Bekentenissen van een strandvonder Edmund Banfield E. J. Banfield Bekentenissen van een strandvonder / Het leven op mijn tropisch eiland VOORWOORD Banfield’s „Confessions of a Beachcomber,” waarvan dit boekje een verkorte bewerking is, zijn eigenlijk minder bekentenissen in den letterlijken zin des woords dan wel beschouwingen en beschrijvingen van den amateur-strandvonder over het leven op zijn eenzaam tropisch eiland bij de oostkust van Noord-Queensland. Banfield is noch een moderne Robinson, noch een menschenhater, maar een fijn- en gezond-voelend man met een groote en diepe liefde voor de natuur, die, afkeerig en beu van de nuttelooze jacht der beschaving, op zijn eiland een eenvoudig, natuurlijk leven tracht te leiden. Zijn boek is – zooals hij zelf zegt – „het pretentieloos verhaal van een pretentieloos man, een man, die slechts een oppervlakkigen kijk heeft op de meeste groote, zware en gewichtige levenskwesties, maar die licht gevonden heeft in tal van eenvoudige en alledaagsche dingen en vooral een waren hartstocht heeft voor vrijheid en frissche lucht.” Wij hopen dat deze bewerking, niettegenstaande de bekorting of weglating van enkele beschouwingen of beschrijvingen toch, evenzeer als het oorspronkelijke werk, een bron van genot en leering voor iederen oprechten natuurvriend zal zijn.     De Bewerker. EERSTE DEEL MIJN TROPISCH EILAND EERSTE HOOFDSTUK HET DOMEIN VAN DEN STRANDVONDER Twee en een halve mijl uit de noordoostelijke kust van Australië, ongeveer halfweegs het Great-Barrier-rif, dien lagen koraalwal, die een van de wonderen der wereld vormt, ligt een eiland met den oud-Engelschen naam „Dunk.” Er liggen nog ongeveer een dozijn eilanden en eilandjes in de nabijheid, maar Dunk is het grootste, het hoogste, het schoonste van de geheele groep. Het bezit een welbeschutte haven (in dit boek Brammobaai gedoopt) en drie het geheele jaar stroomende kreken. Bij een oppervlakte van drie vierkante mijlen vertoont het groote topografische afwisseling: heuvels en dalen, bosch en wildernis, grasvlakten en naakte rotsen, duistere holen, klippen en steile voorgebergten, zandige stranden en rustige inhammen begroeid met mangrovebosschen.[1 - Mangrove of wortelboom (Rhizophora mangle), een boom met luchtwortels, die langs de tropische kusten groeit. Zie beschrijving in deel I, zesde hoofdstuk, onder „Een veroveraar.”] Een uitgestrekte, V-vormige vallei opent zich in het zuidoosten tusschen twee steile bergruggen. Dit eiland is onze woonplaats. Wie de meest schilderachtige gedeelten van de geheele 2000 mijlen lange oostkust van Australië wil zien, moet dáár voorbijvaren. Jaren geleden stond Dunk-eiland, het „Coenanglebah” der negers, in een kwaden reuk. Vruchtbaar en vruchtrijk, midden in een zee die rijk is aan dugong[2 - Dugong (Halicore dugong), een planten-etend zoogdier van 10 tot 20 voet lang, dat leeft in baaien en inhammen van de Indische zeeën en waarvan het vleesch als voedsel zeer wordt gewaardeerd. Zie beschrijving deel I, vierde hoofdstuk, onder „De hedendaagsche meermin.”], schildpadden en allerlei visch, omringd door oesterbanken en wemelend van vogels, werd het bewoond door een welgedane, trotsche, haatdragende en verraderlijke bevolking, die de eerste blanken welke het eiland bezochten ongastvrij en vijandig bejegende. Maar de beschaving heeft ook hier haar onverbiddelijke wet vervuld: van de geheele aanzienlijke bevolking zijn er nog slechts een viertal over. Dunk-eiland ligt in de tropische zône, op 146° 11′ 20″ oosterlengte en 17° 55′ 25″ zuiderbreedte. Slechts 30 mijlen noordelijker ligt de haven van Geraldton, het middelpunt der suikerproduktie van Queensland en de vochtigste plaats van Australië. Onmiddellijk achter Geraldton rijzen twee der hoogste bergen van Australië op (5400 voet), waartegen de met regen beladen wolken der passaatwinden neerslaan, zoodat de regenval er niet minder dan 140 duim per jaar bedraagt. Twintig mijlen zuidelijk wederom ligt Hinchinbrook-eiland, dat zeer bergachtig is en waar eveneens de regenwolken heerschen. Tegenover Dunk-eiland evenwel is het kustgebergte veel lager en misschien is het hieraan toe te schrijven dat het er minder sterk regent. Maar wij krijgen toch ruimschoots ons deel en gedurende de groote droogte die in 1905 eindigde en die over geheel Queensland zooveel schade aanrichtte, bleven gras en kruid bij ons het geheele jaar door groen en sappig en de kreken hielden nooit op te vloeien. De temperatuur op ons eiland is gelijkmatig. Hoe de wind ook waait, altijd bereikt hij ons afgekoeld door de aanraking met de zee en altijd drinken wij uit een nimmerfalende bron van zuivere, zachte, weldoende lucht. Wij genieten van alle voordeelen van het equatoriale klimaat en lijden slechts weinig onder de nadeelen. Vogels zijn er talrijk, van het loophoen (Megapodius duperreyi), dat in de wildernis huist en van bladeren, hout en leem een hoogst betrouwbare broed-inrichting bouwt, tot aan den kleinen, geel- en purperen zonnevogel (Cynniris frenata), die den ganschen dag fladdert tusschen de scharlaken hibiscusbloemen[3 - Hibiscus, planten met groote, schitterende bloemen, behoorende tot de Malvacaeën.], nektar drinkt uit de bloesems van den Dapahboom (Erythrina indica)[4 - Dapahboom of Indische koraalstruik, een boom met vuurroode bloemen. (Engelsch: Flametree, vlamboom).] of de dofroode knoppen der drie-bladige Magnolia (Magnolia umbrella)[5 - Magnolia umbrella en M. tripetale. De 12 tot 15 duim lange en 5 tot 6 duim breede bladeren van den laatste loopen naar beide uiteinden smal toe en zijn in een cirkel aan het eind der takken geplaatst, vandaar de Engelsche naam: umbrellatree, parapluboom.] van hun zoetheid berooft. Men vindt hier geen ossen op stal, noch gemeste kalveren; maar wij hebben den oogst der zee en heel de frischheid van een groen en ongerept eiland. De benauwing, het geraas, het stof, het gezwoeg en de vermoeienis van het stadsleven zijn vergeten; zorgelooze kalmte en verkwikkende, krachtige zeelucht kregen wij er voor in de plaats. Van het oogenblik af dat de zon onze heuvels en eilanden met gloeiend geel overgiet totdat zij in vurigen glans ondergaat om slechts een rooden gloor boven de bergen in het westen en een rimpelende roode baan over zee naar het vastland achter te laten, staat het geheele rijk der natuur ons ter beschikking. DE AANKOMST Dunk-eiland werd niet zoomaar op goed geluk door ons gekozen, maar tevoren zorgvuldig onderzocht en ook menige andere plaats hadden wij eerst in oogenschouw genomen. Een verkenningstocht langs de kust van de toen nog naamlooze Brammo-baai bracht den ommekeer in het leven van twee ernstige menschen teweeg en een jaar later, nadat wij het beste gedeelte van het eiland in pacht hadden gekregen, vestigden wij er ons voorgoed. Onbewoond, geheel vrij van de sporen van menschelijke plompheid, lieflijk in zijn veelbladerig gewaad, scheen geen oord ons geschikter voor de verwezenlijking onzer geliefkoosde denkbeelden dan dit maagdelijke, door twee mijlen oceaan van het vastland gescheiden eiland. Maar de aankomst was niet bemoedigend. In September beginnen de noordoosten winden te stormen en reeds den middag van onze landing kregen wij er een proefje van. Was het niet een dwaasheid, méér dan dwaasheid, een roekelooze, lichtzinnige verzoeking der Voorzienigheid, voor een individu, dat geen paar uur dobberen op den oceaan kon verduren zonder doodziek te worden, zich te verbeelden dat hij gehard genoeg was om een tehuis te vesten in een zelfs zoo lieflijke wildernis? Wij hadden een eigen boot met onze tenten en uitrusting, een werkman om ons in het begin te helpen en twee trouwe zwarte bedienden. Bovendien vonden wij er den stoeren Tom, een der weinige overlevenden der oorspronkelijke bevolking, met wien wij reeds het vorig jaar hadden kennis gemaakt en die, toen hij lucht had gekregen van ons plan, met zijn vrouw, zijn kind en zijn schoonmoeder ons was vooruitgegaan en al een week eerder was aangekomen. Een tent werd opgezet en dekens werden voor den zwakken sterveling, die op het punt stond van ellende en zwakte te bezwijmen, uitgespreid. Men bereidde opwekkende en kalmeerende dranken, sprak op vroolijken toon van aangename dingen, maar de zieke man was ontroostbaar. Hij wilde terug, weer deelnemen aan de worstelingen der beschaving; hij bedekte het gelaat met de handen en verbeeldde zich dat het eentonig blazen van den noordoosten wind over het strand het somberste geluid in het heelal was. Maar o, die eerste morgen van het nieuwe leven! De wolkenlooze hemel, de zuivere lucht, de tintelende zee, de groene hellingen van Tam O’Shanter Point tegenover ons, de blankheid van het zand, de zoete geuren van de eucalypten en het dauwbeladen gras, het stralend purper der eilanden in het zuidoosten, de bergketen in het westen en noordwesten en dan ons eigen lokkend land met heel de geheimzinnigheid van dierbare illusies, wier vervulling nabij is! Zwakheid en moedeloosheid verdwenen bij den eersten plons in de stille, slapende zee, en opgewekte levenskracht keerde terug. Onmiddellijk begonnen wij onze heele uitrusting te brengen naar een plek in het dichte bosch, die van de zee uit niet gezien kon worden en nog vóór zonsondergang waren de tenten tusschen de boomen opgeslagen en een paar meter in het rond de struiken gekapt. Voor wij de beschaving verlieten hadden wij een hut van cederhout laten maken, die geheel uit elkaar genomen kon worden, zoodat, wanneer wij op bezwaren mochten stuiten, waarvan onze eigen-kooltjes-filosofie niet had gedroomd, wij makkelijk weer zouden kunnen verhuizen. Het vrijmaken van een voldoende ruimte voor deze hut was voor onze ongeoefende handen geen lichte taak, want het hout der Balochia’s[6 - Baloghia lucida, een Euphorbiacae die bij insnijding een bloedrood sap afscheidt (Engelsch: bloodwood, bloedhout).] was zwaar en weerbarstig en wij moesten ten slotte tot afbranden van het terrein onze toevlucht nemen. Gedurende verscheidene weken deden wij niets anders dan een keuken bouwen en de lichting in het woud vergrooten. Volgens de beschrijvingen in officieele organen is het bouwen van een schorshut allereenvoudigst, niet veel meer dan een tijdverdrijf voor den kolonist die een dak boven zijn hoofd verlangt. Het geraamte is natuurlijk gauw genoeg klaar. Daarop velt men een boom, zaagt een stuk van de vereischte lengte af en heeft nu nog maar alleen de schors af te schillen. Maar jawel! Veronderstel eens dat niet het hout van den stam, maar wel uw zware moker splintert; dat uw wiggen, inplaats van in het hout te dringen, de gewoonte hebben telkens als door een veer terug te springen; dat geen van uw werktuigen bruikbaar blijkt en dat ge, om één enkel lapje schors er heel af te krijgen, verscheidene boomen moet verwerken; dan begrijpt ge dat ook het ruwste hutje in de wildernis veel tijd, inspanning en ontmoediging kost. Ervaring is een harde leermeesteres. Zij gaf ons beblaarde handen en pijnlijke spieren. Maar zij is de beste en háár hebben wij meer te danken dan alle raadgevingen en beschrijvingen van „deskundigen.” Wij zijn niet allen Robinsons, die reeksen van onbereikbare wonderen tot stand kunnen brengen. Ook maakte de Voorzienigheid het ons niet gemakkelijker. Boomen, die volgens de voorschriften prachtig timmerhout moesten leveren, maakten hun reputatie te schande en andere, die bij den eersten slag van onze bijl haast hadden moeten vallen, bleken onbegrijpelijk taai. Doch waartoe de herinnering aan die moeitevolle dagen weer wakker te roepen terwijl van de heerlijke rust van het eiland nog niet werd gesproken. Vóór de regentijd inviel hadden wij voldoende beschutting. Onze woning bestond uit een vertrek en een keuken. Meer hadden wij niet noodig, want het grootste deel van den dag brachten wij in de open lucht door en bezoekers ontvingen wij hoogst zelden. Wie onze eenzaamheid kwamen verstoren moesten de gevolgen er van maar aanvaarden. Wij hadden ons de vrijheid veroverd. Hadden wij niet, afkeerig van de alledaagschheid van het leven, van de conventies der maatschappij en zelfs van de wetten der wildernis, alle overlevering aan kant gezet? Hier zouden wij leven naar onze neigingen, arbeiden voor ons eigen heil en in overeenstemming met onze eigen eenvoudige behoeften. Mogen anderen naar hooger idealen streven en verhalen van spannende avonturen, van bereikt succes, van roem en eer. Wij benijden hen hun strijd en hun overwinningen niet, maar geven ons blijmoedig over aan de bekoring van een „eenvoudig leven.” ONS EILAND Ons eiland! Een steilkantig plateau, ontspringend uit een rotsketen in het noorden; een breede vlakte, naar het westen uitloopend in een zandige landtong, die een baai van nauwelijks een halve mijl breed begrenst. Vlak voor de baai, als wachter, boombepluimd, het rotsig eilandje Purtaboi. Van de landingsplaats, meer naar de noordoostzijde der baai, strekt zich een vlakte van zwart zand uit, dichtbegroeid met acacia’s, Australische Careya’s[7 - Careya Australis (Engelsch: cockatoo-apple-tree, kakatoe-appelboom).], pandanuspalmen, Moreton-Bay-esschen en bevallige zilverboomen[8 - Melaleuca, beteekent zwart en wit. Witte boom, zilverboom, of Cajapoetboom (Maleisch: Caju Puti, d. i. witte boom). Een soort myrtacae met trossen van zittende gele, purpere of karmozijnroode bloemen.]. Deze vlakte, ongeveer 150 meter breed, eindigt plotseling bij een steile bank, die toegang geeft tot het 60 voet boven zee gelegen plateau. Dit plateau, een halve mijl breed en meer dan een mijl lang, is het park van het eiland; hier groeien de schoonste boomen; een kreek, verborgen door een zoom van dicht struikgewas, vloeit door een ravijn naar zee en scheidt het park in twee gelijke deelen. De bergrug zelf is grootendeels met een wildernis overdekt. Aan den oostkant, onmiddellijk boven het water van den Stillen Oceaan, kruipen de lage struiken, rijkelijk vermengd met palmen en bananen, tegen de steilten op tot aan den 850 voet hoogen kam. Zoo steil is aan deze zijde de helling, dat men, van den top naar omlaag ziende, tusschen het bruin en grijs der stammen door als een mozaïek de glanzende zee kan zien. De hoogste plek, die uitziet over onze vreedzame baai, is gekroond door een bosch Baloghia’s. Naar de landzijde is de rug wederom met struikgewas begroeid, waarboven de wuivende kronen der palmen uitsteken. In de schemerende ravijnen rijzen slanke palmen en boomvarens, terwijl varens en mos den grond met een levend tapijt bespreiden; wonderlijke slingerplanten hangen in wijde bogen en guirlandes van boom tot boom. Aan den zoom der wildernis groeit in warrige massa’s de rankbladige klimvaren (Lygodium) tegen de boomen op, zoo schoon en gracelijk dat zij door sommigen wel de „Godsvaren” wordt genoemd. September is in tropisch Queensland de lentemaand; vele boomen en de meeste orchideeën staan dan in bloei en de regelmatige nachtelijke regenbuien geven frissche levenskracht aan alle planten. En het was September toen wij ons eenzaam leven begonnen. Ons bloed tintelde van wellust om de teere zuiverheid der atmosfeer. Alle ijdelheden, alle absurdheid der zorgelijke, eigenzinnige menschenwereld lagen achter ons en wij hadden het glorierijke gevoel van onafhankelijkheid en onverantwoordelijkheid veroverd. Dit was waarlijk ons leven, ons eigen leven, niet meer belemmerd en gebonden door wil, wensch of gril van anderen, onafhankelijk van een heerschende meening en van den vormendienst der massa. September! En de wonderbare gingee[9 - Gingee, inlandsche naam voor Diplantera tetraphylla, vierbladige diplantera.], met zijn grijze schors, zijn breede, ruwe, diepgroene bladeren en zijn als zonnebloemen saamgebalde bloesems, stond in volle pracht; zwermen van honing-nippende vogels aanlokkend overdag en dozijnen piepende vliegende-honden des nachts. Een paar meter van het water staat een koraalstruik, de „bingum” der inboorlingen. Bladerloos in deze lommerrijke maand, kleedt zich de bingum thans in een gewaad van koninklijk rood en alle vogels, vlinders, bijen en kevers, die verzot zijn op kleur en zoetheid, komen hier feesten. Zwavelgele kakatoe’s strijken neer op den rooden boom en pikken van de bloesems tot het gras er onder roodbesneeuwd is en hun witte borst bespikkeld als dronken zij bloed inplaats van kleurloozen nektar. Dagenlang is het hier een rumoerig, vroolijk banket. Opgewonden krijschen de kakatoe’s, honingvogels fluiten en lokken, drongo’s[10 - Drongo, vogels tot het geslacht Dicrurus behoorend.] snateren en bekijven de overige gasten, de kleine zonnevogel trillert een zwak protest en bijen en kevers zoemen en gonzen van zonsopgang tot zonsondergang. De donkere dichtheid van het struikgewas, de vaste, maar onregelmatige omzooming van het woud, de groenende grasvelden met hun franje van geelbloesemigen hibiscus en sappige inlandsche kool, de langzaam rijzende zee, de flauwe omtrekken van Purtaboi en de wisselende tinten van het groote Australië op den achtergrond voltooien het tooneel. Hier is vrijheid, hier is het oord waar alle droomen tot werkelijkheid kunnen worden en ongestoorde vrede glimlacht. Voorbij de rotsige punt van Brammobaai ligt nog een inham. De door den noordoosten wind opgezweepte golven hebben tonnen op tonnen koralen van het rif dat er vóór ligt weggeslagen en de overblijfselen er van met brokken glinsterende schelpen op het zand opgestapeld tot een in de zon schitterende massa. Deze koraal-afval is tegen de grauwe rotsen opgespoeld en vormt er onder de overhangende takken der boomen een witten band, die de sombere tinten der wildernis scheidt van het blauw der zee. In geen enkel jaargetijde is het eiland geurloos, maar nu eens overweegt de lucht van sappig gras, vermengd met dien van zijn teere bloemen, dan de hars- en honinggeur van bloeiende baloghia’s of de essence van myriaden door den wind gestreelde eukalyptusbladen. De onvergelijkelijke, strandlievende Calophylla verspreiden een rijkelijken, maar teeren geur, die aan dien van de Engelsche Spirea herinnert. De witte ceder (Melia composita) vervangt in verschijning en reuk op waardige wijze de Engelsche sering. De aromatische pandanus en tal van variëteiten van acacia’s hebben elk hun bepaalden tijd, terwijl tusschendoor de lucht verzadigd is van het rijke en doordringende aroom van den zilverboom, gedurende een paar weken nog vermengd met den honinggeur der moeras-mahonie (Tristania suavoslens) en van de overrijke Careya australis. Sterk en scherp rieken de planten en boomen aan den zoom der wildernis, de inlandsche gember, nootmuskaat, qaundong, schoolhoutboom[11 - Schoolhoutboom (Alstonia scholaris). Engelsch: Milkwood, melkhout, wegens een melkachtige afscheiding.], de kirri-cue der negers (Eupomatia laurina)[12 - Eupomatia laurina, Engelsch: bean-tree, boonenboom.], koie-yan (Faradaya splendida) met zijn groote witte bloemen en sneeuwige vruchten en nog vele andere. Zwaar en indolent zweeft het aroom der Hoya[13 - Hoya, ook wel genoemd porceleinbloem.] tusschen de rotsen; de rivier-mangrove giet onverwachts haar zoetheid uit en van het hartje der wildernis waaien luwe luchten aan, die de uitwaseming van bladeren en bloemen vèrheen verspreiden. De geur der wildernis is zeer bepaald, eenigszins aardachtig, maar naar zuivere, gezonde, vochtige aarde, naar mos en varens en zwammen en ook naar balsaam, specerij en zoetheid. Dikwijls, wanneer ik na een afwezigheid van enkele dagen huiswaarts keerde en de zwarte omtrekken van het eiland uit den helderen, met myriaden tintelende sterren bezaaiden hemel opdoemden, dreef deze vochte woudlucht mij als een groet tegemoet. Ik heb mij lang verbeeld dat het eiland één bijzonderen, eigen geur heeft, zacht en doordringend, rijk en krachtig. Andere wouden en wildernissen mogen even sterk geuren, geen verspreidt dit zeldzame mengsel dat ik telkens weer dankbaar herken. Slechts één plant ken ik wier lucht weerzinwekkend is. Haar groote bloemen zijn fel-goud en zuiver, maar zij rieken walgelijk. Er is ook een kruipende plant in de wildernis, met kleine geele bloempjes, wier buitengewone zoetheid wee maakt, doch vermengd met de overige is haar geur zeer aannemelijk. Op zandige plekjes en langs de mondingen der kreken staan reusachtige riekende lelies (Crinum). Het is mij niet mogelijk alle planten, die tot den eigenaardigen geur van het eiland bijdragen, op te sommen, ofschoon ik met allen vertrouwd ben. Ik wil alleen nog maar de vier of vijf Orchideeënsoorten in herinnering brengen, waarvan vooral de delikaat-riekende Cyrlostylis reniformis. „Geur” en „Stilte” zijn de woorden die ons eiland het best kenmerken en ik verkies zijn geurende stilte boven alle rumoer en alle luchtjes der stad. Doch hoe rijk ook de flora van ons eiland zijn moge, nuttige vruchten zijn er schaarsch. Onmetelijke hoeveelheden worden er voortgebracht, maar geen enkele is werkelijk uitmuntend. De frambozen (twee soorten) hebben weinig smaak, de inlandsche kruisbes (Physalis mimis) wordt zelfs door de negers versmaad, de wilde druiven zijn zuur en wrang en onder de talrijke vijgensoorten zijn er slechts twee of drie aangenaam en maar één werkelijk goed. „Bedyewrie” (Ximenia americana) smaakt zoetachtig, heeft een nasmaak van bittere amandelen en is in het algemeen verfrisschend; de glanzend blauwe quandong (Eleocarpus grandis) is flauw, de Herbert-rivier-kers (Antidesma Dallachyanum) is wel aangenaam, maar toch niet eerste klas; de vingerkers, de „Pool-boo-nong” der inlanders (Rhodomyrtus macrocarpa) heeft den smaak van een kers, maar staat in zeer slechten reuk. Sommigen zeggen dat deze vrucht onderhevig is aan een soort ziekte, iets als plantenpokken, en dat zij, door die ziekte aangetast, bij gebruik verlamming der oogzenuwen, blindheid en zelfs den dood veroorzaakt. De negers echter storen zich niet aan dien roep en eten de vrucht blijkbaar zonder er hinder van te ondervinden. Misschien dat zij iets in hun gestel of zenuwstelsel hebben dat hen onvatbaar maakt voor het vergif, evenals het oranje-pigment in hun opperhuid hen tegen de zonnestralen beschermt. Verzekert niet Darwin dat, terwijl witte schapen en varkens door zekere planten geschaad worden, de donkergekleurde ongedeerd blijven? Sommige Eugenia’s brengen dragelijke vruchten voort en een van de palmen (Caryola) draagt groote trossen van gele dadels, die echter alleen aantrekkelijk zijn om te zien. En zoo zou ik een lange lijst mooie vruchten kunnen opsommen, ofschoon er toch niet meer dan een half dozijn van eetbaar zijn en daarvan wederom slechts de helft goed eetbaar. De meerderheid is bitter en wrang, sommige zijn alleen maar flauw; van de verschillende noten is er geen een voldoende. Waarvoor die overvloedige plantengroei en die ongewone rijkdom van aanlokkelijke vruchten en vleezige noten, waarvan er toch geen enkele den mensen tot voedsel dient? Was de mensch dan slechts een late inval der Natuur? Zij schept een overvloed van voedsel voor vogels en andere dieren die lager staan, maar laat den mensch voor zich zelf zorgen. Zelfs in onbeschaafden staat moet hij min of meer arbeiden alvorens te eten en hoe hooger hij stijgt hoemeer er van zijn verstand gevergd wordt. Wanneer ik denk aan den onaanzienlijken oorsprong van onzen hedendaagschen appel en ik zie dan den rijkdom der vruchten hier, zoo verheug ik mij in verbeelding over de wonderen die een geniaal vruchtkweeker nog zou kunnen verrichten. ONZE SATELLIETEN EN BUREN Dunk-eiland heeft vier satellieten en zeven naburen. Niet velen is het voorrecht gegeven voor een uitstapje tusschen een zoo groot aantal schoone plekjes te kunnen kiezen en er dan zeker van te zijn dat hij nergens sporen van een menschelijk wezen zal vinden en dat geen geluid dan dat der natuur zelf zijn mijmeringen zal begeleiden. Purtaboi, de eerste en dichtstbijzijnde der satellieten, ligt driekwart mijl uit het midden van Brammobaai, altijd zichtbaar door zijn lijn van melaleucaboomen. Mung-um-gnackum en Kumboela, in het zuidwesten, zijn bij laagwater met elkaar en met Dunk-eiland verbonden en Wooln-garin in het zuidoosten is door een 300 meter breede strook van diep en snelstroomend water van de rotsige kust gescheiden. Een heuvel, gekroond door struikgewas en laag geboomte; een roode rotswand, groepjes pandanuspalmen, een strand omzoomd met casuarina’s, sneeuwwitte koraalbanken en in het noordwesten scherp-puntige klippen in zee, wildernisjes van heesters en reusachtige orchideeën met hun overrijke bloemen als van oud goud; dit is het lieflijke Purtaboi. In October en November komen hier zwermen zeevogels nestelen, ook de nootmuskaatduif, de blauwe duif, de honingzuigers, de boschzwaluw, de blauwe klipreiger en soms ook de kleine zwarte coromant. De grootsnavelige strandpluvier (Esacus magnirostris) legt haar ééne ei zoomaar in het zand. Honderden zeezwaluwen (Sterna, zes soorten) leggen hun eieren tusschen de glinsterende koraalbrokken op het strand, waar zij haast niet van de aangespoelde koralen en gebleekte schelpen zijn te onderscheiden, doordat hun kleur: roomwit met grijze, bruine en purpere vlekjes en spikkels, in volkomen overeenstemming is met de omgeving. Zij zijn een groote lekkernij, zoet, voedzaam en vrij van vischachtigen bijsmaak. Als de donzen jongen zijn uitgekomen, zijn ook zij nagenoeg onzichtbaar. Onbewegelijk blijven zij liggen, al staat men vlak bij en zelfs wanneer men ze opneemt verroeren zij zich niet. Gedoken naast een stuk koraal of een verweerd brok wrakhout geven zij een allermerkwaardigst voorbeeld van kleur-aanpassing. Eerst wanneer men een verbleekt stuk hout opneemt, bemerkt men tot zijn verbazing dat het voor de grootste helft uit een weeke massa bijeengedrongen jonge vogels bestaat. Deze teere diertjes zijn door niets anders dan door hun kleur beschermd en wanneer zij niet van hun geboorte af begiftigd waren met een verwonderlijk besef van hun hulpeloosheid, zou de soort al heel gauw zijn uitgestorven, want voortdurend zweven de scherpziende sperwers boven hen om hen bij de minste beweging die zij maken op te pikken. En hoe weerstaan die hulpelooze klompjes roomachtige vlokken de brandende hitte der zon? Vele kruipen onder de armelijke schaduw van schelpen of brokken koraal weg, maar de meesten zijn toch den geheelen dag blootgesteld aan de onmiddellijke zonnestralen, die de koralen zoo gloeiend maken dat zelfs de geharde strandvonder ze nauwelijks kan betreden. Gilbert White verhaalt van een paar vliegensnappers, die ondoordacht hun nest op een ondragelijk heete plaats hadden gebouwd en die gedurende de heetste uren met uitgespreide vlerken en wijdgesperde, naar adem snakkende bekken, hun jongen beschutten. Een dergelijke ouderliefde waakt niet over de jonge zeezwaluwen en zoodra er een, door dorst gekweld, bezwijkt voor de steeds aanwezige verlokking van het zeewater en zich beweegt om te gaan drinken, valt zij meestal in de klauwen van den sperwer. De ouders van de witvleugelige zeezwaluw (Sterna sinensis), de meest nymph-gelijke aller vogels, cirkelen voortdurend in krijschende zwermen boven de zee, speurend naar de kleine vischjes die zij in rijkelijke hoeveelheden aan hun jongen brengen. Onbegrijpelijk is het hoe deze honderden vogels elk hun eigen jong onder al de in vorm en kleur volkomen gelijke dieren herkennen. Op een ander eiland van het Barrier-Reef pasten sommige soorten van zeevogels zich spontaan bij veranderde omstandigheden aan. Ook zij waren gewoon hun eieren zorgeloos in het zand te leggen. Totdat een vleesch-minnend kolonist geiten op het eiland invoerde, die tusschen de eieren rondloopend de hoop der vogels op nakomelingschap verijdelden. Sindsdien begonnen de vogels, buiten het bereik der geiten, nesten te bouwen in de dwergboomen. Op een naburig eiland echter, waar geen geiten waren, veranderden zij hun gewoonte niet. De bruinvleugelige zeezwaluw voedt haar jong op in de koele, duistere grotten tusschen de rotsen. Dikwijls laat zij zich liever vangen, dan haar tegenwoordigheid door een vrijwillige vlucht te verraden. Zij is een van de meest gracelijke zeezwaluwen, bruin op den rug en groenachtig-wit aan den onderkant. Zij is ook zeer luidruchtig en „keft” als een terriër zoodra vreemde indringers in den broedtijd het eiland naderen. De jongen, in schemerige schuilhoeken weggekropen, hebben de blauwgrijze kleur der rotsen. De blauwe klipreiger bouwt een ruw nest van takken op de kanten der rotsen, dikwijls bij de wortels van de brons-orchidee (Dendrobium undulatum) en tracht de indringers door een schril gekrijsch, waarmede hij onnoozel de tegenwoordigheid van bleekblauwe eieren of hulpelooze jongen verraadt, te verjagen. Als de blauwe reiger vliegt, met zijn langen hals stijf tusschen de schouders, is hij alles behalve gracieus, maar onder andere omstandigheden is hij toch een niet onbevallige vogel. Ik nam hem meestal met een verrekijker op een afstand waar, omdat de vogels zich dan natuurlijker gedragen. Eens zag ik een zeesnip aan het strand op een steen staan bezig met krabben pikken. Een blauwe reiger wiekte naast haar neer en de zeesnip hipte weg naar een andere rots. De reiger strekte zijn hals uit en pikte in een oogenblik een spartelenden visch uit het water, dien hij met een ruk van zijn kop in de goede richting keerde en verzwolg. Een nieuw acteur kwam nu in het gezichtsveld van mijn kijker, het wijfje van den reiger, dat zich naast haar heer en meester op een steen nederliet. Maar hij was blijkbaar uit zijn humeur: de kuifjes op zijn schouders, zijn lange nekveeren en zijn rudimentaire kam rezen toornig overeind en hij snapte vinnig naar haar. „Wat doe je hier, zoek zelf een rots, hier ben ík bezig.” Maar toen scheen hij te bedenken dat huiselijke twist in tegenwoordigheid van derden ongepast is – de bruine zeesnip zat naar hen te kijken – zijn veeren gingen weer liggen en hij maakte plaats voor zijn eega op het beste punt van de rots. Op één been stonden zij daar nu, schouder aan schouder, een toonbeeld van echtelijk geluk. Ik merkte op dat zij nu ook naar hartelust mocht visschen; geen veer zette hij meer als protest op, ofschoon zij al wat maar voorbij kwam verzwolg. Het laagliggende Mung-um-gnackum, het verblijf der verschillende honingvogels en der stille duif, de broedplaats van den geitenmelker (Caprimulgus), ligt met het lieflijke Kumboela in het zuidwesten op ongeveer een halve mijl afstand. Kumboela, welbeschut, is dicht begroeid. Een steil grasplateau grenst aan de blauwgroene rotsen in het zuidoosten en langs de steile zeekust groeien lage struiken en dwerg-casuarina’s. Het is hier een natuurlijke volière: duiven kirren, honingzuigers fluiten, zonnevogels kwinkelen teere, vlugge tonen en de boschzwaluwen kweelen al stijgend. Metaalglanzende spreeuwen zoeken een veilige slaapplaats tusschen de mangroven, terwijl de Australische zee-arend hoog in de lucht kringt en de grauwe valk op een naakten tak op uitkijk zit naar muskaatduiven. De kaneelsnavelige koekoek waarschuwt met wanluidenden roep voor het naderende natte seizoen en het loophoen uit klanken die van verre herinneren aan het gekakel van een beschaafde kip. Een zonsondergang op Kumboela tegen het eind van September, wanneer de zee murmelend tegen de rotsen kabbelt en de groote witte duiven bij duizenden, koeroe-end en klapwiekend onder het dicht gebladert schuilen en al de andere vogels hun welteruste kweelen, is iets om nooit te vergeten. En bij dit vroolijk rumoer der vogels voegen zich de lieflijke geuren die met de koelte uit de wildernis aandrijven, terwijl het vlammend westen een tooverachtig roode tint spreidt rondom de boomen en over de vredige zee. Van geheel ander karakter is de vierde satelliet, Wooln-garin. 300 Meter uit de zuidwestelijke punt van Dunk-eiland gelegen, bestaat het uit niets anders dan een verwarde massa verweerde rotsen, waarvan de laagsten 50 voet boven hoogwater uitsteken. Een paar pandanus-palmen, wat sterke struiken en mangroven groeien op de meest beschutte plekken, maar overigens zijn de rotsen grootendeels naakt. De onophoudelijke aanvallen der zee hebben diepe, maar nauwe kloven en weergalmende grotten in het graniet gevreten. Hier huizen enkele zeezwaluwen en de opeenvolgende geslachten van den zwarten oestervanger leggen er hun eieren, juist boven de vloedgrens. Eindelooze scholen visch zwemmen in het diepe kanaal dat Wooln-garin van Dunk-eiland scheidt, maar zij letten niet altijd op het aas en voor den visscher is het een ware tantaluskwelling in die klare diepte te turen en de trage visschen te zien komen en gaan, zonder dat zij de minste notitie nemen van het aas waarnaar zij op andere tijden zoo gretig happen. Schildpadden en nu en dan ook dugong’s bezoeken het eiland graag. De zeven buren zijn: Timana, twee en een halve mijl van Dunk-eiland en anderhalve van Kumboela; Bedarra, iets zuidelijker; Toel-ghar, driekwart mijl van Bedarra; Coemboe, een halve mijl van Toelghar; en ten slotte een groepje van drie: Bud-joe, Kurrambah en Coelah. Op Timana komen reusachtige schoolhoutboomen voor (Alstonia scholaris) die, omdat zij alleen wortels boven den grond hebben, groote stutsels behoeven om hun onmetelijke hoogte te torsen. Gedurende vele geslachten hebben in een dier boomen een paar zeearenden gehuisd en ieder jaar hun nest uitgebreid, zoodat het reeds geweldige afmetingen heeft verkregen. En waarschijnlijk zal het nog wel grooter worden, want inboorlingen, in staat om in zulk een boom te klimmen zijn er maar weinig en bovendien ver te zoeken. Overigens is de athleet, die het sneeuwige dons der jonge vogels weet machtig te worden om het met vet, lijm of bijenwas in zijn smerige haren te steken, een bewonderd en benijd man bij de corrobboree[14 - Godsdienstig feest (dans en maaltijd) bij de Australische inboorlingen.]. IJdelheid drijft den mensch tot buitengewone inspanningen en gevaarlijke ondernemingen en een neger, die zijn kameraden den loef wil afsteken en sterk genoeg is, knoopt een lus van wingerdrank rond den stam en klimt met behulp daarvan er tegen op. Eerst hakt hij een steunplaats voor zijn linker groote teen, drukt zich tegen den boom aan en schuift de lus drie voet omhoog. Dan leunt hij achterover in de lus, hakt een gat voor zijn rechter groote teen en gaat zoo door totdat hij het nest heeft bereikt. Een zware loovermantel, ondoordringbaar voor het zonlicht, bedekt het eiland Timana en maakt het tot een oord van schemering van het westerstrand tot aan de oostelijke steilte, waartegen de orchideeën groeien en palmen neerzien op de rotsen omlaag. Heel de plantengroei is er verward en dooreengevlochten, slechts de hoogste toppen van de schoolhoutboomen ontsnappen aan de omstrengeling der slingerplanten. De overlevering wil dat Timana niet lang geleden een geliefkoosde woonplaats was voor witte muskaatduiven, maar tegenwoordig zijn zij er schaarsch. Honingzuigers echter, waaronder vooral een monnikvogel met een zoetfluitend geluid, verder kakatoe’s en spreeuwen zijn er talrijk. Ofschoon er niet altijd versch water is vindt men toch steeds sporen van de penseelstaart-rat in het zand en loophoenders houden den grond voortdurend geharkt. Terwijl wij er eens op het strand zaten te picknicken, bracht een onzer negerbedienden ons vijftien eieren. Ofschoon sommigen op het punt waren uit te komen, was er toch geen enkel met witte mieren bedekt, die volgens een autoriteit er bijzonder van houden over de schalen te kruipen, als om zich aan te bieden tot voedsel voor het jonge kuiken. Ik heb ook trouwens nooit elders een voorbeeld van zulk een zelfopoffering bij de witte mier gezien. De andere neger, die zijn stevigen lunch al verwerkt had, kon toch niet laten nog twee der eieren te bakken. Het eene was „zoo-zoo,” maar Mickie was niet vies van een half uitgebroed ei. Het tweede was al bijna heelemaal klaar; Mickie legde het op een blad. „Da’s voor Paddy,” een Iersche terrier die altijd van de partij was. Het was een aandoenlijk voorbeeld van zelfverloochening. Maar Paddy, die ook reeds gegeten had, snuffelde er eens aan en kwispelde: „Nee, dank je.” Het aanbod werd niet voor den tweeden keer gedaan: in één oogenblik had Mickie het kuiken, met veeren en al verslonden. Een Chineesch menu, met zijn gezouten eendeneieren, haaienvinnen en staarten, gestoofde honden, kippentongen, gefruite katten, rattensoep, zijrupspoppen enz. is jammerlijk onromantisch in vergelijking met dat van de allesetende Australiërs. Een mijl beneden Timana ligt Bedarra, met zijn lieflijke kleine inhammen en grotten en fantastische rotsen, zijn bosch en wildernis en zijn rotsachtigen satelliet Pee-rahm-ah. Omtrent dit laatste wordt door de negers de volgende legende verhaald. Lang geleden werden er eens twee schoone, jonge vrouwen op Dunk-eiland achter gelaten, terwijl de overigen van den stam in kano’s naar Hinchinbrook voeren. In hun verlatenheid probeerden zij nu hun verwanten weer te bereiken door van eiland tot eiland te zwemmen. Kumboela, Timana en Bedarra werden gemakkelijk bereikt, maar toen zij het oostelijkste punt van Bedarra verlieten werden zij door den sterken stroom gegrepen en meegesleurd, totdat zij beiden geheel uitgeput waren en zonken. Op de plek echter waar zij in het water verdwenen, rees een rots omhoog van fantastische gedaante die sindsdien alle stormen heeft weerstaan. Aan de drie eilandjes in het zuidoosten denk ik dikwijls met genot; ik houd er van mij te vereenzelvigen met het eigenaardig karakter van elk hunner, te luisteren naar hun stormen en toornen en naar hun vredige kabbelingen en droomerig gemurmel. Eén, het kleinste van allen, heeft een geheel eigen geluid, dat soms aanzwelt tot een diep gedreun, een verheven recitatief. Ook een eiland heeft zijn karakter en stemmingen. DE NEDERZETTING Dit eiland van droomen, rust en geluk, dit onverstoorde Eden, kon niet geheel en al in zijn oorspronkelijken staat worden gelaten. Wel besloten wij dat onze inmenging zoo bescheiden mogelijk zou zijn, dat wij den ouden toestand niet ruwelijk zouden omverwerpen, maar het brengen van een beetje orde en het toegeven aan sommige eischen van het practisch leven was toch noodzakelijk. Er moest een stuk land ontgonnen worden voor het kweeken van tropische vruchten, van groenten voor dagelijksch gebruik, van maïs en gierst voor de kippen. Ook een bijenstand moest worden ingericht. Hoe onze plannen tot uitvoering kwamen, in welk opzicht zij faalden of slaagden, wil ik niet breedvoerig beschrijven, maar liever een indruk van de vestiging in haar geheel geven, zooals zij thans, na een tijdperk van negen jaar, er uitziet. Men moet daarbij in het oog houden, dat wij bijna geheel van de hulp van inboorlingen afhingen; onze middelen lieten niet toe, tenzij in den allereersten korten proeftijd, blanke werklieden te gebruiken. En het is niet gemakkelijk om met negers te werken. Men moet hun grillig karakter kennen; slechts bij taktvolle behandeling, nauwgezette vervulling van alle verplichtingen en beloften, toegevendheid voor hun zwakheden, belangstelling in hun doen en laten en vooral een bereidwillige tegemoetkoming aan de geringste neiging om een wandelingetje te maken, zijn zij niet geheel en al onbruikbaar. Toch zijn sommigen wel intelligent en tot op zekere hoogte eerlijk en kunnen, wanneer zij goedgehumeurd zijn, stevig doorwerken. Als ze slechtgehumeurd zijn doet men echter wijs dit feit met blijmoedigheid te aanvaarden. Het was niet absoluut noodzakelijk voor ons een inkomen te trekken uit onzen arbeid. Ik wil hiermede geen aanstellerige minachting te kennen geven voor „den zorgelijken ballast van den rijkdom.” Integendeel, eenige verdienste door den verkoop van producten of kippen zou ons een weelde hebben kunnen verschaffen die wij zeker hadden gewaardeerd. Maar, als de verdiensten uitbleven konden wij toch met den Vicar van Wakefield denken: „Wij hebben nog genoeg om gelukkig te kunnen zijn.” Wij hadden niets geen neiging om een arbeid, die ons van al het werkelijk noodige voorzag, te gaan wagen aan de voortbrenging van iets dat achteraf misschien overbodig zou blijken. Wij hadden het bewustzijn te leven zonder kwaad te doen en sliepen den slaap des rechtvaardigen. Soms zijn er in het geheel wel vier negers op het eiland. Zij komen van het vasteland om eens voor een poosje een oester-dieet te houden. „Wij hier zitten, wij nu eten oesters.” Op andere tijden zijn wij maandenlang alleen en staat alle tuinbouw stil. Meestal echter bestaat onze bediening uit één inboorling met zijn vrouw en, met uitzondering van de huishoudelijke bezigheden, wordt het werk niet bijzonder ernstig opgenomen of systematisch uitgevoerd. De prikkel der noodzakelijkheid dwingt niet tot winstmaken en dus wordt er ook geen gemaakt. Een paar maanden nadat wij van het eerste brokje wildernis hout en struiken hadden afgebrand produceerden wij al genoeg om in het onderhoud van onze vestiging te kunnen voorzien. Onze tuin heeft nu een oppervlakte van twee hektaren. Wij hebben er sinaasappelboomen (twee variëteiten), die binnenkort zullen gaan dragen en waarvan wij eenige winst verwachten; ananasboomen (twee variëteiten), papaw’s (Carica papaya), koffieboomen (Arabische), appelboomen, granaatappelboomen, litchee’s[15 - Litchee (Nephelium), boom met zeer smakelijke vruchten van vier centimeter doorsnee.] en mangoboomen in overvloed. Zoete aardappelen worden voortdurend verbouwd, evenzoo pompoenen en meloenen. Bananen zijn steeds in voorraad. Wij hebben ook goede oogsten van Engelsche aardappelen gehad en onder de bananen hebben wij aardbeien gekweekt van fijnen smaak, ofschoon zeer klein. Peterselie, kruizemunt en alle „gewone kruiden” groeien er rijkelijk. Lezers in een minder begunstigd klimaat zullen misschien nauwelijks gelooven dat ananassen in Queensland zóó overvloedig zijn, dat zij aan de varkens en paarden gevoerd worden. Ook honderden tonnen mango’s gaan er jaarlijks verloren. Deze gezonde en heerlijke vrucht is nog niet bij de bevolking der groote Australische centra ingeburgerd. Maar het zelfde gold vroeger voor de bananen, waarin thans een omvangrijken handel gedreven wordt. Het tijdperk van de mango moet nog komen. De oorspronkelijke cederhut is nu uitgebreid met een bungalow[16 - Bungalow, huis van één verdieping in de tropen.], die in overeenstemming is met de eischen van het klimaat. Rondom deze woning is een tuin van omstreeks een halven bunder aangelegd. De kippen zijn comfortabel behuisd, een kleine kudde geiten voorziet ons van melk en nu en dan van versch vleesch. Wij hebben twee paarden, waarvan één op het eiland geboren, voor het zware werk; de boot heeft een loods, waar zij bij het intreden van de ruwe maanden door een windas wordt ingehaald, terwijl zij anders aan een boei in de baai vastligt. Men zal misschien verwachten dat ik evenals Thoreau tot in bijzonderheden alle door ons aangebrachte veranderingen en de kosten er van zal opgeven, maar ik heb dit denkbeeld verworpen zoodra het in mij opkwam, want, ofschoon ik een trouw volgeling ben van dezen filosoof is het toch verre van mij hem te willen parodieeren. Een groot gedeelte van het huis is het werk van mijn eigen ongeoefende handen. Ik ben er achter gekomen hoe bewerkelijk het maken van een omheining is, vooral bij gebruik van prikkeldraad en dat het in orde houden van zelfs maar een klein tuintje, waarin bandelooze planten met de snelheid van de pompoen van den profeet groeien, en dat bij verwaarloozing in korten tijd weer tot een wildernis zou worden, een voortdurenden inspannenden arbeid vereischt. Een werk over plantkunde leert „dat de gemiddelde perspiratie van planten zeventien maal zoo groot is als die van den mensch.” Alleen bewoners der tropen kunnen de beteekenis van deze woorden beseffen. Nergens is de plantengroei zoo weelderig en verkwistend. Gegeven een rustigen tevreden geest, een bananenboschje, een stukje grond met zoete aardappelen, sinaasappel-, mango- en pawpaw-boomen, een paar koffieplanten, de zee voor visch, de rotsen voor oesters, en de mangroven voor krabben; zou het dan niet mogelijk zijn gezond te worden met een minimalen arbeid? Wordt niet algemeen beweerd dat de banaan meer voedsel bevat dan vleesch? Ik heb mijn goede redenen om het te gelooven. In Queensland moet ieder geld verdienen om zijn directe en indirecte belastingen te betalen, maar zou men, afgezien hiervan, méér noodig hebben dan een paar shillings voor thee, suiker en andere luxe en enkele onontbeerlijke kleedingstukken? Doch ik zal hierop niet verder ingaan, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben indirect zelfs maar een verloren schipbreukeling de hoop te benemen om eens eerste minister te worden en hem aan te moedigen een leven van zorgelooze onverantwoordelijkheid, zooals het mijne, te beginnen. Zoodra ons werkelijk was gebleken dat het leven op de grens der beschaving niet alleen dragelijk was, maar „net wat wij wenschten,” sloten wij een overeenkomst met de regeering om ons het rustig bezit van ons eiland te verzekeren. Aanvankelijk hadden wij een klein deel van het eiland voor dertig jaren tegen een rente van f 1.50 per acre (0,4 hectare) gehuurd. Toen echter onze proeftijd verstreken was, zonder dat wij ook maar één enkele illusie hadden verloren, verlangden wij ons land ook in bezit te krijgen. Volgens de zeer liberale wetgeving op het grondbezit in Queensland mag een landbouwonderneming, al naar mate de grond als van eerste, tweede of derde kwaliteit wordt aangemerkt, 160, 320 of 640 acres omvatten. De verwerver moet hiervoor f 1.50 per acre betalen, in jaarlijksche termijnen van 15 cents gedurende tien jaar en al dien tijd op het land wonen. Binnen vijf jaar moeten de aangebrachte verbeteringen en inrichtingen, huis, ontginning, omheining, bebouwing enz. een waarde van f 6, f 3 of f 1.50 per acre bezitten, naar gelang van de kwaliteitsklasse van den grond. Aan het eind van deze vijf jaar kan de verwerver òf de rest van de koopsom in eens afbetalen, òf doorgaan met de jaarlijksche delging van 15 cts., om dan eerst na wederom vijf jaar in het vrije bezit van zijn land te komen. In elk geval kan men dus voor een som van f 1.50 per acre, verdeeld over tien jaar, vermeerderd met een kleinigheid voor opmetingskosten en nog eens f 1.50 per acre voor opstal, bezitter worden van gronden die nergens ter wereld in vruchtbaarheid worden geëvenaard. Andere bepalingen van de Landwet zijn nog veel aanlokkelijker. Niet alleen kan de betaling der rente worden opgeschort totdat de verwerver profijt van zijn grond trekt, maar zelfs wordt hem in bijzondere omstandigheden geldelijke hulp verleend. Letterlijk kan op deze wijze de nederigste mensch het uitgelezenste deel der aarde beërven. Wat van de natuurlijke gesteldheid van Dunk-eiland gezegd is, geldt voor de geheele kuststreek over een lengte van wel 300 mijlen. Er is geen vruchtbaarder land dan daar. Maar wij hebben hier nog een bijzonder voordeel: Brammobaai ligt slechts drie à vier minuten stoomens buiten de route der schepen, die wekelijks langs de kust varen en door een overeenkomst met den eigenaar van een dier lijnen ontvangen wij iedere week onze post en verschillende benoodigdheden. Zonder dit verkeer met het vasteland zou ons leven hier geheel anders zijn. De stoomvaartmaatschappijen, waarvan er een vlak langs de kust vaart en de andere achter de eilanden om in diep water, hebben al veel gedaan om noordelijk Queensland te ontsluiten. Een van onze bedrijven, de bijenteelt, moesten wij na een aanvankelijk succes, om een bijzondere reden opgeven. Na veel onkosten en nog meer arbeid waren onze twee Italiaansche korven aangegroeid tot een dozijn en toen reeds eenige malen de geurende honing uit den separator gevloeid was begon al de hoop in ons te ontwaken dat wij een bescheiden winstje zouden kunnen behalen uit dit zuiverste, mooiste, interessantste en onschadelijkste aller bedrijven. Niemand kan zonder diepe bewondering het leven der bijen bestudeeren en het is waarlijk niet hun schuld wanneer de wijste menschen sommige van hun wonderwerken niet begrijpen, of zich over zich zelf leeren schamen. Hoe komt het, dat uit een ei, door de koningin gelegd in een eenigszins ruimer cel dan gewoonlijk, een larf komt, volkomen gelijk aan andere larven, maar die zich door een rijkelijker voeding ontwikkelt tot een nieuwe koningin? Bijenhouders leeren dat de koningin en de hommels de eenige volkomen insekten in de korf zijn en de horde noestende slaven slechts wijfjes zijn die in hun ontwikkeling bleven staan. Elke werkbij zou, in beter omgeving en bij beter voeding een koningin kunnen worden. Door kunstmatige koninginnecellen te bouwen kan men de werkbijen dwingen koninginnen op te voeden. Zoo kan de mensch de ontwikkeling van een insekt beheerschen. Is dit geen troostrijke gedachte, hoop gevende voor hen die klagen over het ongelijke geboorten-cijfer van mannen en vrouwen? De belangstelling in de bijenkultuur werd bij ons steeds grooter en langzamerhand moest alle beschikbare vaatwerk, tot zelfs leege petroleumblikken, gebruikt worden om den nektar, uit myriaden bloesems vergaderd, te bewaren. Maar na een poosje kwam de teleurstelling; de produktie werd minder en minder en de separator snorde nog maar zelden. Het aantal bijen scheen weer af te nemen. Een atmosfeer van traagheid, besluiteloosheid en wanhoop hing over de korven. De sterkeren beroofden de zwakken en alleen de zwakken zamelden nog, onder een klagelijk gegons, zelf honing in. Als de korven werden uitgehaald ontstond er geen tumult onder de verbolgen en opgewonden bewoners, maar werd er nauwelijks eenig protest vernomen, zeker teeken van afnemende bevolking, verzwakking en ontmoediging. Al spoedig ontdekten wij de oorzaak der verandering in het karakter en gedrag onzer bijen in de aanwezigheid van twee vogels, de Australische bijeneter (Merops ornatus) en de bleekbuikige boschzwaluw (Artamus leucogaster)[17 - Artamus, spitsvogels, zwaluwspreeuwen, zwaluwklauwieren of boschzwaluwen.]. De eerste is een van de aardigste der kleinere Australische vogels. Hij leeft in groepjes van vier of vijf tot twee dozijn toe en blijft soms midden in zijn vlucht, op uitgestrekte vlerken en staart stil staan. Hij zit graag op kale twijgen vanwaar hij een ruim uitzicht heeft, om met onfeilbare juistheid op bijen en andere insekten in volle vlucht neer te schieten en hen met een getjuik van voldoening te verslinden. De boschzwaluw draagt een kleed van teer parelgrijs en wit, dat sterk contrasteert met haar zwarten kop en keel. Zij heeft een gracelijke vlucht en kweelt lieflijk. In sommige jaargetijden zitten ze bij massa’s op een tak bij elkaar, in zulk een dichte rij dat hun borsten als het ware een doorloopenden witten band vormen. Als er een haar plaats verlaat om een insekt te snappen schuiven de anderen allen op en al dringt en wringt zij bij haar terugkomst nog zoo, zij moet op een hoekje gaan zitten. Bij een boschbrand cirkelen zwermen van boschzwaluwen er rondomheen om de vluchtende insekten te vangen. Deze twee vogels waren de roovers die al onze verwachtingen van de bijenteelt op niets deden uitloopen. Dag aan dag verslonden zij honderden bijen, elke korf moest hen zware schatting betalen. Ik stond voor een lastig vraagstuk: ik moest kiezen tusschen mijn eigen geliefkoosde theorieën en mijn praktisch voordeel. Er was volop honing om op de markt te kunnen brengen, mits ik de bijen slechts tegen hun roofzuchtige vijanden beschermde. Maar was ik niet ook volgens eer en geweten verplicht de vogels te beschermen? Was niet het eiland sinds mijn vestiging er op een toevlucht, een wijkplaats, een heiligdom, een koninkrijk geworden voor alle vogels, behalve tyrannen en kannibalen? Had ik niet altijd anderen gewaarschuwd voor de verschrikkelijke gevolgen die een geweerschot in deze gewijde atmosfeer kon teweegbrengen? Maar hoe moest ik nu recht doen wedervaren aan de hulpelooze bijen, die ik zelf hierheen had gebracht en hun ontelbare nakomelingen? En hoe het geld te redden dat ik in mijn bijenstand gestoken had? Hoe den blanken, goudgeel en bruinen, kostelijken honing te behouden en toch de rechten der vogels niet te kort te doen? Hadden de vogels, nog afgezien van mijn gevoelsoverwegingen, niet een wettigen aanspraak wegens eerste occupatie? En niet alleen dat zij mooi en lieflijk waren, dat zij tam en vertrouwelijk waren geworden, dat zij tot de oorspronkelijke bewoners behoorden van het eiland, dat ik zoo graag onverstoord wilde laten; zij waren bovendien nog bijzonder nuttig door de verdelging van tallooze insekten die de mensch gewoonlijk schadelijk pleegt te noemen. Gelukkig duurde mijn tweestrijd niet lang, ik besloot liever het bedrijf op te geven dan de vogels onrecht te doen. Een vriend nam den geheelen stand van mij over. Wij missen nu den honing, maar wij hebben de vogels behouden, die wij anders bij honderden hadden moeten verdelgen. Het geld dat wij aan patronen zouden hebben besteed, dient nu om honing van buitenaf te koopen. Het zou verwaand zijn te zeggen dat ik vrij ben van die verwaandheid die Carlyle, met begeerte en inhaligheid, een der erfzonden der menschheid noemt; maar ben ik niet vrij van de zorgen van hen die naar loon en eer van deze wereld streven? Beter deze eenzaamheid en matiging in alle dingen dan, verteerd door zorgen, te morren om mislukking in den onophoudelijken strijd om rijkdom of zijn vermeerdering; beter dan te knielen in den bezoedelden tempel van het Commercialisme, den ouden afgod Mammon; beter dan rust en gezondheid op te offeren aan de dwaze eischen van fatsoen en maatschappij. Misschien zal deze of gene mij „onpraktisch” noemen. Ik geef hem gelijk, maar stoor mij niet aan zijn oordeel. Deze gedenkschriften zijn voor hen die naar nog iets anders streven dan naar „vooruitkomen in het leven” en het maken van wat drukte. TWEEDE HOOFDSTUK STRANDVONDERIJ Ter rechtvaardiging van den titel van dit boek diene dat ik, zoodra voldoende voorraad voor het natte seizoen (dat in den regel tegen Kerstmis intreedt) verzameld is; het grootste deel der week pleeg te besteden met het brengen van vriendschappelijke en intieme bezoeken aan de naburige kust en eilanden. Plicht en neiging drongen mij er toe aard en karakter van alle baaien en grotten der eilanden, ligging en gedaante van rotsen en riffen, het karakter van boomen en struiken, de natuur van de wildbegroeide heuveltoppen en steilten te onderzoeken; leven en taal van onbekende vogels te verstaan; de verzamelplaatsen der schildpadden en de geliefkoosde schuilhoeken der visschen te ontdekken. Ik hunkerde naar de vrijheid van onbewoonde eilanden en onbetreden stranden, begeerig de natuur te leeren kennen zooals zij is, niet onder den microscoop, maar in haar maagdelijke droomen. En veertien, dikwijls zestien uur van de vierentwintig bracht ik dan in de open lucht, aan het strand of op het water door. Volgens de gangbare meening omtrent het klimaat van den regengordel van noordelijk Queensland, zou de malaria aan mij een gemakkelijke prooi moeten gehad hebben. De koorts had mij moeten grijpen en schudden tot mijn tanden klapperden en ik, met de schrikgestalten van den waanzin nog gillend in mijn ooren, naar mijn verre vaderland terug vluchtte. Maar er zijn nog andere streken dan Judea, waar men niet alles weet en nog vóór de eerste regens op het ijzeren dak van ons hutje neerkletterden was de verslapte stadsmensch, die op den eersten avond van zijn nieuwe loopbaan al zoo ontmoedigd was, al niet meer te herkennen, dank zij den sterkenden, heilzamen invloed van een vrij en gezond leven. Binnen drie maanden was zelfs de bittere nasmaak der ongezonde beschaving verdwenen en bovendien kende ik nu mijn eiland en was ik op voet van vriendschappelijke bewondering met al de andere. Ik was een burger van het heelal geworden. Gedurende deze eerste periode van volkomen minachting van tijd en bezigheid kwam ik tot de overtuiging dat het beroep van strandvonder, de verst mogelijke „terugkeer tot de natuur,” een bekoring heeft als geen ander. Ongehinderd door de wetten der maatschappij, terwijl de weinige benoodigdheden des levens hem door de natuur zelf edelmoedig worden toegeworpen, kan een rechtschapen strandvonder een gelukkig leven leiden. Behoort hij evenwel tot dat type dat om de maand een wrak noodig heeft om zijn voorraad rum, jenever of andere voorwerpen van zijn waren godsdienst aan te vullen en is hij zelfs bereid om, wanneer de schipbreuken niet regelmatig genoeg plaats grijpen, de nalatige natuur door middel van valsche kustlichten wat te helpen, zoo zal hij op deze vreedzame eilanden geen bestaan kunnen vinden. De strandvonder van beroep loopt barvoets zijn koraaleiland af om de argelooze inboorlingen hun copra[18 - Copra, uitgeperste kokosnoot.], kokos-olie en parelmoerschelpen af te troggelen; zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit schildpad, schildpadden-eieren en visch, zijn drank is rum of kokosmelk – de laatste alleen wanneer de eerste ontbreekt. Heeft er een schipbreuk plaats dan wordt hij een machtig potentaat in pyjamas en zwelgt met zijn smerige vrouwen, schitterend uitgedost, in overvloed. Een slag op zijn harden kop met den knuppel van een naijverigen inboorling is het gewone einde van den typischen strandjutter. Bij sommigen wordt door de strandvonderij het speelinstinkt ontwikkeld. Is er wel één menschelijk wezen dat deelneemt aan het gekrieuw en tumult der wereld, dat in oprechtheid kan zeggen dat hij al die instinkten van den wilde: de speelzucht, het verlangen naar opwinding en zich verbazen, de brute zelfzucht, de vreugde van iets „voor niets” te krijgen, heeft overwonnen? Mondaine tijdschriften weten te berichten, hoe aanzienlijke dames lange, vervelende avonden zitten te wachten op ’t armzalig cadeautje in een cotillon. En als de zee haar gaven aan deze blinkende stranden spoelt, geef ik vrij- en blijmoedig toe aan mijn strandjutters-instinkt en kies naar hartelust. Nog nooit heb ik iets van wezenlijke waarde gevonden, maar wordt ik niet voortdurend door vrome wenschen en vurige verwachtingen geprikkeld? En is dit spel niet even boeiend en even onschuldig als menig ander dat veel meer kost? Bovendien is het een spel waarop men geen invloed kan oefenen, dat niet gedwongen kan worden en daarom nooit demoraliseerend is. En wat voor wonderlijke dingen vindt men al niet! Eens kwam een kist met pekelvleesch, een gruwel voor alle zintuigen, langs ons vee-beroofd maar geurenrijk eiland drijven, ’t Zou me niet verwonderen als het schip dat haar had uitgeworpen, bij de matrozen in een kwaden reuk stond. Zij liet een vettige, stinkende streep op het water achter en zal op haar verderfelijken tocht zonder twijfel tallooze visschen hebber vergiftigd. Nu en dan spoelt er een kist met vruchten aan; een er van stelde ons in staat de vruchtenteelt op het eiland op waardevolle wijze uit te breiden. Dit feit liet weer eens zien hoe de mensch, zonder het te weten en zelfs tegen zijn bedoeling, er toe kan bijdragen de zegeningen van een lachend eiland te vermeerderen, zegeningen, die voor altijd zullen blijven en misschien eens een geheele ontluikende natie ten goede zullen komen. Jaren geleden, in 1878, leed een Amerikaansch schip, de Merchant, in een cycloon, die nog thans alle oude kustbewoners heugt, schipbreuk op een rif ten zuiden van de Palm-eilanden. Het verging met man en muis en de geheele lading, uit cederstammen bestaande, werd overal heen verspreid. Het grootste deel dreef aan in Ramsaybaai op het Hinchinbrook-eiland; de spiegel met den Amerikaanschen adelaar werd, met nog een zeemanskoffer, gevonden op de Brook-eilanden; een windas, met een kinderslabbetje er in verward, op de Zuid-Franklands-eilanden, 40 mijl noordelijker, en een groot brok van het versplinterde wrak op een rif oostelijk van Fitzroy-eiland, nog 25 mijl verder. Enkele balken dreven onze kalme inhammen binnen en liggen er nog heden. Een die makkelijk te bereiken was, namen wij in bezit. Hij voorzag ons van planken voor een platboomde schuit en verschillende meubelen en gaf mij bovendien een praktische leering. Ik kwam er door tot het inzicht dat spanzagen een ontmoedigend werk is. Het ziet er makkelijk genoeg uit, als anderen er mee bezig zijn. En snuift men met het roode stof, dat de gepolijste staaltanden uit het hart der zware balken halen niet „het balsamiek aroom op van nardus en cassia, dien de muskusgeurende wieken der zephiers verspreiden door de cederboschjes der Hesperiden?” Maar die zelfde lange zaag rukt u de leden haast uit elkaar en ge komt al heel gauw tot het besef dat men vroeg moet beginnen, wil men het beroep van zager anders dan op een afstand waardeeren. De grootste weldaad die mij als strandjutter te beurt viel was de schipbreuk van een Duitsche bark, 200 mijlen zuidelijk, waardoor de geheele kust en ook Dunk-eiland bezaaid werd met wrakhout. Lange, zware hoekijzers, vastgeklonken aan brokstukken van het dek en allerlei houtsoorten waren voor de meest verschillende doeleinden te gebruiken. Moest ik soms, uit overmaat van eerlijkheid en bescheidenheid, dit alles op het strand laten liggen om het door de witte mieren te laten doorzeven? Neen, zonder aanstellerij en zonder mij te verontschuldigen, beken ik eerlijk dat mijn zondig instinkt door dezen schipbreuk een alleraangenaamsten prikkel kreeg en dat ik een tijdlang zwelgde in de vreugde der strandvonderij. Bij kalm nadenken kan ik niet zeggen dat ik het geheel eens ben met dien pastoor op de Shetland-eilanden, die in zijn lange gebeden nooit verzuimde te smeeken: „Heer, als het dan toch uw heilige wil is schipbreuken te zenden, vergeet dan onze eilanden niet.” Ook niet met de Bretonsche visschers, die schipbreuken als een bijzondere gave Gods beschouwen en met een dankbaar gemoed alles, kisten wijn of balen koopwaar, aanvaarden. Maar toch, wie ben ik, dat ik er een beter soort moraliteit op na zou houden dan die menschen met hun zegenende gebaren of die stoere visschers? Mijn weerstandsvermogen tegen de verleidingen, waarin wind en getij mij zouden kunnen brengen, is nooit op de proef gesteld. Maar het eerstbeste vaatje port of Rijnwijn, of de eerstbeste baal zijde die aan komt spoelen zou mijn moraliteit zoodanig aan het wankelen kunnen brengen, dat zij voor langen tijd of misschien wel voorgoed niet meer te gebruiken ware. Als een waarheidlievend geschiedschrijver moet ik tenminste al reeds bekennen dat ik altijd iets als teleurstelling voel wanneer ik de witstralende stranden leeg zie van iedere verleiding. Latwerk van de uiteengeslagen bark, waarop menig doorweekte en moede stuurman zal hebben gestaan, vervult nu de vredige taak van een tuinhek. Niet meer betreden door rappe, glibberige voeten, niet meer geschrobd en geboend met zand en puimsteen, maar netjes wit geverfd, een symbool van veiligheid en huiselijkheid, piept het dankbaar elken keer dat het opendraait. Wanneer men op één achtermiddag-zeiltocht een mijlenlange kuststrook en acht à tien eilanden kan bezoeken, moet het leven van den strandvonder wel de bekoring der afwisseling hebben. Wanneer hij landt in een weinig bezochten inham weet hij nooit wat de zee weer voor hem kan hebben gereed gelegd. Misschien is het alleen een oude kokosnoot van de Salomons-eilanden, de bolster aangevreten door een brilslang en omhangen met mosselen. De kiem van het leven kan er nog in zijn en dan is het een aangewezen plicht den noot boven de hoogwatergrens te planten. Misschien ligt er een roeispaan van de Nieuwe Hebriden met ruwe versiering op het handvat; misschien een brok van een Fidji-kano die tegen den Barrier werd verpletterd, een houten lepel zooals de Kanakas’ gebruiken of de peer van een lamp die eens brandde in den salon van een oceaanstoomer; of een bezem van Japansch maaksel, een kolenemmer, een wrijfhout, een nautilus-schelp, een riem of een roer, een weggeworpen flesch, een boegspriet van een jacht of kotter. Eens vond ik een uitstekenden hamer, recht overeind, met den kop in een rotsspleet; een andermaal het onderstuk van een slijpsteen en een schraag. Doozen, onveranderlijk van een teleurstellende leegte, komen en gaan, evenals planken en balken. Een groote zwarte baak dobberde voorbij, een weerstrevende ijzermassa meeslepend aan het einde van zijn kabel; een ruwgetimmerd vlot en een blok hout volgden. Een mooie roode boei, losgebroken van een zandbank, danste in de extase harer vrijheid over de branding, rolde het strand op, woelde een gezellig bed in het zachte, warme zand en bleef daar sindsdien sluimeren onder den sussenden zang der winden, onverschillig voor de verbazing der zeelieden en het lot der schepen. De vergulde mastpunt van een sierlijk jacht en een van zijn hutbedden verhaalden van een nieuwe en nog onbekende ramp. Het meest welsprekende geschenk der zee werd vlak bij ons aangespoeld op den sneeuwwitten koraalzoom van een kleinen inham, waar het onmiddellijk de aandacht trok. Het was niets dan een ongeveer dertig voet lange bamboestok, waaraan een lange wimpel van een baan wit katoen tusschen twee strooken roode Turksche keper. Gescheurd en gerafeld scheen deze vlag te verhalen van den wanhopigen hulproep van een of anderen verloren verworpeling, van een menschelijk wezen op een eenzame zandbank van den Barrier aan zijn lot overgelaten, zonder dak, zonder voedsel of water, maar nog niet geheel zonder hoop, zooals er in vroeger tijd wel eens Bêche-de-mer-visschers[19 - Bêche-de-mer, zeeslak of Trepang (Holothuria edulis) een Chineesche delicatesse. Zie beschrijving in Deel I, vierde hoofdstuk.] door de verraderlijke negers op het rif werden afgezet om er langzaam van honger te sterven of door den onverbiddelijken maar toch genadigen vloed te worden verdronken. Zelden zeilen wij uit zonder de hoop iets voor niets te zullen krijgen. Nog altijd hebben wij den zeemanskoffer, met koper beslagen en met zijn geheime afdeelingen vol „schoone rozenobels en moidores”[20 - Rozenobel: oude Engelsche gouden munt. Moidore (moeda d’ouro) Portugeesche gouden munt.] niet gevonden. Maar wie weet? Misschien is hij juist na een reeks van doellooze omzwervingen aangespoeld en wacht hij ons ergens in een kalmen inham op. De kist van den rampspoedigen Merchant kwam hier jaren voor mijn tijd aan en was buitengewoon onromantisch van inhoud. Deze bladzijden zijn geen verdediging maar een bekentenis, een vrije en openhartige erkenning van schatplichtigheid aan den onpartijdigen Neptunus. – Neptunus, die geeft en neemt, die nu eens heimelijk steelt met onvermoeide vingers en dan weer openlijk rooft met zulk een vreeselijk, onverbiddelijk, majesteitelijk geweld, dat het goddeloos ware te klagen. Wie vond mijn drie roeispanen, de een moeitevol uit één stuk Eupomatia-hout gesneden, de ander kunstiglijk voorzien met een verschuifbare vin en de derde van rood cederhout met kostelijk koperen monteering? Wie bezit het stel balastbakken dat eens mij behoorde? Wie de boei die ik zoo veilig vastmeerde? Wie de pagaaien, de dolklampen en signaaltouwen, verloren door Neptunus’ gril of geweld? Niet eens, maar herhaaldelijk heeft hij een schuit of roeiboot geschaakt uit de Brammobaai om haar, na er een poosje mee te hebben gedarteld, cynisch op de kust van het vasteland te werpen, en slechts ééns zond hij mij een boot terug – een armzalige, smerige, met teer bestreken slordige zwerfster – die nog wel door de politie werd opgeëischt. Misschien zijn er velen wie dit eenzaam leven vervelend lijkt. Ik zeg u dat het overrijk is aan belangwekkende emoties. Welke tragedies worden er niet afgespeeld! Eens zag ik een trotschen valk neerschieten op een boschzwaluw vlak boven mijn hoofd en hem bloedend meedragen naar een boomtop, terwijl ik verontwaardigd beneden stond. Een kogel deed den kannibaal met zijn doode slachtoffer vóór mij in het gras neerstorten. Maar er zijn ook comedies en men heeft altijd zin er naar te kijken. En de strooptochten langs het strand houden de verwachting steeds gespannen. Eens vond een gelukkige – een doodgewone liefhebber – bij toeval een zwartlippige parelmoerschelp op een naburig eiland. Zij bevatte een blauwe parel, waarvan de prijs hem zulk een voorsprong gaf in het leven dat hij nu eigenaar is van verscheidene schepen. Kan niet een andere vloed op een andere kust een andere oester aanspoelen die een ongelukkig leven lijdt tengevolge van de aanwezigheid van parels? De wetenschap leert ons dat oesters behebt zijn met lintwormen en dat zij de kiemen daarvan opsluiten in die ontijdige graftomben, die voor de menschen de lieflijkste en kostbaarste sieraden vormen. Wij moeten de weinig dichterlijke beweringen der geleerden gelooven, maar ik geef toch de voorkeur aan de Persische fabel van den zuiveren waterdroppel, die uit den hemel in zee gevallen, door de oester werd gedronken en in een heldere parel veranderde. Ook hier worden parels gevonden. En altijd geniet ik er van, al zijn zij de bewijzen van het bestaan eener walgelijke ziekte. Elke oester kan een parel bevatten, een parel van groote waarde, „een ding van schoonheid, een vreugd voor immer.” Elke goud- of zwartlippige oester is een kans in een loterij. Was er wel ooit een strandvonder zoo rein van ziel dat hij de kansen die de natuur hem gratis aanbiedt weigerde? Mijn bescheiden schat bevat parels van allerlei tint: zwart, bruin en wit. Zij zijn maar kleine prijsjes in die loterij die geen vaderlijke regeering kan verbieden, alleen geschikt als medicijn voor een of anderen Chinees, die aan een luxurieuse ziekte lijdt. Maar toch is er een kans dat ik op een goeden dag het groote lot trek. En dan? Dan verandert de strandvonder misschien weer in… nu, den eerstbeste op de lange lijst. „Welk een saai leven, welk een hopeloos bestaan! Hij is overal uit” beklagen mij allen die nog harken naar den mest der straten. Ja, overal uit, maar met een blijden geest en met alle rumoer zoo niet vergeten, dan toch gedempt door een muziek, teer als dageraad en diep als de zee zelf. TROPISCHE BEDRIJVEN Het leven van den kolonist in tropisch Queensland verschilt niet veel van dat van anderen die van hun grond moeten bestaan en zelfs de wensch om het wat beter te hebben is geen monopolie van hem. Toch trachten slechts weinigen, die dit leven eenmaal begonnen, er weer aan te ontkomen. Want het bevredigt zin en neiging van zoowel gevoelige als ongevoelige karakters. Het zich voegen naar het stadsleven en de zondige jacht naar onbereikbaren rijkdom zijn vreemd aan de vrije, lieflijke lucht die door de myriaden bladeren van het gebergte werd gezuiverd. Soms tracht de kolonist de eentonigheid van zijn arbeid te breken door studie of liefhebberijen. Ik kende er een, die nooit naar zijn maïsveld ging zonder een vlindernet. Zijn nederig huisje schitterde als een museum van natuurlijke historie. En bovendien was hij nog begunstigd door de aanwezigheid van een lieflijken waterval op zijn terrein. Dit juweel van schoonheid vooral was het dat het doodskleed van zijn doffen geest ophief en kleur gaf aan zijn leven en doen. Een ander verzamelde vogeleieren, een derde studeerde plantkunde, een vierde beoefende de photografie. Elk vlocht op zijn manier een keten van bloemen, die hem met de aarde verbond en ontdekte dat zelfs het leven van een kolonist vol kan zijn van zoete droomen, gezondheid en vrede. Maar de groote meerderheid schijnt zich toch met zulk een ijver op den knipselberg der federale politiek geworpen te hebben dat zij hoogstens nog maar de rafels van het gewaad der poëzie kunnen grijpen. Anderen weer lezen veel en worden menschen van kennis en kunde. Zij, die het landleven vaarwel zeggen, doen het meestal om goud en edelsteenen te gaan zoeken en komen, als zij hun brandenden hartstocht daarvoor hebben bevredigd, weer kalm terug. Zelden vindt men een verlaten huis. Zelfs de eerste ruwe woning van den armoedigsten kolonist wordt met teedere toewijding ingericht. Het is zijn „tehuis,” armelijk misschien, maar toch zijn eigen, waarin en waaromheen hij aantrekkelijkheden en schoonheden ziet, al ontwaren anderen er niets dan eentonige, trieste hopeloosheid. Zijn klein lapje grond mag ver en afgezonderd liggen, de Natuur koestert het en schenkt haar gaven zoo rijkelijk dat er geen tijd voor tobben overblijft. Zij weet niet wat luieren en tobben is. Verbrandt en verwoest haar oorspronkelijke wildernis, onmiddellijk herbegint zij den arbeid en als door tooverslag wordt het veld opnieuw met een even rijken en weelderigen plantengroei overdekt. De kolonist heeft haar slechts te leiden om voortdurend en overvloedig door haar van voedsel te worden voorzien, al is er geen enkele tak van landbouw die geheel zonder inspanning kan worden bedreven, behalve dan misschien de vanille-kultuur, het oudste en meest poëtische bedrijf, waarbij de mensch zelf een rol speelt bij liefde en huwelijk der bloemen. Of de kolonist maïs, vruchten of koffie kweekt, dan wel als bijbedrijf nog hout zaagt of varkens en kippen fokt, zijn leven heeft nooit groote afwisseling. Wanneer hij, binnen den kring eener suikerfabriek wonend, suikerriet verbouwt, behoort hij tot een andere soort van menschen, waarover ik niet wensch te spreken. Ik wil het alleen hebben over menschen die geen arbeid van anderen exploiteeren en geheel en al zijn aangewezen op hun eigen geharde handen. De voorwaarden waarop men land kan verkrijgen zijn een vijfjarig onafgebroken verblijf en het aanbrengen van bepaalde verbeteringen. De verwerver, die meestal niet in staat is loon te betalen, moet heel den ontginningsarbeid alleen verrichten en juist daardoor groeit zijn liefde voor het land dat langzamerhand zijn eigendom wordt, voortdurend. Beter dan wie ook kent hij den arbeid, de toewijding, het leven, die er aan dien grond werden besteed. In die eerste moeitevolle tijden wordt het land een deel van hem zelf, en al laat hij misschien veel later het werk over aan Chineesche arbeiders, zoo wordt hij toch nooit een in de stad wonend landheer. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/banfield-edmund-james/bekentenissen-van-een-strandvonder/) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом. notes 1 Mangrove of wortelboom (Rhizophora mangle), een boom met luchtwortels, die langs de tropische kusten groeit. Zie beschrijving in deel I, zesde hoofdstuk, onder „Een veroveraar.” 2 Dugong (Halicore dugong), een planten-etend zoogdier van 10 tot 20 voet lang, dat leeft in baaien en inhammen van de Indische zeeën en waarvan het vleesch als voedsel zeer wordt gewaardeerd. Zie beschrijving deel I, vierde hoofdstuk, onder „De hedendaagsche meermin.” 3 Hibiscus, planten met groote, schitterende bloemen, behoorende tot de Malvacaeën. 4 Dapahboom of Indische koraalstruik, een boom met vuurroode bloemen. (Engelsch: Flametree, vlamboom). 5 Magnolia umbrella en M. tripetale. De 12 tot 15 duim lange en 5 tot 6 duim breede bladeren van den laatste loopen naar beide uiteinden smal toe en zijn in een cirkel aan het eind der takken geplaatst, vandaar de Engelsche naam: umbrellatree, parapluboom. 6 Baloghia lucida, een Euphorbiacae die bij insnijding een bloedrood sap afscheidt (Engelsch: bloodwood, bloedhout). 7 Careya Australis (Engelsch: cockatoo-apple-tree, kakatoe-appelboom). 8 Melaleuca, beteekent zwart en wit. Witte boom, zilverboom, of Cajapoetboom (Maleisch: Caju Puti, d. i. witte boom). Een soort myrtacae met trossen van zittende gele, purpere of karmozijnroode bloemen. 9 Gingee, inlandsche naam voor Diplantera tetraphylla, vierbladige diplantera. 10 Drongo, vogels tot het geslacht Dicrurus behoorend. 11 Schoolhoutboom (Alstonia scholaris). Engelsch: Milkwood, melkhout, wegens een melkachtige afscheiding. 12 Eupomatia laurina, Engelsch: bean-tree, boonenboom. 13 Hoya, ook wel genoemd porceleinbloem. 14 Godsdienstig feest (dans en maaltijd) bij de Australische inboorlingen. 15 Litchee (Nephelium), boom met zeer smakelijke vruchten van vier centimeter doorsnee. 16 Bungalow, huis van één verdieping in de tropen. 17 Artamus, spitsvogels, zwaluwspreeuwen, zwaluwklauwieren of boschzwaluwen. 18 Copra, uitgeperste kokosnoot. 19 Bêche-de-mer, zeeslak of Trepang (Holothuria edulis) een Chineesche delicatesse. Zie beschrijving in Deel I, vierde hoofdstuk. 20 Rozenobel: oude Engelsche gouden munt. Moidore (moeda d’ouro) Portugeesche gouden munt.