De ridders van den halven toren
A.C.C. Vletter




A. C. C. de Vletter

De ridders van den halven toren





I.

’t Groote plan van meneer Broekenaaier


Stel je vóór, en heel duidelijk! ’t huis van meneer Broekenaaier aan den rand van ’t dorp Kooten.

Een allerkomiekst huis!

Eerst moest je over ’n brugje, dat door ’n groene deur kon gesloten worden.

Dan stond je met je neus vlak voor ’n stuk van ’t huis, niet hooger dan anderhalve manslengte.

Daar langs liep ’n straatje en aan den anderen kant er van lag ’n groote moestuin. Middenin stond ’n zonnewijzer. Achter ’t lage gedeelte van ’t huis kwam ’t hoogere met ’n plat dak. En dat hoogere huis sprong wel twee meters naar rechts.

Vlak vóór ’t lage huis vond je ’n tuin vol kleine struiken en bloemen.

’t Lage huis was van roode steenen opgebouwd en ’t hooge van gele.

De sloot waarover ’t bruggetje lag, liep om den linker tuin en verder langs ’t huis.

Meneer Broekenaaier zat op den achttienden April van ’t vorige jaar in z’n leunstoel vóór ’t geopende raam, dat uitzicht gaf over vele landerijen met vele koeien.

De brave kerel sliep.

En tegenover hem, ook in ’n leunstoel, zat z’n vrouw, ook zij sliep.

De zon scheen warm over de weiden, vrede heerschte alom, en toch....

De heer Broekenaaier sliep niet gerust! De duimen van de gevouwen handen bewogen telkens en ook z’n onderlip bewoog op ’n zeer vreemde manier.

Kwam ’t door de kat, die op de schoot van mevrouw rustig zat te spinnen, of door de kanarie, regelmatig heen en weer springend in ’t kooitje?

Daar sloeg de pendule zeven uur.

De heer Broekenaaier sloeg z’n oogen op en met ’n beweging van wrevel, schoot hij z’n voeten in z’n pantoffels.

Met ’n ontevreden uitdrukking op z’n rood geplooid gezicht, keek hij rond en toen gaapte hij, één maal, twee maal....

Mevrouw werd wakker en ook zij gaapte verscheidene malen.

Bij den vierden keer deden meneer en mevrouw het tegelijk!

Driftig stond de man op, nijdig brommend:

„Mensch, schei toch uit met dat verschrikkelijke gapen.”

„’k Doe ’t jou na,” antwoordde zij, en uit pure boosheid gaf ze de poes ’n duw, zoodat ’t beest uit z’n humeur raakte en in ’t kozijn ging zitten piekeren.

Onderwijl liep meneer met groote stappen de kamer op en neer.

Had de man niets te doen?

Veel te weinig!

Hij was notaris, maar véél verkoopingen vielen er niet onder zijn regeling.

De boeren en de dorpsbewoners bleken oergezond, zoodat er al heel weinig erfenissen op een notaris wachtten.

Geen wonder dat meneer Broekenaaier zich verveelde.

En óók mevrouw!

Ze waren geen van tweeën bizonder spraakzaam, ze hielden niet van tuinieren, ze hadden weinig liefhebberijen en—’t ergste.... ze bleven kinderloos.

„Géén kinderen! Dus géén vroolijke stemmen, géén lachende schitterende oogen, geen drukte en levendigheid in huis.

„Ook geen zorgen, geen last, geen treurigheid!” bromde meneer dikwijls, als er over dit onderwerp gesproken werd.

Maar in zijn hart.... nou!

Hij dróómde haast elken nacht van ’n aardig klein meisje met blonde krulletjes of van ’n zwarten bengel, meestal vuil en met gescheurde kleeren.

Boven in z’n kast stonden wel twintig boeken, waar de geschiedenissen van allerlei lastposten in beschreven werden.

En als hij kon, dan maakte hij de pretjes bij verschillende families in den omtrek mee, om maar ’t gejoel en ’t gelach van kinderen te hooren.

Toch wilden jonge meisjes en jonge bengels niet veel van hem weten, omdat meneer Broekenaaier er zoo stug uit zag. En de man was ’t niét! Het léék maar zoo! Hij kòn nu eenmaal geen vriendelijk gezicht zetten. Hij hàd nu eenmaal ’n lange neus, kleine oogjes, groote ooren en maar ’n randje haren.

De meeste kinderen vonden hem eng.

Wat is nou eng?

Meisjes en jongens voelden zich wat bang in zijn tegenwoordigheid, ze wilden ’t liefst van hem weg blijven.

Waarom wisten ze niet.

Het maakte mr. Broekenaaier soms wanhopig, want hij wàs toch ’n goeie kerel.

En mevrouw?

Ook die zag er raar uit!

Ze was klein en breed. Ze had verschrikkelijk zware wenkbrauwen en ’n reus van ’n onderkin.

Kun je dan geen lief mensch zijn?

Zeker wel!

Maar kinderen kijken eerst naar ’t uiterlijk, en jonge meisjes lachen om ’t minst ongewone.

’t Was jammer, maar het lukte ’t echtpaar nooit, om goede maatjes met de kinderen van hun kennissen te worden.

Dat deed beiden werkelijk verdriet. Ze werden humeurig en dikwijls kregen ze om allerlei kleinigheden oneenigheid.

Toen kwam achttien April!

Meneer Broekenaaier liep dan met groote stappen heen en weer.

Plotseling bleef hij staan.... z’n gezicht werd vuurrood. Hij keerde zich om, sloeg zich met beide handen telkens op de borst, terwijl hij driftig uitriep:

„Domkop! domkop! domkop!”

Mevrouw staarde hem aan, zenuwachtig omdat hij zoo raar deed. Ze dacht al bij zich zelf: Waar staat de geest van zout, of de eau de cologne!

Maar eensklaps trok haar man ’n stoel naar zich toe, ging er op zitten en toen sloeg hij zich met de twee handen op de knieën.

„Vrouw!” riep hij, „vrouw! dat we er nog nooit aan gedacht hebben! Wat zijn we toch ’n suffers!”

Mevrouw wist nòg niet, waarom ze ’n sufferd was. Ze wachtte maar tot er wat méér kwam.

Hoogst verwonderd keek ze naar haar echtvriend, die snel ’n blad papier uit ’n blocnote scheurde, snel begon te schrijven en ’t daarna met de grootste voldoening overlas.

Mevrouw werd brandend nieuwsgierig, nu ze haar man zag lachen.

„Laat me toch lezen,” zoo haastte ze hem.

De notaris reikte z’n vrouw ’t velletje over en mevrouw las:

–Wie wil aan een echtpaar zonder kinderen een jongen afstaan? Voor degelijke, algeheele opvoeding wordt ingestaan. Nadere besprekingen mondeling. Brieven met nauwkeurige opgave van omstandigheden onder letters Q R aan ’t bureau van dit blad,—

Meneer Broekenaaier wachtte op bijvalsbetuigingen, misschien wel op kreten van bewondering.

Niets daarvan!

Mevrouw keek even òp, toen las ze nog eens.

De notaris aarzelde nu.... zou ze niet willen, was hij te haastig geweest?

„’t Is ’n advertentie,” zoo legde hij uit, „vindt je ’t geen prachtig plan? Er moet hier ’n kind komen, dàt willen we alle twee! En we doen heelemaal geen moeite om er een te krijgen. Dit is de weg, vrouw! Er zijn zooveel menschen, die in zorgen leven en blij zullen zijn als wij één van hun kinderen willen groot brengen. Stel je vóór, wat ’n verandering hier in huis, als er zoo’n kleuter rond springt. O vrouw, wat zal ’t gezellig zijn. Wat kijk je nu nog ernstig! Is ’t geen redding in den nood? Je vindt ’t toch goed, is ’t niet?”

Daar schudde mevrouw ’t hoofd, zoodat de notaris van schrik ging zitten.

„Hè?” zei hij, en z’n gezicht trok strak.

„Niet goed?”

Op eens barstte mevrouw los: „jij met je jongen! ’t moet ’n meisje zijn!”

Die woorden werkten als ’n kilo lachpoeder op den notaris.

Hij proestte ’t uit, sloeg zich met de handen op de knieën en almaar klonk z’n hooge stem: „Vrouw! o!—o! vrouw!—’n meisje?—o, vrouw! dan moet ’t maar zijn: ’n jongen en ’n meisje! ha ha! hi hi ha ha! o, vrouw!”

Toen lachte zij ook maar mee!

In geen weken hadden ze zóó tegenover elkaar gezeten, de gezichten één en al lachplooien en ’t hart vol van ’n heerlijke toekomst.

„Zullen we dus zetten: ’n jongen en ’n meisje?” vroeg de notaris, en mevrouw zei: „Ja.”

Ze begonnen samen te overleggen of ’t dan broer en zus moesten zijn en van zelf dachten ze nu weer aan de bezwaren.

Twee kinderen uit één gezin, dat zou niet lukken. En kinderen van verschillende ouders, ja, dat gaf weer moeilijkheden....

Op eens riep meneer uit: „Hoor eens, vrouw, ’t komt vooral op jou neer! Jij zult er de meeste drukte door krijgen, laat jij dan je zin hebben, ’n meisje zal ’t zijn.”

Maar mevrouw wilde dat offer niet aannemen en op háár beurt drong ze er op aan, dat er ’n jongen zou komen.

Na lang heen en weer praten viel de beslissing—’n jongen zou ’t zijn!

Dadelijk ging de notaris de advertentie in ’t net schrijven.

Wel opperde mevrouw ’t plan, om door rondvragen ergens ’n jongen op te duikelen.

Ook zaten ze elkander ’n poos verward aan te kijken, toen ze den leeftijd van den nieuwen huisgenoot ter sprake brachten.

„Je wilt toch niet met ’n zuigeling beginnen?” vroeg meneer.

„Nee, o nee, dat gaat niet! je moet er bij zetten: minstens drie jaar.”

„Hm,” deed de notaris, „is wat ouder niet beter?”

„Zet dan: vier jaar.”

De advertentie ging zoo in zee en verscheen in ’n aantal groote bladen.

Hoe anders was nu ’t leven van de twee menschen geworden!

Ze wachtten enkele dagen in spanning.... ze begonnen elkaar te vertellen, hoe ze graag wilden, dat ’t kind er zou uit zien.... ze maakten plannetjes.... ze waren den ganschen dag bezig met den jongen, die nog komen moest!

En heelemaal tegen z’n gewoonte bracht de notaris bezoeken bij den dominé, bij den dokter, den burgemeester en meer van die notabelen uit ’t dorp.

Hij deed bij alles vrij opgewonden en vertelde van zijn grootsch plan. Maar hij kwam bij den dokter van ’n koude kermis thuis.

Die overstelpte hem met bezwaren....

Of hij wel inzag, hoe gevaarlijk hij deed, ’n onbekende jongen, zoon van onbekende ouders in z’n huis te halen.

Of hij er wel over gedacht had, hoe weinig sommige kinderen zich kunnen schikken in ’n heel andere omgeving.

Of hij niet bang was voor verborgen kwalen.

De notaris probeerde alles te weerleggen, maar bij ’t naar huis gaan kwam hij enkele dorpelingen tegen, die ouder gewoonte hem om raad vroegen.

En evenals vroeger ergerde hem de vijandigheid van die menschen tegen alles wat nieuw was.

Hij begon bang te worden voor den nieuwen bewoner van z’n huis. Hoe zou ’t dorp dat opnemen? Als de tongen los kwamen, nou, dan mocht hij zich wel bergen.

Want Kooten duldde nu eenmaal geen vreemde indringers. Zooals ’t was, vond iedereen ’t best. Ja, er heerschte vele dagen ’n ondragelijke verveling en onophoudelijk kwelden de bewoners elkaar met twisten om de meest onbeduidende redenen, maar toch stelde Kooten z’n beteekenis hoog boven vele dorpen in den omtrek.

De notaris dacht aan de overdreven gehechtheid van zoovele dorpsbewoners aan oude gewoonten en gebruiken, waardoor ze blind werden voor toch veel goeds, dat de nieuwe tijd bracht. Ze wilden niets weten van verbeterde machines en ’n andere beplanting van den bodem....

Thuis vond meneer Broekenaaier z’n vrouw óók ’n weinig bedrukt.

Zij had enkele dames van ’t dorp gesproken, de vrouw van den molenaar en de zuster van den bakker.

Deze juffrouwen deden niets liever dan bij anderen de nieuwtjes te gaan hooren.

Nauwelijks was er dan ook iets uitgelekt van ’t groote plan, of ze moesten er meer van weten.

Daarom trokken ze naar mevrouw Broekenaaier, die heelemaal niet trotsch was.

Hier hoorden ze, dat er werkelijk ’n advertentie werd geplaatst als oproeping voor ’n aan te nemen kind.

Wel wel, wat keurden de dames dit plan toch af! Zoo’n vreemd kind, misschien de zoon van ’n misdadiger!

Natuurlijk kwamen de ouders telkens ’t dorp onveilig maken. Stel je vóór, dat de vader ’n kermiswagen hield, of dat de moeder ’n bedelvrouw was.

Vreeselijk!

Na ’t vertrek van de dames begreep mevrouw, dat er op die manier in ’t dorp zou gepraat worden.

„We moeten er maar van af zien,” zei ze tegen d’r man.

Maar deze lachte nu toch weer, bij ’t hooren van de praatjes.

„Je begrijpt, dat ik wel degelijk op onderzoek uit ga,” antwoordde hij.

„Ik geloof graag, dat ons kind heel wat beweging in ’t dorp brengen zal, maar dat is juist goed om de menschen wakker te maken. Is ’t nu maar ’n aardige flinke baas, dan houdt ’t gebabbel van zelf op.”

Weer verliepen enkele dagen.

Toen bracht de post vier brieven, toegezonden door de directies van de bladen, waarin de advertentie was opgenomen.

Man en vrouw schoven dicht bij elkander en nu begon ’t lezen van de brieven.

Eén van ’n weduwe met elf kinderen, één van ’n man, die pas z’n vrouw had verloren en nu met drie jonge kinderen achterbleef, één van ’n orgelman en één van ’n schipper.

Na de lezing keken de echtgenooten elkander eens aan.

„Wat denk je er van?” vroeg meneer.

„’k Heb er niet veel vertrouwen in,” was ’t antwoord, „ga je er op uit?”

De notaris las de vier stuks nog eens aandachtig over. Toen riep hij uit: „Ik wil ze zien, je kunt nooit weten.”

„Maar beslis niet te gauw, man!”

„Wees gerust, zonder jou neem ik geen besluit.”

Den anderen morgen vertrok de notaris.

Eerst bezocht hij in Rotterdam de weduwe met de elf kinderen.

Het bleek, dat deze juffrouw een zéér slechten naam droeg, dat de kinderen behoorden tot de afdeeling: kleine boefjes.

De kinderen van den weduwnaar, zagen er uit alsof ze geen drie weken meer zouden leven.

De orgelman stond overal bekend als ’n dronkaard en ’t zoontje was vies en ’n klein schooiertje.

De schipper, die in Gouda woonde, eischte voor ’t afstaan van ’n niet onaardig kind, zoo’n reusachtige som, dat de notaris haastig aftrok en—zonder eenig gevolg weer bij z’n vrouw verscheen.

Hij vertelde van z’n ervaringen en nu begonnen beiden pas goed te begrijpen, dat ’t niet zoo eenvoudig was, ’n andermans kind over te nemen.

Nog enkele brieven volgden, maar ’n kort onderzoek aan de opgegeven adressen leverde geen gelukkige oplossing.

’t Zotte van ’t geval was wel, dat ’t heele dorp vol belangstelling navraag deed, om te weten, of de notaris zijn zoon zou krijgen.

Meneer Broekenaaier wilde nù z’n plan niet opgeven. Hij zou, en hij moest ’n pleegkind hebben!

Maar hoe kwam hij er aan?

Nieuwe advertenties plaatsen? Overal op onderzoek uit gaan? Vrienden en kennissen in den arm nemen?

Best, best! dat gebeurde, maar ’t gevolg bleef uit....

Weken verliepen....

Mevrouw verkoos geen ziekelijke stumperd, géén verwaarloosd vies kind, géén brutale straatbengel in huis te nemen.

Dus bleef er niet veel keus!

Plotseling kwam er uitkomst!




II.

Wibbe


De auto hield stil voor ’t statige bordes. Een deftige bediende kwam snel ’t portier openen. Notaris Broekenaaier werd in de ontvangkamer van ’t prachtige buitengoed gelaten en daar liep hij ’n weinig zenuwachtig op en neer.

Hij begreep heelemaal niet, waarom de rijke bewoner van Primrose, wijd en zijd bekend, hèm had ontboden en nog minder voor welke zaak.

Hij wist, dat de heer Bribon door z’n verlamming nooit buiten z’n beroemde villa kwam. Van verkoopen kon geen sprake zijn, ook niet van ’n sterfgeval. Hij had z’n testament tenminste niet in bezit.

Wat kon er zijn?

De bediende opende de deur en voerde den notaris langs de trappen en gangen, alle even kunstvol versierd met beelden en planten, naar de bizondere vertrekken van den heer Bribon.

Hij trad binnen en zag den bekenden kunstverzamelaar in ’n buitengewoon vreemden stoel zitten. Het bleek, dat deze stoel door gemakkelijke handbewegingen op verschillende hoogten kon gesteld worden, ook draaide en voortbewoog.

Na de begroeting en toen de notaris tegenover den vreemde zat, sloeg de eerste ’n blik in ’t rond en met verbazing ontdekte hij de schilderstukken, de kunstvoorwerpen, de ongewone meubels, de reusachtige serre vol met kostbare planten, den hellenden tuin, schitterend in alle tinten.

Hij deed zoo verbaasd, dat de heer Bribon hem even liet begaan.

En nu pas viel het den notaris op, hoe nietig en kleintjes de eigenaar van al dat moois zich aan hem voordeed.

Eindelijk verbrak de heer Bribon de stilte.

„Meneer de notaris”, zoo klonk ’n pieperig stemmetje als van ’n verkouden meisje, „ik zie met plezier, dat u oog hebt voor m’n verzameling. Ja, hier lééf ik, nacht en dag, dit is voor mij de wereld.

„Ik heb u verzocht, hier te komen, om over m’n jongen te spreken…”

Hier trok de notaris zoo’n potsierlijk gezicht, dat de spreker zweeg en hem glimlachend aankeek!

„U wist dat niet, is ’t wel?… U wist misschien niet, dat hier m’n jongen leeft. Over hem wil ik met u spreken.”

Enkele oogenblikken staarde hij voor zich uit, en nu zag de notaris ’t gezicht van den heer Bribon pijnlijk vertrekken. Blijkbaar leed hij aan ’n kwaal of door verdriet.

„Het is mijn eigen zoon niet, maar ik nam hem als kind aan, jaren geleden. Dat doet niets ter zake. Ik ben tegenover dien jongen zeer zelfzuchtig geweest. Ik heb hem altijd bij mij willen houden, omdat ik niet loopen kan. Ik heb hem groot gebracht alsof deze villa de wereld was. Ik gunde hem nooit, ergens anders te spelen, ik verbood hem, makkers te vragen. Ik wilde hem voor mij alleen houden. Van jongst af aan heeft hij nooit anders geweten of ’t hoorde zoo. Hij heeft me jaren lang ’t leven dragelijk gemaakt, om dat ik alleen sta op de wereld.

„Misschien heeft de jongen er geen weet van, dat ik hem van alles, wat anderen doet genieten, heb afgehouden. Ik was z’n gezelschap, ik, met de honden en de vogels.

„Maar nu…”

Weer ’n korte pauze, waarin de heer Bribon opnieuw ineen kromp van pijn.

Toen ging hij voort: „Ik heb niet lang meer te leven… ik wil goed maken wat ik tegenover Wibbe misdreef. Hij moet makkers hebben, ’t heerlijke jongensleven meemaken en daarom verzocht ik u, met mij te spreken. Ik laat hem bij m’n dood, ’n groot fortuin na. Hij mag ’t niet weten. Ik wil, dat hij ’n gewone jongen wordt, en eerst veel later moet hij hooren, dat hij rijk is. U verzoek ik, dat geld te beheeren en ’n geschikte omgeving voor den jongen te zoeken…”

Nu werd de notaris hevig rood, hij draaide op z’n stoel en eindelijk stotterde hij:

„Geef ’m mij!”

De twee mannen keken elkander aan en eensklaps begon meneer Broekenaaier te vertellen.

Van z’n verlangen naar ’n pleegzoon, van z’n mislukte pogingen en aan ’t slot herhaalde hij weer: „Geef mij Wibbe! Ik zal hem makkers bezorgen, ik zal ’m grootbrengen als ’n gewone burger jongen, ik zal z’n geld beheeren en hem later ondanks dat kapitaal ’n vak doen kiezen, waardoor hij ’n flink lid van de maatschappij kan worden.”

De heer Bribon luisterde… toen verviel hij in ’n langdurig zwijgen. Blijkbaar dacht hij na.

Eindelijk kwam er: „Ik vind ’t grootste bezwaar, dat u zelf geen jongen hebt.”

De notaris wond zich op en vol geestdrift riep hij uit: „Ik neem er nog drie in huis, ik zal hem honderd makkers bezorgen, o, ik word ’n ander mensch!”

De heer Bribon glimlachte weer, toen vervolgde hij:

„U kent Wibbe niet.”

„Ik zal ’m leeren kennen, ik wil van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat voor hem zorgen. Toe, vertrouw mij, laat mij Wibbe hebben!”

Er ontstond ’n langdurig gesprek, waarbij alle bezwaren en voordeelen werden overwogen. En ’t slot was, dat de heer Bribon toestemde.

Na regeling van alle zaken, reed hij in z’n stoel naar den linkerwand, draaide daar ’n knop, en opeens weken de twee helften van elkander… ’n nieuwe kamer werd zichtbaar, ’n jongensparadijs!

Letterlijk alles wat ’n jongenshart bekoren kan, was daar aanwezig in groote kasten met glazen deuren—spoortreinen, werkdoozen, schiettuigen, ringen, balspelen, boeken en zoo meer.

De notaris keek z’n oogen uit en vooral, toen hij te midden van al dat moois Wibbe ontdekte.

Wibbe.

Tien jaar oud. Mager. Blond. Blauwe oogen. Bleek. Ernstig.

Bij de verschijning van de twee heeren, keek de jongen even op, knikte en ging toen weer door met z’n beweegbaar speelgoed.

De ontmoeting viel den notaris geducht tegen. Plotseling begreep hij, hoe moeielijk ’t zou worden, ’n jongen in z’n huis op te nemen, die jaar in, jaar uit, alleen met dezen verlamden man had doorgebracht.

„Wij lachten haast nooit samen”, fluisterde de heer Bribon.

Die woorden klonken droevig en medelijdend keek de notaris ’t kind aan, wiens jeugd ’t lachen niet had gekend.

„Ik zal ’t hem leeren”, antwoordde hij zacht.

De heer Bribon knikte en langzaam reed hij tot de plek waar Wibbe zat.

„Luister eens, jongen.”

Wibbe stond gewillig op, kwam naast z’n pleegvader staan, zonder verwachting van iets prettigs.

„Je gaat over enkele dagen bij dezen heer inwonen.”

Plotseling kwam er glans en schittering in de doffe oogen. Hij keek den notaris aan, z’n lippen openden zich alsof hij iets wilde zeggen. Maar hij zweeg.

De heer Bribon vervolgde: „Je kunt hier niet langer blijven. Ik ben je vader niet…”

Nu veranderde Wibbe’s gezicht heelemaal, er kwam leven en gloed op.

„Vader… vader…” Eensklaps scheen hij zich ’t verleden te herinneren, z’n eigen ouders te zien in ’n tafereel uit lang vervlogen jaren.

Toen keek hij de beide mannen weer in spanning aan als de vogel, die de gouden kooi ziet openen maar niet begrijpt wat vrijheid is.

„Je moet nu al dat moois missen, je wordt ’n gewone jongen, die met anderen speelt en stoeit…”

Weer die glinstering in de groote oogen.

Hij kende ’t genot van ’n blijde jeugd niet, ’n samenleven met andere jongens in lief en leed, en toch voelde hij ’t gemis ervan.

„Ik ga ’n verre reis ondernemen…”

Toen sprak ’t hart van den jongen!

„U alleen?” riep hij uit, „wie moet u dan in alles helpen, wie doet er spelletjes met u, wie leest u vóór?”

De heer Bribon glimlachte voor de derde maal. Wibbe wist niets van z’n ziekte, wist niet, hoe hij de gróóte reis bedoelde. Hij wilde z’n pleegzoon niet doen weten, hoezeer de scheiding hem smartte. En dus glimlachte hij en vervolgde: „Ik mag geen kleine jongens meenemen! Nu, je blijft bij meneer en die zal goed voor je zorgen.”

Wibbe keek z’n pleegvader aan alsof hij iets vermoedde van ’n naderend scheiden voor goed… Maar ’t gezicht van den heer Bribon bleef lachend en vroolijk klonk ’t weer: „Je moet me maar trouw brieven schrijven en alles vertellen uit je nieuwe leven, hoor jongen.”

Hiermede eindigde ’t gesprek, de beide mannen keerden terug naar de andere kamer en lieten den jongen alleen.

Wibbe bleef ’n poos roerloos zitten… hij probeerde te denken aan ’t komende nieuwe leven, waarvan hij veel gelezen had in z’n boeken. Wibbe wist veel, in alles was de heer Bribon z’n leermeester gebleven, behalve in ’t spelen met andere jongens.

Dàt zou nu komen!

Wibbe wist niet hoe ’t gaan zou, hij kon er zich geen voorstelling van maken, maar dat ’t verrukkelijk zou worden, daaraan twijfelde hij niet.

Toch dacht hij weer aan z’n pleegvader!

Hun lang samenzijn, de dagelijksche omgang, ’t vertrouwelijk spreken met elkaar kon niet zoo in eens ophouden.

Wibbe hield heel veel van meneer Bribon en had hij geweten, waarom deze hem in ’n andere omgeving wilde brengen, dan zou hij zich zeker verzet hebben.

Nu begreep Wibbe er niets van en al sloop telkens ’n vage onrust in z’n hart, ’t aanstaande nieuwe leven lokte hem onweerstaanbaar aan.

Hij stond op, liep naar z’n boekenkast, haalde er enkele van z’n geliefde avonturenboeken uit en begon de overbekende bladzijden nog eens te lezen…

De notaris kwam in ’n opgewonden toestand bij z’n vrouw terug. Hij vertelde haar van den heer Bribon en z’n pleegzoon, en dadelijk begonnen ze samen te overleggen. Er moest nog ’n jongen bij komen, minstens één, dat stond vast!

Waar haalden ze dien nou weer vandaan? En ’t diende gauw te gebeuren!

De notaris ging maar ’t pad op, overal navragend, overal om ’n jongen te vinden. Jongens genoeg! Toch kwam meneer Broekenaaier niet klaar. Wel kon hij meisjes krijgen! Vandaar dat hij er over dacht om er één als jongen te kleeden, maar natuurlijk wilde mevrouw er niets van weten.

Teleurgesteld bracht de notaris verslag uit bij den heer Bribon.

Deze aarzelde, maar toch besloot hij z’n pleegzoon aan de zorgen van meneer Broekenaaier en z’n echtgenoote toe te vertrouwen. Hij hoopte dat er na eenigen tijd nog wel ’n makker voor Wibbe zou gevonden worden…

Den 19


 Mei nam de jongen afscheid van z’n pleegvader, stapte in de auto en kort daarna stond hij op ’t brugje rond te kijken. De notaris kwam hem tegemoet, voerde hem tot mevrouw.

Een groote koffer werd binnengesjord, de auto reed weg en… Wibbe was verhuisd, dat wil zeggen, zijn lichaam, want z’n hart en z’n denken waren nog ginds bij z’n pleegvader.

’t Koffiemaal ging dan ook stijfjes voorbij en nu pas begrepen man en vrouw, dat de omgang met zoo’n jongen toch niet zoo heel gemakkelijk zou zijn; hoe noodig er ’n vriend in huis bij moest komen.

Wibbe vond z’n kamertje wel aardig. Toch viel de gansche omgeving hem tegen. Wat ’n verschil met z’n vorig verblijf!

Den middag besteedde hij aan ’t inrichten van z’n kamer en eerst aan ’t middagmaal ontmoette hij z’n nieuwe pleegouders weer.

De notaris deed z’n best om grappige dingen te zeggen, maar ’t ging hem niet goed af. Ook mevrouw wist niet veel te praten en dus werd ook deze samenkomst nog al saai.

’s Avonds monsterde Wibbe de tuinen, liep wat in de wei en… speelde met de kat.

Die ouwe poes was óók geen kinderen gewend. Ze moest in ’t eerst niets van dien vreemden jongen hebben, maar toch liet ze hem na ’n poos begaan.

Ze zag iets in z’n oogen, ze hoorde wat in z’n stem, dat haar prettig aandeed en zoo kon ’t gebeuren, ze speelde weer eens, wat in maanden niet was voorgekomen.

Met donker zat Wibbe aan de tafel, bladerde in ’n paar boeken, die de notaris in d’r haast van boven had gehaald.

Maar Wibbe’s hoofd stond niet naar lezen, hij had haast niet anders gedaan. Hij vroeg zich af, of dit nu ’t nieuwe leven zou zijn. Waar bleven dan de beloofde makkers?

Uren lang lag hij wakker in ’t vreemde bed. Nee, ’t leek hem hier niet prettig… waarom had z’n pleegvader hem toch weggezonden?…

Toen mevrouw boven kwam en eens naar hem ging kijken, lag hij nog steeds wakker, al hield hij zich slapende, om haar niet te hinderen.

Beneden schoven man en vrouw dicht bij elkaar en ze keken ernstig.

„Er mòèt ’n vriend komen,” zei meneer, „zoo gauw mogelijk! Wij kunnen niet met hem omgaan. Morgen ga ik er op uit en ik kom terug mèt ’n jongen!”

Ook de twee groote menschen sliepen slecht.

Den anderen morgen vroeg vertrok de notaris en nu moest mevrouw alleen den nieuwen pleegzoon bezig houden.

Wibbe zag bleek en al deed hij z’n best om vriendelijk en voorkomend te zijn, ’t bleef gedwongen.

Mevrouw voelde ’n licht medelijden voor den jongen, die merkbaar z’n best deed, om zich te schikken.

Hij wilde van alles voor mevrouw doen, ze gingen samen wat rondkuieren en ’n bezoek brengen in de naburige stad bij ’t Hoofd van ’n onderwijsinrichting, die Wibbe zou bezoeken.

’t Vooruitzicht, als ’n gewone jongen naar school te zullen gaan, bracht Wibbe tot méér opgewektheid. Hij deed mevrouw honderd vragen en in de spreekkamer van den heer Weber gaf hij dezen de beste antwoorden.

Volgens ’t plan van den notaris zou Wibbe met z’n nieuwen vriend naar dezelfde school gaan, ze moesten in dezelfde klas zitten, om heelemaal goede vrienden te worden.

Aldus werd met meneer Weber afgesproken en door ’t vooruitzicht op ’t onbekende schoolleven, vergat Wibbe z’n vorig tehuis.

Mevrouw moest hem allerhande bizonderheden van ’n school vertellen. Hij wilde weten, of ’t daar net zoo toeging als hij in sommige boeken had gelezen. En hij was vooral ongerust over z’n kennis, zoodat hij in ’n lage klas moest zitten.

Mevrouw troostte hem gemakkelijk, want ze had heel goed gemerkt, hoe veel de jongen wist.

In ’t dorp bleef Wibbe met aandacht naar de kerk staan kijken en vooral de monsterachtige plompe toren scheen hem bizonder te boeien.

Hij was niet hoog, maar wel log breed, hij had geen slanke spits, maar wèl ’n onmogelijk stomp dak, hij had geen haan, maar wèl ’n scheefstaande ijzeren staaf met ’n knop. Hij zag zwart van ouderdom en, zooals Wibbe opmerkte: „’t Is net, of die toren zich schaamt over z’n leelijkheid en in den grond wil zakken.”

„Toch zouden de menschen hier geen kwaad van hem willen hooren,” zei mevrouw.

Wibbe antwoordde: „Als ik rijk was, liet ik ’n nieuwe bouwen.”

Mevrouw keek hem aan terwijl ze dacht: Zou de jongen weten, dat z’n pleegvader zoo’n groote som gelds voor hem in bewaring heeft gegeven?

Ze wist toch wel beter en daarom zei ze: „Och, over een paar jaar stort hij wel in en dan zullen we wel weer zien.”

’t Verdere van den dag ging traag voorbij. Wibbe probeerde de koeien in de wei te naderen, maar ze moesten niets van ’m weten en gingen op ’n grappige manier aan den haal.

Ook ’t middagmaal verliep vervelend, want èn mevrouw èn Wibbe wachtten met ongeduld op den terugkeer van den notaris.

’t Werd donker.

Zwijgend zaten beiden aan den tafel, luisterend naar elk geluid.

„Mag ik opblijven, tot meneer thuis komt?” vroeg Wibbe.

Mevrouw stemde toe.

En zoo wachtten ze, uur na uur....

Misschien bleef hij dien nacht óók nog weg! dacht mevrouw.

Ze stelde als uiterste termijn: half elf.

’t Was nù negen uur.

Langzaam verliep de tijd.... de pendule tikte.... ’t Werd half tien.... eindelijk tien uur.... en—twintig minuten later verscheen Hesse.




III.

Hesse


„Heb jij ’n horloge? Laat ’s zien!”

Hesse trok pardoes ’t horloge van Wibbe uit diens zak, hield ’t aan z’n oor, draaide aan den knop en slingerde er hoogst gevaarlijk mee.

„Zou je mevrouw niet goeden avond wenschen?” vroeg de notaris.

„O—ja—goeden avond mevrouw! Bent u de vrouw van dien meneer? Ha-a-a-a!”

Hesse liep naar de tafel en begon gretig van ’n schaaltje ham te eten. Hij nam ’n plak zoo maar in de hand en stopte ’t vleesch proppend in z’n mond.

„Maar Hesse! wat doe je nu? Wacht toch even tot we allemaal nog wat gaan gebruiken.”

„O.... ja....”

Hesse veegde z’n mond met den rug van z’n hand af. Toen kreeg hij de kat in ’t oog, sprong er naar toe, trok ’t dier aan den staart, zoodat poes van angst onder ’n kast kroop.

Hesse liet zich plat op z’n buik vallen, en begon haar op te jagen, terwijl hij ze met één hand vooruit duwde.

Toen ontvluchtte de kat op de canapé, maar Hesse haar achterna; vervolgens zocht ze ’n schuilplaats achter mevrouw’s rokken.... En Hesse hield vol met z’n: kssss, ksssss! Wibbe vond dien nieuwen jongen buitengewoon grappig.

Zòò was nu ’n echte!

Hij lachte eerst zachtjes, toen met daverend geluid om de wilde jagerij.

Wat ’n jongen. En hoe leuk zag hij er uit! Van die smalle oogspleten, kort borstelig haar, ’n wipneus en groote ooren.

Het lukte den notaris om den nieuwen huisgenoot op ’n stoel te krijgen.

Mevrouw zat haar tweeden pleegzoon met verschrikte oogen aan te zien en tot haar schrik nam Hesse alles in z’n handen om het te bekijken.

Geen minuut zat hij stil en tot viermaal toe liet hij er zich af glijden om eerst de ouderwetsche hangklok op te winden door met ’n ruk aan de koperen ketting te trekken, toen ontdekte hij ’n snuisterijtje op den schoorsteen, ’n soort spinnewieltje. Dit begon hij razend snel te draaien, zoodat ’t na ’n oogenblik in drieën lag. De derde maal ging hij de laden van ’t buffet opentrekken om te zien wat er in lag en ten slotte moest hij met alle geweld weten of de tabakspot van steen of van hout was. Om die reden liet hij ’t deksel in gruzelementen vallen. Mevrouw zat op heete kolen, meneer wist geen raad.

Op z’n vriendelijkste manier trachtte hij Hesse duidelijk te maken wat mocht en wat niet. Maar de jongen luisterde niet eens! Telkens ontdekte hij weer wat merkwaardigs, òf hij at met gulzigheid.

Tot viermaal toe vroeg hij mevrouw opnieuw om melk, en dan dronk hij ’t glas in eens leeg. Wibbe sprak geen woord. Hij volgde alle bewegingen van den nieuwen vriend met de grootste aandacht en ondanks de vermanende gezichten van meneer lachte hij luidkeels om alles wat Hesse deed.

Nauwelijks had deze ’t laatste kruimeltje in z’n mond gestopt, of hij liet zich onderuit glijden en verdween onder de tafel…

Toen fluisterde mevrouw: „Man, wat is dat voor ’n vreeselijke jongen? Stuur ’m naar bed!”

De notaris, zelf met ’n hoogroode kleur, vischte Hesse op en kommandeerde: „Vooruit! naar boven!”

Als ’n wervelwind vloog Hesse de kamer uit, de donkere gang in.

Meneer riep hem terug en gebood streng: „Zeg mevrouw goeden nacht.”

Toen gebeurde er iets vreemds…

Hesse stond even stil… hij keek den notaris aan, getroffen door diens rood boos gezicht… langzaam liep hij naar mevrouw, greep snel haar hand, keek haar aan, nu met wijde groote oogen, en hij zei: „Niet boos zijn op Hesse.”

Aarzelend bukte hij zich over de hand en toen gaf hij er ’n zoen op…

Daarna holde hij weg, de verlichte gang in. Wibbe stond al boven aan de trap, Hesse stoof er tegen op en samen gingen de jongens elk naar hun kamer.

Hier kwam Hesse oogen te kort!

Bij ’t licht van ’n flikkerende kaars stelde de nieuwe jongen ’n onderzoek in naar alles wat los en vast stond. Eerst op Wibbe’s kamer. Diens viool nam hij uit de kist, draaide de schroeven los, trok er de snaren uit, kraste er met de strijkstok over, zoodat de haren sprongen.

In ’n ommezien haalde hij alle laden van ’t kastje open, rommelde er in en hij goot water uit de lampetkan zoo maar over de waschtafel. Toen naar z’n eigen kamertje! Hier sprong hij met laarzen en al in ’t helderwitte bed, rolde om en om, schopte de eigengewerkte sprei van mevrouw met z’n vuile schoenen omhoog, kroop er onder en begon voor spook te spelen.

Wibbe kòn niet meer van ’t lachen en de notaris zelf, eerst woedend, mòèst tenslotte toch uitbarsten in ’n dollen lach; juist omdat ’t zoo buitengewoon ongehoord was wat die Hesse uithaalde.

Hij zou zich uitkleeden… jawel… dat werd ’n smijtpartij!… Z’n buis vloog op de waschtafel, z’n broek verdween onder ’t bed, z’n kousen slingerde hij over meneer Broekenaaiers hoofd…

Eindelijk lag hij!

’t Grappige gezicht met ’t piekhaar, den wipneus en de groote ooren, bleef alleen nog maar te zien,

Nu keek hij de twee bij ’t bed met z’n rare spleetoogen aan…

De notaris ging even als ’n dokter bij ’m zitten en probeerde hem aan ’t verstand te brengen, hoe dwaas onhebbelijk hij zich had aangesteld.

Wibbe bedaarde nu ook, luisterend naar de welgemeende boetpredikatie.

Hesse scheen ook ernstig te luisteren, maar op zeker oogenblik hield de notaris zich stil, keek eens goed toe en—ja!—hij zag ’t! Hesse sliep…

Toen stond hij van z’n stoel op, met ’n wanhopig gebaar, hij wenschte Wibbe wel te rusten en verdween.

Nauwelijks kwam hij de kamer beneden in, of z’n vrouw viel uit: „Maar man! wat heb je nou in huis gehaald! Wat is dat voor ’n vreeselijk kind? Waar heb je hem vandaan? Wou je die hier houden?”

De notaris ging vermoeid in z’n leunstoel zitten en wachtte tot z’n vrouw ophield.

Toen vertelde hij: „Herinner jij je nog nicht Mina uit Dordrecht?… Ja?… Nou, we waren kwaad met d’r, is ’t niet zoo? Vandaar, dat we nooit meer iets van haar gehoord hebben. Ze schijnt getrouwd te zijn met ’n Spanjaard…”

„Wàt vertel je?… Met ’n Spanjaard?”

De notaris vervolgde: „’t Is me verteld. Nou, uit dit huwelijk is Hesse geboren.”

„Hij is dus eigenlijk nog ’n verre bloedverwant?”

„Zoo is ’t”, antwoordde meneer Broekenaaier.

„Nicht is al jaren dood, door ’n toeval heb ik de familie gevonden, waar Hesse in huis was opgenomen tegen ’n kleine vergoeding, die uit de nalatenschap van z’n vader werd betaald.”

„Is die dus ook dood?”

„Natuurlijk! Nou, de familie wilde mij den jongen gaarne afstaan, toen ik alles had verteld. Ik beloofde ze ’n sommetje als vergoeding voor de gemaakte onkosten en daarna mocht ik hem op slag meenemen. Ik begrijp nù, waarom dat zoo gemakkelijk ging, want ’t is me d’r eentje!”

„Ik wil ’m niet houen”, verklaarde mevrouw met groote beslistheid, „’t is ’n béést!”

„Maar vrouw!.., ik geef toe, dat ’t wel ’n heel vreemde jongen is, zeker door z’n Spaansch bloed, maar ’n beest is hij niet! Hoe aardig nam hij je hand en wat stonden toen z’n oogen mooi!”

Mevrouws gezicht veranderde… jà… manlief had gelijk… dàt was toch lief van Hesse…

De notaris merkte ’t verminderen van haar boosheid en handig zei hij: „Heb je wel gezien, hoe Wibbe deed? Hij schijnt dol in z’n schik te zijn met dien nieuwen vriend. Zullen we ’t niet eens ’n poosje probeeren? Dat ongemanierde leeren we hem wel af. De menschen, bij wie hij inwoonde, waren óók niet van ’t beste soort. Misschien zal Wibbe hem óók wel wat veranderen. Wat Hesse te veel heeft, dat heeft Wibbe te weinig. Ja, vrouw, ’t is uit met ons kalme leventje. Vergeet niet, dat we ’t zelf hebben gewild! We moeten ’t samen dragen. Zonder ’n beetje moeite kun je kinderen niet verbeteren. Gaat het ten slotte niet, welnu, dan moet hij weg, dan breng ik hem weer terug. Wat dunk je!”

Mevrouw knikte…

Ze gaf toe, dat ze van streek was door de ongewone manieren van Hesse. Ja, ze moesten samen probeeren den jongen te veranderen. Blijkbaar was z’n aard uitstekend. Alleen had niemand hem geleerd, zich te schikken en zich behoorlijk te gedragen.

Nog lang na middernacht bleven beiden met elkander spreken en ’n plan verzinnen om Hesse zoo snel mogelijk om te tooveren in ’n jongen als Wibbe.—

En boven lag Wibbe wakker in bed.

Ook voor hem was de ontmoeting met den ongemanierden vrijpostigen Hesse zóo aangrijpend geworden, dat hij niet slapen kon.

Hij hoorde z’n rustige ademhaling door ’t dunne beschot en éen keer wentelde hij zich merkbaar op ’n andere zij, zoodat ’t bed kraakte.

Nog lag hij wakker, toen hij den notaris en z’n vrouw naar boven hoorde gaan.—

Om even half acht werd Wibbe wakker…

In ’t eerst dacht hij niet aan Hesse, maar plotseling schoot de herinnering aan ’t gebeurde van den vorigen avond weer bij hem boven.

Hij stond dadelijk op, om Hesse, die zeker nog sliep, te zien, en—’t bed was leeg…

Toen werd Wibbe klaar wakker! Hij zocht de kamer rond, en—daar ontdekte hij ’t open raam.

Wibbe schrikte er van!

De jongen zou toch niet....?

Hij keek naar den stoel met kleeren—ja, alles lag er nog… dus… dus… hij was zòò maar uit ’t raam geklommen, zonder bovenkleeren.

Wibbe liep naar ’t raam, dat ’s nachts wel ’n randje open bleef, maar nu de volle wijdte vertoonde.

Hij stak het hoofd er uit, maar géén Hesse te zien.

Toen floot hij.

Dat hielp! Daar verscheen Hesse in z’n witte onderkleeren en op bloote voeten!

„Wat doe je?” riep Wibbe. „kom hier en kleed je eerst aan!”

Hesse antwoordde door een groote kluit aarde naar binnen te smijten. Het scheelde ’n haartje of Wibbe had alles in z’n gezicht gekregen.

Nu lachte hij niet om Hesse… hij vond ’t ’n vrij leelijke streek.

Verschrikt week hij terug en zag toe bij de merkwaardige gymnastische oefening die nu volgde…

Hesse begon als ’n aap langs ’t latwerk van ’n klimroos naar boven te klauteren, greep ergens de ijzeren draaikrukken waarmee de zonneblinden werden vastgezet, slingerde als ’n acrobaat heen en weer, tot hij de jaloezie zèlf kon grijpen, werkte zich daarna in ’t kozijn en daar zat hij op z’n dooie gemak in ’t raam Wibbe aan te kijken.

Deze bleef staan met ’n strak gezicht, nog boos om ’t gooien van die kluit aarde.

Wat ’n vuile boel!

Hesse scheen ’t vreemd te vinden, dat Wibbe niet om ’m lachte. ’t Ernstige van z’n nieuwen vriend hinderde hem.

Plotseling gleed hij uit ’t kozijn, liep naar Wibbe toe en nu weer met die zelfde uitdrukking in z’n oogen als den vorigen avond, vroeg hij: „Kwaad? om dàt?”

Hij bleef Wibbe aankijken en toen deze knikte, begon hij driftig al de aarde bijeen te schuiven, nam ’n handdoek, gooide er alles op en smeet de heele boel uit ’t raam,

Toen kwam hij weer bij Wibbe en vroeg: „Nog kwaad?—Jou geraakt?—Nee toch?—Mag ’t niet? Zeg maar wat niet mag! ik weet ’t niet.”

De boosheid van Wibbe vloog weg. Hij zei alleen nog: „Je had me best in m’n gezicht kunnen raken.”

Nee! nee! nee! schudde ’t hoofd van Hesse, „ik schiet zoo goed, ik mik zoo goed! kijk!”

’t Zelfde oogenblik nam hij de spons, doopte die in ’t water, wees met z’n vinger ’t portret van meneer Bribon en vóórdat Wibbe hem kon tegenhouden, wierp hij, klets! de kletsnatte spons tegen ’t portret …

Wibbe werd nu werkelijk woedend! ’t Portret van z’n pleegvader! Afschuwelijk! Hij sprong op de spons toe, greep ze en smeet ze met kracht Hesse naar ’t hoofd.

Deze bukte snel en ’t natte gele ding vloog door ’t open raam naar buiten.

Toen lachte Hesse met gillende uithalen, wat Wibbe nòg nijdiger maakte.

Hij pakte Hesse beet en probeerde hem ònder te krijgen, maar o wee! De jongen liet zich zòò maar niet overweldigen. Hij verweerde zich woest en zòò ontstond er ’n hevige vechtpartij.

Beurtelings lagen Wibbe en Hesse onder, en als van zelf ging ’t hoe langer hoe harder, wat betreft ’t slaan, knijpen en stompen.

Hesse was veel vlugger en slimmer, zoodat hij telkens weer ontsnapte, maar Wibbe hield zich kalmer en hij bezat méér kracht.

Als poppen rolden ze om en over elkaar heen, soms slaakte er één ’n kreet van pijn, Wibbe bloedde al door ’n leelijke krabbel dwars over z’n hand…

En geen van beiden gaf den strijd op, er móést ’n beslissing vallen! Eén diende als overwinnaar te eindigen.

Daar ging de deur open! De notaris stapte snel naar binnen, pakte de twee kampioenen elk bij ’n schouder, trok ze van elkaar, en ongewoon streng klonk z’n dreigende stem:

„Uit! hoor je! uit! wat schelen jullie? moet dat vriendschap verbeelden? Allo! kleed je aan, gauw!”

Hijgend, vuurrood, zenuwachtig, keken de twee jongens den notaris aan.

„Kijk jij eens! je bloedt! En jij, wat ’n krabbels! ’t Is wat moois! gauw, wasschen!”

Nu heelemaal kalm, gehoorzaamden ze allebei en nog al verdacht knipten ze met d’r oogleden. De strijd was ook te hevig geweest om ze niet van streek te helpen.

De spons…

Meneer Broekenaaier zag ’m niet, en de jongens zeiden niets… wèl keken ze naar ’t raam. Ze herinnerden zich de oorzaak van alles.

„Waar is de spons?” vroeg de notaris barsch.

Toen gebeurde er iets vreemds…

Beide jongens begonnen eerst hard te lachen en toen—barstten ze alle twee in huilen uit…

Had de notaris nu de spons maar om al de tranen te drogen, tranen van overspanning en zenuwachtigheid.

De goede man deed wat hij kon.

Het lukte hem, ze veilig aan de ontbijttafel te krijgen en dààr moesten ze haarfijn alles vertellen.

Natuurlijk dwong meneer Broekenaaier hen om vrede te sluiten en opnieuw hield hij ’n bestraffende rede, waarvoor helaas, niet veel aandacht bestond.

De jongens hadden ’t veel te druk met de schrammen en pijnlijke plekken, die ze opgeloopen hadden.

Wel scheen de vriendschap hersteld en met veel ijver beloofden ze mevrouw nooit meer samen te vechten.

De notaris nam ze na ’t ontbijt mee en bracht ze op z’n kamer.

Hier raakte Hesse in verrukking over al die dikke boeken, over de menigte hooge smalle kasten met alleen laden.

Hij begon werendig weer aan de koperen ringen te trekken om te weten wat er in zat. En toen ’t hem verboden was, klom hij pardoes op ’n laddertje, dat diende om bij hoog geplaatste boeken te kunnen reiken. Ongelukkigerwijze ging hij zòo wild te werk, dat ’t trapje omkantelde en Hesse over z’n hoofd heen rolde.

De notaris pakte hem van den grond op, en al trok hij nog zulke rare gezichten, hij plantte hem op ’n stoel en begon ze uit te leggen, hoe ze zich verder moesten gedragen.

„Je hebt nog twee vrije dagen. Die mag je gebruiken om wat kennis te maken, wat te zwerven en zoo, maar dan ga je naar de school van mr. Weler. Je mag in den tuin, maar géén dwaasheden, hoor.”

Hesse knikte.




IV.

De toren


De twee nieuwbakken vrienden doolden door den tuin en tot verbazing van Wibbe, zat Hesse nergens met z’n vingers aan. Hij scheen ergens over na te denken.

Op eens vroeg hij: „Zeg, jij bent geen zoon van hèm, is het wel?”

„Nee,” antwoordde Wibbe, „ik ben er in huis als pleegkind.”

„En ik?… Zie je, ik begrijp niet alles. Heb jij ook geen vader en moeder meer?”

„Nee.”

„Ben jij wel ’s in Spanje geweest?… Niet?… Ik wel! Dààr woonde m’n vader. Ik ga er later weer naar toe.”

Wibbe zweeg. Het kalme gedrag van Hesse verbaasde hem en op eens schoot hem te binnen: „Zou de jongen misschien bedroefd zijn?”

„Vindt je ’t naar om hier te wonen?”

Daar veranderde Hesse als met ’n tooverslag.

„O nee! heelemaal niet! Ik heb dat zoo wel ’s méér, dat ik aan m’n vader denk.”

„En niet aan je moeder?

„Ja—ja—òòk! Maar vader, weet je, die kon zoo hard op ’n paard rijden met ’n piek in z’n hand.”

„Heb je dat wel eens gezien?”

„Nee! vader vertelde er van, toen wij hier woonden.”

„Waarom bleef hij ginder niet?”

„Gaat je niet an!”

Wibbe keek vreemd op door dien laatsten uitval. Waarom deed Hesse in eens zoo ruw? Mòèst z’n vader misschien weg uit Spanje?

Meer tijd om er over te denken of om er Hesse naar te vragen, had hij niet, want z’n makker holde vooruit tot aan ’n houten deur. Dit was de afsluiting van den tuin aan de achterzijde.

Maar Hesse scheen de lenigheid van z’n vader geërfd te hebben, hij klom als ’n aap over de deur heen en kwam achter ’t huis van den notaris terecht.

Wibbe moest wel volgen en nu stonden ze op ’n plek, waar Wibbe nog nooit was geweest, ’n smalle doorgang tusschen twee rijen huizen met blinde muren. Het lag er vol rommel en overblijfselen van kisten, tonnen en manden.

Ze voelden zich hier te veel opgesloten en dus ging ’t verder, tot aan ’n hek.

Wip, er over heen.

Nu stonden ze op ’n straatweg, want behalve ’t huis van den notaris en ’n paar pakhuizen met woningen er achter, werden er geen andere gevonden.

„Je had net zoo goed over de brug kunnen gaan,” zei Wibbe.

Hesse antwoordde niet eens—hij zag ’n sloot, en dus sprong hij er zonder aarzelen overheen, zonder zelfs naar Wibbe om te kijken. Hij zag paarden!

Wibbe bleef een poos aan den kant staan… zou hij òok ’t land in gaan?

Hesse liep regelrecht op de dieren af en, alsof de beesten voelden, dat de naderende kleine mensen geen kwaad in den zin had, ze bleven staan en lieten zich een voor één bekloppen en aaien.

Dat werd Wibbe te machtig!

Met ’n vaart sprong hij over de sloot en holde naar den groep.

Hesse praatte hardop tegen de paarden, die hem met hun mooie groote oogen aankeken.

„Help me d’r eens op,” zei hij tegen Wibbe, maar deze riep: „Nee jongen, dat mag niet.”

Hesse wachtte niet, maar lokte ’t eene paard mee tot bij ’t hek.

Dáár klom hij eerst op de dwarslat, en… met ’n flinke ruk zat hij op den rug van ’t makke dier. Hij greep de manen, klakte met de tong en daar ging ’t door de wei.

Wibbe keek sip!

Hij zou ’t nooit klaar spelen om ruiter te worden!

Hij vergenoegde zich dus maar met toekijken, toch wel vol bewondering voor dien Hesse.

De pret duurde niet lang, want de eigenaar, ’n boer, kwam schreeuwen: „D’r af! gauw!”

Maar Hesse hoorde of zag niets!

Als ’n jonge ridder reed hij voort, tot de boer hem genaderd was en weer schreeuwde.

Toen schrikte Hesse even… hij liet zich snel van den paardenrug afglijden en ging er van door.

Wibbe draafde mee.

Weer sprongen ze over de sloot en eerst nu begon Hesse luidruchtig te praten.

„Dat zijn de liefste beesten van de heele wereld!” riep hij opgewonden. „Als ik ouder ben, koop ik er vijftig, honderd, duizend!”

Wibbe moest lachen en zei: „Geef mij er dan één van.”

„Zijn ’t geen goede aardige dieren?” vroeg Hesse, „véél meer dan katten?”

Wibbe vond ’t ook en hij luisterde naar twee verhalen van Hesse over paarden, die hij bereden had. Eén keer, met z’n vader, in ’n optocht, en ook nog ’s, in ’n donkeren nacht met z’n moeder samen op één.

Wibbe wilde er meer van weten, maar Hesse verviel nu even als bij ’t begin van hun tocht in ’n toestand van zwijgen…

Korten tijd liepen ze verder tot ze in de kom van ’t dorp kwamen.

In ’t midden vroeg Hesse op eens: „Heb jij centen in je zak?”

Wibbe haalde zonder iets te zeggen ’n dubbeltje te voorschijn.

„Wil jij dat koopen?”

Hesse volgde de richting, die de uitgestrekte arm aanwees en nu ontdekten z’n oogen ’t raam van ’n onooglijk winkeltje.

Er lagen allerhande prulletjes te kijk en nu wees de vinger van Hesse op ’n klein kinderpistooltje.

Wibbe keek er naar en ook naar z’n dubbeltje.

„’t Is te duur”, meende hij.

Hesse was al in den winkel, en toen Wibbe volgde, hoorde hij ’n oude vrouw zeggen:

„Veertig centen.”

Hij hàd zooveel niet, maar toen hij ’t teleurgestelde gezicht van Hesse opmerkte, nam hij zich vòòr, z’n zakcenten op te sparen, alleen om ’t pistooltje te kunnen koopen.

„M’n vader had ’n echt pistool”, vertelde Hesse, „ik heb één keer er mee geschoten.”

Wibbe voelde nu voor ’t eerst ’t gemis van z’n speelkamer.

Dáár zou Hesse gelukkig geweest zijn, als hij de windbuks had mogen gebruiken en de blaaspijp en nog zooveel meer.

Wibbe kreeg lust er van te vertellen en toen vroeg Hesse dood leuk: „Waarom ben je er niet gebleven?”

Wibbe antwoordde: „Omdat ik al dat speelgoed graag wou ruilen voor jou.”

„Voor mij?”

Hesse trok zoo’n koddig gezicht, dat Wibbe ’t uitproestte en toen vertelde hij van z’n leven met mr. Bribon, die heel goed voor hem was geweest, maar met wien hij zich toch heel eenzaam had gevoeld.

Toen keken de beide jongens elkander aan.

Hesse begon iets te begrijpen en zonder ’n woord te zeggen, sloeg hij z’n arm om Wibbe’s schouders en in dat oogenblik werden die twee eenzame jongens aan elkander geklonken voor heel hun leven.

Ze kwamen bij de kerk met den somberen plompen toren.

„’t Is net of die dood is”, zei Hesse, „ben je er al eens in geweest?”

„Niemand mag er in, hij is van binnen heelemaal kapot.”

„Kunnen we dat niet eens zien?”

Zooals gewoonlijk wachtte Hesse niet op ’n antwoord, maar snuffelend liep hij langs de kerk, vol verschoten klimop tot aan den voet van den toren.

Het was ’n verlaten treurige plek!

De steenen lagen er schots en scheef, heele putten waren in den grond. De muren brokkelden af en door den regen vertoonden ze allerakeligste vlakken bruin en zwart.

„Hij ziet er net uit, of hij op ons wil vallen”, zei Hesse.

Ze stonden nu samen voor den ingang, ’n vervelooze deur, vol spleten en vreemde plakkaten.

Hesse morrelde aan de rest van ’n kruk, duwde tegen ’t hout. Dit knoerste en zuchtte als ’n honderdjarig vrouwtje, dat uit haar sufheid wordt wakker geschud.

„Help ’s douwen”, zei Hesse.

Samen probeerden ze, de deur open te krijgen, maar ’t slot hield nog goed.

„Ik wil er toch eens in”, zei Hesse, „zou meneer … hoe heet die nou ook weer? Zoo iets van ’n kleermaker…”

„Meneer Broekenaaier!” hielp Wibbe hem.

„O ja, zoo heet ie, kan die er ons niet in helpen?”

„Ik zal ’t hem eens vragen, maar ik geloof ’t niet.”

Hesse was op z’n knieën gevallen en morrelde met z’n handen onder aan den voet van den toren.

Wibbe bukte om te zien wat hij deed, en merkte toen, dat z’n vrind bezig was ’n paar zerksteenen heen en weer te duwen.

Ze waren vreeselijk gebarsten! Vandaar dat Hesse probeerde om één van de stukken te verplaatsen.

Het lukte hem niet en evenmin aan de twéé jongens, die samen aan ’t rukken en duwen trokken.

„Zeg Wibbe, ga jij ’s ’n bijl of ’n beitel met ’n hamer halen.”

Wibbe staarde Hesse aan … hij twijfelde op z’n minst genomen aan de tegenwoordigheid van zulke werktuigen in ’t huis van den notaris. Een tweede punt was ’t meenemen.

Hesse stond al op, om zelf te gaan, maar nu sprak Wibbe ’t belemmerende woord:

„We mógen geen gat maken.”

Nu kreeg Hesse de beurt om gek te kijken.

„Waarom niet?” vroeg hij, „we doen ’t niet om te stelen, we zijn geen inbrekers.”

Wibbe schudde ’t hoofd en antwoordde: „Je màg geen gaten maken in ’n andermans huis.”

„Ach jò, van wie is dàt huis? ’n Mooi huis, zoo’n ouwe toren. Die hoort toch aan ’t dorp, aan alle menschen van ’t dorp, dus óók aan onzen meneer Kleermaker!”

„Broekenaaier”, verbeterde Wibbe weer.

Hij aarzelde, want hij wist niets in te brengen tegen de redeneering van Hesse.

Alleen zei hij nog: „En die zal ’t nooit goed vinden.”

„Ik vraag ’t hem meteen, want ik wil er in.”

„Laten we dan toch aan iemand vragen, ons er in te brengen.”

„Goed dan! ik begin er onder ’t eten over, dan kun je ’t zelf hooren.”

Met moeite liep Hesse van de plek weg: De ongelukkige bouwvallige toren scheen hem aan te trekken. Nog wel vier keer keek hij om…

Aan ’t middagmaal pas zagen ze den notaris en Wibbe begon handig over hun plan te spreken.

Het viel de twee jongens geducht tegen, toen mr. Broekenaaier kalmpjes vertelde: „Er mag niemand in den toren, omdat hij zoo oud en vervallen is. ’t Binnenwerk levert zelfs gevaar op. Ik kan je dus onder géén voorwaarde toestemming geven om er in te gaan.”

Hesse zat onrustig op z’n stoel te draaien en vroeg eindelijk: „Mag ik er van onder af door ’n gat niet in?”

De notaris begreep hem niet, zoodat hij om opheldering van die vreemde vraag vroeg.

Ronduit zei Hesse: „Ik wou er ’n gat in hameren en daar door kruipen.”

De notaris, die juist ’n flinken hap nam, bleef met z’n vork vóór z’n mond zitten.

„Wat vertel je me nou?” vroeg hij met verbaasde oogen. „Je méént ’t toch niet?”

Hesse knikte van ja en dat haalde hem ’n lange vermaning van den notaris op den hals. Hesse pikte juist ’n aardappel met z’n vork uit de schaal, waardoor ook mevrouw tegen hem uitviel: „Dat mag zóó niet! Netjes op je bord scheppen, als je ’t gevraagd hebt.”

Hesse keek Wibbe eens aan om troost, maar die keek als wilde hij zeggen: „Ik heb ’t je wel voorspeld.”

Hesse zweeg over dat onderwerp, maar na ’t maal, toen ze samen op Wibbe’s kamer zaten, zei hij met iets vastberadens in z’n stem: „Ik doe ’t tòch.”

Wibbe viel hem af, al kwam er in z’n jongenshart dezelfde zucht om verboden dingen te doen.

Plotseling dacht hij aan ’t verhaal, waarin beschreven werd, hoe ’n troep jongens ’n geheime spelonk bewoonden. Zòò iets te beleven, dat leek hem ’t toppunt. Toen Hesse weer zei: „Ik maak ’t gat, en ik zeg ’t niemand. Wil jij niet meedoen, dan laat je ’t maar, als je me maar niet verraadt. Ik ben niet bang om binnen in den toren te kruipen. Dan is er ’n echte plek, waar we ons altijd kunnen verbergen.”

„’t Wordt vast gemerkt”, meende Wibbe.

„Poe!” deed Hesse, „heb je me vroeger nooit gezien? Ik kon van alles! Laat mij maar begaan! ’t Wordt fijn!”

Wibbe weifelde.

Wat Hesse ging doen, was hem verboden, en toch, ’t plan leek zoo geheimzinnig, ze deden er immers niemand nadeel mee, ze wilden niet stelen of zoo. Was ’t wel zoo erg?

Hesse merkte, dat z’n vriend aarzelde. Van daar z’n hooghartige opmerking: „Mijn vader zou ’t wèl toegestaan hebben.”

Dat besliste!

„Poe!” deed Hesse, „doe je mee?” Wibbe knikte.

„Haal jij dan de bijl en zoo.”

Tien minuten later trokken ze, gewapend met de werktuigen, op nieuw naar den toren.




V.

Zwaar werk


De toren en de kerk stonden aan den buitenkant van ’t dorp. Aan de achterzijde kwamen zelden menschen. Daar liep de grens van ’t oude kerkhof en van af de hoogere plek keek je over de weilanden, met de rijtjes wilgen, heen.

Twee minuten verder lag ’t notarishuis.

Aan den anderen kant van de kerk lag ’n klein pleintje met groote boomen. Door ’n groot hek kwam je dan in de dorpstraat, die op de brink uit liep.

Hesse en Wibbe bereikten ongezien den voet van den toren en maakten zich gereed ’t groote werk aan te vangen.

Maar… de notaris gaf er dezen avond z’n dutje aan.

Na ’n kort overleg met z’n vrouw, besloot hij de jongens na te gaan. Wel konden ze hier in en bij ’t dorp in geen zeven slooten tegelijk loopen, maar toch, de zonderlinge woorden van Hesse hadden hem achterdochtig gemaakt.

Hij liet de jongens stil de deur uitgaan en toen volgde hij.

Juist toen Hesse de zware beitel wilde gebruiken, verscheen mr. Broekenaaier achter hen.

Hij werd werkelijk boos, toen hij merkte, dat z’n verbod in den wind was geslagen.

Onmiddellijk greep hij de werktuigen van den grond op en barsch riep hij uit:

„Allo, marsch, naar binnen!”

Hesse aarzelde…

Volgens zijn natuur en zijn manieren, moest er ’n brutale weigering volgen, maar z’n oogen ontmoetten die van Wibbe, en deze spraken zéér duidelijk: „Gààn!”

Ze moesten naar de kamer van den notaris en hier hoorden ze voor de tweede maal ’n strafprediking.

Eigenlijk gezegd gold ze alleen Wibbe.

„Jij wist, dat je zoo iets niet mag doen, jij had ’n voorbeeld moeten zijn, hij wist niet beter.”

Wibbe wist niet veel te antwoorden, hij voelde schuld. Juist wilde hij dat bekennen, toen Hesse uit riep: „Meneer, als ik ’t aan den Burgemeester ga vragen, en als die ’t goed vindt, dan mag ’t toch wel van ù òòk?”

„Zoo’n rakker!” dacht de notaris. Toch werd hij niet boos, bij ’t zien van de eerlijke oogen die op hem gericht werden.

Wat wist hij ook van ’t jongensleven, van hun zucht naar avonturen. Wàs ’t wel zoo erg als ze ’n paar steenen weghakten? Zou hij geen sleutel van ’t kleine deurtje kunnen vragen?

Daar stond tegenover: ’t was in den toren gevaarlijk, je kon nooit weten of ze daar binnen geen ongeluk zouden krijgen.

„Waarom willen jullie tòch in dat akelige oude ding?” vroeg hij.

De oogen van Hesse begonnen te schitteren, hij wilde gaan spreken, maar er kwam alleen: „Dat is ons geheim.”

De notaris glimlachte. Er ging hem ’n licht op. Jongens moeten nu eenmaal iets hebben, dat ze van elkaar hooren of in allerhande boeken lezen.

Die Hesse scheen er al heel sterk behoefte aan te hebben, en Wibbe, nou die hunkerde immers naar ’t bizondere.

Als bij ze eens liet begaan…

Wat was er verbeurd aan dien ouden toren?

Hij zou dan wel ’n oogje in ’t zeil houden…

Op eens zei hij dus: „Nee, je mag niet naar den burgemeester. Ik heb je nu gewaarschuwd, ’t is heel gevaarlijk, marsch!”

Wibbe scheen iets te begrijpen, maar Hesse zei dadelijk buiten de kamer: „’n Poos niks doen, dan vergeet die ’t wel.”

De notaris vergat ’t niet.

Hij sprak met den koster en met ’n paar vakmannen, aan wie hij vroeg, of die toren werkelijk zoo gevaarlijk was.

Hun antwoorden stelden hem gerust—de buitenmuren zouden heusch nog niet instorten, ’t zat ’m in ’t trapwerk, ’t hout was in geen jaren vernieuwd of versterkt.

Alleen hevige stooten of stormen zouden gevaar opleveren, maar anders—nou, ’t zou wel losloopen.

De notaris wist genoeg.

Hij besloot dus, de jongens zoogenaamd hun gang te laten gaan, dus, net te doen, of hij alles was vergeten, maar goed opletten en ze beschermen.

De eerste dagen merkte hij niets.

Met opzet vermeden de beide vrienden den toren. Ze hadden ’t verbazend druk met paarden en honden.

In ’t heele dorp waren maar vier honden en één ervan wàs eigenlijk geen hond, maar ’n overblijfsel ervan… oud, blind, half dood. De overigen werden in ’n ommezien beste maatjes met Hesse.

Hij was dol op dieren, behalve op katten.

Aan Wibbe vertelde hij: „Ik ben eens vreeselijk van ’n kat geschrikt, toen ik nog pas vier jaar was. Een groote kat sprong in eens naar m’n gezicht, ik viel om en ik zag er zoo uit, en ik heb wel ’n uur gehuild. M’n vader heeft die leelijkerd doodgeschoten, en nou heb ik ’n hekel aan katten, zie je.”

Maar de honden!

Ach, lieve help, wat stoeiden ze met den kleinen Dop.

Ja, Dop heette die!

Dat was zoo’n echte leuke lobbes van ’n hond en hij maakte de gekste sprongen. Als Wibbe en Hesse voorbij den bakker kwamen, dan zagen ze Dop meestal en o lieve help! daar begon ’t spelletje!

Dop laten bijten in ’n stok, Dop om en om rollen, Dop meenemen, en doen hollen met z’n rare keffende geluidjes, en… Dop telkens wat geven!

Die akelige kat thuis kreeg niets, maar de jongens bewaarden na de eerste ontmoeting ’n boutje of ’n scheefje leverworst voor ’t beest en dat wist de schelm den derden dag al, of hij róók ’t misschien.

Aan ’t eind van ’t dorp lag ’n soort van vierkant, aan één zijde open en dáár afgesloten door ’n laag hekje.

Allemaal kleine huisjes stonden er gezelligjes naast elkaar te flikkeren in de zon. Er woonden veel oudjes en gebrekkigen, die er knusjes hun dagen sleten met pijpjes rooken, kousen breien en babbeltjes houden.

Hel leek wel ’n hofje zooals in de steden wordt gevonden, maar dan zonder nauw toegangspoortje en popperige tuintjes.

Dáár leefden ook ’n paar honden, ruig en ruw, maar als lammetjes voor Hesse.

De eerste maal gromden ze achter ’t hekje en ze maakten dreigende bewegingen om één van de twee jongens minstens ’n half been af te bijten, maar Hesse keek ze eens aan, begon met ze te praten en van lieverlede kwam er ’n gezwaai in de staarten, ’n zachteren blik in de oogen, ’t grommen hield op en de koppen legden ze over den rand van ’t hek om door Hesse gestreeld te worden.

Die twee bullebakken heetten Tex en Oos.

Wat die namen beteekenden, wist niemand, maar zòò waren ze!

Ook de geiten en bokken, die langs de bermen buiten ’t dorp graasden, vastgehouden door lange touwen, kregen ’n bezoek van Hesse en Wibbe. En ook zij legden alle schuwheid en koppigheid af na de kennismaking. Met hun gele rare oogen keken ze de jongens aan en ze lieten zich bekloppen en ze duldden ’n klein bokspartijtje.

’t Was ’n wonder zooveel vrienden Hesse zich maakte in die enkele dagen.

In huis ging ’t al veel beter, dank zij de korte lessen van Wibbe.

Die gaf ’m eenvoudig ’n stomp tegen z’n dij als hij iets onbehoorlijks deed en dan legde hij hem later uit, hòè hij zich moest gedragen.

Dan vroeg Hesse geregeld: „Waaròm mag ik dat niet doen,” en dan antwoordde Wibbe doodleuk: „Daarom niet.”

Hesse bromde dan weer wat terug, maar ’t slot was toch, dat hij luisterde naar Wibbe’s raadgevingen en meermalen eerst z’n vriend aankeek, alvorens toe te geven aan z’n invallen en grillen.

De notaris en z’n vrouw begonnen dan ook te wennen aan de geweldige verandering in hun leven en zoetjesaan groeide er ’n warme genegenheid in hun harten.

Wibbe mochten ze ’t liefste lijden om z’n zacht karakter, om z’n voorkomendheid en z’n lieve manieren.

Hesse kwam in de tweede plaats door z’n zonderlinge aard. Achter ’t meer ruwe ongepolijste uiterlijk vonden ze ’n eerlijk trouw gemoed, ’n diep gevoel van ’n echten jongen, groot gebracht onder totaal andere omstandigheden bij menschen, die ’t zoo nauw niet namen met eerlijkheid en deugd.

Maandag!

Hesse en Wibbe verlieten ’t notarishuis om kwart voor achten. Ze trokken op weg naar school. Hesse was ongewoon stil, onderwijl ze langs de vaart voortwandelden in ’n lichten motregen.

Wibbe bewaarde ’n klein geheimpje met moeite, want nu hij z’n vriend zoo bedrukt zag meetippelen, voelde hij zich geroepen om hem te troosten of moed in te spreken.

De waarheid dient gezegd te worden!

Wibbe was véél knapper dan Hesse! O, dat scheelde heel wat.

En Hesse wist ’t! Hesse had ’t dadelijk gemerkt. Hesse deed vroeger niet veel aan schoolgaan en niet alleen door eigen schuld. Volgens recht en billijkheid zou Wibbe dus in ’n hoogere klasse terecht moeten komen dan de vriend.

En daarover piekerde Hesse.

Toch weerhield z’n trots hem, om er over te klagen, al vond hij ’t vreeselijk, niet bij Wibbe in dezelfde klasse te zullen zitten.

En nog iets!

Vroeger bezocht Hesse ’n school, waar kinderen opgingen van arme ouders, dikwijls haveloos gekleed en ongewasschen. De jongens deden soms vies en ruw, omdat ze niet beter wisten. Nu kwam hij op ’n school, waar alle kinderen goed gekleed waren, frisch en zindelijk. Hij wist, hoe ze van jongst af aan geleerd hadden volgens andere opvattingen te leven zooals Wibbe.

Hesse zag er tegen op!

Hij was bang, te zullen afsteken door z’n manieren en z’n geringe ontwikkeling.

Vandaar z’n gedrukte stemming.

Wibbe droeg vuur op de tong!

Hij wist, dat Hesse tòch bij hem in dezelfde klasse zou geplaatst worden. Hij wist, dat Hesse afzonderlijk les zou krijgen. Hij wist, dat Hesse ’n helder verstand bezat, ’n kolossaal geheugen en dat hij dus heel gemakkelijk kon inhalen wat hij achter was. Hij wist, wat meneer Broekenaaier met ’t hoofd der school had afgesproken, maar hij mocht er niets van aan Hesse zeggen.

En dus vergenoegde hij zich met louter opporringen, die bestonden uit aanmoedigende kreten en stoeipartijtjes.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/acc-de-vletter/de-ridders-van-den-halven-toren/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


