Het Geld van Robinson Crusoe
David Ames Wells




David Ames Wells

Het Geld van Robinson Crusoe / Populaire uiteenzetting omtrent den oorsprong en het gebruik van geld als ruilmiddel






“Ik glimlachte bij het gezicht van al dat geld. O, rommel! zei ik hardop, waartoe dient ge thans? Ge zijt me zelfs het oprapen niet waard. Een dezer messen is evenveel waard als deze heele geldvoorraad”.












Voorwoord


De Vereenigde Staten van Noord-Amerika waren door den oorlog tegen de Zuidelijke Staten voor tal van moeilijkheden gekomen op finantieel en monetair gebied; men denke slechts aan de overmatige uitgifte van de befaamde “green-back’s”, muntbiljetten, welke door te groote uitgifte ernstig in waarde waren gedaald tegenover het metalen geld; allerlei verschijnselen van inflatie en van depreciatie van geld hadden zich voorgedaan en brachten de gemoederen evenzeer in beweging, als thans gedurende den grooten oorlog wederom het geval is geworden.

Niet alleen waren groote fouten begaan op finantieel en monetair gebied, maar de maatregelen, welke van verschillende zijden als geneesmiddelen voor de ondeugdelijke toestanden werden aangeprezen waren meermalen nog veel afkeurenswaardiger.

Vele artikels werden gepubliceerd en redevoeringen gehouden, het geld- en muntvraagstuk bleef echter voor de groote massa onbegrijpelijk, ook al gevoelde zij dagelijks de nadeelen van een verkeerde regeling; het groote publiek vond die verhandelingen onduidelijk, of vervelend, en het gevolg was, dat wanbegrippen en dwaalleer op dit punt steeds weder te voorschijn konden komen.

In die omstandigheden werd aan den Amerikaan David A. Wells, Special commissioner of Revenue, gevraagd of hij kans zag om een verhandeling te schrijven, waarin die belangrijke vraagstukken over geld- en muntwezen op de meest eenvoudige wijze zouden uiteengezet worden, en in een stijl dat het groote publiek lust zou gevoelen om aan die abstracte en tot vervelens toe behandelde economische vraagstukken nog eens de noodige aandacht te wijden.

De Heer Wells heeft zich op voortreffelijke wijze van die opdracht gekweten. Hij heeft daartoe het meermalen gebruikte middel gekozen van het construeeren van eene denkbeeldige gemeenschap, die van de primitiefste perioden van eene samenleving zich ontwikkelde tot een modernen staat; als onderwerp heeft hij gekozen het eiland van Robinson Crusoe, hetwelk hij onder diens patriarchale leiding alle phasen laat doorloopen van een oervolk tot een staat van onzen tijd; en bepaaldelijk laat hij die denkbeeldige gemeenschap alle fouten begaan, welke op munt-gebied in de geschiedenis zijn voorgekomen.

Met bewonderenswaardige duidelijkheid en meestal sprankelend van geest, vertelt hij de wederwaardigheden van zijn volk van marionetten; en zoo is hij in staat geweest om de ingewikkelde munt-problemen voor een ieder duidelijk te maken.

Wij zagen in de geschiedenis der laatste vier jaren, sedert het uitbreken van den wereldoorlog na Juli 1914, op hoogst merkwaardige wijze weder tal van dezelfde geld- en munt-problemen opkomen: overmatige uitgifte van circulatie-middelen, inflatie, stijgen van goederenprijzen, depreciatie van geld, voorstellen om het goud af te schaffen en om een idiëele waardemeter in te voeren enz.; het betoog van den Heer Wells is daarom weder zoo frisch geworden, alsof het voor onzen tijd was geschreven. Ook in onzen tijd hebben wij eene dergelijke nuchtere voorlichting nog zeer van noode. Daarom heeft het boek van den Heer Wells voor onzen tijd eene nieuwe bekoring gekregen. Zijne uiteenzetting b.v. waarom goud zoo uitmuntende eigenschappen bezit, om als ruilmiddel en als waardemeter te dienen, is zoo geestig en zoo duidelijk, dat een ieder deze met genoegen moet lezen. In zijne beschrijving van de gevolgen van den oorlog met de kannibalen treft men telkens punten van overeenstemming met de oorlogstoestanden van onzen tijd; de beteekenis van de staatsleeningen voor de oorlogvoering wordt onder eene humoristische beschrijving toch zeer scherp geanalyseerd. En alle dwaasheden of gemaakte fouten, welke hij in zijne geschiedenis invlecht, zijn destijds òf werkelijk voorgekomen, òf werden althans in vollen ernst bepleit door “deskundigen”. Tal van noten verwijzen naar deze inderdaad historische feiten.

De frischheid van dit boek nog voor onzen tijd, heeft aan de firma W. P. van Stockum en Zoon, uitgevers te ’s-Gravenhage, aanleiding gegeven het te doen vertalen, teneinde het voor Nederlandsche lezers opnieuw verkrijgbaar te stellen. De vertaling was niet gemakkelijk; niet alleen tintelt het betoog van een aantal woordspelingen, welke uit den aard der zaak moeilijk in een andere taal weer te geven zijn, doch meermalen voert de schrijver zijne lezers opzettelijk in een strik van verwarde zinnen, met het doel om duidelijk te doen uitkomen, welk een wartaal in dergelijke redeneeringen meermalen gebruikt wordt; zit de lezer goed in dit warnet vast, dan laat hij door zijne volgende snaaksche zetten en conclusiën duidelijk den onzin van het voorgaande betoog gevoelen. Het spreekt vanzelf, dat dergelijke passages zeer moeilijk te vertalen zijn met behoud van de oorspronkelijke frischheid; nu en dan moest de vertaling dan ook op eenigszins vrije wijze geschieden. Om het werk van de vertaalster te kunnen waardeeren, dient dit wel even opgemerkt te worden. Overigens is het boek zelf in zeer lichten vlotten stijl, meestal zelfs in spreektrant geschreven; bij de vertaling werd er naar gestreefd, dit eigenaardige karakter niet te loor te doen gaan.

Ik geloof, dat de Heeren van Stockum & Zoon een goed werk doen met hunne Nederlandsche uitgave van dit boek; het is in hooge mate leerzaam, en de zeer vermakelijke vorm, waardoor de lezer zich verkneukelen kan in eenige uren genoegelijke lectuur, zal de grondwaarheden van de leer van het geld toegankelijk maken voor menigeen, die geen geduld of lust zou hebben, om de meestal zwaarwichtige betoogen op dit punt door te worstelen.

Moge dit boek dan zijn weg onder het Nederlandsch publiek vinden; het kan, zich vermakende met de goede zetten, veel daaruit leeren.—

G. Vissering.

Amsterdam, 22 October 1918.









Hoofdstuk I.

De drie groote zakken geld


Iedereen, die “Robinson Crusoe” gelezen heeft (en wie heeft dat niet gedaan?) zal zich herinneren hoe hij, toen hij al een tijd lang op zijn verlaten eiland vertoefd had, een van de kasten opende, die van het schip naar hem waren toegedreven. In die kast vond hij spelden, naalden en garen, een groote schaar, “tien of twaalf goede messen,” een paar stukken goed, ongeveer anderhalf dozijn wit linnen zakdoeken, waarover hij opmerkt: “zij waren uiterst verfrisschend om mijn gezicht mee af te vegen op een warmen dag,” en ten slotte, verborgen in de lade van de kast, “drie groote zakken geld—goud zoowel als zilver.”

Men zal zich verder herinneren hoe het vinden van al deze voorwerpen—het geld uitgezonderd—Crusoe zeer gelukkig maakte, omdat zij zijn voorraad nuttige dingen vermeerderden en zoodoende zijn comfort en geluk vergrootten. Maar met het geld was het een heel ander geval. Het had onder deze omstandigheden niet de minste waarde voor hem; en de vondst der drie zakken gaf hem aanleiding tot de volgende alleenspraak: “Ik glimlachte bij het gezicht van al dat geld.” “O rommel!” zeide ik hardop, “waarvoor dient ge nu? Gij zijt mij zelfs het oprapen niet waard. Eén van die messen is evenveel waard als deze geheele stapel. Neen, wat zeg ik, ik zou al dit geld gaarne willen geven voor een gros tabakspijpen; voor een zakje wortel- en knollenzaad, dat in Engeland zes stuivers kost; of voor een handvol erwten en boonen en een flesch inkt.”

Toen de schrijver, de Foe, deze episode aan de levensgeschiedenis van zijn held toevoegde, zal het waarschijnlijk allerminst in zijn bedoeling gelegen hebben om zijn lezers een les in de staathuishoudkunde te geven. En toch zou het moeilijk zijn om een tweede voorbeeld te vinden waaruit zoo glashelder de aard van het begrip “rijkdom” blijkt, of dat een even zuivere basis verschaft voor een nauwkeurig onderzoek naar den oorsprong en het doel van datgene, wat we “geld” noemen. En bij een dergelijk onderzoek ligt de waarheid van de volgende grondstellingen zoozeer voor de hand, dat het onnoodig is om deze nader aan te toonen:

1e. De spelden, naalden en messen, de schaar en de stof waren van zeer veel nut voor Robinson Crusoe, omdat zij tegemoet kwamen aan een dringende behoefte van zijn kant, en omdat zij zijn comfort en geluk belangrijk vermeerderden.

2e. Hoewel zeer nuttig, hadden deze voorwerpen toch geen ruilbare waarde, omdat zij niet gekocht of verkocht, of wat op hetzelfde neerkomt, niet met iemand tegen iets anders geruild konden worden.

3e. Zij hadden bovendien geen prijs, want zij bezaten geen koopkracht, die in geld kon worden uitgedrukt.

4e. Het geld daarentegen, dat gewoonlijk beschouwd wordt als het symbool en de samenvatting van alles wat rijkdom is, had onder deze omstandigheden noch nut, noch waarde, noch prijs. Het kon niet gegeten of gedronken of gedragen of als werktuig gebruikt of met iemand voor iets anders geruild worden, en het verdiende dus ten volle de benaming, die Crusoe het op een andere plaats geeft van “armzalig, waardeloos prullegoed”.

De slotsom is dus, dat de spelden, naalden en messen, de stof en de schaar allen tezamen kapitaal vertegenwoordigden voor Robinson Crusoe, omdat hij ieder van deze voorwerpen gebruiken kon om iets nieuws te produceeren, dat nuttig of wenschelijk voor hem zelf was. Het geld was géén kapitaal onder deze omstandigheden, daar het niet kon dienen om iets anders mee te produceeren.

Wij gaan dus uit van een stand van zaken op het eiland, waarbij geld klaarblijkelijk nut noch waarde heeft; laat ons nu vervolgens nagaan door welke wijziging in de binnenlandsche toestanden het nut en waarde zou verkrijgen, een handelsobject zou worden en tevens een standaard voor het vaststellen van prijzen.




Hoofdstuk II.

Een nieuwe maatschappelijke orde van zaken


Het eerste menschelijke wezen, dat Robinson Crusoe gezelschap kwam houden op zijn eiland, was Vrijdag en vervolgens Vrijdag’s vader. Maar zelfs deze vermeerdering van personen had nog geen behoefte aan geld tengevolge, omdat deze drie menschen tesamen slechts één familie vormden, waarvan de leden volkomen samenwerkten en alle nuttige dingen, die zij in gemeenschap verkregen, onderling deelden, zonder ruilhandel met elkander te drijven. Maar toen Will Atkins kwam met de Engelsche zeelieden en, zooals wij mogen aannemen, het bevolkingscijfer van het eiland aanmerkelijk en blijvend vermeerderde, werd een nieuwe maatschappelijke orde van zaken onvermijdelijk. Onderscheid van karakter en smaken en een natuurlijk verlangen naar persoonlijke onafhankelijkheid maakten het weldra onmogelijk, dat allen tesamen zouden leven en alles deelen als één groote familie. En weldra leerde het eigenbelang hun ook, dat het voor de vermeerdering der productie en de verbetering der qualiteit van alles wat de nieuwe gemeenschap in haar geheel noodig had, wenschelijk was, indien niet iedereen in al zijn eigen behoeften trachtte te voorzien en daarom nu eens het werk van een timmerman of een bakker en dan weer dat van een kleermaker, een metselaar enz. deed; maar dat het voor elkeen het beste was om zich uitsluitend tot één vak te bepalen, zich daarin te bekwamen en zichzelf de dingen, welke hij niet zelf vervaardigde en die hij noodig mocht hebben, te verschaffen, door zijn eigen producten of diensten te ruilen tegen de producten of diensten van een ander. Zij begrepen instinctmatig, dat Robinson Crusoe, al was hij oorspronkelijk een beschaafd mensch geweest, onvermijdelijk een echte wilde zou zijn geworden, wanneer hij alleen was gebleven op het eiland en wel uitsluitend daarom, omdat hij er alleen was en geen ruilhandel kon drijven. Gedurende eenigen tijd hielden de voorwerpen, die hij uit het wrak had kunnen redden, hem nog op een zeker peil van beschaving, want alles wat het schip hem gebracht had—de messen, bijlen, geweren, stof, enz.—was kapitaal of het product van de vereenigde arbeidskrachten van andere menschen. Maar als het schip hem niets had gebracht, dan had hij alles zelf moeten maken: “zijn hoed, zijn kleeren, zijn voetbekleeding, zijn brood, zijn vleesch door middel van zijn pijl en boog, zijn huis met behulp van zijn bijl, zijn bijl met behulp van zijn hamer, zijn hamer.... ja, hoe hij zijn hamer had moeten maken, mag de hemel weten”—en hij zou een wilde geworden zijn, al zijn beschaving ten spijt; omdat het hem met inspanning van al zijne krachten ternauwernood mogelijk zou zijn geweest om zichzelf een schamel bestaan te verzekeren.

Eene systematische arbeidsverdeeling en een ruilhandel in producten en diensten deden aldus voor het eerst hun intrede op het eiland en vormden een onderdeel van een verbeterd productiesysteem en het middel voor de bewoners om in hun levensonderhoud te voorzien. En hierbij dient tevens opgemerkt te worden, dat daar artikelen en diensten nu voor het eerst ruilbaar werden, dezen ook voor het eerst dat attribuut verkregen, dat wij “waarde” noemen.




Hoofdstuk III.

De periode van goederenruil


Alle ruilhandel moet evenwel in den aanvang direct van den eenen persoon tot den anderen hebben plaats gevonden, of, zooals wij het uitdrukken, in den vorm van goederenruil door gelijk oversteken; door het geven van een zekere hoeveelheid van één soort artikelen of diensten voor een overeenkomstige hoeveelheid van een ander soort artikelen of diensten—koren voor stof, bont en huiden voor messen of tabak, zóóveel werk om een huis te bouwen voor zóóveel bekwaamheid om een cano te vervaardigen. Maar in deze geheele methode van handeldrijven, die, hoewel de oudste, nog steeds in geruime mate in zwang is zelfs onder de meest beschaafde naties, was geen plaats voor het gebruik of de tusschenkomst van geld en bij gevolg bestond er ook niet zooiets als een prijs, want prijs is, zooals we al eerder hebben vastgesteld, de koopkracht van een artikel of dienst uitgedrukt in geld.

Maar de menschen op het eiland van Robinson Crusoe ondervonden weldra, dat er groote bezwaren verbonden waren aan de methode van handeldrijven uitsluitend op den grondslag van directe goederenruil, bezwaren van zulk een ernstigen aard, dat deze, wanneer zij niet werden weggenomen, wel eens allen verderen vooruitgang in beschaving en maatschappelijke ontwikkeling voor de toekomst onmogelijk zouden kunnen maken. De ontdekking van dit feit vond ongeveer op de volgende wijze plaats:

Twist, die kleermaker was en een jas gemaakt had, ontdekte opeens dat al zijn brood op was: en daar hij honger had, staakte hij zijn werk en ging Needum, den bakker, opzoeken om een ruil aan te gaan. Het kostte hem geen moeite om Needum te vinden, die juist bezig was zijn oven op te stoken en die een grooten voorraad brood had om te verkoopen; maar omdat de bakker in het bezit was van alle jassen, die hij noodig had, weigerde hij om handel te drijven. Alleen deelde hij Twist welwillend mede, dat, wanneer deze soms iemand ontmoeten mocht, die graan of meel over had, hij (Needum) dien heel graag in ruil daarvoor voorzien zou van al het brood, dat hij noodig had; maar daar de kleermaker geen landbouwer en evenmin een molenaar was en daarom deze artikelen niet bezat, begaf hij (Twist) zich op weg naar het andere uiteinde van het eiland, waar een andere bakker woonde, om te zien hoe het met dezen gesteld was op het punt van kleeren. Onderweg werd Twist ingehaald door Pecks, den metselaar, die geen jas had en daar deze juist datzelfde kleedingstuk noodig had, dat Twist gemaakt had, was hij opgehouden met het bouwen van een steenen muur om den kleermaker te gaan zoeken, aan wien hij nu het voorstel deed om een jas met hem te ruilen tegen een nieuwen schoorsteen. Maar daar Twist al twee schoorsteenen op zijn huis had en niets om te koken, en omdat hij dus geen behoefte had aan een derden schoorsteen, had de metselaar al evenmin succes met zijn poging om handel te drijven met den kleermaker, als de kleermaker een oogenblik tevoren met den bakker had gehad. Tenslotte, na heel wat moeite en heen en weer reizen, wat voor hem tevens een groot verlies aan tijd en arbeid beteekende, vond Twist een bakker, die brood wilde ruilen voor de jas en Pecks een kleermaker, die een jas wilde geven voor een schoorsteen; en intusschen had Needum zijn bakkerij gesloten om Diggs, den landbouwer, op te zoeken, die genegen was om hem graan te verschaffen voor brood. Maar toen nu eindelijk al die verschillende menschen bij elkander waren gekomen om onderling hun producten en diensten te verhandelen, deed zich dadelijk een nieuwe moeilijkheid voor en zulk een onoverkomelijke moeilijkheid, dat ieder voor zich er ernstig over dacht of het niet beter was, dat hij maar naar huis ging en probeerde om elk voorwerp voor zichzelf te produceeren, inplaats van iets te verruilen. “Want hoe”, zeiden zij allen, “kunnen wij nu uitmaken, wat naar verhouding de onderlinge waarde is van onze verschillende artikelen en diensten, die wij met elkander willen ruilen?”

“Hoe kan ik weten,” zeide Twist, “hoeveel brooden ik zou moeten krijgen voor mijn jas?” “Of ik,” zeide Pecks, “hoe kan ik uitmaken, hoe hoog en breed de schoorsteen moet zijn, dien ik zal maken voor mijn kleedingstuk?” En Diggs begon met Needum te twisten, omdat deze laatste hem zijn geheele afbetaling in brood ineens wilde afdragen; terwijl Diggs, wien het vooruitzicht om tot in lengte van dagen op oudbakken en waarschijnlijk zelfs beschimmeld brood te moeten leven, allerminst toelachte, zijn graan door den bakker betaald wilde hebben tegen het tarief van één versch brood per dag. Wat de arme Twist betreft, die was langzamerhand zoo gedwee geworden door den honger, dat hij niet meer het hart had om zich te verzetten tegen het voorstel, dat hij een karrevracht brood ineens zou krijgen in ruil voor zijn jas, hoewel zijn huis zóó klein was, dat hij een gedeelte van zijn “afbetaling” op zijn dak zou moeten opstapelen, waar het ongetwijfeld door anderen dan door zijn eigen familieleden zou worden opgegeten.

Omstreeks denzelfden tijd had nog een ander veelbesproken incident op het eiland plaats. Een man, die niets te verkoopen had dan zijn werkkracht, had zich verhuurd om een schip te laden met steenkool—waarvan een ader ontdekt was geworden; en na een geheelen dag hard gewerkt te hebben, had hij als loon voor zijn diensten een ton steenkool gekregen. Maar daar deze arbeider nu juist voedsel en huisvesting noodig had en geen steenkool, (hoe nuttig dit laatste artikel overigens ook mocht zijn), bleef hem niets anders over dan te probeeren of hij zijn steenkool ook kon ruilen en dat wel zoo gauw mogelijk om in zijn onmiddellijke levensbehoeften te voorzien. Hij was te arm om een paard en kar te kunnen huren; daarom leende hij een kruiwagen, dien hij met steenkool vulde en zoo trok hij er op uit om menschen te zoeken, die voedsel en huisvesting te verkoopen hadden. Maar al die menschen waren toevallig al ruimschoots voorzien van steenkool; en den volgenden ochtend zag men den arbeider nog maar steeds zijn uiterst nuttig handelsartikel onverruild door de stad kruien, op het punt om in elkaar te zakken van honger en uitputting. Een dergelijke ervaring deden ook enkele losse knechts van een slager, een hoefsmid en een timmerman en den bediende van een manufacturenzaak op, die respectievelijk voor hun dagwerk ontvingen een schapenvel, een dozijn hoefijzers, een stuk dennenhout en twee el rood flanel. Al deze menschen waren wegens lichamelijke uitputting niet in staat om den volgenden dag hun werk te hervatten en zij zagen allen ook heel goed in, dat zij er niet zoo heel veel beter aan toe zouden zijn geweest, als ieder van hen alleen in vleesch, of alleen in drank of in huisvesting uitbetaald was geworden, in plaats van in steenkool, huiden, timmerhout, hoefijzers of stof.








De werklieden belegden derhalve een vergadering en namen dadelijk het volgende besluit: “Dat, daar het systeem om een arbeider te betalen met een hoeveelheid van het door hem geproduceerde artikel, evenveel tijd en werk noodzakelijk maakte om zijn loon dienstig te maken aan zijn behoeften als vereischt werd voor den arbeid zelven, waarmee hij het voornoemde loon verdiende; het, bijgevolg, slechts rechtvaardig was, indien de werkgevers hun arbeiders zouden veroorloven om de helft van den geheelen werktijd, waarvoor zij betaald werden, te besteden voor het omzetten van hun verdiensten in die artikelen, waarmee zij in hun onmiddellijke behoeften konden voorzien.” Maar de werkgevers antwoordden hierop, dat een dergelijke overeenkomst niet alleen gelijk zou staan met een verdubbeling der loonen in verhouding tot de directe productie, maar dat bovendien de productie zelve daardoor tot op de helft zou verminderen, hetgeen een algemeene schaarschte tengevolge zou hebben, zoodat de verdere materieele ontwikkeling van het land zeer belemmerd, zoo niet volkomen onmogelijk gemaakt zou worden.

Zoo kwam het, dat er een ernstig geschil rees tusschen de vertegenwoordigers van den arbeid en de vertegenwoordigers van het kapitaal, hetgeen, zooals altijd in een dergelijk geval, ontzachelijke verliezen ten gevolge had, niet alleen voor allen, die direct bij de zaak betrokken waren, maar voor de geheele gemeenschap.




Hoofdstuk IV.

Hoe zij het geld uitvonden


De menschen op het eiland—zoowel arbeiders als werkgevers—waren het er evenwel volmaakt over eens, dat het leven te kort was om het grootendeels te verspillen met het spelen van een spelletje “blindeman” op grooten schaal,—want zoo kon men dat systeem van handeldrijven op een basis van directen goederenruil gerust noemen[1 - Dat de hier geschilderde onaangename gevolgen van het systeem van den ruilhandel van man tot man, volstrekt geen zuivere verzinsels zijn, maar dat dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig nog dagelijks voorkomen in landen van groote geographische uitgestrektheid, bewijzen de getuigenissen van Barth, Burton en anderen, die in den laatsten tijd Oostelijk Afrika bezocht hebben. Zoo vertelt Barth bijv. (zie “Travels” dl. I p. 568 en dl. III p. 203) dat hij herhaalde malen niet had kunnen koopen, wat hij volstrekt noodig had—koren, rijst, enz.—omdat hij niet bezat en niet kon krijgen, wat de bevolking in ruil daarvoor verlangde; en op een andere plaats (dl. II p. 51), verklaart hij, dat het hem in sommige Afrikaansche steden, die hij bezocht had, zooveel moeite had gekost om inkoopen te doen, doordat de bevolking geen direct ruilmiddel had, dat zijn bedienden dikwijls in een toestand van de grootste uitputting van hun koop-expedities waren teruggekeerd.], maar zij zagen ook heel goed in, dat het spel net zoolang door zou gaan, totdat er geen sprake meer zou zijn van eenigen materieelen vooruitgang, indien er niet een nieuwe methode van handeldrijven werd uitgevonden en ingevoerd. Daarom besloten Twist, Needum, Pecks, Diggs, Vrijdag, Vrijdag’s Vader, Will Atkins en alle andere menschen, als het ware gedreven door hun instinct (en aangemoedigd door Robinson Crusoe), maar zonder dat er een wettelijk voorschrift bij te pas kwam, met algemeene stemmen om één bepaald artikel uit te kiezen, dat allen zonder uitzondering zouden accepteeren in ruil voor elk product of iederen dienst, die zij te koop aanboden; zoodat, wanneer iemand iets te ruilen had, hij dit eerst kon ruilen voor dat bijzondere artikel, wat het ook zijn mocht, en vervolgens door tusschenkomst daarvan op ieder tijdstip en elke plaats, kon koopen wat hij verlangde. En van het oogenblik af dat dit werd ingevoerd, deed de beschaving op het eiland een heelen stap voorwaarts, en de eerste groote hinderpaal, die ontstaan was door den goederenruilhandel van man tot man, was uit den weg geruimd. De kleermaker liep niet langer gevaar om van honger om te komen, de metselaar behoefde zich niet langer bezorgd te maken over zijn kleeding en de werkman kreeg als loon voor zijn arbeid iets, dat hem zonder moeite een aequivalent verschafte in voedsel, huisvesting en andere dingen, die hij noodig mocht hebben; want iedereen gaf gaarne zijn goederen of diensten voor dat bijzondere artikel, dat de rol van betaalmiddel vervulde, omdat hij wist, dat ieder ander, die iets ruilen wilde, bereid zou zijn om hetzelfde te doen.

En wat nog meer was: de keuze van een artikel, waaraan met algemeene toestemming een universeele en naar verhouding onveranderlijke koopkracht verleend werd, loste tevens de tweede moeilijkheid op, omdat zij tegelijkertijd een waardemeter of standaard aan de hand deed om de onderlinge waarde of koopkracht van ieder ander ruilbaar artikel of dienst mee vast te stellen en wel op precies dezelfde wijze waarop de lengte of het gewicht, van een voorwerp bepaald wordt, n.l. door het te vergelijken met een ander voorwerp, dat door de gemeenschap eenparig is aangenomen als een standaard van lengte of gewicht—zooals b.v. het stuk hout, dat wij duimstok noemen of het stuk metaal, dat een pond heet. “Mijn brooden zijn ieder tien stuks van het betaalmiddel waard,” zei Needum, de bakker. “Mijn jas,” antwoordde Twist, de kleermaker, “is duizend stuks waard.” Een eerlijke ruil tusschen den bakker en den kleermaker zou dus zijn geweest: honderd brooden voor één jas.

De algemeene naam nu, die men geeft aan die artikelen of voorwerpen, die de menschen van verschillende naties algemeen in ruil aannemen als het æquivalent van alle andere artikelen of diensten en als den maatstaf van waarden, is “geld”.

De artikelen, die door de menschen op verschillende tijden en plaatsen zijn uitgekozen om dienst te doen als dat algemeene æquivalent, dien middelaar of dat middel om de ruilhandel te vergemakkelijken, zijn zeer verschillend geweest. Bij de Noord-Amerikaansche Indianen en de eerste planters, die onder hen kwamen wonen, werden wampums (schelpgordels) en beverhuiden gebruikt als geld; bij de inboorlingen van West-Afrika bestaat het geld in kleine schelpen, “kauri’s” genoemd; in Abessinië is zout tegenwoordig het gewone geld; in Chineesch Tartarije pakjes geperste thee, en nog niet lang geleden werden kleine plakjes zeep als geld gebruikt op de Westkust van Mexico. Onder de herdersvolken in de Oudheid werden koeien en schapen op zulk een grooten schaal als geld gebruikt, dat het gewone Engelsche woord “pecuniary” afgeleid is van het oude woord “pecus”, dat “vee” beteekent. En terwijl we in Homerus lezen, dat de prijs van de wapenrusting van Glaucus bestond uit honderd stuks vee, weten we ook dat de Zoeloe’s in Zuid-Afrika tegenwoordig nog hun schulden met vee betalen en den omvang van hun vermogen volgens denzelfden standaard berekenen.

Het geld bestond dus vóórdat er wetten waren, en het bestaat en wordt heden ten dage gebruikt onder volkeren, die geen geschreven of erkend wetboek bezitten.

Van veel belang voor een juist begrip van dit onderwerp is ook de erkenning van een andere grondwaarheid, namelijk, dat er, zoover men kan nagaan, nooit een volk is geweest, dat niet, toen het voor het eerst begon met geld in te voeren, daarvoor dadelijk een artikel nam met een natuurlijke koopkracht of waarde tengevolge van enkele intrinsieke eigenschappen, die dat artikel begeerenswaardig maakten. En het spreekt van zelf, dat dit zoo moest zijn. Want, waar er geen wet bestond, die bepaalde, waaruit het geld moest bestaan en die den handel regelde, zou men, door een artikel als geld aan te nemen, waarvan de productie of de vermeerdering weinig of geen moeite vereischt, alle luie, sluwe of gewetenlooze menschen in staat stellen, om, zonder dat zij voor eenige straf of beperking behoefden te vreezen, van de overige leden der gemeenschap producten te nemen, zonder daarvoor iets gelijkwaardigs terug te geven. Bijvoorbeeld: wanneer men aan gedroogde bladeren of stukjes papier een algemeene koopkracht kon verleenen door er een of ander teeken op te stempelen of te schrijven, dan zou het eerste practische gevolg van het gebruik van zulk geld zijn, dat men de menschen in staat stelde om iets voor niets te krijgen of dat men degenen, die niet wilden werken, veroorloofde om allen, die wel werkten, te berooven. De bewoners van het eiland, die onontwikkeld waren, begingen nooit een dergelijke dwaasheid; maar toen zij zich gingen bezighouden met geschiedenisstudie, bemerkten zij tot hun groote verwondering, dat de inwoners van andere landen herhaaldelijk op zichzelf waardelooze dingen als geld hadden gebruikt; en vele jaren later kwam er zelfs uit de Vereenigde Staten een man naar het eiland gereisd, die een groot leeraar hoopte te worden, en deze probeerde de bevolking te overtuigen, dat het een groote vergissing was om als geld iets te gebruiken, dat eenige innerlijke waarde bezat als handelsartikel[2 - “De edele metalen hebben vele eigenschappen, die hen geschikt maken om voor geldstukken gebruikt te worden. Hun gebreken in dit opzicht zijn hun gewicht en hun intrinsieke waarde als handelsartikel.” “Social Science and National Economy”, by R. E. Thompson, Philadelphia 1875. “Van het oogenblik af dat men begrepen heeft, dat geld niets anders is dan een willekeurig voorwerp, waaraan men een bepaalde waarde heeft toegekend, zal het iedereen duidelijk zijn, dat ieder dergelijk voorwerp, dat algemeen geaccepteerd wordt in ruil voor nuttige diensten en producten, alle bijzondere functies van het geld zal vervullen, onverschillig van welk materiaal het vervaardigd is; en dat, hoe minder kostbaar het materiaal is, waarvan het geld gemaakt wordt, hoe beter het is voor de gemeenschap, die het gebruikt”. “Money, Currency and Banking” by Charles Moran. New-York 1875, p. 42.]. De kinderen van de lagere school, die hij trachtte te overreden, brachten hem al heel gauw in verlegenheid, door hem uit hun geschiedenisboekjes voor te lezen, hoe alle volkeren, en vooral de arme en eenvoudige lieden onder hen, die slecht waren ingelicht, welke ooit geprobeerd hadden om hun ruilhandel te vergemakkelijken door een artikel zonder intrinsieke waarde als geld te gebruiken, bij al die gelegenheden zonder uitzondering steeds in die mate opgelicht en bestolen waren geworden, dat zij vroeger of later altijd gedwongen waren geweest om het gebruik van dat geld op te heffen, uitsluitend als een maatregel van zelfbescherming, en om iets anders daarvoor in de plaats te stellen, dat een algemeen erkende en naar verhouding duurzame innerlijke waarde of koopkracht bezat als handelsartikel.

Hier volgen eenige van die verhalen, welke de kinderen in hun geschiedenisboekjes vonden en hem voorlazen:

“In December 1861 bracht een arme soldatenweduwe twee honderd dollars in specie op een spaarbank en daarna vertrok zij met haar vier kleine kinderen naar Californië. In Juli 1863, toen het goud op 280% tegenover papier stond, schreef zij om haar geld. In antwoord daarop kreeg zij een chèque betaalbaar in goud voor 83% van haar geld, de opgeloopen rente à 6% inbegrepen.”—Henry Bronson, Nature and Office of Money.

“Het volk demoraliseerde (door het niet-inwisselbare continentale papiergeld) op een wijze, dien men vóór dien tijd ongeloofelijk zou hebben geacht. Alle banden van eergevoel, bloedverwantschap, dankbaarheid, menschelijkheid en rechtvaardigheid werden verbroken. Oude schulden werden afbetaald toen het papiergeld niet meer waard was dan zeventig tegen één. Broeders bedrogen hun broeders, kinderen hun ouders en ouders hun kinderen. Weduwen, weezen en anderen kregen uitbetaling in gedeprecieerd papier voor geld, dat zij in metalen munt hadden geleend.”—Breck, Scetch of Continental Money.

“De assignaten daalden steeds meer, totdat zij volkomen waardeloos waren, het geheele land meeslepende in armoede—eenige gelukkige speculanten uitgezonderd—, en het einde was een staatsbankroet. In dezen tijd, toen duizenden radelooze stakkerds, zelfs nog voor de laatste instorting der assignaten, zelfmoord pleegden om aan den hongerdood te ontkomen, was de oorlog een zegen; en Napoleon was het werktuig, dat geheel Europa de gevolgen deed ondervinden van waardeloos geld, hetzij direct of indirect, door zijn tot het uiterste gedreven slachtoffers.”—Notes on the French Assignats and their Influence.

“Hij moest vier honderd dollars betalen voor een hoed en evenveel voor een paar schoenen. Hij wilde een goed paard hebben, maar men vroeg hem daarvoor een prijs gelijk aan tien jaar salaris.”

“Mijn verdiensten van zes maanden zijn ternauwernood toereikend om de kosten te bestrijden van de meest onmisbare uitgaven van één enkelen dag…”

“Voor een bed, avondeten en een grog voor mijzelf, mijn drie metgezellen en hun bedienden, berekende men mij, toen ik den volgenden dag zonder ontbijt vertrok, de som van acht honderd vijftig dollars.”—Life of General de Kalb.

“In totaal, van het begin tot het einde (1835–1841) beliep het bedrag van muntpapier, wissels, chèques en obligatiën, uitgegeven door de schatkist van de Republiek van Texas, en die voor een groot deel als circulatiemiddel dienst deden, tot $ 13·318·145 of tot een bedrag van meer dan 260 dollars per hoofd over de geheele bevolking. Wanneer papier uitgiften, die als geld gebruikt worden, een volk rijk hadden kunnen maken, dan had de bevolking van Texas de rijkste van de wereld moeten zijn. In Januari 1839 waren de Texas schatkist-biljetten niet meer waard dan 40 Amerik. centen op den dollar, in de lente van 1839 waren zij 37½ cents waard, in 1841 van 12 tot 15 cents, en in 1842 had men (in de karakteristieke taal van dien tijd) “vijftien dollars noodig om drie glazen brandy met water zonder suiker te koopen”. Toen het eenmaal zoover was, bleef er van haast geen enkel soort ruilmiddel nog een belangrijk bedrag over in Texas, maar dat was geen groote ramp, omdat het volk maar heel weinig meer bezat om te laten circuleeren.” Het kwaad, dat dit systeem deed, was onmetelijk en van dien aard, dat het Gouvernement geen schadeloosstelling aan de slachtoffers had kunnen geven, ook al was het daartoe geneigd geweest.”—Gouge: Fiscal History of Texas.

Nogmaals: een der voornaamste redenen, waarom het geld werd uitgevonden en in gebruik genomen, was, opdat het zou dienen als maatstaf of standaard om de onderlinge waarde van andere dingen te schatten. Nu kan men zich toch moeilijk voorstellen, dat iemand, die voor dit doel geld zou willen gebruiken, daarvoor een artikel zou uitkiezen, hetwelk op zichzelf geen waarde heeft, evenmin als hij voor een maatstaf om lengte mee te meten, iets zou nemen, dat zelf geen lengte heeft of voor een standaard om gewicht te meten, iets, dat geen gewicht heeft. De bewoners van het eiland hadden daarom al heel erg dom moeten zijn, als zij niet van begin af aan hadden ingezien, dat iets alleen dan degelijk en goed geld kan zijn en blijven onder alle omstandigheden, wanneer het werkelijk de volle waarde heeft, die het op zijn buitenkant beweert te hebben.




Hoofdstuk V.

Hoe de bevolking van het eiland en van andere streken wijs werd


Hoewel men dus ieder handelsartikel, hetwelk een algemeen erkende koopkracht of waarde heeft, als geld kan gebruiken, moeten de eilandbewoners en alle andere menschen toch weldra bij ervaring geleerd hebben, dat sommige artikelen veel beter geschikt zijn voor dit doel dan anderen, of liever, dat het gebruik van sommige artikelen als geld, hoezeer zij ook in andere opzichten aan dit doel mogen beantwoorden, toch over het geheel zeer ernstige bezwaren met zich meebrengt. En de bijzonderheden van deze ervaring bij de verschillende volkeren vormen zeker wel een der meest belangwekkende hoofdstukken van de wereldgeschiedenis. De ondervinding der eilandbewoners was ongeveer als volgt:

Aanvankelijk spraken zij af om kauri’s te gebruiken—een mooi soort schelpen, die langs de kust gevonden werden en die alle vrouwen wenschten te bezitten om ze als sieraad te gebruiken. Deze schelpen waren echter vrij zeldzaam en inderdaad bleek het, dat het haast evenveel tijd en arbeid kostte om een honderdtal van die schelpen te vinden, als men noodig had om een schepel tarwe te verbouwen. Bijgevolg werd tarwe doorgaans geruild voor kauri’s tegen het tarief van honderd kauri’s voor een schepel, terwijl de landbouwer met twee duizend kauri’s gemakkelijk een ploeg kon koopen, daar deze evenveel waard werd geacht als twintig schepels koren. Maar op een goeden dag maakten een paar nietsdoeners, die veel op zee voeren, een lange excursie en bezochten zij voor den eersten maal een ver afgelegen eilandje aan den horizon. Toen zij daar landden, zagen zij tot hun verbazing, dat de kauri’s daar, in plaats van uiterst schaarsch, in overvloed te vinden waren op de kust. Zij gaven elkander een knipoog en zeiden niet veel, maar elk verzamelde zooveel kauri’s als hij dragen kon en toen zij naar het hoofdeiland terugkeerden, hielden zij hun ontdekking diep geheim. Het eerstvolgende belangrijke verschijnsel dat zich hierna onder het Robinson Crusoe-volk voordeed, was een groote en onverwachte opleving van den geheelen handel. Het geld begon overvloedig te worden. De omzet in zaken was nog nooit zoo levendig geweest. Ieder voorwerp, dat te koop werd aangeboden vond direct een kooper, en daar de vraag toenam, stegen de prijzen ook met groote snelheid. Maar tevens merkte men op, dat er enkele personen waren, die nooit geregeld werkten, maar die den geheelen ochtend speculeerden en dobbelden en iederen middag aangename zeiltochtjes maakten, en die toch meer geld schenen te hebben dan ieder ander; waarvan zij als goede vaderlanders, die hun nationalen handel wilden steunen, altijd gaarne bereid waren afstand te doen ten behoeve van andere artikelen. Winkeliers, landbouwers en ambachtslieden, die ook tot de ontdekking kwamen dat zij meer geld hadden dan gewoonlijk, voelden zich eveneens gedrongen om het een en ander te koopen en de prijzen gingen opnieuw naar boven, zoodat een schepel tarwe, die vroeger misschien verkocht was voor honderd kauri’s, nu grifweg honderd vijftig en zelfs twee honderd opbracht. Maar aan den anderen kant bemerkte de boer, dat hij, in plaats van zooals vroeger een ploeg voor tweeduizend kauri’s te kunnen koopen, nu het dubbele of vierduizend kauri’s moest betalen, of m.a.w., de kauri’s hadden nu zoowat de helft van de koopkracht, die zij vroeger bezaten.

Maar een tijdlang was iedereen in de wolken. Was het niet een feit, dat de waarde van elks bezittingen in kauri-geld gemeten, zeer was toegenomen—en wat was natuurlijker dan dat de sluwe avonturiers, door wier toedoen deze gouden tijd was aangebroken, met eerbewijzen, overladen werden en dat men hen uitnoodigde om te spreken voor kauri-clubs in alle uithoeken van het eiland en dat er zelfs over hen gesproken werd in verband met de hoogste ambten, die nog steeds vervuld werden door Robinson Crusoe en zijn dienaar Vrijdag? Maar de voortdurende stijging der prijzen—gemeten in kauri-geld—van alle artikelen, of, wat hetzelfde is—de voortdurende vermindering van koopkracht der kauri’s, begon tenslotte de algemeene aandacht te trekken en langzamerhand ook wantrouwen op te wekken, zoodat de prijs van een schepel tarwe, die eerst honderd kauri’s was geweest en daarna tweehonderd, steeg tot drie-, vier- en zelf vijfhonderd kauri’s. Een ander merkwaardig verschijnsel, dat men opmerkte, was, dat naarmate de prijzen stegen de vraag naar kauri-geld voor den handel ook in dezelfde verhouding toenam, een vraag waaraan de avonturiers, die het middel geweest waren om het eiland zijn vermeerderd volumen van geld te verschaffen, niet verzuimden te voldoen door steeds nieuwe hoeveelheden kauri’s naar het eiland te brengen. Men merkte verder nog op, dat er zich een opmerkelijke vermeerdering van maatschappelijke activiteit voordeed, naarmate het wantrouwen toenam, want iedereen wilde zijn kauri-geld inwisselen tegen iets anders.[3 - Naar mijn oordeel is de groote en onmiddellijke behoefte van den tijd de uitgifte van meer biljetten, die als wettig betaalmiddel kunnen dienen, omdat het vertrouwen daarin zoodanig zal afnemen, dat de houders ze zullen wenschen om te zetten in ander soort bezittingen, of nuttige zaken—niet alleen om ze uit te leenen op kort loopende of lang loopende wissels, die zoo zeker zijn als een steen vuurvast is, tegen hooge of lage interest, zooals men het nu kan doen zooveel men wenscht—maar om er volkomen afstand van te doen terwille van ander soort bezittingen.—“Views of Enoch Ensley, of Memphis, Tennessee, on the National Finances.—Memphis September 1875.] Wie in de schuld stak, haastte zich om zijn schulden af te betalen en iedereen was bereid om kauri-geld te leenen voor het op touw zetten van allerlei nieuwe ondernemingen. Zoo werd er b.v. een maatschappij opgericht met een kapitaal van tien millioen kauri’s om het wrak van het oude schip, dat Robinson Crusoe naar het eiland had gebracht, te onderzoeken, en, hoewel niemand precies wist, waar het wrak lag of wat er nog in zou kunnen zijn, werd de onderneming aangeprezen als een prachtig arbeidsveld. Een ander plan, waarvoor men een maatschappij met vijftig millioen kauri’s kapitaal had opgericht, was, om een net van kanalen dwars door het eiland te graven, hoewel het geheele eiland niet meer dan honderd mijlen breed was en aan alle kanten langs de kust een volkomen veilige zeevaart bood.






Toen barstte de bom! De handel kwam geheel tot stilstand.



Maar tenslotte kwam de aap uit de mouw. Andere menschen dan die drie sluwe avonturiers ontdekten, waar al die kauri’s vandaan kwamen, en dezen haastten zich om ook een bezoek te brengen aan het afgelegen eiland om zichzelf van geld te voorzien en het in circulatie te brengen. Maar hoe meer geld er werd uitgegeven, hoe meer er noodig was om te voldoen aan de behoeften van den handel; totdat men eindelijk een vierpaards-karrevracht kauri’s noodig had om een schepel graan te koopen. Toen barstte de bom. De handel kwam geheel tot stilstand. De man, dien Robinson Crusoe tot minister van finantiën van het eiland benoemd had, meende het kwaad te kunnen verhelpen door nog wat meer kauri’s uit te geven[4 - Noot v. d. vert.: Een dergelijk voorstel is inderdaad gedaan in de Nederlandsche Oost-Indische koloniën in 1843 door de regeering; de overmatige uitgifte van koperen duiten had alle goede geld uit Indië verdreven; de verwarring in geld en kapitaal werd tot wanhopige hoogte opgedreven; toen ging het gouvernement over tot uitgifte van nog eens drie millioen gulden van het z.g. koperpapier om den handel tegemoet te komen! (Zie verslag Javaansche Bank 1844).] maar het baatte niet meer. Enkele zeer wijze menschen waren er zeker van, dat alles wel weer in orde zou komen, als de menschen alleen maar vertrouwen wilden hebben; maar zoolang de menschen, die werkten en spaarden, niet zeker wisten, wat zij voor de producten van hun arbeid zouden krijgen—iets of niets—keerde het vertrouwen niet terug. Iedereen voelde zich verarmd en opgelicht. Iedereen, die geld dacht te bezitten in spaarbanken werd op een goeden dag wakker met het besef, dat zijn geld niets anders was, dan een hoopje oude schelpen. Elk had zijn zakken, zijn laden en zijn geldkisten gevuld met schelpen, die hij ontvangen had in ruil voor artikelen, die hem veel kostbaren tijd en arbeid hadden gekost. Maar strikt genomen werd toch niet iedereen door de ramp zoo zwaar getroffen. Er waren eenige uitzonderingen, en wel de slimme leegloopers, die het eerst de goedkoope voorraad kauri’s hadden gevonden en die, profiteerende van de onwetendheid der gemeenschap, deze gevoegd hadden bij de bestaande circulatie om als geld te dienen. Al deze menschen hadden hun voorzorgen genomen om bezittingen van blijvende waarde—huizen, grondbezit, ploegen, graan etc., in ruil te ontvangen voor kauri’s en te behouden. Zij waren dus feitelijk rijk geworden door de gemeenschap te bestelen[5 - “Te midden der algemeene ellende was er één stand, wien het zeer voor den wind ging—die der bankiers; en onder de bankiers kan er geen wat betreft bekwaamheid en geluk, vergeleken worden met Charles Duncombe. Deze was, niet veel jaren geleden, een vrij onbemiddeld goudsmid geweest. Hij had waarschijnlijk vol ijver zijn klanten bediend onder de arcaden van de Koninklijke Beurs, zooals dat in zijn vak het gebruik was, had kooplieden met diepe buigingen begroet en verzocht om de eer van hun kas te mogen houden. Maar zoo handig benutte hij nu de gelegenheden om winst te maken, die de algemeene prijsverwarring aan den geldwisselaar bood, dat hij, op hetzelfde oogenblik, toen de handel van het koninkrijk het meest was teruggegaan, bijna 90.000 pond neerlegde voor het landgoed van Helmsley in het Noordelijk District van Yorkshire.”Macauley, History of England—State of the Currency in 1694–’95.]. De gemeenschap evenwel was te beleefd om hen dieven te noemen en in de gesprekken werd gewoonlijk op hen gezinspeeld als handige financiers en als menschen, die vooraan stonden in hun tijd. Het laatste bedrijf van dit merkwaardige drama op het eiland was, dat het eens zoo kostbare geld zoozeer deprecieerde, dat het tenslotte alleen nog maar waarde behield als grondstof om kalk van te maken. De menschen maakten er derhalve kalk van door het te branden en om hun huizen tenminste van buiten een vroolijk aanzien te geven, gebruikten zij die kalk om mee te witten. Maar op één punt waren zij het allen eens, namelijk daarover, dat het eerstvolgende artikel, dat zij zouden kiezen om als geld te dienen, iets zou zijn met een blijvende, onveranderlijke waarde, die niet afhankelijk was van toevallige omstandigheden of naar willekeur beïnvloed kon worden door de kunstgrepen van menschen, die in hun onderhoud wilden voorzien zonder er voor te werken.

Maar hoe merkwaardig deze ervaring van de eilandbewoners in verband met het ontstaan en het gebruik van geld ook zijn moge, zij is allerminst een uitzondering geweest, want de kronieken der geschiedenis toonen aan, dat haast alle volkeren, die dit proces van beschaving hebben doorgemaakt, een gelijksoortige ondervinding opdeden. Een bijzonder treffend voorbeeld hiervan vindt men vermeld in de “Geschiedenis van New York” door Diedrich Knickerbocker en in de geschreven kronieken van de “New York Historical Society”. Het was in de dagen van de Hollandsche overheersching—in 1650—toen in Nieuw Amsterdam (later New York) het gewone geld in omloop het z.g. Indiaansche geld of “wampum” was, dat bestond uit “strengen van kralen bewerkt uit oesterschelpen, kinkhorens en andere schelpdieren. Dezen hadden een eenvoudig ruilmiddel gevormd onder de wilden, die ze bereidwillig van de Hollanders aannamen in ruil voor bont.” Willem Kieft was destijds gouverneur, en daar hij den rijkdom van Nieuw Amsterdam wenschte te vermeerderen en over het algeheel, zooals de geschiedschrijver vertelt, een beetje naijverig was op Salomo (die goud en zilver even overvloedig maakte als de steenen in de straten van Jerusalem) besloot hij (de gouverneur) om aan zijn verlangen te voldoen en tegelijkertijd te wedijveren met Salomo door dat gemakkelijk te produceeren geld te maken tot de gangbare munt van zijn gewest. “Weliswaar had het een intrinsieke waarde voor de Indianen, die het gebruikten om er hun kleeren en hun moccasins mee te versieren; maar voor de eerzame burgers had het niet meer innerlijke waarde dan stukjes been, vodden, papier of ander waardeloos materiaal.” Deze overweging legde echter geen gewicht in de schaal bij Gouverneur Kieft. Hij begon met alle dienaars van de Compagnie en alle schulden van het Gouvernement te betalen in strengen wampum. Hij zond expedities uit om de kusten van Long Island, dat het Ophir van dezen modernen Salomo was en waar de schelpvisschen zeer overvloedig waren, af te zoeken. Die werden dan in groote hoeveelheden naar Nieuw Amsterdam getransporteerd, verwerkt tot Indiaansch geld en in de circulatie geworpen.”

“En nu gingen de zaken een tijdlang als van een leien dakje. Het geld werd even overvloedig als in onze dagen van papiergeld; en, om een algemeene uitdrukking te bezigen: “de publieke welvaart nam een wonderbaarlijke vlucht.”

“Maar ongelukkig voor het welslagen van Kieft’s plan, kwamen de Yankees aan de Connecticut Rivier tot de ontdekking, dat zij met weinig kosten en moeite zooveel wampum konden maken als zij wilden uit oesterschelpen, en natuurlijk haastten zij zich om alle wampum te leveren, die de handel in Nieuw Amsterdam noodig had; zij kochten daarmee alles wat er te koop was en betaalden de brave Hollanders in hun eigen prijs. Hierbij dient nog vermeld te worden, dat het geld van Gouverneur Kieft ook volkomen het voornaamste kenmerk van elke goede (!) geldsoort bezat, n.l. “ongeschiktheid voor uitvoer.”

Toen derhalve de Hollanders tinnen pannen of houten kommen van Yankee fabricaat wilden hebben, moesten zij daarvoor betalen in klinkende guldens of een andere metalen munt, omdat wampum door de Yankees al evenmin als ruilmiddel werd geaccepteerd als rotte eieren, ranzige boter, bedorven vleesch, verrotte aardappelen of eenig ander Hollandsch artikel, dat niet voor uitvoer geschikt was[6 - “Aan de overzijde der zee, in vreemde landen is het (de greenback, Amerikaansch muntpapier) gelukkig geen geld, maar, mijnheer, wanneer hebben wij zulk een langen en ononderbroken wedren in voorspoedigheid in zaken gekend als sinds wij dit, voor uitvoer ongeschikte, ruilmiddel aannamen?” Rede van Hon. William D. Kelley, House of Representatives, 1870. “Ik wensch dat de dollar gemaakt zal worden van zulke grondstoffen, om te maken dat hij nooit zal worden uitgevoerd of in het buitenland gevraagd zal worden. Daar het een Amerikaansch finantieel systeem is, dat ik ontwerp, stel ik mij niet voor om het geschikt te maken voor de behoefte van eenige andere natie.”—Rede van Generaal B. F. Butler voor de New York Board of Trade, 14 Oct. 1875.].

Het gevolg van dit alles was, dat de Hollanders en de Indianen weldra alle wampum kregen en de Yankees alle beverhuiden, Hollandsche haringen, Hollandsche kazen en al het zilver en goud van het gewest. Toen werd, zooals te verwachten was, het vertrouwen geschokt. Ook de handel kwam tot stilstand en, om de oude geschreven kronieken aan te halen: “de Compagnie zag zich beroofd van haar inkomsten en de kooplieden werden teleurgesteld in hun verwachting om winst te maken, waarmee zij aan hun verplichtingen konden tegemoet komen.”

Men kan gerust de gevolgtrekking maken, dat de Hollanders na dien tijd een artikel als geld gebruikten, dat minder onderhevig was aan het gevaar van depreciatie, dan wampum.

De eerste kolonisten in Oost-Tennessee kwamen eveneens tot een soortgelijke conclusie na een overeenkomstige ervaring: Raccoonhuiden werden daar voor verschillende doeleinden gevraagd en waren bijgevolg veel waard. Opossum-huiden daarentegen, werden weinig gevraagd en hadden daarom weinig waarde. Maar enkelen onder de planters, die hun verplichtingen willen afdoen zonder er een volkomen aequivalent voor te willen geven, betaalden hun schulden in opossum-huiden, waaraan de staart van een waschbeer bevestigd was. Maar toen die vervalschingen eenmaal in de schatkist gekomen waren, konden zij niet meer uitgevoerd worden om de schulden van den Staat mee te betalen en het gebruik van Coon-huiden als ruilmiddel hield op.

Maar om weer naar het eiland terug te keeren; hoewel de eilandbewoners den eersten keer al bijzonder ongelukkig waren geweest in hun keuze van een artikel dat als geld kon gebruikt worden, bleef de dringende behoefte aan zulk een artikel even groot als tevoren en bijgevolg moest men een nieuwe keuze doen. Verschillende menschen kwamen met verschillende voorstellen. Sommigen sloegen voor om pisangs te gebruiken, omdat daarnaar voortdurend vraag was en deze, wanneer zij goed en rijp waren, altijd ruilbaar waren voor een zeer bestendige waarde, maar men begreep weldra, dat deze vruchten toch volkomen ongeschikt waren om als ruilmiddel te dienen, zoodra het bleek, dat de pisangs heel gauw bedierven na het oogenblik waarop zij de grootste waarde hadden, zoodat daardoor iemand, die vandaag overvloed van geld had, morgen wellicht niets meer bezat en dat wel geheel buiten zijn schuld[7 - “Eenige jaren geleden maakten Mlle Zélie, een zangeres van het Théâtre Lyrique te Parijs, een tournée rondom de wereld en gaf zij o.a een concert op de Gezelschapseilanden. Voor een aria uit “Norma” en eenige andere liederen, zou zij een derde deel van de inkomsten ontvangen. Toen deze geteld werden, bleek haar aandeel te bestaan uit drie biggen, drie en twintig kalkoenen, vier en veertig kuikens, vijf duizend cacaonoten, benevens een aanzienlijke hoeveelheid bananen, citroenen en sinaasappelen. Op de Halle (markt) te Parijs, merkt de prima-donna op, in haar levendigen brief, die uitgegeven werd door M. Walowski, zou deze hoeveelheid levensmiddelen en vruchten misschien vier duizend francs hebben opgebracht, wat een ruime vergoeding zou zijn geweest voor vijf liederen. Op de Gezelschapseilanden evenwel waren geldstukken zeer schaarsch en daar het Mademoiselle zelf onmogelijk was om een groot deel van haar honorarium te consumeeren, moesten de varkens en het gevogelte intusschen gevoed worden met de vruchten.”—Jevons, “Money and Mechanism in Exchange”.]. Tarwe, vee en gestempelde stukken ijzer werden ook voorgesteld, maar al deze stoffen werden om de een of andere bijzondere reden ongeschikt geacht. Zoo werd b.v. tegen tarwe als bezwaar aangevoerd, dat hoewel er bijna altijd vraag naar was en het de waarde van een zeer constante hoeveelheid werk vertegenwoordigde, het te omvangrijk was om er mee rond te kunnen loopen en dat het slechts zelden het eene jaar precies dezelfde waarde had als het volgende; tegen vee, dat het onmogelijk was om een os te verdeelen, door hem den eenen keer zijn staart en een andermaal zijn ooren af te snijden, zonder daarbij tevens de waarde van het dier als geheel te vernietigen; en dat, wanneer koeien in het algemeen als wettig betaalmiddel voor schulden gebruikt werden, het zeer waarschijnlijk was, dat de allerellendigste koe uitgekozen zou worden uit den geldstal voor een dergelijk doel[8 - In 1658 werd door den Hoogen Raad van Massachusetts de bepaling uitgevaardigd, dat niemand belasting mocht betalen in “mager vee”. Felt, Massachuset’s Currency.]; terwijl, wanneer ijzer als geld werd aangenomen en tegen zijn meest gangbare waarde in omloop werd gebracht, het wel eens zou kunnen voorkomen, dat men een tonnemaat mee moest sleepen om een schuld van dertig dollar te betalen. Een eigenaardig soort van kralen, gemaakt van blauw glas, waren bij de vrouwen van het eiland als sieraad in gebruik gekomen en daar zij veel gevraagd werden, klein van omvang en van zeer duurzaam materiaal waren, werden zij als bijzonder geschikt beschouwd om als geld te dienen. Zij werden dan ook daarvoor aangenomen en voldeden een tijdlang zeer goed. Maar opeens verklaarden de vrouwen dat ze als sieraad uit de mode waren, en doordat nu alle vraag naar en gebruik van kralen plotseling ophield, zagen de kooplieden en anderen, die er een grooten voorraad van hadden opgezameld, zich opeens weer voor het feit gesteld, dat, wat zij voor geld hadden gehouden, geen koopkracht meer bezat, en natuurlijk leden zij groote verliezen. Daarop spraken de eilandbewoners af om niet langer blauwe glazen kralen als geld te gebruiken.[9 - Burton beschrijft in zijn “Exploration of the Lake Regions of Central Afrika” (1858–’59) dit incident als iets, dat, bij zijn weten, werkelijk gebeurd is.]

Hoe snel de bevolking van het eiland, door schade en schande wijs geworden, een juist inzicht verkreeg in wat nu werkelijk goed geld vormt, kan men afleiden uit het volgende voorval:




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/david-ames-wells/het-geld-van-robinson-crusoe/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Dat de hier geschilderde onaangename gevolgen van het systeem van den ruilhandel van man tot man, volstrekt geen zuivere verzinsels zijn, maar dat dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig nog dagelijks voorkomen in landen van groote geographische uitgestrektheid, bewijzen de getuigenissen van Barth, Burton en anderen, die in den laatsten tijd Oostelijk Afrika bezocht hebben. Zoo vertelt Barth bijv. (zie “Travels” dl. I p. 568 en dl. III p. 203) dat hij herhaalde malen niet had kunnen koopen, wat hij volstrekt noodig had—koren, rijst, enz.—omdat hij niet bezat en niet kon krijgen, wat de bevolking in ruil daarvoor verlangde; en op een andere plaats (dl. II p. 51), verklaart hij, dat het hem in sommige Afrikaansche steden, die hij bezocht had, zooveel moeite had gekost om inkoopen te doen, doordat de bevolking geen direct ruilmiddel had, dat zijn bedienden dikwijls in een toestand van de grootste uitputting van hun koop-expedities waren teruggekeerd.




2


“De edele metalen hebben vele eigenschappen, die hen geschikt maken om voor geldstukken gebruikt te worden. Hun gebreken in dit opzicht zijn hun gewicht en hun intrinsieke waarde als handelsartikel.” “Social Science and National Economy”, by R. E. Thompson, Philadelphia 1875. “Van het oogenblik af dat men begrepen heeft, dat geld niets anders is dan een willekeurig voorwerp, waaraan men een bepaalde waarde heeft toegekend, zal het iedereen duidelijk zijn, dat ieder dergelijk voorwerp, dat algemeen geaccepteerd wordt in ruil voor nuttige diensten en producten, alle bijzondere functies van het geld zal vervullen, onverschillig van welk materiaal het vervaardigd is; en dat, hoe minder kostbaar het materiaal is, waarvan het geld gemaakt wordt, hoe beter het is voor de gemeenschap, die het gebruikt”. “Money, Currency and Banking” by Charles Moran. New-York 1875, p. 42.




3


Naar mijn oordeel is de groote en onmiddellijke behoefte van den tijd de uitgifte van meer biljetten, die als wettig betaalmiddel kunnen dienen, omdat het vertrouwen daarin zoodanig zal afnemen, dat de houders ze zullen wenschen om te zetten in ander soort bezittingen, of nuttige zaken—niet alleen om ze uit te leenen op kort loopende of lang loopende wissels, die zoo zeker zijn als een steen vuurvast is, tegen hooge of lage interest, zooals men het nu kan doen zooveel men wenscht—maar om er volkomen afstand van te doen terwille van ander soort bezittingen.—“Views of Enoch Ensley, of Memphis, Tennessee, on the National Finances.—Memphis September 1875.




4


Noot v. d. vert.: Een dergelijk voorstel is inderdaad gedaan in de Nederlandsche Oost-Indische koloniën in 1843 door de regeering; de overmatige uitgifte van koperen duiten had alle goede geld uit Indië verdreven; de verwarring in geld en kapitaal werd tot wanhopige hoogte opgedreven; toen ging het gouvernement over tot uitgifte van nog eens drie millioen gulden van het z.g. koperpapier om den handel tegemoet te komen! (Zie verslag Javaansche Bank 1844).




5


“Te midden der algemeene ellende was er één stand, wien het zeer voor den wind ging—die der bankiers; en onder de bankiers kan er geen wat betreft bekwaamheid en geluk, vergeleken worden met Charles Duncombe. Deze was, niet veel jaren geleden, een vrij onbemiddeld goudsmid geweest. Hij had waarschijnlijk vol ijver zijn klanten bediend onder de arcaden van de Koninklijke Beurs, zooals dat in zijn vak het gebruik was, had kooplieden met diepe buigingen begroet en verzocht om de eer van hun kas te mogen houden. Maar zoo handig benutte hij nu de gelegenheden om winst te maken, die de algemeene prijsverwarring aan den geldwisselaar bood, dat hij, op hetzelfde oogenblik, toen de handel van het koninkrijk het meest was teruggegaan, bijna 90.000 pond neerlegde voor het landgoed van Helmsley in het Noordelijk District van Yorkshire.”

Macauley, History of England—State of the Currency in 1694–’95.




6


“Aan de overzijde der zee, in vreemde landen is het (de greenback, Amerikaansch muntpapier) gelukkig geen geld, maar, mijnheer, wanneer hebben wij zulk een langen en ononderbroken wedren in voorspoedigheid in zaken gekend als sinds wij dit, voor uitvoer ongeschikte, ruilmiddel aannamen?” Rede van Hon. William D. Kelley, House of Representatives, 1870. “Ik wensch dat de dollar gemaakt zal worden van zulke grondstoffen, om te maken dat hij nooit zal worden uitgevoerd of in het buitenland gevraagd zal worden. Daar het een Amerikaansch finantieel systeem is, dat ik ontwerp, stel ik mij niet voor om het geschikt te maken voor de behoefte van eenige andere natie.”—Rede van Generaal B. F. Butler voor de New York Board of Trade, 14 Oct. 1875.




7


“Eenige jaren geleden maakten Mlle Zélie, een zangeres van het Théâtre Lyrique te Parijs, een tournée rondom de wereld en gaf zij o.a een concert op de Gezelschapseilanden. Voor een aria uit “Norma” en eenige andere liederen, zou zij een derde deel van de inkomsten ontvangen. Toen deze geteld werden, bleek haar aandeel te bestaan uit drie biggen, drie en twintig kalkoenen, vier en veertig kuikens, vijf duizend cacaonoten, benevens een aanzienlijke hoeveelheid bananen, citroenen en sinaasappelen. Op de Halle (markt) te Parijs, merkt de prima-donna op, in haar levendigen brief, die uitgegeven werd door M. Walowski, zou deze hoeveelheid levensmiddelen en vruchten misschien vier duizend francs hebben opgebracht, wat een ruime vergoeding zou zijn geweest voor vijf liederen. Op de Gezelschapseilanden evenwel waren geldstukken zeer schaarsch en daar het Mademoiselle zelf onmogelijk was om een groot deel van haar honorarium te consumeeren, moesten de varkens en het gevogelte intusschen gevoed worden met de vruchten.”—Jevons, “Money and Mechanism in Exchange”.




8


In 1658 werd door den Hoogen Raad van Massachusetts de bepaling uitgevaardigd, dat niemand belasting mocht betalen in “mager vee”. Felt, Massachuset’s Currency.




9


Burton beschrijft in zijn “Exploration of the Lake Regions of Central Afrika” (1858–’59) dit incident als iets, dat, bij zijn weten, werkelijk gebeurd is.


