De complete werken van Joost van Vondel. 5
Joost Vondel




Joost van den Vondel

De complete werken van Joost van Vondel / Met eene voorrede van H.J. Allard, leraar aan 't seminarie / te Kuilenburg





KONINGINNE VAN 'T ZUIDEN TE HIERUSALEM





Klinkert


		Ei! ziet, wat schoonder Zon verlaat de Zuider palen[1 - grenzen, landen.],
		Opheffend' haar perruik, die op de vorsten smaalt[2 - blinkt.]
		Met steenen, daar natuur op 't Goddelijkst meê praalt;
		Wat ijver perst haar doch zoo wijd te loopen dwalen?

		Hoe nu, is 't om een peerl nog aan haar kroon te halen?
		Ach! neen, de liefd' die heeft haar eedle borst gewond,
		Om smaken, hoe den dauw, uit 's wijzen konings mond,
		Veel liefelijker vloeit als honig in de dalen;

		Een vrouwe, eene koninginne, en heidene, die komt
		Beschamen onzen roem, hoe schoon die is verblomd[3 - versierd.]:
		't Licht van dees gouden lamp wischt, met zijn groote klaarheid,

		Al onzen luister uit, vermids wij, zwaar gejokt[4 - gejukt, belast; een zoogenoemde afgebroken zin, welks onderwerp in den volgenden regel voorwerp wordt.],
		Ons Kristus' wijsheid nooit zoo wijd heeft uitgelokt:
		Dies derven wij het heil van de aangeboden waarheid.

    DOOR EEN IS 'T NU VOLDAEN.



Vier Uitersten[5 - Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.]



I

		De dood is algemeen; wie is er ooit gebleven?
		Hoe arm, hoe rijk van schat, elk loopt haar in 't gemoet,
		D' een is zij bitter gal, den andren honig-zoet,
		Wel hem, die sterven leert en zoekt een beter leven.


II

		't Verstorven graan verrijst, 't en blijft niet weg gescholen,
		Zoo 'n doet de mensch ook niet, diens lichaam van den doôn[6 - uit den dooden.]
		Van nieuws bezield, verschijnt voor God en 's menschen Zoon,
		Die 't vierschaar zelf bekleedt, en[7 - Versta: en wien.] 't vonnis is bevolen.


III

		Wee! wee der boozen rot! hoe wil 't[8 - zal 't.] de ziel doorsnijden
		Des geens, die als een bok ter slinker zijde staat,
		Als Kristus dondren zal met een vergramd gelaat:
		"Vermaledijde, gaat! gaat, gij vermaledijden!"


IV

		O driemaal witten dag[9 - Latijnsche zegswijs voor blijde, gelukkige dag.]! wel-zalig die mag hooren
		Aan Kristi rechter hand die liefelijke stem:
		"Komt hier en erft uw kroon in 't Nieuw Jeruzalem!
		Gebenedijde, komt! komt hier, mijn uitverkoren!"




Uiterste Oordeel


		Den Hemel vierschaar houdt, de graven barsten open,
		Het aardrijk knielt alzins[10 - alom.] van zielen opgekropen[11 - Nam. uit het graf.];
		Zijn zoete en felle stem de Rechter hooren laat:
		"Gebenedijde, komt! vermaledijde, gaat!"




JAAR-ZANG, OP DEN TOON VAN DEN NEGENDEN PSALM


		Nu zegt vaarwel aan 't oude jaar,
		Want 't is in Kristus nieuw; en waar
		De strenge Mozes derft zijn klaarheid,
		Hier schijnt genaad' en enkle waarheid.

		't Is nu den dag der zaligheid,
		Die God zijn volk heeft toegeleid;
		't Jaar der verlossing is gekomen,
		Feesteert[12 - Viert feest; verg. vroeger.] en juicht nu, Kristen-vromen!

		Men predik' en bazuin' alom
		Het troost-rijk Evangeliom:
		Der zonden duistre zielen-kerker
		Is overweldigd van een sterker.

		Des herten ooren open-sluit
		En gaat het rijk des Duivels uit;
		Trek uit, die[13 - Versta: gij, die.] lust te zijn ontbonden,
		Den rook des vleesch, en 't juk der zonden!

		Want ziet, in Kristus geldt gewis
		Noch voorhuid, noch besnijdenis;
		Maar een vernieuwd gemoed warachtig,
		En sterk geloof, door liefde krachtig.

		Besnijdt dan 't vleesch niet, maar uw hart;
		En een verborgen[14 - Min gelukkig voor geestelijke, vleeschelijk onbesneden.] Jode werdt[15 - Voor wordt (verg. vroeger).].
		Den geest kiest voor den dooden letter,
		En leeft hoe langs hoe onbesmetter!

		Hiertoe Gods zoon, nu opgewekt,
		Een heilig levend voorbeeld strekt;
		Hierom heeft Kristus vroeg geleden,
		En is op d' achtsten dag besneden.




HEMELVAART-ZANG, OP DEN TOON VAN DEN ACHTSTEN PSALM


		Maakt handgeklap, en juicht, gij Kristen-scharen!
		Ziet Hemelwaart op zijn triomf-koets varen
		Die onlangs daalde in 't graf, na zoo veel smaads,
		En heerlijk nu gaat nemen d' hoogste plaats.

		Klim op, klim op, gij, God en 's Menschen zone!
		Versmaad het kruis, de speer, en doorne-krone:
		En 't boos geslacht, dat, met een grimmig oog,
		Ontzinnig U in 't heilig aanschijn spoog.

		Doet[16 - Waarschijnlijk welluidendheidshalve voor doe, daar 't enkelv. onderwerp blijft; (verg. voor 't overige boven, bladz. 1, aant. 3).] open ons uw vreugdenrijke troonen,
		En baant het pad ten leven Adams zonen!
		Ontsluit ons weêr 't gesloten Paradijs,
		En zaligt ons, door uw naams lof en prijs!

		Hoog-Priester, die onsterflijk zijt bevonden,
		En hebt uw bloed gestort voor 's werelds zonden,
		Klim op, klim op in 't alderheiligst koor!
		Gods strengheid kom met uw verdiensten voor!

		O, die van God gezalfd zijt tot een Koning!
		Aanziet uw Kerk, uw Bruid uit 's Hemels woning,
		Die hier verstrooid kent anders troost noch hoofd,
		Zend haar den Geest en Trouwring, lang beloofd.

		Zoo mag zij steeds in 's Bruigoms liefde blaken;
		Zoo mag haar kroon noch zond noch wereld raken;
		Zoo blijft haar liefd' veel sterker als de dood,
		En erft ten loon haar lieve minnaars schoot.




PINXTER-ZANG, OP DE STEM VAN DEN C PSALM


		Komt, komt, o driemaal Heilge Geest!
		Ei, zegent onze Pinxter-feest;
		Komt, tortel-duif van 's Hemels dak,
		En brengt ons den olijven-tak!

		Vertrooster, brengt ons Kristus' vreê,
		En neemt in ons geweten steê!
		Geest Gods, maakt onzen geest gewis,
		Dat God ons aller Vader is.

		O vinger Gods, die 't steenen hert
		Vermorzelt, dat het wakker[17 - Wellicht een drukfout voor weeker, waarin het bij een later uitgave veranderd is.] werd[18 - Voor wordt.],
		En Kristus' wet, die eeuwig blijft,
		In ons gemoed en zinnen schrijft!

		O gij, die onbegrijplijk zijt!
		Ons hert tot uwen tempel wijdt!
		Die onze inwendigheid herschept,
		En lust bij ons te wonen hebt.

		Komt, Hemel-dauw! en overstort
		't Gemoed, onvruchtbaar en verdord;
		O stroom des levens! o fontein!
		Bevochtigt ons en maakt ons rein.

		Komt, Godlijk vier! en steekt voortaan
		Ons koude ziel met ijver aan!
		Komt, heilig vier! verteert, verslindt,
		Al wat in ons nog 't vleesch bemint.

		Gij, wind des Heeren! leidt doch meê
		Des zielen schip in 's werelds zee:
		Op dat zij, vrij van schip-breuk, dan
		Lande in 't beloofde Canaän!




PINXTER-ZANG, OP DE STEM VAN MARIA LOF-ZANG


		Na Kristus' Hemelvaart,
		De Apostelen, vergaard
		Eendrachtelijk te gader,
		Verwachtten voor haar hoofd
		Den Trooster, die beloofd
		Haar was van God den Vader.

		De[19 - Thans het; maar verg. boven, blz. 2b, aant. 4.] Pinkster-feest verscheen,
		Als snellijk viel beneên
		De Geest, daar elk op hoopte;
		Die, als een winds gedruisch,
		Terstond vervulde 't huis,
		En met een vier haar[20 - Even als in 't eerste coeplet, voor hen.] doopte.

		De Twaalve zag men hier
		Omschenen met een vier,
		Omstraald met vierge tongen;
		Haar sprake zonder tolk
		Verbaasde 't uitheemsch volk,
		Van alzins ingedrongen.

		"O, wonder is 't," zegt de een,
		"Dat die van Galileên
		Al 's werelds talen konnen!"
		Een ander zegt: "zij zijn
		Verzopen in den wijn,
		En van den drank verwonnen!"

		"Neen, neen!" roept Cefas blij,
		"'t Is Joëls profecij,
		Die God aan ons vervulden;
		Ten ende Jakobs huis
		Werd kondig[21 - Vername.], wie aan 't kruis
		Nam op hem 's werelds schulden."

		Den hamer Gods hier sprak,
		De steenen harten brak;
		Wij zijn vol schuld bevonden
		Aan 's Heeren bloed; wat raad?
		"Elk een," zegt Peter, "laat'
		Afwasschen al zijn zonden!"

		Drie duizend zielen daar,
		Boetvaardig, wonderbaar,
		Zich Kristus niet en schamen;
		Zij volgen Jezus' wet,
		Zij waken in 't gebed,
		En zijn één ziel te zamen.




Aandachtige Betrachtinge[22 - D. i. practische beschouwing.] OVER KRISTUS' LIJDEN, UIT DEN HOOGDUITSCHEN VERTAALD DOOR M. L. B. EN TER LOOPS GERIJMD DOOR J. V. V., OP DE WIJZE VAN DEN 91 PSALM


		Waak op, mijn ziel! wat slaapt gij, hoe?
		Uw Bruigom is voorhanden.
		Koop olie: schik uw lampen toe,
		Zoo blijft gij niet in schanden;
		Wanneer hij in zijn kamerkijn
		Te midnacht in zal streven,
		Zult gij een dwaze maget zijn,
		En in het duister sneven.

		Waak[23 - Hier let, geef acht.] op de uur van 't harte dijn,
		En tel de klok haar slagen,
		Het kan niet ver van twaalven zijn;—
		O wee, gij moet vertsagen,
		Indien gij niet uw grof aardsch kleed,
		Met Jozef[24 - Even als Jozef (Potifarischer gedachtenis).], wilt verlaten,
		En u ten ingang houdt gereed,
		Ontbloot van eer en staten.

		Een staaltjen[25 - voorbeeld.] neemt aan zijne min,
		Die kan zich zelven haten,
		Opdat ge, om hem, uw eigen zin
		Uit weêrmin zoudt verlaten.
		Hij laat zijn rijk en leven wel,
		Om uwe liefd' t' erlangen;
		Hij daalt ook voor u in de Hel,
		Nog laat gij u niet vangen;

		Zoo kan des werelds snoode hoer
		Door eigenliefde u vleyen.
		Doch in het ende breekt het snoer,
		En 't spel verkeert in schreyen:
		Want zij boeleert, en kan haar echt
		Niet ongebroken houden:
		Wanneer de dood u ziel bevecht
		Moet 's werelds liefd' verkouden.

		De wereld dan den rugge keert!
		Volg Kristus met verlangen;
		Met open armen hij begeert,
		U aan het kruis t' ontvangen.
		Hij neigt zijn hoofd, om u een kus
		Al neigende te geven;
		Wat schuwt gij zijne dood aldus?
		Ze is oorzaak van ons leven.

		Gij vraagt, wat hem aan 't kruise bracht,
		Dat zal men u uitleggen:
		Uw ontrouw en Zijn liefd' betracht,
		Die zullen 't u wel zeggen;
		Want als de slang u brocht ten val,
		Door 't ooft[26 - den Eva's-appel.] vol ongelukken,
		Wat schepsel was in 't aardsche dal,
		Dat u van hem kost rukken?

		De Goddelijke liefde most
		U wederom verwerven,
		En u, die hem het leven kost,
		Genieten door zijn sterven.
		Hierom, zoo hing[27 - Zoo lees ik voor lang.] het heilig Lam,
		Door 't vier der liefd' gebraden[28 - Min gelukkig voor verbrand (gelijk een brandoffer).]
		En dorst naar u, aan 't kruishoutsstam:
		Nog laat gij u niet raden.

		Want hij, die is het eeuwig zoet,
		Moet zuren edik drinken;
		En bittre gal van wraak, tot boet[29 - schuldvoldoening.]
		Der menschen, zich laat schinken[30 - Voor schenken.].
		Gewond is hem, ook na zijn dood,
		Het hart met booze daden;
		Dies zich de zon verbergt uit nood,
		De zonne der genaden.

		Uw beurs gij boven Kristus stelt,
		En knort, als werd[31 - Voor wordt.] vergoten
		Den balsem van der armen geld,
		Op 's Heilands hoofd gevloten.
		Al ziet gij, met den rijken man,
		Aan Lazarus veel zweeren,
		Gij neemt u zijnes gants niet an,
		Schoon wormen hem verteren.

		Beschuldigt Judas noch en schelt
		Hem, om zijn valsche daden;
		Want gij ook, om 't vervloekte geld,
		Zelf Kristus hebt verraden.
		Of gij hem met den mond belijdt,
		En schijnt den kus te geven,
		Om dartig penningen profijt,
		Brengt hij[32 - Men zal hier wel gij of drie regels vroeger ook hij moeten lezen.] Gods Lam om 't leven.

		De nacht ook buiten u niet is,
		Daar Krist geboeid moet zuchten,
		Als, in der zonden duisternis,
		De jongers angstig vluchten.
		Aldus raakt uw standvastigheid,
		Door slaap en vlucht, aan 't glijden:
		Gij vlucht van Kristus, wijd verspreid,
		Wanneer hij gaat aan 't lijden.

		Gij smijt[33 - Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord: slaat.] met Petrus in de schaar,
		Als 't kruis begint te naken;
		Maar dorft, in nood en lijfsgevaar,
		Wel driemaal God verzaken,
		Eer driewerf kraait gewetens haan,
		Ook op een wijfs bedragen[34 - beschuldiging.];
		Gij zoudt met Kristus sterven gaan
		In vreugd en goede dagen.

		De hoogepriesters meer en meer
		Ook zelfs in u vergaren;
		Dat zijn vernuft en menschenleer,
		Die Kristus staâg bezwaren;
		Zij roepen: "kruist, ja kruist hem, och!
		Laat Barrabas bij 't leven!"
		Verschoont den ouden Adam toch,
		Den nieuwen vrij laat sneven.

		Met stok en spies van uw vernuft,
		Gij Kristus wilt bevechten.
		Neuswijsheid aandacht heel verbluft,
		En weet niet uit te rechten.
		Gij schermt al t' ijdel in de lucht,
		En Gods en Kristus namen
		Zijn blixems-blikkren[35 - weêrlicht-flikkering. De dichter bedoelt blijkbaar, dat het ijdel Heere, Heere roepen, en bezigen van God en Kristus' naam, geen baat geeft. Aan een drukfeil (gelijk Van Lennep meent) behoeft men dus ook niet te denken; het volgende coeplet daarentegen is wel zoo gewrongen en valsch vernuftig.] zonder vrucht;
		Met recht moet gij u schamen.

		Gij zijt van Malchus' slag[36 - soort.] gewis,
		Wiens recht' oor af gehouwen;
		Dus hoort gij niet wat Gods wil is,
		Maar laat u zachtkens klouwen,
		Door lof, het slinker ezelsoor,
		't Welk gij best af liet snijden,
		En 't rechter aanzetten daarvoor
		Om kwaad geklap te mijden.

		Al deedt gij Kristus leed op leed,
		Om 's keizers vriendschaps wegen,
		En droomt van Duivels spook, alreed'
		Gij zoekt uw hand te vegen
		Met water, als Pilatus eer,
		Met kerkgang God te paayen,
		En Doop en Nachtmaal, om den Heer
		Een neus dus aan te draayen.

		Veel slagen, schimpen, hoon, en nood
		Den Heiland heeft geleden;
		Der woênden[37 - Zoo lees ik voor wonden, dat (gelijk Van Lennep te recht opmerkt) geen zin geeft.] misbruik al te snood
		Hem aantrekt andre kleeden:
		Dan wit, als bij Herodes' rot,
		Dan purperen gewaden:
		Zoo maakt gij Kristus tot een spot,
		O schande! o kwaad der kwaden!

		Uw eerzucht dorf[38 - Voor durft of liever dert (van 't oude darren), door 't eerstgemelde ten onrechte verdrongen.] de doornekroon
		Hem om zijn voorhoofd drukken;
		Uw boosheid is het kruis vol hoon,
		Waaronder hij gaat bukken.
		Met Simon van Cyrenen woudt
		Gij Kristus' kruis niet dragen,
		Ten zij men u den rugge touwt[39 - slaat.],
		En daartoe drijft met slagen.

		Geen smid hier ook aan 't aanbeeld hoort[40 - Gelijk steeds nog in de dagelijksche spreektaal voor behoort.],
		Die spijkers smeedt van staven,
		Terwijl gij Kristus' hand doorboord,
		En voeten hebt doorgraven.
		Uw doen en wandel maar betracht,
		Die nagel maakt kwetsuren:
		Het wordt al in dit kruis volbracht,
		Op nieuw in u, alle uren.

		Gij maakt schriftuurs-rok nadeloos
		Een beedlaars rok[41 - Dat is een rok overvol van naden.] ten leste;
		De letter is de geest te loos,
		Als die[42 - Nam. die letter.] dient tot uw beste:
		Maar houdt de letter niet de proef,
		Zoo verft[43 - kleurt, verzint.] gij schriftgeschillen
		Of knijpt die[44 - Nam. die letter.], als een valsche boef
		Den teerling, naar uw grillen.

		De wereld speelt om Kristus' kleed
		Met niet dan ijdle vragen:
		Men schut, met een bewijs gereed,
		Hierop[45 - Op het (uitwendige) kleed van Kristus.] een anders slagen;
		Zoo laat men Kristus, 't rechte wit[46 - doel.],
		Zich uit de handen rooven;
		Zoo houden wij den dop voor 't pit,
		Daar andren vast[47 - steeds.] haarkloven.

		Des slinkschen moorders ongeduld
		Vertoont gij in uw lijden,
		Wanneer het hart u biecht uw schuld
		In d' avond van 't[48 - D. i. (gelijk de heilige feestavond) even voor.] verblijden.
		Bidt gij niet naar 's bekeerden wijs,
		Dat Krist u heil wil geven;
		Wanneer hij komt in 't Paradijs,
		Uw zonde aan 't kruis blijft kleven.

		Van Kristus' graf gij vliedt en scheidt,
		Als zijnde sterk bewaket[49 - Thans bewaakt.]
		Van wereldlijke overheid,
		Daartoe ook vast vermaket[50 - vermaakt d. i. bepaald.]
		Door 't zegel des hoogpriesters meest,
		Die beî, met ban en vloeken,
		Vernielen, die naar Kristus geest
		En kracht in 't graf gaan zoeken.

		In somma: Kristus' bittre dood
		Is maar uw vleeschlijk leven,
		Zijn smerten en vijf wonden rood
		Uw lust hem overgeven.
		Hij sterft en staat niet op in u,
		Voor gij uw lust wilt sterven;
		Zijn dood is zelf uw leven nu,
		Kunt gij zijn liefd' verwerven.

		Al roept men: "Heere, Heere!" sterk,
		Het is hem een afgrijzen;
		Men moet de handen slaan aan 't werk,
		Dat zijn kruisbroeders wijzen.
		De roos och! onder doornen groeit.
		Gij moet den kelk[51 - Den (Gethsemaneeschen) lijdens-kelk.] ook nutten,
		Dat bloedzweet langs uw aanschijn vloeit,
		Zoo help zijn kruisgang stutten.

		Het leît ook niet aan wetenschap,
		Hoe God om u most sterven;
		In 't leven[52 - Nam. het betrachtende, practische leven, tegenover de uitwendige wetenschap.] leît de kracht en 't sap,
		Al is 't met uw bederven.
		Is niet zijn kruis in 't hert gegrond,
		Veel weten brengt geen zegen;
		Een aasken schulds van duizend pond
		Niet eens wordt opgewegen.

		De band der liefde in 't algemeen
		Is eenen last te dragen,
		Daar twee, in liefde en leed nu een,
		Malkander onderschragen.
		Hoe mint gij God en Kristus trouw,
		Dien gij altijd valt tegen,
		En daaglijks kruisigt, zonder rouw,
		In uw verkeerde wegen.

		Maar, wilt gij naar zijn liefde staan,
		Zoo kruist uw stijve zinnen,
		En laat u naakt aan 't kruise slaan;
		Dat 's 't merk van God te minnen[53 - Zoo lees ik voor het minder verklaarbare winnen.].
		Zoo geeselt u door ware boet,
		Met ootmoeds kroon van doren:
		Temt hovaardij, dat slanggebroed,
		En stopt voor haar uwe ooren!

		Ook spijkren hand en voeten aan,
		Met kristelijken wandel,
		Opdat ze langs geen dwaalweg gaan,
		Maar drijven vromen handel.
		Ontziet niet eens, of men u al
		Wil gal en edik schenken:
		Een zoete en koele bronne zal
		De dood en 't leed verdrenken.

		En of in u de zonneglans
		Zou schijnen te verbleeken,
		De dood u ook verslinden gansch,
		Van 't kruis dient niet geweken:
		Want als dan eens de voorhang rijt[54 - Voor scheurt.],
		Die God en ons komt scheyen:
		De Geest uw steenen harte splijt,
		Gekweekt door kruis en schreyen.

		O, wat een zaalge duisternis,
		Die ons het licht kan geven!
		Een dood, die zoet en noodig is,
		Waarin men vindt het leven!
		Maar wee, dat vleeschelijke licht,
		Daar nacht in is verborgen;
		Wie zich naar 's werelds leven richt,
		Zijn eigen ziel zal worgen[55 - Germanisme voor dooden.].

		Bekeert u fluks, de tijd is reed':
		Men zal de klok haast hooren;
		Vertrekt gij[56 - Stelt gij uit, vertraagt gij.], nu het heden heet,
		Zoo gaat uw ziel verloren.
		Dan blijkt het eerst, hoe dol en dwaas
		De morgen gij in weelde,
		En uwen middag ook, helaas!
		Met vleesch en bloed verspeelde.

		De negenste uur naakt onbewust,
		En Kristus is verscheyen.
		Loop, loop! hier is geen tijd van rust,
		Nu help zijn dood beschreyen.
		Gij komt als 't licht verdwijnt in mist,
		En moet bij duister dolen,
		Gij vindt voor Krist den Antikrist,
		Nu is het licht gescholen[57 - Voor schuil gegaan.].

		O[58 - Naar Alb. Thijms juiste opmerking (zie Van Lennep's Nalezing) heb ik dit coeplet voor het volgende geplaatst.] lieve ziel! bedenk toch dat,
		En wilt ten kruise loopen.
		Volgt Kristus op het rechte pad:
		Wilt al uw goed verkoopen.
		Gij moogt niet uw gerechtigheid
		Op Kristus' kerfstok snijden;
		Wilt gij ten leven zijn bereid,
		Gij moet eerst met hem lijden!

		O lieve ziel! dat is de boom,
		Die goed en kwaad kan geven;
		In u is Hemel, Hel, en schroom,
		De dood en ook het leven.
		Het werelds-leven is de dood,
		Die Kristus krenkt met smarte;
		Maar sterft gij in zijn wonden rood,
		Zoo leeft hij in uw harte.

		Telt ge u in 't uitverkoren tal,
		Zoo merkt u met het teeken:
		Het kruis van Kristus overal
		In 't voorhoofd zij gestreken.
		Wat baat de wolf des lams geween,
		Indien hij huilt hier tegen:
		Nog min als eenen harden steen
		De vruchtbre dauw of regen.




ZEDIG GEDICHT[59 - Gallicisme voor Zede-dicht.] VAN DE IJdelheid der Menschen en Wankelbaarheid der Konink-rijken



1

		Elk heeft gebiedens lust, elk tracht naar hooge staten,
		Naar eenen titels glans, naar myters, staf en kroon,
		Naar bisdom, graaflijkheid, en rijken boven maten:
		Elk wil als aardschen God hier bouwen zijnen troon.


2

		Indien zulks heil aanbrocht, ik wild' ook daarna streven
		Om 't ampt eens vorsten, graafs of konings te bekleên,
		Maar overmids zulks heil aanbrengen kan noch geven,
		Verfoei ik 't al gelijk, en acht van allen geen.


3

		Wat zeg ik, zijn dan niet monarchen, hoog geboren,
		Als met den heldren glans eens Godheids aangedaan,
		Dien zelden haarsgelijk of niemand komt te voren?
		Kan ergens zaligheid dit heil te boven gaan?


4

		't Is waar, ik latet toe, dat z' uiterlijk voor d' oogen
		Zijn met een wolk omschaauwd van grooter majesteit:
		Maar innerlijk in 't hert is 't niet als waan en logen,
		Is 't vol van slavernij, druk, en katijvigheid.


5

		De kroon, al schenkt ze een zon van goud en diamanten,
		Is haar[60 - hun; zie ook verder nog telkens.] een lastig pak: de zijde en purper dracht
		't Lijf noopt[61 - Min gelukkig voor kwelt, of iets derg., daar bij noopen altijd een doel verondersteld wordt.] met ongemak: de dienaars en trawanten
		Haar[62 - hun; zie ook verder nog telkens.] 't harte beven doen en zorgen, dag en nacht.


6

		Den scepter zijn ze moê te handlen[63 - Thans hanteeren.] en te dragen,
		Om dat meer rijken niet staan onder haar gebied:
		Is de eene wereld haar, en hooren ze gewagen
		Van 't ander werelds rijk, zij huilen van verdriet.


7

		Zijn de onderdanen veel, veel valt er te bestieren:
		En naar de volkren zijn in zeden onderscheên,
		Zij onderworpen zijn elks zeden en manieren,
		Of d' een of d' ander raakt te lichtlijk op de been.


8

		De most haar edik is, hoe zoet en uitgenomen:
		Banket noch venezoen haar honger niet verzaadt:
		's Nachts, als een ander rust, zoo schiet haar in haar droomen
		Dat iemand na[64 - Thans naar, maar hier welluidendheidshalve gehouden.] haar kroon of na[65 - Thans naar, maar hier welluidendheidshalve gehouden.] haar leven staat.


9

		De vijanden zijn veel van binnen of van buiten,
		Is 't één rumoer geslist, het ander dat ontstaat;
		Van buiten staat haar toe[66 - past het hun.] des vijands heer te stuiten,
		Van binnen toe te zien voor oproer of verraad.


10

		Zoo haar den zegen mist van welgeboorne zonen,
		Of is er maar één vrucht, zij zorgen voor misval;
		Zijn ook de kindren veel, zij duchten[67 - Versta duchten, dat.], om de kroonen
		Een bloedig streng gevecht ten leste volgen zal.


11

		Kort-om, zoo glorie-rijk en heerlijk als ze schijnen
		Voor 't uiterlijk gelaat, zoo deerlijk wederom
		Haar innerlijk in 't hart doorprikkelen veel pijnen:
		Behalve, dat ze op 't laatst verwelken als een blom.


12

		Als de onverwachte dood genaakt tot haar paleizen,
		En aan haar poorten klopt, die[68 - haar (nam. de dood).] naauwlijks opgedaan
		Een droeve stem ontmoet: "'t is tijd; gij moet verreizen,
		Monarchen! maakt u ree; 't is hier met u gedaan."


13

		Daar vangt het zuchten aan, met uitgestorte tranen:
		"Adieu, mijn heerlijkheid! adieu, mijn werelds rijk!
		Houd van aanbeden[69 - Thans aanbidden (verg. echter den herhalingsvorm bedelen en 't Hoogd. beten).] op, mijn knielende onderdanen!
		Mijn zon is laag gedaald, mijn glorie valt in 't slijk."


14

		Dan zijn ze min noch meer als de armst der bedelaren,
		Die om een kruimken broods voor hare tralie bad:
		Indien de balsem 't lijk mocht voor 't verrotten sparen,
		Dit mocht al 't voordeel zijn, 'tgeen nog een koning had.


15

		Weg dan met de ijdelheid, daar zoo veel duizend menschen
		In stellen 't hoogste goed en 't alder-opperst heil!
		Wordt vorsten uws gemoeds! wat wildy schoonders wenschen?
		Dees deugd is ongemeen, nochtans voor ieder veil[70 - te koop, verkrijgbaar.].


16

		Een machtig koning is 't, die zijn verdorven lusten
		Zich onderworpen heeft en over haar gebiedt,
		Die zijn gemoed bezit in stilheid en in rusten,
		En, willeloos in God, niet anders wil als niet.


17

		De zulke draagt in zich zijn koninkrijk besloten,
		De zulke vindt in hem al 't geen hij in God zocht,
		Door 't uitgaan van hem zelfs, en door zich zelfs t' ontblooten
		Hij als gezegend heel het aardrijk aan zich brocht.


18

		Vermits men zulken heil onwetlijk niet mag erven,
		Dat is: ten zij men daalt van 't Goddelijke bloed:
		Is 't wonder, dat dan veel dees hoogheid moeten derven,
		En dat men zelden vindt een koning naar 't gemoed?


19

		Verliest u zelven dan en wordt uit God geboren,
		Indien gij anders haat der zonden slavernij,
		En uws ziels vrijheid lieft; gij werdt als uitverkoren,
		Gezaligd en gezalfd, tot zulken heerschappij.

		Dit zong ik, daar ik lag gerust en onbekommerd,
		Van d' uitgestrekten eik beschaduwd en belommerd.




Houwlijk-Zang, tusschen God en de Geloovige Ziele, OP DEN TOON VAN DEN 100STEN PSALM DAVIDS



1

		Zoo lang de ziel, nog onverleid,
		Heeft de ingeschaapne zuiverheid,
		Gelijkt ze recht een jonge maagd,
		Die cierlijk witte kleedren draagt.


2

		Een maagd, die eerbaar, ongetrouwd,
		De kuischheid voor haar kleinood houdt,
		En die de bloem haars jeugds gewis
		Wil gunnen dien, die 't weerdig is.


3

		Twee minnaars spelen in haar zin,
		D' een draagt haar liefde, en d' ander min:
		D' een biedt zijn trouwe op deugd en eer,
		En d' ander, dat hij haar schoffeer'.


4

		Wat ongelijker vrijers doch!
		God en de Wereld, vol bedrog:
		De ziele slaat ze beide ga,
		En eindlijk gaat bij 't vleesch te râ.


5

		Het vleesch, dien 't zienlijk oog behaagt,
		Te weeg brengt, dat de onnooz'le maagd
		Den Hemel zijn verzoek ontslaat[71 - Voor afslaat.],
		En met de wereld boelen[72 - Verouderd voor boeleeren.] gaat.


6

		De wereld, die op 't tijdlijk zaait,
		De bloem haars frisschen maagdoms maait.
		Den zomer, die zoo vrundlijk bloost,
		Volgt fluks een strengen zuren oogst.


7

		Het maagd'lijk bloed ligt nu geschend,
		En is een gast-huis vol ellend,
		Want als de lust nu is voor-bij
		Zoo wordt de boel haar weêr-partij.


8

		Dood-wonden hij zijn bij-wijf slaat,
		Berooft haar 't spier-wit, rein gewaad;
		Scheidt van haar, laat ze, naakt en bloot,
		Verworpen liggen, voor half dood.


9

		Zij klaagt, zij zucht, zij steent, zij kermt,
		Tot dat den Hemel haars ontfermt:
		En of zij schoon dees straf verdient,
		Zoo is hij nog de zelfde vriend.


10

		Ten beste van de aanstaande bruid
		Schikt hij een rei van maagden uit,
		Die 't arme schepsel, op een kruis,
		Gaan dragen in 't behouden huis.


11

		Met wijn en olie hij beleefd[73 - Gelijk reeds meer voor minzaam.]
		Al haar gezondheid weder geeft;
		Zijn hert-wond strekt haar een fontein,
		Daarin hij haar laat wasschen rein.


12

		Hij trekt ze purpren kleedren aan,
		En laat ze voor zijn aanzicht staan,
		En spreekt: "boetvaardige vriendin!
		Ik geef u 't hert, en ziel, en zin."


13

		Hij steekt ze een trouw-ring aan haar hand,
		Tot eenen zekren onder-pand,
		Tot teeken van onfeilbre trouw,
		En neemt ze tot zijn echte vrouw.


14

		De bruid bezwijmt en is als stom,
		Omdat zoo rijken bruidegom
		Bekleedt haar armoede, en haar leid[74 - Voor leed.],
		En spreekt, vervuld met dankbaarheid:


15

		"Wie ben ik? of van wat geslacht,
		Dat gij nog op mijn snoodheid acht,
		Ziet zoo veel edeler voor-bij,
		En voegt mij aan uw rechter zij?"


16

		"Noch tijds, noch oudheids[75 - Gelijk reeds herhaaldelijk voor ouderdom.] ongeval
		't Geheugnis mij ontvreemden zal
		Van 't rijk en onweerdeerlijk goed,
		Daar gij de onzaalge mede ontmoet."


17

		"Verweerdigt slechts mij, assche en stof,
		Dat ik verkondige uwen lof,
		Dat steeds mijn mond uw weldaad wekk',
		En een trompet uws roems verstrekk'."


18

		De Ziel, met God van Hemelrijk,
		Aldus verknocht in 't huwelijk,
		Wordt zwanger, en, naar 's bruid'goms beeld,
		Veel deugden hem tot kindren teelt.




DE HELDEN GODES DES OUDEN VERBONDS





Aan de Oudvaderen, Priesteren, Koningen, Profeten, en Helden





Klinkert


		Oudvadren, uit wiens stronk de stammen zijn gesproten:
		Aartspriestren, die 't altaar met vuur en vleesch besloegt:
		Gekroonde koningen, die d' heil'ge scepters droegt:
		Profeten, die den volk' hebt Gods geheim ontsloten,

		En strijdbaar' helden, die met schitterende degens
		Den vijand 't voorhoofd boodt, en randden Moab aan
		En Ammons ridderschap, en t' huis keerde, overlaân,
		Met bloedige trofeên, met zoo veel roofs en zegens:

		Duldt, dat mijn Zangeres komt met haar herp verbreên,
		Hoe gij geteeld, gesmookt[76 - Gelijk reeds vroeger voor het altaar doen rooken.], geheerscht, geleerd, gestreên,
		En overwonnen hebt; duldt, dat ik mij vermake

		En spiegel in uw deugd, en andren mede deil[77 - Voor deel.]
		Al 't geen de Geest beschreef tot nut van 's menschen heil
		Op dat elk een met mij in 's Hemels liefde blake.

    DOOR EEN IS 'T NU VOLDAAN.



DEN WIJZEN, GELEERDEN EN WELERVAREN HEER JOHAN FONTEYN, DER ARTSNIJEN DOCTOR, EN LIEFHEBBER VAN ALLE GOEDE KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN


Al is het zoo, dat de mensche zich met recht bedroeven moet, en schaamrood zijn aanzicht ter aarden slaan, wanneer hij aanmerkt, hoe vele zwakheden hij in dit leven onderworpen is, zoo dat men met recht, voor zoo veel het lichaam aangaat, alle onvernuftige[78 - Gelijk reeds vroeger, voor zedeloos.] dieren mag gelukkiger achten, en boven hem stellen: nochtans aanziende, hoe God almachtig zoo velerhande zaden, wortelen, kruiden en andere dingen laat opwassen, om zijn gebreken weg te nemen en zijn wonden te zalven, zoo kan hij wederom moed scheppen, en zich billijk in zijn ellende troosten, gemerkt hij nog raad voor zijne kwalen vindt. En evenwel of de nature jaarlijks zoo veel nutte spruiten uit haren schoot en boezem te voorschijn brengt, zoo waar deze troost nog ijdel, indien God de eeuwen niet doorgaans[79 - bij voortduring.] zegende met kloeke en verstandige genezers, die de ziekten kennen en onderscheiden, en de heilzame artsnije den kranken bekwamelijk toepassen. De oude Heidenen hebben dit, hoewel niet in zijn rechte mate, erkend, wanneer zij kerken bouwden, en als Goden eerden den genen, die in deze hemelsche kunst uitmuntig[80 - Voor uitmuntend.] en den kwijnenden troostlijk waren: gelijk zij, onder andere, Æsculapius als een God hebben aangeroepen, die zelf te Rome zijnen tempel hadde, en van wie gezegd wordt, dat hij de bleeke schimmen ter Hellen uit dede komen. Indien wij hedendaags ook tot die blinde afgoderije geneigd waren, wij zouden lichtelijk mede in dat gebrek vervallen: want onze eeuwe is zoo ongelukkig niet, of wij zijn gezegend met uitnemende verstanden, die in deze Goddelijke wetenschap uitsteken; en zoo het ons als den Grieken geoorloofd waar, de waarheid met versierde[81 - verdichte.] sprookskens te bewimpelen, en onder de schorse van gedichte fabelen te verbergen; wij zouden mogen voortbrengen[82 - te berde brengen.], hoe in Holland, omtrent den Amstel, een Fontein gevonden wordt, die door hare springaderen zoo heilzame druppelen uitwerpt, dat ontallijke kranken, die ze smaakten, haar verloren gezondheid weder gevonden hebben. Wat dit gezeid is, kan een ieder licht vaten[83 - Thans vatten.], die den raad gebruikt en de hulpe genoten heeft van uwe E., die deze loflijke stad een Fontein van heilzame artsnije verstrekt, en die billijk moogt gerekend worden onder het getal van die gene, daar de geleerde Tomas Garzon af getuigt, "che per invidia de' loro nomi da se stessi chiari e famosi, piu che non sono i raggi di Febo à mezo giorno[84 - D. i. die om hun naam benijd, uit zich zelf, meer dan de stralen der middagzon, vonken en schitteren.]." Zoo dat wij, overwegende de ontvangen diensten en weldaden, ons licht aan uwe E. zouden vergrijpen, ten ware dat wij God erkenden te wezen de eerste oorzaak en borne[85 - bron.], van dewelke alle goede gifte ende alle volmaakte gave is afdalende: die ook de sterflijke menschen als werktuigen tot zijns naams eere bezigt. Waarom wij dan naast de Alderhoogste met recht de zulke, om der kunsten wille, in haar behoorlijke mate eeren, en in weerden houden. Hetwelk mij ook veroorzaakt, deze mijn Helden Godes uwe E. op te dragen: waar toe mijn Zangeresse gantsch geneigd is, overmits uwe E. de dichtkunst met een lieflijk gemoed omhelst, ook somtijds uit lust oeffent: zoo dat uwe E. zeer gevoegelijk evenaart met[86 - van gelijken aard is met.] de voortreffelijke Erotimus[87 - Godfried van Bouillons wondheeler; zie in Ten Kate's Tasso II, bl. 24.], daar de hoogdravende[88 - Voor verheven; verg. vroeger.] heer Torquato Tasso, in het elfde gezang van zijn Gierusalemme Liberata, aldus af[89 - van.] zingt:

		En d' oude Erotimus[90 - Fontein.] alreê van Padus[91 - Amstel.] vliet
		Zich tot 's gekwetsten troost met vlijt gebruiken liet:
		Die van het heilzaam nat, van planten, en van kruiden
		't Gebruik verstond, en wist elks krachten te beduiden,
		En had de gunste nog der Muzen op zijn zij,
		Doch met de minder eer vernoegd was van artsnij;
		De kwijnend' hij den dood alleenlijk zocht t' ontschaken,
		En veler namen hij onsterfelijk kost maken.

Ontvangt dan, jonstige en konstige Fontein! zulks als ons de Hemelsche Fonteinader gejond heeft, en blijft zoo genegen om de kranke lichamen op te helpen, als zij wel ernstig aanhouden, om uwe hulpmiddelen te genieten, en leeft langer als wij wenschen dorven.

T' Amstelredam, den 11. van Sprokelle[92 - Voor Sprokkele, d. i. Sprokkelmaand.] 1620.



    Uwe E. en A. dienstschuldige
    I. V. VONDELEN.




AAN DEN OPMERKENDEN EN VERSTANDIGEN LEZER


Die, een kwaad voorschrift nabootsende, wat goeds waant te maken, is verre verdoold. Een goed leerling moet dan noodwendig op een goed voorbeeld steroogen[93 - Voor 't gewone staroogen; gelijk herp voor harp, tesch voor tasch, enz.]. Zoo gaat het in menschelijke kunsten en wetenschappen: zoo ook in heilige en Goddelijke oefeningen. Hier zijn voor al goede voorgangers van noode, om geen slimme[94 - verkeerde.] gangen te gaan. De alderbeste en veiligste zijn schriftuurlijke, en zulke die de Heilige Geest heeft doorluchtig gemaakt: 'twelk zijn de Heiligen des ouden en nieuwen verbonds. Die van 't oude verbond brengen wij hier, als op het tooneel, voor eerst te voorschijn. Geen ware Godgeleerde zal ons hierom met donkere wijnbrouwen[95 - Thans verkeerdelijk wenkbraauwen;'t best schreve men wimbrauwen.] stuurs aanzien: want wij doen effen[96 - even, juist.] het zelfde, dat de Godgeleerde schrijver tot den Hebreën al over lange dede, als hij (aanmerkende, dat al wat voorhenen geschreven, ons tot leeringe nagelaten was) de Vaderen des Ouden Verbonds optelde, en haar heerlijke daden elk in 't bijzonder den geloovigen Kristenen op het rijkste voor oogen schilderde, en, als een goed huisheere, niet alleen nieuw, maar ook oud uit zijn trezoor voortbracht. Hier over was hij zoo weinig te berispen, als Kristus, zijn Meester, die hem op dusdanige wijze was voorgegaan. Wil men ons voorwerpen[97 - Germ. voor tegenwerpen.], dat men de voorbeelden des ouden en nieuwen verbonds met onderscheid moet aanmerken: dat wij de Heiligen, die vóór en onder de wet leefden, moeten navolgen alleen in 'tgene, daarin zij ons als navolglijke voorbeelden zijn nagelaten: zulks staan wij toe, en dit heeft ook de gedachte schrijver omzichtig aangemerkt, als eener[98 - Germ. voor iemand.], die wel verstond, dat de wet door Mozes gegeven, maar genade en waarheid door Jezus Kristus geworden was: dat de wet de schaduwe van toekomende goederen, en niet het beeld der dingen zelve behelsde. Hier most gewisselijk op gepast[99 - gelet.] zijn. Die dat niet dede, zoude lichtelijk een mengelmoes van de Wet en het Evangelie maken, en een verboden Mozaïsche, met een geoorloofden Kristelijken Godsdienst te zamen smelten. Nu in Kristus' dood het voorhangsel des tempels gescheurd is, weten wij, dat de donkere schaduwen des wets voor het licht van de Evangelische waarheid wijken moeten: dat de vergaderinge der geloovigen niet alleen te Jeruzalem, maar aan alle oorden der wereld heilige handen tot God mag opheffen. Kristus, des wets einde, jont[100 - gunt, veroorlooft voor.] alle dingen een ander aangezicht[101 - oogpunt.]. In hem is het oude vergaan, en het is al nieuw geworden. Zie ik den eersten aardschen Adam gevallen, ik gedenk aan den anderen hemelschen, die door zijn volkomen en onbevlekte gerechtigheid den gevallen mensche, volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ik Abraham al bestorven het mes trekken, om zijnen eenigen Izaäk te offeren: mij schiet in den zin, hoe God de Vader de wereld alzoo lief gehad heeft, dat hij zijnen eenigen Zone gaf tot den smadelijken dood des kruises, en ik verwonder mij beide over Gods vaderlijke liefde tot het menschelijk geslacht, en Jezus' kinderlijke gehoorzaamheid neffens zijnen Hemelschen Vader. Verneem ik, hoe Jozef in Egypten op den troon der eeren[102 - Thans eer.] zit, om gedurende de gezegende oogsten te voorzien tegen de aanstaande onvruchtbare tijden: zoo word ik gedachtig, hoe Kristus ter rechterhand zijns Vaders zittende is verheerlijkt, en tot een hoofd der gemeenten gezalfd, om te waken over zijn strijdende Kerke. Leidt de oude Wetgever, Mozes, Israël uit Faro's slavernije: Kristus, de nieuwe Wetgever, voert zijn volk uit der zonden dienstbaarheid, en het geweld des Duivels. Gaat Aäron in het alderheiligste wierooken: Kristus, onze warachtige Hoogepriester, niet door bokken of kalveren, maar door zijn eigen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuk, en verschijnt voor ons in den Hemel voor het aanschijn van Gods onverdraaglijke[103 - Hier, tegen de gewoonte, in goeden zin.] Majesteit. Zoo de Israëlieten haar van Jozua, Gedeon, Samson, en andere, als van hare Verlossers roemen: wij beroemen ons van den Heiland aller menschen, hetwelk[104 - Nam. heiland. Gelijk Van Lennep te recht opmerkt, wordt door 't onzijdige voorn. w. (in tegenoverstelling van 't mann.) meer de eigenschap dan de persoon aangeduid.] Jezus Kristus is. Keert David al bebloed en zegenrijk, met roof overladen, van den slag der kinderen Ammon: Kristus, onze geestelijke koning, met het kruis overwonnen hebbende, vaart met veel heerlijker trofeën de poorten in van het nieuwe Jeruzalem, en wordt gewillekomd[105 - Thans verwellekomd.] van veel duizendmaal duizend Engelen en Hemelsche Heerscharen. Verwonderen haar de Israëlieten over Salomons wijsheid en heerlijkheid: Kristus, de wijsheid Gods, heeft schoonder luister, en zijn glorie en majesteit verdonkert de eere van Davids nazaat. Hebben de Joden veel Profeten tot onderwijzers en leeraars: wij luisteren naar eenen grooten Profeet en Leeraar, die ons van den Vader uit de wolken bevolen wordt te hooren, en op wiens brein de driemaal heilige Geest, als een zuiver duifken, heeft gerust, doen zich den Hemel opende. Wederom vermaant mij Abel tot oprechtigheid: Melchisedech tot rechtveerdigheid: Loth tot gastvrijheid: Abraham en Izaäk tot gehoorzaamheid: Jacob tot ootmoed: Jozef tot kuischheid: Mozes tot zachtmoedigheid en getrouwigheid: Jozua en Caleb tot standvastigheid: David tot vurigheid en dankbaarheid: Salomon tot godzaligheid: Micha tot vromigheid: Hiob tot geduld: Tobias tot godvruchtigheid, &c. Hebben deze Goddelijke helden en Hemelsche fakkelen eenige deugden met malkanderen gemeen, gelijk zij doen: zij zijn ook door d' een of d' ander deugd van den ander onderscheiden. Elk in 't bijzonder munt in iet wat bijzonders uit: gelijk kostelijke steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewel ze te zamen dierbaar en van uitnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door zekere schoonheid, verwe, glans, of maaksel onderscheiden worden, en gelijk de sterren in 't voorhoofd des blinkenden hemels, die, schoon zij te gader licht en helder zijn, nochtans in glans en klaarheid ook in grootheid verschillen. Hier hebdy de Vaderen, uit wiens lendenen zoo doorluchtige stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijke beloften gesteund hebben. Hier ziedy de Priesteren, die God naar zijn eeuwige wijsheid, als met zijn hand, gekleed en gecierd heeft. Hier aanschouwdy de helden, wien God zelf het mes heeft op de zijde gegord, en die met haar vromigheid ons tot den geestelijken strijd opwekken. Hier pronken de koningen, die, met balsem overstort, het haar met gulde kroonen dekten, en met de rechterhand de beperelde rijksstaven zwaaiden: en hier hoordy de Profeten, door wiens mond de Geest des Heeren heeft getrompettet de komst van de beloofde Messias. Dit zijn de Koningen, Priesteren, Heiligen, en Profeten, die met gerekten halze hebben uitgezien, en verlangd naar den grooten Zaligmaker des menschelijken geslachts. Dit zijn de lichtende tortsen, die van het warachtige licht getuigden, hetwelk verlichten zoude al, die in de duisternisse en schaduwe des doods zaten. Zij al te zamen verstrekken ons een groote wolke van getuigen. Het geloove draagt moed op deze overwinners, die zoo gelukkig onder haar baniere gekampt hebben. De een is om zijn Godbehagelijke offerande zijns broeders roof geworden, en heeft, zijn bloed onnoozel en onschuldig uitstortende, den Hemel de wrake bevolen. De ander heeft in een godlooze stad, onder een Godvergeten volk zoo met zijnen wandel gelicht, dat hij alleen met zijn twee dochters weerdig is geacht, Gods vlammende toorne te ontgaan, en van de Engelen uit den brand gerukt te worden. De een heeft, God vertrouwende, een gewillige ballingschap aangenomen, en zijn eenig weerdste pand niet ontzien den Heere op te offeren. De ander, in zijn bloeyende jeugd, wilde zich niet ontzuiveren met zijns heeren beddegenoot, al was het dat ze hem, met haar uitnemende schoonheid en smeekende woorden, daar toe vleide en aanlokte. De een heeft een weeldig paleis en prachtig hof, en het goud van de Egyptische kroonen en troonen versmaad, en zijn dagen pijnelijk in de woestijne met veel ongemaks onder een halstarrig volk gesleten. De ander heeft, als er veel duizenden wantrouwden, op Gods toegezeide beloften onwankelbaar gesteund, en eer door het vertrouwen, als door het zweerd machtige en geweldige koninkrijken veroverd, en Israël den buit van de verbannen Heidenen uitgedeeld. En zoo voortgaande van persoon tot persoon zouden wij ten leste blijven staan, als voor het voorhoofd geslagen, aanmerkende wat het geloove al in deze helden gewrocht heeft. Maar het zal ons genoeg zijn, dat wij eenige hebben aangeroerd, op dat de lezer merke, wat nuttigheid het toebrengt, wanneer men met aandacht overweegt het leven der heiligen: hetwelk als eenen stok is, zeer gedienstig den genen, die als pelgrims naar het nieuwe Jeruzalem wandelen: een heilzame artsnije voor alle flaauwigheid des gemoeds: eenen spiegel om der zielen[106 - Thans ziel.]




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/joost-van-de-vondel/de-complete-werken-van-joost-van-vondel-5/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


grenzen, landen.




2


blinkt.




3


versierd.




4


gejukt, belast; een zoogenoemde afgebroken zin, welks onderwerp in den volgenden regel voorwerp wordt.




5


Wij lasschen dit en de volgende gedichten, als waarschijnlijk uit deze zelfde jaren (1616 en v.v.), hier in; verg. ten overvloede Van Lennep, I, bl. 603.




6


uit den dooden.




7


Versta: en wien.




8


zal 't.




9


Latijnsche zegswijs voor blijde, gelukkige dag.




10


alom.




11


Nam. uit het graf.




12


Viert feest; verg. vroeger.




13


Versta: gij, die.




14


Min gelukkig voor geestelijke, vleeschelijk onbesneden.




15


Voor wordt (verg. vroeger).




16


Waarschijnlijk welluidendheidshalve voor doe, daar 't enkelv. onderwerp blijft; (verg. voor 't overige boven, bladz. 1, aant. 3).




17


Wellicht een drukfout voor weeker, waarin het bij een later uitgave veranderd is.




18


Voor wordt.




19


Thans het; maar verg. boven, blz. 2b, aant. 4.




20


Even als in 't eerste coeplet, voor hen.




21


Vername.




22


D. i. practische beschouwing.




23


Hier let, geef acht.




24


Even als Jozef (Potifarischer gedachtenis).




25


voorbeeld.




26


den Eva's-appel.




27


Zoo lees ik voor lang.




28


Min gelukkig voor verbrand (gelijk een brandoffer).




29


schuldvoldoening.




30


Voor schenken.




31


Voor wordt.




32


Men zal hier wel gij of drie regels vroeger ook hij moeten lezen.




33


Naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord: slaat.




34


beschuldiging.




35


weêrlicht-flikkering. De dichter bedoelt blijkbaar, dat het ijdel Heere, Heere roepen, en bezigen van God en Kristus' naam, geen baat geeft. Aan een drukfeil (gelijk Van Lennep meent) behoeft men dus ook niet te denken; het volgende coeplet daarentegen is wel zoo gewrongen en valsch vernuftig.




36


soort.




37


Zoo lees ik voor wonden, dat (gelijk Van Lennep te recht opmerkt) geen zin geeft.




38


Voor durft of liever dert (van 't oude darren), door 't eerstgemelde ten onrechte verdrongen.




39


slaat.




40


Gelijk steeds nog in de dagelijksche spreektaal voor behoort.




41


Dat is een rok overvol van naden.




42


Nam. die letter.




43


kleurt, verzint.




44


Nam. die letter.




45


Op het (uitwendige) kleed van Kristus.




46


doel.




47


steeds.




48


D. i. (gelijk de heilige feestavond) even voor.




49


Thans bewaakt.




50


vermaakt d. i. bepaald.




51


Den (Gethsemaneeschen) lijdens-kelk.




52


Nam. het betrachtende, practische leven, tegenover de uitwendige wetenschap.




53


Zoo lees ik voor het minder verklaarbare winnen.




54


Voor scheurt.




55


Germanisme voor dooden.




56


Stelt gij uit, vertraagt gij.




57


Voor schuil gegaan.




58


Naar Alb. Thijms juiste opmerking (zie Van Lennep's Nalezing) heb ik dit coeplet voor het volgende geplaatst.




59


Gallicisme voor Zede-dicht.




60


hun; zie ook verder nog telkens.




61


Min gelukkig voor kwelt, of iets derg., daar bij noopen altijd een doel verondersteld wordt.




62


hun; zie ook verder nog telkens.




63


Thans hanteeren.




64


Thans naar, maar hier welluidendheidshalve gehouden.




65


Thans naar, maar hier welluidendheidshalve gehouden.




66


past het hun.




67


Versta duchten, dat.




68


haar (nam. de dood).




69


Thans aanbidden (verg. echter den herhalingsvorm bedelen en 't Hoogd. beten).




70


te koop, verkrijgbaar.




71


Voor afslaat.




72


Verouderd voor boeleeren.




73


Gelijk reeds meer voor minzaam.




74


Voor leed.




75


Gelijk reeds herhaaldelijk voor ouderdom.




76


Gelijk reeds vroeger voor het altaar doen rooken.




77


Voor deel.




78


Gelijk reeds vroeger, voor zedeloos.




79


bij voortduring.




80


Voor uitmuntend.




81


verdichte.




82


te berde brengen.




83


Thans vatten.




84


D. i. die om hun naam benijd, uit zich zelf, meer dan de stralen der middagzon, vonken en schitteren.




85


bron.




86


van gelijken aard is met.




87


Godfried van Bouillons wondheeler; zie in Ten Kate's Tasso II, bl. 24.




88


Voor verheven; verg. vroeger.




89


van.




90


Fontein.




91


Amstel.




92


Voor Sprokkele, d. i. Sprokkelmaand.




93


Voor 't gewone staroogen; gelijk herp voor harp, tesch voor tasch, enz.




94


verkeerde.




95


Thans verkeerdelijk wenkbraauwen;'t best schreve men wimbrauwen.




96


even, juist.




97


Germ. voor tegenwerpen.




98


Germ. voor iemand.




99


gelet.




100


gunt, veroorlooft voor.




101


oogpunt.




102


Thans eer.




103


Hier, tegen de gewoonte, in goeden zin.




104


Nam. heiland. Gelijk Van Lennep te recht opmerkt, wordt door 't onzijdige voorn. w. (in tegenoverstelling van 't mann.) meer de eigenschap dan de persoon aangeduid.




105


Thans verwellekomd.




106


Thans ziel.


