat hij weten wilde en hield haar niet verder op.

Rhoikos had aan het geheele tafereel weinig aandacht besteed. Hij was vervuld van het kunstwerk waaraan hij arbeidde, en toen dan ook zijne dochter het atelier verlaten had, verzocht hij Simon een blik te willen werpen op een bijna voltooid beeld, waaraan hij bijzondere zorg had besteed. Een gordijn in den hoek der werkplaats werd ter zijde geschoven en Simon aanschouwde een meer dan levensgroot, wit marmeren vrouwenbeeld, eene priesteres van Athene, de bovenarmen tegen het lichaam gesloten, terwijl de rechterarm vooruitgestrekt was, de linker naar beneden hing en den zoom van het gewaad ophield. De kleeding bestond uit een fijn, gegolfd onderkleed en een zwaar, sterk geplooid manteltje dat linkerschouder en borst vrijliet en tot op den laatsten rugwervel reikte. Simon, hoewel zijn geest bij het binnentreden met geheel iets anders vervuld was dan met de voortbrengselen van Rhoikos’ beitel, zou echter geen Athener geweest zijn, wanneer hij den nieuwen indruk niet met levendige ontvankelijkheid had opgenomen; zich voor het beeld plaatsend, bezag hij het aandachtig. En hij bespeurde er iets in, waarvan hij zich in den aanvang geen rekenschap vermocht te geven; iets dat zijn gemoed weldadig aandeed, hoewel het beeld zich oppervlakkig niet onderscheidde van de overige kunstscheppingen dier dagen. Scherper en langer ziende, bemerkte hij echter kleine wijzigingen, het eerst in het haar, dat, vrijer behandeld, in het midden gescheiden, aan beide zijden van het hoofd naar beneden golfde en vervolgens achter de ooren gestreken was om in drie lokken aan weerskanten over den boezem te vallen. De mond was bevrijd van den typischen glimlach, hem tot nog toe eigen en bezat eer een weemoedige uitdrukking; de binnenste ooghoeken waren een weinig naar beneden gericht, wat vroeger ontbrak. Het geheel was niet iets ten eenenmale nieuws, maar toch meer dan louter eene verbetering van het bestaande: een belofte voor de toekomst; een onmerkbaar heenwijzen naar de geweldige vlucht, welke de beeldhouwkunst veertig jaren later zou nemen. Dat alles werd Simon langzamerhand klaar en verschafte hem eene groote verheuging; het was alsof hij heel in de verte een onbekend land zag, dat hijzelf misschien nooit van aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, doch dat betreden en gewonnen zou worden door een volgend geslacht, een heerlijk wingewest voor het violenomkranst Athene.

«Ik wensch u geluk, Rhoikos,» zeide hij eindelijk. «Gij zijt als Pygmalion, een lieveling der goden en het is alsof Pallas Athene zelve ziel en leven heeft geschonken aan het voortbrengsel uwer kunst.»

De bescheiden beeldhouwer schudde ontkennend het hoofd. «Prijs mij niet overmatig, Simon,» merkte hij op, «het mocht den nijd der goden wekken. Wij zijn er slechts even in geslaagd door onze kunst te kennen te geven, dat er in de schijnbaar onbezielde een hoog, een heerlijk leven sluimert. Hij zal komen na mij, die de doode opwekken en bezielen zal, al is wellicht de dag niet ver, die hem het aanzijn zal schenken. Maar ons blijft de troost dat hij den beitel ontvangen uit onze hand en den fakkel, waarmede hij eens glansrijk Hellas verlicht, ontstoken zal hebben aan onzen haard.»

En de beide mannen bespraken welk een ontzettende afstand de tegenwoordige beeldhouwkunst scheidde van de eerste voortbrengselen daarvan, de oudste voorstelling der godheid, het ruwe xoanon, van geringen omvang, uit hout der aan de godheid gewijde boomen gesneden, met de beenen aaneen, de oogen gesloten, de armen stijf langs het lichaam of rechtuit ter zijde gestrekt. Toen was Daidalos gekomen, die aan het beeld de oogen opende, de beenen scheidde en den armen eene vrijere beweging schonk. En het hout was vervangen door brons, naast het brons was het marmer verschenen en men had steeds gewerkt, soms met groote tijdsruimten waarin men schijnbaar niets vorderde, maar toch vooruitstrevend naar het einddoel dat, naar de beeldhouwer voorspelde, spoedig zou zijn bereikt. Hijzelf, zeide hij, vormde reeds weder een overgang; hij was zich bewust van de fouten van het tegenwoordige tijdperk, het vaak slordige der anatomie, het conventioneele der draperie, doch hij miste de geniale hand om die fouten, waarin hij opgegroeid en gevormd was, te verbeteren. Maar hij bleef zoeken in rustelooze onvoldaanheid, tevreden wanneer een volgend geslacht zou vinden, wat voor hem nog onbereikbaar was: het schenken van een volmaakten vorm aan de hoogste idee.

Zoo spraken zij langen tijd, tot eindelijk Simon het onderwerp te berde bracht, dat hem naar des beeldhouwers woning had gevoerd. Hij verhaalde dat hij voornemens was in het huwelijk te treden, zonder daarbij echter mede te deelen de opvoedkundige plannen, die hij met zijne aanstaande echtgenoote voor had. En hij verheelde niet hoe het meisje, dat gisteren aan Erinna’s zijde in den optocht verschenen was, een diepen indruk op hem gemaakt had. Of de beeldhouwer hem wellicht omtrent haar en de haren iets kon mededeelen? Rhoikos deed het gaarne en vertelde van Demetria’s vader, Timotheos, een goedrond buitenman, die in vroeger jaren rustig op het land geleefd had te midden van zijn wijn- en olijventeelt, van zijn schapen en bijen. Toen was hem in een onbewaakt oogenblik een huwelijk aangepreekt met een meisje van bijzonder deftige familie, maar die, buiten haar lange lijst van voorvaderen, geen obool aanbracht: Kleitagora, de dochter van Megakles, uit het geslacht der Alkmaioniden. Maar het had hem bitter berouwd! Het verschil in aanleg en opvoeding had zich terstond doen gelden. «Toen wij het huwelijksbed bestegen,» had Timotheos wel eens in een vertrouwelijk oogenblik tot den beeldhouwer gezegd, «rook ik naar most en onbereide wol, zij naar saffraan en allerlei soorten reukwerk.» En het was er niet beter op geworden, toen na een jaar de olijftak aan de huisdeur werd aangebracht, ten teeken dat er een zoon geboren was. Al dadelijk was er een hevig gekibbel ontstaan over den naam, die aan het knaapje zou gegeven worden. De aristocratische moeder wilde volstrekt dat er iets van een paard, hippos, in zou voorkomen; Xanthippos of Charippos moest de jongen heeten. De vader daarentegen wenschte den naam van zijn eigen vader, Pheidonides; de stamverwantschap met pheidomai, ik spaar, had voor den heereboer veel aantrekkelijks. Ten slotte had men het op een akkoordje gegooid en het jongsken Pheidippides genoemd. Doch naarmate het in jaren toenam, was ook de oneenigheid tusschen de ouders gerezen. Er ging geen dag voorbij of de moeder zeide tot den kleinen Pheidippides: «Als je groot zijt, rij je op de wedstrijden in een mooi wagentje mee, met een prachtige xystis aan, net als je grootvader Megakles,» waarop de vader onvermijdelijk deed volgen: «Als je groot zijt, houd je het opzicht over den wijnoogst, met een ouden chiton om het lijf, net als je grootvader Pheidonides.» Geen wonder dat het eerste vooruitzicht het aankomend mannetje meer toelachte dan het tweede, zoodat dan ook het paardachtig element in zijn naam het spaarziek bestanddeel daarvan allengs begon te verdringen, hetgeen er niet beter op geworden was toen de moeder voor een paar jaar had doorgedreven dat men het land verlaten en in Athene zou gaan wonen, waar zij trouwens spoedig gestorven was. Pheidippides was overigens geen kwade jongen, van wien nog wel wat terecht te brengen zou zijn, als hij maar in andere handen geraakte dan die van zijn suffenden vader en van vrienden, welke met laakbare eenzijdigheid slechts in dienst van het vermaak leefden. Maar Demetria was een allerliefst meisje, het type eener Atheensche jonkvrouw, zedig en bescheiden en in niets belangstellend dan in huiselijke zaken. Verder waren er nog twee jongere broertjes van dertien en veertien jaar, Philoxenos en Amynias, in wie de aard van den stamhouder scheen te zitten en die zich reeds nu met allerlei kattekwaad bezig hielden. De oude Timotheos was in goeden doen; hij had tot voor korten tijd zijn land door een vertrouwden slaaf laten beheeren en toen deze gestorven was het verkocht en zijn geld op bodemerij uitgezet, waarmede hij in goede jaren 25 pCt. maakte. Dit was hetgeen de beeldhouwer aan Simon had mede te deelen en wat dezen versterkte in zijn voornemen naar Demetria’s hand te dingen, waarbij heel op den achtergrond voor zijn geest de mogelijkheid verrees, nog iets terecht te brengen van den jongen Pheidippides, die voor twee dagen zulk een gunstigen indruk op hem gemaakt had. Met goede verwachtingen voor de toekomst begaf zich de jonge Athener, na zijn vriend dank gezegd te hebben voor diens bereidwilligheid, weder huiswaarts.




IV


Timotheos had geen bezwaar gemaakt Simon, die algemeen geacht was en heel wat geld met zijn mijnaandeel in Laureion verdiende, tot schoonzoon aan te nemen. Of hij aan Demetria behaagde, kwam daarbij minder ter sprake; volgens Atheensche gewoonte werd ’s meisjes gevoelen hierin niet gekend en aan Demetria eenvoudig medegedeeld, dat zij over eenigen tijd in het huwelijk zou treden met Simon, den zoon van Panaitios, welke mededeeling zij zonder tegenzin en zonder blijdschap ontvangen had. De verloofden zagen en spraken elkander schier zonder uitzondering in het gezelschap van derden, doch Simon had voorloopig geen berouw over zijne keuze en geloofde stellig dat het hem gelukken zou aan zijne aanstaande na het huwelijk de hoogere geestes- en gemoedsontwikkeling te doen deelachtig worden, welke hij zoo noode in de vrouwen zijner vrienden en bekenden miste. Wat hem bijzonder in Demetria aantrok, was de harmonische vereeniging van kinderlijkheid en levensernst, die hij in haar opmerkte; het eene oogenblik kon zij heel verstandig zitten praten over haar voormalig prettig leven op het land, om onmiddellijk daarop in dolle uitgelatenheid blindemannetje te spelen met haar broertjes Philoxenos en Amynias en daarbij menige buil en schram op te doen. Simon achtte het zijn plicht den goeden Timotheos er op te wijzen, hoe de knaapjes denzelfden weg opgingen als hun oudste broeder. «Slechts wie geleerd heeft te gehoorzamen, verdient te heerschen,» was hij gewoon tot Timotheos te zeggen en de brave man was het volkomen met hem eens. Toen zij dan ook weder, ondanks zijn uitdrukkelijk verbod, op een voet hoogte een touwtje dwars door het peristyl gespannen hadden, zoodat hun oude paidagoog een buiteling maakte en zich den neus aan bloed viel, liep hij met een boos gezicht op hen toe, zeggende: «Past op als het weer gebeurt! Empousa komt! Mormo zal je halen!» Maar deze bedreiging met schrikgestalten, waarmede men te Athene kleine kinderen naar bed joeg, maakte op de rakkers niet den minsten indruk, temeer wijl de negentienjarige Pheidippides er een onweerstaanbaar genoegen in vond hun guitenstreken aan te moedigen en hen, in afwachting van mannelijker oefeningen, rijkelijk voorzag van strijdhanen en vechtkwartels. Hij zelf maakte in den laatsten tijd het huis en de Atheensche straten onveilig met een reusachtigen Molossischen dog, die, hoezeer goedaardig van karakter, alle voorbijgangers op ijzingwekkende wijze aangrijnsde. Zoo vaak hij met het kolossale dier de woning zijns vaders binnentrad, joeg hij zijn zuster een angst op het lijf voor haar Meliteïsch schoothondje, gewoon een schrikbarend gekef aan te heffen tegen het Molossische monster, dat het als een pil had kunnen inslikken.

Den liefsten indruk van Demetria had Simon ontvangen toen hij haar, in een der zeldzame oogenblikken waarin zij alleen waren, gevraagd had, waarom zij, tegen de gewoonte der Atheensche meisjes, het haar zoo kort droeg. Ze had hem toen verhaald van eene zware ziekte, die haar eenige maanden geleden bezocht had; iedereen had gedacht dat zij sterven zou en zij zelf ook. Doch ze betreurde die ziekte niet, want in die dagen had zij eerst duidelijk bemerkt, hoe lief men haar had, zoowel haar vader en kleine broertjes als ook Pheidippides, die zich anders zoo raar en onverschillig kon aanstellen, maar toch in zijn hart zulk een goede jongen was. En niet genoeg woorden van vriendschap en lof had zij voor haar vriendinnetje Erinna, haar medekorfdraagstertje van de Panathenaien; die was zelf ziek geworden van overspanning en verdriet. Zijzelve was dan ook zoover weg geweest, dat zij aan Erinna, die zulke mooie verzen maken kon, gevraagd had een grafschrift voor haar te vervaardigen. Erinna had geveinsd die vraag heel gek te vinden; doch toen zij hersteld en geheel buiten gevaar was, had haar vriendinnetje bekend, het grafschrift wel degelijk gemaakt te hebben, want niemand had getwijfeld of Demetria zou sterven. Erinna had het haar laten lezen en het was heel mooi geweest; zij had echter haar best gedaan het zoo spoedig mogelijk te vergeten, want zij vond het eene akelige herinnering. En zoo kwam Simon langzamerhand te weten, waarom zijne verloofde het haar zoo kort droeg; na het herstel had ze, gelijk behoorde, de rosbruine lokken met den haarband aan Asklepios geofferd en het haar wilde maar niet groeien. Zij had toen nog eenigen tijd de warme zwavelbaden te Aidepsos op Euboia gebruikt en gevoelde zich thans zoo gezond als nooit voorheen.

Pheidippides achtte de verloving zijner zuster eene geschikte en ongezochte gelegenheid tot het aanrichten van een feestmaal. Hij kon het uitstekend met zijn aanstaanden zwager vinden. Onbewust gevoelde hij diens zedelijk overwicht en er sluimerden te goede elementen in zijn binnenste, dan dat de omgang met een man als Simon die niet op den duur zouden doen ontwaken. Zijne neiging tot pretmaken bleef echter voorloopig onverkort, hoewel zij moeilijker dan vroeger te bevredigen was, daar Timotheos op Simons raad de koorden der beurs langzamerhand wat stijver ging dichttrekken. Op het oogenblik bestond des jongelings gansche bezitting uit een tweetal harddravers, zoodat het hem zelf niet geheel helder was, op welke wijze hij, bij totale afwezigheid van krediet, zijn partij zou bekostigen. Maar dat zou wel terecht komen, dacht hij, en met een onbezorgd gemoed begaf hij zich op een morgen naar de agora, die nog niet van galerijen voorzien en met platanen beplant was, zoodat het er warm genoeg kon wezen. Pheidippides had zich echter voorzien van den breedgeranden Thessalischen hoed, die eene voldoende beschutting voor de zonnestralen aanbood.

Nog niet lang was hij op weg, of hij zag eene vrouwelijke gedaante naderen, door eene slavin gevolgd. Zij was gehuld in een azuurkleurig, tot op de voeten afhangend kleed van Ionisch model en van fijne, doorschijnende, Amorgische stof, onder den boezem door een kostbaren gordel saâmgehouden, terwijl de ronde armen bloot en de polsen, evenals de enkels, met gouden sieraden getooid waren. Sandalen met vierdubbele zolen, bestemd om het minder rijzige harer gestalte te verhelen, omsloten de voeten. Het sterk geblankette gelaat met de zwart geverfde wenkbrauwen en met goudpoeder bestrooide haren bracht een vreemden, doch gansch niet onbevalligen indruk teweeg, terwijl niet alleen het oog maar ook de neus bij haar te gast kon gaan, daar zij een sterken geur verspreidde van panathenaïkon, het kostelijke reukwerk, uitsluitend te Athene vervaardigd. De jonge vrouw, die een zonnescherm en bladvormigen waaier met zich droeg, wierp in het voorbijgaan Pheidippides een vriendelijken lonk toe, welke blijkbaar zijn doel bereikte, althans de lichtontvlambare jongeling bracht den appel, dien hij in de hand droeg, naar den mond en, na er een stukje afgebeten te hebben, reikte hij hem der schoone toe met de woorden: «Bekoorlijke Antheia, wanneer zal het u eindelijk behagen deze vrucht met mij te deelen?» – daarbij doelend op de Atheensche gewoonte dat men, door gezamenlijk een appel te eten, erkende elkander een goed hart toe te dragen. Doch Antheia, lachend het hoofd schuddend, weigerde de haar aangeboden vrucht te aanvaarden en gaf alleen ten antwoord: «Zulk uitmuntend ooft, Pheidippides, behoort op een gouden schaal te worden aangeboden,» waarop zij ijlings haar weg vervolgde, als de Parth in het vluchten een scherpen pijl van den boog doende snorren. De wenk was duidelijk genoeg en Pheidippides, die reeds lang de gunsten der bevallige hetaire had trachten deelachtig te worden, gevoelde zich door deze laatste ontmoeting dusdanig in minnegloed ontbrand, dat hij, alvorens zijn tocht te vervolgen, zich naar den paardenkooper begaf, met wien hij reeds meer zaken had gedaan en hem een zijne harddravers voor acht minen contant geld verkocht.

Vandaar spoedde hij zich naar de agora. Hij schonk weinig aandacht aan de tallooze winkeltjes, kraampjes en tafeltjes waar Athener en buitenman hunne waren met druk gebarenspel te koop aanboden en haastte zich, nu en dan een groet of woord met een bekende wisselend, naar het gedeelte der markt dat de gaarkeukenhouders huisvestte. «Welaan, Pasion,» aldus richtte hij zich tot een hunner, die reeds meer de eer had genoten hem te bedienen, «thans is het oogenblik daar om uzelf te overtreffen. Morgen heb ik ten mijnent genood den fijnproever Straton, benevens Kynaigeiros en Simon. Gij moet dus zorgen ons een maaltijd te bereiden, waardig op de tafel des Perzischen konings voorgediend te worden.» Pasion antwoordde dat hij niets liever zou doen dan Pheidippides van dienst te wezen, doch ditmaal bezwaar moest maken omdat hem van goeder hand verzekerd was, dat ’s jongelings vader niet meer bereid zou gevonden worden de schulden zijns zoons te voldoen. Hij, Pasion, kon derhalve tot zijn groot leedwezen den gevraagden maaltijd alleen leveren, wanneer hem bevorens een voldoend pand voor de betaling werd ter hand gesteld. «Is het anders niet?» zeide Pheidippides. «Eigenlijk behoorde ik mij te wenden tot uw buurman Phormion, die bovendien, naar ik hoor, de kookkunst vrij wat beter verstaat dan gij, ten einde u te straffen voor zoo snoode ondankbaarheid jegens mij, die u steeds begunstigd heb. Maar ik zal goedertieren wezen. Ge kent, Pasion, mijn harddraver Pherenikos, een fraaier paard dan ooit de stoeterij van Rhesos zelf heeft voortgebracht en voor welks opbrengst ge den gezamenlijken prytanen een vorstelijken maaltijd zoudt kunnen aanbieden. Ge kunt trouwens het dier heden middag bezichtigen en ik twijfel niet, of het zal u een meer dan voldoend pand toeschijnen.» De gaarkeukenhouder nam voorloopig dit voorstel aan en begon met Pheidippides de bestanddeelen van den maaltijd saâm te stellen. «Wat dunkt u,» vroeg hij, «van een schapebout in olie gebakken en omringd door olijven?» Pheidippides knikte goedkeurend. «En wat visch betreft, zou, dunkt mij, een thonijn…» «Geen thonijn, bij Hermes!» riep Pheidippides verschrikt uit; «sedert ik in de vorige week mijn maag aan thonijn overladen heb, kan ik dat gedierte zelfs niet hooren noemen. Geef mij een Kopaïschen paling, toebereid met schijfjes biet. Dan een schotel wild…» «Lijsters of haas?» vroeg Pasion. «Lijsters of haas,» herhaalde Pheidippides, terwijl zijn oogen klein werden bij het noemen van die twee in Athene meest geliefde wildsoorten. «Lijsters,» zeide hij na eenige aarzeling, het woord snel uitgooiend uit vrees van anders «haas» te zeggen en het, toen het er uit was, betreurend dat hij niet liever haas gekozen had. «En zorg vooral, Pasion, voor een uitgewerkt dessert met veel lekkere dingen en vergeet niet dien kruidkoek, dien ge zoo goed weet te bereiden.» Pasion beloofde dat bij den morgen te leveren kruidkoek de beroemde Samische een vertooning zou maken als Thersites naast Achilleus, en licht van hart verliet Pheidippides den gaarkeukenhouder. Bij nader inzien betwijfelde hij een weinig of hij wel verstandig gehandeld had en zijn feestmaal van morgen hem niet onevenredig veel zou kosten, want het stond vrij vast dat hij zijn harddraver niet zou terugzien. Maar weldra werd hij weder afgeleid door een aardig tooneeltje tusschen een agoranoom, met het toezicht op de ter markt gebrachte waren belast en een venter, die een sterk riekend stuk rundvleesch te koop aanbood, ofschoon laatstgenoemde met veel drukte verzekerde, dat het beest, waartoe het behoord had, eerst een uur geleden was geslacht, ten bewijze waarvan hij zijn bebloede handen omhoog hield. De man begon ten slotte zóó te razen en te tieren, dat hij door een paar der skythische boogschutters, die den politiedienst uitoefenden, met zijne waar moest verwijderd worden. En Pheidippides glimlachte, denkend aan Solons bepaling dat men in het marktverkeer steeds de waarheid zou behooren te spreken. Zoo bracht hij nog een heelen tijd op de agora door, slenterend en rondkijkend en gesprekken aanknoopend, tot ergernis van vele deftige, bejaarde Atheners, die het zeer verkeerd vonden dat jongelui zich reeds zoo op hun gemak gevoelden in het publieke verkeer; zij behoorden te wachten tot ze mannen geworden waren en met een rijp oordeel over de zaken vermochten mede te spreken. Pheidippides kon dit alles echter bijster weinig schelen; in gedachte genoot hij al van den schapebout, de lijsters, den paling en het uitgewerkt dessert, terwijl hij ernstig nadacht over de vraag, welke wijnen hij zijnen gasten zou voorzetten. Na lang wikken en wegen viel zijne keus op den vurigen, donkerrooden Chiër, met een glas gelen wijn van Zakynthos toe; die was licht en bevorderlijk aan de spijsvertering.




V


Toen Simon zich den volgenden dag naar de woning van Timotheos wilde begeven, zag hij in de verte eene vrij groote volksmenigte, die zich voor het huis zijner aanstaande verdrong. Nader komende bespeurde hij, dat het aanzienlijkste gedeelte daarvan uit knapen bestond, die met de grootste aandacht getuigen waren van een door Demetria’s beide broertjes, Philoxenos en Amynias, georganiseerd hanengevecht. Ieder had zijn eigen haan vooraf met knoflook gevoederd, ten einde hem des te strijdlustiger te maken en op het oogenblik waarop Simon verscheen, had juist een der beide dieren, dat van Amynias, zijn tegenstander zóó toegetakeld, dat het arme beest meer dood dan levend ter aarde stortte. Amynias jubelde luid terwijl Philoxenos, zijn gehavenden haan onder den arm medenemend, afdroop, onderwijl het dier op eene vervaarlijke wijze in het oor schreeuwend, opdat het niets vernemen zou van het triomfgekraai zijns overwinnaars.

De toeschouwers verdwenen en Simon wenschte Amynias geluk met de zegepraal zijns haans, waarop de jongen met tintelende oogen antwoordde: «Ziet ge wel dat de mijne het gewonnen heeft? Philoxenos zeide dat het niet mogelijk was, omdat hij den zijnen Achilleus genoemd heeft en ik den mijnen Hektor. Maar ik houd ook veel van Hektor; hij was de eenige van Helena’s zwagers, die nooit een hard woord tegen haar zei.» Simon lachte nog om de aardige opmerking, toen hij eene breede bloedstreep op het voorhoofd van het knaapje bemerkte en vroeg, waaraan die te wijten was. Amynias legde het hem uit: «Wij hebben een grappig spel gespeeld; een met lucht gevulden ledigen wijnzak hebben wij met vet ingesmeerd en zijn er toen op gesprongen; hij, wien het gelukte er vasten voet op te verkrijgen en te behouden, zou een krans ontvangen. En toen ben ik naar beneden gebuiteld en heb me bezeerd.» «Houdt dan,» vroeg Simon, «uw vader of de paidagoog bij uw spelen geen toezicht?» «Neen,» antwoordde de knaap, «vader bemoeit zich nooit met ons en de paidagoog is een oude suffer, dien we wegjagen als we gaan spelen.» Simon begreep er alles van: de goede Timotheos, in zijn huwelijksjaren door zijn vrouw voortdurend op den achtergrond geplaatst, was ten gevolge daarvan in een half wezenloozen toestand geraakt, die hem alle huiselijke bemoeiingen zooveel mogelijk deed schuwen. En wat den paidagoog betreft, deze met het opzicht over de jongens belaste persoon was, als in de meeste Atheensche huisgezinnen, een slaaf, voor andere diensten onbruikbaar, doch hiertoe nog in staat geoordeeld. Het was dus niet te verwonderen, dat de knapen bitter weinig ontzag voor hem bezaten en hetzij door bedreigingen, hetzij door giften, den man steeds wisten over te halen hunne streken niet te verklappen.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/gerardus-henri-betz/marathon/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Tiran, hier en verder, in de oude beteekenis van hem, die zich op onwettige wijze van de alleenheerschappij in een staat meester maakt of deze door erfrecht verkrijgt. ’s Mans persoonlijke geaardheid heeft daarmede niet te maken.


