Onder de Mooren J. Balen Johan Hendrik van Balen Onder de Mooren Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen I. EEN MAN OVER BOORD Het stoomschip, dat geregeld dienst doet tusschen Gibraltar en Tanger, trof op zijn overtocht naar laatstgenoemde plaats, den 1n Mei 187*, uitmuntend schoon weer. De zee was kalm en effen als een spiegel, de wind gunstig, – kortom de korte reis was bijzonder aangenaam en voorspoedig. Zoo smal echter de Straat van Gibraltar is, zoo wijd is in ander opzicht de klove, die de beide werelddeelen Europa en Afrika van elkaar scheidt. Hier te Gibraltar, aan de uiterste punt van Spanje's zuidkust, draagt alles nog het kenmerk der beschaving; doch binnen een paar uren stoomens bevindt men zich op den noordelijksten uithoek van Afrika's kust, in de Marokkaansche stad Tanger, in het hart van het barbarisme. Grooter tegenstelling is niet denkbaar. Van het strand te Tanger kan men Gibraltar zien; die twee werelddeelen, welke als het ware bestemd schijnen te zijn om elkaar de broederhand te reiken, zijn nochtans zoozeer van elkaar verwijderd gebleven, dat nog ten huidigen dage in Marokko geen zweem van beschaving, geen sprankje van verdraagzaamheid jegens Christenen, te vinden is. De voorspoedige reis en het schoone weder hadden onmiskenbaar een gunstigen invloed op de passagiers uitgeoefend. Allen bevonden zich op het dek der stoomboot, de meesten in druk gesprek, enkelen turend naar Europa's of Afrika's kusten. Allengs echter verdween Gibraltars trotsche rots en kwam Afrika's kust helderder te voorschijn. Twee jonge mannen, die zich in hun geheele voorkomen terstond deden kennen als ware zonen van het noorden en die met hunne blonde haren en blanke gelaatskleur in 't oogvallend afstaken bij de overige passagiers, meest van zuidelijker afkomst, stonden achteloos tegen de verschansing geleund en keken naar de opdagende kust, waar alles zich hoe langer hoe duidelijker vertoonde. Beiden waren, naar het scheen, van denzelfden leeftijd en verschilden ook in kleeding weinig van elkander. Toch kon men den een wel aanzien, dat hij van een hooger stand was dan de ander. Hij had eene slanke gestalte en was eer schraal dan gezet te noemen; hij droeg een kort afgesneden maar vollen bruinen baard en knevel en had een open, manlijk gelaat. De schrandere blauwe oogen zagen van onder zijne wenkbrauwen onderzoekend om zich heen; overigens droeg zijn gelaat den stempel van vastberadenheid en wilskracht. Zijn metgezel, ongeveer een hoofd kleiner dan hij, zag er forsch uit. Zonder gezet te zijn was hij niet half zoo mager als zijn makker. De breede schouders, de korte nek en de gespierde armen deden groote lichaamskracht vermoeden. Hij was zeer blond van haar en baard, welken laatste hij droeg à la Napoléon. In tegenstelling met zijn metgezel zag hij er niet zoo kalm en bedaard uit, en zulks deed zich ook vermoeden uit zijne driftige gebaren bij het gesprek. In zijn toon van spreken tegen den rijzigen jonkman was eene beleefde vrijmoedigheid op te merken, hoewel er duidelijk uit bleek, dat hij de mindere in maatschappelijke positie was. – Zoo is dit dan Afrika, wat we hier voor ons zien! vroeg hij; en is dit nu het Moorenland, luitenant? – Ja, Dries! dat is Marokko, antwoordde de ander; bevalt het je, dat we eindelijk aan het doel onzer reis zijn? – Zeker! gaf Dries ten antwoord. Zie, luitenant, ik vond het wel aangenaam dat reizen door België, Frankrijk en Spanje, maar men vindt daar overal toch nog iets, dat ons niet zoo geheel vreemd is. Men is daar nog altijd in de beschaafde wereld en, om u de waarheid te zeggen, watertand ik naar de onbeschaafde landstreken die we hier voor ons hebben. De andere glimlachte. – Gij hebt gelijk, Dries! zeide hij. Ook ik verlang er naar dit geheimzinnige en barbaarsche werelddeel te betreden. Zooals ik gelezen heb, moet de tegenstelling te groot zijn, om die niet verbazend te vinden – en dat bij zoo korten afstand! – Ja, wel verbazend, mompelde Dries. Maar zie eens, luitenant; wat zijn die witte dingen daar voor ons uit; men zou zeggen dat het huizen zijn. – Dat zijn het ook, het zijn de huizen van Tanger. De Moorsche woningen zijn allen blinkend wit en vierkant van vorm. – Komaan, zei Dries, dat lijkt mij! Het ziet er daar helder uit, en als alles zoo proper is, zal het mij genoegen doen; want de Spaansche onzindelijkheid ligt mij nog versch in het geheugen. Wat een vuile rommel in die straten, in die logementen; en dan die slaapplaatsen en bedden, brr! ik gril er van als ik er om denk, wat tal van slapelooze nachten wij, in onze reisdekens gewikkeld, op den vloer liggende hebben doorgebracht. – Verblijd je maar niet met een doode musch, antwoordde de ander. Ik geloof, dat het in Marokko niet veel beter zal zijn dan in Spanje. Een van beide; de Spanjaarden hebben dat gebrek aan zindelijkheid overgenomen van de Mooren, of deze laatsten van de Spanjaarden. – Maar wat duivel! die huizen hebben geen ramen of vensters, riep Dries eensklaps uit. – Dat is ook zoo, antwoordde de luitenant. De Moorsche huizen hebben geen vensters aan de buitenzijde. Slechts eene kleine lage deur is al wat men er aan ziet. – Een fraaie bouwstijl, zeide Dries, het gelijken wel reusachtige blokken krijt. Ha, daar komen de Mooren al aan! Kijk, luitenant, daar op het strand, een geheele bende; bà, wat leelijke kerels! Inderdaad verscheen op het strand een troep havelooze kerels, die half naakt waren. Daar waren donker bruine Arabieren met zwarte baarden, taankleurige Mooren, en negers in de verschillende tinten van bruin tot gitzwart. De geheele troep stond op het strand de aankomst der boot af te wachten om als gids of pakkendrager een kleinigheid te verdienen. Juist wilde Dries weder eenige opmerkingen maken, toen opeens een angstkreet weerklonk gevolgd door een plomp in het water, en eensklaps klonk uit wel twintig kelen tegelijk de kreet van: »een man over boord!” Onze beide jongelui sprongen verschrikt op en keken naar den kant waar alle passagiers over de verschansing naar het watervlak staarden, en daar, reeds een heel eind achter de boot, zag men een man met de golven worstelen. Van alle kanten klonken verschillende kreten om hulp; reeds was de boot te water gelaten en wierpen eenige matrozen zich er in, toen Dries haastig jas en hoed op den grond smijtend zich door de verschrikte menigte op het dek, met zijne krachtige armen ruim baan maakte en over de verschansing sprong. Zijn metgezel, die eveneens eene beweging had gemaakt om te hulp te snellen, bleef thans staan en sloeg met de meeste kalmte den zwemmer gade, die met fiksche slagen de golven kliefde. Intusschen was de drenkeling, een kapitein van het Fransche leger in Algiers, door de vaart die de boot had, ofschoon men dadelijk stopte, een heel eind achtergeraakt. Blijkbaar was hij geen geoefend zwemmer, zoodat hij groote moeite had zich boven water te houden. Toen de passagiers en de bemanning der boot van den schrik waren bekomen, klonken verschillende aanmoedigende kreten den onverschrokken zwemmer na. Deze weerde zich dapper en deed vermoeden, dat hij heden niet zijne eerste proeve in de zwemkunst toonde. Regelmatig zwom hij voort zonder noodelooze overspanning en vorderde zoo snel, dat hij reeds na weinige minuten den Franschman was genaderd. Een daverend gejuich weerklonk van de boot, en de bemanning der sloep repte zich om spoedig den drenkeling en zijn redder te bereiken, die binnen weinige oogenblikken behouden werden aan boord gebracht. Redder en geredde werden bij hunne komst aan boord om het zeerst met gelukwenschingen overladen, en terwijl de laatste zich naar beneden spoedde om droge kleederen aan te trekken, liep Dries naar den luitenant, zich lachende aan de vele handdrukken en loftuitingen der omstanders onttrekkende. – Goed zoo, Dries! zeide de luitenant, hem de hand drukkend, goed gedaan! – Och, antwoordde Dries, 't had niet veel te beteekenen; met een kalme zee heeft zoo'n karweitje niet veel te beduiden. En bovendien, ik zag dat u van plan was om in zee te springen en zoolang ik er nog ben, behoeft u geen nat pak te halen. – Ge zijt een rare snaak, antwoordde de luitenant, maar ga je nu verkleeden; want straks moeten wij van boord en ge zoudt niet met een nat pak aan wal kunnen gaan. Juist toen Dries weder op het dek verscheen, kwam ook de Franschman weer te voorschijn. Hij trad snel naar zijn redder toe en overlaadde dien nogmaals met een stroom van dankbetuigingen, die door onzen held met eene afwijzende beweging glimlachend werden beantwoord. Beiden traden nu op den luitenant toe die hun halverwege tegemoet kwam, en na de gebruikelijke voorstelling was ons drietal weldra in druk gesprek gewikkeld. – Gij gaat naar Marokko? vroeg de Franschman. – Ja, mijnheer, antwoordde de luitenant. Ik voldoe daarmee aan een lang gekoesterd verlangen. Dat land te zien was steeds een mijner vurigste wenschen en thans ben ik, dank zij de erfenis mij door mijne tante nagelaten, in staat aan dat verlangen te voldoen. – Hebt gij reeds een bepaald doel voor uwe reis vastgesteld? vroeg de kapitein. – Ja, dat heb ik zeker, antwoordde de luitenant. Ik hoop, zoo er maar eenige mogelijkheid toe bestaat, Fez te bezoeken. – Fez, riep de Franschman uit met de hoogste verbazing. Wilt gij Fez bezoeken? Maar, mijnheer, weet gij wat Fez, wat die hoofdstad van Marokko is? Welnu, ik zal het u zeggen: Fez is de stad der verschrikking! – Komaan, zeide de luitenant dat zal wel erg overdreven zijn. – Overdreven, hernam de Franschman. Ik zie wel, mijnheer! dat gij Marokko noch Fez kent. Een officier van ons Regiment is er geweest, en ofschoon de dappere kerel er heelhuids van is teruggekeerd, was hij toch op weg om krankzinnig te worden. De verhalen, die hij ons deed van Fez, deden ons denken aan Dahome[1 - Het rijk Dahome, aan de Slavenkust (West-Afrika), ligt aan de Golf van Benin. Het is bekend wegens de barbaarsche menschenoffers en door zijn leger van vrouwelijke soldaten (Amazonen).]. Alles is daar even afschuwelijk. Geloof mij, het is een onmogelijk plan! – Ba! antwoordde de luitenant, alles is mogelijk. Met een flink paard onder zich, eene goede buks in de hand en goeden moed komt men ver. – Maar ik zeg u, dat uw plan onmogelijk is te volbrengen, hernam de Franschman. En hoe zoudt gij die reis willen doen en wat is wel uw doel? Ik kan toch niet gelooven, dat louter nieuwsgierigheid uw drijfveer zou zijn. – Op uw eerste vraag kan ik antwoorden, dat wij met behulp van een goeden gids en een paar kameelen met de drijvers den tocht hopen te ondernemen. – Wat! riep de Franschman uit, gij meent met uw beiden naar Fez te kunnen reizen? – Welja, waarom niet? vroeg de luitenant. – Waarom niet? zeide de Franschman, omdat de afstand tusschen Tanger en Fez zoo groot is, dat gij, met den meesten spoed reizende en zonder buitengewone bezwaren op den weg te ontmoeten, dien niet binnen minder dan een maand kunt afleggen. Op dien weg bedreigen u bij elken voetstap gevaren in den vorm van roofzieke en moordlustige Arabieren en waanzinnige heiligen. Bovendien loopt dien weg door het land der Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste en roofgierigste gespuis van geheel Afrika, ware duivels, die niemand door hun land laten trekken. – Welnu, zeide de luitenant, de wenkbrauwen een weinig fronsende, ik heb mij voorgenomen naar Fez te gaan en hoop dat ondanks al uwe bezwaren te doen. Marokko te bezoeken en Fez niet te zien, zou hetzelfde zijn als naar Frankrijk te gaan zonder Parijs te bezoeken. Neen, dat gaat niet aan. Wat zeg jij er van, Dries? – Wel, luitenant! antwoordde Dries, ik vind, dat wij het maar moesten wagen; die niets waagt, wint niets. Waar u heen wil ga ik mee, dit is zoo klaar als dat twee maal twee vier is. En bovendien, al heeten die kerels Beni-Hassen, ze kunnen toch geen twee flinke Hollandsche borsten als wij zijn zoo maar voetstoots van kant maken, zou ik zeggen. – Gij ziet, zeide de luitenant, dat mijn brave metgezel het volkomen met mij eens is. Laten wij er dus niet meer over spreken, ik wil Fez zien en hoop door dat reisje veel kennis op te doen van land en volk, van het klimaat en de natuurvoortbrengselen van Marokko, dat is mijn doel, en hiermede is uwe tweede vraag beantwoord. Ik ben een groot minnaar van de wetenschap en hoop mijne kennis op die manier eens flink te verrijken. – O! sprak de Franschman met geestdrift, gij beoefent de wetenschap; ook ik heb die lief. Gedurende een zesjarig verblijf in Algiers was ik in de gelegenheid voornamelijk de Arabische bevolking te bestudeeren, en ik verzeker u, dat het een interessant volkje is, schoon men, als men dieper tracht door te dringen in hun karakter en zeden, veel opmerkt, dat hemelsbreed verschilt met hetgeen zoovele schrijvers omtrent hen hebben medegedeeld. – Maar ik dwaal af van hetgeen ik u wilde verhalen. Ik heb mij hierheen begeven ten einde meer eenheid en volledigheid te brengen in de verzameling penneschetsen, die ik zoo langzamerhand omtrent dit merkwaardige volk heb bijeengebracht. – En nu, waarde heer, zoo besloot hij, het is voor mij een groot geluk, een waar genoegen, met u en uw metgezel, mijn redder, te hebben kennis gemaakt, en ik hoop dat gij aan uw stout reisplan niet al te spoedig uitvoering zult geven, daar ik dan nog eenigen tijd uw aangenaam gezelschap zal kunnen genieten. Gij ziet, waarde heeren! er is ook hier alweer eigenbelang in het spel. Intusschen daar wij zijn aangekomen en ik geloof dat ge even verlangend zult zijn om voet aan wal te zetten als ik, zullen we dienen afscheid te nemen. Wanneer ik u echter, in afwachting van de gelegenheid om mijne schuld aan u af te doen, eenigszins aan mij mocht verplichten door u tot gids te strekken om een goed onderkomen te Tanger te vinden, zal ik mij zeer gelukkig achten. Ik ben reeds eenmaal hier geweest en bijgevolg geen vreemdeling meer in Tanger. Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en nadat de kapitein aan zijn Arabischen bediende had last gegeven zorg te dragen voor zijne bagage en die der Hollanders, wenkte hij den roeier van een der schuitjes, die thans in menigte het schip omringden, en ons drietal stapte weldra aan land. Men volgde eene Moorsche straat, niet breeder dan een paar meter; links en rechts waren hooge vuil-witte muren zonder een enkel venster. Op sommige plaatsen waren die straten, of liever steegjes, overdekt. Overal waren de straten even nauw, vuil-wit en somber; het was een ware doolhof van gangen en stegen, somwijlen afgebroken door eene poort in Moorschen stijl gebouwd. Onze reizigers keken verwonderd rond, en die eerste indruk was verre van aangenaam. De straten waren vuil; overal lagen doode honden of katten, slechts hier en daar kwam men eenige menschen tegen, die er even vuil en somber uitzagen als hunne omgeving. Zij droegen allen een lang wit gewaad; een groote witte kap bedekte het hoofd en liet niets zichtbaar dan het bruine gelaat met de sombere uitdrukking. Eene enkele maal flikkerde onder den kap een paar vurige oogen onzen reizigers tegen, maar de meesten deden alsof zij de vreemdelingen niet opmerkten. Statig en stil bewogen die menschen zich voort, of zaten ineengehurkt hier en daar tegen de witte muren aangedrukt. Dries was de eerste, die aan zijne verwondering lucht gaf. – Is dat Tanger, is dat eene stad, zijn dat Arabieren, riep hij uit. Mijn God! luitenant, ik geloof dat we in eene monnikenstad zijn verzeild geraakt. Die huizen zijn kloosters, en die menschen gelijken allen op monniken. Hè, wat een akelige kerels! Ze zien er net uit alsof zij naar eene begrafenis moeten. Men wordt hier huiverig. – Ja waarlijk, antwoordde de luitenant, 't is hier akelig somber. De eerste indruk van Tanger op mij is niet aangenaam. – O, zeide de Franschman, daaraan wordt men weldra gewoon. De Arabieren zijn niet levendig van aard. Die verschillende personen gaan allen daarheen alsof zij bevreesd zijn gerucht te maken. Geen mensch ziet ons, en toch zijn we vreemdelingen en nog wel Christenen. Verplaats u eens in gedachte in eene stad van de beschaafde landen; daar zou men dadelijk van alle kanten worden aangegaapt, nageloopen en uitgelachen, als kleeding en voorkomen zoozeer verschilden met die der bewoners. Maar schoon zij hier niets laten blijken, moet ge daarom niet denken dat ze ons niet zien! Neen, als hunne oogen dolken waren, zouden we reeds lang zijn gedood. En geloof vrij, dat elke Arabier, dien wij tegenkomen, in stilte de hartelijkste verwenschingen tegen ons uitbraakt. Op dit oogenblik ging hen eene vrouw voorbij. Zij was gesluierd, maar aan haar vluggen tred kon men gemakkelijk zien dat zij nog jong was, misschien ook wel schoon. Toen zij voorbijging, knikte Dries haar lachend toe. Zij trok den sluier zoo mogelijk nog dichter om haar gelaat en mompelde eenige woorden, terwijl zij toornig de vuist tegen ons drietal schudde. – Wat zegt zij? vroeg de luitenant aan den kapitein. – O! antwoordde deze, zij roept u het welkom in Tanger toe, dat is hier zoo het gebruik. – Eene mooie verwelkoming, die met eene vuistbedreiging vergezeld gaat, riep Dries uit. Beide mannen lachten. – Welnu, wilt ge dan weten wat zij zegt? hernam de kapitein. »Vervloekte Christenen, onheil over u!” Onze beide reizigers begonnen hartelijk te lachen. – Komaan, zei Dries, dat is kort maar krachtig, en naar ik vertrouw ook hartelijk gemeend. – Mijneheeren! wij zijn waar wij wezen moeten, zeide de Franschman thans. Ziehier uw logement. Volg mij maar, ik zal u introduceeren. En onze vrienden verdwenen in het lage gebouw. II. LUITENANT FRANK EN ZIJN OPPASSER Voor ik verder ga met mijn verhaal, dien ik mijne lezers wel eerst een weinig op de hoogte te stellen van de hoofdpersonen, die wij in het vorige hoofdstuk ten tooneele hebben zien verschijnen. Frank de Leeuw, de tweede zoon uit het huisgezin van eene met vele kinderen gezegende Rotterdamsche familie, had reeds vroeg de wijde wereld in moeten gaan, ten einde zich een fatsoenlijke positie in de maatschappij te verwerven, die vader niet bij machte was hem te geven, zooals hij gaarne had gewild. Kampen was, als bij zoovele fatsoenlijke maar niet met ruime middelen gezegende familiën, naar 's vaders oordeel de beste plaats voor Frank, om zonder veel kosten een flink burger te worden. Onze held vertrok dus naar het Instructie-bataljon. Begrijpende dat hij vooruit moest, werkte Frank, hoewel zijn vak hem alles behalve naar den zin was, met vlijt en volharding, en door zijne wilskracht maakte hij zoo snelle vorderingen, dat hij reeds op drieëntwintigjarigen leeftijd, na ongeveer zes jaren te hebben gediend, tot tweeden luitenant werd bevorderd en Kampen verliet. Twee jaren daarna was hij reeds eerste luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers, te 's Gravenhage in garnizoen. Maar, zooals het gewoonlijk gaat met hen, die geen werkkring naar hun zin hebben, zoo ging het ook met Frank. Hij dweepte in het geheel niet met het militaire leven en was daarentegen een hartstochtelijk minnaar van wetenschappelijk onderzoek. Zijne voorliefde voor de kennis van vreemde landen en volken, alsmede van de natuurlijke historie, was het die hem steeds bezig hield op zijn kamer, terwijl zijne kameraden hun tijd zoek maakten in het koffiehuis of dergelijke plaatsen. Op de kaarten volgde hij trouw den weg der koene reizigers en benijdde hun vaak het genot hun leven aan de wetenschap te kunnen wijden en door eigen oogen te aanschouwen wat hij slechts uit de boeken kon vernemen. Hij kon zelfs den zeeman, die onbezorgd overal heengaat, zijne vrijheid misgunnen, hoewel diens leven waarlijk niet benijdenswaardig is, en menigmalen kwam de wensch in hem op verweg heen te trekken naar die weinig beschaafde volken, die toch nog zoo vaak van zich doen spreken, al is het dan ook door hunne barbaarschheid. Onverwacht zag Frank zich tot zijne onuitsprekelijke blijdschap in staat gesteld aan zijn zoolang gekoesterden wensch te voldoen. Eene rijke tante, wier oogappel de jonge officier altijd was geweest, overleed plotseling en maakte haar neef tot eenig erfgenaam van haar niet onbelangrijk vermogen. Toen was het besluit van onzen luitenant ook dadelijk genomen. Hij vroeg en verkreeg, hoewel men ongaarne den flinken officier zijn korps zag verlaten, zijn eervol ontslag. Gedachtig aan de moeite, die zijne ouders hadden om in een fatsoenlijken stand te kunnen leven, ondanks hun onvermoeide inspanning, verzekerde hij zijnen vader een vast jaarlijksch inkomen uit de helft van zijne renten, daar hij aan het overige bij zijne eenvoudige levenswijs genoeg had, en besloot naar Marokko te gaan, een land, dat in vroeger eeuwen wegens de beschaving zijner bewoners zoo hoog stond aangeschreven en thans zoo diep vervallen is van zijne vroegere grootheid. Toen Frank's oppasser vernam, dat zijn heer op zijn verzoek ontslag uit den dienst had bekomen, zette hij een verwonderd gezicht, en zijne verbazing nam nog toe, toen deze hem zijn voornemen mededeelde om Marokko te bezoeken. Het eerste woord dat hij, na van zijn verbazing bekomen te zijn, sprak, was het op spijtigen toon geuite: »Wel verduiveld!” – Waarom zegt ge dat? vroeg Frank. – Wanneer denkt u te vertrekken, luitenant? – Wanneer? gaf deze ten antwoord; laat eens zien, we hebben nu 20 Januari, wel, ik denk ongeveer in het laatst van Februari of het begin van Maart. Maar waarom vraagt ge dit, Dries? Nog antwoordde Dries niet. – Kunt ge niet eerst over een jaar vertrekken, luitenant? vroeg hij eindelijk. – Maar nog eens, Dries, met welk doel doet ge mij toch al die vragen? – Waarom, luitenant, wel omdat ik ongeveer over een jaar mijn paspoort krijg. – Nu, wat zou dat dan? vroeg Frank. – Dat zou zooveel, luitenant, dat ik dan met u kon meegaan, antwoordde Dries. Frank was aangenaam verrast. – Meent ge dat waarlijk, Dries? vroeg hij. Zoudt ge waarlijk met mij meewillen? – Natuurlijk, antwoordde Dries; wat ik zeg meen ik altijd, luitenant! – Maar weet je wel, hernam Frank, dat zoo'n reis niet zonder gevaar is. Het is geen reisje door ons land of naar Parijs. Weet je wel, dat men kans heeft er niet heelhuids af te komen, ja er het leven bij in te schieten. – Ba! antwoordde Dries; men kan overal sterven. Wat dat betreft, luitenant, maak u over mij niet ongerust. Juist daarom zou ik met u mee willen. Ge zoudt dan ten minste niet alleen zijn onder dat gespuis, en twee kunnen en weten altijd meer dan één. 't Is maar dat jaar, ziet u, dat jaar dat ik nog dienen moet. En de brave borst krabde zich in verlegenheid het hoofd. – Welnu! zeide Frank opeens, als je mee wilt, neem ik het volgaarne aan. Bekommer je niet over dat jaar, ik zal een plaatsvervanger voor je stellen. Dries sprong wel drie voet hoog en wierp van louter pret zijne politiemuts tegen het plafond. Hij schudde de hem toegestoken hand en werd vuurrood van vreugde. Men stond den luitenant bereidwillig zijn verzoek toe, en op denzelfden dag dat hij zijn eervol ontslag kreeg, ontving ook Dries zijn paspoort. Als er iets was, dat luitenant Frank genoegen had kunnen doen, dan was het die toewijding. Dries toch was geen gewoon oppasser. Hij was voor Frank geen vreemde. Hun vriendschap dagteekende reeds van hunne kindsheid. Dries was de eenige zoon van behoeftige ouders; zijn vader en moeder hadden steeds een kommervol lot gehad en de moeder van Dries was de min geweest van Frank; want toen dokter de Leeuw's echtgenoote te zwak bleek om haar geliefd kind te kunnen zoogen, had de dokter spoedig omgezien naar eene gezonde min en die gevonden in de moeder van Dries, die hij juist eenige weken te voren onder zijne patiënten had gekregen. Van zijne kindsheid af had Frank zich aan zijne min als aan eene tweede moeder gehecht; de knapen waren te zamen opgegroeid en hadden eene hartelijke vriendschap voor elkaar opgevat. Toen Frank luitenant werd in de Hofstad, was Dries als milicien bij het Regiment ingedeeld, en reeds den tweeden dag na zijne indiensttreding zocht hij zijn vroegeren speelmakker op, verkreeg, bij het naar huis gaan van de miliciens der vorige lichting, de plaats van oppasser bij Frank, en liet zich spoedig daarna als vrijwilliger bij het leger aannemen. Ofschoon in maatschappelijke positie verre van elkaar verwijderd, bleef de vriendschap van de beide jonge mannen even hartelijk en begrepen ze te goed hunne verhouding tegenover elkaar om daar niet naar te handelen. Hoewel dus voor iederen oningewijde hun ongedwongen omgang verborgen bleef, behandelde Frank zijnen speelmakker bijna als zijns gelijke en vormde van hem een voor zijn stand flink ontwikkeld persoon. Zijne vreugde over het besluit van Dries laat zich dus gemakkelijk verklaren. Een vriend vol toewijding als deze, een makker als Dries, was niet te verwerpen bij een verblijf in een onbeschaafd land, waar ieder, die den naam van Christen draagt, als een indringer en vijand wordt beschouwd. Zooals Frank had gezegd, vertrok men op een der laatste dagen van de maand Februari 187*, den weg nemende over België, Frankrijk en Spanje, naar Gibraltar, de grijze vesting, de rots-sterkte der Engelschen, die de sleutel tot de Middellandsche Zee is, alwaar men den 24 April aankwam. Op die korte reis, vol afwisselingen, had Frank het gezelschap van zijn bediende en vriend recht leeren waardeeren. Steeds het eerst aan het werk en het laatst ter ruste, was zijn geheel streven om zijnen luitenant, dien hij nog steeds ouder gewoonte zoo bleef noemen, voor elke onaangenaamheid te bewaren en hem zoo min mogelijk tot last te zijn, iets wat de brave borst zich menigmaal verbeeldde. Zijne zorg strekte zich zelfs zoover uit, dat meermalen gedurende de reis door Spanje, als men in de eene of andere verdachte streek moest overnachten in bouwvallige smerige herbergen, Frank, als hij des nachts toevallig ontwaakte, zijn getrouwen Dries, met zijn matras, in plaats van op zijne legerstede, voor de deur van het vertrek vond liggen, met revolver en sabel naast zich. Want Dries stelde in de Spanjaarden geheel geen vertrouwen. Met elken postiljon en elken herbergier, die niet beleefd genoeg was, had hij twist en gaf steeds als zijne meening te kennen, dat in Spanje geen enkel fatsoenlijk, eerlijk gezicht te vinden was, maar enkel galgentronies te zien waren. Na een verblijf van eene week te Gibraltar verliet men dat uiterste punt van Europa, om binnen eenige uren den voet op Afrika's bodem te zetten. III. TANGER, DE MOORSCHE STAD. – DE ZEGEN VAN DEN HEILIGE Het was nog vroeg op den dag (den eersten dag na hunne aankomst), dat kapitein Daumas onze vrienden kwam uitnoodigen Tanger te gaan bezien. Dit aanbod werd met vreugde aangenomen en ons drietal doorkruiste weldra de tallooze straten, die een waar doolhof vormen en waarin het, zonder den kapitein, onzen vrienden onmogelijk zou geweest zijn den weg te vinden. De stad zag er heden bij eene vroolijken zonneschijn niet zoo somber uit als gisteren, doch met dat al was het er nog doodsch genoeg om het groote verschil op te merken, dat er tusschen Europeesche en Moorsche steden bestaat. Na tal van smalle smerige straten te zijn doorgegaan, hier links-, daar rechtsom slaande, nu een eind bijna in volslagen duisternis door een overdekte straat gaande, dan weder in het volle licht, dat verblindend weerkaatste op de witte muren, kwam men eindelijk op een plein. Hier was meer leven en beweging dan ergens elders. Het was een rechthoekig pleintje, omgeven van talrijke kleine winkels, tusschen welke hier en daar eenige grootere gebouwen, die zich te midden daarvan als paleizen vertoonden. Het waren de gebouwen van de vertegenwoordigers der verschillende vreemde naties. De kleine Moorsche bazaars leverden vooral een vreemd gezicht op. Verbeeld u een soort van alkoof, waarvan de ingang verminderd is tot eene kleine opening, als 't ware een venster zonder ruiten; daarbinnen zit de koopman, meestal een Moor met langen baard. Vóór, achter en terzijde van hem bevinden zich zijne koopwaren opgestapeld of op rekken geplaatst. Doodstil, onbeweeglijk zittende, brengt hij zijn dag door, onophoudelijk een soort van rozenkrans tusschen de vingers latende doorglijden en gebeden prevelende. Hier en daar stond een kooper met de armen op het muurkozijn geleund, en het hoofd door de opening gestoken. Wat de bevolking betreft, zag men hier allerlei natiën bijeen. Hier den Europeaan in zijne sombere kleeding, daar den Jood of Moor, prachtig uitgedost in veelkleurige kleeding; Arabische sjouwerlieden en bedelaars, negers en mulatten; den Koerier van den Sultan en den Beduïn met zijn kameel, kortom, het was hier meer dan der moeite waard eens rond te zien. Om de fontein, die aan de eene zijde van dit plein stond, was het onophoudelijk een dringen, stooten en vloeken van allerlei waterdragers, die met lederen zakken en kruiken zich hier van water kwamen voorzien. Op een ander gedeelte van het plein zat een tiental gesluierde vrouwen, die brood verkochten. – Welnu! zeide kapitein Daumas, wat zegt ge van Tanger? – Ik moet bekennen, zeide de luitenant, dat alles mij ten hoogste verbaast. – Nietwaar, hernam de kapitein, dat wist ik wel. Ja, 't is eene vreemde omgeving en eene zonderlinge bevolking. En welk eene schilderachtige afwisseling in alles. Vergelijk onze steden daarbij, en ge zult zien wat zij er bij verliezen. Ziet bijvoorbeeld daar die Arabieren. Ziet ge ooit zulke figuren in ons beschaafd Europa? Ik wil niet eens spreken van de schilderachtige en toch eenvoudige kleederdracht! Die lange, witte mantels, hoe verschillend die ook omgehangen mogen worden, open of gesloten, los of vastgesnoerd, altijd hangen zij in even pittoreske plooien neder. De over het hoofd getrokken kap doet u raden naar den leeftijd; want denk niet dat ge het uit de gelaatstrekken kunt opmaken; ge zoudt u deerlijk vergissen. Uit de witte kap komt niets anders te voorschijn dan het stroeve hout- of bronskleurig gelaat met de vlammende oogen. En het lange gewaad laat niets zien dan de bloote voeten en handen. Maar beschouw die houding, hoe fier, hoe vol majesteit en hoe ongedwongen. De voetstap is vast en veerkrachtig, maar niet dansend. Kortom, de geheele houding teekent den vrijen mensch, vrij naar de natuur en naar de wet. – Ja, ge hebt gelijk, antwoordde de luitenant, nooit zag ik iets dat hiermede te vergelijken is. – Hoe verschillend, vervolgde de kapitein, is nu de Arabier van de Moor. Zie daar ginds de groep van Mooren, rijke leegloopers, die daar een praatje met elkaar houden. Welk een pracht spreidt dat volk ten toon. Zie dien grooten mousselinen tulband; dien kaftan, kersen- of rozenkleurig, lang, tot bijna op de voeten hangend en bovenal dien kaïk, die lange strook van witte zijde met doorschijnende strepen, die, rondom den tulband geslingerd, los en zwierig in talrijke kronkelingen langs den rug tot de voeten daalt. Welk eene oogverblindende pracht bij dit volk. En ook onder hen ziet men van die flinke schoone gestalten. Zie bijvoorbeeld dien jongen Moor daar, die hierheen komt. Wat rijzige gevulde fraaie vorm, welke prachtige oogen! Hij zou opgang maken onder de schoone vrouwen van Parijs. – Inderdaad, zei de luitenant, 't is een knappe jongen, en als de vrouwen ook zoo zijn, zou men waarlijk in verzoeking komen er hier een te zoeken. – O! wat dat betreft, zeide de kapitein, wees gerust; vrouwen zult ge niet met ontbloot aangezicht zien, of het moesten Jodinnen zijn. – Maar zijn zij inderdaad zoo gestreng om ons niet een blik op haar schoon gelaat te gunnen? vroeg de luitenant. – O! waarde vriend, zeide de kapitein, eer zoudt ge een muzelman kunnen bewegen u in zijne moskee te laten binnentreden, dan eene Arabische of Moorsche schoone ook maar een tipje van haar sluier op te lichten. Maar ziedaar, gij zult het zien, daar komt eene schoone, let goed op wat zij doen zal. Werkelijk kwam onze vrienden eene oude Moorsche vrouw te gemoet, die gebogen en strompelend voortsukkelde. Op het oogenblik dat zij het gezelschap voorbij moest, trok zij den sluier, die haar gelaat tot aan de oogen bedekte, omhoog, zoodat nu haar geheele gelaat bedekt was, en zich met het aangezicht bovendien naar den muur wendende maakte zij een gebaar vol minachting. Dries begon hartelijk te lachen. – Wees gerust, oudje, zeide hij, ik zal u mijn hart niet schenken, noch door u mijn hoofd op hol laten brengen. Ik kan best begrijpen waarom zij zich zoo sluiert en zich van ons afwendt, zij is bevreesd dat wij hare heerlijke tronie zullen zien. Wel, wel! wat een inbeelding voor zoo'n oude heks. De beide officieren lachten hartelijk en men vervolgde de wandeling weder. Men was thans genaderd tot aan het einde van het plein, dat door eene straat van het strand af recht doorsneden wordt. In die straat vertoonde zich mede veel volk. Een troep van vijf mannen, groote gespierde kerels in donkere kapmantels gehuld, kwam juist de straat uit en ging het plein op. Luitenant Frank, die hen het eerste opmerkte, bleef staan om hen na te zien. De donkere mantel was versierd met zijden kwasten van verschillende kleur. Naast den bloedrooden tulband stak de loop van een zeer lang geweer boven den schouder uit. Enkele hadden op het donkere gelaat gele figuren getatoueerd. Fluisterend met elkaar sprekend gingen zij op tamelijken afstand ons gezelschap voorbij; doch niet zonder een stouten, uittartenden blik, die van gloeienden haat getuigde, op hen geworpen te hebben. – Ba! wat gemeene gezichten, zeide Dries, echte galgentronies! – 't Is goed dat zij u niet kunnen verstaan, zeide de kapitein; zij zouden er geen bezwaar in zien u hier op klaarlichten dag een kogel door het hoofd te jagen. – Wat! riep Dries; zouden ze dat durven en zou dat ongestraft kunnen gebeuren? – Zeker, antwoordde de kapitein. Luister, vriend! als ge deze knapen ooit mocht ontmoeten, waar of hoe ook, ga dan voor hen uit den weg, want ik verzeker u, ze zouden u met het grootste genoegen naar de andere wereld zenden als ge hen slechts leelijk aankeek, want die kerels zijn de Piraten van het Rif, de bloeddorstigste zeeroovers, de grootste de gemeenste bandieten, die de bergen langs de kust bewonen. Zij zijn voor niets en voor niemand bevreesd; met de overheid lachen zij; de soldaten van den Sultan en de oorlogschepen der Europeanen bespotten zij van uit hunne bergen. Elk schip, dat daar strandt, is reddeloos verloren. De lading wordt buitgemaakt; de equipage gedood. Ziedaar de oorzaak, dat men van vele op deze kust vergane schepen nooit iets verneemt. Hun eenige wet is hun geweer, en hij die in hunne woonplaatsen den voet zet zonder de bescherming van een invloedrijken heilige of Sheik, is verloren. Men spreekt hier over de streek waar zij wonen, als over een verschrikkelijk, ontoegankelijk, geheimzinnig land. – En dat volk, die roovers loopen hier vrij rond; zij durven zich hier op den dag vertoonen, riep de luitenant. De kapitein haalde de schouders op. – Wat wilt ge, antwoordde hij. Wie zal hen iets doen. Zie ze gaan, loerend rondblikkend; bij het minste wat hun verdacht voorkwam, zouden zij met het geweer in de hand spreken. Neen, men vreest dit canaille te veel om hen te bemoeilijken; volk en overheid vreezen hen en heulen met hen. – Maar kom, laten we zien, wat de oorzaak is van dien volksoploop daar; er schijnt iets bijzonders te zien te zijn. En zijne vrienden medetroonende, begaf de kapitein zich haastig naar de straat waar een groote hoop volk zich had verzameld en waar men allerlei afschuwelijke kreten hoorde. – Ha, dat dacht ik wel! riep de kapitein uit, toen men de groep was genaderd; 't is een heilige, die zijne kunsten vertoont. Ziet, hebt ge ooit iets walgelijkers gezien dan dezen heilige? En zeker was het een afschuwelijk schouwspel. In het midden van dien volkshoop stonden twee menschen, als men hun dien naam mag geven. De een, een man op jaren, was mager. Zijn taankleurig gelaat met de ingevallen wangen deed den scherpen, puntigen, krommen neus meer vooruitsteken; de diep in de kassen gezonken oogen straalden van een woest vuur. Hij hield in de rechterhand een smerigen stok met een even vuilen witten lap er aan. De ander, wel twee hoofden kleiner dan zijn makker, die eene verbazende lengte had, was opgeblazen dik. Zijn geheele gelaat was met eene lijkkleur overdekt, als van iemand die eene vreeslijke ziekte heeft. De groote oogen rolden woest door het hoofd en lieten tusschenbeide alleen het wit zien. Hij danste met allerlei verdraaiingen van het bovenlijf op eene eentonige wijs. Hoe langer hoe walgelijker werden de bewegingen van dien kerel; de oogen puilden weldra uit hunne kassen en het lichaam schudde en schokte van stuipachtige trekkingen. Zijn metgezel met de vlag hield, stampende met den stok en zich met de andere hand op de borst slaande, de maat met het afschuwelijke gezang, dat uit een dof gedreun bestond, afgewisseld door helsche geluiden en zuchten en met jammerlijke kreten, als van iemand die in den vreeslijksten angst verkeert. Twee even afzichtelijke kerels, de een met eene fluit, de ander met een oude trom, begeleidden dit concert, dat in waarheid eene vertooning uit de andere wereld scheen. En om die groep verdrongen zich de sjouwerlieden, de straatslijpers en ander gespuis, zich een weg banend met stompen en trappen, om het vuile witte doek of de smerige handen dier heiligen te kussen. Eenigen stopten hun wat geld in de handen. Als bewijs van zijne bijzondere tevredenheid over de ontvangen gift, gaf de reus een paar zijner aanbidders een gevoeligen nekslag met de beenige harde vuist, en spuwde een ander, wiens gift grooter was dan van een der overigen, in het gelaat. De aldus begunstigden liepen haastig heen, juichend over de onderscheiding hun van den heiligen man te beurt gevallen. De twee kerels met de fluit en de trom gingen nu huis aan huis, onder hunne aanhoudende helsche muziek, de giften inzamelen, en daar de troep verder ging om elders zijne vertooningen voort te zetten, liepen onze vrienden ook door. – Mijn God! zeide de luitenant, wat afschuwelijke kerels, ba, wat ellendelingen; ik ben zoo vol walging van die schavuiten, dat ik, als ik er nog langer naar gezien had, onpasselijk zou zijn geworden. Neen, kapitein, na dit staaltje van Marokkaansche heiligheid houd ik het nog liever met uwe onheilige zeeschuimers van daar straks, hoe vreeslijk terugstootend en gemeen die er ook uitzien; het past ten minste bij hun afschuwelijk handwerk. Een roover heeft zelden een gunstig gelaat. Maar deze kerels, ba, ik walg van hen. – Ja, 't is gespuis, antwoordde de kapitein, en bovendien is dit volk gevaarlijk. De heiligen van Marokko toch, zijn allen krankzinnig of houden zich zoo. Dit is een onmisbaar vereischte om het beroep uit te oefenen. En om hunne heiligheid is hun alles geoorloofd. Ik herinner me een geval, dat met onze consul, den heer Sourdeau, is gebeurd. Deze kreeg op zekeren dag van zoo'n heilige een duchtigen slag met een knuppel in den nek. Doch thans, dank zij de bemoeiingen der verschillende consuls, zijn de heiligen jegens de vreemdelingen wat gedweeër geworden. – Ik zou al die heiligen maar in een gekkenhuis opsluiten, zeide Dries, dan konden zij zich vermaken door elkander nekslagen toe te brengen en op elkaar te spuwen. De kapitein lachte. – Ongelukkig denken de Marokkanen er anders over, zeide hij; doch laten wij voortgaan naar de wandelplaats. – De wandelplaats? vroeg de luitenant, heeft Tanger eene wandelplaats? – Wel zeker, zeide de kapitein, en daar wij aan het einde der straat zijn, kan ik ze u laten zien. Ziedaar die geheele strook, het strand, van hier tot aan kaap Malabar, dit is de wandelplaats van Tanger. Tegen den avond vindt ge hier al de bewoners van Tanger bijeen. De Europeanen met familie en bedienden, de reizigers die Tanger bezoeken, de verschillende consuls, Mooren, Arabieren, heiligen, soldaten, enz. – En nu, zeide de kapitein, wanneer gij lust hebt de wandeling nog verder uit te strekken, zullen we de marktplaats gaan bezoeken. – Gaarne, antwoordde de luitenant. Men ging de straat weder in, den vorigen weg terug en door een paar Moorsche poorten gegaan zijnde, bevond men zich opeens buiten de stad. Op het oogenblik, dat men dicht bij de marktplaats, Soc-di-Barra genaamd, genaderd was, kwam ons gezelschap een troep gillende en huilende straatjongens en leegloopers tegen. Die troep begaf zich naar de stad. Toen de bende straatjongens voorbij was, ontwaarde men in het midden van den volkshoop een neger en een mulat, beiden op ezels gezeten en omringd door een troep Arabieren, met stokken gewapend. Het waren soldaten, die buiten de stad een paar dieven hadden gevangen. Zij hadden te zamen op de markt eene geit gestolen en er zich een heel eind mede uit de voeten gemaakt, toen de diefstal werd ontdekt en de twee ongelukkigen werden ingehaald. De arme drommels waren voor het grootste gedeelte naakt en hunne aangezichten waren vertrokken van angst; het zweet en het stof maakten hunne huidkleur grauw. De soldaten hieven tusschenbeide de stokken op en striemden de naakte ruggen dier twee ongelukkigen, dat het afgrijslijk was om te zien. Het bloed liep hun langs de donkere huid en bij elken slag weerklonk een koor van gegil en gebrul uit de bende volks. – Afgrijslijk, afschuwelijk, riep de luitenant uit, en dat volk vindt daar vermaak in? – O, 't is slechts een voorproefje van hunne straf, zeide de kapitein; zij hebben gestolen. Men gaat hun de hand afhakken. – Wat, riep de luitenant, de hand afhakken voor een diefstal van zoo weinig beteekenis? – Ja, antwoordde de kapitein, op die wijze straft men hier te lande. Alle kleine misdrijven straft men met eene barbaarsche wreedheid. Let eens op hoeveel gij er zult ontmoeten in dit land, die aan één of de beide oogen blind zijn. En dit is niet de blindheid, zooals wij ze kennen, maar eene blindheid veroorzaakt door het uitsteken der oogen. O! ik verzeker u, 't is afschuwelijk, wanneer ge daarvan praten wilt, die donkere, fiere, dikwijls eerwaardige gezichten met ledige oogholten. Het is een aanblik, die zeer doet. De luitenant en Dries rilden. Men was intusschen de marktplaats Soc-di-Barra genaderd. Het was een uitgestrekt terrein op de glooiing van een heuvel, rijzend en dalend, hier een eind vlak, daar vol putten. Halverwegen de helling werd men vier witte muren gewaar. Het was het graf van een heilige. Hoogerop lag het kerkhof. Aan den voet op het vlakke gedeelte zat een troep Arabische vrouwen, allerhande groenten en fruit te koop hebbende, die vóór haar lagen tentoongesteld. Het terrein rondom het graf van den heilige was ingenomen door een troep kameelen en kameeldrijvers, die onder de schaduw der enkele vijgen- of aloëboomen, die hier en daar verspreid stonden, rustig lagen of neergehurkt zaten te droomen. Het liep reeds tegen den avond. De hemel, rood van de ondergaande zon, kleurde alles in gouden gloed. Die rosse stralen verlichtten de tenten der Arabieren op het hooge gedeelte der helling, verlichtten de Arabieren, die, in hunne witte mantels gehuld, onbeweeglijk als beelden op het kerkhof stonden, en gaven aan het geheel zoo'n echt Oosterschen glans, zoo'n schilderachtig effect, dat onze vrienden opgetogen van bewondering bleven staan. Bovendien heerschte hier niet die vervelende drukte van onze marktplaatsen. Stilte en rust lagen over alles uitgespreid; 't was alsof men eene schoone schilderij voor zich zag. De kapitein was de eerste, die de stilte afbrak. – Komaan, vrienden! zeide hij; laten we hier niet blijven staan, er valt voor ons nog veel te zien; voorwaarts, opdat de nacht ons niet overvalle. – 't Is ook zoo schoon, sprak luitenant Frank, kijk, kapitein! dit tafereel verzoent mij weder met al het onaangename, dat ik vandaag heb gezien. – Ik geloof het gaarne, antwoordde de kapitein, gij zegt dat zeer terecht. Enkele schoone verheven tafereelen binden den reiziger aan de overigens onbeschaafde landen. En 't is goed, dat alles bij zijne schaduw- ook zijne lichtzijde heeft, anders zou er thans, voorwaar! niet zooveel bekendheid bestaan omtrent vreemde landen, volken en toestanden. Maar komaan! laten we eens zien wat daar voorvalt. Dit zeggende, begaf de kapitein zich naar eene plek, waar een troep volks rondom een ouden Arabier geschaard stond. Hij vertelde. Het was een knappe kerel, met donkere gelaatskleur, heldere fonkelende oogen en langen grijzen baard. Hij had een wit kleed aan, om het hoofd saamgebonden met een kemelsharen koord. Twee muzikanten begeleidden hem, op eene zachte klagende manier, met eene fluit en eene trom. Hij begon, zooals altijd, met een gebed, en daarna volgde het verhaal. Zijne heldere stem, gepaard aan eene langzame, duidelijke voordracht, deed hem op verren afstand verstaan. Zijne bewegingen waren vol vuur en leven, en gaven zoo duidelijk de verschillende voorvallen weer, dat onze Hollanders, hoewel de taal niet verstaande, nochtans gevoelden en begrepen wat hij sprak. – Hij verhaalt van een krijgstocht, zeide de kapitein, let op hoe duidelijk hij alles voordraagt. Zie, hoe hij den uittocht ten strijde weergeeft met het gejubel van de stamgenooten, die den strijders geluk toewenschen op hun tocht. Hoor, hoe hij den marsch teekent, hoe hij verhaalt, waarmede de krijgers zich op den marsch bezighielden met fantasia of lab-el-barode, dat verrukkelijke spel, dat elke beweging van den strijd vertoont. Zie, alles geeft hij even duidelijk, even bewonderenswaardig weer: het stil naderen om den vijand te overvallen, het beraadslagen hoe den aanval te doen, het geweldige van den onverhoedschen aanval, het verschrikkelijke van het gevecht, de wanhopige woede van den vijand, die zijne bezittingen en zijn leven ten duurste verdedigt, de overwinning, het verbranden van het vijandelijke dorp, en eindelijk den triumftocht naar huis, waar men met gejuich wordt ingehaald. Hoor, hoe zijne laatste woorden wegsterven in de onstuimige bijvalsbetuigingen van het publiek. – Ja, dat is onnavolgbaar, dat is verrukkelijk schoon, riep de luitenant uit. Intusschen was de kring van toehoorders uiteengegaan en onze luitenant bood den verhaler een geldstuk aan, dat de Arabier met trotsche waardigheid aannam. Na eenige oogenblikken rondgekeken te hebben, nam ons gezelschap den terugtocht naar de stad aan. In een der poorten, die men doorging stond een heilige tegen den muur geleund om giften in te zamelen. Het was een stevige kerel met een allergemeenst uitzicht. Met de oogen strak in de lucht starend, scheen het alsof hij niets zag van hetgeen er nevens hem omging. Slechts nu en dan, als iemand hem met eerbied naderde, stak hij met een onverschillig gebaar de hand uit en nam de gift aan die men hem gaf. Toen onze vrienden onder de poort waren gekomen, sloeg de heilige de oogen op hen en zag hen onbeschaamd aan. De luitenant, dit voor het zwijgende verzoek om een aalmoes aanziende, nam, aan eene opwelling van edelmoedigheid gehoor gevende, een handvol floe's, een koperen munt ter waarde van nog geen halven cent, en wierp ze den man in de hand. Dries den kerel, wiens aanhoudend onbeschaamd aangapen hem vertoornde, willende dwingen voor zich te zien, beantwoordde dat met eene even minachtenden uitdagenden blik, toen de heilige op eens een stap voorwaarts deed en Dries in het gelaat spoog. Dat was te veel voor Dries. Als een woedend dier sprong hij op den heilige toe, en hem met de linkerhand bij de keel grijpend, gaf hij hem met de andere een vuistslag tusschen de oogen, die hem zeer alledaags tegen den muur deed tuimelen. Doch bijna nog voor hij gevallen was, sprong de schurk op en zijn knuppel opheffend, was hij gereed Dries een wel gemikten slag toe te brengen, toen deze, den slag ziende aankomen, snel bukte, den kerel bij de beenen greep en hem met een hevigen smak op den grond wierp. In een oogwenk had hij hem nu zijnen knuppel afgenomen en bleef in afwachting of de heilige soms een tweeden aanval zou wagen. Verbaasd en verschrikt tevens waren de kapitein en de luitenant getuigen geweest van dit tooneel. Het had zich zoo snel toegedragen, dat het gebeurd was eer men nog goed de toedracht der zaak wist. – Zie zoo, zeide Dries, die fielt zal vooreerst genoeg hebben van een fatsoenlijk mensch in het aangezicht te spuwen. Zoo'n schobbejak! Kijk luitenant, mijne handen jeuken om hem de hersens in te slaan. De kapitein en de luitenant hadden al hunne overredingskracht noodig om Dries tegen te houden, en deze was zelf zoo wijs den kerel den rug toe te draaien en mede te gaan. Maar toen men wilde voortgaan, verhief zich een dreigend gemompel uit den volkshoop, die intusschen de poort had gevuld, en in een oogenblik waren onze vrienden omsingeld door een troep havelooze vagebonden, die de vuisten balden en woedende blikken op hen wierpen. – Parbleu! mompelde de kapitein, dat ziet er gek uit; op mijn woord dat canaille is tot alles in staat. Wij hebben hunnen heilige geslagen en dat volk is duivels verzot op die gewaande gekken. – Welnu, zeide de luitenant, wij moeten er toch door. – Dat spreekt vanzelf, zei Dries; komaan, ik heb heel veel lust dat canaille eens door elkaar te slaan. De kapitein maakte eene beweging om voort te gaan, doch niemand verroerde zich. In dien levenden muur was geen doorgang te vinden. – Uit den weg, riep de kapitein, uit den weg, schurken! doch het hielp niets. – Ha! riep op eens de luitenant, Goddank we zijn gewapend, ik was het haast vergeten. Neem aan, kapitein, spoedig neem aan! En hij duwde hem eene geladen zesloopsrevolver in de hand, waarvan hij er twee bij zich had. Toen spanden onze twee vrienden den haan en, de revolvers opheffende, richtten zij dien op den troep, terwijl Dries, zijne knots opheffend, een stap voorwaarts deed. – Terug, donderde de kapitein, terug! schooiers, of bij Allah ik zal je doodschieten als honden. Op het gezicht van die kleine maar vreeslijke wapens begonnen de Marokkaansche straatslijpers bevreesd te worden, en daar de kleine troep steeds nader schreed, deinsden de voorsten terug. Doch de achtersten uit den hoop, de voorste rijen als een schild voor zich hebbend, drongen op. Toen, bevreesd van de been te geraken, legden de luitenant en de kapitein aan en gaven vuur. Dit deed uitwerking; een kerel werd in den schouder getroffen, en een ander een stuk van het oor afgeschoten. Nu werden ook de achtersten door vrees bevangen en de troep begon te wijken. Dit ziende en woedend over de ondergane beleediging en het oponthoud, sprong Dries naar voren en met beide handen zijnen knuppel zwaaiend, liet hij dien zoo gevoelig op de hoofden en schouders der Muzelmannen neerkomen, dat de aftocht in eene razende vlucht overging, terwijl Dries maar aanhoudend als een bezetene rondsprong en er op in sloeg. Ondanks het gevaarlijke van hunnen toestand ter nauwernood verdwenen was, konden de luitenant en de kapitein zich niet houden van het lachen en proestten zij het uit, zich echter haastende den al te ijverigen vervolger in te halen en met zich mede te nemen. Men was nu spoedig in het logement aangeland, waar men nog bijna den geheelen avond den vroolijken aanstekelijken lach van den Franschman hoorde weerklinken, die zich telkens dien overgang van het gevaarlijke tot het bespottelijke voor den geest riep en eindigde met te zeggen: – Parbleu! beste vriend, wij hebben ten minste ons eerste avontuur gehad. Maar weet ge wel, Dries, dat die Marokkanen u een grooten dwaas vonden om zoo den zegen van den heilige te versmaden? IV. DE NIEUWE REISGENOOT. – SELAM, DE GIDS Na een verblijf van drie weken te Tanger, en die stad bezocht en bezien te hebben tot in de afgelegenste wijken, na van verschillende interessante voorvallen getuigen te zijn geweest, na eindelijk eene inleidende studie tot de kennis van het land en de bewoners gemaakt te hebben, begon luitenant Frank er zeer naar te verlangen de reis naar Fez te beginnen, en ook Dries, die met Tanger geenszins ingenomen was en wel het minst met hare heiligen, had reeds herhaaldelijk zijn verlangen te kennen gegeven, die duivelsche stad te verlaten en wat meer van Marokko te zien dan nauwe smerige straten, witte muren en krankzinnige heiligen. Het was des avonds op de kamer van Frank, toen ons drietal gezellig bij elkaar zittende onder het rooken van eene sigaar en het genot van een glaasje vurigen Spaanschen wijn, dat de luitenant zijn stellig voornemen om over eenige dagen den tocht naar Fez aan te nemen, aan den kapitein mededeelde en hem verzocht zijne hulp te verleenen in het zoeken van flinke kameeldrijvers en een gids, op wien men kon vertrouwen. – Gij weet, zeide de kapitein, dat gij steeds over mij kunt beschikken en ik u niet zou laten vertrekken zonder verzekerd te zijn, dat gij een gids en kameeldrijvers hadt, op welk gij volkomen kunt vertrouwen, want ik weet hoe gevaarlijk uw tocht is. Het is dus tevergeefs geweest, dat ik u gesmeekt heb af te zien van die gevaarvolle reis, die men slechts als door een wonder kan volbrengen? – Mijn besluit is onherroepelijk genomen, zeide de luitenant. Spreken wij daarover dus liever niet meer; het zou toch tot niets leiden. – Welnu, zeide de kapitein, daar gij het verlangt, zwijg ik er verder over, en wij zullen ons dus bepalen tot het maken van toebereidselen voor onze reis. – Onze reis, sprak de luitenant vragend, onze reis? – Wel ja, parbleu! wat wilt ge dat ik anders zeg, riep de kapitein uit, onze reis, natuurlijk! Of dacht ge dat ik u alleen zou laten gaan, alleen naar Fez; gij, hier met alles geheel onbekend. Gij hebt een fraaien dunk van mij. Neen, wat men ook zeggen moge, nooit zal men zeggen, dat kapitein Daumas zijne vrienden in den steek heeft gelaten, en dat nog wel vrienden, aan welke hij het leven verschuldigd is. Wel mijne vrienden! weet ge wel, dat ik alleen mede zou gaan om in de gelegenheid te zijn mijne schuld aan u af te doen. – Maar, kapitein! riep de luitenant uit, dat gaat niet. Gij kunt niet met ons medegaan! – Neen, zeide Dries, de luitenant heeft gelijk, omdat wij nu eenmaal hebben besloten onze huid te wagen op eene reis naar Fez, is dat nog geene reden voor u om hetzelfde te doen. – Komaan, zei de kapitein, het wordt hoe langer hoe mooier. Ik val in zee, ik, die niet goed genoeg kan zwemmen om mijzelven te redden. Iemand, die mij in het geheel niet kent, die niet weet wie ik ben, stort zich onversaagd in zee en hij redt mijn leven. Mijn redder en zijn vriend, die hetzelfde voor mij zou hebben gedaan, als het noodig ware geweest, gaan op reis… tot zoover gaat alles goed; doch nu komt het fraaie van de zaak. Op die reis namelijk, waar het kogels en sabelhouwen zal regenen, wil men mij beletten mee te gaan, terwijl ik mogelijk eene uitmuntende gelegenheid zal vinden om mijne schuld af te doen. Neen, ik zeg op mijne beurt: dat gaat niet aan! – Ba! zeide Dries, 't is wat, om even in zee te springen en een nat pak te halen om iemand een handje te helpen. – Dries heeft gelijk, sprak nu de luitenant, hetgeen hij voor u deed, zouden wij voor elken in levensgevaar verkeerenden persoon hebben gedaan, en wij kennen u reeds genoeg om hetzelfde van u te verwachten. Het is daarom overbodig u noodeloos aan gevaar bloot te stellen. Bovendien zijn wij beiden ongehuwd, sneuvelen wij op onzen tocht, niemand zal aan ons veel verliezen, terwijl gij daarentegen kinderen hebt. – Luistert, vrienden! hernam de kapitein, ik zeg u eens voor al, dat ik mede ga, daarvan zal niets mij afbrengen, bespaart dus uwe pogingen; evenmin als ik zal trachten u van uw voornemen af te brengen, evenmin verwacht ik dat van u, wat mij betreft, en daarmede basta! De zaak is dus beklonken; hier hebt gij mijne hand, vrienden! beschouwt mij van nu af als een wapenbroeder, als een boezemvriend! En door de opgewonden, doch beslissende taal van den kapitein getroffen en overtuigd van het vruchtelooze van verdere pogingen, drukten de luitenant en Dries krachtig de hun toegestoken hand. Toen vulde de kapitein de glazen, en het zijne opnemende zeide hij: – Ik drink op onze vriendschap in de eerste plaats, en op het goed gelukken onzer gewaagde onderneming in de tweede. En pardieu! ik drink ook op de avonturen, die wij zullen hebben, want daaraan zal het ons niet ontbreken. Met geestdrift werd de toost beantwoord door den luitenant en Dries, die werkelijk zeer verheugd waren over het besluit van den kapitein. – Nu dit alzoo besloten is, zullen wij een oogenblikje praten over de toebereidselen voor de reis, sprak de luitenant. – Juist, zeide de kapitein, zich achterover op de rustbank werpende en met welbehagen zijne sigaar rookend, laten wij eens rustig de zaak bespreken. – Ten eerste, begon de kapitein, is 't een vereischte dat we een gids hebben, die de drie zeldzame eigenschappen in zich vereenigt van eerlijk en trouw te zijn en goed met den weg bekend; kortom een man van ervaring, aan wien wij ons leven veilig kunnen toevertrouwen. – Ja, viel de luitenant hem in de rede, maar waar dien te vinden? – Ik erken de moeilijkheid, vervolgde de kapitein, om een persoon te vinden zooals wij dien wenschen, en toch vermeen ik daarin spoedig te zullen slagen, zoo hij niet reeds is gevonden. – Hoe! riep de luitenant, gij zoudt reeds zoo'n gids kennen? – Misschien, sprak de kapitein lachend, doch laten we de huid niet verkoopen vóór de beer geschoten is. De zaak is deze: Ik heb een bediende, die mij zeer trouw is. Mohammed, zoo heet hij, is een jonge Moor, dien ik uit de diepste armoede heb opgebeurd, zoodat hij thans een bekwaam, aan mij verknocht bediende is. Gedachtig aan zijne vroegere ellendige levenswijze, betoont hij mij steeds de oprechtste toegenegenheid. Ik geloof dat de kerel zich voor mij in stukken zou laten houwen. Toen ik uw stellig besluit vernam, was dadelijk mijn plan gevormd om mee te gaan, en ik heb Mohammed toen eens gevraagd, of hij ons ook een goeden gids kon bezorgen. Zich herinnerende dat een vriend zijner kindsheid thans te Tanger moet wonen, is Mohammed er dadelijk op uitgegaan om dien te zoeken en ziehier met welk bericht hij terugkwam. – Selam, de vriend van Mohammed, was werkelijk door hem uitgevorscht. Na de blijdschap van het wederzien had Mohammed zijnen vriend gevraagd, wat hij voor den kost deed. Selam nu zag er vermagerd en behoeftig uit, wat Mohammed dadelijk opmerkte. In 't kort verhaalde Selam nu, hoe hij eene goede betrekking had gehad als geleider van de karavanen tusschen Tanger en Fez. Maar eenige maanden geleden was hij doodziek van Fez teruggekeerd en eerst kort geleden hersteld. In afwachting van weer zijne vroegere betrekking te aanvaarden, verdiende hij een handvol floe's daags met het dragen van pakken, het verrichten van boodschappen enz. Toen Mohammed hem verhaalde, dat wij naar Fez wilden gaan en een gids behoefden, viel de arme duivel bijna voor Mohammed op de knieën, hem bezwerende toch zijn best te doen, dat wij hem in dienst zouden nemen. Mohammed zegt voor hem in te staan als voor zichzelf, ik geloof dus dat wij niet beter kunnen doen, dan dezen Selam bij ons te laten komen. Dit onverwachte geluk kon niet anders dan toejuiching vinden bij den luitenant, en hij drong er op aan dat Mohammed zijn vriend terstond zou gaan halen. Zoo gezegd, zoo gedaan! Na verloop van een kwartier verscheen Selam. 't Was een fraaie jongeling, mager maar gespierd, vlug en sterk. Zijne sprekende oogen keken vriendelijk, trouwhartig en eerbiedig op ons drietal, van wien hij zijn geluk verwachtte. Hij sprak en gesticuleerde vol leven en met groote drift, waardoor zelfs de minst gewichtige zaak, door hem besproken, iets scheen te zijn waarvan leven en dood afhangen. De kapitein vroeg hem naar den weg, dien hij zou aanraden te volgen. Selam begon haastig te spreken. De weg langs Had-el-Garbia, en Tleta de Reissana over Alkazar-el-Kibir enz., – en Selam somde eene menigte dier namen op, door het land der Beni-Hassen over Zeguta en Tagat – was die, welken men gewoonlijk nam en dien Selam op zijn duimpje kende. Hij achtte dezen weg de beste te zijn. Wel lag daar het land der Beni-Hassen, hetgeen hem eenige zorg baarde, maar hij hoopte dat een kleine karavaan, met omzichtigheid reizende, de aandacht dier roovers zou ontgaan; en was dat niet het geval, dan vertrouwde hij, dat men het niet zou durven wagen een karavaan, waarbij zich een kapitein van het Fransche leger bevond, lastig te vallen. Daarom ried Selam aan de uniform op reis te dragen, dat zou, waar men kwam, ontzag inboezemen en dan, meende hij, zou het wel gaan. Ook ried hij luitenant Frank aan, zich in uniform te steken of die ten minste, zoo hij de voorkeur gaf aan eene gemakkelijkere kleeding, op reis mede te nemen om zich bij voorkomende gelegenheden daarin te vertoonen. Na eene korte beraadslaging werd er besloten Selam aan te nemen; diens gunstig voorkomen en vooral zijne bekendheid met Mohammed waren van grooten invloed op het besluit onzer vrienden. Toen de kapitein aan Selam dit besluit mededeelde, kwamen den braven jongen de vreugdetranen in de oogen: – Allah zal u zegenen, heer! zeide hij, gij redt mij en mijne vrouw van diepe ellende. En de opgewonden jongeling zwoer met een plechtigen eed hen trouw te zullen dienen. Aan Selam werd nu de zorg opgedragen om twee kameelen met drijvers te huren, alsmede een paar muilezels. Van nu af in dienst gesteld, ontving Selam een geschenk in geld, om zich gereed te maken voor de reis en om zijn gezin gedurende zijne afwezigheid van het noodige te kunnen voorzien. Ook moest hij zich voortaan elken dag in het logement bij Mohammed aanmelden, om te vernemen of men zijne diensten ook noodig had en rapport te brengen van den stand der toebereidselen. Eindelijk ging de verheugde Selam heen en verliet met zijn boezemvriend Mohammed het hotel om in zijne woning feest te vieren over het onverwachte geluk. Ons drietal, tevreden over de zoo spoedige en gelukkige beslissing van een der voornaamste punten van hun programma, beschouwde dit als een gunstig voorteeken, en met onderling goedvinden werd de afreis tegen den 20 Mei vastgesteld. – Dus zullen wij over zes dagen vertrekken? zeide de kapitein, toen Selam en Mohammed hen hadden verlaten. – Ja, zeide de luitenant verheugd, eindelijk zullen we dan dien veel besproken tocht ondernemen. – Ik zal voorloopig eens uitzien naar een vriend, die ons een paar goede paarden bezorgt, zeide de kapitein, en ga mij voorzien van een zakboekje, om een klein journaal aan te leggen. – En ik, zeide de luitenant, ga mijn schetsboek opzoeken en mij voorzien van het noodige om insecten en kruipende dieren te kunnen bewaren. – Zoo, zeide de kapitein, gij teekent, gij zijt dus ook artiste? – O neen! antwoordde Frank, zoo ver heb ik het nooit kunnen brengen; maar ik houd er van om wat ik schoon vind uit te teekenen, al is het dan ook vrij gebrekkig. Die schetsen zijn voor mij evenzoovele herinneringen aan de plaatsen, waar ik ben geweest. Reeds heb ik dat in mijn geliefd vaderland gedaan. Des winters bij den haard in het gezellig vertrekje in den Haag genoot ik, wanneer ik mijn schetsboek doorbladerde, nogmaals en wie weet voor de hoeveelste maal, hetzelfde genoegen, dat ik gesmaakt had bij het aanschouwen dier schoone plekjes in de schilderachtige omgeving mijner woonplaats. – Ja, dat kan ik begrijpen, zeide de Franschman. Ook mij is het wèl, wanneer ik het een of ander tafereel uit mijn vaderland zie, dat ik ken, dat ik heb aanschouwd. – Daar iedereen wat gaat verrichten, zal ik ook wel wat dienen te doen, zeide Dries. Ik ga dus onze wapens eens onderhanden nemen, luitenant! want, als ik mijnen ooren goed den kost heb gegeven, geloof ik, dat wij ze noodig zullen hebben. Ik zal ze dan ook eens terdege nazien, want, gij kunt het gelooven of niet, maar mijn huid is mij nog tamelijk veel waard. – Goed zoo! zeide de kapitein. Ja, ik zal Mohammed ook gelasten onze wapens in orde te brengen. Gij kondt wel eens gelijk hebben, Dries! ik geloof ook niet, dat wij overal even gerust en veilig zullen slapen als hier. Maar morgen zullen wij verder beraadslagen, want ge zult zien, dat gij het in de laatste dagen druk zult hebben; het voornaamste komt ons gewoonlijk het laatst in de gedachte. En nu, rust wel waarde luitenant! en droom niet te veel, over de Beni-Hassen en Fez. En na hen de hand te hebben gedrukt, verwijderde zich de kapitein lachend. V. NAAR FEZ. – DE KAPITEIN VERHAALT ZIJNE GESCHIEDENIS Wat al drukte gaven die zes dagen vóór de afreis aan onze reizigers. Ieder had het even volhandig. De kapitein haalde bij zijne hem bekende landgenooten te Tanger de huizen bijna 't onderste boven om naar boeken te zoeken; hij snuffelde in alle hoeken en doorbladerde alle tijdschriften om te zien, of er niet het een en ander in stond, dat hem van dienst kon zijn. Overal won hij berichten in, belegerde het huis van den Franschen consul om zijne verslagen en rapporten te mogen inzien, praatte met alle Mooren, liep honderden malen op één dag het logement in en uit, en sloot zich uren lang op in zijne kamer om het een of ander boek vliegend door te lezen of in zijn journaal bladen vol aanteekeningen te schrijven. Niet minder druk had Dries het. Hij onderwierp alle wapens aan een streng onderzoek, beproefde nu eene revolver dan weder een geweer of hield in zijne eenzaamheid een spiegelgevecht, bulderde tegen denkbeeldige Arabische roovers en scherpte de sabels. Zijne tafel lag den geheelen dag vol met allerlei fragmenten van uit elkaar genomen wapens, schroefjes, oliefleschjes, lappen enz. De Moorsche bedienden, die zijne kamer in orde brachten, keek hij met wantrouwende oogen aan, als zij de tafel naderden en bedreigde hun met de zwaarste straffen, als zij er aan durfden te komen. Geheel verschillend van hen, hield de luitenant zich op zijne gewone bedaarde manier bezig; hij maakte zijn teekengereedschap in orde, deed zijne verschillende soorten van insectenspelden in doosjes en bracht de doozen in orde om de diertjes er in vast te steken, pakte eenige sterke flesschen met spiritus, om het kruipend gedierte in te bewaren, voorzichtig in; kortom, hij hield zich bezig met de toebereidselen voor zijne liefhebberijen en had bij dat alles nog tijd genoeg over voor herhaalde beraadslagingen met Mohammed en Selam over de maatregelen voor de reis. Ook deze twee zaten evenmin stil. Zij toch, beter bekend met hetgeen er noodig zou zijn, moesten zorgen voor goede lastdieren, drijvers, de noodige mondbehoeften en alle verdere kleine, maar voor Europeanen onontbeerlijke zaken. Eindelijk was dan de dag van het vertrek aangebroken en verliet de kleine, maar vroolijke stoet Tanger door de poort van den Soc-di-Barra, begeleid door eene bende nieuwsgierige straatjongens, die rondom den stoet heendraafden, dan voor, dan achter, allerlei kreten uitstootend, en een troep nieuwsgierige leegloopers waarvan Tanger in ruime mate is voorzien. De optocht werd geopend door twee kameelen met hunne drijvers, beladen met alles wat voor de reis noodig was; daarachter volgden Selam en Mohammed op een paar fraaie sterke muilezels, terwijl onze drie vrienden den trein sloten, gezeten op die kleine Marokkaansche paardjes, die er zoo onooglijk uitzien, maar zoo uitmuntend zijn voor de diensten, die van hen worden gevorderd. De heldere levendige oogen en de wijd geopende neusgaten geven hun een fraaien kop, en de nauw merkbare kromming der scheenbeenderen is oorzaak van die bijzondere elasticiteit, die hunne bewegingen kenmerkt. Wat de reizigers zelven betrof, aller gelaat drukte tevredenheid, zoo niet vreugde uit. De twee kameeldrijvers naast hunne kameelen loopende, zongen die eentonige wijs, die hun allen eigen is en waardoor hunne dieren zoo uitmuntend in een gelijkmatigen stap blijven. Selam op zijn witten muilezel schertste vroolijk met Mohammed en op beider aangezicht lag een glans van vergenoegen. Onze drie vrienden eindelijk gaven zich met alle vreugde over aan dat bekoorlijke geheimzinnige, eigen aan een tocht door een nagenoeg onbekend land; zij praatten druk en lachten overluid over het vreemde, dat men zou zien, over de genoegens der reis en bovenal over de aanstaande avonturen. Selam, die aan de drijvers van te voren den weg, dien men moest gaan, had aangegeven, kon gerust op zijne plaats blijven, doch hij liet evenwel telkens zijne oogen over alles gaan. Het was laat op den middag, nadat de grootste hitte voorbij was, toen men zich op weg had begeven. Het eerste gedeelte der landstreek was weinig belangwekkend; het pad liep over een heuvelachtig terrein, overal begroeid en bezaaid met dwergachtige en doornachtige heesters en steenblokken. Hier en daar was een kleine heuvel met een groepje palmen of een enkele aloë bezet. Nu en dan ontmoette men een paar Arabieren of Mooren en een weinig verder een troepje kameelen, die naar Tanger gingen. Allen riepen het reisgezelschap den gewonen groet toe: »Vrede zij op uwen weg!” Zoo ging men voort. De zon begon onder te gaan en hulde alles in goudgloed. Eene doodsche stilte lag over alles uitgespreid, die door niets werd verstoord dan door het geschreeuw van den eenen of anderen vogel, uit zijne schuilplaats opgejaagd, of door een nachtroofvogel, die krijschend rondvloog. De nacht viel snel en eer men er op bedacht was, was het bijna volkomen duister. Selam liet halt houden op de helling van een lagen heuvel. De kameelen knielden neer, en geholpen door Selam en Mohammed hadden de drijvers spoedig de twee tenten, die men medevoerde, opgeslagen. Het was een schoone nacht. De hemel prijkte met eene verblindende sterrenpracht. De warmte van den dag had plaats gemaakt voor eene aangename koelte. Het voorhang der tent was open, waardoor men het van sterren schitterende firmament bespeurde. De kameelen lagen te slapen en de paarden en ezels, op eene rij geschaard, stonden te droomen of te dommelen of lagen rustig neer. In de kleine tent lagen de drijvers te slapen en vóór de tent zaten Selam en Mohammed, de twee vrienden hunner kindsheid, zoolang van elkaar gescheiden en daarom nu zooveel te meer verheugd onverwacht weder vereenigd te zijn, in een druk gesprek, dat slechts werd afgebroken als Selam nu en dan oprees, om het kleine kamp rond te loopen of een wakend oog op de last- en rijdieren te houden. Bekend met den diefachtigen aard der Arabieren, vertrouwde Selam slechts zichzelf. Het was toen, dat de kapitein zijne reeds lang gegeven belofte nakwam, om aan zijne vrienden zijn wisselvalligen levensloop te verhalen. De nacht was zoo heerlijk, dat geen van drieën lust had zich in de armen van Morpheus te werpen, en met het open voorhang der tent, waardoor de frissche lucht vrij binnenstroomde, onder het genot van eene fijne sigaar en een glas Spaanschen wijn ving de kapitein aldus aan: – Wanneer gij denkt, mijne vrienden, het verhaal te zullen hooren van een schitterenden levensloop, van een leven doorgebracht in al de vermaken en genietingen van de wereldstad, Parijs, dan vergist gij u, want wat ik u zal verhalen, zijn niets anders dan de lotgevallen van een armen drommel, dan de lotgevallen van een straatjongen, die kapitein werd van de Spahi's. – Gij verwondert er u over, dat ik zeg een straatjongen te zijn geweest, helaas! 't is zoo en niet anders. Ik herinner mij, dat mijne ouders zeer arme, eenvoudige burgerlieden waren. Mijnen vader kan ik mij niet anders voorstellen dan zooals ik hem steeds heb gezien, den geheelen dag door aan den arbeid. Over dag en des avonds zag ik hem steeds bij het licht der lamp over zijn werk gebogen, schrijvende als of zijn leven er van afhing. En dit was werkelijk de bittere waarheid. Als mijn vader niet dag aan dag van vóór zonsopgang tot laat in den nacht werkte, hadden we geen brood. Even druk was mijne moeder altijd bezig met naai- of borduurwerk. Ik kan mij haar nog zóó goed voor den geest brengen alsof ze vóór mij stond. Aan dien kommervollen tijd kwam een einde, maar helaas! een treurig einde. Mijne moeder werd ziek en stierf, wijl het haar, ondanks hard werken, aan het noodige ontbrak, en mijn goede vader, die dien harden slag niet kon dragen, stierf twee maanden na haar. Nog te jong om de ramp te beseffen die mij had getroffen, gold mijne droefheid minder den dood mijner ouders, dan de verlatenheid en den honger, die zich deden gevoelen. Na den dood mijns vaders kwam eene oude tante over. Deze zorgde voor de begrafenis, betaalde met de opbrengst van het weinige huisraad, de kleine schulden, en nam mij met zich mede. – Van dien tijd af is mijne herinnering het levendigst. Deze tante, eene zuster mijns vaders, was eene streng godsdienstige oude vrijster. Zoo ik driemaal daags eten kreeg (wat niet altijd zeker was), kreeg ik wel tienmaal daags slaag, en ik moest den tijd dooden met bijbellezen. Bij het minste dat ik deed, kreeg ik een vloed van scheldwoorden naar het hoofd, vermengd met smalende uitdrukkingen over mijne ouders; want, zooals ik later vernam, mijn vader was zeer tegen den zin zijner familie met mijne moeder, die een arm maar braaf meisje was, gehuwd. Dit had zijne geheele verbanning uit de familie ten gevolge gehad, en die familie belasterde hem bovendien overal zoozeer, dat hij moeite had werk te vinden. Ik was een kleine en zeer tengere knaap voor mijne jaren, doch tamelijk driftig van aard. De herhaalde scheldwoorden, die mij golden, brachten mij tot woede, en de smalende uitdrukkingen over mijne gestorven ouders verbitterden mij zoo hevig, dat ik besloot weg te loopen en mij over deze mishandelingen te wreken. – Eerst rees de gedachte bij mij op om het huis in brand te steken; doch bedenkende, dat ik daardoor gevaar liep, niet alleen mijne tante te treffen, iets waarover ik mij weinig bekreunde, maar ook de dienstboden en de naburige huizen gevaar liepen, verzon ik iets anders. De tijd van mijn wraak was bepaald op een Zondag. Ik had nog maar drie dagen voor mij, want het was Woensdag avond, toen ik mijn besluit had genomen. – Zondags ging mijne tante na den middag altijd naar eene godsdienstige bijeenkomst, die tot laat in den avond duurde. De oude meid en de knecht, man en vrouw, gingen dan met haar mede en zoo ik goed had opgepast, genoot ik insgelijks dat voorrecht. Ik zorgde er echter voor des Zaterdags eenig kattekwaad te doen, waarvoor ik werd gestraft met het schrijven van eenige kapittels uit den bijbel en het van buiten leeren van een psalm. – De Zondag kwam en mijne tante vertrok met hare dienstboden, mij alleen achterlatende. Zoodra ik verzekerd was dat zij weg waren, spoedde ik mij naar den zolder. Ik zocht en vond de lijn, die voor het drogen van den wasch diende, en maakte deze vast aan de groote kram, die in het kozijn van het zoldervenster zat. Ik had mij slechts een voet of tien te laten afzakken om mij op den muur, die ons huis omgaf, te bevinden, en welke muur aan den zijkant van het huis niet verder dan op een meter afstand langs het huis liep. Mijn aftocht aldus verzekerd hebbende, begon ik mijne wraak ten uitvoer te leggen. – Ik had nu en dan een weinig klei heimelijk in huis gebracht; ik had die voor mijn plan noodig en dus weggestopt in een hoek van den zolder. Thans was al die klei een groote hoop geworden. Ik ging nu naar beneden en sloot alle deuren die toegang tot het huis verleenden, en stopte de openingen onder de deuren en ter zijde goed dicht met klei. De luiken van den kelder sloot ik eveneens. Toen wierp ik al het beddegoed, alles wat breekbaar en niet breekbaar was, kortom, al wat ik maar kon vinden op den grond, en begaf mij naar boven. Boven was de keuken en in die keuken bevond zich de groote kraan der waterleiding, die de gansche stad van water voorzag. – Na al mijne voorzorgen te hebben genomen en toen ik klaar was om weg te gaan, was het reeds schemeravond. Toen zette ik de kraan der waterleiding open na vooraf de opening van het steenen bekken, dat zich er onder bevond, dicht gestopt en alle binnendeuren opengezet te hebben, die de verschillende kamers met elkaar verbonden, en ik zette mij op mijn gemak neder op de treden der zoldertrap. – Het water overstelpte weldra het bekken, vloeide er overheen, stroomde over den vloer der keuken, drong in de drie kamers der bovenverdieping en vond toen een uitweg langs de trap. Ik was opgetogen van eene boosaardige vreugde. Welhaast zag ik, mij naar den rand der trap begevende, dat het water in het benedenhuis wel bijna een voet hoog stond, en het steeg altijd door. De stoelen geraakten van hunne plaats en dreven rond. Het eene meubelstuk na het andere, opgetild en omgestooten door de kracht van het nederstroomende en stijgende water, plonste in het nat. Matjes, stoven, bankjes, doozen, kortom alles dreef rond. En intusschen steeg het water aanhoudend en was ik zoo verdiept in het gelukken van mijn wraakzuchtig plan, dat ik aan geen heengaan dacht. Maar eindelijk daaraan herinnerd door de heerschende duisternis, begreep ik dat het daartoe tijd werd, wilde ik niet overvallen worden. Ik klom naar den zolder en liet mij uit het venster zakken, kwam gelukkig op den muur en bereikte vandaar met een stouten sprong ongedeerd den grond. Dries zat te grinneken van de pret, die hem deze grap gaf. – Toen, zoo vervolgde de kapitein, bevreesd achtervolgd te zullen worden, liep ik wat ik loopen kon recht voor mij uit. Waar liep ik heen? Ik wist het niet. Ik liep maar door of de duivel mij op de hielen zat, aan niets anders denkend dan uit de voeten te komen. Dien nacht kwam er geen slaap in mijne oogen. Ik liep en liep, totdat ik aan een groot bosch kwam. – Het was winter en de sneeuw lag hoog. Dit vermoeide mij zeer in het gaan, doch ondanks dat alles liep ik voort, maar thans niet meer zoo gejaagd als in het begin. De morgen brak aan en met den morgen voelde ik den prikkel des hongers. Den vorigen dag, vervuld met mijne wraak, had ik bijna niets gegeten en verzuimd een stuk brood of iets anders mede te nemen. Ook had ik geen cent op zak. Wat moest ik beginnen? Hoe aan brood te komen? Eindelijk zag ik in de verte de eerste huizen eener stad. Het was eene der voorsteden van Parijs. Het bosch, bijna ten einde zijnde, ontmoette ik een man, die, eenigszins beschonken, mij te gemoet kwam. Ziende, dat hij tamelijk goed gekleed was, liep ik op hem aan en vroeg met een smeekend gelaat om brood. »Een aalmoes,” zeide de kerel, mij lachend aanziende. »Ja mijnheer, ik heb honger,” zeide ik. »Wel, wat rare snaak,” riep de kerel uit, »hij heeft honger; kom hier, kleine aap!” – Ondanks deze weinig streelende benaming, trad ik nader. Hij stak de hand in zijn zak, doch op het oogenblik dat ik dacht iets te krijgen, gaf de kerel mij een slag in het gelaat. Van woede buiten mijzelf, viel ik op den kerel aan, die mij, zwakken knaap, met één slag van zijn gespierden arm gemakkelijk kon vermorzelen, en terwijl hij mij verachtelijk aanzag en nogmaals een slag toediende, greep ik zijn arm en beet er in. »Kijk, wat leelijk beest,” riep de kerel mij aangrijpend. »Wat een moed voor zoo'n kleinen aap!” En toen ik niet anders dacht, dan een duchtig pak slaag te zullen ontvangen, zeide de kerel, op eens van toon veranderende: »Kijk, je bevalt me. Komaan, ga mee, ik zal je te eten geven en je kan bij mij blijven.” – Geheel verwonderd keek ik hem aan. »Ja,” zeide hij, »vind je dat niet goed? Kijk, ik heb bij mijn werk een jongen noodig, doch niet iedereen bevalt mij. Jij bent nu juist de rechte; klein, vlug en moedig, dat zijn drie vereischten, die ik juist zoek. Maar komaan,” vervolgde hij, »daar ik nog altijd onbeweeglijk bleef staan, praten we niet langer, maar gaan wij op weg.” – Hij nam mij bij de hand en geheel werktuigelijk liet ik mij gewillig medevoeren. Voor mij bestond er op dat oogenblik slechts één wensch: mijn honger te mogen stillen; hoe ik dien kon bevredigen, was mij om het even, als ik slechts te eten kreeg. – Wat wilt ge, zeide de kapitein, als het ware zichzelf in de reden vallende, honger is een scherp zwaard! – Wij gingen door eene aantal straten en stegen, allen even morsig, totdat we in eene smalle, smerige, slecht verlichte straat aankwamen. Hier hield de kerel stil en opende met den sleutel de deur van een zeer smal, maar tamelijk hoog huis. Naar het mij voorkwam, was het onbewoond, en dit was ook werkelijk zoo, in zooverre, dat mijn nieuwe meester de eenige bewoner was. Het was, zooals ik zeide, een hoog huis; beneden waren twee vertrekken en een soort van keukentje; op de eerste verdieping waren twee kamers en op de tweede vier kleine slaapkamertjes of kabinetjes; daar boven bevond zich de zolder. Waarom mijn leidsman het geheele huis alleen bewoonde, kon ik toen niet begrijpen; want behalve beneden, was nergens eenig huisraad te zien. En wat er nog was, was van het gemeenste. – Te huis gekomen, zette mijn nieuwe beschermer mij brood, kaas en wijn voor, waarvan ik ondanks het vreemde mijner omgeving met graagte at. Daarna ging mijn meester tegen den avond de deur uit; wanneer hij weerom was gekomen wist ik niet, daar ik weldra in een diepen slaap verzonk, waaruit ik niet ontwaakte dan den volgenden middag. Mijn meester was te huis. Hij sprak weinig tegen mij, en na een paar dagen zoo doorgebracht te hebben, nam hij mij op een avond met zich mede. Waarheen? Dat zou ik spoedig tot mijn schrik gewaar worden. – Wij gingen eene menigte straten door tot wij in eene afgelegene, zeer stille straat kwamen. Het was een donkere, koude nacht. Sneeuw, hagel en regen, voortgejaagd door een scherpen noordenwind, deden mij bijna geheel verkleumen. Op eens gebood mijn meester mij te wachten en tegelijk duwde hij mij in de schaduw van een vooruitspringenden muur, terwijl hij de straat verder in liep. – Na eenige oogenblikken keerde hij weder. »Alles is in orde,” zeide hij. »Komaan, aan het werk!” en hij liep naar een raam toe, dat in het steegje uitkwam, na mij bevolen te hebben aan het begin van het steegje op den grond te gaan zitten in de schaduw van den muur en hem te waarschuwen, zoodra ik eenig gerucht vernam of iemand zag aankomen. – Toen begreep ik op eens wie mijn meester was; een gemeene dief, misschien wel een moordenaar. Een oogenblik dacht ik er aan op den loop te gaan, doch alsof de kerel mijne gedachten ried, zeide hij: »Ga daar stil zitten en doe wat ik je zeg; zoo niet, bij God! ik zal je aan riemen snijden, reken daar op!” – Wat kon ik doen? Ik was niet verder dan een twintig pas van hem af. Bij de minste beweging, die ik maakte, zou hij zich op mij werpen en mij verworgen. Ik begreep dit, toen hij mij in de oogen zag. Toen nam ik snel mijn besluit, namelijk den huichelaar te spelen, te houden of ik smaak had in zijn afschuwelijk handwerk en hem zoodoende te blinddoeken tot de gelegenheid zich opdeed om weg te komen. – In minder tijd dan ik zeggen kan, had hij een ruit uitgesneden, stak den arm door de gemaakte opening en opende de blinden. »Is er niets?” riep hij met gedempte stem. »Niets,” antwoordde ik. »Kom dan hier,” riep hij weder. – Ik begaf mij sidderend en al mijn moed bijeenrapend naar den ellendeling. »Kom,” zeide hij, »gij moet hier door. Dit raam komt uit in de vestibule; wanneer ge daar zijt, doet ge, voorzichtig langs den muur loopend, een pas of vijf dan zijt ge hier,” – en hij wees mij op den hoek van het huis, dat den hoek vormde van de straat en het steegje. »Dan doet ge nog een paar pas rechts en zijt ge aan de deur, die ge moet openen. Er zijn twee knippen op, de eene van onder, de andere in het midden. Als de sleutel niet op het sloot steekt, moet ge langs den muur tasten in den hoek of hij daar ook hangt. Bovendien zal er nog een ketting op de deur zijn, die ge er ook af moet doen. Kunt ge geen sleutel vinden, dan zal ik hem toch wel openen, doch pas op geen leven te maken, het zou je het leven kunnen kosten; poog ook niet in het huis te ontvluchten. Ik zal je in het oog houden; bij de minste beweging om mij te verraden, verbrijzel ik het raam en zal je de hersens ingeslagen en mijzelven uit de voeten gemaakt hebben vóór iemand van de bewoners nog bij je is. – Denk er aan.” – Hij duwde mij door de opening. Verlamd van schrik kon ik eerst bijna geen stap doen, doch zijne ruwe stem deed mij voortschrijden. Ik liep volgens zijne aanwijzing langs den muur, vond de deur en ontsloot die. Voor hij binnenkwam, sloot hij eerst de blinden van het raam, en de deur zachtjes dicht doende beval hij mij hem te wachten. Hij verdween in het huis. Ik hoorde geen ander gerucht dan het behoedzaam openen en sluiten van deuren. Alles ging even stil in zijn werk. Na verloop van eenige minuten kwam hij terug een klein pakje in een zakdoek geknoopt bij zich hebbende. Even stil als wij er in gekomen waren, verlieten wij het huis en ik haalde eerst gerust adem toen wij eenige straten verder waren. – Te huis gekomen, gelastte hij mij naar bed te gaan. Ik deed zulks, doch kon niet slapen en besloot mij te houden alsof ik sliep, ten einde hem te bespieden. Denkende dat ik sliep, begon hij, met een vergenoegden glimlach op zijn gemeen gelaat, zijn zakdoek te ontknoopen, waaruit hij eerst eene leederen portefeuille haalde. Hij deed ze open; zij bevatte eene menigte banknoten. De bandiet kon nauwelijks een kreet van blijdschap onderdrukken. Voor het overige waren het blinkende geldstukken, waarmede de zakdoek was gevuld, benevens eenige kostbare damesversierselen. Toen hij alles goed had bekeken, ging hij naar een hoek van de kamer waar een hoekkast stond, welke hij verschoof. Alleen een kerel zoo sterk als hij, was daartoe in staat. De kast omdraaiende met den rug naar het licht, drukte hij op een pennetje en een gedeelte van het achterschot sloeg als een klep naar buiten naar beneden om, en deed mij zien dat de kast een dubbel achterschot had. Hierin verdwenen de portefeuille en de versierselen. Het geld stak hij bij zich, waarna hij de kast weder op hare plaats zette. Een oogenblik daarna had hij het licht uitgedaan en zich in bed geworpen, waar ik hem weldra luide hoorde snorken. – Duizenden gedachten vlogen mij door het hoofd, zonder dat ik tot een bepaald plan kon komen. Ik sliep zeer onrustig, had allerlei benauwde droomen en wist maar niet hoe ik weg zou komen. – Intusschen begon mijn meester mij meer en meer te vertrouwen. Hij nam mij meermalen mede om te wandelen of Parijs te bezien, en zoo kwam ik ten laatste ook in die vuile afschuwelijke krotten van herbergen, die bezocht worden door het slechtste gespuis van Parijs. Het was daar dat ik hoorde, wie mijn meester was, namelijk een der grootste, vermetelste, maar ook der gemeenste schurken van Parijs; men noemde hem »l'hyène”, welken naam hij te danken had aan zijn woesten aard. – Zoo gingen dagen, weken en maanden om op dezelfde manier, en gedurende al dien tijd had ik geen gelegenheid gevonden om te ontsnappen. Op een avond, nog verschrikkelijker dan die mij inwijdde in mijn afschuwelijk bedrijf, gingen wij weder op eene onderneming uit. Hetzelfde had plaats als ik reeds beschreven heb. Mijn meester drong met mij door in het huis, waar hij, zooals hij zeide, een goeden slag hoopte te slaan, en had spoedig den buidel binnen. Even stil maakte hij zich gereed te vertrekken, toen hij onverwachts over iets struikelde. Ik stond beneden in de kamer bij het raam, waardoor wij binnen waren gekomen, hetwelk l'hyène weder had gesloten, toen ik den slag van zijn val hoorde. Dadelijk daarop hoorde ik eene stem roepen: »Wie daar?” Eene worsteling volgde, die slechts kort duurde, en binnen weinige minuten kwam de bandiet aanloopen. Zijn gelaat was bleek, en haastig verborg hij een dolkmes. Snel de deur openende vloog hij er uit, en ik volgde hem doodelijk verschrikt. Op straat pakte hij mij bij den arm en stapte haastig maar omzichtig voort. Evenals de vorige maal gelastte hij mij te gaan slapen en na de vruchten zijner diefstal geborgen te hebben, wierp hij zich gekleed te bed. Doch hij, evenmin als ik, sliep dien nacht. – Toen de dag aanbrak en wij hadden ontbeten, keek hij mij onderzoekend aan. Ik beantwoordde zijn blik kalm en vast. Door mijn voortdurend huichelen had ik hem volkomen om den tuin geleid. Hij vertrouwde mij geheel, zooals ge zult zien. »Pierre,” zeide hij fluisterend, »je hebt zeker begrepen wat er van nacht is gebeurd, niet waar?” »Volkomen, meester!” antwoordde ik, mij geweld aandoende een lichtzinnigen toon aan te nemen. »Ge hebt er een zijn paspoort gegeven, papa, niet waar?” »Ja,” zeide hij zacht, mij strak aanziende, »de oude werd wakker en ik kon niet anders, vervloekt!” »Komaan, papa, wordt nu niet flauwhartig,” zeide ik, pogende te glimlachen, »'t is de eerste niet, wel? Drink liever eens; dat spoelt de zorg weg!” »Hoe weet jij dat?” vroeg hij woest. »Hoe ik dat weet, nu, die vind ik fraai, alsof papa l'hyène niet genoeg bekend is bij de vrienden in de sociëteit.” »'t Is waar,” zeide hij, »'t is niet de eerste; maar, enfin, het doet er niet toe, wat maakt het uit één meer of minder,” – en hij dronk den eenen beker wijn na den andere. »Goed,” zeide ik, »zoo mag ik u zien, papa! geen weekheid asjeblieft.” – Na eenige oogenblikken zwijgens vervolgde hij: »Weet je wat je moest doen, Pierre?” »Zeker, als ge het mij zult gezegd hebben,” antwoordde ik. »Welnu, hier hebt ge een cadeautje,” – en hij wierp mij een paar goudstukken toe. »Ga de straat op, bezoek het een of ander koffiehuis en hoor eens rond wat er van is uitgelekt… begrepen?” »Goed,” zei ik, »maar drink toch, papa! of zijt ge afschaffer geworden?” »Neen, voor den duivel, dat nooit!” antwoordde hij – en hij dronk; »doch wees voorzichtig, begrijpt ge?” »Wees gerust,” antwoordde ik, en ik vertrok. – Alvorens de deur uit te gaan zag ik echter, dat hij reeds tamelijk de hoogte had. – Nu of nooit! dacht ik, toen ik op straat was, en ik begaf mij naar een koffiehuis. Na een glas wijn besteld te hebben, luisterde ik, een dagblad in de hand nemende, naar de verschillende gesprekken die er gevoerd werden. Het duurde niet lang of er kwamen eenige bezoekers binnen. »Dag papa Picard!” zei de een tegen den hotelhouder, »hebt ge het nieuws al gehoord?” »Het nieuws?” vroeg de kastelein, »welk nieuws, mijne heeren?” »Welnu, komaan, Parijs is er vol van.” »Ik weet nog niets,” antwoordde de kastelein, »wat is er dan gebeurd?” »Een moord,” zeide een der heeren. »Een moord!” riep de kastelein verbaasd. »Ja, een moord in de Rue de l'enfer. Een braaf oud geneesheer Dr. Hachette is het slachtoffer. Hij is vermoord, na alvorens bestolen te zijn.” »Mijn God, mijn God! hoe afschuwelijk!” riep de kastelein; »die brave doctor Hachette. En heeft men den moordenaar?” »Wel ja, die blijft er bij wachten!” zeide een der heeren lachend. »Een man die zooveel goed deed,” mompelde de herbergier. »'t Is afschuwelijk!” – Ik wist genoeg. Het koffiehuis verlatende liep ik regelrecht naar de politiewacht en verzocht den commissaris te spreken. Men liet mij langer dan vijf minuten wachten. Ik werd ongeduldig. »Zeg,” zeide ik tot een der wachthebbende agenten, »dat de zaak waarvoor ik gekomen ben spoed vereischt, en ik niet langer kan wachten.” Een oogenblik daarna werd ik binnengeroepen. De commissaris, een man met een streng maar rechtschapen gelaat, ontving mij barsch. »Gij schijnt haast te hebben, mijn vriend,” zeide hij norsch, »kondt ge niet wachten?” »Onmogelijk, mijnheer!” antwoordde ik. »Laat hooren, wat is het? Zeker de eene of andere vechtpartij of een verloren beurs.” »Mijnheer,” zeide ik, »ik kom u spreken over den moord in de Rue de l'enfer.” – De commissaris sprong op van zijn stoel. »Wat zegt ge,” riep hij, »gij zoudt mij daaromtrent eenige inlichtingen kunnen geven?” »Alle inlichtingen, die ge wilt hebben,” antwoordde ik. – Hij keek mij verbaasd aan. »Kortom, mijnheer,” zeide ik, »ik kom u den naam van den moordenaar opgeven.” »Wat,” riep hij uit, meer en meer verbaasd, »en die naam?” »Is die van l'hyène,” zeide ik. »Ha,” riep de commissaris, »is het die ellendeling? Wacht vriend, we hebben nog eene oude rekening te vereffenen, maar die vereffening zal verschrikkelijk zijn.” »Maar hoe weet ge dat?” vroeg hij, »wie verzekert mij, dat gij de waarheid spreekt?” »Ikzelf,” zeide ik, »want ik was bij den moord tegenwoordig.” »Gij,” riep hij uit, »ge zijt dan medeplichtig, daar ge hem niet verhinderd hebt.” »Ja, ik was gedwongen medeplichtige, want ik kon den moord niet verhinderen.” »Maar hoe heeft zich dat dan toegedragen?” »Mijnheer,” zeide ik, »zoudt gij niet, alvorens ik u dat mededeel, den moordenaar laten gevangen nemen, want mijn verhaal zal lang zijn.” »Ge hebt gelijk,” antwoordde hij, »waar kan men l'hyène vinden?” – Ik noemde de straat en het nommer, en zeide: »Ik zou u aanraden een rijtuig te nemen, want de bandiet zal dronken zijn; ik heb hem van den koppigsten wijn gegeven, die er was.” »Goed,” zeide de commissaris, en hij gaf zijne bevelen. »Binnen een kwartier is hij geknipt,” zeide hij, weder binnen komende en zich vergenoegd de handen wrijvende. »Welaan, mijn jonge vriend, verhaal als ge zoo goed wilt zijn.” – Toen verhaalde ik hem hoe ik bij l'hyène was gekomen, mijne vergeefsche pogingen om te ontvluchten en eindelijk het voorgevallene van den afgeloopen nacht. De commissaris geloofde mij volkomen en beloofde voor mij te zullen doen wat hij kon. Voorloopig wees hij mij een kamertje aan in het gebouw der wacht, waar ik kon verblijven. – Terwijl wij nog aan het praten waren, kwamen de agenten aan met l'hyène. De moordenaar was zoo dronken, dat hij niet wist wat er met hem gebeurde. Men had de deur opengeslagen en hem smoordronken op den vloer gevonden; zijne arrestatie leverde dus geene moeilijkheden op. Na het huis te hebben laten bezetten, begaf ik mij met den commissaris er heen. Men haalde de kast weg en opende die op mijne aanwijzing; er kwam voor eene enorme waarde uit aan bank- en ander geldswaardig papier, aan goud- en zilvergeld en aan kostbaarheden. Langer dan tien jaren had l'hyène zijn vuig handwerk met ongehoord succes gedreven, en de voorwerpen, die hier voor den dag kwamen, waren die, welke de politie sinds jaren had gezocht. – Gedurende zijn proces, als ik mijne verklaring moest afleggen, scheen het of l'hyène zich op mij wilde werpen om mij te dooden. Doch het waren juist deze aanvallen van woede, die zijne schuld bewezen. Ten laatste bekende de schurk dan ook met eene onbeschofte koelbloedigheid en op uittartenden toon. Zijne veroordeeling volgde nu spoedig; de ellendeling ging voor levenslang naar de galeien. Hier hield de kapitein een oogenblik op. – Verduiveld, waarde kapitein! zeide de luitenant, gij hebt geen pleizierige jeugd gehad. Welk een verschrikkelijk leven met zoo'n ellendeling, en wat moet gij een moed en tegenwoordigheid van geest gehad hebben, om dien ellendigen bandiet zoo te blinddoeken. – Nu ja, zeide de kapitein, het spreekwoord zegt: de gelegenheid maakt den dief, maar de gelegenheid maakt ook den held. Men moet in zoodanige omstandigheden hebben verkeerd om te begrijpen, welk eene tegenwoordigheid van geest, welk eene geslepenheid en moed bij u door het gevaar ontwikkeld worden. – Maar laat ik voortgaan met mijn verhaal. – Om mij, zooals de commissaris had beloofd, eene betrekking of ten minste iets te bezorgen, waarvan ik kon leven, was lang geene gemakkelijke zaak, om de eenvoudige reden dat ik niets kende. Er was geen handwerk, geen ambacht waarvan ik iets verstond, en zoo kwam het dat de goede man zich tevergeefs moeite gaf mij iets te bezorgen, waarvoor ik te gebruiken was. – Omstreeks dien tijd kwam een groot paardenspel Parijs bezoeken. Mijn beschermer, die met den directeur van dien circus natuurlijk veel te maken had, zeide op zekeren dag tot mij: »Wel, jonge vriend! zoudt ge ook genegen zijn om stalknecht te worden?” »Wel waarom niet,” zeide ik. »Ja, ziet ge,” zeide de commissaris, »daar gij van fatsoenlijke familie zijt, dacht ik dat zulk werk u zou tegenstaan.” »Wel komaan,” antwoordde ik, »werken is geen schande, zelfs het minst geachte niet; 't is maar de vraag, of ik tot dat werk in staat ben.” »O, wat dat betreft,” zeide de commissaris, »wees daarover gerust. Het leert spoedig aan en bovendien heeft men aan mij verplichting, en zal men om mijnentwil geduld met u gebruiken.” »Goed,” zei ik, »ik dank u bij voorbaat, maar waar zal ik worden geplaatst?” »In den circus,” antwoordde de commissaris. »Komaan,” riep ik verheugd uit, »dat zal wel gaan!” »Eén ding moet ik u nog zeggen,” zei mijn beschermer; »de menschen in uwe nieuwe omgeving zijn ruwe lieden, maar geen schurken, en met uwe beginselen zult ge ook daar een eerlijke jongen blijven; daarvan ben ik overtuigd.” – En ziedaar mij weldra als stalknecht in den circus Remenz. Ik was toen zestien jaar en, hoewel veel grooter geworden, had ik mijne slankheid behouden. Op zekeren dag viel het oog van den directeur op mij, en na een kort gesprek werd ik van stalknecht bevorderd tot adspirant-kunstrijder. Elken dag les ontvangende, en dit gevoegd bij mijne natuurlijke vlugheid en gewilligheid, werd ik spoedig bekwaam genoeg om eene plaats te verwerven als kunstrijder in den circus. Ik kon thans fatsoenlijk maar schamel leven, toen er op zekeren dag iets gebeurde, dat voor goed eene wijziging in mijn levensloop bracht. – Het was op een Zondag, dat ik vóór onze tent op en neer loopende in gesprek met een mijner kunstbroeders een open rijtuig bespeurde met twee fraaie paarden bespannen, dat hollende de straat afkwam. Het volk vloog overal uit den weg, de koetsier schreeuwde luide en de twee dames, die in het rijtuig zaten, hielden zich angstig vast. Zonder mij lang te bedenken was ik in een paar sprongen naast het hollend gespan, greep de teugels en slingerde mij op de paarden, die ik weldra tot staan kreeg. Voor mij als kunstrijder beteekende dat geheele geval niets, doch dit nam niet weg, dat iedereen mij toejuichte. Hartelijk bedankt door de dames, verwijderde ik mij. Des anderen daags 's morgens kwam een heer, in de uniform van kolonel bij de cavalerie, mij zijn dank betuigen voor de redding zijner vrouw en dochter. Verlangend iets voor mij te doen, sloeg hij mij voor in dienst te treden bij zijn korps, mij plechtig belovende alles voor mij te doen om mij den rang van officier te doen verkrijgen. Reeds lang was ik het wisselvallige en onaangename van het zwervende leven van kunstrijder moede, en het kostte mij niet veel moeite het vaarwel te zeggen. Ik nam het aanbod van den kolonel aan en trad in den krijgsdienst. Mijne geoefendheid in het rijden deed mij spoedig bevorderen tot instructeur om de recruten het rijden te leeren en paarden af te richten. Intusschen hield de kolonel woord en verschafte mij de gelegenheid tot studeeren, waardoor ik, dank zij zijne bescherming, binnen acht jaren luitenant was. – Nu had ik eene fatsoenlijke positie in de wereld verworven. Gehoor gevende aan de verhalen, die onder mijne wapenmakkers gedaan werden van het avontuurlijke leven in Algerië, verkreeg ik na een paar jaren eene overplaatsing derwaarts, waar ik na eenige met succes bekroonde ontmoetingen met de Arabieren en Kabylen tot mijn tegenwoordigen rang werd bevorderd. Ik huwde met de dochter van een mijner chefs, die mij echter, helaas! te spoedig ontviel na mij twee kinderen te hebben geschonken. – Ziedaar, zoo eindigde de kapitein, het verslag van mijn kort doch veel bewogen leven. Het was intusschen laat geworden. De hemel was nog altijd even schoon en beloofde een mooien dag. Selam was een paar uren gaan slapen en Mohammed had zijne plaats ingenomen. In het kleine kamp heerschte de grootste rust, en onze vrienden legden zich mede ter ruste om den volgenden dag reeds vroeg op weg te gaan. VI. DE MONSTERPAD EN DE WITTE EZEL VAN SELAM De opkomende zon kleurde nauwelijks den hemel met roode tinten, of er begon leven te komen in het kleine kamp. Selam, de onvermoeide, die slechts een paar uren geslapen en daarna de plaats van Mohammed ingenomen had, was reeds druk in de weer. Hij wekte Mohammed en de drijvers en riep hun op tot het gebed. Men spreidde den kapmantel op den grond uit, knielde daarop met het aangezicht naar het Oosten gekeerd, en vervolgens een handvol aarde nemende wreven zij daarmede hunne armen en beenen, het hoofd en de voeten alsof zij zich waschten; daarna maakten zij onder het mompelen van gebeden allerhande bewegingen, bogen nu het gelaat in het gras, lagen op de knieën, sprongen dan weder op of hieven de handen biddend omhoog. Het was het eerste gebed van de vijf, die de Mahomedaan verplicht is elken dag te doen. Op een wenk van Selam stond men weder op en ging aan het werk; terwijl de drijvers ijverig bezig waren de bagage op de kameelen te laden, maakte Selam met zijn vriend Mohammed het ontbijt gereed, ondertusschen een oog houdend over het opladen der kameelen. Luitenant Frank, altijd met de zon uit de veeren, had nauwelijks de drukte van het ontwaken bespeurd, of hij stond op en wekte zijne vrienden. IJlings maakte men zich gereed om weder op marsch te gaan, en na te hebben ontbeten zette de kleine stoet zich weder in beweging. Ditmaal reed Selam met Mohammed vooraan, daarop volgden de kameelen en onze drie vrienden maakten de achterhoede uit. De dag was schoon. De zon nog niet zoo brandend als op den dag, stelde hen in staat goed door te marcheeren. De weg liep door een zeer afwisselend terrein. Welig groen, doorvlochten met prachtige bloemen, zag het oog allerwegen; ook uitgestrekte bebouwde velden met rogge en gierst bezet. Hier een heuvel, bedekt met een kleed van frisch groen en met fraaie boomheesters, dáár een dal met kreupelhout begroeid, waarboven overal vijgeboomen, aloë's en palmen uitstaken, hier eene wijd uitgestrekte groene vlakte, daar ginds voor hen uit eene lange rij blauwe bergen. Doch nergens ontwaarde men een levend wezen. Zoo reed men voort, pratend en lachend. Een zacht frisch koeltje deed eene aangename uitwerking en verfrischte allen. Met het klimmen van de zon begonnen hare stralen ook meer te branden. Het was omstreeks tien uur in den morgen en reeds was de hitte ondraaglijk. Een eind voor den troep uit bespeurde men een lagen berg. Hij bestond uit een steenachtigen grond met bosch en liep zeer steil op. De luitenant en de kapitein reden er heen op de ezels van Selam en Mohammed, wijl hij niet zeer geschikt was te paard bestegen te worden. Niet zonder moeite kwam men op den top aan, vanwaar men een prachtig uitzicht had over de omliggende landstreek en den Atlantischen Oceaan, die zich heel in de verte als een blauw vlak uitstrekte. Mohammed, die hen te voet was gevolgd, wees hun eenige zeilen, die hij met zijne scherpe oogen op dien verren afstand bespeurde. Inderdaad onderscheidde men een paar schepen met volle zeilen. Het geleken op dien afstand een paar watervogels, die, met de witte vlerken uitgespreid, zachtjes over het water zweefden om hun buit te bespieden. Omlaag zag men den troep reeds een heel eind vooruit, en men haastte zich den berg af te gaan, wat niet zonder gevaar geschiedde. De luitenant had nog een paar prachtige kevers gevonden, zeer zeldzame exemplaren, en Mohammed had onder het afstijgen een hagedis betrapt, die zeer klein was maar schitterde met allerlei kleuren. Toen men weder bij het gezelschap was, zeide Selam: – Dat is de Roode Berg; wij hebben reeds een goeden marsch gemaakt en als mijnheer het vergunt om ginds in de schaduw dier boomen een paar uurtjes te rusten om ons wat te verfrisschen, dan kunnen wij vóór den nacht nog Had-el-Garbia bereiken, dat aan gindsche zijde dier bergketen ligt. De luitenant en de kapitein keurden het goed, en na verloop van een uur zat men te rusten onder het dichte lommer van eene fraaie boomgroep. De hitte was dan ook onuitstaanbaar. De luitenant haalde zijn schetsboek voor den dag en maakte zijne eerste schets van een Arabisch landschap, terwijl Dries zich behaaglijk in het zachte groen uitstrekte en de kapitein eenige aanteekeningen in zijn dagboek opschreef. Wat de drijvers Mohammed en Selam betreft, deze gaven zich met innig welbehagen over aan dien trek naar rust, die den Arabieren en Mooren eigen is. Na eene verkwikkende rust ging men weder op weg. De hitte was nu ten minste draaglijk. De landstreek was afwisselend, maar eenzaam. Geen enkel persoon ontmoette men, en men bereikte tegen den nacht eene plek waar het kamp werd opgeslagen. Een weinig links af bevond zich Had-el-Garbia. Na de afmattende hitte van den dag gevoelde iedereen lust om te rusten, en toen de tenten opgeslagen waren en de beesten op een paar meters afstand vóór de tenten op eene rij waren vastgemaakt, begaf elkeen zich ter ruste. In de kleine tent was behalve Selam, die de wacht hield, weldra ieder in een diepen slaap. Niet alzoo in de groote tent. Nauwelijks had men zich nedergelegd, of een zwerm insecten rukte van alle kanten aan. Vliegend, kruipend, loopend kwam dat heir van ongedierte onze vrienden plagen. Dries was zoo afgemat, dat hij ondanks de insecten weldra sliep als een os. De luitenant verdroeg alles met kalmte, bleef rustig liggen en knipte slechts nu en dan het een of ander dier, dat hem te veel hinderde, met den vinger weg. Tegen de muskieten had hij zich gewapend met eene sigaar, aanhoudend dikke rookwolken uitblazend, zoodat hij weldra geheel in den dikken blauwen welriekenden rook van zijne manilla gehuld was. Doch kapitein Daumas had het 't ergst van allen te verantwoorden. Nauwelijks neergevlijd sprong hij op, eene verwensching uitstootende, liep met zijn zakdoek te wuiven, en sloeg en trapte naar alle kanten, zonder de zoozeer gewenschte rust te kunnen vinden. – Doe als ik, vriend! zeide de luitenant, die geheel onzichtbaar was. – Parbleu! riep de kapitein toornig uit, dat kan ik niet, dat duivelsche goed bijt en steekt me om er razend van te worden. Voorwaar, men moet een liefhebber van insecten zijn zooals gij, om te kunnen slapen met dat vieze goed bij en rondom u. De luitenant lachte. – Sacrebleu! riep de kapitein uit, ik ga naar buiten. En hij liep wanhopig de tent uit. Daarbuiten zat Selam voor zijne tent. De kapitein naderde hem stil en legde de hand op zijnen schouder. De Moor gaf geen teeken van schrik, maar draaide bedaard het hoofd om. – Ga slapen, mijn jongen! zeide de kapitein, ten minste als ge kunt. Ik kan 't niet en zal dus blijven waken. Zoodra ik lust heb om te gaan slapen, zal ik Mohammed wekken. De Moor weifelde. – Vergeef mij, heer! zeide hij, maar er wonen hier dichtbij Arabieren; ze zouden wel eens kunnen pogen te stelen. Als u het mij wilt vergunnen, blijf ik liever op. – Wees gerust, Selam! antwoordde de kapitein, ik ben vertrouwd met dat volkje. Ik heb lang genoeg oorlog met hen gevoerd om hunne streken te kennen. Gij kunt mij uwe taak gerust toevertrouwen. De Moor boog het hoofd; hij was voldaan, en ijlings in de tent gaande, sliep de brave jongen spoedig. De kapitein zette zich weder in de schaduw van de tent, waarin Selam was verdwenen. Met den rug naar de tent gekeerd, kon hij in den helderen nacht den omtrek en de lastdieren zonder moeite gadeslaan. Nadat de kapitein eenigen tijd had rondgezien om zijne oogen aan het duister te gewennen, vermaakte hij zich met op den grond naar de insecten te turen, die zich door hun geluid of lichtgevend vermogen deden bespeuren. Een voorwerp ter grootte van eene groote rat bewoog zich naar hem toe. Nu en dan zat het stil en dan sprong het weder eensklaps op, om naar het een of ander vliegend insect te happen. De kapitein martelde zijne hersens te vergeefs af, welk dier dat toch wel kon zijn; maar hoe hij ook nadacht, hij kon maar niet begrijpen wat het was. Het liep niet zooals een zoogdier, maar het sprong met korte tusschenpoozen en bewoog zich log voort. Twee oogen glinsterden als kleine vuurbollen. De kapitein begreep, dat hij door zich te bewegen het dier zou verjagen, en zijne nieuwsgierigheid was te zeer gaande gemaakt om niet te willen weten, welk dier hij voor had. Eindelijk deed het dier een paar snelle sprongen, welk het tot aan de voeten van den kapitein brachten. Nu of nooit, dacht hij, en snel den arm uitstrekkend greep hij het bij een poot vast. – Te duivel, mompelde hij, wat is dat koud! Hij liep er snel de tent mede in, ontstak een licht en liet opeens vol afschuw het dier vallen. Het was eene reusachtige pad. Maar even snel bedacht de kapitein zich en greep haar weder vóór zij den tijd had gehad zich weg te maken. Het dier bood eene mengeling van schoons en terugstootends aan. De huid zat vol groote en kleine wratten, die het dier er afzichtelijk deden uitzien. Het pronkte met allerlei kleuren en de vurige roode oogen schitterden als waren zij van goud. – Ha, ha, vriendin pad! zeide de kapitein, dat is eene vondst, die wat waard is; daar zal ik den luitenant morgen eens mede verrassen. En hij bond haar een koordje om een der pooten en zette haar op den grond. De pad, na een paar malen te vergeefs gepoogd te hebben weg te springen, bleef stil zitten en keek den kapitein met hare groote gouden oogen aan. – Je ziet er nog al verstandig uit, hoor! zei de kapitein lachend; ik geloof, dat ik je wel zou kunnen africhten als een hondje! en hij begaf zich weer naar buiten. Het weer begon eenigermate te veranderen. De sterren verdwenen van lieverlede en er kwam een natte koele nevel opzetten. De kapitein ging de tent in, stak eene pijp op, sloeg zijn mantel om en ging weder zitten. Hij had reeds langer dan twee uren de wacht gehouden en was huiverig geworden door de kille atmosfeer; hij besloot ten laatste Mohammed te wekken en te gaan slapen. Doch juist toen hij wilde opstaan, vernam hij een licht gedruisch. Kapitein Daumas luisterde, doch vernam niets meer. »Het zal het een of ander dier zijn geweest, dat jacht maakt op insecten”, mompelde hij, en hij wilde opstaan, toen hij op eens den witten ezel van Selam, die aan het eind der lijn stond, den kop zag omwenden als trok iets buitengewoons zijne opmerkzaamheid. – »Verduiveld”, zeide de kapitein, »zou er iets aan de hand zijn? Laten wij op onze hoede zijn.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreemd geluid trof zijn oor. Het was alsof men iets met een bot mes wilde doorsnijden, wat niet gelukte. De kapitein dook omlaag en strekte zich plat op den grond uit. Hoe weinig het ook was, toch had de kapitein een zacht geritsel gemaakt en oogenblikkelijk hield het geluid op. Doch een paar minuten daarna, toen de kapitein reeds meende dat hij zich had bedrogen, hoorde hij het opnieuw, doch slechts een oogenblik, toen was het doodstil. – Mordieu! mompelde de kapitein; wat gaat hier om, de duivel hale me als ik het weet. Hoewel hij nu, daar hij niets meer hoorde, een weinig gerustgesteld was en dacht dat zijne verbeelding hem een poets had gespeeld, bleef de kapitein niettemin het oog houden op den witten ezel van Selam, die door zijne kleur, ondanks de duisternis en den nevel, goed zichtbaar was. Opeens keek de kapitein scherp uit en bleef eenige oogenblikken liggen turen, alsof hij de duisternis doorboren wilde. – Sacre! mompelde hij zacht, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen dat de witte een eind verder stond dan daareven. En dat kan toch niet, want het touw, waarmede hij aan de lijn gebonden is, is toch niet langer dan een paar voet. Of zou de nevel mij misleiden. Ja, dat zal het zijn, zeide de kapitein, de nevel wordt hoe langer zoo dikker en onttrekt de voorwerpen aan mijn oog. Maar mordieu! zeide hij opeens verbaasd, toen hij toevallig het hoofd rechts wendde, het eerste paard is weg. Sacré Dieu! zou de nevel ook daarvan de oorzaak zijn? En met één sprong was hij aan het andere einde der lijn. Het eerste paard, dat van den kapitein, was verdwenen; het doorgesneden touw hing aan de lijn. – Ha, ha! mompelde de kapitein, was het dàt wat ik hoorde. Wacht, schavuiten! dat zal ik je betaald zetten. Hij liep naar het andere einde der lijn; ook de witte ezel was verdwenen. – Komaan, zeide de kapitein, knap gedaan! en voorzichtig liep hij naar de tent en greep Selam bij den schouder. De brave gids, die om zoo te zeggen met open oogen sliep, was in een oogwenk overeind. – Ik kom, zeide hij, denkende dat de kapitein hem wenkte om de wacht te betrekken. – Spoedig, spoedig! zeide de kapitein, men heeft mijn paard en je witten ezel gestolen; voort! anders pakken wij de schavuiten niet! en met groote sprongen snelde hij de hoogte af waarop men gelegerd was, op den voet gevolgd door Selam. De kapitein rende voort. Met de vlugheid van een gems sprong hij over steenen en struiken, dook onder overhangende boomtakken door en wrong zich door het dichte groen, dat hem overal den weg versperde. – Vooruit, Selam, vooruit jongen! riep de kapitein zacht tot den gids, die eensklaps bleef staan. – Halt! riep deze even zacht, luister, hier zijn de schelmen, hier links af, kapitein! De kapitein bleef eene seconde staan. Aan den linkerkant liep een smal voetpad. Daar hoorde men eene toornige stem op onderdrukten toon allerlei Arabische vervloekingen uiten, vergezeld van het toebrengen van slagen. – 't Is de witte, zei Selam zacht, het beest heeft zeker bemerkt, dat hij in vreemde handen is, of hij heeft een aanval van koppigheid. De kapitein dook in elkaar en kroop als eene slang over het hobbelige pad, gevolgd door Selam. Nog eenige oogenblikken en men was er. Dáár stond de witte ezel van Selam, en schopte en sloeg om zich heen zonder voort te willen. De Arabier vloekte. Een weinig verder stond een tweede, met het paard bij den teugel vastgegrepen, woedend over de vertraging, die den zoo slim uitgevoerden diefstal geheel kon doen mislukken. – Blijf hier, fluisterde de kapitein aan Selam's oor; ik zal maken bij den voorsten schurk te komen; zoodra gij mijne stem hoort, valt gij dezen aan. Hij kroop rechtsaf in de schaduw van het lage houtgewas voort. Een paar takken kraakten door zijne bewegingen, maar, dank zij het leven dat de ezel maakte, hoorden de dieven het niet. Opeens sprong den kapitein op, en den kerel die zijn paard aan den toom hield in den nek grijpend, donderde hij hem toe: – Halt, ellendige roover! Op hetzelfde oogenblik sprong ook Selam als een tijger op zijne tegenpartij en wierp den man op den grond. Selam had spoedig zijnen vijand onder de knie en hield hem in bedwang met het breede mes, dat hij boven het hoofd van den dief liet flikkeren, doch de kapitein, hoewel ongewapend, had toch niet geaarzeld den dief aan te vatten. Hij had dus alleen zijnen krachtigen arm tot wapen en eene hevige worsteling volgde. Selam, voor hem bevreesd, poogde hem het mes toe te reiken. Van dit oogenblik trok de dief partij en trachtte zich los te maken van zijnen bespringer. Doch snel greep Selam den roover bij het hoofd en het een weinig opheffend, smakte hij het op den rotsigen grond, zoodat de kerel bewusteloos bleef liggen. Toen sprong hij op en snelde den kapitein te hulp. Het was tijd ook, want diens tegenpartij had zich van het mes, dat op den grond was gevallen, meestergemaakt en bedreigde daarmede den kapitein. Selam, het gevaar ziende, waarin deze verkeerde, brak bliksemsnel een tak af en gaf den roover een geduchten slag op den schedel. De dief liet het hoofd vallen, breidde de armen uit en het mes ontviel aan zijne hand. Nu stond de kapitein op en Selam de hand drukkend, zeide hij met bewogen stem: – Ge zijt een brave knaap, Selam! het was tijd, dat ge mij te hulp kwaamt. Intusschen deed Selam een koord van zijn middel, bond den bedwelmden roover stevig vast en wierp hem over het paard. Toen hij echter een paar stappen terugging naar den anderen dief, was deze verdwenen. – Bij Allah! zeide Selam, ik had hem toch vrij onzacht tegen de steenen gesmakt. – Parbleu! voegde de kapitein er lachend bij, ik geloof u wel; ik hoorde den smak daar ginds. Als het een fatsoenlijk Christen was geweest, zouden hem de hersens uit den kop zijn gepuild, maar die vervloekte Arabieren hebben schedels van ijzer. – Hij heeft wijs gedaan met zich uit de voeten te maken, zei Selam. Hij heeft er een duchtig pak slaag mede uitgewonnen. Maar het spijt mij, dat hij ontkomen is. – Laat den schurk loopen, zei de kapitein; ik geloof, dat hij er wel genoeg van zal hebben om vooreerst weer uit stelen te gaan. Binnen weinige oogenblikken had men het kamp bereikt en de dieren weder vastgebonden, en daar de nevel hoe langer hoe dikker werd, legde Selam een flink vuur aan, welks schijnsel de geheele plek verlichtte. – Ik zeide het u wel, zei Selam, toen men bij het vuur zat; die schavuiten zijn uitgeleerd in het stelen. Door op den buik tusschen de dieren te kruipen konden zij de touwen doorsnijden, en hebben zij de slaperige beesten met kleine rukken zoo ver naar zich toe getrokken, tot zij buiten het gezicht waren. Ze hebben er terecht dezen nacht voor uitgekozen, want de nevel maakt het moeilijk op eenigen afstand de voorwerpen te onderscheiden. – De witte ezel heeft hun eene leelijke poets gespeeld, zei de kapitein. Zonder zijne koppige bui zouden de roovers reeds een goed eind zijn vooruitgekomen, en wij hadden de beesten misschien niet meer teruggezien. – Maar komaan, ik ga slapen, zei de kapitein; roep Mohammed, opdat hij met u wake, zij zullen heden nacht niet meer komen. Laat den dief gebonden liggen, zoodat gij het oog op hem kunt houden. Bij de minste poging van hem om weg te komen, schiet ge hem door den kop; wanneer ge iets bemerkt, dat u onraad doet vermoeden, wek ons dan! De kapitein trad de tent binnen en sloot ze goed dicht. De groote pad zat nog altijd vast en was bezig de insecten op te happen, die door de tent liepen en vlogen. – Ha, ha, zeide de kapitein, gij komt van pas! Hij bevestigde nog een langer touw aan het korte koord, zoodat de pad door de geheele tent kon rondspringen; toen legde hij zich ook neder en sliep weldra rustig in. Intusschen had Selam, ingevolge den raad van den kapitein, Mohammed gewekt, en beide vrienden zaten nu rookende lustig te praten over het avontuur van zooeven. Een paar meter van hen af lag de Arabier nog steeds onbeweeglijk en de twee Mooren, bekend met de taaiheid van die lieden, lieten hem stil liggen. Echter kon men, nauwkeurig toeziende, het lichaam van den kerel nu en dan flauw zien bewegen. – Wil ik u eens wat zeggen, zei Selam opeens fluisterend tegen Mohammed, na eenige oogenblikken scherp naar den gevangene te hebben gekeken, ik wed, dat de kerel op het oogenblik evenmin flauw ligt als wij, maar dat de fielt bezig is zijne banden door te knagen. Zie zijn lichaam gedurig ineenkrimpen, en zijn aangezicht is bijna geheel verborgen. O! de Arabier heeft tanden als eene rat! – Inderdaad, antwoordde Mohammed, ik geloof dat ge gelijk hebt, wat moeten we doen? – Stil, zei Selam, beweeg u niet; ziehier! en hij toonde hem de revolver van den kapitein, dien deze uit voorzorg aan Selam had gegeven. Schijnbaar onverschillig met elkaar sprekende, hielden de beide Mooren den gevangene evenwel gestadig in het oog. Deze bewoog zich vrij sterk en men hoorde hem diep en zwaar adem halen. Plotseling sprong hij op; de banden, waarmede zijne handen waren gebonden, vielen op den grond, en onder het uitstorten van een vloed van scheldwoorden stoof de dief met groote sprongen de hoogte af. Maar even snel knalde een schot; de kerel stiet een kreet van woede uit, doch liep voort en was in een paar sprongen in het struikgewas verdwenen. – Laat hem loopen! zeide Selam tot Mohammed, die zich in het hout wilde begeven. Hij heeft eene goede les ontvangen; de kogel trof hem in het been. Het is zóó misschien beter, dan dat we hem met stokslagen hadden gestraft. Dat gespuis zou ons misschien zijn gevolgd om wraak te nemen over het pak slaag, dat zij van ons ontvingen, wat zij om een kogel niet zullen doen. VII. ALKAZAR-EL-KIBIR Het schot van Selam en het daarop gevolgde rumoer had intusschen iedereen wakker doen worden. Doch spoedig gerustgesteld door de eenparige verklaring van Selam en Mohammed, besloot men, daar het reeds dag begon te worden, het kamp maar op te breken. Men vertrok onder druk gepraat en allerlei grappen over de avonturen van den afgeloopen nacht. De monsterpad was door den luitenant in eene doos geplaatst, met eene goede portie insecten bij zich tot voedsel, en bij de bagage geborgen. De nevel, die bijna den geheelen nacht over het land had gehangen, was nog niet opgetrokken en deed onze reeds aan de warmte gewende reizigers van koude klappertanden. Meer dan drie uren reed men in de mantels gehuld voort, en de luidruchtige vroolijkheid, die anders bij de karavaan heerschte, was verdwenen. De koude en vochtige lucht deed iedereen onaangenaam aan. Selam was de eenige, die nu en dan een woord sprak, als hij zijnen viervoetigen vriend op den hals klopte en streelde en hem prees over zijn goeden smaak om niets gemeen te willen hebben met gemeene dieven. Zoo ging men voort. Het terrein leverde gelukkig niet veel moeilijkheden op, want de nevel zou hen anders menige poets hebben gespeeld. Het was een zacht golvend terrein, overal doorsneden met paden, die zich als een reusachtig netwerk door elkaar slingerden. Op den middag trok men een bergpas door tusschen een paar heuvelrijen, doch men had geen enkele ontmoeting. De nevel veroorloofde ook niet om zich heen te zien. Men maakte dien dag een langen tocht, en sloeg tegen den avond het kamp op aan de oevers van de Mkhacem. De koude en de weinige last, dien men daardoor van insecten had, deden ons gezelschap besluiten dien nacht eens goed uit te slapen, daar men den volgenden dag misschien weder de vroegere afmattende hitte zou hebben en dezelfde vreeslijke plaag van de insecten. Een uur nadat het kamp was opgeslagen, lag dan ook alles in diepe rust. Slechts Selam, de jeugdige, altijd onvermoeide Moor, zat bij het groote vuur, dat hij had aangelegd, diep in zijnen kapmantel gehuld, de sabel naast en zijn lang geweer achter zich, voor de tent met de grootste kalmte zijne pijp te rooken. De nacht beloofde voor den volgenden dag beter weer. Er kwam een zachte wind op, die den nevel vaneen scheurde en voor zich uitjoeg en den helderen sterrenhemel zichtbaar liet worden. Selam stond verheugd over deze verandering op, liet het vuur uitgaan en begaf zich insgelijks ter ruste na Mohammed te hebben gewekt. De morgen was schoon, en de dag beloofde warm te zullen zijn. De kapitein was een der eersten, die ontwaakt waren. Hij wierp zijne buks over den schouder en drong het lage hout in om eenige patrijzen of ander wild te schieten. Na verloop van een uur keerde hij terug. De jacht was gunstig geweest, want de kapitein bracht een half dozijn schoone patrijzen mede, welke hij aan Mohammed gaf om voor het ontbijt klaar te maken. Intusschen was het gezelschap van lieverlede ontwaakt, doch tegen zijne gewoonte maakte Selam geene toebereidselen om op weg te gaan. Hij was met Mohammed op zijn gemak bezig het ontbijt in gereedheid te brengen, en het scheen dat hij niet genegen was veel haast te maken. Verwonderd vroeg de luitenant naar de oorzaak dezer handelwijze. – Heer! zeide Selam, ik heb niet laten opladen, omdat u toch zeker Alkazar wel wil bezoeken. – Alkazar! riep de luitenant verrukt uit, Alkazar-el-Kibir bezoeken, dat geloof ik, Selam! Maar dat is, dunkt mij, eene reden te meer om spoedig te vertrekken. – Heer! zeide Selam, het ligt slechts een paar uren rijdens van hier, en daarom dacht ik, dat wij dezen morgen eens op ons gemak zouden ontbijten; wij zijn dan nog vóór de grootste hitte in Alkazar, en kunnen het tegen den namiddag verlaten om aan gene zijde der stad den nacht door te brengen. – Nu, daar heb ik niets tegen, zeide de luitenant. Maar wat zegt gij er van, kapitein? – O! riep deze opgewonden uit, Selam, Selam, je bent goud waard! Verbeeld je wat een ramp, als we Alkazar-el-Kibir waren voorbijgegaan. O, dat is een uitmuntend denkbeeld. Ziet, we zullen eerst smullen; een ontbijt met patrijzen, dat is eene weelde, welke wij ons niet elken dag kunnen veroorlooven. Daarna, na ons te hebben opgepoetst, gaan wij Alkazar bezoeken. O, Selam! gij onbetaalbare gids, ik zou u kunnen omhelzen van vreugde! Het ontbijt werd op den grond gezeten in het frissche groen gebruikt en onderwijl ontwikkelde zich een druk gesprek over Alkazar. – Maar, riep de kapitein op eens uit, welke stroom is dat, Selam, die hier aan onze voeten stroomt? – Het is de rivier de Mkhacem, heer! antwoordde Selam. – De Mkhacem, riep de kapitein uit, de Mkhacem, dat is een nevenstroom van den Koes of Loekos, den Lixos der Ouden, evenals de Oearroer. O! nu herinner ik het mij. En zich tot zijne vrienden wendende, ging de kapitein met groote levendigheid voort: – Wij zijn op gewijden grond, vrienden! gewijd door het bloed van duizenden en duizenden dapperen, gewijd door de grootsche daden hier verricht. Luistert, indien gij het niet reeds weet. Ongeveer drie honderd jaar geleden had hier de vreeslijke slag van Alkazar plaats, die Mulei Molok, Sultan van Marokko, leverde aan den Koning van Portugal. De volkomen overwinning, die de vereenigde Mooren, Arabieren, Berbers en Turken op de Christenen behaalden, deed al wat Mahomedaan was juichen. Het was op den vierden Augustus dat deze slag plaats had. Over dezen stroom lag toen de brug, over welke de weg naar Alkazar liep. Ziet, zeide de kapitein, dat moet daar geweest zijn; men kan nog duidelijk in de palen, die men daar aan weerszijden van den oever bemerkt, de overblijfselen van die brug bespeuren. Mulei Molok, van Alkazar komende, had zich daar bij de brug gelegerd; de koning van Portugal, van Arzilla komende, aan deze zijde. Hier in de vlakte langs de oevers van dezen stroom werd die bloedige slag gestreden. Mulei Molok, de dappere sultan, de bekwame veldheer, greep het, uit allerlei nationaliteiten bestaand leger der Christenen aan en versloeg het totaal. Duizenden lijken van de bloem van den Portugeeschen en Spaanschen adel, van hovelingen en priesters, van Spaansche soldaten en krijgslieden van Willem van Oranje, van Italiaansche, Fransche, Duitsche en andere gelukzoekers, van avonturiers uit alle oorden van Europa, die allen de vanen volgden van den dapperen doch ongelukkigen jeugdigen Sebastiaan, bedekten deze velden. Hier vertrad het paard van den Moor de rampzaligen, de kromsabel hieuw hen zonder genade neer en de stroom voerde de lijken mede van hen, die zich uit wanhoop in den vloed hadden geworpen. – Een kreet van schrik weerklonk door het beschaafd Europa, en een juichtoon steeg op van uit de belijders van Mahomed. Hier stierf koning Sebastiaan, getroffen door een geweerschot en twee sabelhouwen. Ginds blies de dappere Mulei Molok den laatsten adem uit, gezeten in zijn draagstoel en omringd door zijne officieren. Zoo woedde deze verschrikkelijke slachting, zoo vonden hier de hoofden der legerscharen hun einde, zoo ook vond de aanstoker en bewerker van dien oorlog, Mohammed de Zwarte, den dood in den stroom en zes duizend lijken van Christenen bleven op het slagveld. De luitenant en Dries hadden met aandacht zitten luisteren naar den kapitein, die onder het verhalen hoe langer hoe meer in vuur was geraakt. – Ik wist er van, zeide de luitenant, ofschoon mij niet al de bizonderheden, die gij ons verhaald hebt, bekend waren; ja, het moet eene vreeslijke slachting zijn geweest. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/j-hendrik-van-balen/onder-de-mooren/) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом. notes 1 Het rijk Dahome, aan de Slavenkust (West-Afrika), ligt aan de Golf van Benin. Het is bekend wegens de barbaarsche menschenoffers en door zijn leger van vrouwelijke soldaten (Amazonen).