De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813
Piet Visser




Piet Visser

De Zwervers van het Groote Leger: Historisch verhaal uit het tijdperk 1810-1813





Eerste Hoofdstuk


Hompelend achter zijn leege vischkar, de beenstomp doelloos in stâge wiegeling tusschen de ploffende kruk en het forsche rechterbeen, repte Franciscus Stargardt zich naar huis.

Zijn gezicht stond grimmig van verzwegen wrok om het juist verschenen Keizerlijk decreet, waarbij ook in Holland de felgehate conscriptie[1 - In de Republiek hadden nooit andere Nederlanders dan vrijwilligers onder onze troepen gediend.] zou worden ingevoerd.

Reeds het vorige jaar, tegelijkertijd dat door Koning Lodewijk afstand van het bewind was gedaan ten behoeve van zijn minderjarigen zoon, had Napoleon maarschalk Oudinot met een Fransch leger naar Nederland gestuurd; leunend op zijn kruk had de kreupele op de Ossenmarkt, door de wijd-open ramen, met weemoedsblikken naar het feest gezien van den 4


 Juli; en terwijl daar geklonken en gedronken, gejuicht en gejubeld werd door de Franschen en de Hollandsche militairen, had hij zelf, met schier heel de Amsterdamsche burgerij, in de vreeselijkste spanning verkeerd.

Och, hij voorzag het toen wel, dat die gast-vrienden der Hollandsche militairen gekomen waren om Holland's vlag van de aarde te verdringen, Holland's taal uit te roeien, Holland's goed te rooven, Holland's jongelingen van de ouders af te scheuren om ze, ver van hun geboortegrond, te offeren aan de onverzadelijkste heerschzucht.

Op de Kattenburgerbrug hield een douanier hem staande, om zich te overtuigen, of hij ook koloniale waren in zijn handkar hebben mocht. Hij wist het reeds lang, zij wantrouwden hem, de Fransche tolbeambten, wijl zijn huidig bedrijf hem noodwendig met visschers in aanraking bracht, die als de grootste smokkelaars verdacht stonden. Maar toch steeg Franciscus geregeld nog het bloed naar het hoofd, telkens wanneer hij zich een onderzoek moest laten welgevallen.

Door een enkelen blik had de belastingambtenaar gezien, dat de kar ledig was. Zwijgend wenkte hij toen, dat de aangehoudene weer dóór kon gaan.

Hoe waren de tijden dan toch veranderd!

En Franciscus Stargardt herdacht opeens met schaamte aan zijn opgewonden patriottenroes, toen ook hij den goedigen, maar helaas te zwakken stadhouder[2 - Willem V.] voor een Alva en een Nero had uitgekreten, toen ook hij de Franschen als bevrijders der tirannie had ingehaald, en ze bij hun komst als broeders had helpen ontvangen. Ja, hij had ze vergood bijkans, diezelfde Franschen, nu door hem gevreesd als beulen, eerlang gereed om, op last van een overweldiger hem te ontrooven het dierbaarste wat hij bezat: zijn flinke, gezonde, levenslustige jongens.

Jakob en Willem, ze waren beiden op 't timmeren. En schoon er tegenwoordig, bij de algemeene achteruitgang en armoede meer geslóópt dan gebóuwd werd, had de baas hun nog steeds aan het werk kunnen houden. Alzoo nooit zonder verdienste geweest, hadden zij hun vader de zorg voor het dagelijksch brood, sedert hij 's lands werf, na zijn ongeluk, had moeten verlaten, niet weinig helpen verlichten.

Want „Frans met de kruk”, gelijk hij tegenwoordig algemeen genoemd werd, had voor weinige jaren nog een paar stevige beenen tot zijn beschikking, die zonder vermoeienis zijn forsch en krachtig lichaam op zomersche Zondagen tot ver buiten de stad vermochten te brengen.

Maar toen opeens die noodlottige val, onderwijl hij zijn beroep van blokkenmaker uitoefende!

„Je bent nog een jonge, sterke vent”, zei de dokter, „dat is je behoud”.

Zijn krachtig gestel bracht hem dan ook vrij spoedig er weer bovenop, maar—zijn rechterbeen had hem afgezet moeten worden en voor 's lands werf wist hij zich nu een, zijn leven lang, onbruikbaren kerel.

Toen, pogende op een andere wijze zijn brood te verdienen, was hij met visch gaan venten. De begunstiging van zijn vrienden en vroegere makkers en de ijver van zijn flinke huisvrouw Jane Overbeek, ondersteunden hem daarbij met het beste gevolg. Hoe zorglijk de omstandigheden ook werden, „Frans met de kruk” vond toch altoos zijn bescheiden deel, zelfs thans nog te midden der vreemde onderdrukking.

Want de tijd van spanning, door den troonsafstand van Koning Lodewijk ontstaan, was van heel korten duur geweest. Napoleon toch, de daad zijns broeders ten sterkste afkeurend, had, slechts weinige dagen later, het koninkrijk Holland tot een onderdeel van het Fransche Keizerrijk verklaard.

Het vaderland bestond niet meer.

Charles François Le Brun, hertog van Plaisance, kwam als luitenant-generaal of algemeen stedehouder het paleis bewonen, het land werd in departementen verdeeld, met prefecten tot bestuurders. Beneden die prefecten stonden onder-prefecten; de burgemeesters werden maires.

En tegelijkertijd bracht Napoleon een verpletterende slag toe aan de overblijfselen onzer vroegere welvaart. Het decreet der inlijving toch eischte van den ganschen Handelsstand 50 procent van de waarde der koloniale waren en tevens ontnam het, met één pennestreek, aan vele duizenden twee derden van hun vermogen. De renten der Hollandsche schuld zouden namelijk niet verder dan voor een derde onder de lasten worden opgenomen. Vermogende lieden waren door deze willekeur eensklaps tot een bekrompen staat, anderen, die van een klein kapitaal met hun huisgezinnen wisten te leven, tot diepe armoede gebracht.

Al die ellende, voor Franciscus Stargardt was ze natuurlijk hoegenaamd niet nieuw meer, maar Napoleons jongste decreet en het onderzoek aan de brug, daareven, hadden gemaakt dat hij er op 't oogenblik meer dan ooit mee vervuld werd.

In de grootste verbittering trad hij dan ook zijn woning binnen, die op den hoek van de Kleine Kattenburgerstraat en het Kattenburgerplein stond.

„Er is toch niets gebeurd?” riep moeder Jane, toen zij nog maar nauwelijks zijn gezicht gezien had.

„Het ergste wat ons nog overkomen kon!” zei de kreupele somber: „De conscriptie wordt ingevoerd!”

Hij liet zich in zijn stoel neer, de kruk ruw naast zich in den hoek werpend.

Moeder Jane verbleekte. De conscriptie! Vaak genoeg was de mogelijke invoering reeds in zorgelijke vrees besproken, om te kunnen weten wat dat zeggen wou. Niet langer dan vijf jaren hadden de conscrits te dienen, zoo heette het. Maar in Frankrijk was geen voorbeeld bekend dat men een soldaat, tenzij wegens ongeschiktheid voor den dienst, ooit weer ontsloeg.

„Ja, zóóver is het dan gekomen!” vervolgde Stargardt dof. „Was het al niet genoeg dat wij dagelijks bloot staan aan de schandelijkste willekeur van douanen en gendarmen? Dat we worden bestuurd naar vreemde wetten en onder vreemde heerschers? Dat we voortdurend worden uitgeperst en uitgezogen, terwijl de lasten en opbrengsten, inplaats van het algemeen welzijn te dienen, als buit over de grenzen worden gevoerd?

Maar nee, nu ook dàt nog!”

Zijn ellebogen op tafel gesteund, liet hij het hoofd in beide vuisten rusten. Toen staarde hij verder, met saâmgetrokken wenkbrauwen, zwijgend voor zich uit.

Ook het gezicht van moeder Jane stond zorgelijk.

Maar zij was een flinke vrouw en na haar eerste ontsteltenis zon zij dadelijk op uitkomst. Willem werd al twee-en-twintig, die kwam voor de conscriptie dus niet meer in aanmerking, meende zij. En Jakob zou toekomende jaar pas moeten loten. Kon hij, bij dat, niet naar Engeland ontsnappen, waar Napoleon niemendal te vertellen had? Hàrd mocht dat zijn, 't zou toch altoos nog beter wezen dan verminkt of doodgeschoten te worden als soldaat. In ieder geval, waarom zouden zij nu zich al zorgen maken? Wie weet, wat nog gebeuren kon.

„Willem niet in aanmerking komen?!…”

Bruusk hief Stargardt het hoofd op: „Neen, dat is juist het onrechtvaardigste van alles, de Keizer heeft bevolen dat zijn decreet, voor dezen eersten keer, een terugwerkende kracht zal hebben van drie jaren liefst!”

„Dat wil zeggen…?” vroeg moeder Jane beangst.

„Dat zelfs de jonge mannen van drie-en-twintig nog aan de loting moeten deelnemen!”

Nu wist ook Jane geen raad. In de diepste verslagenheid en schier zwijgend bleven zij tegenover elkander zitten, totdat eindelijk Willem en Jakob van 't werk thuiskwamen.

„Wat ben jullie van avond laat, jongens?” zei Jane bezorgd.

't Was op het einde van Februari en met die korte dagen konden zij dus al lang binnen geweest zijn.

„We hadden vandaag ons werk een heel eind van de stad,” gaf Willem tot opheldering.

„Een buitenplaats sloopen!” voegde Jakob er aan toe.

„Ja, slóópen, slóópen! Da's tegenwoordig nog maar het bloeiendste handwerk!” barstte Stargardt wrevelig uit. „Hier in Amsterdam verdwijnen nu al gehééle wijken; de Vechtstreek, de Diemermeer en Haarlem's omgeving verloren het ééne landgoed na het andere!

En ga eens door de stad!.. Bij troepen zie je ambachtslui met de handen in de zakken langs pleinen en straten slenteren. Geen dienstbode krijgt meer een betrekking, geen schipper vindt langer vracht, winkelier en kramer ervaren duizenden kwellingen!

Vroeger, o 't was een liefhebberij om langs den IJkant te loopen. Geen mooier gezicht dan al die schepen, die er voor anker lagen. Een bòsch leek het wel, een bosch van masten!

Kom daar nù eens om! Wat zie je? Een stuk of wat vaartuigen maar, die er liggen te rotten, omdat Napoleon met zijn Continentaal-stelsel onzen handel vermoord heeft.

Ja, is het niet God geklaagd”, wond hij zich al heviger op, „dat wegens dit stelsel niet minder dan 18000 man onze kusten moeten bewaken en al onze havens met oorlogsschepen worden geblokkeerd om toch maar te zorgen, dat er geen koopvaarder uit of in komt?

O, als ik bedenk,” ging hij al heftiger voort, „dat één man dit alles ons aandoet, dat één man onzen koophandel verlamd, onze visscherij en scheepvaart zoo goed als vernietigd en bankroet op bankroet veroorzaakt heeft, o, dan zou ik in staat zijn om den ellendeling…”

„Fràns!!…” gilde Jane, doodelijk ontsteld.

„Vader, vader!” waarschuwden de jongens verschrikt, „maak ons in Godsnaam toch niet allemaal ongelukkig!”

Angstig luisterde Willem aan het venster, bevend kierde Jacob de deur…

Want de Fransche geheime politie had overal haar agenten; in de koffiehuizen, in de schouwburgen, bij zijn vrienden, ja, zelfs in zijn eigen woning was het gevaarlijk om te morren over het tiranniek bestuur. Mijnheer Devilliers Duterrage[3 - De directeur-generaal van politie.] toch, had zijn stille verklikkers onder alle standen, onder de welgekleede heeren, onder eenvoudige kleine burgers, onder handwerkslieden, tot onder de voddenkrabbers incluis.

Vaak was een enkele aanklacht van zoo'n laag gezonkene voldoende om iemand in de gevangenis te brengen, of te doen veroordeelen tot den dood.

Franciscus zat een oogenblik ontsteld, dat hij zich zóó had laten gaan.

„Jullie hebt gelijk,” sprak hij eindelijk meer bedaard en met gedempte stem. „Maar een mensch heeft wel eens behoefte om zich te uiten. Het zat me tot hier!” wees hij met het bekende gebaar.

„Ook voor jou, mijn jongen, is er geen aangenaam nieuws,” ging hij weemoedig voort, meer bepaald tot Willem sprekend.

Willem zag doodsbleek, toen hij het wist.

„Maar ik kan vrijloten!” bracht hij er eindelijk met moeite uit. 't Was een mislukte poging om zijn ouders met een verwachting op te beuren, die hij zelf niet had.

„O, zeker, je kunt nog vrij loten!” zuchtten de anderen, meenend, dat dit hem troosten zou.

Maar geen van die vier bedrukte menschen bezat in waarheid de hoop, waarmee elk den ander dacht te bemoedigen.

IJverig werd nu met de inschrijving van alle dienstplichtige jongelingen begonnen en reeds den 28


 Maart zou de loting plaats hebben.

Willem zou als reden tot vrijstelling opgeven, dat hij bijziende was. Voor een poosje namelijk was het Jakob eens opgevallen, dat zijn broer het boek onder het lezen wat dichter bij de oogen hield dan hijzelf. Dadelijk hadden zij daar toen allemaal een reden tot ongeschiktheid voor den dienst in gevonden.

Op den morgen van den lotingsdag had echter geen van de Stargardts nog eenig vertrouwen meer in de deugdelijkheid van het kortelings ontdekte vrijstellingsmotief. Treurig zaten zij aan het ontbijt, maar alle vier konden zij niet dan met moeite eenige beten naar binnen krijgen.

Er werd meer gezucht dan gesproken.

„Kom, Willem! het wordt je tijd!” zei Stargardt eindelijk met een door aandoening verschorde stem.

Hij nam zijn kruk onder den oksel en ook de beide jongens stonden op.

Moeder Jane begon hevig te snikken. Het leek haar toe, of haar kind dit oogenblik de eerste stap tot een bloedigen dood ging doen.

„Kom, moeder, flink wezen nu!” poogde Willem nog te troosten: „Wie weet of ik geen hoog nummer trek!” Maar in 't midden van die hokkend geuite woorden moest hij zich omkeeren, om zijn eigen ontroering te verbergen.

Zij gingen met hun vieren de deur uit, naar het stadhuis. Want de loting zou deels in de Amstelkerk, deels ten raadhuize plaats hebben.

Op straat zagen Jane's oogen nog rood van het schreien dat zij gedaan had. Maar moeder Jane was waarlijk in dit opzicht de eenige niet. Dien morgen bleek de stad vòl van vrouwen, die in gezelschap van lotelingen, met roodbekreten oogen over straat gingen.

Voor het stadhuis was een groote ophooping van menschen; de Stargardts hadden moeite, er door te komen. Maar eindelijk was dit toch gelukt. De beide ouders en Jakob wilden nu méé naar binnen treden, maar door de gendarmen die den ingang bewaakten, werden zij met barschen grauw teruggehouden. Alleen Willem mocht binnengaan.

„Flink raak grijpen maar!” bemoedigde Jakob zijn broer, die er in dit oogenblik allerellendigst uitzag.

„Ja, mijn jongen, grijp maar ferm toe!” schorde zijns vaders ontroerde en hokkende stem: „Het geluk is voor de brutaalsten!”

Maar Willem schudde treurig het hoofd; het lag hem zoo bij, dat hij wel een laag nummer zou trekken.

Ook moeder Jane was begonnen, haar armen jongen nog een woord van troost toe te snikken; maar ongeduldig duwde een der gendarmen Willem naar binnen.

„Allo, vooruit! Je kunt hier den heelen dag niet blijven staan janken!” schreeuwde hij ruw.

Met vreemdstrakken blik liep Willem nu dóór. Uit de raadkamer hoorde hij de nummers afroepen en nu en dan ging een loteling hem voorbij, met roodgloeiend gezicht, of zoo wit als het genummerde stukje papier, dat tusschen zijn vingers beefde.

Hij schuifelde de zaal in; daar zaten of stonden nog een menigte jongelingen hun beurt af te wachten, en niet één keek blijmoedig. Sommigen straalde de wanhoop als een koortsgloed de branderige oogen uit; anderen zaten, met het hoofd op de borst, als geknakte witte bloemen. Slechts enkelen deden zenuwachtig druk, om zich een voorkomen van flinkheid te geven, maar de meesten openbaarden een doffe, schier wezenlooze onderwerping.

Bijna angstig staarde Willem naar de groote, met groen laken overdekte tafel, waarop de lotbus stond. Aan die tafel zat de Raad van Conscriptie; mijnheer De Celles, de om zijn wreedheid gehate prefect, had de eereplaats. Een sterke balie scheidde deze tafel van de zaalruimte, waar de lotelingen waren. Twee openingen, de eene tot ingang, de andere tot uitgang bestemd, bleken ieder bewaakt door vier Fransche soldaten.

Eén voor één werden de lotelingen opgeroepen, om uit de noodlottige bus het stukje papier te grijpen, waaraan misschien hun leven hing. Soms snerpte een kreet van wanhoop door de zaal, als een conscrit een zeer laag nummer bleek getrokken te hebben, soms schalde er een juichkreet op, wanneer het een buitengewoon hóóg nummer bleek te zijn.

„Willem Stargardt!” klonk het opeens.

Willem voelde een schok, toen hij zijn naam hoorde aflezen. Tegelijkertijd ging hem een ijskoude huivering over den rug, alsof hij de koorts had. In een vreemde droomdoezeling ging hij tusschen de militairen door. 't Was of niet hij daar ging, maar iemand anders; of niet hij voor de heeren trad om zijn hand in de glazen bus te steken, maar iemand búiten hem… Doch opeens werd hij weer zichzelf, nadat hij het getrokken nummer aan den militairen auditeur had overgereikt.

„No. 15”, las de auditeur. Toen werd al weer een nieuwe loteling opgeroepen.

Willem stond daar nog, roerloos, geheel verbijsterd.

„Neen, mijn jongen, je behoeft vandáág nog niet op schildwacht te staan!” spotte mijnheer De Celles, en de andere heeren lachten dat zij schudden om die wreede grappigheid van den hardvochtigen prefect.

Nu kwam Willem plotseling tot een klaar besef van zijn ongelukkigen toestand. Met een prikkelende trilling in zijn beenen ging hij naar de plaats waar zijn signalement werd opgenomen, en een oogenblik later stond hij weer op straat.

Al dien tijd hadden de andere Stargardts daar in het vreeselijkste ongeduld staan wachten.

„Daar komt hij!” riep Jakob nu opeens. „Maar…”

„Hemelsche goedheid! Ik zie het al, ik zie het al!” jammerde moeder Jane, „zijn gezicht is zoo wit als een doek!”

„Welnu?…” hijgde Stargardt, op zijn kruk naar voren wippend.

„No. 15—soldaat!” zuchtte Willem.

Zijn onderkaak was in zenuwachtige trilling, toen hij met moeite dit antwoord uitbracht.

„Maar je hebt toch opgegeven, dat je bijziende was!” vraagde moeder nog angstig.

Willem knikte.

„Kom laten we gaan!” zei Stargardt dof.

In somber zwijgen, als menschen die een dierbaren doode naar het kerkhof hebben gebracht, keerden zij daarop naar huis.

Drie dagen later moest Willem reeds voor den Raad van keuring verschijnen, die zitting hield in het Besjeshuis aan den Amstel.

Hij ging er heen met weinig hoop. Toen hem bovendien al heel spoedig bleek, dat tal van conscrits, die eveneens gebreken hadden opgegeven, reeds allemaal waren goedgekeurd, ging hij in doffe gelatenheid bij de nog wachtenden zitten.

Weldra kraakte een deur open en tien lotelingen kwamen er uit,—goedgekeurd! Duidelijk was het te zien aan hun strakke, bedroefde gezichten.

Onmiddellijk daarop stak een gendarme het hoofd door de deuropening en schreeuwde de namen van tien andere lotelingen uit. Ook die van Willem was er bij.

Zij traden binnen en de gendarme sloot de deur.

Verscheidene heeren, meerendeels notabelen, om zoo noodig van advies te dienen, zaten op stoelen in een halven kring; mijnheer De Celles, de gehaten prefect, op een leuningstoel in het midden; en zijn secretaris zat aan een tafel.

Eenige militaire chirurgijns en een overste stonden in een hoek van het vertrek met elkaar te praten.

„Uitkleeden!—Een beetje vlug asjeblieft!” commandeerde de gendarme barsch.

Toen zij alle tien zich geheel ontkleed hadden, werden zij betast en bekeken als het vee op een marktplein.

Een was er bij, die doofheid had opgegeven.

„Hoe heet je?” werd hem gevraagd.

„In de Willemstraat!” zei de jongen.

„Mijnheer vraagt, hoe je heet!” bulderde een der gendarmen.

„O, zóó! Frederik Nottens!—Ik dacht dat mijnheer de chirurgijn vroeg, waar ik wóónde. Ik ben een beetje doof, ziet u!”

„Maar toch zeker niet zoo erg?”

„Wâblief?” vroeg de Willemstrater, de hand aan het oor geschulpt.

„Of het èrg is?” herhaalde de chirurgijn luid.

„Vér? Ja, de Willemstraat is tamelijk ver”, was het antwoord.

„We moeten met hèm maar uitscheiden!” zei de prefect. „'t Is duidelijk, de lummel is zoo doof als een pot!” En zonder de minste stemverheffing liet hij terstond er op volgen:

„Je bent afgekeurd, vriend. Je kunt gaan!”

Met een glans van blijdschap op het gelaat keerde Frederik Nottens zich om en wilde dadelijk zijn kleeren aandoen om heen te gaan.

„Halt!” donderde de stem van mijnheer De Celles. En toen zich met een boosaardig lachje tot den secretaris wendend:

„Frederik Nottens,—goedgekeurd voor den dienst!”

Een naar het uiterlijk sterke en gezonde loteling had vallende ziekte als reden tot vrijstelling opgegeven en, uit angst, kreeg hij plotseling werkelijk een toeval. Zijn oogen draaiden akelig in hun kassen, wit schuim bruiste hem om den mond en met een plof smakte hij op den vloer.

De heeren notabelen toonden, met den armen jongen te doen te hebben. Maar mijnheer De Celles zei: „Nu, ja, de kunst gaat ver. We zullen dadelijk onderzoeken wat er van aan is.”

Toen liet hij door een der gendarmen, den beruchten Jean Malot, het naakte lichaam van den ongelukkige met brandend lak bedruipen, om te zien of de kwaal ook nagebootst was.

Met een gevoel van afgrijzen zagen de andere heeren dat wreede bevel ten uitvoer brengen. De prefect echter nam een snuifje en keek doodbedaard toe.

Toen de arme jongen nochtans roerloos liggen bleef sprak hij, onverschillig en koud: „Hm, de ziekte blijkt heusch toch echt te wezen!”

Willem had dit alles met ontzetting bijgewoond en angstig vroeg hij zich af, wat men zoo meteen met hèm wel doen zou. Een tengere, bleeke jongen echter, die reeds van den aanvang af had staan trillen als was hij, onder een ijzigen vrieswind, zoo juist uit een bijt gered, was in onmacht gevallen.

Om hem bij te brengen onderging hij dezelfde afschuwelijke bewerking.

Gillend sprong de mishandelde stumper toen overeind.

„U ziet het, heeren,” zei de prefect, met zijn wreed lachje: „Het middel is waarlijk nog zoo kwaad niet.”

Als zoovele ambtenaren volvoerde mijnheer De Celles des Keizers bevelen met gestrengheid, zonder verschooning of verzachting; maar waar anderen dit deden uit angst voor Napoleon, uit zucht om zich aangenaam te maken, of uit nauwgezette plichtsbetrachting, daar deed hij het steeds uit ingeboren neiging. Hoe wreeder de Keizerlijke bevelen waren, te minder blijk van weerzin of mededoogen deze prefect openbaarde, als ontbrak hem alle gevoel van menschelijkheid, als was het hem een genòt om leed te stichten.

De jonge Stargardt, na alles wat hij gezien had, huiverde, toen eindelijk de beurt aan hèm kwam.

„En jij?” vroeg een der militaire chirurgijns.

„Bijziende!” stamelde Willem bevend.

Enkele proeven werden nu genomen en daar hij te eerlijk was tot een poging om den raad van keuring te misleiden, klonk het weldra:

„Willem Stargardt,—goedgekeurd voor den dienst!”




Tweede Hoofdstuk


Op den avond van den 10


 April werden alle goedgekeurde conscrits bijeengebracht en in de kazerne aan de Utrechtsche poort opgesloten, om den volgenden dag naar hun corpsen te worden gezonden.

Zoodra de morgen aanlicht, zet de sombere stoet zich in beweging, naar de Haarlemmerpoort, waar verscheidene schuiten tot hun vervoer gereed liggen.

Door talrijke gendarmen begeleid volgt de droeve jongelingenschaar de aanvoerders als weerloos slachtvee.

Willem Stargardts familie is niet aanwezig.

Om hem het heengaan niet nog moeilijker te maken had hij dringend verzocht, dat het laatste afscheid den dag te voren in het ouderlijke huis zou plaats hebben.

Maar in weerwil dat de tocht met voordacht langs achterbuurten gaat, zijn toch vele vrienden en verwanten op de been, die met de uittrekkende lotelingen meeloopen. En dat aantal wordt gaandeweg nog hoe langer hoe grooter. Af en toe knerpt een raam open, waardoor een vaarwel wordt toegewuifd. Dan heft de loteling dien het geldt in den regel zwijgend een hand op, en laat vervolgens het hoofd weer moedeloos op de borst zinken.

Willem loopt tusschen Lodewijk Hantelman, den tengeren jongen die op den keuringsdag in zwijm viel, en Frederik Nottens, den Willemstrater, die doofheid had voorgewend.

De doodsbleeke Lodewijk snikt als een kind, terwijl zijn roodgeschreide oogen aanhoudend naar zijn ouders kijken, zich voortbewegend onder de nog immer aangroeiende menigte. En naast Lodewijk's vader, den stevig-gedrongen, breedgeschouderden Antonie Hantelman, stapt de reuzengestalte van Toon Janssen. Zijn eigen jongen was wel is waar, om zijn vallende ziekte, ongeschikt verklaard voor den dienst, maar toch laait een felle woede weer telkens in hem op, zoo vaak hij maar bedenkt, hoe mishandeld hij zijn kind weer thuis kreeg.

Hij is meegeloopen met den stoet, omdat hij er enkele verwanten onder heeft. En nu moet hij het zien dat, daar vóór hem, de ellendeling gaat die zich gretig haastte, het onmenschelijk bevel van den prefect ten uitvoer te brengen.

Toon Janssen klemt de vingers krampachtig om de duimen, zijn oogen gloren somber van verzwegen wrok, nu hij daar dien hatelijken Jean Malot ontdekt, wiens hand de gloeiende lakdruppels op het naakte lijf van zijn ongelukkigen jongen liet inbranden.

Zwaar stapt hij naast Antonie Hantelman voort, wiens jongen op dezelfde onmenschelijke wijze mishandeld werd.

En in hun haat komen de versomberde zielen dier beide vaders tot elkander, voldoening zoekend in zacht-mompelend beurt-geschimp.

Daar tracht iemand uit de menigte tot de lotelingen door te dringen, om zijn zoon de hand te drukken. Doch met een stomp wordt hij teruggedrongen onder het volk. Anderen pogen hetzelfde, maar stooten en slagen van de gendarmen doen hen dof-grommend af deinzen. Aanstekelijk werkt dit grommen op heel de verbitterde massa; het wordt een zwaar, gonzend, opstandig gebrom, langzaam groeiend en aansterkend tot nog onverstaanbaar, dreigend woordgezwatel; hoofden en handen komen in onrustig gebaar; oogen drinken haat uit anderer haatvervulde oogen.... In dien toestand van nog onderdrukte opgewondenheid, geraakt heel de massa, met de lotelingen, tot buiten de Haarlemmerpoort.

En daar liggen zij te wachten, de schuiten, stil-geduldig als loerende leviathans, de wijd-open klepluiken hongerig gapend als monstermuilen, om, zoo dadelijk, één voor één, die aangevoerde prooi van Amsterdamsche jongelingen te verslinden.

Thans wordt de wanhoop die zwaarbeproefde vrienden en verwanten te machtig. Zij dringen zich door de gendarmen tot een laatsten handdruk, een laatste omhelzing.

Moeder Hantelman heeft zich wild aan de borst van haar zoon geworpen, luid jammerend:

„O mijn jongen, mijn jongen!.. Ik kàn je niet missen!..”

Hun armen houden elkander vast als in onbreekbare omstrengeling. Maar driftig nadert Jean Malot. Barsch scheurt hij beiden van elkaar, dat de moeder met een smartkreet terzijde slingert, terwijl hij den zoon naar de schutten poogt voort te drijven.

Doch in 't zelfde oogenblik springt de vader op den ruwen gendarme toe..; ontembare worgdrift vaart bevend door zijn armen, en als een roofdierklauw omhaken zijn vingers hem nijpend den strot…

De Franschman, het vuurroode hoofd achterover, reutelt een gesmoorden vloek omhoog, zijn sabel trekkend tot bloedigen tegenweer… Maar Toon Janssen's sterke handen ontwringen het wapen aan zijn vuist… als een weerlicht flitst het over de hoofden der menigte, tot het neerploft in de Haarlemmervaart…

Deze daad werkt op de massa als een vurig verbeid, onderling afgesproken aanvalssein. Het lang reeds smeulende vuur van hun wrok slaat plotseling uit in wild-flakkerende vlammen. Hun oordeel ligt in onmacht; hun haat, in zijn honger naar gewelddadigheden, ontwringt zich aan den greep der zelfbeheersching… En die vreedzame burgers, die rustige huisvaders en huismoeders, zij worden opeens tot furiën! Bij tientallen bespringen zij de schuiten, zij snijden de jaaglijnen in stukken, zij bemachtigen gretig de lange schippershaken, en de lotelingen die reeds waren ingescheept voelen zich eensklaps naar boven gesjord en weer aan wal gesleurd, nog vóór ze beseffen wat er eigenlijk te doen is.

Zoodra Willem Stargardt zich bevrijd weet, begint hij zich echter af te vragen, wat hij met zijn vrijheid nu toch wel moet aanvangen. Liefst zou hij naar huis gaan, maar hij begrijpt zeer goed, dat de Fransche gendarmen hem niet rustig thuis zullen laten. Gauw genoeg zal hij daar ontdekt worden. En dan is zijn lot natuurlijk, dat hij tòch zal moeten uittrekken en heel zijn leven soldaat blijven, zoo hij niet gedood of verminkt wordt. Zijn leven lang zal hij dan hebben te vechten, niet voor zijn eigen vaderland en zijn eigen vorst, maar een vreemd land en een vreemden heerscher zal hij moeten dienen; hij zal zijn jonge leven aanhoudend moeten wagen in dienst van den nooit voldanen veroveringshonger van den man, die zijn land en zijn volk zoo diep heeft vernederd en nog dagelijks onderdrukt.

Heel zijn ziel komt opnieuw tegen dit onduldbaar-hatelijk denkbeeld in verzet en hij besluit, niét naar huis te gaan.

Maar, wat dàn?

Terwijl hij hier nog over nadenkt, fluistert iemand hem in 't oor: „Maak dat je van avond aan 't Legmeer bent.—Maar òngemerkt, hoor!—dan zal ik je verbergen!”

Meteen keert de man zich om en verdwijnt tusschen de vechtende en tierende menigte.

Willem heeft echter dadelijk Ep de Breukelaar herkend, een visscher, van wien zijn vader nog al eens baars en paling koopt. Zoo ergens, dan is hij dààr veilig.

Zijn besluit staat nu vast. Hij zal zich bij Ep de Breukelaar voorloopig schuil houden en vandaar trachten, naar Engeland te ontkomen.

Dit laatste is zonder twijfel een onderneming, vol van het grootste gevaar. En wordt hij gesnapt, hij weet het, dan zal hij, als deserteur, tot den kogel veroordeeld worden.

Maar dat waagt hij er op. Liever éénmaal de kans om doodgeschoten te worden bij zijn streven naar de vrijheid, dan honderd maal wellicht, op het slagveld den dood onder de oogen te moeten zien.

Ongemerkt maakt hij zich nu uit de voeten, want het tumult en de verwarring zijn in dit oogenblik heviger dan ooit. Woedend de sabel zwaaiend pogen de politiemannen nog meester te blijven van den toestand. Maar met de lange vaarhaken worden zij smalend en jouwend omvergerukt, met woest getier overvallen, en ontwapend onder brullend triomfgeschreeuw.

Het gevoel harer onmacht heeft die verbitterde menigte voor een oogenblik geheel verloren, tot de gehate gendarmen, getrapt en geslagen, gehavend en wapenloos, zich zoeken te redden in wilde, ordelooze vlucht…

Die ongehoorde uitslag werkt plotseling als een ontnuchtering…

Angstig komt men tot een klaar besef van wat men eigenlijk gedaan heeft… en trekt dan af, in de grootste verslagenheid, terwijl de bevrijde lotelingen zich door de stad verspreiden, waar de mare van hetgeen er aan de schuiten voorviel, hun reeds is vóórgegaan.

In verschillende wijken ontstond nu gisting. Toen het 46


 regiment, dat op 't Funen manoeuvreerde, zich naar de Haarlemmerpoort wilde spoeden, werd het door de bewoners der Joden-Breestraat zoo vinnig met stokken en steenen en allerlei andere wapens bestookt, dat het hierdoor geruimen tijd werd tegengehouden. Ja, de Fransche ambtenaren begonnen blijkbaar voor hun leven te vreezen. Brunier, de knecht van mijnheer Devilliers Duterrage, den gevreesden directeur-generaal der Fransche politie, kwam tenminste bij den parfumeur Jaquement, op de Reguliers-Breestraat, binnensnellen onder den uitroep:

„Ach, landsman, alle Franschen worden verwurgd!”

„Maar wij zijn geen Franschen, wij zijn Zwitsers,” antwoordde de winkelier bemoedigend.

„Jawel, we zijn Zwitsers, maar Zwitsers die Fransch praten; dat is voor 't verbitterde volk genoeg om ons aan een lantaarnpaal op te hangen!”

En werkelijk, er dreigde voor de Franschen gevaar. Maar in den namiddag kwam de Nationale garde (schutterij) in 't geweer, en deze hield het volk van verdere bewegingen terug.

Zoozeer zat echter de schrik bij de Fransche regeering er in, dat zij per telegraaf versterking aanvroeg.

Op de Weesperpoort stond namelijk een ijzeren stijl met zes ijzeren borden, die recht konden liggen of dwars opstaan. Hiermee vermocht men alle letters te maken, ja kon men zelfs teekens geven en allerlei andere seinen. Nu stond er op den toren van Ouwerkerk ook zoodanig toestel dat al die teekens onmiddellijk navolgde. De telegrafen te Vreeland, Westbroek en verdere dorpen deden evenzoo, en op die manier, van toren op toren overgebracht, konden, van Amsterdam uit, berichten worden gezonden tot zelfs naar Parijs.

Langs dezen weg nu werd door de Fransche overheid, in haar ontsteltenis, naar Utrecht om hulp gevraagd, waarmee zij allerduidelijkst bewees, hoe ernstig zij den toestand nog altoos achtte.

Intusschen zwierf Willem Stargardt op eenzame wegen en velden rond.

Voorloopig had hij, om zijn spoor te verheimelijken, den weg naar Haarlem ingeslagen. Spoedig was hij evenwel Zuidwaarts afgeweken, immer zorgend, herhaaldelijk van richting te veranderen en zich liefst zoo ver mogelijk uit de menschen te houden.

Beurtelings loopend en rustend, bracht hij op die manier den dag door, om zich eindelijk in de buurt van het Legmeer schuil te houden tot het donker zou zijn.

Toen ging hij naar den oever en bleef er wachtend turen over den rietzoom, in de richting waar hij Ep de Breukelaar's woning wist…

Een gevoel van verlatenheid beving hem, in de vreemde, geheimzinnige stilte om hem heen… Geen enkel gerucht, dat aan de nabijheid van menschen deed denken…

„Nu moest Ep eens berouw gekregen hebben en wegblijven!” dacht hij bekommerd.

Hij boog zijn hoofd over het riet, het oor in luistering naar het water gericht…

Dáár vernam hij een vaag gekabbel… Dat gerucht viel echter dra te onderkennen… Het bleek een langzaam naderend, stil-omzichtig riemgeplas…

Willem kon eindelijk den schimmigen vorm van bootje en roeier onderscheiden.

De visscher legde aan, zacht werden wederzijds eenige woorden geuit… Willem stapte in… en even behoedzaam als Ep gekomen was, roeide hij weer, de duisternis in, naar zijn woning.

Gebouwd op een der honderden eilandjes die, na het vervenen van den grond, nog in het meer waren overgebleven, lag het huisje van Ep de Breukelaar eenzaam te midden van hooge rietbosschen, gelijk het nest van een schuwen watervogel.

't Was spoedig bereikt; Ep maakte het schuitje aan den walkant vast en bracht Willem in het woonvertrek, waar hij allerhartelijkst door de vrouw van den visscher werd ontvangen.

„Komaan, ga dáár nu eens zitten!” zei ze, een stoel van den wand bij de tafel plaatsend. „En kijk, dat zal er wel ingaan, denk ik!”

Meteen zette zij een bord vol dampende karnemelksche pap voor hem neer.

Nu, òf dat er in ging!—Want Willem had in de kazerne bijna niets door de keel kunnen krijgen en heel dien dag had hij verder nat noch droog gehad.

Met ijver werd het bord dus leeg gelepeld, waardoor echter een opschrift bloot kwam, dat door Willem niet zonder verbazing gelezen werd:

		Oranje boven is mijn leus,
		Een Prinsman heeft geen andre keus!

stond daar in sierlijke, blauwe krulletters.

„Ja, ja,” grinnikte Ep, die zijn verbazing gemerkt had: „Je bent hier bij een volbloed Oranjeklant! Kijk maar vrij om je heen, dan zal je daar méér bewijzen van zien!”

„Ik denk, dat onze maat op 't oogenblik net zoo lief nog een bordje pap heeft,” lachte zijn vrouw, terwijl zij meteen zijn bord nog eens vulde.

Willem zei geen neen, maar toen hij ook dàt geleegd had, keek hij op zijn gemak het vertrek eens rond, naar de overige bewijzen van Ep de Breukelaar's Oranjeliefde.

Aan den wand ontdekte hij nu een paar omlijste prenten, met Willem V en zijn gemalin ten voeten uit en een oranjeboom in het midden, waaronder:

		Hier is de deugt en roem geplant
		Den vorst van 't Vrije Nederlant.

Op de katoenen paneelen der beddeurtjes zag hij den Prins en de Prinses en medaillon; en het kunstig houtsnijwerk waarmee de opstap-bankjes voor de hooge bedden gesierd waren, hield tusschen loovers en bloemen de letters: „P. W. D. 5.”

„Prins Willem De 5 de!” legde Ep hem uit.

Maar dan de schoorsteen!

't Was een groote, vooruitspringende schouw, omrand met een veelkleurig katoenen, in plooien geregen valletje…

O, dat vàlletje! 't was de trots van de huisvrouw! Maar wat daar bóven pronkte, in het rek van den breeden, geribden mantel, daar gingen ze beiden hoog op! Die zes groote borden, ze waren hun een zoete herinnering aan voorbije dagen, een stille troost in het rampvol heden, een blijde hoop voor de toekomst! Want ieder bord droeg het beeld van den Prins en onder iedere Prinsenbeeltenis stond een zegewensch op het Oranjehuis te lezen.

„Da's nog eens de moeite wáárd, hè?” riep Ep, met ingenomenheid zijn eigen woorden naknikkend.

„Ja, vriendschap, die borden zijn nog uit den tijd van de Keezen en Prinsmannen! Maar ook onder de Bataafsche Republiek en de regeering van Koning Lodewijk zijn ze niet van hun plaats geweest!—En je ziet het, zelfs nou, onder de dwingelandij van Napoleon,” besloot hij met voldoening, „nou staan ze daar nòg!”

Zij raakten daarop over het voorval bij de schuiten aan het praten en Ep, die den anderen morgen met paling naar stad moest, nam op zich, om Willem's huisgenooten gerust te stellen.

Den volgenden dag bleef Willem met het grootste ongeduld op Ep de Breukelaar's thuiskomst wachten. Pas tegen den avond kwam hij terug, een overvloed van nieuws meebrengend.

„Nou, vriendschap, daar is je me gister wat gebeurd!” begon hij. „Niet alleen aan de Haarlemmerpoort is het er te doen geweest, maar ook binnen de stad zijn er nog verscheidene relletjes voorgevallen. In hun benauwdheid hebben de Franschen toen om hulp gevraagd; en van morgen, alheel in de vroegte, is het 93


 regiment uit Utrecht aangekomen, om de bezetting van Amsterdam te versterken.

De gendarmen, die gister wel in een doosje konden, ze stappen nu weer als pauwen door de straten!

En overal in de stad zijn bekendmakingen aangeplakt, vol van allerlei dreigementen:

Vooreerst, dat er een commissie benoemd is om de aanstookers en medeplichtigen bij de relletjes van gister, op te sporen en te vonnissen.

Verder zal er huiszoeking gedaan worden, staat er, in alle wijken, waar de lui oproerig geweest zijn; en alle verzamelingen van tien personen zijn streng verboden.

Maar dan staat er óók nog wat op, dat voor jou van belang is:

De dienstplichtige lotelingen moeten zorgen, uiterlijk morgenochtend zeven uur, weer aan de Utrechtsche poort te zijn, of zij zullen als deserteurs beschouwd worden.

Ik heb je vader gesproken en die wou het heelemaal aan jezelf overlaten, wat je nu doen wilt. Maar blijf je bij je plan om te ontsnappen, dan raadt hij je aan, om dat vandáág nog te probeeren. Want mocht het eens blijken, dat je vlucht onmogelijk was, dan kan je nog altijd zorgen, niet als deserteur beschouwd te worden, door je in dat geval nog tijdig aan te melden.

Toevallig was mijn broer Teunis van morgen in de stad en die wil probeeren, je aan boord van een Engelschman te krijgen, heeft hij me beloofd. Ook heb ik nog met een vertrouwden kennis afspraak gemaakt, dat hij ons, zoo gauw het donker is, met zijn wagen naar Noordwijk zal brengen.—Want mijn broer is een Noordwijker visscher, moet je weten!

Dus—wàt is nu je plan?”

Daar Willem halsstarrig bij zijn eerste voornemen blééf, roeiden zij dan 's avonds naar den Zuidelijken oever van het Legmeer, waar de boer al met zijn rijtuig op hen wachtte.

Zij namen hun weg bezuiden het Haarlemmermeer en na een rit van verscheidene uren geraakten zij zonder tegenspoed tot in de buurt van het dorp Noordwijk.

Hier zou de boer blijven wachten. Ep sloeg met Willem een duinpad in. Het pad was hem blijkbaar volkomen bekend, want schoon het vrij donker bleek, liep hij zonder de minste aarzeling voor Willem uit, tot zij eindelijk aan een eenzame duinhut gekomen waren.

Ep de Breukelaar tikte aan het venster.

„Wie daar?” werd er van binnen geroepen.

„Goed volk, doe maar open Teun!”

„Ha, zoo! Ben jij het?”

Er volgde nu eenig gestommel; daarop werden beiden binnen gelaten.

Bij het licht van een zwak olielampje zag Willem, dat de visscher geheel gekleed was. Hij kwam dus niet rechtstreeks uit bed, schoon het toch middernacht moest zijn.

„En dat is dus de jonge borst, dien we naar Engeland moeten prakkizeeren?” zei Teun. „Nou, je hebt schoon gelijk, hoor! En wat het mooiste is, er leit juist een Engelschman op de kust. Hij heeft duidelijk een paar maal sein gemaakt.

Asjeblieft Ep, daar heb-je wat koffie, suiker en thee en een paar pondjes tabak!—Maar nou moet ik er dadelijk op uit, want de maats zullen al met ongeduld op me wachten!”

Willem begreep onmiddellijk—uit den aard der artikelen die Teun zijn broer present deed—dat de Noordwijker, evenals zoovéle visschers wier bedrijf door het continentaal stelsel zoo goed als stil stond—het gevaarlijk bedrijf van smokkelaar uitoefende en dat hijzelf op zoo'n nachtelijken smokkeltocht aan boord van het Engelsche vaartuig zou gebracht worden.

Hij was evenwel tot alles bereid en nadat Ep dus afscheid genomen had om weer met den boer naar huis te rijden, gaf hij zich moedvol aan het geleide van zijn nieuwen helper over.

„Nu geen woord spreken,” zei Teun, „en je nergens over verwonderen!”

Willem beloofde dit en volgde vol vertrouwen zijn gids die, een roeispaan over den schouder, met de grootste behoedzaamheid in het duister voortschreed…

Dáár bleef de smokkelaar staan. Willem zag hem iets in den mond steken. Een soort van fluitje moest het geweest zijn, want plots liet de Noordwijker, bedrieglijk natuurlijk, het geluid van een smient hooren.

Hij wachtte even… Daar klonk, heel zacht, hetzelfde fluitgeluid als antwoord… Donkere gestalten kwamen uit het duister naar voren, en een oogenblik later had zich een vijftal mannen bij hen gevoegd, ieder, evenals Teun, een riem over den schouder.

„Wie heb je daar bij je?” werd achterdochtig gefluisterd.

„Een neef van me, die op 't oogenblik werkeloos is,” zei Teun gedempt. Hij vond dit korte leugentje gemakkelijker, dan zijn maats een breedvoerigen uitleg te geven.

Met de grootste behoedzaamheid sloegen de smokkelaars nu een duinpad in, waarlangs zij weldra het strand genaderd waren.

„De kustwacht!” waarschuwde de voorste opeens.

„Laat je plat op den grond vallen!” fluisterde Teun tot Willem.

Hij deed het onmiddellijk, bijna te gelijk met de anderen.

Terwijl zij daar nu roerloos bleven liggen, weifelden de vage lichtvlakken van een schommelende handlantaarn over het strand. Het bleken inderdaad eenige mannen van de kustpolitie die een nachtelijke ronde deden.

Toen het licht eindelijk weer verdwenen was, rezen de smokkelaars overeind.

Willem meende, dat zij nu regelrecht naar het strand zouden gaan, maar hij vergiste zich:

De Noordwijkers begonnen, even ter zijde van het pad, volijverig in het zand te woelen en daarop kwam een omgekeerde vlet te voorschijn, die gekanteld en naar zee gezeuld werd. De meegebrachte riemen werden tusschen de roeipinnen geplaatst… Geruischloos gleed het vaartuig den nacht in.

Het lantaarnlicht in een der masten verried de plaats waar de koopvaarder ten anker lag.

Spoedig had men het vaartuig bereikt en onderwijl Teunis met Willem langs de uitgeworpen valreep aan boord klom, werden achtereenvolgens verscheidene vaatjes, kisten en balen in de vlet neergelaten.

Na een kort onderhoud met den koopman en den schipper, kwam Teun alleen weer van boord.

„En je neef?” vroeg er een.

„Heeft zich als scheepstimmerman laten aannemen! Vooruit, mannen!”

Langzaam gleed de zwaargeladen vlet de kust te gemoet.

Willem Stargardt bevond zich op Engelsch grondgebied; hij was gered!




Derde Hoofdstuk


Tegenover de militaire macht, die thans binnen Amsterdam was vereenigd, viel aan geen nieuw verzet meer te denken. De lotelingen meldden zich dan ook aan, behalve Willem Stargardt en nog acht of negen anderen die voorloopig onvindbaar waren. En in den vroegen morgen van Zaterdag, den 13


 April, trokken zij heen, ditmaal in het midden der Nationale garden (schutters) die hiertoe des nachts waren gewekt, zonder dat zij wisten welke dienst van hen werd gevorderd.

De droeve stoet trok de Utrechtsche poort uit, de buitensingels langs, tot op den Haarlemmerweg,—zwijgend, somber, als bij een doodenmarsch.

Het Amsterdamsche volk gevoelde zich als een afgeranselde hond, die plots een wilden sprong aan zijn ketting had gedaan. Maar de ketting was niet gebroken en de sprong had het arme dier slechts pijnlijk gewond. Onmiddellijk toch nadat de conscrits vertrokken waren, werden achtereenvolgens tal van personen gevangen genomen en in verscheidene woningen werd huiszoeking gedaan.

In huivering van angst ging het gerucht dier gebeurtenissen de stad door, een atmosfeer van wee scheen plotseling dompig in alle straten neer te hangen, de menschen ademden als onder een zware benauwenis.

Franciscus Stargardt stond dien morgen juist klaar om met zijn vischkar de stad in te gaan, toen een wachtmeester der gendarmen met twee ondergeschikten voor zijn deur stil hielden. Zij stegen af en onderwijl één van hen drieën bij de paarden bleef, traden de beide anderen binnen.

„We komen huiszoeking doen!” zegt de wachtmeester.

„Ga je gang!” antwoordt de kreupele onverschillig.

Doch die onverschilligheid is maar schijn; want bedwongen toorn doorsiddert hem het bloed tot in de uiterste vezelen. Hij vindt het onverdraaglijk, dat die kerels bij hem rond komen spionneeren en dat hij dit machteloos moet aanzien.

Die vreemde huurlingen kunnen zijn geheele huis het onderste boven halen; zij kunnen zijn brieven en papieren nalezen zoo ze dat willen; en als hij zich verzet, dan weet hij, dat ze hem zullen wegsleepen naar de gevangenis op den Heiligenweg, of naar een der drie andere gebouwen, die ijverig door de politie met ongelukkige stadgenooten worden volgepropt.

Moeder Jane houdt zich wondergoed, onderwijl zij de gendarmen zoo in de weer ziet. Zij halen de kasten open, zij onderzoeken de bedsteden; de wachtmeester stoot zijn degen hier en daar in het stroo en luistert dan, of hij niets hoort, waarop hij het staal bekijkt, of er geen bloed aankleeft.

Dan zetten de gendarmen het onderzoek weer voort; blijkbaar hebben zij het meer bij de hand gehad. In de pronkkamer kijken zij spiedend den ongebruikten schoorsteen in, zij halen er het pronkbed over den vloer en trappen er op met hun smerige laarzen; zij kloppen langs de muren, en luisteren naar den klank dien de muren geven; zij doorsnuffelen het geheele huis en klimmen van den kelder tot aan de vliering.

Doch Willem Stargardt kunnen zij niet vinden en teleurgesteld rijden zij eindelijk weer weg.

Nog verbitterd over de huiszoeking der gendarmen vangt Franciscus daarop zijn dagelijkschen rondgang bij de klanten aan.

Zijn gemoed is bovendien bekommerd over Willem. Want wordt de arme jongen gesnàpt, dan gaat het om zijn leven. En slààgt hij in zijn pogen, dan zal hij toch nooit wellicht zijn kind nog weer terugzien…

En dat alles om de heerschzucht van den Keizer, wrokt het in hem…

Om de heerschzucht van één enkel mensch zijn van morgen al die gezonde, jonge mannen als een weerlooze schapendrift de stad uitgevoerd… Hoeveel zullen er van terug komen?… En hoe komen die dan misschien terug?…

Een opbeving van haat doortrilt hem plots, fel uitsidderend in de saâmgekrampte, zware wenkbrauwen.

Maar hij wil aan dit gevaarlijk haatgevoel niet toegeven.–Hij wil het bedwingen en klemt de tanden op elkaar als onder de steking van een vlijmende pijn.

Op zijn rondgang hoort hij echter niets dan allerlei schokkend nieuws, sarrend zijn verontwaardiging, om zich los te wringen uit den worgenden greep van zijn wil.

Hier verneemt hij, dat Anthonie Hantelman, nog geen uur geleden, werd gearresteerd.

Wat verder weet men hem te vertellen, dat Toon Janssen eveneens gevat werd.

„Bij wel twintig menschen is nu al huiszoeking gedaan!” hoort hij elders.

„Emanuel van Praag en Barth Meijer uit de Jodenbreêstraat zitten óók al achter slot!” verzekert een ander.

Sneller hipt de kreupele achter zijn vischkar voort, als gedreven door de rusteloos elkander najachtende bevliegingen van zijn grimmigen wrok.

Voor den winkel van mijnheer Vermaat, den tabaksverkooper over de Munt, houdt hij eindelijk weer stil.

Mijnheer Vermaat heeft hem een bestelling gedaan met het oog op de naderende Paschen. Hij is nog een oud vriend van Stargardt uit die dwaas-opgewonden dagen van „gelijkheid en broederschap” en zelden zal hij verzuimen een praatje te maken, als Franciscus komt venten.

Ook nu weer staat de tabaksverkooper in zijn winkeldeur, onderwijl Franciscus' mes, stuk voor stuk, de bestelde waterbaars schrapt en kerft.

„Jan Dupker ook al door de gendarmen weggehaald, hè?” zegt mijnheer Vermaat meewarig.

„Jan Dupker?!…”

Het boven zijn werk gebogen hoofd van den kreupele veert overeind, de punt van het vinnige schrapmes wijst eensklaps doelloos de lucht in.

„Jan Dupker?!…”

„Had je 't nog niet gehoord?”…

Neen, hij had het nog niet gehoord. Maar Dupker was, zoo al geen vriend, dan toch een goede kennis van hem. Het bericht schokte hem daarom meer dan alles wat hij tot nog toe reeds vernomen had.

Jan Dupker!… Wat tijden waren het dan toch!

Driftig greep hij een grooten, volronden baars; en de schubben vliegen als zilverspetten in het voorjaarszonnelicht.

God, God, wat moet men al beleven tegenwoordig!

Reng!—Venijnig kerft het mes een diep gapende snede in de blankgeschrapte visch.

Reng!!—'t Is of zijn haat zich moet uitvieren in de kracht van iedere verwonding.

„Ho, ho, je wilt me toch het beest niet aan moten kerven?” meent de tabaksverkooper te moeten waarschuwen.

„Ik wou,” barst Stargardt nu grimmig uit, „dat ik Napoleon zoo eens onder handen had!”

Verschrikt schiet mijnheer Vermaat opeens den winkel in, gebarend of men daar iets brak. Hij wenscht niet als getuige tegen een stadgenoot op te treden en vooràl niet, waar die stadgenoot daarenboven nog een oud vriend van hem is.

Franciscus begrijpt opeens, hoe zeer hij zich vergat. Hij siddert en ziet schrikkerig rond… Maar die voorbijgangers, neen, die moesten hem toch niet gehoord hebben, stelt hij zich gerust. Anders zouden ze daar toch wel eenig blijk van geven!

Met aandacht schrapt en kerft hij vervolgens de overige baarzen, zich dwingend geheel òp te gaan in dien arbeid.

„Drommels, dat was een leelijk-onvoorzichtige uitval van me, hè? daar zoo metéén!” zegt hij bij het weggaan.

„Onvoorzichtige uitval?…”

Mijnheer Vermaat's gezicht veinst groote verbazing: „Ik weet nergens van!—Maar ja, voorzichtigheid is in dezen tijd wel aan te bevelen,” laat hij er waarschuwend op volgen.

Franciscus begrijpt wel, dat de tabaksverkooper liever buiten de zaak wenscht te blijven, en daar is hij hem dankbaar voor. Maar zoo'n vaart zal het niet loopen. Niemand heeft zijn uitval immers gehoord! Hij maakt zich daarover dan ook in 't minst niet angstig, ja, een oogenblik later denkt hij er zelfs niet meer aan.

In den laten namiddag vertelde hem Ep de Breukelaar in de gauwigheid, dat Willem onverlet bij zijn broer was aangekomen en hij twijfelde niet, of de jongen zou nu wel al veilig op zee zijn.

Franciscus, die juist zijn kar leeg had, repte zich, om deze tijding aan moeder Jane te brengen.

De beide Paaschdagen die nu volgden, gingen voor de Stargardts niettemin treurig voorbij; want hun spreken en denken was steeds over Willem: Waar hij nu wel wezen mocht, of zij hem ooit nog wel eens terug zouden zien, ja, of het misschien toch niet beter zou zijn geweest, als hij zich maar gewillig weer aangemeld had.

„Dat is de eerste Paschen,” zei Stargardt 's avonds bij het naar bed gaan, „die we niet feestelijk hebben doorgebracht.”

„Ja”, zuchtte Jakob verveeld, „'t zijn voor dit jaar een paar verdrietige dagen geweest”.

„Och”, zei moeder Jane, „laten we maar dankbaar zijn, dat ze nog zóó waren. Als de gendarmen onzen Willem eens bij Ep de Breukelaar hadden gesnapt, zouden zij dan niet oneindig veel treuriger zijn geweest?”

Ja, moeder had wel gelijk, meenden zij, deze Paschen had nog heel wat rampzaliger kunnen zijn. En hoe armelijk die troost was, toch gingen zij daardoor nog onder een vleugje van blijmoedigheid ter rust.

Midden in den nacht schrikten zij eensklaps wakker door een hevig deurgeklop.

„Gerechtige goedheid, wat moet dàt beteekenen?” vroeg moeder Jane angstig.

„Ik denk vrouw, dat het gendarmen zijn, die opnieuw naar Willem komen zoeken”.

„En ze weten al, dat hij hier niet is!”

„Maar hij kon later nog wel in het ouderlijk huis teruggekomen zijn, in de meening dat hij, nà de huiszoeking, daar volkomen veilig was, zullen ze denken”.

Het geklop op de deur herhaalde zich, maar nu veel luider dan te voren.

„Hemel, wat gaan ze te keer!” klaagde Jane ontdaan.

Jakob had reeds broek en kousen aangeschoten:

„Ik zal wel even kijken, wat er aan de hand is!”

Ook zijn ouders waren het bed al uit en begonnen zich te kleeden, onderwijl Jakob naar de huisdeur liep.

Het kloppen was nu in bònzen overgegaan.

„Wie daar?” riep Jakob.

„De politie!” werd er terug geroepen. „Doe maar gauw open of we trappen de deur in!”

Jakob schoof de grendels weg en onmiddellijk traden hem twee mannen voorbij, die regelrecht de kamer in liepen.

Bij het licht van de kaars, die moeder Jane dadelijk bij het opstaan had aangestoken, bleken het inderdaad gendarmen te zijn: een wachtmeester en een ondergeschikte.

„Woont hier Franciscus Stargardt?”

„Jawel”, antwoordde Stargardt stug; „Wat was er van uw order?”

„Dan moeten we u verzoeken”, richtte de wachtmeester zich tot Jakob, „om dadelijk met ons mee te gaan!”

„Maar ik ben Franciscus Stargardt”, antwoordde de vader.

„In dat geval zijn we verplicht, ù te arresteeren!” zei de wachtmeester, met verwondering en zelfs met eenig medelijden den kreupele aanziend.

„Maar… ik ben volstrekt niet aan de Haarlemmerpoort geweest… Aan géén van de opstootjes heb ik deelgenomen…!”

„Neen, neen, mijn man is onschuldig…! Jullie moet je vergissen!” riep Jane zenuwachtig.

De wachtmeester haalde de schouders op.

„Wij hebben alleen onze instructie te volgen!”

„Maar worden onschuldigen dan óók al gearresteerd?” jammerde moeder Jane. „Hij heeft toch niets, heelemaal niets verkeerds uitgevoerd!… Kijk, de stakker heeft immers niet eens zijn beide beenen tot zijn gebruik… Hoe wou hij dan aan het oproer mee gedaan hebben?…”

„Hoor eens, vrouwtje”, overreedde de wachtmeester gemoedelijk, „als hij werkelijk onschuldig is, dan zal dit natuurlijk wel blijken. En in dat geval wordt hij immers weer dadelijk op vrije voeten gesteld?”

Maar tegen den gendarme zei hij zacht: „Een mooi karweitje waarachtig! Voor mijn part hadden ze maar een ander uitgestuurd om zoo'n kreupelen stakker gevangen te nemen!”

„Vader”, raadde Jakob, zich inspannend om kordaat te schijnen, „'t beste zal zijn, er ons in te schikken, en dat u zonder tegenspraak meegaat. 't Moet immers een misverstand wezen, u bent immers volkomen onschuldig! Gaat u dus maar kalm en bedaard met ze mee, dan zullen de gendarmen ook geen geweld gaan gebruiken!”

Hij meende daarop zijn vader bij het verder aankleeden te helpen.

Maar ontsteld hield hij het reeds opgevatte kleedingstuk plots roerloos in de hand.

De kreupele toch zat daar doodsbleek op zijn stoel, de oogen wild van ontzetting in het verstrakte, bloedelooze gezicht....

Want als een bliksemflits was hem opeens zijn uitval jegens den Keizer door het bewustzijn gevlogen!… Ze hadden het dan toch gehoord, die kerels! Ze hadden hem verraden! Met zijn vloekwaardige onvoorzichtigheid had hij dan nu zichzelf en zijn gezin tot de grootste ellende gebracht!

In waanzinnig zelfverwijt mepte hij zich met de vuist op de borst, zijn wangen trilden onder de woeste siddering van zijn kaakspieren.

Hij hoorde in verdoovingsdofheid, zijn vrouw kermen en zenuwhuilen; toen voelde hij haar armen zich ketenen om zijn hals en aan zijn oor klonk haar jammerstem: „O, mijn arme, goeie Frans, ik laat je niet weggaan, nooit, nooit! Je bent immers onschuldig, je zou immers geen kind zelfs kwaad kunnen doen?”

Ze zoende zijn wangen, zijn voorhoofd,… en de verbijsterde kreupele voelde de wreede spierspanning zijner armen verslappen, onder die smartelijke omhelzing.

Zijn borst hijgde en kreunend begon hij te snikken, in striemend zelfverwijt:

„O, die rampzalige onvoorzichtigheid van me!… Ik heb den Keizer vervloekt!…”

Jane rilde, als had ze zijn doodvonnis gehoord. Met een luiden gil wierp zij zich opnieuw aan zijn borst, het hoofd schokkend op zijn schouder onder haar heftig, pijnend zenuwgesnik.

Franciscus' armen omstrengelden haar en schor smeekte zijn huilstem, als de klacht van een verdoemde:

„Vergeef me; o, ik bid je, vergeef me, dat ik ook jullie heb ongelukkig gemaakt!”

De gendarmen maanden met zachte stem tot spoed aan.

Toen, onder een geweldige inspanning tot zelfbeheersching, maakte hij zich los uit haar omhelzing, en begonnen zijn bevende vingers zijn vest toe te knoopen.

Jakob, de tanden op elkaar geklemd om niet úit te schreeuwen zijn schrijnend verdriet, deed onhandige moeite om zijn vader bij het verder aankleeden te helpen.

De wachtmeester, geheel ontroerd, reikte hem toen zijn kruk.

Nu drukte de ongelukkige Jakob de hand en zóó krachtig bleef hij die een poos omklemd houden, alsof hij ze nooit meer los zou laten.

„Mijn jongen,” hikte hij schor,… „het heeft zoo moeten zijn!… Wees jij ten minste verstandiger dan je vader was!—Belóóf je me dat?…”

Jakob knikte, niet in staat om een woord te uiten.

Toen nam Franciscus afscheid van zijn vrouw, die, gillend en jammerend, hem nogmaals en nogmaals omhelsde, tot de ontroerde gendarmen den arrestant voorzichtig uit haar armen los maakten, hem wenkend om mee te gaan....

Akelig bleef het verflauwend geplof van de kruk moeder en zoon in de ooren martelen, zelfs toen zij het onmogelijk meer konden hooren.

„O, mijn jongen,… mijn jongen!” jammerde moeder Jane onder zenuwachtig gesnik, „nu heb je geen vader meer!”

„Ze zullen… het toch wel… bij gevangenisstraf laten!” nokte Jakob moeizaam.

Maar zelf had hij geen vertrouwen in wat hij zei.




Vierde Hoofdstuk


IJverig hield de militaire commissie, door den divisie-generaal Molitor benoemd, zich bezig met het uitvoerig onderzoek naar den aard en omvang der verschillende relletjes en met het verhoor der negen of tien gearresteerden.

Niemand twijfelde, of Franciscus Stargardt zou wel ter dood veroordeeld worden. Toch deed moeder Jane wat maar mogelijk was, om nog genade voor haar man te verwerven.

Het hoofd van alle Fransch-Hollandsche gewesten was Le Brun, Prins van het Keizerrijk en Hertog van Plaisance. Het was een grijsaard, zachtzinnig van inborst, iemand waarvan bekend was, dat hij elk ontving en te woord stond.

Jane, zich aan het paleis vervoegend, kreeg dan ook zonder veel moeite toegang tot den luitenant-generaal.

Welwillend hoorde hij haar aan, en toen zij zich eindelijk als smeekeling aan zijn voeten wierp, beurde hij haar minzaam op, de bedroefde vrouw eenige woorden van troost toesprekend, waardoor ze, een weinig bemoedigd, weer heen ging.

Maar al spoedig hoorde zij, dat mijnheer Le Brun wel een goedaardig, oud man was, maar eigenlijk niets te vertellen had, veel minder dan De Celles, schoon die in rang beneden hem stond.

En jammer genoeg, was het wáár, wat men haar zeide.

Napoleon had reden om bevreesd te zijn, dat een man van vasten moed en karakter, in het bestuur dezer gewesten geplaatst, zijn broeders[4 - Koning Lodewijk.] voorbeeld zou volgen en, gelijk hij dat noemde, besmet worden met den Hollandschen geest. Daarom was de Keizer er toe gekomen, Le Brun, dien hij dóór en dóór kende, wijl deze vroeger zijn medeconsul was geweest, naar Holland te zenden onder een weidschen titel, maar bekleed met een schaduw van gezag. Beneden hem in rang, maar vèr boven hem in macht en vertrouwen, waren echter De Celles en—in Den Haag—De Stassart.

Jane besloot, zich dan tot den beruchten De Celles te wenden.

Na ongelooflijk veel moeite gelukte het haar, tot den prefect door te dringen. Maar toen zij een beroep op zijn welwillendheid deed en hem om genade voor haar man begon te smeeken, antwoordde hij ongevoelig en koud, dat hij zich met de voorspraak van oproerlingen niet inliet; hij voor zich achtte het wenschelijk zelfs, dat er eens een flink afschrikwekkend voorbeeld werd gesteld; op zijn hulp in deze zaak had zij dus allerminst te rekenen.

Toen, in haar wanhoop, omklemde de ongelukkige vrouw zijn knieën, maar de prefect stootte haar onmeedoogend van zich af, zeggend, dat hij op zoo'n comedievertooning volstrekt niet gesteld was.

Grievend beleedigd hief Jane zich op en ging heen, hem een blik toewerpend zóó vol van de diepste verachting, dat mijnheer De Celles onwillekeurig zijn oogen neêrsloeg.

Maar nòg gaf de kloeke vrouw haar pogen niet op. Thans ging zij met haar bede naar den generaal Molitor, den samensteller der militaire commissie van onderzoek.

Geduldig hoorde de generaal haar aan, maar verklaarde daarop, dat het recht nu eenmaal zijn beloop moest hebben en hij in dezen zelfs niet het geringste voor haar doen kon!

Nu wist de arme vrouw geen raad meer en wachtte onder vlagen van wanhoop, angst en verbittering, de beslissende uitspraak der commissie af.

Het vruchtelooze van al die pogingen zijner moeder was echter voor Jakob volstrekt geen verrassing geweest. Hij had niet anders verwacht. De Franschen, meende hij, nu ze gezien hadden dat de Amsterdammers nog tegen hun onderdrukkers in verzet durfden komen, zouden trachten wel zóó den schrik onder de mokkende bevolking te brengen, dat zij voor altoos den moed tot dergelijke opstootjes verloor.

Jakob twijfelde dus niet, of zijn vader zou wel ter dood worden veroordeeld. En wat zou dan weldra het lot van zijn moeder zijn, vroeg hij zich bekommerd af? O, zeker, hij zou voor haar werken en zorgen zoo lang hij kon. Maar het volgend jaar liep hij kans om in de conscriptie te vallen. En dan,—och, dan stond zijn moeder geheel alleen.

En van lieverlede kwam hij toen op het denkbeeld, om zichzelf in de plaats van zijn vader aan te bieden. Wat zou het die Franschen kunnen schelen wien zij doodschoten ter bereiking van hun doel? Immers, het feit dàt er een doodgeschoten werd moest toch eigenlijk den gewenschten schrik te weeg brengen! En zijn vàder zou hij, met zich op te offeren, het leven redden, zijn móeder er een blijvenden verzorger door teruggeven, wat hijzelf waarschijnlijk toch maar hoogstens voor een jáár zou kunnen zijn. Neen, alles wel beschouwd was het veel beter dat hij in plaats van zijn váder als offer viel.

En welberaden begaf Jakob Stargardt zich, na van zijn baas een halven dag vrij gekregen te hebben, naar het huis van den Graaf De Celles, dat in de Doelenstraat stond.

De huisknecht wees hem bij de deur barsch terug, zeggend dat zijn meester zoo aanstonds uitging en voor niemand te spreken was.

Jakob echter liet zich maar niet zoo dadelijk afschepen; hij hield aan, bewerend dat zijn boodschap volstrekt geen uitstel lijden kon. En juist begon het tusschen den knecht en hem tot een woordenstrijd te komen, toen de prefect zelf in de vestibule verscheen.

„Wat is er aan de hand, François?”

„Wel, excellentie, dat brutale heerschap beweert, dat hij u met alle geweld spreken moet, ofschoon ik hem toch duidelijk gezegd heb, dat daar op het oogenblik geen gelegenheid voor is!”

„Je naam?” vroeg De Celles.

„Jakob Stargardt, excellentie!”

„Stargardt?… Stargardt?… Ah, jawel! Dus zeker een broer van dien deserteur en een zoon van dien oproermaker.”

„Vergeef me, excellentie! Maar een oproermaker is mijn vader nooit geweest. Hij heeft zich alleen een onvoorzichtige uitdrukking laten ontvallen, die hij beter gedaan had vóór zich te houden…”

„O, wel zeker,” zei de prefect ironisch, „die Amsterdammers zijn in den grond toch eigenlijk zoo'n zachtaardig en onschuldig volkje! Als daar iemand, giftig van haat, in 't openbaar verklaart dat hij den Keizer wel eens als een baars zou willen kerven, dan is dat geen oproer maken, wel neen, dan is dat een onvoorzichtige uitdrukking!

En nu kom je me zeker, evenals je moeder, genade voor dien onvoorzichtigen vader vragen?”

„Toch niet,” antwoordde Jakob met groote vastheid: „Ik begrijp zeer goed, dat die uitdrukking mijn armen vader het leven zal kosten en een verzoek om genade niemendal zal uitwerken…”

„Hm! Inderdaad nog zoo dom niet!” zei de prefect, een snuifje nemend.

„Maar—wat was dan je boodschap toch eigenlijk?”

„Ik kwam uw excellentie smeeken, mij in plaats van mijn vader de straf te laten ondergaan.”

„Ei, ei! Je bent een dappere borst. Maar juist daarom zou het toch zonde en jammer zijn, als wij je dood lieten schieten en den Keizer hierdoor van een dapper soldaat beroofden!” ging den prefect spottend voort. „Want waarlijk, een knaap die tot zooveel zelfopoffering bereid is, zal natuurlijk even bereidwillig en moedig zijn leven voor den Keizer ten offer brengen.”

Jakob wist niet, hoe hij het had. Hij had stugheid, zelfs barschheid verwacht, maar tegenover dergelijke taal stond hij onvoorbereid en dus een oogenblik geheel sprakeloos.

Toen hij echter zag dat mijnheer De Celles wilde dóórloopen en de zaak blijkbaar voor afgedaan hield, begon hij te smeeken in een vloed van hartstochtelijke woorden, dat de prefect zijn verzoek toch mocht toestaan, ja, in zijn wanhoop greep hij zelfs een slip van diens rok vast.

De Celles echter gaf stilzwijgend François een wenk en in 't zelfde oogenblik smeet de knecht den onthutsten jongen de deur uit…

„Neem me niet kwalijk…” stamelde Jakob verbouwereerd, want hij was juist tegen een voorbijganger aan gekomen.

Tegelijkertijd echter zag hij, dat het mijnheer Vermaat was.

„Verbeeld u,” begon hij thans, bevend van verontwaardiging: „Daar kom ik niets anders doen dan beleefd verzoeken, of ze mij in plaats van mijn vader willen vonnissen. En wat is het antwoord? Dat ik als een hond op straat word gesmeten! O, 't is schande, schande!!” barstte hij uit, de nagels woedend in de handpalm drukkend.

De tabaksverkooper legde hem echter haastig de hand op zijn mond, uit vrees dat de verontwaardigde knaap licht te veel mocht zeggen en troonde hem mee naar zijn huis.

„Ziezoo,” begon hij toen, „hier kunnen we ten minste veilig praten. Want de inkwartiering heb ik tot heden gelukkig af kunnen koopen.” Hij liet nu Jakob uitvoerig zijn wedervaren bij De Celles vertellen, waardoor de knaap langzamerhand weer tot kalmte kwam.

Onder het luisteren groeide in den tabaksverkooper en zijn vrouw een groote sympathie voor dien nobelen jongen, die zèlf zijn moedige, liefdevolle zelfopoffering blijkbaar voor de natuurlijkste zaak ter wereld hield.

„Wacht, ik zal jullie eens trakteeren,” zei juffrouw Vermaat. Het water was aan den kook en na een oogenblik hadden ze alle drie een geurig kopje echte thee voor zich staan.

„'t Is natuurlijk alleen bij hooge uitzondering,” zei ze. „Want je begrijpt wel, hè?…”

„Ja, als de thee meer dan drie gulden het pond kost, is ze voor dagelijksch gebruik wel wat duur,” antwoordde Jakob. „Thuis drinken we altijd gedroogde abrikozenbladeren voor thee.”

„Zoo? Nee, òns bevallen gedroogde perzikbladeren nog het best, hè vrouw?”

„Ja,” zuchtte Juffrouw Vermaat, „'t is een treurige tijd tegenwoordig; àlles, letterlijk alles is even duur! Wanneer zal daar nog eens een eind aan komen?”

„Niet, vóór we met het Oranje op de borst durven loopen. Maar ik vrees, dat wij dat wel niet zullen beleven!

En niettemin,” ging hij voort, „wat wáren we, als jonge, vurige patriotten, toch op die kleur gebeten! Zelfs tot in 't kinderachtige toe!

Zoo herinner ik me, hoe Nierop, de oude speelgoedkoopman uit de Stadhuissteeg, in het begin van 1787 een collectie poppen had ontvangen, die hij natuurlijk voor zijn winkelraam ten toon stelde.

Nu wilde het geval, dat er onder die poppenverzameling één was, in 't hoog geel gekleed, een geel dat zwéémde naar 't oranje!

Enkelen van onze Vrijheidshelden viel dat al heel gauw in 't oog en—daar hàdt je 't, hoor!

Dadelijk gingen zij zich in de hoogste verontwaardiging tot de Regeering wenden, met het dringend verzoek, dien gruwel toch uit hun midden weg te nemen!

Burgemeesters, om hun terwille te zijn, zonden toen een Bode naar Nierop, met last, dat die gele juffer onmiddellijk op het stadhuis diende te komen. Maar Nierop verkoos niet, dat ze met den Bode zou gaan. Hij nam ze daarom zelf met zich mee naar 't Raadhuis en introduceerde ze bij de overheid.

Deftig en waardig, als past bij zoo'n ernstig geval, werd nu het poppenkostuum in beschouwing genomen. Maar helaas, tien Edelachtbaren zelf bleken het niet volkomen eens omtrent de kleur; de beoordeeling over het oranje of niet oranje bleef in deliberatie, het kwam niet tot een uitspraak en de pop werd inmiddels preventief gevangen gehouden.

Of er een commissie van deskundigen werd benoemd om verslag uit te brengen over de kleur, heb ik nooit vernomen; wèl, dat de pop in hechtenis bleef, tot de Pruisen den Oranjevorst te hulp kwamen en een omwenteling te weeg brachten. Toen werd zij ontslagen en in zegepraal naar den winkel van Nierop teruggevoerd.”

De tabaksverkooper, eenmaal op dreef, vertelde nu nog een en ander uit de eerste dagen van 1795, waarop zijn zoon Reinier thuiskwam, die in de affaire van zijn vader werkzaam en van denzelfden leeftijd als Jakob was.

De beide jongelui waren te voren nooit met elkander in aanraking geweest, waarom Jakob bij het heengaan aan den tabaksverkooper moest beloven, de kennismaking met Reinier maar eens gauw te komen vernieuwen.

Voorloopig echter kwam daar weinig van, en inmiddels hield de militaire commissie haar laatste, beslissende vergadering. Alle tien gearresteerden had zij schuldig bevonden. Drie werden er tot twee jaren gevangenisstraf veroordeeld; Emanuel van Praag en Barth Meijer tot vijf jaar opsluiting; Jan Dupker en nog vier anderen kregen acht jaar tuchthuisstraf, terwijl Toon Janssen en Anthonie Hantelman, als de eigenlijke aanleggers van het oproer, gefusilleerd zouden worden.

Franciscus Stargardt eindelijk werd, wegens majesteitsschennis, eveneens tot den kogel veroordeeld.

Aan Stargardt zou het éérst dit harde vonnis worden voltrokken. Reeds des avonds werd hij in een koets van 't Verbeterhuis afgehaald en langs de Schans geleid, om den volgenden dag op het Funen te sterven.

Voor de kazerne Saint-Charles had zich den anderen morgen, al vroeg, een groote volksmenigte opgehoopt.

Eindelijk, daar trad een afdeeling Fransche soldaten het gebouw uit, een tamboer voorop, die den doodenmarsch sloeg.

In het midden hompelde, lijkwit, Franciscus Stargardt. Naast hem liep een man, in het zwart gekleed, de veldprediker van het regiment. Hij trachtte den ongelukkige moed in te spreken en hield hem den troost van het Evangelie voor…

De commandeerende officier liet halt maken. Nu trad de provoost vooruit en las, in de Fransche taal, het vonnis van den veroordeelde voor.

„Zoo'n stakker toch,” zei een vrouw meewarig.

„Hij heeft niet eens zijn beenen tot zijn verdoen! 't Is een schande!”

„Hou je mond!” grauwde haar man, „of het zou met jou al even ongelukkig afloopen!”

„Ja, ja, 't is ongehoord zooals er met ons geleefd wordt!” zei ze weer. Maar nu toch wat zachter.

„Kijk, hij vouwt zijn handen,” merkte een ander op, „hij doet zeker zijn laatste gebed.”

„Arme kerel!” ging het dofmompelend door de volksmassa.

Werkelijk bad de kreupele, de sidderende handen krampachtig te zamen gevlochten, het lijkwitte gelaat ten hemel gericht…

Zoo stond hij een wijle.

Toen naderde de provoost en deed hem een blinddoek voor. Daarop trad hij met den prediker terug en plaatsten beiden zich nevens den officier.

Met zijn degen gaf de officier een teeken,—toen traden zes man vooruit.

Weer zwaaide de officier het wapen,—nu legden de zes man hun geweren aan…

Daar zwaaide de degen voor het laatst,—zes kogels doorboorden de borst van den ongelukkige, die onmiddellijk dood voorover viel.




Vijfde Hoofdstuk


„Een zware dag voor vrouw Stargardt!” Met die verzuchting was mijnheer Vermaat uit den winkel gekomen, waar men hem juist verteld had, dat een uur geleden het doodvonnis aan den kreupele was voltrokken.

„Ik ga er dadelijk heen!” had juffrouw Vermaat toen gezegd. „De arme ziel zal wel wat troost en opbeuring noodig hebben.” En zóó eenvoudig was haar binnenkomen, zóó hartelijk en natuurlijk haar deelneming geweest, dat sedert langzamerhand een warme genegenheid tusschen de beide vrouwen was ontstaan.

Maar ook Jakob Stargardt en Reinier Vermaat waren van lieverlede groote vrienden geworden, die men weldra schier geen Zondag buiten elkanders gezelschap zag.

Van Willem had moeder Jane, sinds Ep de Breukelaar nog eens was komen zeggen dat hij behouden aan boord van een Engelsch schip geraakt was, nooit weer iets vernomen.

Trouwens, ze had niet anders kunnen verwachten, wijl Napoleon's continentaal stelsel alle briefwisseling met Engeland verbood. Maar moeder Jane was het onder die omstandigheid, of zij niet één, maar twee dooden had te betreuren en al haar liefde droeg zij sedert op haar zoon Jakob over. Zij zou hem graag den heelen Zondag bij zich thuis gehad hebben, maar spoorde hem niettemin zelf aan, om met zijn vriend Reinier de stad in te wandelen, wat te roeien op den Amstel of zich op eenige andere betamelijke wijze te verstrooien. 't Is het recht van zijn jeugd, redeneerde zij, en ze was er al tevreden mee, dat hij 's avonds gewoonlijk thuis bleef.

Na een hunner Zondagsche uitstapjes, toen de beide vrienden in een koffiehuis een glas bier gingen drinken, vernamen zij daar als het groote nieuws, dat keizer Napoleon een reis door Holland ging doen en natuurlijk dan ook te Amsterdam zou komen.

Zij geloofden er aanvankelijk weinig van, maar weldra bleek, dat er aan het gerucht niet langer viel te twijfelen.

Reeds den 8


 Augustus had mijnheer De Celles den maire kennis gegeven van de komst des Keizers en hem uitgenoodigd, maatregelen voor een waardige ontvangst te beramen. Deze aanschrijving werd door meer dan twintig andere gevolgd, want op alle toebereidselen moest de goedkeuring van den prefect worden gegeven; hij moest een lijst hebben van de personen, die aan Zijne Majesteit zouden worden voorgesteld; zelfs mocht niet aan de versiering der loge in den schouwburg worden begonnen, voor mijnheer De Celles de inrichting had goedgekeurd. Ja, de geldsom, die de stad bij deze gelegenheid ten koste wilde leggen, moest ter beoordeeling aan den prefect worden toegezonden, een post, waarvoor de gemeenteraad den 25


 September 165.000 francs had toegestaan. Nog meer, de prefect geliefde zelfs over de beurs der ingezetenen te beschikken.

Dra wist men ook, wat het doel van Napoleon's reis door Holland was.

De keizer stond in die dagen op het toppunt van zijn glorie. Zijn monarchieën strekten zich uit van de Pyreneeën tot de bergen van Epirus, van de Middellandsche zee tot het Baltische strand. Van het Rijnverbond voerde hij den titel van beschermer, van het Zwitschersche bondgenootschap dien van bemiddelaar. Leden van zijn geslacht bekleedden de koninklijke of vorstelijke waardigheid in Spanje, in Napels, in Westfalen, in Lucca en in Berg. Een zijner generaals was erfgenaam geworden van den Zweedschen troon, een ander heerschte over het vorstendom Neuchâtel. Door staatszucht hiertoe genoopt, had de Keizer van Oostenrijk zijn dochter Maria Louise aan den gelukkige tot vrouw gegeven, en al de overige souvereinen van het vasteland waren Napoleon's gedweeë bondgenooten. De geboorte van een zoon, den Koning van Rome, op den 20


 Maart, had Napoleon's stamhuis bevestigd. Zij was gevierd met een praal zóó overweldigend, als nog nooit bij de geboorte van een vorstenkind aanschouwd was. In Bonaparte, door al dien voorspoed bedwelmd, begon in deze dagen hoe langer hoe meer de aan hoogmoeds-waanzin grenzende gedachte vorm te krijgen, dat de Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier op aarde had doen verschijnen.

En toch, in weerwil van al de glorie die hem omgaf, bleef Napoleon onbevredigd.

Even als de hartstochtelijke speler, prikkelde ieder nieuw geluk hem, om nog grooter kansen te wagen, naar nog grooter gewin te trachten. Landen te veroveren, volken te bedwingen, vorsten te vernederen, overwonnenen, aan zijn voeten te zien, het was hem een onverzadelijke behoefte geworden, en het bleek ook deze behoefte die hem aanzette, Holland te bezoeken. Het trotsche Engeland, dat hem stoutmoedig bleef tarten, hem Egypte en Syrië had ontwrongen, hem de eene Fransche kolonie na de andere in Oost en West had ontrukt, hem belette om vasten voet op Sicilië te krijgen, hem in Portugal en Spanje niet zonder voordeel bestreed en ter zee de heerschappij voerde, dat Engeland bleef hem immer de donkere wolk boven den in hellen zonneglans badenden horizon van zijn bestaan. Kon hij Engeland vernederen en ten onder brengen, dan achtte hij geen macht meer ter wereld in staat, om perk te stellen aan zijn veroveringen, dan kon hij alleenheerscher worden van geheel Europa.

De vereeniging nu der Fransche en Hollandsche zeemacht deed hem een uitbreiding zijner marine verwachten, welke hem in staat stellen zou om met zijn vloten die van Brittanje te vernietigen. Daarom achtte hij het van het hoogste belang, Holland's maritime krachten te leeren kennen uit eigen aanschouwing.

Zoo waren de hooge autoriteiten te Amsterdam dan rusteloos in de weer, om den Keizer bij zijn bezoek aan „de derde hoofdstad” van zijn rijk, een schitterende ontvangst te bereiden en van wege den prefect, den maire of den politie-directeur Duterrage verscheen het eene bevel na het andere. Bevelen aan de voornaamste ingezetenen, om personen uit het Keizerlijk gevolg behoorlijk te huisvesten; bevelen omtrent de militaire inkwartiering der hoogstwaarschijnlijk te wachten vermeerdering van krijgsbezetting, verbodsbepalingen met betrekking tot het opslaan van kramen, stellages en stalletjes, het klimmen in boomen tijdens den intocht, het afsteken van voetzoekers of ander vuurwerk binnen de stad, kortom, het regende aanschrijvingen.

En weldra kwamen Reiniers nog schoolgaande broers Bert en Bruno, die als echte jongens overal bij waren, op een Zaterdagmiddag thuis, druk en opgewonden over al het moois dat zij gezien hadden.

„Aan den Outelerweg wordt een eereboog gemaakt,” zei Bert, „toch zóó prachtig, ò!!…”

„Nee maar, dan moet je de Muiderpoort eens zien!” riep Bruno, „die is nog veel, véél mooier!”

„En in 't midden van de Plantage zijn ze óók al aan een eereboog te maken!” begon Bert nu weer.

„En op de Reguliers-Breêstraat!” viel Bruno in.

„En op het Kadijksplein!” vulde zijn broer weer dadelijk aan.

„Jongens, jongens!” riep juffrouw Vermaat ten slotte wanhopig, „jullie maakt ons nog doof met al dat geschreeuw.”

Na zoo'n waarschuwing zwegen ze wel, maar de volgende dagen ging het precies hetzelfde. Dan waren zij in verrukking over de drie zegezuilen welke op de hooge Amstelbrug werden opgericht, over den fraaien tempel, die aan het einde der Keizersgracht getimmerd werd, of over het prachtige salon, dat op de muren der schutsluisen werd gemaakt, om den Keizer en de Keizerin te ontvangen, wanneer zij het vuurwerk op den Amstel zouden bijwonen.

„En op school heb ik gehoord,” zei Bruno, „dat àlle klokken bij den intocht moeten luiden!”

„En àlle torens en openbare gebouwen moeten vlaggen!” viel Bert dadelijk in.

„En àlle geestelijken in vol ornaat voor hun kerken staan!” wist Bruno weer te vertellen.

Zij waren er vòl van, de jongens, en konden maar niet begrijpen, hoe hun vader en moeder er zoo weinig mee òp schenen te hebben.

Op zekeren dag kwamen zij met vuurroode gezichten thuis, zwoegend onder den last van eenige potten met planten en bloemen, die ze met moeite in hun armen droegen.

„Wat heb ik nu aan de hand?” zei mijnheer Vermaat verbaasd.

„Gekregen! Allemaal gekregen!” juichten de knapen, hun vracht behoedzaam neerzettend.

Hun vader vertrouwde de zaak echter niet. Hij maakte zich erg ongerust, dat zijn jongens misschien de Bloemmarkt geplunderd hadden en ging onmiddellijk op onderzoek uit.

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde bleek hem dra, dat Bert en Bruno werkelijk op een eerlijke wijze aan al die bloemen gekomen waren.

Van wege Napoleon's hofhouding—zoo vernam de tabaksverkooper—was de groot-hofmaarschalk Duroc in het paleis aangekomen, om de vorstelijke verblijven in gereedheid te brengen. Niets veroorzaakte hem meer zorg dan de stallen. Die, waarvan Koning Lodewijk zich had bediend, waren te ver van de hand, daar de Keizer dikwijls onverwacht uitreed en het rijtuig dan oogenblikkelijk vóór moest zijn. De naburige Bloemmarkt werd eindelijk als de meest geschikte plaats beschouwd. Maar, daarbij deed zich een zwarigheid op. Duroc wist, dat de Keizer,—in kleinigheden althans,—de denkbeelden en gebruiken van het volk niet wilde kwetsen en wanneer hij nu de Amsterdammers hun bloemenmarkt ontnam, dan zou de groote menigte dit wel eens als een nieuwe grief kunnen opvatten.

Om dit te voorkomen, bedacht hij een aardige vond.

Hij gaf bevel aan eenige bedienden, om al de bloemen en planten, die ter markt waren gebracht, op te koopen tegen den prijs dien men er voor vroeg en ze weg te schenken aan de omstanders op voorwaarde, dat zij er dadelijk mee naar huis zouden gaan.

De menschen wilden in het eerst niet best gelooven, dat het met dit aanbod ernst was. Zij aarzelden, om het aangebodene in ontvangst te nemen, maar toen zij ten leste begrepen, dat de Keizerlijke bedienden het werkelijk méénden, verwekte dit evenveel verbazing als genoegen. Elk nam nu zooveel hij dragen kon en ging er opgeruimd en blijmoedig mee naar huis.

Oningewijde voorbijgangers, de Keizerlijke bedienden overal op de markt zoo ijverig bloemen ziende koopen, meenden eerst dat die tot versiering van het paleis moesten strekken, maar toen zij daarop menschen van allerlei slag in verschillende richtingen met bloempotten en planten zagen aftrekken, begrepen zij er niets van.

Zonder wanorde of vechtpartijen geraakte het terrein op die manier in een oogenblik ontruimd. Ja, de heele zaak had zóó 'n rustig en kalm verloop, dat in het overige van de stad geen mensen gewaar werd, wat er was voorgevallen. Wie dus een uur later ter markt kwamen keken niet weinig verwonderd, dat er geen bloemen meer te koop waren, doch een honderdtal werklieden ijverig zwoegden om er stallen op te slaan.

Mijnheer Vermaat behoefde zich dus over de herkomst van de bloemenschat zijner bengels niet langer te bekommeren en ging welgemoed weer aan zijn werk.

Toen hij 's avonds met enkele bekenden, waaronder de humoristische schrijver en dichter, Fokke Simonsz., in een der koffiehuizen van de Kalverstraat te praten zat, vertelde hij het voorgevallene op de Bloemmarkt aan zijn gezelschap, en als vanzelf kwam toen het gesprek op Napoleon's reis door Holland en zijn aanstaande komst in Amsterdam.

„Ik zal er geen voet om verzetten!” zei Fokke Simonsz., zoo los weg en daarmee werd het onderwerp beëindigd.

Maar nauwelijks zat de dichter den volgenden morgen aan zijn schrijftafel, of hij ontving bezoek van een hem welbekend Fransch ambtenaar. Het was de tooneelschrijver Alexander van Ray, berucht om den ijver waarmee hij De Celles diende, en daardoor gehaat bij al zijn stadgenooten.

De bezoeker begon met een luchtig praatje, dat in het minst geen kwaad deed vermoeden, sprak verder over allerlei onbeduidendheden, maar eindigde met de verklaring, dat de dichter zijn huis verlaten en met hem mee moest gaan.

Fokke Simonsz., begrijpend dat het doelloos zijn zou, zich te verzetten, onderwierp zich, ondanks het gejammer van zijn gezin, aan het lot dat hem wachten mocht. Want zijn bezoeker liet hem in het onzekere, wat de aanleiding tot deze inhechtenisneming was.

De dichter, die op de Prinsengracht bij het Aalmoezeniershuis woonde, had maar weinig schreden buiten zijn deur te doen, daar Van Ray hem geleidde naar een der beide gevangenissen, waarin bij voorkeur dergelijke ongelukkigen achter slot werden gebracht.

Weldra zat Fokke Simonsz. in een akelige cel van het Verbeterhuis, vergeefs vorschend naar de reden, waarom men hem zijn vrijheid ontnomen had. De oppasser, die hem het levensonderhoud bracht, haalde bij zijn vragen de schouders op, en de politie gaf geen verantwoording van haar daden.

Fokke Simonsz. was de eenige niet, wien in deze dagen het lot van inkerkering te beurt viel; hij deelde het met verscheidene anderen, terwijl daarenboven ettelijke burgers last hadden, om hun woning tot wederopzeggens niet te verlaten, of wel voor den tijd van enkele weken de stad te ontruimen.

Op deze manier beijverde zich De Celles om alle, voor een gunstig verloop der aanstaande feestelijkheden gevaarlijk geachte elementen, intijds te isoleeren en onschadelijk te maken.

't Was dus waarlijk geen wonder—toen Jakob den Zondag vóór 's Keizers intocht zijn vriend Reinier tot een roeitochtje afhaalde—dat mijnheer Vermaat bij het heengaan hun meer dan ooit tot voorzichtigheid in hun spreken aanspoorde.

Nauwelijks echter kon Jakob zijn woorden volkomen onbereikbaar achten voor ieder verraders-oor, of hij moest zich uiten over iets dat hem zeer onaangenaam had getroffen.

„Kijk”, begon hij, „dat je vader ons voortdurend tot voorzichtigheid aanmaant, is natuurlijk te prijzen. Aan mijn eigen vader hebben we kunnen zien, hoeveel ellende een enkel woord wel kan te weeg brengen. Maar voorzichtigheid is toch nog heel iets anders dan wat jullie doet…”

„O, ik begrijp het al!” viel Reinier dadelijk in. „Je bedoelt, dat ons huis versierd is, nietwaar?…”

„Ja, ronduit gezegd is me dat vreeselijk tegengevallen…”

„Dacht je dan, dat het ons zèlf niet ergerde?” vroeg Reinier bitter. „Maar wij móeten wel! De Celles heeft den maire last gegeven om te zorgen, dat al de huizen, waar de Keizer bij zijn intocht langs moet komen, versierd zullen zijn. En de politie zorgt natuurlijk, dat die last behoorlijk wordt uitgevoerd.

Begrijp je wel? 't Is den prefect niet genoeg dat de autoriteiten hun hulde bewijzen, neen, ook de burgerij moet den Keizer huldigen!

Met hetzelfde doel zijn er van de week drie eerewachten opgericht, een eerewacht te paard, een te voet, en een marinewacht. Ook dáár was bij een heeleboel lui al even weinig liefhebberij voor. Maar De Celles wist al weer raad. Hij liet biljetten bij de voornaamste Amsterdammers rondbrengen, waarin gedreigd werd, dat zij voor hun zoons, als die straks in de loting mochten vallen, geen plaatsvervanger konden stellen, wanneer die zoons weigerden om den Keizer te verwelkomen.”

„Jawel”, zei Jakob, „de prefect wil blijkbaar met alle mogelijke middelen Napoleon in het idée brengen, dat Amsterdam wonderveel van hem houdt, gedwongen stadsversieringen, gedwongen versiering vanwege de burgerij, gedwongen eerewachten,—och, och, wat een komedie! Maar bij een welkomen intocht behoort nu eenmaal óók gejuich en gejubel, en meneer De Celles moet knap zijn, als hij dàt weet klaar te spelen!”

„Neen, dáár zal hij toch wel geen kans toe zien!” gaf Reinier toe.

Het bleek echter bij den intocht, hoe deerlijk zij zich hierin vergisten.

't Is waar, de algemeene stemming bij de burgerij was dof, somber, mokkend; en de prefect begreep zéér goed, van een dergelijke burgerij geen kreten van geestdrift te kunnen verwachten. Maar toch had hij het er op gezet, dat Napoleon bij zijn intocht zou toegejuicht worden, en tot het uiten van die jubelklanken had hij de tweeduizend manschappen op 's Rijks werf en de stedelijke werkwinkels bestemd. Die allen moesten zich bij 's Keizers intocht, onder contrôle hunner kommandeurs—doch zonder eenige onderscheidingsteekens—op bepaalde plaatsen vereenigen, daar hun „Leve de Keizer!” aanheffen en dan zoo gauw mogelijk langs een anderen weg opnieuw den stoet zien te bereiken, om dit spelletje te herhalen.

Den 9


 October, den dag, dat Napoleon zijn intocht zou houden, kon de prefect dus met volle gerustheid achten, de ontvangst behoorlijk en scêne te hebben gezet.

Te middag begaf zich Jakob, die vrijaf gekregen had, naar het huis van den tabaksverkooper over de Munt, om er den stoet voorbij te zien trekken, gedreven als hij werd door een onweerstaanbaar begeeren, om nu eindelijk den man zelf eens te zien, wiens naam en daden geheel Europa vervulden.

Hij vond de geheele familie Vermaat op de voorbovenkamer vereenigd.

Bert en Bruno stormden dadelijk naar hem toe, in de overtuiging dat zij reeds wonderveel nieuws te vertellen wisten.

„O, o, wat ben je laat! Mijnheer Le Brun is den Keizer al te gemoet gereden!” riep Bert.

„Met den prefect en den maire!” viel Bruno in.

„Mijnheer Duterrage was er ook bij!” vervolledigde Bert weer, „en nog een heele boel andere heeren, wel twintig!”

„Twintig?!—Puh! Wel dertig!” meende Bruno. Toen begonnen zij te kibbelen over het aantal, tot vader hun vermaande om wat rustig te zijn.

Nu tuurden zij om de vijf minuten de straat in, keken aanhoudend op de klok en zuchtten gedurig: „Wat duurt het toch lang, wat duurt het toch lang!”

Eindelijk, te drie uur ongeveer, daar ving het bulderen der kanonnen aan en in 't zelfde oogenblik begonnen alle klokken in de stad vroolijk te beieren…

Bert en Bruno vlogen naar de ramen, schoon daar natuurlijk nog niemendal te zien was dan de dubbele rij van nationale garden, die heel den weg van de Muiderpoort tot aan het paleis bezet hadden en van dit oogenblik af niemand meer door mochten laten.

„Blijf gerust nog maar wat zitten jongens”, vermaande de tabaksverkooper, „de Keizer is de Muiderpoort nog pas genaderd!”

Thans begon het wachten die onrustige jongens echter moeilijker te vallen dan ooit.

Dáár klonk de kreet: Le cheval blanc! Le cheval blanc! aangeheven door eenige personen, die den naderenden stoet voorafgaande, blijkbaar in last hadden de tallooze toeschouwers tot vreugdebetoon op te wekken.

Allen namen nu aan de ramen plaats.

Het eerste wat zij te zien kregen, was een piket van de eerewacht te paard.

Toen volgde de Hollandsche ruiterij onder aanvoering van den generaal Colbert en nog was die niet voorbij of Bert en Bruno riepen om strijd: „Kijk, kijk! Allemaal vreemde soldaten, soldaten met pieken!”

„Dat zijn Poolsche lanciers!” lichtte hun vader in.

Na de Polen kwamen vijf statiekoetsen en zij begrepen onmiddellijk, dat in het laatste op een na de Keizerin moest zitten, want het was bespannen met niet minder dan acht melkwitte paarden, terwijl acht pages terzijde van het rijtuig gingen.

Nu volgde een piket van vijf-en-twintig grenadiers te paard; daarop drie afdeelingen kurassiers, het piket van 's Keizers lijfwacht, de jagers der garde, de ordonnance-officieren en eindelijk, op een wit Arabisch paard—de Keizer!

Plotseling daverde een zwaar en krachtig: Vive l' Empereur! Want de stadstimmerlieden en stratenmakers, die kort te voren hun jubelkreet op de Botermarkt[5 - Tegenwoordig het Rembrandtsplein.] hadden uitgegalmd, waren langs de Kistenmakersgracht naar de Muntsluis geijld, om thans ook hier hun gejuich aan te heffen.

„Is dàt nu de Keizer!” zeiden Bert en Bruno teleurgesteld.

„Stil, jongens!” waarschuwde hun vader, „of je gaat onmiddellijk naar de achterkamer!”

Maar ook hij was zichtbaar teleurgesteld en evenzeer Reinier en Jakob.

Die kleine, tamelijk gezette persoon, met zijn ronden rug, gekleed in de eenvoudige uniform van kolonel der garde-jagers te paard, die man, met zijn fluweelzachte oogen in het bleek-bolle gezicht, was dàt nu die geduchte Napoleon, waar heel Europa voor sidderde?

En toch,—terwijl het vervolg van den schitterenden stoet, de officieren van 's Keizers Huis, de maarschalken, de generaals en stafofficieren, de grenadiers van de lijfwacht te paard, de dragonders der lijfwacht en eindelijk de zevende afdeeling kurassiers, terwijl dat alles aan hun blikken voorbijtrok, zagen zij in hun verbeelding nog altoos die kleine, gezette figuur met de raadselachtige oogen in het bleek-bolle gelaat.

Toen de Keizer, in het paleis aangekomen, zich op het balkon vertoonde aan de menigte, die geheel den Dam vulde, klonk het gejuich en gejoel nog luider dan ergens anders.

Geen wonder, het stads- en landswerkvolk, dat gecontroleerd door zijn kommandeurs, zich op verschillende plaatsen bij de geheime politie had moeten aansluiten, om het Vive l' Empereur aan te heffen, had nergens gelegenheid gevonden, de Kalverstraat troepsgewijze binnen te dringen, om de voorgeschreven kreten te herhalen, doch het kreeg gelegenheid te over, om naar den Dam te snellen. Daar was ieder op het appèl en het Vive l' Empereur daverde schier onafgebroken door de lucht.

Mijnheer De Celles kon te vreden zijn: Amsterdam had den Keizer met gejuich ontvangen, schoon de prefect hierdoor met zijn eigen rapporten in tegenspraak gekomen was, die herhaaldelijk van de ontevreden stemming onder het volk gerept hadden. Om de waarheid dezer beweringen te staven, had hij niets anders behoeven te doen, dan de ontvangst van den Keizer geheel aan het volk over te laten. Maar—hij wist het—in dat geval zou aan Napoleons triomftocht een volkomen fiasco ten deel zijn gevallen.

Intusschen, men kon Napoleon niet straffeloos misleiden, zelfs niet om hem te vleien. Hij wees De Celles, die hem op het balkon gevolgd was, op de juichende menigte en zei: „Zie eens, mijnheer de prefect, hoezeer u zich vergist heeft!”

De Celles was echter voorbereid op die aanmerking en met een buiging antwoordde hij hoffelijk: „Sire, dat is de cijns, die ieder volk brengt aan den grootsten man zijner eeuw.”

Onmiddellijk daarop ontving de Keizer de ministers en den staatsraad ten gehoor en zoolang hij te Amsterdam vertoefde werden iederen dag opnieuw mannen van rang en aanzien ter audiëntie ontvangen.

Evenals bij zijn luisterrijken intocht deed hij bij deze gehooren de zeldzaamste pracht en weelde ten toon spreiden. Men kon zich inderdaad niets schitterenders voorstellen dan het Keizerlijk hof op het paleis te Amsterdam. De rijke en smaakvolle tooisels der dames van het Huis der Keizerin, de kostbare en verblindende costumes der groot-officieren, der hooge ambtenaren, der aides-de-camp en ordonnance-officieren, het civile en militaire Huis des Keizers uitmakende, de rijke mengeling van uniformen der officieren van land- en zeemacht, de met goud geborduurde kleeding der hoofdambtenaren van verschillende burgerlijke administratiën, de menigte van ordelinten, grootkruisen, versierselen van alle ridderorden in Europa, zetten aan de plechtige ontvangsten en feesten aldaar een ongemeenen luister bij.

Over deze tentoonspreiding van schier nooit geziene weelde uitte Napoleon zich tot zijn vertrouwde, Caulincourt:

„Denk toch niet, dat de pracht, die ik op deze reis ten toon spreid, het gevolg zou wezen van een kleingeestige ijdelheid! 't Is louter een middel, dat ik te baat neem. De menschen geraken gaarne in beweging en hun geestdrift valt hèm ten deel, die ze weet op te wekken. De verleiding gaat door de oogen tot het hart. Het Keizerlijk hof moet zich groot en indrukwekkend vertoonen; men is altijd geneigd zich te buigen voor hetgeen men bewondert.”

Herhaaldelijk liet Napoleon zich in een sloep naar de werf en de haven roeien, bezocht Muiden en Naarden om de linie van Amsterdam te leeren kennen, begaf zich over Broek-in-Waterland, Hoorn en Medemblik naar Den Helder, om er den staat der vloot en vesting- en havenwerken op te nemen, gaf overal bevelen, wilde alles zelf zien en was ook nu weer, door zijn juisten blik en afdoend ingrijpen waar hij fouten zag, als altoos en overal een raadsel voor allen die hem vergezelden.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/piet-visser/de-zwervers-van-het-groote-leger-historisch-verhaal-uit-het-ti/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


In de Republiek hadden nooit andere Nederlanders dan vrijwilligers onder onze troepen gediend.




2


Willem V.




3


De directeur-generaal van politie.




4


Koning Lodewijk.




5


Tegenwoordig het Rembrandtsplein.


