De complete werken van Joost van Vondel. Het Pascha
Joost Vondel




Joost van den Vondel

De complete werken van Joost van Vondel / Het Pascha





TRAGICOMEDISCHER WIJZE, EEN IEDER TOT LEERING, OP 'T TOONEEL GESTELD


		De goede vind' mij goed,
		De kwade straf en streng,
		Wanneer ik d' een behoed',
		En d' ander t' onderbreng'.


DE DICHTER WENSCHT DEN GOEDWILLIGEN LEZER HEIL EN ZALIGHEID.

De oude wijze Heidenen, aanmerkende den aard en de verdorvenheid des menschen, en ziende hoe traag vast[1 - nagenoeg.] een ieder was, om langs de trappen der deugden op te klimmen, en omhoog te stijgen in al hetgene wat loflijk en heerlijk bij hun mocht genaamd worden, als zijnde eenen al te steilen berg; zoo hebben zij in alle manieren getracht, door zekere middelen een ieder te brengen tot een goed, zedig, en natuurlijk burgerlijk leven; hetzij door eenige poëtische fabelen en versierde[2 - Verzonnen.] gedichten, of door andere bekwame regelen en wetten. Dan[3 - Maar.] onder andere hebben zij voor goed ingezien de manier van eenige oude historiën of vergeten geschiedenissen wederom te ververschen, en vooral de wereld op het tooneel te stellen: om alzoo door zekere aardig toegemaakte[4 - ingerichte.] beelden en personen, levendig uit te drukken en na te bootsen hetgeen tijd en oudheid, met veel verloopen eeuwen en afgemaaide jaren, bijkans uit het geheugen gewischt hadden, in voegen alsof die eerst tegenwoordig geschiedden. Waarin zij betoonden, hoe in 't einde alle goed zijn belooning, en alle kwaad zijn eigen straf veroorzaakt, opdat zelfs plompe, ruwe en ongeleerde menschen, die al hoorende doof en al ziende blind waren, zonder bril mochten hun feilen als met den vinger aangewezen, en door sprekende letteren van gesierde figuren getemd en gezedigd werden, en alzoo volgens de spreuk Horatij[5 - Van (den Latijnschen dichter) Horatius.] het profijt met genoegen leeren. Want nademaal zij bevonden dat eenigen te kreupel[6 - Gebrekkig (van geest nam.).] waren, om te graven naar de kostelijke kleinodiën der leeringen en geheimenissen, die onder de schors van gedroomde fabelen weggescholen en verborgen lagen, en hun[7 - Thans zich.] van gretige zoekers en ijveraars gaarne wilden laten vinden, en dat den eenen op deze, den anderen op een andere wijze wilde geleerd en onderwezen zijn; zoo is het hun niet genoeg geweest, ofschoon de boeken van schoone lessen al vervuld waren, en geheel dik opgehoopt op malkanderen liggende eenen heerlijken winkel maakten, en of veel gulden redenen in koperplaten en marmersteenen kunstig gegraveerd alsins in het voorhoofd van treffelijke gebouwen, de voorbijgangers al verbaasd ophielden; maar zij hebben ook daarbenevens, in groote bijzondere schouwplaatsen willen in het openbaar de schatten der filosofie in den schoot toewerpen dengenen die te achteloos waren om daarna[8 - Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkende daarnaar willen lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijk nader) dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen met waar, daar, enz. het eerste de voorkeur.] te arbeiden en te streven: zij hebben met dit doen ook den geheelen stand en de conditie der wereld willen afbeelden, en die een iegelijk als een levende schoonverwige schilderij voor oogen stellen. Want waarbij mag het geheele tafereel of theater dezer wereld beter vergeleken worden, als[9 - Thans dan.] bij een groot openbaar tooneel, daar vast een ieder gedurende den handwijlschen[10 - Korten (verg. de uitdrukking spanne tijds).] tijd van zijn vliênde leven, zijn eigen rol en personagië speelt. De een vertoogt[11 - Thans vertoont (d. i. eig. vertoogent, met den langeren vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.)] zich daarop als koning, en neemt genoegen, met zijnen beparelden schepter of rijksstaf, veel koninkrijken en landen te gebieden en te beheerschen, met een gouden kroon zijn koninglijk hoofd om te drukken[12 - te omspannen; verg. boven bl. 5, aant. [].], en bekleed met een glansig luisterende[13 - blinkende.] purper zich te vertoonen op zijnen hoogen troon, voor wiens majesteit de onderdanen met grooten eerbied buigen en nedervallen. Een ander volgt den krijggod Mars, en al blaauw gehelmd steekt zijn paard met sporen, hebbende in de eene hand een tweesnijdend zwaard, in de andere een gevelde speer, rijdt alzoo midden onder de vijanden, ontziende noch leven noch dood, om met tien duizend Trofeën triumfelijk weder te keeren, of in het bestoven veld, onder de verslagen helden, zijn graf al met groenen palm en lauwer bestrooid te hebben. Dezen, met een verbleekt gelaat, kweelt van liefde, en doet met zijn beweeglijke klachten alsins den schallenden echo in 't holle gewelf van Veneris[14 - Tweede-naamval van Venus.] tempel wedergalmen. Die berijdt den woesten Oceaan met een gevleugeld paard, niet ontziende stormen, winden, zeevlagen, noch Syrten[15 - blinde klip], noch klippen, noch diepe afgronden, om van het Oosten in het Westen te geraken. Een ander beploegt met een paar jok-ossen den rug van onzer aller moeder, om te zijner tijd de godin Ceres de eerstelingen zijner vruchten toe te wijden, enz. Terwijl dus den eenen in dit, den anderen in een ander[16 - Thans iets anders.] bezig is, ontgaat hun den vluggen tijd, en eer den eenen na den anderen den laatsten zucht geeft, moeten zij alle met den wijzen man roepen, dat alles niet anders is dan "Al ijdelheid, Al ijdelheid," en worden alzoo door onverwachte dood, eer zij hun zelven hebben recht leeren kennen, van het tooneel des aardbodems achter de gordijne weggerukt: daar is den rijken en den armen, den wijzen en den zotten, den schoonen en den leelijken, den sterken en den zwakken, de een den ander gelijk; zoodat met recht over deze onze ijdelheid Heraclitus schreit, Democritus lacht, en Timon zich voor de menschen als voor eenen vloek versteekt, op hooge bergen, in diepe holen, in duistere wildernissen, en andere eenzame plaatsen. Dit aldus aangemerkt zijnde, kunnen wij lichtelijk vonnissen, wat de oude wijze Heidenen met deze manier van doen hebben willen te kennen geven, en dat zij daarin niet te vergeefs zoo vlijtig en bezig geweest zijn. Ja, dat meer is, wie zal durven ontkennen, dat de Wet met al heur ceremoniën en uiterlijke diensten, als offeranden, reinigingen, Sabbatten, nieuwe maanden, en al hetgene Aärons priesterschap en den tempel met alle zijn sieraden, gereedschappen, en toerustingen aankleeft, zoo ook het regiment[17 - bestuur, beheer.] van het rijk Israëls;—wie zal (zegge ik) durven verloochenen, dat dit alles iets anders geweest zij, als een voorspel van hetgene men in den toekomenden Messias te verwachten hadde? Want toen dezen allerheiligsten Hoogepriester en Koning aller koningen kwam, toen hadden alle wettelijke letterlijke priesteren en koningen Judae hun rol volspeeld en uitgediend: want in Christus houden alle beelden, schaduwen, en figuren op. Ja, de bloote parabolen en gelijkenissen, die de Heere, onze Zaligmaker in het Evangelie voorstelt, "van den mensch, die onder de moordenaars gevallen was; van den verloren zoon, die al zijns vaders goed onnuttelijk verkwist had; van den rijken man, die met purper en kostelijk lijnwaad bekleed zijnde, lekker leefde en Lazarus vergat:" wat zijn het anders, als naakte Comediën en Tragediën, om daarmede te leeren die menschen, dewelke op geen andere manier de verborgen mysteriën van het Rijk der Hemelen verstaan kunnen? Ik ga voorbij de Boeken der Koningen: daar eenen hovaardigen woedenden Saul, al razende en troosteloos, in zijn eigen zwaard valt; daar eenen vlugtigen David, gedurende zijn ballingschap, hemel en aarde te naauw dunkt; daar eenen verwonnen Zedekia gevankelijk naar Babyloniën gevoerd werd; daar eenen tirannischen Nebukadnezar Jeruzalem en des Heeren tempel verwoest, en tot eenen steenhoop maakt, enz. Alle welke personen ons van den H. Geest tot leerachtige[18 - leerrijke.] voorbeelden (als op de scena[19 - Lat. voor tooneel.]) voorgedragen werden: zoo hebben wij voorhenen deze Tragi-Comedie voor eens ieders oogen willen op de stellagië[20 - planken.] openlijk vertoonen. En alzoo wij bevonden hebben, dat vele daar smaak-lustig en begeerig naar geweest zijn, om hetzelve nog eens te overlezen, niet vernoegd zijnde, dat zij het gezicht en het gehoor daarvan genoten hebben, zoo heb ik, ten ernstigen verzoeke van eenigen, geoorloofd hetzelve (hoewel het gering is ten aanzien van hetgene ik daarin gedaan heb, nochtans groot en gewichtig van stoffe) door openbaren druk een iegelijk gemeen te maken: te meer, omdat het bij velen uit mijn origineel getogen zijnde, te zeer gekrenkt, en van zijnen luister te zeer beroofd en ontsierd werd. Wenschende, dat het met zoodanige vruchtbaarheid gelezen worde, dat het gedije tot prijs van den heiligen en gebenedijden name Gods, en dat, door het overdenken van deze Tragi-comedie of dit Blij-eindig-spel, de droeve Tragedie of het droevig Treurspel van ons ellendig leven mag nemen een vrolijk einde en gewenschten uitgang. Amen.

In Amstelredam, 1612, den 29en Maart.



    Den al uwen
    J. van Vondelen.




Epistre





A MONSEIGNEUR

IEAN MICHIELS VAERLAER[21 - J. Mz. Vaer (d. i. van der) Laer was een rijk Amsterdamsch lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld.],



MON SINGULIER AMY

		L'encensoir odoreux de l'Arabie heureuse,
		L'Attique miel sucré, la mine precieuse
		De la riche Peru, les perles, les tresors
		Que l'Inde Orientale a sur ses riches bords,
		Ne pouvant presenter à vostre Seigneurie,
		Ie vien l'Avant-coureur de mienne Poësie
		Sacrer à ton honneur, en toute humilité,
		La printaniere fleur de mon aage doré.
		Ma Muse rit desia, se voyant amiable
		Dessoubs l'ombre d'vn tel Mecæne favorable,
		Qui, fuyant le pavé des ruës, va les champs
		Presser de ses talons: qui l'aage de son temps
		Loing, loing hors l'emmuré d'vne Cité redouble,
		Laissant des Citadins la peupuleuse trouble:
		Qui pour les bords du Leck et son bord verdissant
		Quitta le bleu Triton de l'Amstel ondoyant,
		Et estant petit Roy de Iaersveldt, ne desire
		Changer son libre estat pour vn plus grand Empire.
		O trois fois bienheureux (a autre fois chanté
		Horace et le Gascon Du Bartas renommé)
		O mille fois heureux! qui voit tousiours Nature
		Fleurir parmy les champs en eternel verdure!
		Le maniement joyeux d'vn verd sion enté
		Le lustre passe d'vn royal sceptre emperlé,
		Les feuilles ombrageux d'vn florissant boscage,
		Les doux tirelirants Rossignols en ramage,
		Surpassent l'orgueilleux couronnement royal,
		Et le chant mesuré des Chantres musical.
		Si tost que le Soleil va peindre de dix milles
		Couleurs le gay Printemps, par les pleines fertiles,
		Le champestre Bourgeois voyt ores sur les fleurs
		Aurore distiller les agreables pleurs,
		Il voit les fleurs ployer soubs vn mignard Zephire,
		Il oyt le doux Echo qui par le ciel souspire,
		Il voyt les aime-fleurs d'Hymette bancquetter,
		Le sueux Laboureur la terre cultiver,
		Et richement semer la nouvelle semence,
		Pour moissonner apres les fruicts en abondance.
		Le chaleureux Esté (qui brusle tout vermeil)
		Luy monstre les espics, la vertu du Soleil
		Luy monstre le coral des cramoisins cerises,
		Et l'Automne a couvert de mille friandises
		Son table, riche en fruict, en bled, en grain, en vin,
		Verssant le bon Bacchus dedans vn crystalin.
		Or estant de tous biens richement couronnée
		Il sent desia en l'air les aisles de Borée.
		He Dieu! qu'est-ce vn plaisir ainsi en liberté
		Parmy les champs feconds, en toute seureté,
		De talonner les pas de nostres premiers Peres,
		Loing, loing laissant à dos les passions severes,
		Fuyant le bruict mondain l ô, doux et sainct repos!
		Qui de cupiditez n'as point chargé le dos,
		Qui ne crains le malheur d'vne gauche fortune,
		Ni l'azur ondoyant du barbare Neptune,
		Qui portes dans ton coeur ta richesse et thresor,
		Et ton bien souverain: qui pour argent ni or
		Ne passeras la mer, ne tendras tant de toiles,
		Pour borner tes desirs soubs l'ombre de tes voiles,
		Qui d'vn Balaine fier ne crains d'estre englouti,
		Mais qui dans ton berceau veux estre enseveli.
		Durant l'aage doré que nos premiers Ancestres
		Faisoint profession des ouvrages champestres,
		Astrée florissoit, et la terre à chascun
		Estoit avec ses fruicts en partage commun,
		Les fifres ni tambours n'esveillerent l'orage
		D'vn sanglant eschaffaut, ne Mars aime-carnage
		N'exhortoit ses Souldats, on ne trouva Citez,
		Chasteaux, ni tours pierreux, ni Remparts terrassez,
		Neptune n'eust le dos ni ses ondes salées
		Chargées de cent vaisseaux, car du fruict des vallées
		Chascun se contentoit, et vivoit à Cerès,
		Laquelle abondamment leur provida assez.
		O celeste labeur! qui dans ton front empraincte
		Portez la saincte loy, la justice, et la craincte
		Du grand Dieu Zebaoth, comme Abel vertueux,
		Noë, Moyse, Abram, et celuy qui les Cieux
		Semble oreillier au son de sa harpe dorée,
		Et triomphant se voyt vainceur d'vn Briarée.
		Combien d'années les Romains sont sagement
		Gouvernez soubs ceux ci, qui du coutre trenchant
		La terre ont cultivé, je laisse vn Tite Live
		Historier dessus de Tyberique rive.
		Ie ne veux, ni ne puis mettre en jeu tous les Roys,
		Porte-sceptres dorez, Demy-dieux, Donne-loyx,
		Qui ont abandonnez leur Couronne invincible,
		Pour vivre bien contents parmy le champ paisible;
		Loing, loing des vanitez et troubles de l'esprit,
		Pour laquelle ses pleurs Heraclite espandit.
		La plus part qui cerchoynt les immortelles vivres,
		Et qui diligemment ont feuilletté les livres
		Du trois-fois sainct Esprit, sout aussi retiré,
		Laissant arriere loing l'humaine vanité.
		Car le vray Helicon, et Pernasse des Muses
		Se plaist d'entre le son des douces cornemuses
		Du haubois pastoral, soubs l'arbres ombrageux
		Lesquels tous-jours croissant vont menaçant les Cieux.
		Toy qui d'vn mesme feu et d'vne mesme flame
		Bruslez divinement, c'est vers toy que je rame
		Avec mon foible esquif, puis qu'vn vif jugement
		Accompaigne tous-jours ton hault entendement,
		Souffrez que soubs ton nom je vien le vieil Theatre
		Icy renouveller, et Pharon l'Idolatre
		Presenter obstiné, qui ses derniers sanglots
		Et derniers pleurs noya dedans les rouges flots:
		Souffrez que je despein icy la delivrance
		Des enfans d'Israël, d'Abram juste semence,
		Afin que par Zoyle au visage effronté
		Les fleurs de mon printemps ne soyent violé.
		C'est la cause pourquoy, Mecene tres-fidelle!
		Que ma Muse dessoubs l'ombrage de ton aisle
		Se cache volontiers. Ma Muse qui s'en va,
		Sur le sacre sommet de l'Arabe Sina,
		Le front pousser au Ciel jusqu'aus bigarres nuës,
		Soubs l'Echo de ton nom jusqu'aux astres cornuës:
		Recevez doncq ces vers, ces vers qu'à ton honneur
		Vrayment meritent bien vn plus docte Sonneur.
		De vostre Seigneurie le tres-affectionné

    I. V. V.



KORT BEGRIP VAN DE TRAGI-COMEDIE:


Terwijl Mozes de schapen (zijns zwagers Jethro) hoedt in Midian, bij den berg Horeb of Sinaï, verschijnt hem de Heer in de gedaante eens Engels uit het vlammende bosch, en stelt hem tot een leidsman, herder, en verlosser over het Huis van Israël. Mozes ontschuldigt zich om zijne onbekwame tong, dies verzelt hem[22 - Thans doet hem verzellen.] de Heer met zijnen broeder, den schoontaligen en priesterlijken Aäron. Deze twee gebroeders, als gezanten van Gods hooge Majesteit, verzoeken de verlossing Jakobs aan den koning Farao, met bevesting[23 - bekrachtiging.] van het eerste wonderteeken, hun slangwordende roede; maar de hoogmoedige koning, verstokt (zoo door het ingeven en de goochelarijen van zijn droombeduiders en toovenaars, als door zijns zelfs obstinaatheid) verdrukt de Hebreën meerder als voor henen: waar op volgen de tien straffen Gods, als roeden en geeselen van zijne regtvaardigheid, dies hij bedwongen is hun te verlaten[24 - vrij te laten.]. Doch de Heer verstokt hem tot uiterste straf van zijne hardnekkigheid, en tot grootmaking van zijnen heiligen Naam, dat hij, met zijn heerleger, ruiters, paarden en wagenen, de Israëlieten achterhaalt aan het Roode meer, daar de Heer zijne uitverkorenen droogvoets door brengt uit het geweld Farao's, die hun op het spoor navolgende, zijn droevig treurspel eindigt, en alle hoogmoedige Godverachters zijnen ondergang als een spiegel voor oogen stelt. De Israëlieten verlost loven (over hun triumphante verlossing) den Heer met lofzangen en dankzeggingen. Luistert toe, enz.




BEELDEN VAN HET BLIJ-EINDIG SPEL











EERSTE DEEL




MOZES, hoedende zijne schapen aan den berg Horeb, spreekt:


		Weidt hier, mijn beestiaal[25 - beesten (verg. 't Fr. bétail).]! weidt hier, mijn tierig vee!
		Golft hier om dit gebergt', mijn witgewolde zee!
		Scheert hier 't groenhaar'ge loof, spaart kruid, noch bloemkens geurig,
		't Lacht hier doch altemaal, zoetrokig[26 - welriekend.] en couleurig,
		Nu wauwelt[27 - kaauwt en herkaauwt.] zoo veel gras, zoo vet en graag bedijt[28 - Dijt uit.],
		Tot gij van Midian de schoonste kudde zijt:
		Onnooz'le lammerkens, verstrooit u wijd noch verder,
		Blijft al omtrent den staf van uwen trouwen herder,
		De wolf (waar voor ik u zoo dikmaals heb beschermd)
		Is d'onrust, die doch steeds naar u, mijn vliezen[29 - schapen (het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen)], zwermt;
		Ontwijfelijk hij ligt hier al omtrent gedoken,
		Want hij terstond den snof heeft van zijn aas geroken;
		Dus blijft mij al omtrent, en loopt zoo niet verdeeld,
		Terwijl de Echo hier met mijn gedachten speelt.
		Och, of met dezen staf mijn jaren henen slipten!
		Die staf mij waarder dan de scepter van Egypten;
		Of ik mijn dagen sleet in deze weide schoon,
		Veel heugelijker als 't gewelf van Memfis troon!
		Veel liever wilde ik hier een zoeten bloemkrans plukken,
		Als met de Nijlsche kroon mijn voorhoofd prat omdrukken,
		Geen purper ruilde ik of koninklijk gesmijd[30 - pracht (verg. 't Hoogd. geschmeide).],
		Met mijn omgorden rok, mijn herderlijk habijt[31 - kleed ('t Fr. habit).],
		Geen wijnen liet ik in een gouden schale gieten,
		Voor eenen koelen teug geschept uit deze vlieten,
		Veel grager uit mijn maal smaakt deze spijze grof,
		Als al de lekkernij van 't koninklijke hof:
		Al schijnet 's konings hof te zwemmen in wellusten[32 - voor schijnt.],
		't Is wederom vermengd met zorgen en onrusten,
		Nu zal de koning zijn met purper schoon bekleed,
		En morgen toegerust met wapens dol en wreed,
		Nu zal zijn waardig hoofd de groote kroon bedwelmen,
		En morgen 't harde staal en 't blaauw van eender helmen[33 - Thans tot een helm geslonken.],
		Drukt nu zijn sterke hand den scepter hoog en waard,
		't Verandert 's anderdaags ligt in een vlammig zwaard.
		Zit nu zijn Majesteit in zijn gewelfde zalen,
		Nu moet hij naar de grens en 't uiterst' van zijn palen.
		Ik zie niet dan een zwaard aan eene zijden draad
		Steeds hangen boven 't hoofd den Koninglijken staat.
		Onz' Vaders hebben dus hun leven laten glijden,
		En over 't Vee gezocht de zoetste heerschappijen:
		Abel en Abraham, Izak en Jakob mild[34 - zacht.]
		Zijn wel d' aanvangers van 't eenvoudig Herder-gild;
		Geen van hun allen heeft gedreven ander woeker,
		Als met de geiligheid van 't Vee, hoe langs hoe kloeker;
		Hun Beesten waren meest hun werking en hun doen,
		Ik volg hun stappen na, en langs de kusten groen,
		Dus schuwe ik heel gerust 't gewoel van groote Heeren,
		Doch meer dwingt mij de nood als[35 - dan.] hertelijk begeeren.
		't Bloed is nog versch en lauw, waar met ik deze wijl[36 - dezer dagen.]
		Eens laafde 't dorstig zand bij 't stroomen van den Nijl:
		Mocht ik den Farao zoo lichtelijk begraven,
		En rukken Jakobs huis uit dit gedurig slaven!
		Tiran! och, of gij eens begrijpen mocht in 't minst,
		Dat herderlijk beroep den Koninglijken dienst
		Beteekent[37 - afbeeldt.] t' eenemaal, gij bleeft niet zoo versteenigd,
		Zaagt gij den Scepter met den Herder-staf vereenigd:
		Het Herder-ambt vereischt, dat hij zijn kudde hoedt,
		De Koning, dat hij 't volk heerscht met een wijs gemoed;
		De Herder moet zijn kudd' voor des wolfs tanden vrijen,
		De Koning weren al d' uitheemsche tirannijen,
		Dat d' Herder-staf geen Lam voor d' ander stoot noch sla,
		En elk Inwoonder hoort den Scepter even na,
		D' een vlies voor d' ander komt de weide niet ten goeden,
		Zoo hoort 't Rijk op[38 - open.] te staan, om iegelijk te voeden:
		Maar Israël, helaas! gaat op een dorre heid',
		Daar den Egyptenaar in 't grazig groene weidt,
		D' een is een droeve slaaf, en moet, och arm! ontbeeren,
		Dat d' ander zal in weelde en overvloed verteeren:
		De vloer, waarop zich den Egyptenaar verlust,[39 - Voor verlustigt.]
		Veel zachter is als 't bed van d' Isralietsche rust:
		Farao's rijkstaf hun verstrekt maar eenen vlegel,
		Zijn kroon een lastig juk, dat zonder maat of regel,
		De Israëlieten drukt: zijn wedersnijdig[40 - tweesnijdend.] staal
		Zal den Egyptenaar beschermen t' eenemaal,
		En al hun vijanden verstrekken eenen prikkel,
		Maar Jacobs vruchtbaarheid afmaayen als een sikkel.
		Fy ongerechtigheid! Fy, koninglijke haaf!
		Waarvan d' een burger is en d' ander eigen slaaf:
		En of zij schoon[41 - Thans ofschoon.] met graan al Memfis' zolders vullen
		Het kaf is alden loon, die zij genieten zullen.
		Mijn Isralieten, die zoo lange om vrijheid riept!
		Gij graaft om elke stad een grondelooze diept,
		Gij bouwt zijn muren op, en gaat den hemel tergen
		Met torens, die hun kruin tot in 't gesternte bergen,
		En hoe gij bouwt en slaaft, met truffel, spa, of ploeg,
		En arbeidt in het zweet uws aanschijns, spade en vroeg,
		Des morgens, eer de zon met zijne stralen luistert[42 - luister, glans geeft, blinkt.],
		En 't manenzilver[43 - 't zilver van den maan.] met zijn gulden trots verduistert,
		Tot dat de zwarte nacht beschaduwt berg en dal,
		En dat 's doods zuster wiegt in slaap den grooten Al:
		Noch razet[44 - Voor raast.] den tiran, Egypten leît[45 - legt; thans ligt.] ten woesten,
		En zal door ledigheid van dezen zwerm verroesten.
		Heeft tijd en oudheid dus Josefs weldaden groot
		Uit uw gemoed gewischt? denkt, hoe uit zijnen schoot
		Egypten werd gespijst, toen over zijn limieten
		Zijn horenen den Nijl maar jaarlijks twaalf cubieten
		In zeven jaar verhief, en zelf de hemellocht
		Die weigerden zoo lang haar tranen koel en vocht,
		Toen u vrouw Ceres, laas! wat zij ook ploegde of zaaide,
		Met geene zeissen krom in zeven oogsten maaide,
		Toen t' elken in den oogst den droeven akkerman
		Vervloekte ploeg, en zein[46 - zeis.], dorschvlegel, eg en wan,
		Toen 't heele Ceresgild[47 - De landbouwende klasse.] schier niet dan stroo en stoppel
		In schoven zamenbond, in bondels en gekoppel:
		Toen loech[48 - Thans tot lachte verzwakt.] elk Josef toe, toen was hij 's Konings beeld,
		Zoolang hij vaderlijk het graan heeft uitgedeeld,
		Toen hij zoo vriendelijk de stralen van zijn oogen
		Op iegelijken[49 - Een iegelijk.] wierp, en niemand heeft onttogen
		De vrucht zijns overvloeds; toen zijne volheid plein,
		Gelijk de zonneschijn, een ieder was gemein[50 - Voor gemeen.].
		O Josef! al te slecht hebt gij gevoed te veuren[51 - voren.]
		De wolven, die nu 't schaap van Israël verscheuren;
		Uw mild weldadig hart, dat gij hun hebt betoond,
		Wordt ons met tyrannie al t' onverdiend beloond:
		Hadt gij ons vaders toch geweigerd deze gaven,
		En langen tijd met hun vóór onzen tijd begraven!
		Ofschoon Abrahams zaad in vruchtbarigheid tiert.
		Als 's Hemels mantel blaauw met loovers is gecierd,
		Ofschoon Isaaks geslacht in veelheid goederhandig
		Beklijft, als[52 - gelijk.] 't Roode Meer opwerpt zijn baren zandig,
		Of Jacobs neven zich verspreyen in fatsoen,
		Als loof groeit uit den schoot van dees valleyen groen:
		Wat baat het, als hun dus verkeert met tirannije
		t' Ondraaglijk eeuwig juk van droeve slavernije?
		O, onzer vadren God! wanneer zal eens 't gesmook
		Van onz' altaren, als een liefelijken rook,
		Ten hemel stijgen op? werwaarts, en in wat landen
		Zal u den wierook van ons heilige offeranden
		Bevallen? och! gedenkt aan 't teeken des verbonds,
		Bezegeld met het woord uws Goddelijken monds,
		Dat gij den scepter nog zult paarlen in ons handen,
		Die overheeren zal den trots van u vijanden;
		Bevestigt uw beloft, onttrekt ons niet zoo licht
		De heilge stralen van uw hemelsch aangezicht:
		Of zijn wij dus gestraft om onze zwaar misdaden,
		Wascht ons weer in de borne[53 - bron, water.] en vloed uwer genaden!
		Zoo wijd de morgenstond beschaamt het nachtzeil zwart,
		Toont dat de gunste strekt van uw vaderlijk hart:
		Treedt ons met uw gericht niet altijd op de hielen,
		Werpt uwen bliksem niet op zoo veel duizend zielen:
		Wij zijn Dijn handen werk.....



(GOD verschijnt Mozes in het vlammende bosch.)



MOZES

		Aanschouwt dat heerlijk licht!
		Hoe blikt in 't sterflijk oog dit wonderlijk gezicht!
		't Bosch schijnt in vuur en vlam te sparken[54 - vonkelen (verg 't Eng. to spark).] en te gloeyen,
		Nogtans in 's vuurs gegolf gebloemt en blad'ren bloeyen.
		Ik wil mij derwaarts spoên.


GOD

		Zacht, Mozes! Mozes, beidt!


MOZES

		Hier ben ik.


GOD

		't Is hier van mijn tegenwoordigheid
		Een driemaal heilig land, dus wacht u mij t' ontmoeten,
		Eert mij en deze plaats, ontschoeit terstond uw voeten.
		't Bosch, dat hier branden schijnt[55 - Thans schijnt te branden.], en niet en wordt verteerd,
		Daarmede is Israël naakt af gefigureerd:
		't Vuur is een beeldtenis van mijnen Geest, die leerlijk
		De kwaaddoender verteert, de goede loutert heerlijk,
		En, g'lijk men op den toets het edel dierbaar goud,
		Nadat het is doorvuurd, veel waardiger beschouwt,
		Zoo zullen ook in 't kruis de twalef Joodsche stammen
		Groen blijven, als 't geboomt', in 't golven dezer vlammen.
		Ik ben Abrahams God, de God die 't al bezielt,
		Waarvoren zich[56 - Thans alleen geknield.] Isak en Jakob heeft geknield[57 - Thans alleen geknield.].


MOZES

		Amy! waar zal ik vliên, in klippen of in kuilen?


GOD

		Ik was, Ik ben, Ik blijf.


MOZES

		Waar zal ik mij verschuilen?


GOD

		Den hemel is mijn troon, d' aard mijner voeten bank,
		En 't Helsche keizerrijk 't wit van mijn pijlen strank[58 - sterk (verg. boven spark met ons sprank).],
		Dit wonderlijk geheel van hemel en van aarde,
		Ja, tot mijn evenbeeld, den mensche hoog van waarde
		Ik in zes dagen schiep; de zon is maar een vonk
		Van mijne heerlijkheid, die voor veel eeuwen blonk:
		De God, die Abrams zaad in Izak wilde noemen,
		Zoo vele als 't zand des meers of als de Lentsche bloemen;
		Ik ben dezelfde God, die Isrels troebelzee
		En groot heerleger met mijn vleugelen bespreê[59 - bespiedde.],
		Werpt slechts op mijn beloft den anker van uw hopen,
		Want over Jakobs huis staan steeds mijn oogen open,
		Mijn oor beluistert hun gebed van woord tot woord,
		Ik heb hun leed gezien, en hun geschrei gehoord!
		Mijn zeisen maait nu eens den draad van hun ellenden,
		Ik zal nu 't wankel rad van mijn beproeving wenden,
		Nu zult gij zien wiens hand den Farao ontrukt
		Mijn lelie, die zoo lang de doornen heeft gedrukt!
		Gij zult de leidsman zijn, en brengen hun persoonig[60 - in eigen persoon.],
		Met uwen staf, in 't land dat vloeit in melk en honig;
		In 't land, daar Abraham zoo dikwijls zag de maan
		Heur hoornen spieglen in de glazige[61 - spiegelgladde, effene.] Jordaan;
		Daar zijn gehoorzaamheid mij over had gegeven
		Zijn eenig liefste kind, den spiegel van zijn leven,
		Daar hij niet en ontzag, op Salems hoogte trots,
		Te storten 't bloed zijns zoons, tot eenen offer Gods;
		Daar hij te buiten trad de vaderlijke palen,
		En zag op 't altaar-plat alreê ten hemel stralen,
		(Met oogen des geloofs, van wil en van gemoed)
		't Vuur van zijn offerand', en zijn verkoren bloed;
		Daar hij, in asch en stof, op 't heilige gesteente,
		Alreê begraven had zijn vleesch en zijn gebeente;
		Daar hij zijn wandeling ten einde heeft gebrocht[62 - voor gebracht.],
		En 't hemelsch burgerschap hier boven heeft gekocht;
		Daar zijnen zoon Izak en Jakob, beî te gader,
		Zijn pelgerims geweest, met hunnen ouden vader;
		In 't land, daar ik de kroon hun drukken zal om 't hoofd
		Die Abraham, Izak, en Jakob is beloofd.
		Gaat, boodschapt Farao, wie dat u is verschenen;
		De weg is al bereid, dus trekt met vreden henen.


MOZES

		Ik ben een sterflijk mensch, ik ken mij veel te zwak.


GOD

		Hij maakt u machtig, die[63 - aan wien.] nooit sterkheid en ontbrak;
		En tot een teeken blij, na uw verlossing veilig,
		Doet mij op dezen berg een offerande heilig
		Van liefelijken reuk.


MOZES

		O God gebenedijd!
		Hoe zal ik Jakob toch betuigen, wie gij zijt
		Die mij gezonden hebt?


GOD

		Jehova, God almachtig,
		Die hun met zijnen arm zal helpen sterk en krachtig:
		Ik ben, die Ik zal zijn, die u de kroone biedt
		Met uitgestrekte hand, en gij en grijpt ze niet:
		Ik ben die 't al vermag, die uwen staf bepeerelt
		Den dans-beleider wijs van d' een en d' ander wereld;
		Ik ben de Heere zelf.


MOZES

		De vonk van hun geloof
		Is zeer na uitgebluscht, in asschen bleek en doof.


GOD

		Met wonderdaden dan versterkt hun dwaasheid teder;
		Wat hebt gij in uw hand?


MOZES

		Een staf.


GOD

		Wel, werpt hem neder.


MOZES

		Wat kronkelt hier alreê? hier wemelt, krolt[64 - voor krult.] en drilt
		Een slange, die mij in de hielen bijten wilt[65 - Thans wil.]:
		O Heere, staat mij bij!


GOD

		Wel, grijpt den krommen worme.


MOZES

		Dit 's mijnen zelfden staf, weêr in zijn eerste vorme:
		O, Heere wonderbaar!


GOD

		Opdat u niets ontbreekt,
		Uw rechterhand nu eens in uwen boezem steekt,
		En trekt ze weder uit.


MOZES

		Mijn hand is stijf en kromme,
		Melaatsch, gelijk de sneeuw.


GOD

		Wel, drukt nu weder omme
		Uw ongeloovig hart.


MOZES

		Ze is zuiver, rein en klaar.


GOD

		Gelooven zij dan niet dees teekens wonderbaar,
		Met vochtig water sprengt de vloer die gij bewandert[66 - Bewandelt, betreedt.],
		't Wordt in roodverwig bloed door mijne kracht veranderd.


MOZES

		Om voor den Farao verschijnen ik mij schaam,
		Want, Heer! mijn tonge lispt, mijn stem is onbekwaam;
		Kiest elders een gezant.


GOD

		Zal mij dan iets ontbreken?
		Die 't alles schiep uit Niet, in d' eerste week der weken,
		Den Hemel, die om u met zijne lichten wielt[67 - draait.],
		En al wat in 't begrijp[68 - perk, omvang.] van nat of drooge krielt,
		't Gevogelt' in de locht, dat op de winden zwieret,
		En 't waterzuchtig aas, dat naar 't vlietwater gieret,
		't Viervoetig veldsch[69 - van't veld.] gediert', 't geboomte, dat gekromd
		Van zijne vruchten hangt, de dalen vol geblomt:
		Wie heeft den mensch toch eerst 't gesuisel en 't gehoore
		Van eenen zachten wind geblazen in zijn oore?
		Wie heeft den appel klein van zijn gezicht bepaald,
		Waarmede hij alsins mijn heerlijkheid bestraalt;
		Wie heeft toch geconfijt zijn milde tong schoontalig?
		Waar met den mond ontvloeit zijn rijpe woorden zalig;
		En of ik schoon uw tong gebrekkelijken liet
		Om uw hardnekkigheid;—wat dunkt u, kan ik niet
		Gebruiken nevens u, voor Israël en Faron,
		De zoetvloeyende taal van uwen broeder Aron?


MOZES

		Of[70 - Zoo, indien.] Farao blijft versteend, en drijft met ons den spot?


GOD

		Leeft met hem zoo gij wilt, tot eenen aardschen God
		Zijt gij van mij gezalfd.


MOZES

		En blijft hij onbewogen?


GOD

		Zoo dreigt hem mijnen toorn, met mijn gespannen bogen;
		Mijn pijlen hangen reê gescherpt in mijnen tros[71 - bundel, koker.],
		En naar mijn dreigement, zoo gaan mijn pezen los.


MOZES

		En of mijn haters mij nog in Egypte vonden?


GOD

		De dood heeft lang vernield die naar uw leven stonden:
		Dus spoedt u.


MOZES

		Op uw woord zal ik mij henenspoên,
		Mijn vliezen zijn hier vast verstrooid, verspreid in 't groen,
		Wel op, mijn geilig vee! loopt huiswaarts voor mij henen,
		Dit 's voor de laatste maal; den tijd die is verschenen,
		Dat ik een herder ben van Jakobs huis bescheerd[72 - Thans beschoren.]:
		Wat schaadt het, dat ik 't aan dees schaapkens heb geleerd?



KORACH, JOZUA, EN KALEB.



KORACH

		Hoe lang zal Jakob nog betreden deze pleinen?
		Daar hij zijn oogen maakt tot schreyende fonteinen?
		Hoe lange zullen nog, in zijne dagen oud,
		Dees groene velden met zijn tranen zijn bedauwd?
		Hoe lange zullen nog zijn klagelijke lippen
		Bewegen berg en dal, de rotsen en de klippen?
		Hoe lange zal hij hier gelijken ongestild
		Een sneeuwen beeld, dat in de zonneschijn versmilt[73 - voor versmelt.]?
		Hoe blijft hij dus van God verworpen, droef en smartig?
		Wien heeft de Hemel ooit geweest zoo onbarmhartig?
		O, Heere! niet om ons, maar om uw vast verbond
		En driemaal heil'gen naam, verstopt den lastermond
		Der Heidenen, die stout en schimpig durven spreken:
		Is dit 't verkoren volk, 't welk voert het Godd'lijk teeken?
		Gij zijt toch onze God, wij kennen anders geen,
		Wij hebben toch nooit beeld van koper noch van steen,
		Gesternte, zon noch maan, noch schepsels creatuurlijk,
		Nog nooit gouden kolos noch zilverbeeld figuurlijk,
		Afgodisch aangebeèn, noch zichtbaar beeldtenis;
		In vuur noch in geboomt' wij nooit geheimenis
		Verblind hebben gezocht, noch uw onsterflijk wezen.
		Den glans benomen van uw heerlijkheid geprezen;
		Wij hebben[74 - erkennen.] nimmermeer voor Isis onbezield,
		De Egypter afgodin, devotelijk geknield;
		Wij kennen Osiris niet met een blinde zotheid
		Voor iets byzonders, of een drievuldige Godheid.
		Met uw straffende hand en drukt ons niet altoos,
		Gij kent onz' zwakheid teêr, en onz' nature broos,
		Wij zijn toch aarde en stof, wij hebben niet te roemen,
		Wij zijn niet anders dan vergankelijke bloemen;
		Als gij het stralig licht uws aanschijns van ons wendt,
		Zoo zijn wij arm en zwak, vol kommer en ellend'.
		Ziet, hoe ons Gozen, laas! van droefheid overvloeit[75 - vloeit en geboeid, als vloei-et en geboei-ed te lezen; verg. beneden scheidet.],
		Hoe ons Farao heeft geketent en geboeid[76 - vloeit en geboeid, als vloei-et en geboei-ed te lezen; verg. beneden scheidet.],
		Wij zijn 't rookende vlas, wij zijn 't gekrookte riet,
		Een ander eenen vloek, ons zelven een verdriet!
		Met dat de ronde zon de hemelsche gordijnen
		Van zijne koetse schuift, en doet den nacht verdwijnen,
		Met dat de dageraad treedt haar slaapkamer uit,
		Die van den witten[77 - helderen.] dag den draaiboom open sluit,
		Met dat zij hare vlucht[78 - voor vliegend span.] gaat in den wagen spannen,
		Zoo spant terstond in 't juk de Israëlietsche mannen
		De slaafsche arrebeid, met een gezichtel eep[79 - sluw.],
		Die steeds ons onvernoegd voortklatert met zijn zweep,
		Dat elke druppel haars schijnt eenen stroom te zweeten,
		Wanneer het zoncompas den dag heeft overmeten.
		Scheldwoorden is het loon van al onz' dienstbaarheid,
		Ons wordt naauw spijze en drank om[80 - Thans om te.] leven bij geleid.
		Och! of de bleeke dood onz' slavernije susten,
		Wij hebben hier toch niet daar wij op mogen rusten:
		Kom, aangename dood! en help ons uit dit krijt[81 - Eig. 't Hoogd. kreitz, d. i. kring, perk; van daar (gelijk ook hier) strijdperk.],
		En overschrijdt het perk, het perk van onzen tijd:
		Want onze slavernij schijnt eeuwig en gedurig,
		Gelijk de zee de een' baar op de ander golft azurig,
		Een ander roept: o dood! keert elders uwen boog,
		Maar wij: o zoete dood! kom, dwaat[82 - veegt (van 't oude dwa-en, waarvan nog dweil).] ons tranig[83 - schreyend.] oog!
		't Is onbestendig al: het planten en het zaayen
		Men weder keeren ziet in plukken en afmaayen,
		Nu ploegt men de aarde zwart met 't kouter om en om,
		Nu scheert men weêr de vrucht met eene zeisen krom,
		Nu bloeit de lieve Lent' met al haar bloempjens verwig,
		Nu is de Herfst bekroond met gulden aren terwig[84 - Voor tarwen-aren.],
		Nu lacht de Zomer schoon, nu knort de Winter grijs,
		De een spiegelt zich in 't groen, en de ander in het ijs;
		Nu rijst de zon in 't Oost', nu daalt zij neêr in 't Westen,
		Wanneer de bleeke maan klimt uit de watervesten,
		De mane die heur[85 - Thans zich.] nu in volle rondte stelt,
		En weder heuren glans en zilverschijn versmelt;
		Ja, zelf der sterren loop, de hemel met zijn sferen,
		Met de elementen steeds veranderen en keeren:
		Maar onze droeve staat gelijkt een vaste Pool,
		Die staâg uit een klimaat blijft pinken[86 - flikkeren, vonkelen.] als een kool.
		Hetgeen God eens belooft, breekt God dat wederomme
		Door wispelturigheid?


JOZUA

		Neen, God, als een kolomme
		En pyramide sterk, blijft altijd vast gegrond.


KORACH

		Is hij 't niet die hem[87 - Thans zich.] aan onz' vaderen verbond?


JOZUA

		Door onz' misdaden is dit zegel weêr gebroken.


KORACH

		Hij heeft het toch beloofd, hij heeft het zelf gesproken,
		Ook heeft hij wel voorzien onz' wankelmoedigheid,
		Een kroon (geen lastig juk) heeft hij ons toegezeîd,
		Noch geen Egypteland, maar Kanaän vruchtbarig,
		Noch geen gehoornden[88 - hoekigen, kronkelenden.] Nijl, maar een Jordane barig[89 - golvenden.].


KALEB

		Hij heeft ons deez' beloft' in geenen tijd gesteld.


KORACH

		En heeft zijns waarheids mond niet Abrams zaad gemeld?


KALEB

		Dat strekt zich eindeloos op onz' nakomelingen.


KORACH

		Wat heugenis[90 - voor verheuging.] is 't ons, als onze tijd gaat springen[91 - afloopt.]?


KALEB

		Hij is in zachte rust, die ondertusschen sterft.


KORACH

		Waartoe is 't dan beloofd, als men de vruchten derft?


JOZUA

		God heeft het niet beloofd die zijn gebod versmaden.


KORACH

		Waaruit bewijst gij dat?


JOZUA

		God bindt hem[92 - Thans zich.]




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/joost-van-de-vondel/de-complete-werken-van-joost-van-vondel-het-pascha/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


nagenoeg.




2


Verzonnen.




3


Maar.




4


ingerichte.




5


Van (den Latijnschen dichter) Horatius.




6


Gebrekkig (van geest nam.).




7


Thans zich.




8


Men zou hier verkeerdelijk het wanklinkende daarnaar willen lezen; oorspronkelijk toch werd na en naar (d. i. ei-genlijk nader) dooreen gebruikt, en verdient dus in alle deze samenstellingen met waar, daar, enz. het eerste de voorkeur.




9


Thans dan.




10


Korten (verg. de uitdrukking spanne tijds).




11


Thans vertoont (d. i. eig. vertoogent, met den langeren vorm, die den korteren geheel verdrongen heeft.)




12


te omspannen; verg. boven bl. 5, aant. [].




13


blinkende.




14


Tweede-naamval van Venus.




15


blinde klip




16


Thans iets anders.




17


bestuur, beheer.




18


leerrijke.




19


Lat. voor tooneel.




20


planken.




21


J. Mz. Vaer (d. i. van der) Laer was een rijk Amsterdamsch lakenkooper, en van 1608-1616 Heer van Jaarsveld.




22


Thans doet hem verzellen.




23


bekrachtiging.




24


vrij te laten.




25


beesten (verg. 't Fr. bétail).




26


welriekend.




27


kaauwt en herkaauwt.




28


Dijt uit.




29


schapen (het deel voor 't geheel, en de vacht voor 't dier genomen)




30


pracht (verg. 't Hoogd. geschmeide).




31


kleed ('t Fr. habit).




32


voor schijnt.




33


Thans tot een helm geslonken.




34


zacht.




35


dan.




36


dezer dagen.




37


afbeeldt.




38


open.




39


Voor verlustigt.




40


tweesnijdend.




41


Thans ofschoon.




42


luister, glans geeft, blinkt.




43


't zilver van den maan.




44


Voor raast.




45


legt; thans ligt.




46


zeis.




47


De landbouwende klasse.




48


Thans tot lachte verzwakt.




49


Een iegelijk.




50


Voor gemeen.




51


voren.




52


gelijk.




53


bron, water.




54


vonkelen (verg 't Eng. to spark).




55


Thans schijnt te branden.




56


Thans alleen geknield.




57


Thans alleen geknield.




58


sterk (verg. boven spark met ons sprank).




59


bespiedde.




60


in eigen persoon.




61


spiegelgladde, effene.




62


voor gebracht.




63


aan wien.




64


voor krult.




65


Thans wil.




66


Bewandelt, betreedt.




67


draait.




68


perk, omvang.




69


van't veld.




70


Zoo, indien.




71


bundel, koker.




72


Thans beschoren.




73


voor versmelt.




74


erkennen.




75


vloeit en geboeid, als vloei-et en geboei-ed te lezen; verg. beneden scheidet.




76


vloeit en geboeid, als vloei-et en geboei-ed te lezen; verg. beneden scheidet.




77


helderen.




78


voor vliegend span.




79


sluw.




80


Thans om te.




81


Eig. 't Hoogd. kreitz, d. i. kring, perk; van daar (gelijk ook hier) strijdperk.




82


veegt (van 't oude dwa-en, waarvan nog dweil).




83


schreyend.




84


Voor tarwen-aren.




85


Thans zich.




86


flikkeren, vonkelen.




87


Thans zich.




88


hoekigen, kronkelenden.




89


golvenden.




90


voor verheuging.




91


afloopt.




92


Thans zich.


