De complete werken van Joost van Vondel. 2
Joost Vondel




Joost van den Vondel

De complete werken van Joost van Vondel / Met eene voorrede van H.J. Allard, leraar aan 't seminarie / te Kuilenburg





VORSTELIJKE WARANDE DER DIEREN; WAAR IN de Zeden-rijke Philosophie, POËTISCH, MOREEL, EN HISTORIEEL, VERMAKELIJK EN TREFFELIJK WORDT VOORGESTELD[1 - De eerste uitgave verscheen, in 1617, bij den uitgever van den Gulden Winkel, die onder ieder der "aardige afbeeldingen" waarmede zij "versierd" was, een "exempel uit de oude historiën", stelde (zie het slot der Voorreden). Sedert werd het boekjen herhaaldelijk herdrukt.]



TOT DE AANSCHOUWERS VAN DEES WARANDE

		Koomt vrij schouwen dese Beemd,
		Ziet, hoe wonderlijk en vreemd,
		Dat de dierkens t' zamen leven:
		Hoe de trotsche leeuwe bralt,
		't Reyntjen[2 - Nam. de vos.] loos in strikken valt,
		Hoe 't schaap voor de wolf moet beven.
		Waar den mensche in wordt geleerd,
		Hoe des werelds hoogheid keert;
		Hoe zich ieder heeft te dragen:
		't Zij tot eerbaarheid en deugd,
		't Zij tot tegenspoed of vreugd,
		Wilt dat hier de beestjens vragen.




VOORREDEN AAN DEN KONSTLIEVENDEN LEZER, AANGAANDE DE STICHTIGE VERMAKELIJKHEID EN NUTTIGHEID DER FABELEN


De treffelijkheid en nuttigheid der fabelen, verstandige lezer! is zoo groot, dat ze met geene woorden kan uitgedrukt noch beschreven worden; 't welk alsins door hem zelven[3 - uit zich zelf.] klaar is: want onder de zelven leît de wijsheid, als onder een schorse, verborgen. Waarover ook de ouden geoordeeld hebben, dat niemand ze te recht konde verstaan, ten ware hij met een doorluchtig verstand van God was begaafd. Want Plato, die onder de Heidenen de Godlijke genaamd wordt, oordeelde dat men van de eerlijke fabelen behoorde te beginnen: dat ook de voedsters de teêre en buigzame verstanden met zoodanige lieflijkheid meer behoorden te koesteren en op te kweeken, als zij hare lichamen gewoon zijn te cieren en op te pronken. Wie is het niet bekend, dat alle geheimnissen der ouden hier onder hebben gescholen? want zij gaven daar mede de domme wereld te verstaan, datter most[4 - Gelijk gewoonlijk bij Vondel voor moest.] eenige Gods-dienst zijn, om alzoo de herten af te schrikken van de ondeugden, en ter wederzijden een spore of prikkel te geven, de deugden te omhelzen. Dionysius Halicarn. heeft zeer klaarlijk der fabelen noodwendigheid te kennen gegeven, als hij zeît: "wie is' er, die niet en zoude meenen, dat der Grieken fabelen den menschen hoognoodig zijn? eenige zijnder, die de werken der nature onder zekere verbloemde redenen voorstellen; andere, die der menschen droefheden en ellendigheden boven maten vertroosten, andere drijven van haar weg vreeze en allerlei verstoringen des gemoeds, en verjagen de oneerlijke gedachten; ja, een iegelijk is tot hare bijzondere nuttigheid gevonden." 't Is ook zeker, dat de fabelen den menschen aanbrengen een vaste overtuiginge tot scherpzinnigheid en opmerkinge des verstands, want zoo haast en wordt de fabel niet voorgesteld, of 't kloeke vernuft let terstond op 't oogmerk. Zoo dat in 't voorstellen en begrijpen een zonderlinge[5 - bijzondere.] aardigheid gelegen is.

Daar en is bijna geene zake, die iemand mocht overkomen, of men vindt daarinne stoffe, 'tzij ter leeringe of ter waarschouwinge voorgesteld: ja, met zoodanige vermakelijkheid, dat velen geoordeeld hebben, de vinding der zelve te wezen een lieflijke en verheuglijke confiture van 't menschen leven, en geen kleine vertroostinge onzer zwarigheden, waartoe die ook (zonder twijfel) vanden[6 - Latinisme voor door de.] ouden zijn bedacht en gevonden. De edele en treffelijke verstanden scheppen hier uit een groote nuttigheid en scherpzinnigheid: maar den genen, die slechts bij haar[7 - Thans hun.] neuze heenzien, schijnen deze dingen belachelijk, ja, kunnen[8 - Thans zij kunnen.] niet[9 - Thans niets.] godlijks daar uit merken en verstaan; gelijk de onverstandigen, die alleen op de schorse, en niet op de deugd en vruchten des booms letten: deze zijn den kinderen gelijk, die bij den viere[10 - Thans bij 't vuur.] een deel poëtische kluchten vertellen, en letten niet eenmaal op de heilige en over-treflijke nuttigheid die daar onder verborgen is.

De oudheid dezer fabelen is zoodanig, dat de tijd daarvan schijnt haar register verloren te hebben. Zij worden gemeenlijk Aesopo toegeschreven (hoe wel die ook bij[11 - Door (verg. 't Eng. by).] veel andere geleerde mannen verdicht zijn), omdat zijne harssenen veerdiger en bekwamer waren, waarover hij ook, als de konstigste meester, daarvan alleene den naam heeft bekomen.

De H. Schrifture wordt van hare Godlijke heiligheid niet ontluisterd, als wij menschlijker wijze deze fabelen, naar 't zeggen der Ouden, verheffen; doch elke moet men in haren zin aanmerken: met een ander geest is deze, met een ander geest is de ander beschreven. De H. Schrifture voert ons met verscheiden exemplen en aanwijzingen, zoo tot dieren, vogelen, enz. als tot verbloemde en allegorische manieren van spreken, die niet als met eenen verlichten geest kunnen verstaan en begrepen worden, waar in de H. Geest zelve schijnt een vermaken genomen te hebben. Zoo dat men deze (zoo veel een zedelijk, burgerlijk en eerlijk leven belangt) niet behoort te verachten en onteeren.

Verzoeken daarom, dat niemand onze vlijt beschuldige, omdat wij deze Heidensche fabelen uit het boek der vergetenheid wederom voor den dag brengen, als zijnde genoegzaam van andere gedicht en beschreven, maar letten inzonderheid op de geest-rijke hand dezes konst-rijken schilders[12 - De maker der platen bij de afzonderlijke uitgaven (verg. ook die van Van Lennep.)], die zoo aardig en levendig het wezen der dingen heeft nagebootst, dat de nature zelve schijnt ontluisterd te zijn. Waar over hij ook eenen onstoffelijken lof bij alle konst-beminders verkregen, en met den lauren-kroon, naar zijne waardigheid, vereerd is.

Van de dichten, zal aan den verstandigen lezer staan, die zelve naar zijne beleefdheid te verschoonen en ten besten uit te leggen: maar van den onverstandigen kan noch Apellis beeld, noch Homeri rijmen, niet ongelasterd noch ongetadeld[13 - Germanisme voor onbeperkt.] blijven. Tot meerder verlichtinge en verlustinge dezes werks, hebben wij op een ieder fabel gepast en geëigend een oude historie[14 - Daar deze (naar Van Lenneps opmerking) blijkbaar niet van Vondel zelf, maar van Pers waren, zijn ze hier achterwege gelaten; de desbeluste lezer kan ze in zijne uitgave naslaan.], zoo uit de Latijnsche als Grieksche schrijvers, om met de nieuwe historiën geene ergenisse of aanstoot te geven, alzoo dit tot niemands hoon noch smaad, maar alleen tot aller waarschouwinge geschreven is.

Neemt hiermede onzen arbeid in dank, en verwacht hierna (met des Heeren hulpe) wat anders.




VERMAKELIJKE INLEIDINGE TOT DE Vorstelijke Warande DER ONVERNUFTIGE[15 - redelooze (verg. het Hoogd. unvernünftig.)] DIEREN



		Tsa, makkers! 't zeiltjen strijkt, en stieret[16 - Voor stiert het.] jacht te lande,
		Op dat wij onzen geest ginds in die groen warande,
		Een vorstelijke plaats, ververschen in de schaâuw:
		De zonne steekt te zeer, haar hette maakt ons flaauw,
		De schoot van 't binnen-meer is spiegel-glad en effen,
		Het windeken dat slaapt, geen baren zich verheffen.
		Koomt, volgt mij op het spoor, en houdt dit binnen-pad;
		Van nuchtren morgen-dauw zijn nog de kruiden nat.
		Wij nadren meer en meer, de lust-plaats loopt ons tegen:
		Hoe aardig heeft natuur beschilderd deze wegen!
		Hier is't, daar 't wezen most; hou, sluiter, open doet!
		Hij wordt mijn stem gewaar, en loopt ons te gemoet.
		Hof-wachter! oorloft[17 - Thans veroorlooft.] doch dees heeren en jonk-vrouwen,
		Dat zij de cierlijkheid van deze plaats aanschouwen,
		Uw moeit' vergolden werd[18 - Thans wordt.]. Koomt, vrunden! treedt vrij aan,
		Ontschuilt der zonnen[19 - Thans verkort tot zon.] brand in schaduwende blaân,
		Dat ieder een van ons zich inbeelde inde zinnen,
		Dat wij al graven zijn, baronnen, en gravinnen,
		In 't nutten van haar weelde en haar wellustigheid,
		Daar menig d' Hemel om zijn wellust heeft ontzeîd[20 - Versta: door menig voor meer dan Hemelsch geacht.].
		Wat hagen, groen van palm, zijn hier zoo glad geschoren?
		Die doolhoofs-wijs gestrekt, gekrunkeld, ons verloren
		Doen dolen hier en daar, zoo datmen hier in 't groen
		Van de eêl Cretensche maagd[21 - Ariadne, die Theseus, naar de oude legende, uit den doolhof op Creta (Candia) hielp.] wel 't klouwen[22 - Anders kluwen (verg. waarschouwen, stouwen, enz.)] had van doen,
		Om volgen langs den draad, om eindelijk den blinden,
		Bedriegelijken weg, en de open-poort te vinden.
		Wij dolen heen en weêr, en worden staâg gestuit.
		Wij zijn schier afgemat, hoe raken wij hier uit?
		De doolhof schijnt met ons zijn spotternij te drijven.
		Wat geest heeft ons vervoerd? 't gezelschap moet hier blijven.
		Men houdet[23 - Voor houde het.] mij te goede, ik ken't[24 - Voor erken 't.]: het is mijn schuld;
		Ik, ik zal de oorzaak zijn, zoo gij hier blijven zult.
		't Gezelschap (zoo mij dunkt) vermoeid zou wel gelusten,
		Te lesschen haren dorst en ergens wat te rusten.
		Wat raad, hoe mogen wij ontsluipen zulk gevaar?
		Of ergens een weerdin hier op te sporen waar,
		Zoo waar 't gewonnen spel; doch, voor ons lijfs vermoeyen
		Ziet aan de slinker zijde een schoon prieelken bloeyen:
		Elk spoeye best hij mag[25 - Voor zoo hij best mag (of kan.)]: Tsa, vrunden, zit hier om!
		U aassem wat verhaalt, gij zijt ons wellekom.
		Een aangename rust ververscht den machteloozen;
		En 't herte, door den reuk van leliën en rozen,
		Daar 't roosmarijn[26 - Voor bloemrijk in 't algemeen.] tapijt is rondsom meê bestikt,
		Niet weinig wordt vermaakt, verlustigd, en verkwikt.
		Maar wat Lucretia, van maaksel wel besneden,
		Verbergt daar in het groen haar blanke en naakte leden?
		En dreigt haar zelfs[27 - Thans zich zelf.] de dood? zij dreigt niet, och, zij steekt!
		Zij kwetst haar zelve 't hart! Ziet, ziet, hoe 't bloed uitbreekt,
		Hoe 't bloed de wonde uitvloeit, en daalt met groot verlangen[28 - Rijmshalve, maar anders vrij oneigenlijk, voor met spoed.]
		Benedenwaarts, daar 't wordt behendelijk gevangen,
		Door 's kunstenaars bedrijf. Verschrikt niet, 't is maar schijn,
		't En is geen vrouwen-bloed, 't is enkel rooden wijn,
		Die Bacchus is gewoon te schenken voor de vorsten,
		En andren, die vermoeid hier in de schaduw dorsten.
		Nu, vrunden! drinkt eens om; ziet, hier is wel te pas
		Op 't kunst-rijk goud geschroefd een kristalijnen glas.
		A-voust[29 - Drinkt elkander toe; van 't Fransche à vous.] en doet bescheid, daar is nog in de tonne,
		Laat omgaan met de maan, of liever met de zonne.
		Gezelschap! brengt eens om, em koelt vrij uwen moed:
		't Is niet Lucretia's, maar enkel druiven-bloed,
		't Welk 't beeld besloten houdt van binnen in zijn adren,
		Die wonderlijk geleid van elders haar vergadren.
		Zoo iemand meerder lust, zoo nemen wij verlof[30 - afscheid.];
		Vaart wel, Lucretia! zoo iemand wat te grof
		Of te tyranniglijk u 't bloed heeft afgezogen,
		Denkt, dat versmachte dorst tot zulks hem heeft bewogen.
		't Is lang genoeg gedwaald, wij laten den Labrint[31 - Voor Labyrinth, d.i. doolhof.]:
		Die hier ervaren is, wel fluks een uitkomst vindt.
		De bloemhof ligt nu 't naast, wiens bedden zijn als schulpen,
		Heel uitheemsch van begrijp[32 - bevatting, inhoud.], daar menigte van tulpen
		Als in slagorden staan, en steken haren kop
		Veelverwig na de locht en na de sterren op.
		Mij lust niet al de rest der bloemen te verhalen,
		Daar Flora prachtig schijnt op 't cierlijkst meê te pralen:
		Als Zephyr haar omhelst, als zijn gezochtste bruid,
		En violetten blaast met zijnen adem uit,
		Zoo dikmaal hij haar kust in dalen en priëelen,
		Wanneer zij onderling malkandren 't herte ontstelen.
		Hier heeft zijn zetelstoel gebouwd de blijde Mei
		Van thijm, van roosmarijn, en bloemen veelderlei.
		Wat mengsels groeyen hier? daar d'hommelende bijen
		Om zoeten honigzeem, haar wellust, komen vrijen.
		Maar laat ons om wat nieuws te droomen zijn bereid,
		Vermits 't vermaak gevoed wordt door verscheidenheid;
		Tsa, opwaarts met mij stijgt, op dezen lagen toren,
		Die uit een eikenboom is wonderlijk geboren,
		En zeven transen draagt[33 - Terecht herinnert Van Lennep hierbij aan den zoogenoemden Muzentempel op Hendrik Laurentz. Spiegel's Meerhuizen; waarover verg. Drost's bevallige schets in zijne Schetsen en Verhalen, bladz. 203.], een eere dezer steê:
		Van waar gij ziet beneên ontstaan een wilde zee,
		Door 't springen van een born, gegroeid uit groene planten,
		Dat als een schreyend beeld versmelt, aan alle kanten,
		In vloeyende kristal, en 't lijkt wel aan den schijn,
		Als of 't de filosoof Heraclitus[34 - Weder met verkeerden klemtoon voor Heraclítus, den bekenden diepzinnigen wijsgeer der oudheid, in de volksoverlevering tegenover den blijmoedigen Democritus gesteld.] woû zijn:
		Die 't alles, wat beschijnt het wankel licht der manen[35 - Thans maan.],
		Beschreyensweerdig acht, met uitgestorte tranen.
		Gij ziet hier weêrzijds 't strangh[36 - Gelijk reeds herhaaldelijk voor strand.] van eenen oceaan
		Die op zijn glazen stroom voert kielen zwaar gelaân.
		Walvisschen moogdy[37 - kunt gij.] hier en monsters zien wanschapen,
		Die visschen rispen[38 - werpen.] uit en stroomen, als zij gapen:
		Die 't water dobbren doen, dat Tifys[39 - Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.] is verveerd,
		En Palinurus[40 - Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.] zelf voor 't slingren van haar steert.
		Neptunus ziedy[41 - ziet gij.] 't hoofd en natten baard opsteken,
		En dreigen met zijn vork de baren, die hem smeeken.
		Op zijn kinkhoren maakt de Triton heesch geluid,
		Dat al de Water-Goôn en Nimfen kijken uit.
		Maar, och! hij wordt verlust en bijster schier van zinnen,
		Die dees Zeejuffren ziet, dees spieg'lende Meerminnen:
		Die met haarstreelen[42 - opmaken van 't haar.] staâg bedrijven al haar pracht:
		Dees snoert haar vlechten op, die om haar schaduw lacht;
		Dees laat aan haar paruik 't goud en gesteenten blinken,
		En peerlen, die zij raapt wanneer de schepen zinken:
		Die, kemt haar gouden haar, en wast in 't zoute nat
		Haar blinkende aangezicht en voorhoofd altijd glad.
		Help, Nimfen! die u ziet, wie is't, die niet zou wenschen,
		Dat gij mocht zijn geteeld van 't bloed en 't zaad der menschen?
		Wie ist, die niet beklaagt, dat uw gestaltenis
		Is boven navel mensch, en onder navel visch?
		Maar ginder (zoo mij dunkt) uit een verburgen haven
		Vliegt een galei in 't ruim, door 't roeyen van de slaven,
		Randt een koopvaarder aan, die, op 't verbolgen meer,
		Zijn boeve-netten[43 - Netten tegen de zee-boeven of zee-schuimers gespannen.] spant, en kloek zich stelt te weer.
		Wacht mannen, 't geldt uw lijf! matrozen, houdt u onder!
		Daar gaat een rookwolk op, gevolgd van eenen donder
		En bliksem des geschuts, dat eislijk[44 - vreeslijk (thans verkeerdelijk ijslijk gespeld; verg. vroeger.).] van geluid
		Vuur, water, aard, en locht blaast t' zijnder kelen uit[45 - Thans uit zijn keel of hals.].
		Het ijzer plompt in 't nat, nadat het een geschreye
		Heeft schielijk opgewekt, in 't midden der galeye,
		Die alzins is geverwd, met klibber[46 - kleverig.] brein en bloed:
		Hier rolt een menschen hoofd, en ginder eenen voet;
		In 't midden van den storm groeit 't herte van de Turken,
		Die op haar halve maan en dikken tulband snurken[47 - pochen.];
		D' Hollander onversaagd, bralt met zijn princen-vlag,
		D' Hollander, die nog nooit verwonnen t' onder lag,
		Eer zou de lont in 't kruid, in 't midden van de baren,
		Met zijn en 's vijands hulk recht na de sterren varen,
		Eer hij zich dwingen liet van een Mahumetaan,
		En 't ijzer aan het been zoo schendelijk liet slaan.
		Mars raast noch even dol; hoe zal die strijd zich enden?
		De Turk het hert ontvalt, hij gaat het hoofd fluks wenden
		Weêr na zijn roof-nest toe; hij reist weêr op een nieuw.
		En d' Hollandsche kartouw, die schenkt hem den adieu,
		Gewis eens menschen oog en kan zich niet verzaden;
		De geest en 't herte zijn met wondren overladen.
		Best dalen wij om laag en zien, waar zich nu rept
		't Gevogelt, dat de locht met zijne vleuglen schept,
		En hooger niet en stijgt als 't net en wil gedoogen,
		Dat haar gevangen houdt en alzins overtogen.
		Den arend krom gebekt is keizer van dit rijk,
		Die Jupijns bliksem voert, daar elk voor knielt in 't slijk;
		De kraan, de blanke zwaan, de roode kalikoenen[48 - Thans kalkoenen (eig. kalikoensche of calicutsche haan of hen.)],
		De gier en paauw, dat[49 - Geheel naar de Nederlandsche spreektaal; de boekentaal onzer dagen zou meenen hier het stijve, en meer Latijnsche dan Hollandsche die te moeten schrijven.] zijn de heeren en baroenen.
		Den haan wil koning zijn, om dat hij is gekroond,
		Omdat hij moedig zich in 't bloedig oorlog toont,
		En zich met d' handschoen licht laat tot den kamp bekoren,
		Vertrouwende op zijn moed en op zijn scherpe sporen.
		Hij heeft der boelen veel, zijn geile min hij bluscht,
		Recht of een koning mocht al doen wat hem gelust.
		De papegaai is tolk, die aan de uitheemsche volken
		Moet brengen 's konings wet en zijnen zin vertolken:
		De struis zijn rechter is, die 't vierschaar steeds bedient,
		En oordeelt in zijn naam, wie vijand is of vriend;
		De valk als beudel[50 - Thans tot beul zaamgetrokken; eigenlijk de gerechts-bodel of bode, en in 't Middeleeuwsch Latijn met pedellus vertaald.] straft, die 't vierschaar heeft verwezen;
		Verbidden hier niet geldt, als 't vonnis is gelezen.
		De zwaluw, musch en gans, de duif, de nachtegaal
		En de ekster brengen cijns den keizer al te maal.
		De vleermuis en den uil, als bloedige tyrannen,
		Zijn eeuwig uit het hof in ballingschap gebannen;
		Wiens herte niet ontluikt[51 - opengaat.], die zulken vlucht bijeen
		Gevlerkte borgers ziet, van maaksel onderscheên?
		Eenparig[52 - een (nam. van kleur), tegenover 't bontverwige der anderen.] de een verschijnt, en de ander bont van pluimen.
		Hoe kan men hier zijn tijd verspillen en verzuimen!
		Tsa! gaan wij nu bespiên, waar 't wild en on-gediert
		Verschuilt in 't donker woud en ons voor de oogen zwiert:
		Dien heuvel welbeplant verstrekt een 's princen woning
		Voor d' onverwonnen leeuw, der dieren hoofd en koning,
		Die hier zijn hof ophoudt, en, met een fier gemoed,
		Na[53 - Gelijk men reeds herhaaldelijk zal opgemerkt hebben, heeft Vondel steeds na voor ons naar, en wij meenden dit te moeten behouden. Omgekeerd heeft hij veelal naar, waar wij na bezigen (gelijk bijv. zelfs in 't wanluidende naarderen voor naderen); wij hebben ons daarin echter, ter liefde der welluidendheid, aan het latere gebruik gehouden.] zijn raad-kamer treedt, gevolgd van eenen stoet
		En uitgelezen hoop van wel-geboren dieren,
		Die hoog geadeld zijn, en die zijn hoogheid vieren.
		't Langhalzige kameel; Heer bokkaart lang-gebaard:
		Het felle panther-dier, en 't welbeslagen paard;
		Heer wolfaart en den beer zijn 's konings opper-raden,
		Die letten wat het rijk kan voordren[54 - voordeelig zijn.] en beschaden:
		De tijger veld-heer is in 't ruim van dees vallei,
		Daar hij het opzicht heeft van 's konings veld-armei[55 - leger, 't Fransche armée.]
		Die vreeselijke dog, die de oogen wijd op sperde,
		De trotsche kapitein is van des konings garde,
		't Loos Reintjen is spion, die altijds op de straat
		Doorsnuffelt, wat'er in de wereld ommegaat.
		De brak is coertizaan[56 - hoveling, kamerjonker of iets derg.], en d' hazen zijn lakeyen,
		Die pronken aan 't paleis met 's konings levereyen.
		Den afgejukten stier, den ezel, en het zwijn
		Aan hofdienst, met de kat, van ouds verbonden zijn.
		De baviaan, de sim[57 - Van 't Latijnsche simia, voor aap.], en de aap hier op tonneelen[58 - Thans tooneelen.]
		Comedianten zijn, die 's princen farcen[59 - 't Fransche voor 't Nederlandsche zotternijen of zotte kluchten; thans alleen door dat laatste woord aangeduid.] spelen.
		Wie zag ooit schoonder jacht van alderhande wild?
		Ziet, hoe de een in gedaante, in[60 - Men zou liever en willen lezen.] verf van d' ander schilt,[61 - Voor verschilt of scheelt.]
		Hoe ruig[62 - 't Zelfde als ruw, hier wild of woest.] den eenen is, en de ander tam van zeden!
		Zoo iemand maar wat tijds of uren wil besteden
		In 't groen van dees warande, en ga slaan over al
		't Gevogelte en 't gediert, eerlang hij worden zal
		Een treflijk filosoof, vermits des wijsheids leesten[63 - manieren, wetten.]
		Gevormd zijn na 't bedrijf van vogelen en beesten.
		Wie dan leergierig is, die voeg' zich hier bij mij,
		En laat geen leerenstijd onachtzaam gaan voorbij.

    J. VAN VONDELEN.



I.

VAN 'T PEERD EN DEN VOERMAN


		Het slaafsche lastbaar[64 - lastdragend.] peerd, afwijkende te verre
		Van 't rechte wagen-spoor, geraakte met zijn kerre[65 - Voor karre; verg. tesch voor tasch, enz.]
		In 't diep van een moeras en slibberigen plas,
		Alwaar 't bijna versmoord en heel verzopen was.
		De voerman al vergramd, zijn geesel-zweep doet klassen[66 - Zooveel als kletsen, klappen.],
		En roept: "o kreng! ontslaat ons d' afgrond der morassen."
		Het ongelukkig dier trost wat het trossen mag,
		't Hijgt bijkans ademloos en voelt vast slag op slag;
		Ten laatste spreekt het dus: "O beudel! wilt u schamen,
		Dat gij zoo armen guil[67 - oud paard, thans veelal knol.] (als ik) slaat 't lijf vol stramen,
		Daar ik mij zelf niet spaar, maar hale tocht op tocht[68 - òf van den adem en 't hijgen, òf (met Van Lennep) van het rukken (tocht voor trek, ruk) te verstaan.],
		Op dat ik uit dees' gracht op 't droog geraken mocht."
		"Zacht (zegt de voerman) zacht! zult gij mij wederstreven?
		Ik zal u stokken-brood in plaats van haver geven!"
		Zoo sprekend hij den zweep rept met een groot geraas,
		En touwt[69 - Onophoudelijk slaat (gelijk het leer).] het taaye vel van 't mager honden-aas.
		Onzalig is het land, daar van een woest, verwaten,
		Ondraaglijk wreed tyran verheerd zijn de onderzaten.
		Hij zuipt haar 't vleesch en 't bloed, en knaagt tot op 't gebeent
		't Versteken[70 - verworpen, verschoven.] overschot der schameler[71 - Thans zonder verbuigingsvorm, schamele, boze.] gemeent.
		En zoo daar iemand kikt, die moet (wat boozer[72 - Thans zonder verbuigingsvorm, schamele, boze.] plagen!)
		Een driemaal zwaarder juk als ooit voor henen dragen.




II.

VAN DEN LEEUW EN DEN VOS


		Den onverwonnen leeuw, der dieren Opper-koning,
		Zich veinsde doodlijk krank in zijn gewelfde woning,
		En daagden al 't gediert ten hove, op groote peen[73 - straf ('t Fransche peine).]
		Wie daadlijk niet verscheen tot voorstand van 't gemeen;
		Vermits hij zaken had haar allen te verbreiden,
		Nut tot den stand zijns rijks, als hij zou zijn verscheiden.
		Elk volgt zijns konings last, al bevende, uit ontzag,
		Verschijnt in 't groot paleis op den gezetten dag.
		Elk komt' er, uitgezeîd[74 - Anders uitgenomen.] de vos, de loost' van allen,
		Die heeft in al dit spel een wonder kwaad gevallen[75 - behagen, inzicht.],
		Neemt op de stappen acht, die hij in 't zand ziet staan,
		Verneemt dat niemand keert van al die derwaarts gaan;
		Dies spreekt hij bij zich zelf, al toornig en verbolgen:
		Te recht zij beesten zijn, die blindeling dus volgen.
		De stappen die in 't zand, gestrekt[76 - die-gestrekt: Germ. voor die gestrekt zijn; ten zij men die wilde wegschrappen en lezen: De stappen in het zand, enz.] na 't groot paleis
		Klaar toonen, waar toe wil gedijen zulken reis,
		Vermits van veel niet een van onze meed-gezellen
		Weêrkeerden veilig, om 't geschiede te vertellen.
		Gelukkig is de man, die uit een rijp beraad
		Van 's princen tiranny en wreedheid 't net ontgaat;
		Die uit 't gevaar zich houdt van strikken opgehangen,
		Daar 't arme slechte[77 - eenvoudige.] volk te licht zich in laat vangen.




III.

VAN DEN EIK EN DEN OLMBOOM


		Den[78 - Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.] schaduwenden olm bad d' eik, der boomen koning,
		Dat, zonder lang verdrag[79 - uitstel.], of eenige verschooning,
		Hij 't bladerrijk geboomt, dat om hem stond gegroeid,
		Ter aarden vellen zou: op dat hij, schoon gebloeid[80 - Voor in schoonen bloei.],
		Zich heerlijk toonen mocht, en zonder eenig kommer
		Zijn groente breiden uit en veel begeerde lommer.
		Maar als den[81 - Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.] rijpen eik zijn schalkheid werd gewaar,
		Sprak hij: "waar blijve ik dan op 't strengste van het jaar,
		Wanneer den[82 - Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.] zuren herfst en winter met zijn buyen,
		Als uitgelaten heel, zoo fel begint te luyen,
		Dat mij volwassenheid noch dikte komt te sta,
		Hoe diep in d' afgrond[83 - voor benedengrond.] ik mijn kromme wort'len sla;
		Ten zij een dikke schaar van beuken, elzen, linden,
		Afschutten t' mijner baat 't gebulder van de winden;
		Dies ik uw schalkheid spoor[84 - Voor speur; verg. echter opsporen.] wel tastelijk en grof,
		En t' uwer straf verban u eeuwig uit mijn hof."
		Gij vorsten! luistert toe, en wilt dees leering vaten,
		Dat 's princen heil bestaat in 't heil van de onderzaten:
		Dat hij gelukkig is, die 's vleyers tong ontgaat,
		En van 't gezelschap der lof-tuiters zich ontslaat,
		Diens eenig doel-wit is den plas-dank van haar heeren,
		En, tot den bodem toe, de rijken om te keeren.




IV

VAN DEN BASILISCUS EN 'T WEZELKEN


		Het wreede, onmenschlijk dier, dat, eiselijk en straf,
		De menschen blixemt met een oogenwenk[85 - Anders oogwenk; evenzoo oogen-merk bij Cats voor ons oogmerk.] in 't graf,
		De felle basilisk, beloerden en bewaakte
		Een wezelken, 'twelk staag zijn duister hol genaakte;
		Een wezelken, 'twelk staag zijn aas aldaar ontrent
		En dagelijkschen roof te halen was gewend.
		't Welk, als het nu gewaar werd 's basilisken treken,
		Zoo heeft het hem beraân om 's vijands macht te breken,
		En met een taksken groen van ruiten[86 - Verbogen vorm van ruit, wijnruit.] zich bedekt,
		Van ruiten, 'twelk voor 't gift een tegen-gift verstrekt,
		Ja, eindelijk vermag den basilisk te dooden,
		Dies heeft het dagelijks zijn vijand 't hoofd geboden.
		Het welk den zwakken leert, dat hij zijn zaak gewis
		En wijs beleiden zal, om hem die sterker is
		Met uiterlijk geweld zoo zeer niet te bespringen,
		Als door voorzichtigheid en kloekheid[87 - Van verstand namelijk (verg. 't Hoogd. klugheit en klug).] te bedwingen.
		Veeltijds de sterken zijn door kloeker t' onderbracht[88 - Voor ten ondergebracht.],
		Want list (gelijk men zegt) gaat dikwijls boven kracht.




V.

DE AAP MET HAAR JONGEN


		Der bavianen nicht vol kluchtige praktijken,
		Die baarde te eender dracht twee kind'ren haars gelijken,
		Die welk zij ongelijk heeft t' zamen opgekweekt:
		't Een zij met liefde omhelsde en lieflijk heeft gesmeekt[89 - gevleid (verg. 't Hoogd. schmeicheln).]:
		Het ander zij verwierp en liet het in groot lijen,
		Als of het waar geweest onecht van bastaardijen[90 - Verbogen naamval, thans tot bastaardij verkort.];
		Daar 't nochtans wetlijk, als het ander, dalen kwam
		Van 't baviaansche bloed, den rechten apen-stam.
		Het ander dertel dier zwom vast in duizend weelden,
		Het buitelden op 't hoofd, het dansten en het speelden,
		Tot dat, bij ongeval, o droevig apen-wee!
		Het zijnen linker poot zeer deerlijk brak in twee;
		De moeder simme was begaan om 't kind te sussen,
		Maar laas! 't en holp al niet, 't en vraagde na geen kussen.
		Zij drukte 't aan de borst, het was te zonderling!
		Zoo lange tot de ziel het arme wicht ontging.
		De moeder was bedroefd, zij huilden en zij schreiden,
		Maar 't rechte wit-broods kind, dat was en bleef verscheiden.
		Gij ouders, die uw vrucht met zotte liefde aankleeft,
		Neemt hier een spiegel aan, en ziet wat loon 't u geeft:
		Als gij uw kind opkweekt, wild, dertel, ongebonden,
		Groeit in zijne ijdelheid, en lacht in zijne zonden.




VI.

DE LEEUW EN 'T PEERD


		De leeuw, 't ontzaglijk dier, 't peerd ziende 't gras aflezen,
		Zeer listig tot hem trad, en veinsde zich te wezen
		Een wel-ervaren arts, die, door kunst-rijke list,
		Tot allerlei gebrek en krankheid hulpe wist.
		Maar 't peerd, niet minder loos, riep: "o, ter goeder uren
		Heeft u Apollo hier tot mijwaarts willen sturen!
		O Æsculapi, komt, uitnemendste doctoor!
		Treedt herwaarts met uw kunsten komt mijn kwale voor:
		Want mijnen achtervoet mij bang maakt en verlegen,
		Vermits een groot gezwel, daar onlangs aan gekregen;
		Ontzegt uw hulpe niet, is 't anders in uw macht
		Besmeeret[91 - besmeert het.] met uw zalve, opdat het wat verzacht."
		De leeuw veinst zich gereed 's peerds achter-voet te heelen,
		En schikt[92 - voegt, plaatst.] zich achter aan: dan 't ros slacht niet den schelen[93 - Voor blind, onwijs.],
		Het slaat den loozen arts 't hoef-ijzer voor den kop,
		Dat hij ter aarden ligt, een-slags, met éénen klop.
		't Gaat zoo gemeenlijk, dat die andren meent te plagen,
		Die wordt eerst zelf geplaagd en moet zijn straffe dragen;
		Die anderen 't net voor-spant[94 - het boevenet; verg. boven bl. 54 (#x3_x_3_i150).] of eenen kuil bereidt,
		Eerlang zelfs in den strik of in den afgrond leidt.




VII.

DE VOS EN DE KRAAN


		De lang-gebekte kraan den schalken vos vergasten[95 - Voor bezocht als gast.];
		De vos, die op de komst van zijn vrundinne pasten,
		De spijzen rechtten aan, in 't plat van een platteel[96 - plat bord.];
		Dies pronkte[97 - prijkte (verg. ons te pronk staan.)] jufvrouw Kraan, maar Reintjen kreeg zijn deel.
		Dit heeft haar tot in 't hert verdroten en gespeten,
		Doch heeft zij 't ongemerkt voor suiker opgegeten,
		Ter tijd[98 - Voor totter of tot den tijd.] zij om haar leed te wreken was gereed,
		En Reinert ook genood haar tafel heeft bekleed;
		Maar 's Kranen loosheid heeft hij haastelijk vernomen,
		Toen hij 't eng-halzig vat met spijs ter disch zag komen.
		De smetsende[99 - Germanisme voor tergende.] weerdin spreekt 't looze vosken aan:
		"Hoe, Reynaart! eet gij niet, laat gij mijn spijze staan?
		Hoe smaakt mijn disch-gerecht?" de vos, die spreekt ten besten[100 - Verschoont zich, zoo goed hij kan.].
		Die met een ander spot, wordt zelf bespot ten lesten
		Want wie met andren schempt en houdt zijn spotgeral[101 - geklap.],
		Denk' vrijlijk, dat hij weêr beschempet werden zal.




VIII.

PAAUW EN DE NACHTEGAAL


		De schoon-geveêrde paauw aanhoorde, met begeeren,
		Het nachtegaalken in de wilgen quinkeleeren,
		En werd bijna verliefd op 't liefelijk gezang,
		En 't goddelijk muziek, dat uit de takken klank[102 - Voor klank.].
		Ten laatste sprak ze aldus: "O moeder aller dingen!
		Nature, die mij voor veel andren zonderlingen[103 - bijzonder.]
		En heerlijk hebt gecierd, hoe was ik zoo onweerd,
		Dat gij wèlzingens[104 - 't vroeger wellevens-kunst. Gelijk thans nog welsprekend- en wellevend-heid.] kunst met mijnen gouden steert
		En eersleep niet te gaâr hebt willen huwelijken,
		Op dat ik zoo alzins der vooglen roem mocht strijken!"
		Nature toen terstond heeft 's paauws ondankbaarheid
		Berispt, om dat met 't geen, haar rijklijk bijgeleid[105 - toegelegd, beschikt.],
		Zij niet en was vernoegd; gelijk, tot geenen tijden,
		Het nachtegaalken niet 's paauws voordeel zal benijden,
		Maar zich te vreden houdt met 't geen haar is gejond[106 - Thans gegund.].
		"Indien ook (zeide zij) het elkeen waar vergond,
		Te hebben 't geen hij wenscht, 't stond grootelijks te vreezen
		Dat met vernieuwen ik alsteeds zou bezig wezen.
		Gij, die met uwen staat noch eens ontvangen lot
		U nimmermeer vernoegt, maar opstaat tegen God
		En der naturen wet, leert met vernoeging leven,
		Noch wenscht niet na het gene een ander is gegeven."




IX.

VAN DE WOLVEN EN DE SCHAPEN


		De schapen hadden met de felle wolven t' zamen
		Een heftig krijg-geschil; dies haar te hulpe kwamen
		De wakker honden, die zich toonden al bereid,
		Haar zaak t' handhaven en haar groote onnoozelheid[107 - onschuld.].
		De wolven, buiten hoop van de overhand te houden,
		De schaapkens boden aan (indien zij 't haar vertrouwden)
		Te handelen van vreed': mits dat, van stonden aan,
		Zij d'honden zouden als in gijseling ontslaân,
		En daar voor wederom de wolfkens tot haar zenden.
		De schaapkens stemden zulks; o, droefheid! wat ellenden
		Genaakten haar zoo fluks! van d'honden zij ontbloot,
		Het een na 't ander van den wolfkens werd gedood,
		Al d'honden waren van den wolventand verbeten[108 - doodgebeten.].—
		Zoo varen zij, die licht der ouden leer vergeten,
		Dewelk ons streng verbiedt[109 - Thans zou men schrijven gebiedt.], dat zich een ieder wacht
		Te stellen zijn geweld[110 - macht (verg. vroeger).] in 's vijands wil en macht;
		Noch dat wij nimmer ons in slaap en laten wiegen
		Van hem, die al van ouds gewoon is te bedriegen,




X.

VAN DEN LEEUW ENDE 'T MUISKEN


		'k En weet[111 - Verg. boven bladz. 1, aant. 8.] bij wat geval de leeuw, met groot verschrikken,
		Zich vond op 't onverzienst in toebereide strikken,
		Het zij door 's jagers list, die 't ongediert belaagt,
		Of ander ongeval in 't looze net gejaagd.
		De sterke is in gevaar, hij worstelt naar vermogen,
		Maar wordt hoe langs hoe meer daar dieper ingetogen,
		Dies hij zijn stem verheft, en eiselijken brult,
		Dat 't gansche bosch alom is van 't geroep vervuld.
		Een muisken bij geval daar dicht omtrent geslopen,
		Op 't schallende gekrijsch koomt t' zijnder[112 - zijner, thans tot zijn ingekort.] hulp geloopen,
		En knaagt den strik in twee, met dankbaarheid en vreugd,
		Vergeldende des leeuws heel korts[113 - voor korten tijd, thans kortelings.] bewezen deugd.
		Koomt herwaarts, spiegelt u, gij koningen en heeren!
		En houdt zoo wel de kleinste als de aldergrootste in eeren,
		Vermits hier niemand is zoo machtig noch zoo groot,
		Of de allerkleinste kan hem oorbaar[114 - van nut, dienst.] zijn in nood.




XI.

VAN DE WIND, ZONNE, ENDE WANDELAAR.[115 - Men vergelijke, des belust, de bevallige bewerking der zelfde voorstelling door den Westfrieschen boer Corn. Maerts, in 't Nederl. Liedeboek of de nieuwe uitgave zijner Gedichten, bl. 141.]


		De sture Boreas[116 - Noordewind.] wel sterkelijk beweerde,
		Dat hij de schoone Zon in mogendheid passeerde;
		Zulk roemen Fœbo[117 - De zonnegod.] docht een al te groote spijt,
		Fluks dagende overzulks[118 - mitsdien.] den blaas-kaak uit ten strijd.
		De Noord-wind was gereed, liet zich ter plaatsen[119 - Thans plaats.] vinden,
		En snorkte, dat hij was de sterkste van de winden.
		Zij maakten een verdrag, de een voor en de ander naar[120 - Thans na.],
		Te proeven hare kracht op eenen reizenaar.[121 - Voor reiziger.]
		De bulderaar began[122 - Thans begon.], en blies met volle kaken,
		Wierp eike-boomen om en hoog-gerezen daken.
		De reiziger terwijl hield zijnen mantel vast,
		Spijt wat hij blazen mocht, wel stijf om 't lijf gepast.
		De wind, na lang geruisch, niet[123 - Thans niets.] ziende te vermogen,
		Gaf oorlof, dat de zon nu ook haar kracht mocht toogen;
		De Zon, die zoetelijk uit 's Hemels gouden dak,
		Op 't hoofd des reizenaars met heete stralen stak,
		Dat, zwetende ademloos, zijn kleedren hem verdroten,
		En zich[124 - Versta: hij zich.] van 's mantels last genoodzaakt was t' ontblooten.
		Gij, die te streng regeert, leert wat een macht, vermengd
		Met reên[125 - Thans rede.] en zachtigheid, al nuttigheid toe-brengt.
		Gematigd' heerschappij onbuigelijken lieden
		Veel dragelijker valt, als al te streng gebieden;
		't Gemeene volk, dat haat een al te korten lijn,
		't Wil liever zacht geleid, als hard gedwongen zijn.




XII.

VAN DE MIER EN DE KREKEL


		De magre krekel, nu van 's winters koû besprongen,
		Zocht aan 't kloek mierken heil, tot bedelen gedrongen,
		En met een heesche stem viel 't bezig dierken aan:
		"Erbermt u, juffrouw Mier! en om een weinig graan
		Mij ongetroost niet laat, noch hongersnood bezuren,
		Mijn armoê wat vervult, en opent uwe schuren."
		Maar 't wakker beestjen, vrij van kommer en ellend,
		Den krekel heeft aldus zijn traagheid voorgewend[126 - Rijmshalve voor voorgehouden.]:
		"Draagt nu verschulde[127 - Thans verschuldigde, verdiende.] straf, draagt nu 't vermaledijden,
		Die al den zomer sleet in wellust en verblijden,
		Die de aangename tijd en zegen hebt veracht,
		En slempende uwen oogst verkwist en doorgebracht."
		Het kostelijke pand en kleinood uitgenomen[128 - uitgelezen kleinood.],
		Is de altijd vliênde tijd, die, huiden omgekomen,
		Niet morgen weder keert; wijs is hij van beraad,
		Die 's tijds gelegenheid beoogt en gade slaat;
		Die op geen weelde steunt, noch die, hoe hoog gezeten,
		De aanstaande zwarigheid lichtveerdig gaat vergeten.




XIII.

VAN DEN WOLF EN DE KRAAN


		De wolf, der schapen vrees, door 't al te gulzig slikken
		Aan een verzwolgen been schier meende te verstikken;
		Dies hij, op hoop van hulp, de langgehalsde kraan
		Met veel beloften heeft verwil'gd[129 - Voor verwilligd, er toe bewogen.], zijn leed t' ontslaan.
		De kraan, op winst verzot, heeft stout en onverschrokken
		Uit de opgesperde keel des wolfs het been getrokken;
		Maar als zij nu om loon heeft (wel verdiend) getaald[130 - gevraagd.],
		Heeft met deze antwoord haar 't geholpen dier betaald:
		"Wat plompheid kleeft u aan, dat gij nog eischt belooning,
		Of is niet loons genoeg de erbarmlijke[131 - Hier, in bedrijvenden niet lijdenden zin: barmhartig, niet armzalig.] verschooning,
		Zoo dadelijk betoond? toen ik, hoe wreed geaard,
		Uw keel in mijne keel meêdoogend' heb gespaard.
		Dus uwer straten gaat, gaat henen uwer straten,
		En 't leven hebt te loon, dat ik u heb gelaten!"
		De ondankbre nimmermeer t' erkennen is bereed[132 - bereid.]
		De weldaad en de deugd, die aan hem is besteed;
		Zich zelven kent hij niet, blijft trotsch, stout en hovaardig,
		't Koomt (waant hij) hem al toe, en is nog meerder waardig.




XIV.

DE ESSCHEN-BOOM EN 'T RIET


		Een dik gegroeiden esch, wiens steile toppen gingen
		Recht naar de sterren toe en 's Hemels zolderingen,
		Trotseerde, dat hij stond verheven in 't foreest[133 - woud ('t Fr. forêt).],
		Spijt d' alderfelsten storm en allerlei tempeest:
		Braveerde, dat hij was veel sterker van vermogen
		Als 't riet, dat van den wind al stadig wordt gebogen;
		Als 't wankelbare riet, dat siddert, schudt en beeft
		Voor de alderminste koelt', die langs de velden zweeft.
		Hij eindigt naauw, een bui ontstaat met sneller vaarden[134 - Voor met snelle vaart.],
		En velt den esschen-boom ontworteld uit der aarden.
		't Riet, speurende de val desgenen, die terstond
		't Gebladerd hoofd opstak en hoog verheven stond,
		Dus bij zich zelven spreekt: "o, veilig wonderbaarlijk
		Is nederigen staat voor[135 - boven, meer dan.] hoogheid, die gevaarlijk
		Het onderwerpsel is van[136 - onderworpen is aan.] allerhande leed,
		En schielijk wordt gedreigd te vallen eer men 't weet."




XV.

VAN DEN LEUGENACHTIGEN SCHAAP-HERDER


		Een, die met d' herder-staf de wit gewolde kudden
		Voor 't ongediert op 't veld belast was te beschudden[137 - Rijmshalve voor beschutten.],
		Uit schalkheid menigmaal zijn luide stem verhief:
		"Help, wapen! wapen, help! en weert den schapen-dief!
		De wolf mijn kudd' belaagt, en ligt hier bij geslopen!"
		De land-liên kwamen fluks tot onderstand geloopen,
		Zoo lange tot, van hem bedrogen menigmaal,
		Zij sloegen in de wind zijn schalke logen-taal.
		Ten leste kwam degeen, die vast op[138 - hongert naar.] jonge lamren,
		Dies d' herder deerlijk kreesch, het zou een mensche jamren:
		"Help! nageburen, help! mijn kuddeken lijdt nood,
		De wolf van 't beste vlies mijn schaaps-kudd' heeft ontbloot!"
		Zijn roepen was vergeefs, vergeefs was 's herders weenen,
		Zij dachten: 't is bedrog, hij liegt gelijk voorhenen.
		Zulks en zoodanig is der logenaren loon,
		Diens[139 - Thans wier.] goddelooze tong te liegen is gewoon:
		Al spreekt hij somtijds schoon[140 - ook.] de waarheid zonder liegen,
		Men geeft hem geen geloof, die lust heeft in 't bedriegen.




XVI.

VAN 'T ZWIJN ENDE DEN WOLF


		De wolf een vuile zog[141 - Of zeug, zie 4 reg. lager.] ziende in den misthoop liggen,
		Die zwanger nu bestond te stenen en te biggen[142 - biggen te werpen, kramen.],
		Zich vroêmoer heeft geveinsd, en haar, in biggens smert,
		Te helpen aangeboôn uit een meêdoogend hert;
		Zulks heeft de vuile zeuge al morrende afgeslagen.
		De wolf, om zulken roof te beter te belagen,
		Erbood[143 - Germ. voor bood aan.] zich minne-moêr te willen zijn van 't spek,
		Dat nergens beter groeit als in zijn eigen drek.
		Maar als de bigster nu bemerkte 's wolves treken,
		Zij met deze antwoorde is der dieren schrik ontweken:
		"Gaat henen, jonker wolf! uw smeer[144 - vet, hier voor den vetten, welgevulden balg.] en pelsen huid
		Betuigen, wie gij zijt; zoekt elders uwen buit."
		Gij, die nog menschen wilt in deze wereld schijnen,
		En doodt de aanstaande vrucht uws lichaams met venijnen
		(Ik laat 't opvoeden staan[145 - Daargelaten, wat gij omtrent de opvoeding doet of niet doet.]);—komt herwaarts, en ontwaakt:
		Ziet, hoe het vuilste beest, de zeuge, uw vonnis maakt!
		't Zijn hoeren, die haar lief onechtelijk omarmen;
		Maar Duivels, die de vrucht haars lichaams niet beschermen.




XVII.

VAN EEN HOVEERDIG MUIL-DIER


		De gladde muil, gestald aan eener voller kribben[146 - Volledige verbuigingsvorm voor het thans geheel ingekorte een volle krib.],
		Zich mestte rond en bol, dat 't smeer kleefde aan de ribben,
		Vermids hij noch met last noch arbeid was bezwaard,
		Waarom hij weeldig werd en brieschten als een paard,
		Beroemende[147 - Roemende van.] 't geslacht, waar van hij was gesproten,
		Ja, van veel eedler bloed als al zijn tijdgenooten,
		Verheffende zijn deugd en 's draf-geleerdheids kunst,
		Waardoor hij t' hemwaarts trok zijns heeren oog en gunst,
		Waardoor hij overtrof Ros-bayaard[148 - Het welbekende paard der vier Heemskinderen; zie de afbeelding, des belust, in Alberdingk Thijms Karol. Verhalen.] in 't pikeeren[149 - berijden onder den man (verg. nog pikeur).],
		In ren of in tornooi, in springen of in keeren.
		Maar als de muil op 't lest werd voortgebracht in 't perk,
		En op zijn traagheid-van-naturen nam gemerk[150 - acht gaf (verg. oog-gemerk, boven bl. 56 (#x3_x_3_i312)).],
		Als de andre hengsten hem zoo wijd te boven gingen,
		Het zij in wakkerheid van draven of van springen:
		"Nu (sprak hij) merk ik licht, als ik mij zelven ken,
		Dat ik van 't ezels bloed van oud gesproten ben."
		De roemers varen zoo, die zot haar zelfs flatteeren,
		En roemen van het geen zij in der daad ontberen;
		Of iemand duizendmaal met roem zich zelf bekroont,
		De ervarenheid betuigt, wat deugd bij iemand woont.




XVIII.

DE WOLF IN 'T SCHAAPS-KLEED VOOR DE KOOI VAN 'T SCHAAP


		De wolf kwam tot de kooi der wapenlooze schapen,
		Vermomd met 't lammren-vel, om d' hamel te betrapen[151 - verschalken.],
		En bad hem, dat hij zich vervoegen wilde in 't woud,
		Dat als een schoon priëel was loof-rijk opgebouwd;
		Maar d' hamel zeide: "ik zou u geerne gaan verzellen,
		Indien gij waart een wolf, die u te weer mocht[152 - komt, vermocht te.] stellen,
		Zoo eenig ongediert ons overviel in 't groen."
		De wolf, gelijk verheugd om zulk een antwoord, toen
		Van 't schaaps-vel zich ontsloeg, en sprak: "t'sa, gaan wij wakker!
		Ik ben de wolf, uw vrund en aldertrouwste makker."
		"Neen," sprak den hamel toen, "gaat uwer straten[153 - uws weegs.] heen,
		En hebt met uwsgelijk uw lust en vreugd gemeen;
		Mijn schaaps-kooi ik behoe[154 - bewaar, behoud, blijf bewonen.], ter tijd ik, t' mijner bate,
		Een trouw gezel bekoom, daarop[155 - Thans waarop.] ik mij verlate:
		Genoeg heb ik geleerd, aan deze uw vreemde pert[156 - 't Fransche part voor poets.],
		Dat onder 't schapen-vel school 't wreede wolven-hert."
		't Is al van ouds, dat, om de onnooslen te verlokken
		De wreeden 't schapen-vel arglistelijk aantrokken;
		De schijn veeltijds bedriegt, dus is hij wijs bedacht,
		Die jonker Wolfaart vreest, en zich voor 't schaaps-vel wacht.




XIX.

EEN HERDER ENDE EEN AFGOD


		Den ossen-harder, tot afgoderij genegen,
		Aanbad een houten-God, om rijkdom en om zegen;
		Hij lag op 't aardrijk neêr, en bad de Godheid aan,
		Op dat hem 't heilig hout van armoê mocht ontslaan;
		Maar, als hij moê gebeên, na[157 - Thans naar.] blinder[158 - van blinde.] luiden zeden,
		Noch schat noch rijkdom kreeg tot loon van zijn gebeden,
		Hij, met een stalen aks, den afgod ging te keer,
		Die brekende den hals viel van 't hoog altaar neêr,
		Uitstortende een threzoor van schijven, die (uit zorgen)
		Daar iemand voormaals in had bij geval verborgen.
		Dies d' herder sprong van vreugd', en riep: "o Godheid mijn!
		Uw weldaad niet verbeên, maar woû gedwongen zijn!"
		Wat weldaad iemand doet, met kracht daar toe gedwongen,
		De zulke ontbeert den lof op des ontvangers tongen[159 - Thans tong.];
		Wie willig als van zelf zijn naasten deugd bewijst[160 - deugd doet, weldoet.],
		Veroorzaakt, dat men hem voor zijne mildheid prijst.




XX.

DE VOS EN DE KATTEN


		De schalke vos op 't veld de katten vast verzelde,
		En van zijn listigheid veel snorkende vertelde,
		Dat aller katten doen en hand-werk (hoe men 't acht)
		Was muize-vangerij en enkel ratten-jacht.
		Terwijl zij onderlinge aldus in 't twisten rezen,
		En Reinert[161 - Reintjen de vos.] boven haar de uitnemendste woû wezen,
		Een koppel honden haar te schielijk overkoomt;
		De simmen[162 - Eig. apen; wellicht dacht Vondel aan de meer-kat.] klavren[163 - Thans klouteren, maar eig. de verlengde vorm van klaven, dat de versterkte vorm van klieven is; verg. het Hoogd. klafter.] in de takken van 't geboomt;
		Maar Reintjen, in gevaar, niet wetende waar vluchten,
		Is fluks der brakken roof, en spreekt met diep verzuchten:
		"Hoe ijdel is de roem desgenen voor gewis,
		Die op de katten smaalde en nu haar schouwspel is;
		Wanneer hij in gevaar, ja, hoop en troost ten ende,
		Haar vlijtigheid aanschouwt en zelfs blijft in ellende!"
		Die schier vergodet schijnt en alles hier toelacht,
		Zich voor 't beroemen hoed' en voor 't bespotten wacht';
		't Geluk is wankelbaar; wel hem, die wijs beraden
		Zorgvuldelijk zich wacht van andre te versmaden.




XXI.

'T SERPENT EN 'T AAMBEELD


		't Scherptandige serpent belust was te vermalen
		Een aambeeld, herd van staal en ijzer t'eenemalen,
		Maar kon verwinnen niet[164 - Thans niets.] op zulken ijz'ren romp;
		En maakte 't aambeeld niet, maar al zijn tanden stomp.
		Als nu des diers gebit ten leste was bedorven,
		Heeft het van 't aambeeld tot een antwoord dit verworven:
		"Wat dolheid gaat u aan, dat, met een scherp gebit,
		Gij om mijn herdheid te verbrijzlen zijt verhit!
		Laat af, laat af in tijds, al waren uwe tanden
		Van koper en van staal, ik maakte ze ter schanden."
		Dees fabel wil de zulke aan-spreken zonderlingen,
		Die zich aanmeten meer als menschelijke dingen.
		Gelijk dat zotte volk, dat, met een ijdel hoop,
		Een vaart langs 't Noorden zoekt, spijt der naturen loop:
		Dat met een eiken plank, o stoute zee-gezellen!
		Drijft door 't bergachtig ijs, gelijk als na der Hellen,
		En blijfter al een schip in 't Noorden voor den tol,
		Gelijk een toren, staan, zij varen even dol[165 - Vondel rekende hier buiten de M'clures en Kanes onzer dagen.].




XXII.

DE OUDE ENDE JONGE KREEFT


		De schelpe-drager kreeft wild' haars gelijk aanwijzen,
		Dat 't voorwaarts zwemmen meer als 't aarslen[166 - zich achterwaarts bewegen (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).] is te prijzen:
		Al was 't schoon, dat[167 - Thans ofschoon ook.] nature haarluiden[168 - Hunlieden, hun.] in dit deel
		In 't scheppen hadde ontbloot van schoonheid al geheel,
		Vermits zij andren hadde op andre wijs gegeven,
		Met vinnen door het vocht recht voorwaarts uit te zweven.
		Maar de onderwezen kreeft sprak zijnen makker aan,
		Dewijl hij 't had geleerd, hij zoudet[169 - Hij zou't het.] eerst bestaan,
		En als een leerlijk beeld[170 - voorbeeld.] het vochte veld doorploegen,
		Hij wilde[171 - zoo hij wilde.] recht op 't spoor hem na te volgen voegen[172 - zich begeven.].—
		Gij, die 't voortrefflijk ambt eens leeraars vast bekleedt,
		En andren haar gebrek te toonen zijt gereed,
		U zelven eerst bestiert, wilt in u zelf genezen
		't Geen gij in andren meent bestraffelijk te wezen;
		Want als gij andren leert, en blijft van 't goede schuw,
		Zoo blijft een dobbel zonde en grover vlek in u.




XXIII.

DE KRAAI EN 'T SCHAAP


		De hongerige raaf, tot stelen altijd vlugge,
		Vloog 't witgewolde schaap op zijnen bonten[173 - Voor gepelsden; bont (naar Van Lennep's juiste opmerking) in denzelfden zin, als in bont- of pelswerker genomen.] rugge;
		Uitplukkende van 't vlies de wol gelijk verwoed,
		Doorpikt het blanke vel, en zuipt 't onnoosle bloed;
		Het lammeken lijdt smert, doet niet dan droevig blaren,
		Maar kan de vogel noch verschrikken noch vervaren.
		Dies het ten leste spreekt: "bloed-zuipende tyran!
		Gij zijt voorwaar op mij een dapper held en man;
		Op mij, onnoozel dier en weerloos heel met allen[174 - Anders gansch en al, heelendal.]!
		Maar, hebdy 't hert, bestaat den hond eens aan te vallen."
		De raaf wordt noch beweegd noch luistert naar die zang,
		Zuipt 't jonge lamren-bloed, gaat vlijtig haren gang.
		De klachten zijn vergeefs, vergeefs zijn al de tranen,
		Die voor een dwingeland uitstorten de onderdanen;
		Hij lacht in hun verdriet, hij groeit in hunne smert,
		En voedt met haren druk de blijdschap in zijn hert.




XXIV.

DE VOS EN DE BIJEN


		Den vos, in eenen strik geraakt in duizend lijen,
		Besprongen eenen zwerm van hommelende bijen;
		Die priemden[175 - priemen en pramen, gelijk striemen en stramen.]




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/joost-van-de-vondel/de-complete-werken-van-joost-van-vondel-2/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


De eerste uitgave verscheen, in 1617, bij den uitgever van den Gulden Winkel, die onder ieder der "aardige afbeeldingen" waarmede zij "versierd" was, een "exempel uit de oude historiën", stelde (zie het slot der Voorreden). Sedert werd het boekjen herhaaldelijk herdrukt.




2


Nam. de vos.




3


uit zich zelf.




4


Gelijk gewoonlijk bij Vondel voor moest.




5


bijzondere.




6


Latinisme voor door de.




7


Thans hun.




8


Thans zij kunnen.




9


Thans niets.




10


Thans bij 't vuur.




11


Door (verg. 't Eng. by).




12


De maker der platen bij de afzonderlijke uitgaven (verg. ook die van Van Lennep.)




13


Germanisme voor onbeperkt.




14


Daar deze (naar Van Lenneps opmerking) blijkbaar niet van Vondel zelf, maar van Pers waren, zijn ze hier achterwege gelaten; de desbeluste lezer kan ze in zijne uitgave naslaan.




15


redelooze (verg. het Hoogd. unvernünftig.)




16


Voor stiert het.




17


Thans veroorlooft.




18


Thans wordt.




19


Thans verkort tot zon.




20


Versta: door menig voor meer dan Hemelsch geacht.




21


Ariadne, die Theseus, naar de oude legende, uit den doolhof op Creta (Candia) hielp.




22


Anders kluwen (verg. waarschouwen, stouwen, enz.)




23


Voor houde het.




24


Voor erken 't.




25


Voor zoo hij best mag (of kan.)




26


Voor bloemrijk in 't algemeen.




27


Thans zich zelf.




28


Rijmshalve, maar anders vrij oneigenlijk, voor met spoed.




29


Drinkt elkander toe; van 't Fransche à vous.




30


afscheid.




31


Voor Labyrinth, d.i. doolhof.




32


bevatting, inhoud.




33


Terecht herinnert Van Lennep hierbij aan den zoogenoemden Muzentempel op Hendrik Laurentz. Spiegel's Meerhuizen; waarover verg. Drost's bevallige schets in zijne Schetsen en Verhalen, bladz. 203.




34


Weder met verkeerden klemtoon voor Heraclítus, den bekenden diepzinnigen wijsgeer der oudheid, in de volksoverlevering tegenover den blijmoedigen Democritus gesteld.




35


Thans maan.




36


Gelijk reeds herhaaldelijk voor strand.




37


kunt gij.




38


werpen.




39


Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.




40


Stuurlieden der oude overlevering bij den tocht der Argonauten en dien naar Latium.




41


ziet gij.




42


opmaken van 't haar.




43


Netten tegen de zee-boeven of zee-schuimers gespannen.




44


vreeslijk (thans verkeerdelijk ijslijk gespeld; verg. vroeger.).




45


Thans uit zijn keel of hals.




46


kleverig.




47


pochen.




48


Thans kalkoenen (eig. kalikoensche of calicutsche haan of hen.)




49


Geheel naar de Nederlandsche spreektaal; de boekentaal onzer dagen zou meenen hier het stijve, en meer Latijnsche dan Hollandsche die te moeten schrijven.




50


Thans tot beul zaamgetrokken; eigenlijk de gerechts-bodel of bode, en in 't Middeleeuwsch Latijn met pedellus vertaald.




51


opengaat.




52


een (nam. van kleur), tegenover 't bontverwige der anderen.




53


Gelijk men reeds herhaaldelijk zal opgemerkt hebben, heeft Vondel steeds na voor ons naar, en wij meenden dit te moeten behouden. Omgekeerd heeft hij veelal naar, waar wij na bezigen (gelijk bijv. zelfs in 't wanluidende naarderen voor naderen); wij hebben ons daarin echter, ter liefde der welluidendheid, aan het latere gebruik gehouden.




54


voordeelig zijn.




55


leger, 't Fransche armée.




56


hoveling, kamerjonker of iets derg.




57


Van 't Latijnsche simia, voor aap.




58


Thans tooneelen.




59


't Fransche voor 't Nederlandsche zotternijen of zotte kluchten; thans alleen door dat laatste woord aangeduid.




60


Men zou liever en willen lezen.




61


Voor verschilt of scheelt.




62


't Zelfde als ruw, hier wild of woest.




63


manieren, wetten.




64


lastdragend.




65


Voor karre; verg. tesch voor tasch, enz.




66


Zooveel als kletsen, klappen.




67


oud paard, thans veelal knol.




68


òf van den adem en 't hijgen, òf (met Van Lennep) van het rukken (tocht voor trek, ruk) te verstaan.




69


Onophoudelijk slaat (gelijk het leer).




70


verworpen, verschoven.




71


Thans zonder verbuigingsvorm, schamele, boze.




72


Thans zonder verbuigingsvorm, schamele, boze.




73


straf ('t Fransche peine).




74


Anders uitgenomen.




75


behagen, inzicht.




76


die-gestrekt: Germ. voor die gestrekt zijn; ten zij men die wilde wegschrappen en lezen: De stappen in het zand, enz.




77


eenvoudige.




78


Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.




79


uitstel.




80


Voor in schoonen bloei.




81


Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.




82


Voor de, gelijk reeds herhaaldelijk; men wachte zich echter wel dit den als dèn uit te spreken, gelijk ook thans nog velen doen.




83


voor benedengrond.




84


Voor speur; verg. echter opsporen.




85


Anders oogwenk; evenzoo oogen-merk bij Cats voor ons oogmerk.




86


Verbogen vorm van ruit, wijnruit.




87


Van verstand namelijk (verg. 't Hoogd. klugheit en klug).




88


Voor ten ondergebracht.




89


gevleid (verg. 't Hoogd. schmeicheln).




90


Verbogen naamval, thans tot bastaardij verkort.




91


besmeert het.




92


voegt, plaatst.




93


Voor blind, onwijs.




94


het boevenet; verg. boven bl. 54 (#x3_x_3_i150).




95


Voor bezocht als gast.




96


plat bord.




97


prijkte (verg. ons te pronk staan.)




98


Voor totter of tot den tijd.




99


Germanisme voor tergende.




100


Verschoont zich, zoo goed hij kan.




101


geklap.




102


Voor klank.




103


bijzonder.




104


't vroeger wellevens-kunst. Gelijk thans nog welsprekend- en wellevend-heid.




105


toegelegd, beschikt.




106


Thans gegund.




107


onschuld.




108


doodgebeten.




109


Thans zou men schrijven gebiedt.




110


macht (verg. vroeger).




111


Verg. boven bladz. 1, aant. 8.




112


zijner, thans tot zijn ingekort.




113


voor korten tijd, thans kortelings.




114


van nut, dienst.




115


Men vergelijke, des belust, de bevallige bewerking der zelfde voorstelling door den Westfrieschen boer Corn. Maerts, in 't Nederl. Liedeboek of de nieuwe uitgave zijner Gedichten, bl. 141.




116


Noordewind.




117


De zonnegod.




118


mitsdien.




119


Thans plaats.




120


Thans na.




121


Voor reiziger.




122


Thans begon.




123


Thans niets.




124


Versta: hij zich.




125


Thans rede.




126


Rijmshalve voor voorgehouden.




127


Thans verschuldigde, verdiende.




128


uitgelezen kleinood.




129


Voor verwilligd, er toe bewogen.




130


gevraagd.




131


Hier, in bedrijvenden niet lijdenden zin: barmhartig, niet armzalig.




132


bereid.




133


woud ('t Fr. forêt).




134


Voor met snelle vaart.




135


boven, meer dan.




136


onderworpen is aan.




137


Rijmshalve voor beschutten.




138


hongert naar.




139


Thans wier.




140


ook.




141


Of zeug, zie 4 reg. lager.




142


biggen te werpen, kramen.




143


Germ. voor bood aan.




144


vet, hier voor den vetten, welgevulden balg.




145


Daargelaten, wat gij omtrent de opvoeding doet of niet doet.




146


Volledige verbuigingsvorm voor het thans geheel ingekorte een volle krib.




147


Roemende van.




148


Het welbekende paard der vier Heemskinderen; zie de afbeelding, des belust, in Alberdingk Thijms Karol. Verhalen.




149


berijden onder den man (verg. nog pikeur).




150


acht gaf (verg. oog-gemerk, boven bl. 56 (#x3_x_3_i312)).




151


verschalken.




152


komt, vermocht te.




153


uws weegs.




154


bewaar, behoud, blijf bewonen.




155


Thans waarop.




156


't Fransche part voor poets.




157


Thans naar.




158


van blinde.




159


Thans tong.




160


deugd doet, weldoet.




161


Reintjen de vos.




162


Eig. apen; wellicht dacht Vondel aan de meer-kat.




163


Thans klouteren, maar eig. de verlengde vorm van klaven, dat de versterkte vorm van klieven is; verg. het Hoogd. klafter.




164


Thans niets.




165


Vondel rekende hier buiten de M'clures en Kanes onzer dagen.




166


zich achterwaarts bewegen (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).




167


Thans ofschoon ook.




168


Hunlieden, hun.




169


Hij zou't het.




170


voorbeeld.




171


zoo hij wilde.




172


zich begeven.




173


Voor gepelsden; bont (naar Van Lennep's juiste opmerking) in denzelfden zin, als in bont- of pelswerker genomen.




174


Anders gansch en al, heelendal.




175


priemen en pramen, gelijk striemen en stramen.


