Warda: Roman uit het oude Egypte
Georg Ebers




Georg Ebers

Warda: Roman uit het oude Egypte





EERSTE BOEK





EERSTE HOOFDSTUK


Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit, waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen, om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken, met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter het doodenrijk begint.

Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten. Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed bij het gele kiezelzand van het voetpad.

In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling – want wij brengen onze lezers terug in zulke langvervlogen tijden – waren menschenhanden in Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de straten van deze beroemde residentie der pharao’s. Dicht bij den stroom verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad. Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen, gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd, waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden zetel der pharao’s!

De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan. Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden. Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden, sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen. Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden.

Wij staan op den bodem van Thebe’s doodenstad.

Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist. Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers kon de dienaar der godheid worden gemist.

De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging, hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd, benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld, en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten, ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien. Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest. In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof.

Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer ’s morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus opkwam en als Tum nederdaalde[1 - De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.]. Zoodra de laatste tonen van het priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den stroom verlangden te overnachten.

De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier, en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2 - Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier. In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken, en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de menschen.]. Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden, die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden, dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was. Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen.

Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen. Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht riep »halt!” en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt, die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt” gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3 - Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.] van den tempel, die door Seti I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was gebouwd, de rustverstoorders.

De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier, die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag, te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij den man die geklopt had, wat hij begeerde.

Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!”

De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen geleider. »Gij vergeet, Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen hebt met wilde Shasoe[4 - Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.], maar met vriendelijke priesters, van wie wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven.”

Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want hij kende zijn meester.

Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje, dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena’s echtgenoote heeft de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5 - Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.], Pinem geheeten, geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent.”

»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.

»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning overschrijdt. Maar…”

»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk, misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven.”

»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet onrein is,” viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses, haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te betreden. Ik sloeg voor,” zoo vervolgde hij tot den priester, »het meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk te zenden.”

»En de prinses?” vroeg de priester.

»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” hernam de ceremoniemeester.

»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van Mena op.

»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met zachte stem. Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb.”

»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.

»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.

De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf gehandeld. De Hathors[6 - Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke werkzaamheid te verpersoonlijken.] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?”

»Zooals gij zegt!”

»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet.”

»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7 - De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee pharao’s.], dicht bij… Maar ik zal een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de zieke staat. – Paäker!”

De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en vroeg: »Wat beveelt gij?”

»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het zal den wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want,” en hierbij wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen: het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische, trachtte in te halen. Het was een wild rennen.”

»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester. »Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is zwaar gewond.”

»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre Sati-land[8 - Azië.]?”

»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” antwoordde de ceremoniemeester met een glimlach.

»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den toestand van het meisje.”

Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne manschappen stand bij den tempelpoort.

»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.

»Wat moet gij bij hem zoeken?”

»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.

»Lomperd!” riep de hoofdman. – »Links om en voorwaarts, mannen!”

»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”

»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar gij vandaan komt. – Soldaten, voorwaarts!”

Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen. Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels. Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9 - Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar nimmer vernietigen.], gij galgenaas, gij aterlingen, ik zal u!”

Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.

»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij vledermuisgebroed,” riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens, die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de hemel het je vergeve!”




TWEEDE HOOFDSTUK


De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10 - Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel van Qoernah.]. Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met ontzaglijk kolossale beelden[11 - Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.]. In ieder ander opzicht echter kwam aan het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen, geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen.

Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst verdienden genoemd te worden[12 - De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen, die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah afkomstig zijn.]. Op den voorgrond stond de hoogeschool, waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen, beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver” ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden, opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.

Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij hooren als men hen slaat.” Knapen, die uit de lagere klassen tot de hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen. Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe behoorden.

Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele lampen verlicht.

Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt. Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer. Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen, die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren.

Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker, met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van ’s mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was, daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings, scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den tempel had gezien.

De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man, gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis, dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren, en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het „het groote huis”[13 - Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der Joden is ontstaan.] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden.

Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij ’s nachts; de koelte en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten, onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.

Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen, als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer, de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere was.

Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek, waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk, door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten rusten[14 - Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15 - Ricinus-olie.] gevuld. – Ameni droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den kalen schedel[16 - Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea bewaard.], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp, terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte.

Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen spreken, trad het vertrek binnen.

Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust brengt. Spreek!”

»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf Pentaoer ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich aanmeldde…”

»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg de prelaat haastig.

»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis.”

»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”

»Zoo is het.”

»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”

»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de zeden in strijd is, maar…”

»Maar?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.

»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag, »maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17 - De zonnegod der Egyptenaars.] in zijn gouden boot den hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden, omdat hij ellendig is?”

»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, »niet den priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft, dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht van het allerheiligste bezworen, namelijk: het weten zorgvuldig te bewaren, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is ’t vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind – en het volk, de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen – een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij de wetenden blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester, de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging. Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te hebben.”

Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker. Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen te dichten.”

»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.

De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over ’t hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde, bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld, en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne schouders aanraakten.

»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En toch” – nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer’s rechterhand – »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te verwijten? – Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan? Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over, weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? – Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft. Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht namelijk om terwille van het éene – en gij kent dat eene – al het andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. – Nog iets! Zend artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien man?”

»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker, in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den weg te wijzen.”

De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker, die waakt over de dochter van een Paraschiet!”

Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein is!”

»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben,” hernam Ameni weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”

De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren – ook het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen…”

Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is ’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”




DERDE HOOFDSTUK


Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen. Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen, om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het hart te drukken.

Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18 - Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars, waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.], doch maar weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd. De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.

De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen. Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten, den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.

Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten, hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.

Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie tot zijne specialiteit[19 - Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet tot eer.], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde, altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets liet voorstaan.

Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden, en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen, wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste: mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles, zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn, terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.

Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen, slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren, benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar gewoonlijk sliep.

Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht bevestigde mesje van vuursteen[20 - De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de museën worden bewaard.], dat hij juist gebruikt had, in de plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer, die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen, dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden. In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd, zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.

Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer gij u met verbodene dingen bezig houdt.”

»Men he… heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van den bedrieger[21 - De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus, I, 78.] Ptahmes te ontleden.”

»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!” hernam de dichter.

»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”

»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22 - Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.] mede gegeven in zijn graf?”

»Onzin.”

»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de smarten der menschen te lenigen…”

»En gij niet?”

Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en daarom wordt het eerder vernietigd!”

Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”

»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”

»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: – men staat mij zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris beweegt.”

»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk van het behoud des lichaams.”

Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze, zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken zijn.”

»Nu, Thot[23 - Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken. Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i. de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den zeer grooten heeten.] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet behoeft te ontzeggen!”

»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets, volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”

»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”

»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets beter of slechter kan genoemd worden, maar van goed kan geen sprake zijn.”

»Dan zullen wij ons met uw beter te vreden moeten stellen. Ik kom juist om er een beroep op te doen!”

»Maar zijt gij dan ziek?”

»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat…”

»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”

»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het arme kind moet zwaar gewond zijn.”

»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”

»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”

»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”

»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij den onreinen te vinden.”

»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”

»Pinem.”

»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s monds. »Doch wie weet!”

Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en streek met een penseel strichnine[24 - Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.] over de neus en den mond van het konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist en sprak: »Ik ben bereid.”

»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”

De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad, toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. – Maar bij den God Besa[25 - De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is afkomstig uit Arabië.], gij zijt veelhuidig als een ui!”

Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan drie kleederen aanhad.

Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat, bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”

»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden, en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest worden.”

»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind van een Paraschiet?”

»Voorzeker!”

»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen. Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag hem, dat hij den Pastophoor[26 - Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.] Teta met mij laat gaan, die mij in den regel vergezelt.”

»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger helper kiezen.”

»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27 - In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.].”

»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”

»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen, dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den Nekropolis?”

»Ik meen in het noorden. – Paäker, de gids des konings, zal u den weg wijzen.”

»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den kalender[28 - Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard. Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet, enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven door Dümichen.]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”

»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.

»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”

»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.




VIERDE HOOFDSTUK


Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool van Chennoe[29 - Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten, oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof, door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30 - De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen, zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.], gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige schuren[31 - De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.

De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein, stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden, en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.

Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32 - Sommigen zijn bewaard gebleven.] in de scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”

»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”

»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”

»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe gekomen geleerden er bij.

»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33 - Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.], een bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,” zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft. Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:

		Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens
		En alleen Gij, die ’t al maakt wat geworden is.

En verder:

		Hij is eenig, alleen, zonder gelijken,
		Wonende in het Allerheiligste[34 - Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.].

Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten komen.”

»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des tempels. »Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”

»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied gezongen werd bij het feest van den trap[35 - Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.].”

»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk bestrijden, zoolang het nog tijd is?”

»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” hernam Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met zwaarden, maar hiermede en daarmede” – en de levendige man sloeg zich terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden, en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u, anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”

»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer voor onrein en typhonisch[36 - Wat Typhon of Seth toebehoort.] gehouden.”

»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het wordt hierheen gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het door tot onze zeden en in onze taal[37 - In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II en zijn zoon Mernephtah.]. Onze huizen, zelfs den tempel sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een afstammeling…”

»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren, die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger van Ra in deze landen den scepter voert.”

De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: – “Ik zie dat gij in eene stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het evenwicht uwer zielen?”

»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”

»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.

»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”

»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”

»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden.”

Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: »Wat denkt gij te doen?”

»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” antwoordde Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig bij zijne gebeden?”

»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.

»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. »Maar waarom mis ik onzen dichter in uwen kring?”

Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden. Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn wagen wegbrengen.”

Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader, zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van aanzienlijke afkomst?”

»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester, »die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de school[38 - Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de Egyptenaars niet.]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden hem op tot hetgeen hij nu is.”

»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”

»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,” gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”

»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” sprak Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze zijn slaaf ware.”

»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” merkte de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat heeft verzacht.”

»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester in het midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich gemakkelijk liet leiden.”

»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”

»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”

»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende, gevoelige vrouw.”

»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken? Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig teeken huns vaders hebben gedragen.”

»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, »dan behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”

Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend te maken.”

»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” – en Ameni richtte bij deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe – »van vrijheid en vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”

»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem vervreemd.”

»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” vervolgde Ameni weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van een Mohar.”

»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar”[39 - Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in zijne Voyage d’un Egyptien.], zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn ambt van hem vordert.”

»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder der oorlogszaken[40 - Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken. Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de gedenkteekenen voor.] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner troepen regelt.”

»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als schrijver.”

»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog, dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden bevelen had te wachten.”

»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”

»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde de voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa, en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”

»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte nakomelingen van den zonnegod.”

»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.

»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen, zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt, en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand kunnen steken. – Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden, alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe verordening te spreken. – Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met wijs overleg mijn bevel!”

De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”

»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”

»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten des rijks?”

»De hemel beware ons!”

»Maar hoe kon dan…?”

»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe den vrager in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven, en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”

»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt, en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”

»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de schatmeester, »ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”

»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader in alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken, maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. ’t Is waar, hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar” – en de oude priester sloeg zich op zijn breede borst, – »dáar kookt en schuimt het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden, geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome.”

»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.

»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag…”

»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den opgewonden grijsaard in de rede.

»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven. »Haat?” – en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker. De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! – Doch er is eene andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker, wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. – Ziet, Paäker’s offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het verderf van menschen, die hij haat.”

»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop, »werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders.”

»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, gij weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft uitmaken van zijn eigen bestaan.”

»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was Mena, ’s konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem was bestemd.”

»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters uit Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41 - In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau) heet het: „Is het niet de wet, die de een aan den ander verbindt?” Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den sarkofaag van Oennefer te Boelaq.]?”

»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld, toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij honderden te tellen.”

»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld. Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42 - Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd. Roodharige menschen waren typhonisch.], toen hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord, die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard, aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe.”

»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe, hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen, waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen kunt.”

»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam de oude, »hoe gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, – noem hem zoo ge wilt – met zooveel ijver tracht vrij te pleiten.”

»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.

»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt, vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen, maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles,” – en er was oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is.”

»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe gestrengheid!”

»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak de grijsaard, terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en snijden.”

De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het algemeen belang er mede gemoeid is.”




VIJFDE HOOFDSTUK


De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht; de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.

Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende, om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen. De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die druk in de weer waren met het mora-spel[43 - Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli weergegeven in de Leipziger Illustr. Zeitung, 1852, s. 331, ff.]. Ettelijke matrozen lagen te slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken. Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar, bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven van Chennoe en Soean[44 - Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.] waren aangekomen, naar de plaats waar de grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven, hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels, die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier belemmerde.

Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het. In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten, van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine, vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen. Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen, gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.

Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje. Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel, zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het erfdeel harer Semitische voorouders[45 - Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.] en hetzelfde mocht ook gelden van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang prijkte[46 - Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der pharao’s gemist.]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van aanzienlijke afkomst.

Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde, gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres, dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.

Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed. Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”

»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier achterlaten.”

Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met mij gaan.”

De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd waren[47 - De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was haar gewijd.], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.

»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast die rotsholte.”

Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen, deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan. Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was, ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen. Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”

Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat zulk eene daad ons verontreinigen zou.”

Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon: »Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”

De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden vertoornen en u zelve…”

Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide. Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte. Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof, rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om verschooning vraagt.

De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud, goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen, wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen. Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen, golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd, oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen des konings niet zelden naar Thebe kwamen.

De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt, om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.

Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen, dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden. Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten, verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren, hield ook hij voor zoodanig.

Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48 - Diodorus I, 91.]. Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten, waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die, zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”

Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier zonder ophouden wordt rondgewenteld.

»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich af. »Zeker oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet blijven met onuitwischbare vlekken?”

Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en ’s mans gelaat scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog, om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan, begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op haar lijdend kind.

»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken, hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar,” zoo ging hij denkend voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”

Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te schieten. »Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch, die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige – en de godheid is eeuwig – is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid, waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!”

Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden, waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.

Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet; integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het manneke. ’t Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was, werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”

Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind, dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen. Daarbij – het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag gebeuren – weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide klachten aanhieven.

Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het hof heeft men wel wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen.”

Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken. Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst, en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar toe: »Wat is zij schoon!”

De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar kapsel en legde die op de borst van de kranke.

De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”

De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u zooveel smart veroorzaak.”

De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”

»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.

De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal u verontreinigen.”

»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb gedaan!”

»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst vertraden! Daar, zie!” – en hij nam den doek weg en wees op de groote roode wond, – »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede – dáar!”

De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied. Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe eigene ongerechtigheid!”

Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard, priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt, gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49 - Amon, Moeth en Choensoe.], hoe zou ik het ook kunnen zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50 - „Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.]. Trouwe plichtsvervulling geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet; maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik…”

De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen: »Arme man! Vergeef dan ook mij!”

De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden, en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij overvallen.”

»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen, betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.

»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51 - Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de landengte van Suez.], die den Nijl met de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor de hyena’s in het Noorderland.”

Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere vrouwen begonnen te klagen.

De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg zacht: »Over wien klaagt gij?”

»Over uw armen vader,” zeide de oude.

Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop, toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde. Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor grootvader, en oogzalf[52 - Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.] voor u en mastiktakken[53 - De takken van den mastikboom worden nog heden, om den aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.], die gij zoolang hebt moeten missen.”

Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad. Maar – daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij dien los, een gouden ring rolde op den grond.

Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”

»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was geweest van alles wat hier gebeurde.

»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl hij de prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een verworpeling, laat mij u dan zegenen.”

»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.




ZESDE HOOFDSTUK


Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten. De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei hier. Wat zullen wij aanvangen?”

»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog, dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”

De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.

»Sechet[54 - De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.] woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik van dit schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen doodelijk getroffen.”

»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting aanbood.

Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen, die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”

Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust: »Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”

De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet, terwijl hij haar den rug toekeerde.

Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot mij!”

Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij haar aanzag.

Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van Mena hem op nieuw toesprak.

»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn eigendom zou mogen noemen.”

Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen stierf uw oom – ; gij zijt naar Azië vertrokken…”

»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”

»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”

»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”

Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning, dichter dan ik, en uwe moeder…”

»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij aansprak op ’s konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55 - De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.], is flauw en armelijk bij de zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar als hemelsche goden.”

Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56 - De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.] den vrede! De koning toog ten krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk, en toen…”

»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,” vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit den krijg, die in Azië hevig woedt.”

»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.

»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”

Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste, als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen hoe diep ongelukkig zij was.

Paäker stond zwijgend tegenover haar.

Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw, hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord der liefde van hare lippen op te vangen.

Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal mij toch een weinig water!”

»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde Paäker.

»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.

Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de hartstochtelijke beweging van zijn bloed.

Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere sprong[57 - Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig, onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.

Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”

Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.

»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de zwarte tooverteekens in[58 - Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven Papyrus magique Harris is ongeveer uit den tijd van ons verhaal afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”

Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij, zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp. Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge gasten brengt en groote eer!”

»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te groeten, maar een zilveren ring[59 - De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.] midden onder de wortelen in haar schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere kom.”

»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne kostelijke dranken.”

»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.

»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere taal, zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen? Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of uw vriend dan wel uw vijand – ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet wegnemen?”

»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.

»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”

»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie…”

»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar in de rede. »Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u helpen.”

De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is het fleschje,” zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” – En zij bevochtigde hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”

Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere kan vol Nijlwater.

»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het hol weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? Hem zeker! Maar zijn schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets.”

Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde, vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.

Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”[60 - Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.].

De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden; zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen: »Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” – Hij was temoede als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal hij het verscheuren?

Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden gestraft[61 - Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, Sur un papyrus magique (Revue archéol. 1863); Chabas, Papyrus magique Harris; Devéria, Papyr judiciaire de Turin.], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd? Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag- en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in het omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62 - Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.], den god die de wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van Osiris[63 - Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de nabijheid van Osiris te rusten.] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen. Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode zijns vaders.

Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken, hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde. Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart, maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.

Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren, dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen. Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten, want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen. Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte. Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water, greep de schaal op en naderde zijn offer.

Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank,” zeide zij, toen zij na het gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan! Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”

Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig aan zijne lippen drukte.

»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”

Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”

Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” – Doch dit gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.

Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres, strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van Assa”[64 - De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.]!

Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in. Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een ure!”

De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.

Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”

»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.

»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers, den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”

»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”

»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.

»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”

»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam Bent-Anat, »braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen, wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”

»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”

»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!”

Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod, wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt, zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde en dezelfde smart geboren.”

De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt hebben! – Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden in de brandende zonnehitte. Volg mij!”

Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”

»Mijn naam is Pentaoer.”

»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”

»Zoo noemen ze mij.”

Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen, en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts gevoelen. Gaarne volg ik u!”

Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de donkere schaduwzijde van leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan toe, »de heldere lichtzijde tevens.”




ZEVENDE HOOFDSTUK


Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen ontving den stoet aan de tempelpoort.

Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot, waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65 - Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus, Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en honig.], die de groote ruimte met een bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen, waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.

»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.

De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren, gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug. Daarop ging zij verder.

Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit, als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?”

De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester, wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem was.

Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien trotsch en afwijzend.

De aderen op Ameni’s voorhoofd zwollen; toch wist hij de verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: ‚Hebt gij deze heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”

Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”

»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”

De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”

Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch, die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter. Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat’s blik den zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.

Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni: »Bent-Anat!”

De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan. Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel vergeven worden; maar een dienaar der godheid” – en dit zeggende zag hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik – »een priester, die in den strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij…”

Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud, waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni’s voeten neder en zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”

Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht, verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar, geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon ontvangen.

Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het gebeurde onder de menigte verbreid.

De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten, niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht. Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten, was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het schelden en smijten met steenen.

In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen. Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?” vroeg hij luid en kalm.

Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.

Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden, opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”

Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief het omhoog[66 - Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met juistheid aldus: „Het sistrum is van boven rond gebogen, en de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis en aan de andere zijde dat van Nephthys.” Boven op een bronzen sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op eene in het oog vallende plaats aangebracht.]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan, en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de dochter van Ramses.”

Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen door naar den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.

Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk. Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte zal in opstand komen als deze onzinnigen.”

Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die, geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag. Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten.

Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen; het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten.

In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders. Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij, vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te lezen. Met alle kracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” fluisterde een jonge priester zijn buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen.

Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den titel: »de goede god.” Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor: »Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?” Hij riep den eenen priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de goedheid van Amon[67 - Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die, nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het, in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt. Hij is de „echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn eigen zoon.” Als „levende Osiris” bezielt hij al het geschapene, het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot een hooger bestaan. Hij wordt „weldadig, schoon, zonder gelijke” genoemd, maar ook een „vernietiger van het kwade,” in wien de mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld met een ramskop.], Ra[68 - Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god die het Al is.], Ptah[69 - Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping heeft gemaakt, „die er van den aanvang geweest is;” wien de zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die „de Heer der waarheid” wordt genoemd, omdat de wetten en de bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken, zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: „Hij die opent.” Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij behoeven om weder op te gaan en op te staan.] en de andere goden openbaarde.

Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag. Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij, »is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen; gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepper hare rijkste gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in de armen van een god die – hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! – die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars.”

Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof, die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde. Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de harp ontbrak.”

Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.

»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” ging de opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope waar op de open markt aan ieder aan.”

»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.

»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de onreine vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone ooft op den grond, dat vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op. Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?”

»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam waarheid en recht te zijn.”

»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is waarheid?”

»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; »maar mijne ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij zich in mij werkzaam toont…”

»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der godheid!”

»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander, zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?”

»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou dragen.”

»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar toonde…”

»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans.”

»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn.”

»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!”

»Ameni!”

»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet, die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning, ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een bevestiger der wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd dan van u. Is het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte[70 - De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd der pharao’s overeen met het ware astronomische jaar en kon den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de tijdrekening dienen.] zal zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak! Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel prenten!”

Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel. Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen. De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome, zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had. Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van de erkentenis, dat zij verkeerd had gehandeld. Alleen in geval zij zich schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik maken.

De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. – En nu? Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen, zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling niet begrepen.

Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij zichzelf, »als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters, die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt, wordt een tyran!” – »Pentaoer’s dichterlijke ziel,” zoo dacht hij verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens lippen de zoete taal vloeit van Techoeti[71 - Toth-Hermes. Zie boven.]! Zij mogen elkander niet wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses.”

Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende: »Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en mijn streven. – Mesoe[72 - De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder zijne opvolgers geschiedde.] werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen! Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik denk er echter anders over, vermeng mij als eene ijzerhoudende beek van den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur.”

Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, en zeide: »Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle priestercollegiën van het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat men openlijke – versta mij goed: openlijke! – gebeden uitspreke voor hare reiniging in alle tempels. Leg mij den brief binnen een uur ter onderteekening voor! Doch neen, geef mij uwe pen[73 - De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in schrijftafeltjes geborgen werden. Vert.] en uw palet; ik zal de verordening zelf opstellen!”

De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug naar den achtergrond van het vertrek. Ameni prevelde: »De koning wil ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in antwoord op zijn lansworp.”




ACHTSTE HOOFDSTUK


Over de aan gene zijde der Nekropolis van Thebe gelegen stad der levenden was de maan opgegaan. In de door pylonen en rijen sphinxen verbonden tempelgebouwen, die zich wel een uur ver langs den Nijloever uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar buiten, vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige groepen op den grond en zongen het referein mede van een of ander lied, dat een middelmatig zanger voordroeg bij den klank eener handtrommel en de tonen der fluit.

Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen, de huizen der rijksgrooten waaronder zich éen vooral door pracht en omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote. Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke wagenmenner Mena had het van zijn vader geërfd. Terwijl hijzelf in het verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende fakkels, wachtende op de lang verbeidde terugkomst hunner gebieders.

De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en rechterzijde rezen twee cederstammen omhoog als masten om de wimpels te dragen. Hij had ze met opzet voor dit doel op den Libanon doen vellen en met een schip naar Pelusium aan de noordoostelijke grens van Egypte laten brengen. Vandaar waren zij langs den Nijl naar Thebe gebracht. Ging men deze eerste poort door[74 - Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld door Lepsius in zijne Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien. Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot voorbeeld het huis met een tuin. „Gij hebt voor u,” zegt hij, „een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het, dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt.”], dan kwam men in een ruimen geplaveiden hof, met gangen die alleen van achteren afgesloten waren, en waarvan de daken door dunne houten zuilen werden gedragen. Hier stonden de paarden en wagens van den gids; hier woonden zijne slaven en werd de voorraad van veldvruchten bewaard, die men in een maand noodig had. In den achterwand van dezen hof voor de huishouding was weder eene poort, doch minder hoog, waardoor men in den tuin kwam. Deze was beplant met rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden. Palmen, sykomoren en acacia’s, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te begieten, want hij werd gevoed door twee kanalen, waarin de door ossen in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl opvoerden.

Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. Het was maar éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur, die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke langs de geheele tuinzijde van het huis doorliep. Bij dit gebouw sloten zich rechthoekig een aantal voorraadschuren aan, waarin de vruchten en groenten, die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd de schat zorgvuldig bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten, vooral lazuursteen en stukken malachiet. – Midden in den tuin was eene rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In de laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris[75 - De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal. Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl, die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt, vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd, hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de overwinning op Typhon heeft behaald.]. Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten portretten van de overledenen voorstelden.

De linkerzijde van den hof voor de huishouding was thans in duisternis gehuld. Toch vergunde de maneschijn vele donkere, slechts met een schort gekleede gestalten te onderscheiden. Het waren de slaven van den gids, die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige lampen; zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden, die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt waren neergehurkt rondom een nauwelijks twee voet hooge tafel. Zij gebruikten hun avondmaal, bestaande in eene gebradene antiloop en groote platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een antilopenbout toe en zeide[76 - Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus (Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de Franschen vergelijkt. „Zij toch zijn,” zegt hij „gelijk men genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars, geneeskundigen.”]: »De armen doen mij zeer; dat slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler.”

»Ik zie het aan de palmen,” zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels.”

»Wij moeten doen als onze meester,” zeide de stalmeester, »en ons staven van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!”

»In elk geval langer dan de beenderen van menschen,” zeide lachend de opperste veehoeder, die van Paäker’s landgoed in de stad was gekomen om offervee, boter en kaas af te leveren. »Wanneer wij onzen heer in alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en kreupelen in huis.”

»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen heeft stuk geslagen,” zeide de hofmeester. »’t Spijt me van hem, want hij was een knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter.”

»Dat zult gij wel weten!” riep een fijn stemmetje, dat zich spottend achter de schransende bedienden liet hooren.

Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den zonderlingen gast zagen, die hun ongemerkt genaderd was. De pas aangekomene was een gedrochtelijk kereltje, zoo groot als een knaap van vijf jaren, met een waterhoofd en ouwelijke maar scherp geteekende gelaatstrekken. De meeste aanzienlijke Egyptenaren hielden er voor hunne liefhebberij huisdwergen op na, en dit kleine schepsel moest als zoodanig de vrouw van Mena dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer verstandig gehouden en kon aardig vertellen.

»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren,” zeide de kleine; »ik neem niet veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen, want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop.”

»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard,” riep de kok.

»Zij zwelt,” hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!”

»Wees ons dan welkom,” sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?”

»Mijzelf.”

»Dan brengt gij niet veel groots.”

»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen,” antwoordde de dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden om te vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd. Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat.”

De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De maan staat reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis zijn.”

»De maaltijd was gereed,” zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet uitblijft.”

»Maar dat zal hij niet,” verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers de prinses Bent-Anat.”

»En mijne meesteres,” voegde de dwerg er bij.

»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben,” zeide de tuinman lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben.”

»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen? Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk.”

»Zorg tenminste hiervoor,” spotte de dwerg, »dat gij ’t in den winter warm en in den zomer koud hebt.”

»Aller dagen avond is nog niet gekomen,” riep de stalmeester. »Paäker vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena, hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt…”

»Mijne meesteres Katoeti,” viel Nemoe den stalmeester in de rede, »is thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon te incasseeren. Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van verzoening. – Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger.”

»De buidel, waarin Mena’s inkomsten vloeien,” zeide de kok lachend, »schijnt mager te zijn.”

»Mager! Mager!” hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk bier in!”

»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een vliegekop?” riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den heiligen vijver van het zeeland[77 - Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en rijkelijk gevoed werden.]. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!”

»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was,” meesmuilde de dwerg, terwijl hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw afgunst, die mij niet eens een derde stuk vleesch gunt, – ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien Zefa[78 - De godin van den overvloed.] zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der antiloop snijdt.”

»Daar neem ’t, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!” sprak de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en bewonder uw fijnen neus.”

»Ja die neuzen,” zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een Horoskoop wat er in een mensch zit.”

»Dat is wat fraais!” riep de tuinman.

»Kraam je wijsheid maar uit,” zeide de hofmeester weder. »Als ge wat te zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden.”

»Dat kan samen gaan,” hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus, dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De stadhouder daarentegen heeft een rechten, goed gevormden, middelmatigen neus, zooals de Amonsbeelden in den tempel. Hij is dan ook een rechtschapen man en vol goddelijke goedheid. Hij is niet hoogmoedig, ook niet onderdanig, maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat ware een koning voor ons!”

»Een neuzenkoning!” riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur aan den adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?”

»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld.”

»En Paäker?” vroeg de stalmeester.

»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en zoo draagt Paäkers neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden, zachten…”

»Jou dreumes!” viel de hofmeester hem op eens in de rede, »wij hebben je gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven kleven.”

Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen achteruit en zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor uw malsch gebraad. – Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept naar den krijg in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe, die de menschen en de neuzen kent!”

De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in ’t rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe: »de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” wierp zich ter aarde en hief biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten volgden terstond zijn voorbeeld.

Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid, en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid en hare vertegenwoordigers verbond.

Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen op de voetzolen van den verachter der godheid!”

De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het sleutelbeen verbrijzeld.”

»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide: »Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!”

Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen. Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!”

»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide moeder Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”

»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen.”

»Gij hebt ook zulke harde handen.”

»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u te spreken, moeder!”

Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden aan menschen toevertrouwen!”

Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen.”

»Welnu?” vroeg Setchem.

»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer tegen.”

Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen, waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij…”

»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden toon, »dat gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt. De vervreemding heeft lang genoeg geduurd.”

»Veel te lang!” riep Setchem.

De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner moeder, door zich naast haar neder te zetten.

»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood”[79 - Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.].

»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en op een toon van stellige overtuiging.

»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten! Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te krijgen.”

Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te wandelen, terwijl Setchem verder sprak:

»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene gade mochten schenken naar mijn hart!”

»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl hij zijne moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven uit.”

»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en siert zich op met stoffen uit Kaft[80 - Phoenicië.], het kruidt zijne gesprekken met Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij, waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert…”

»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne moeder in de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen.”

Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar, omdat gij het waart, en omdat… nu ja, gij weet het wel! – Doch nu gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot.”

Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in de woestijn versmachten, en de hyena’s van het Noorderland mogen zijn onbegraven lichaam verslinden!”

Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren. Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen.”

»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden. Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!”

Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer waardig.”

»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten. Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!”

»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar uw broeder Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt. Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat een zoon van zijn oudsten zoon Assa’s geslacht in stand zou houden.”

»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een zijner wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel, moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! – Nog iets! Katoeti’s hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden, niettegenstaande de veestapel op Mena’s landgoed zeer klein moet zijn. Wat heeft dat te beteekenen?”

»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena’s bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis, en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste.”

Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne moeder.

Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon- en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden, en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81 - Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert. Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv. te Beni Hassan (12e dynastie).]. Aan het hoofdeinde van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids. Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den vorm van tabouretten.

Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte grijskop langzaam oprees en het vertrek verliet.

Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte. Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!”

Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik – !” De dog, die meende dat zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft, en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht verschaffen. Gij echter,” ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”

Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?”

»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude neger.

»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng een van die oude kruiken met rooden wijn van Kakem”[82 - Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.]!

De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden…”

»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!”

De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena. Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in, zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen uitblusschen.

Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond, en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in weerwil van de goden, zijn doel na te streven.

De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene wandeltocht was begonnen.




NEGENDE HOOFDSTUK


De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in een drogen nevel werd gehuld.

De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83 - De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.] uit het leger des konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen. Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen, maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over. De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen, koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren, voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te verkondigen hebben.

De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein. In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!” »Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” – Ouders, die het bericht ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden schrijver op ’t lijf, om met eigen oogen de namen te lezen der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene behoefte gevoelde.

Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen, omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij lezen?” vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja! hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat slachten.”

Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de Syrische gieren.”

De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees: »Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten.”

Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen.

Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van ruim veertig jaren en ’s konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en zich door overweldiging van de kroon der pharao’s meester gemaakt. Hij was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der Hyksos[84 - Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.] in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder aldus uit het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao’s, in vrouwelijke linie voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent[85 - Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen hebben verricht.], om daardoor allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij weg te nemen. Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd werden.

Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder, hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder zuiver koningsbloed vloeide, dan in die van zijn neef. Het Egyptische koningshuis heette van den zonnegod Ra af te stammen, en de pharao kon zich alleen door zijne moeder, Ani daarentegen door zijne beide ouders op zoo hooge afkomst beroemen. Doch Ramses zat op den troon, hij voerde de teugels van het bewind met vaste hand, en dertien zonen verzekerden zijn huis de heerschappij over Egypte naar het scheen voor eeuwig. Toen hij na den dood van zijn krijgszuchtigen vader naar het noorden toog, om nieuwe lauweren te plukken op het oorlogsveld, benoemde hij Ani, die als gouverneur van de provincie Koesch[86 - Ethiopië.] reeds de proef had doorgestaan, tot stadhouder van het rijk.

Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet toeëigenen kan. Vandaar dat de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte. Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam de hem opgedragen waardigheid aan, na tot het uiterste zich er tegen verzet te hebben, en er was te minder reden om hem voor gevaarlijk te houden, daar hij vrouw en kinderen had verloren, en dus geene nakomelingen bezat. Wat zijn uiterlijk aangaat, was hij van meer dan middelbare grootte. Zijne trekken waren buitengewoon regelmatig, zelfs fijn geteekend, maar zijn gelaat overigens effen en weinig beweeglijk. Zijne heldere grijze oogen en dunne lippen deden niet blijken, dat zijn hart van zekere neigingen was vervuld. Veeleer had hij zich gewend zijn gezicht tot een glimlach te plooien, die nu eens wat sterker, dan weder wat minder, over het geheel voor verschillende wijziging vatbaar was, maar toch nooit geheel werd gemist.

Met vriendelijke welwillendheid had hij de klacht van een grondbezitter aangehoord, wiens vee voor het leger des konings was weggehaald, en hem beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten moest worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn offer te brengen; het blijft bij het gebeurde.”

De nomarch[87 - Hoofd van een nomos of provincie.] van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks, verlangde de middelen tot nieuwe en noodzakelijke versterkingen van den rivieroever. De stadhouder hoorde ’s mans levendige schildering met welgevallen, ja met eene uitdrukking van deelneming aan, maar hij gaf hem de verzekering, dat de oorlog alle middelen verslond en de kassen dus ledig waren. Toch was hij geneigd een deel zijner eigene inkomsten, wanneer deze ten minste ook niet uitbleven, ten offer te brengen tot bescherming van het bedreigde bouwland in zijne getrouwe provincie Soean, die hij van zijnentwege liet groeten. Zoodra de nomarch vertrokken was, beval hij eene aanzienlijke som uit de staatskas te nemen en den verzoeker achterna te zenden. Midden in het gesprek nu stond hij van tijd tot tijd op, om de houding van een weeklagende aan te nemen, opdat de bedroefden mochten weten, dat hij ook deel nam in de verliezen die hun aangingen.

Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein, waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen werd gehoord. Vele mannen en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de menigte uit elkaar, om doorgang te verleenen aan eene afdeeling Libysche politie-agenten, die een gevangene over het plein naar eene zijpoort brachten. Eer zij daar kwamen, was er reeds een bode van den stadhouder bij hen, om te vernemen wat er gebeurd was. De overste der veiligheidsbeambten volgde, en berichtte Ani, die op hem wachtte, onder levendig gebaar, dat een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti, reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der burgers vergiftigende met zijne oproerige taal.

Ani beval »den verblinde” in den kerker te werpen. Zoodra de overste echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg vóor zonsondergang bij hem te brengen.

Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde voor de Hebreën week, opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester van het Seti-huis, die in vol ornaat, vergezeld van eenige heilige vaders, recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende. Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij.

»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd,” zeide Ameni. »Onze onderhoorigen moeten den heerban volgen.”

»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen,” gaf de stadhouder ten antwoord.

»En wij brood om te leven,” riep de priester.

»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het, en ik ben de hand die moet uitvoeren.”

»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten, om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland”[88 - „Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”].

»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp der goden.”

»Der goden, die hij beleedigt!”

»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den eersten slag dien hij wint, den Cheta een verdrag voor te slaan. Men spreekt ook van een plan des konings om, na het sluiten van den vrede, weder in het huwelijk te treden, en wel met de dochter van Chetasar den koning Cheta.”

Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten verwekken. »Wat,” vroeg hij, »zegt gij van deze plannen?”

»Ik zeg,” gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in zijne anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor onveranderlijk rein schijnt te houden.”

»’t Is het bloed van den zonnegod!”

»Dat echter half in zijne en geheel in uwe aderen stroomt.”

De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide zacht, met een lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen.”

»Hier is niemand, die ons hooren kan,” hernam Ameni, »en wat ik zeide weet zelfs ieder kind.”

»Doch zoo het den koning ter oore kwam,” fluisterde Ani, »dan…”

»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed der beheerschers van dit land te onderzoeken.”

»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en kracht”[89 - Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.]!

De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den pharao gehoor te geven?”

»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen.”

»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert nieuwe werktuigen.”

»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!”

De stadhouder stond onbeweeglijk tegenover den opperpriester, als een standbeeld uit metaal gegoten, en zweeg. Ameni deed zijn schepter voor hem als voor een god ter neder zinken, en trad daarop naar den voorgrond van de galerij. Om Ani’s mond speelde het gewone glimlachje, toen hij hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette.

»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?” vroeg hij den opperpriester.

»Mij blijft alleen nog te berichten,” antwoordde deze met luider stem, zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders verstaan kon worden, »dat de dochter des konings Bent-Anat, zich gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te nemen.”

Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: »Morgen zal ik het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te laten rusten.”

Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich terug te trekken in den door hem bewoonden vleugel van het koningshuis. Op zijn schrijftafel lagen verzegelde schriftrollen. Hij wist dat zij zeer gewichtige tijdingen voor hem inhielden, maar het was zijne gewoonte zijne begeerten in bedwang te houden, zijne onthouding op de proef te stellen, en als een lekkerbek het beste gerecht het laatst te laten opdragen. Zoo las hij dan ook nu eerst de minst gewichtige brieven. Een stomme bediende, die aan zijne voeten zat, verbrandde op een bekken met kolen de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani langzaam een brief des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani,” bleek, dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn leven in de toekomst zou nemen. Met een lachje, dat ditmaal de onrust van zijn gemoed voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het zegelwas los, waarmede de brief, met ’s konings eigene hand geschreven, was gesloten.

»Wat Egypte betreft,” dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land, en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder, die verlangt mijn zoon te worden, en daarom schrijf ik die zelf. De goddelijke geest van den gebieder, die in mij leeft, legt mij zoo gaarne een onverwijld ja of neen op de lippen, dat beslist wat het beste is. Gij nu verlangt mijn meest geliefd kind, Bent-Anat, tot vrouw, en ik zou Ramses niet zijn, indien ik niet ronduit bekende, dat, eer ik het laatste woord van uw brief gelezen had, een onbepaald neen mij van de lippen wilde. Ik liet de sterren ondervragen, en de ingewanden der offerdieren onderzoeken, doch zij waren tegen uw bede. Toch vermag ik haar niet af te wijzen, want gij zijt mij dierbaar, en uw bloed is even koninklijk als het mijne. Het is nog koninklijker, zeide mij een oud vriend, en hij waarschuwde mij voor uw eerzucht en uwe verheffing. Toen veranderde mijn hart, want ik zou geen zoon van Seti zijn, wanneer ik uit ijdele bezorgdheid een vriend wilde krenken. En wie zoo hoog staat, dat de menschen vreezen, of hij misschien ook beproeven zal Ramses boven het hoofd te groeien, deze schijnt mij Bent-Anat waardig te zijn. Wil haar vragen, en wanneer zij vrijwillig er in toestemt uwe vrouw te worden, dan mag de bruiloft gevierd worden op den dag van mijne tehuiskomst. Gij zijt nog jong genoeg om eene vrouw gelukkig te maken. Uwe meerdere rijpheid en wijsheid zullen mijn kind voor ongeluk bewaren. Bent-Anat mag weten, dat haar koninklijke vader uw aanzoek ondersteunt. Offer gij echter aan de Hathors, opdat zij het hart van Bent-Anat, aan welker beslissing wij beiden ons onderwerpen willen, gunstig voor u stemmen.”

Onder het lezen van dezen brief was de stadhouder meermalen van kleur veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op, plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den grond. Hoe langer hij nadacht, des te minder vriendelijk werden zijne trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen geeft”[90 - In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.], prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel, doorlas den koninklijken brief andermaal en zeide: »Men kan van hem leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor wachten een man te kiezen, die eens zoo oud is als zij, en die haar vader zou kunnen zijn. Ramses wil zich onderwerpen. Ik moet mij onderwerpen! Maar aan wien? Aan het oordeel en de keus van een eigenzinnig kind!”

Met deze woorden schoof hij den brief zoo wild op de tafel, dat hij er overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem weder voorzichtig op tafel. Zijn meester wierp intusschen een kogel in een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien Ani beval den gevangen dwerg van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn vijand te houden, en wanneer zoo iemand ons eene roos aanbiedt, dan gelooven wij, dat hij ons die bloem niet toereikt om haar geur, maar om haar doornen.

De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen heen te gaan, riep hij den kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen; sta op.”

De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet opsluiten!”

De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter half ondeugend, half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij geworden.”

»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen,” hernam de stadhouder. »Als ik niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden.”

»Mijne handen,” zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers wegspoelen kan.”

»Men zal haar weten te beteugelen.”

»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden weg,” zeide de dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts.”

»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!” viel de stadhouder hem in de rede. »Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen brief, die voor haar is aangekomen.”

»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!” riep de dwerg, terwijl hij den voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan mijne meesteres Nefert?”

»Breng haar mijn groet,” antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De wagenmenner des konings heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg en bedwing je tong!”

De dwerg verliet het vertrek en Ani begaf zich naar eene luchtige galerij, waar hem zijn weelderig maal werd opgedragen, bestaande uit vele met bijzondere zorg toebereide gerechten. Zijn eetlust was bedorven, toch proefde hij van alle schotels en gaf over elke aan den hofmeester, die hem bediende, zijn oordeel ten beste. Onderwijl dacht hij aan den brief des konings, aan Bent-Anat, en of het geraden zou zijn zich aan eene afwijzing van hare zijde bloot te stellen. Na den maaltijd leverde hij zich over aan zijn kamerdienaar, die hem zorgvuldig schoor, blankette, aankleedde en opsierde, en hem dan den spiegel voorhield. Hij beschouwde zijn beeld met gespannen opmerkzaamheid, en toen hij zich in de draagstoel zette, om zich naar zijne vriendin Katoeti te laten dragen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij toch nog altijd den naam verdiende van een schoon man.

Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti’s raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven, hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige, wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer eens wat anders gelukte – en zijne oogen fonkelden levendig bij deze gedachte – wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette, dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed ondervinden.




TIENDE HOOFDSTUK


Terwijl dit alles gebeurde, had het niet stil gestaan van bezoekers in het huis van den wagenmenner Mena. Uitwendig geleek het op Paäkers belendend erfgoed, maar de gebouwen waren hier wat ouder, de kleuren van het schilderwerk op zuilen en wanden waren verbleekt, en de groote tuin werd blijkbaar niet met zooveel zorg onderhouden. Alleen in de nabijheid van het woonhuis had men eenige rijke bloembedden aangelegd, die er keurig uitzagen, en de opene galerij, waarin Katoeti zich met hare dochter ophield, was inderdaad vorstelijk gemeubeld. Daar stonden sierlijk bewerkte elpenbeenen stoelen en eene ebbenhouten tafel, die evenals de rustbedden door vergulden voeten werd gedragen. Men zag er op de schenktafel, de kleine tafeltjes en consoles, Syrische drinkschalen van kunstrijken arbeid. Overal waren prachtige vazen met bloemen gevuld, neergezet. Heerlijke geuren stegen er op uit albasten schalen, en de vloer was bedekt met een mollig wollen tapijt, waarin de voet bijna wegzonk. Ofschoon al deze kostbaarheden hier zonder orde schenen bijeengebracht, lag er over het geheel toch een waas van bekoorlijkheid, iets onbeschrijfelijk lieflijks.

De schoone Nefert lag op een rustbed uitgestrekt, spelende met eene witte zachtharige kat. Een negerinnetje was bezig haar met een waaier af te koelen, terwijl hare moeder Katoeti nog een afscheidsgroet gaf aan hare zuster Setchem en diens zoon Paäker, die de galerij verlieten. Beide hadden voor het eerst sedert vier jaren, dat was sedert Mena’s huwelijk met de schoone Nefert, dezen drempel overschreden, en het scheen dat de oude vijandschap zou plaats maken voor eene nieuwe hartelijke verstandhouding en samenleving. Nadat de gids met zijne moeder verdwenen waren achter de granaatstruiken aan den ingang van den tuin, wendde Katoeti zich tot hare dochter en zeide: »Wie had dat gisteren gedacht? Ik geloof dat Paäker u nog altijd liefheeft.”

Nefert bloosde en sprak zacht, terwijl zij haar zijden katje met den waaier sloeg: »Moeder!”

Katoeti lachte even. – Zij was eene flinke vrouw van edele houding, die met hare scherpe maar toch fijne gelaatstrekken en levendige oogen nog altijd aanspraak mocht maken op vrouwelijke schoonheid. Zij droeg een lang gewaad van kostbare stof, dat tot over hare enkels reikte, maar waarvan de eenvoudige donkere kleur met opzet scheen gekozen te zijn. In de plaats van arm- en enkelbanden, oor- en vingerringen, van een halsketen en gouden sloten, waarvan de Egyptische dames en ook hare dochter en zuster zich rijkelijk plachten te bedienen, had zij zich getooid met frissche bloemen, die in den tuin van haar schoonzoon nooit vruchteloos werden gezocht. Een gladde, gouden diadeem alleen, het teeken harer koninklijke afkomst, bedekte van den vroegen morgen tot den laten avond haar, voor eene schoone vrouw wel wat al te hoog maar toch edel gevormd voorhoofd. Deze diadeem hield tevens hare lange blauw-zwarte haren samen, die ongevlochten, alsof zij de kunstige schikking van dit hoofdtooisel een ijdel werk achtte, over haar rug nedervielen. Doch in het uiterlijk van deze vrouw was niets zonder berekening, en de draagster van deze diadeem, al was haar kleed eenvoudig en zonder kostbaar sieraad, kon er, dank zij hare koninklijke gestalte, zeker van zijn, dat zij werd opgemerkt, dat anderen haar kleederdracht, ja zelfs hare bewegingen zouden navolgen.

Toch had Katoeti langen tijd behoeftig geleefd; ja op het oogenblik waarop wij haar leeren kennen, kon zij weinig haar eigendom noemen. Immers zij leefde op het goed van haar schoonzoon als zijn gast en bestuurderes van zijne bezittingen, terwijl zij vóor het huwelijk van hare dochter, met hare kinderen had gewoond in een huis, dat aan hare zuster Setchem toebehoorde. Zij was de gade geweest van haar eigen jong gestorven broeder[91 - Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.], die door zijne toomelooze praalzucht het gansche vermogen had verkwist, dat het nieuwe koningsgeslacht hem gelaten had. Als weduwe was zij met hare kinderen door Paäkers vader, haar zwager, als eene zuster opgenomen. Zij bewoonde een eigen huis, genoot de inkomsten van een landgoed, dat de oudere Mohar haar had geschonken, en liet aan haar zwager de zorg over voor de opvoeding van haar zoon, die, zich onderscheidende door zijne schoonheid en zijn overmoed, alle aanspraken deed gelden van een jongeling van aanzienlijke geboorte.

Zulke groote weldaden zouden de trotsche Katoeti hebben neergedrukt en beschaamd, wanneer zij er mede tevreden was geweest en zich had kunnen voegen naar den aard en de handelwijze der gevers. Dit was echter in geenen deele het geval. Veeleer meende zij aanspraak te kunnen maken op eene schitterender positie. Zij voelde zich beleedigd, wanneer men haar lichtzinnigen jongen, terwijl hij nog op school was, vermaande zich met meer ernst op zijn werk toe te leggen, daar hij later geheel op eigene wieken zou moeten drijven. Ook had het haar gegriefd, zoo vaak haar zwager als het te pas kwam op zuinigheid aandrong, en haar openhartig als hij was, herinnerde aan haar beperkte middelen en aan de onzekere toekomst harer kinderen. Bovendien wilde zij zich gaarne gekrenkt achten, want zij begreep op dien grond te mogen beweren, dat hare bloedverwanten met al hunne gaven de beleedigingen haar aangedaan toch niet goed konden maken. Bij haar bevestigde zich de ervaring, dat wij op niemand gemakkelijker boos worden dan op een weldoener, wien wij het goede, dat hij ons gedaan heeft, niet vergelden kunnen.

Nochtans, toen haar zwager voor zijn zoon aanzoek deed om de hand harer dochter, gaf zij gaarne hare toestemming. Nefert en Paäker waren te zamen opgegroeid, en door deze verbintenis werd hare eigene toekomst en die harer kinderen, verzekerd. Kort na den dood van den ouden Mohar, vroeg de wagenmenner Mena Nefert ten huwelijk. Zij zou hem echter hebben afgewezen, wanneer de koning zelf niet het aanzoek van zijn bijzonderen vriend ondersteund had. Na de bruiloft nam zij haar intrek in Mena’s huis, en belastte zich, toen hij ten krijg trok, met de zorg voor zijn aanzienlijke, maar reeds door zijn vader met eenige schulden bezwaarde goederen. Het lot gaf haar nu een middel aan de hand, om zich en hare kinderen schadeloos te stellen voor lange ontberingen. Zij maakte er dan ook gebruik van, door toe te geven aan hare aangeborene neiging om opgemerkt en bewonderd te worden. Haar zoon deed zij schitterend uitgerust opnemen onder eene afdeeling van de aanzienlijke jonge wagenstrijders, en hare dochter omringde zij met vorstelijke pracht.

Toen de stadhouder, een vriend van haar overleden gemaal, het paleis der pharao’s te Thebe betrok, knoopte hij met haar betrekkingen aan, en de scherpzinnige vrouw, die zich bewust was van hetgeen zij wilde, wist zich bij den besluiteloozen man eerst aangenaam; eindelijk onontbeerlijk te maken. Zij maakte behendig gebruik van de omstandigheid, dat zij evenals hij gesproten was uit het oude koningshuis, ten einde zijne eerzucht te prikkelen en hem uitzichten te openen, waaraan hij, vóor zijn vertrouwelijken omgang met haar, zelfs niet gedacht zou hebben, zonder zich als misdadig te beschouwen. Dat Ani pogingen in het werk stelde om de hand der prinses Bent-Anat te verkrijgen, was Katoeti’s werk. Zij hoopte in stilte, dat de pharao den stadhouder afwijzen, ja persoonlijk beleedigen zou. Het zou hem gemakkelijker den gevaarlijken weg doen inslaan, die zij bezig was voor hem te effenen.

Bij dit alles was de dwerg Nemoe haar gehoorzaam werktuig. Zij had hem met geen enkel woord in hare plannen ingewijd. Toch sprak hij hare gemoedsaandoeningen in ronde woorden uit, die alleen door een tik met den waaier bestraft werden. Nemoe had het gisteren voor het eerst gewaagd te zeggen, dat, als de pharao eens niet Ramses maar Ani heette, Katoeti dan geene koningin zou zijn, maar eene godin. Want zij zou den pharao, die zelfs tot de hemelsche goden behoorde, niet moeten gehoorzamen, maar hem veeleer besturen. —

Katoeti had het blosje van hare dochter niet opgemerkt, want zij keek in gespannen verwachting naar de tuindeur, en zeide: »Waar blijft Nemoe? Er zullen toch voor ons wel tijdingen uit het leger zijn gekomen?”

»Mena heeft in zoolang niet geschreven,” zeide Nefert. »Ha, daar is de hofmeester!”

Katoeti richtte zich tot den beambte, die door een zijdeur der veranda was binnengekomen, met de vraag: »Wat nieuws brengt gij?”

»De koopman Abscha,” luidde het antwoord, »dringt op betaling aan. De nieuwe Syrische wagen en de purperstof…”

»Verkoop koren!” beval Katoeti.

»Onmogelijk, want de belastingen voor den tempel zijn nog niet voldaan, en er is reeds zooveel aan de kooplieden geleverd, dat er ter nauwernood genoeg overblijft voor de huishouding en den zaaitijd.”

»Betaal dan met runderen.”

»Maar meesteres,” gaf de hofmeester angstig ten antwoord, »wij hebben eerst heden weder een kudde aan den Mohar verkocht, en de schepraderen moeten in beweging gehouden, het koren moet gedorscht worden; voorts hebben wij offervee noodig, en melk, boter en kaas voor het huishouden en mest om te stoken”[92 - In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde koemest de voornaamste brandstof. – Ook in sommige gedeelten van ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door arme lieden gebruikt. Vert.].

Katoeti zag nadenkend vóor zich, en zeide toen: »Er moet toch geld zijn. Rijd naar Hermonthis, en zeg den opzichter van de stoeterij, dat hij tien van Mena’s geelvossen hierheen laat brengen.”

»Ik heb reeds met hem gesproken,” hernam de hofmeester; »hij zegt echter dat Mena hem streng verboden heeft een enkel van zijne paarden, op welk ras hij zeer trotsch is, prijs te geven. Alleen voor den wagen van onze meesteres Nefert…”

»Ik verlang gehoorzaamheid,” sprak Katoeti op beslissenden toon, terwijl zij den beambte belette verder te spreken, »en verwacht morgen de paarden!”

»Maar de opzichter van de stoeterij is een koppig man, dien Mena voor onontbeerlijk houdt, en die…”

Nefert was onder dit gesprek uit hare gemakkelijke houding opgerezen. Op de laatste woorden van Katoeti verliet zij het rustbed en zeide zóo bepaald, dat zelfs hare moeder er van schrikte: »Men moet de bevelen van mijn echtgenoot gehoorzamen. De paarden, die Mena lief heeft, blijven in hunne stallen. Neem dezen armband, die de koning mij schonk, hij is meer waard dan twintig paarden.”

De hofmeester monsterde het met edelgesteenten rijk bezette kleinood en zag Katoeti vragend aan. Zij haalde de schouders op, gaf met een knikje hare toestemming en zeide: »Abscha mag dit sieraad als onderpand bewaren tot Mena’s buit hier zal zijn aangekomen. Sedert een jaar zond uw man niets van eenige beteekenis.”

Zoodra de beambte zich verwijderd had, strekte Nefert zich weder op haar rustbed uit en zeide vermoeid: »Ik dacht dat wij rijk waren.”

»Wij zouden het kunnen zijn,” antwoordde Katoeti bitter. Toen zij echter bespeurde, dat Nefert’s wangen op nieuw begonnen te gloeien, vervolgde zij vriendelijk: »Onze hooge rang legt ons groote plichten op. In onze aderen vloeit vorstelijk bloed en de oogen des volks zijn gericht op de gemalin van den roemrijksten held in ’s konings leger. Men mag niet zeggen, dat gij door uw echtgenoot veronachtzaamd wordt. – Wat blijft die Nemoe toch lang uit!”

»Ik hoor gerucht in den hof,” zeide Nefert. »De stadhouder zal komen.”

Katoeti zag weder naar den tuin. Daar zag zij een slaaf, die buiten adem kwam aanloopen met de tijding, dat Bent-Anat, de, dochter des konings, vóor de poort van het huis uit haar wagen gestegen en in aantocht was met prins Rameri. Nefert verliet het rustbed, en ging met Katoeti de hooge gasten in den tuin tegemoet. Zoodra moeder en dochter zich neerbogen, om het kleed der prinses te kussen, weerde Bent-Anat haar af en zeide: »Blijft op een afstand van mij; de priesters hebben de onreinheid nog niet geheel van mij weggenomen.”

»In weerwil hiervan zijt gij rein als het oog van Ra,” riep de prins, die haar begeleidde, terwijl hij haar kuste, eer zij het beletten kon. Het was haar zeventienjarige broeder, die in het Seti-huis werd opgevoed, dat hij echter binnen weinige weken verlaten zou.

»Ik zal den wildzang bij Ameni aanklagen,” zeide Bent-Anat lachend. »Hij wilde mij volstrekt begeleiden. Uw gemaal heeft hij zich ten voorbeeld genomen, Nefert. Maar ook ik had te huis geen rust, want wij komen om u eene goede boodschap te brengen.”

»Van Mena?” vroeg de jonge vrouw, de hand tegen haar hart drukkende.

»Van hem!” antwoordde Bent-Anat. »Mijn vader prijst zijne dapperheid en schrijft, dat hij bij de verdeeling van den buit vóor allen zal mogen kiezen.”

Nefert sloeg op hare moeder een zegevierenden blik, en Katoeti haalde ruimer adem. Bent-Anat streelde Nefert’s wangen, alsof zij een kind was. Toen wendde zij zich tot Katoeti, nam haar mede in den tuin en bad haar, die zoo vroeg hare moeder had moeten missen, in eene gewichtige aangelegenheid te willen raden. »Mijn vader,” zeide zij, na eenige inleidende woorden, »deelt mij mede, dat de stadhouder Ani mij tot vrouw vraagt, en raadt mij de trouw van den waardigen man met mijne hand te beloonen. Hij raadt, versta mij wel, hij beveelt niet.”

»En gij?” vroeg Katoeti.

»En ik,” antwoordde Bent-Anat beslist, »moet hem afwijzen.”

»Moet gij dat?”

Bent-Anat gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Ik ben mij volkomen bewust van hetgeen ik doe. Ik kan niet anders.”

»Dan hebt gij mijn raad niet meer noodig, want ik weet dat niemand, zelfs niet uw vader, u van een besluit kan afbrengen.”

»Zelfs geene godheid,” zeide Bent-Anat op vasten toon. »Maar gij zijt Ani’s vriendin, en daar ik hem hoogacht, wil ik trachten hem eene vernedering te besparen. Beproef of gij hem bewegen kunt van zijn aanzoek af te zien. Wanneer ik hem ontmoet, wil ik mij houden als wist ik niets van zijn brief aan mijn vader.”

Katoeti zag weder peinzend naar den grond. Daarna zeide zij: »De stadhouder brengt zijne uren van uitspanning gaarne bij mij door, pratende of aan het dambord: doch ik weet niet of ik het durf wagen over zulke gewichtige zaken met hem te spreken.”

»Huwelijksplannen zijn vrouwenzaken,” hernam Bent-Anat met een lachje.

»Doch het huwelijk van eene prinses is eene staatsaangelegenheid,” zeide de weduwe op haar beurt. »En in dit geval vraagt een neef de hand zijner nicht, die hem dierbaar is, en hem, gelijk hij hoopt, de tweede meest gevreesde helft zijns levens tot de schoonste kan maken. Ani is goed en niet hard. Gij zult in hem een echtgenoot ontvangen, die zorgvuldig op elk uwer wenken zal letten en zich gaarne voegen naar uw vasten wil.”

Bent-Anat’s oogen helderden op en vol vuur riep zij uit: »Dat is het juist wat mij een beslist en onveranderlijk neen op de lippen legt. Omdat ik fier ben als mijne moeder, en weet wat ik wil, gelijk mijn vader, meent gij misschien dat ik een echtgenoot begeer, dien ik beheerschen en in alles leiden kan? Hoe weinig kent ge mij nog. Mijne honden, mijne dienaars, mijne beambten, en zoo de godheid zulks wil, mijne kinderen mogen mij gehoorzamen. Onderworpelingen, die mij de voeten kussen, zijn overal op straat te vinden, en kan ik, als ik wil, bij honderden op de slavenmarkt koopen. Wel twintigmaal is mijne hand gevraagd en wel twintig vrijers wees ik af, niet omdat ik vreesde, dat zij mijn trots en mijn wil konden buigen, maar omdat ik voelde tegen hen opgewassen te zijn. De man, wien ik mijn hart wil schenken, moet hooger staan, moet grooter, beter, sterker zijn dan ik ben. Ik wil trachten hem achterna te fladderen, waar zijn machtige geest de wieken uitslaat, en daarbij lachen over mijne zwakheid en vol bewondering zijne meerderheid prijzen.”

Katoeti hoorde de jonkvrouw aan met het goedig lachje, waardoor de man van ervaring zoo gaarne den dweper zijne meerderheid doet gevoelen, en zeide: »In vroeger eeuwen mag er zulk een man geleefd hebben, maar zoo gij in onze dagen op hem wachten wilt, moet gij de lok der jeugd[93 - Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.] dragen tot zij grijs wordt. Onze denkers zijn geen helden en onze helden geen wijzen. – Daar komt uw broeder aan met mijne Nefert.”

»Wilt gij Ani bewegen zijn plan te laten varen?” vroeg de prinses dringend.

»U ten gevalle wil ik het beproeven,” gaf Katoeti ten antwoord. Daarop keerde zij zich half tot den jongen Rameri half tot zijne zuster en zeide: »De man die aan het hoofd staat van het Seti-huis, Ameni, was in zijn jeugd juist gelijk gij hem hebt geschilderd, Bent-Anat. – Zeg ons, gij zoon van Ramses, die onder de jonge sykomoren opwast, bestemd om eens dit land te overschaduwen, wien schat gij ’t hoogst onder uwe metgezellen? Is er iemand onder hen, die alle anderen verre overtreft in edelen zin en geestkracht?”

De jonge Rameri zag de vraagster aan met levendige oogen en antwoordde lachend: »Wij zijn allen zooals wij zijn, en doen meer of minder gaarne wat wij doen moeten, en liefst alles wat wij niet doen mogen.”

»Kent gij dan in het Seti-huis,” vroeg de weduwe verder, »geen jongeling met een grootschen aanleg, die een Snefroe[94 - De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.], een Thotmes, of ook maar een Ameni belooft te worden?”

»Voorzeker!” riep Rameri dadelijk, zonder aarzelen.

»En die is?” vroeg Katoeti.

»Pentaoer, de dichter!” hernam de jongeling.

Bent-Anat’s wangen werden hoog rood, terwijl haar broeder zijne woorden nader toelichtte: »Hij is edel, verheven van geest, en alle goden wonen in hem als hij spreekt. Dikwijls gevoelen wij veel lust om in de schoolhoven te slapen, maar zijne woorden slepen ons mede, en al vatten wij niet altijd wat er in zijne verhevene denkbeelden ligt opgesloten, toch weten wij dat zij waar zijn en grootsch.”

Bent-Anat haalde bij deze woorden sneller adem, en hare oogen hingen aan de lippen haars broeders.

»Gij kent hem, Bent-Anat,” sprak Rameri verder. »Hij was met u bij den Paraschiet en in den voorhof des tempels toen Ameni u onrein verklaarde. Zijn uiterlijk is schoon en indrukwekkend als dat van den god Menth[95 - De krijgsgod der Egyptenaars.], en ik geloof dat hij behoort tot zeker soort van menschen, die men niet vergeten kan, als men ze eens heeft gezien. Gisteren, toen gij den tempel had verlaten, sprak hij als nimmer te voren. ’t Was of hij vuur uitgoot in onze zielen. Lach niet, Katoeti. Ik voel het nog branden. Heden morgen deelde men ons mede, dat hij uit den tempel was overgeplaatst, wie weet waar heen, en dat hij ons vaarwel liet zeggen. Men acht het altijd overbodig ons de gronden van zulke handelingen mede te delen; wij weten echter meer dan de heeren denken. Hij moet u niet streng genoeg de les gelezen hebben, Bent-Anat, en daarom zal hij uit het Seti-huis gebannen zijn. Wij hebben echter besloten gezamenlijk zijne terugroeping te verzoeken. De jonge Anana schrijft aan den opperpriester een brief, dien wij allen zullen onderteekenen. Als éen het alleen deed, zou hem dit slecht bekomen, maar als we allen tegelijk opkomen, kunnen zij niets doen. Mogelijk zijn zij ook wel zoo verstandig om hem terug te roepen. Zoo niet, dan beklagen wij ons allen bij onze vaders, die tot de eersten des lands behooren!”

»Dat heeft iets van een volledigen opstand,” zeide Katoeti. »Heertjes, neemt u in acht! Ameni en de andere profeten laten niet met zich spotten.”

»Wij ook niet,” antwoordde Rameri lachend. »Blijft Pentaoer gebannen, dan vraag ik mijn vader, of hij mij naar de school van Heliopolis of Chennoe wil verplaatsen en de anderen zullen mijn voorbeeld volgen. – Kom, Bent-Anat! Ik moet vóor zonsondergang weder in den val zijn. Vergeving, Katoeti, zoo noemen wij de school. – Daar komt ook uw kleine Nemoe aan!”

Broeder en zuster verlieten den tuin. Zoodra de vrouwen, die hen uitgeleide deden, haar den rug hadden toegekeerd, drukte Bent-Anat de hand haars broeders met buitengewone warmte en zeide: »Pas op, dat ge niet onvoorzichtig handelt! Maar uw eisch is billijk, en gaarne help ik u.”




ELFDE HOOFDSTUK


Zoodra Bent-Anat Mena’s erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was, zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij, terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.

Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den brief, en zie of er niets in staat over hem?”

Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”

Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! – Ik ga naar mijne kamer, moeder!”

Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”

Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in het huis.

Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. – Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken: Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling, die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad ontviel.

Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er toch gebeurd?”

Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken; maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.

»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker. »Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”

Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”

Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”

Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn naijverig en hebben vermaak in ons leed.”

Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.

»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de afgestorvenen.”

Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan! Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen, geene!”

»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de kunst versta om te zwijgen.”

»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! – Wat is dat? De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans niet! – Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”

De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”

»Welnu?” vroeg de dwerg.

»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw; hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”

»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.

»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met beide handen.

»En het andere?” vroeg Nemoe somber.

»Dat,” zeide Katoeti, »dat is… Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor hij, alles! Eindelijk – het is afgrijselijk, schier niet om uit te spreken – eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven vader[96 - De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97 - De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.], en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”

Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”

Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig Babylonische talenten”[98 - Ongeveer 81,000 gulden.]!

De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg: »Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”

»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti, »die reeds in Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”

»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg. »En Mena?”

»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”

»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd schudde. »Onmogelijk!”

»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”

»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst, »bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen. Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij verkeert.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/georg-ebers-2/warda-roman-uit-het-oude-egypte/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.




2


Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier. In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken, en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de menschen.




3


Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.




4


Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.




5


Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.




6


Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke werkzaamheid te verpersoonlijken.




7


De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee pharao’s.




8


Azië.




9


Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar nimmer vernietigen.




10


Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel van Qoernah.




11


Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.




12


De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen, die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah afkomstig zijn.




13


Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der Joden is ontstaan.




14


Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.




15


Ricinus-olie.




16


Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea bewaard.




17


De zonnegod der Egyptenaars.




18


Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars, waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de 16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.




19


Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet tot eer.




20


De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de museën worden bewaard.




21


De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus, I, 78.




22


Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.




23


Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken. Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i. de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den zeer grooten heeten.




24


Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.




25


De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is afkomstig uit Arabië.




26


Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.




27


In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.




28


Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard. Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet, enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven door Dümichen.




29


Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten, oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.




30


De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen, zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.




31


De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.




32


Sommigen zijn bewaard gebleven.




33


Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie, die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.




34


Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.




35


Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.




36


Wat Typhon of Seth toebehoort.




37


In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II en zijn zoon Mernephtah.




38


Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de Egyptenaars niet.




39


Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in zijne Voyage d’un Egyptien.




40


Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken. Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de gedenkteekenen voor.




41


In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau) heet het: „Is het niet de wet, die de een aan den ander verbindt?” Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den sarkofaag van Oennefer te Boelaq.




42


Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd. Roodharige menschen waren typhonisch.




43


Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen, zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli weergegeven in de Leipziger Illustr. Zeitung, 1852, s. 331, ff.




44


Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den eersten waterval.




45


Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.




46


Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der pharao’s gemist.




47


De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was haar gewijd.




48


Diodorus I, 91.




49


Amon, Moeth en Choensoe.




50


„Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.




51


Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd, en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de landengte van Suez.




52


Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt werd.




53


De takken van den mastikboom worden nog heden, om den aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.




54


De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.




55


De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.




56


De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.




57


Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.




58


Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven Papyrus magique Harris is ongeveer uit den tijd van ons verhaal afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.




59


De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van ringen gaven.




60


Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.




61


Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, Sur un papyrus magique (Revue archéol. 1863); Chabas, Papyrus magique Harris; Devéria, Papyr judiciaire de Turin.




62


Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.




63


Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de nabijheid van Osiris te rusten.




64


De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.




65


Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus, Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en honig.




66


Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met juistheid aldus: „Het sistrum is van boven rond gebogen, en de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis en aan de andere zijde dat van Nephthys.” Boven op een bronzen sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op eene in het oog vallende plaats aangebracht.




67


Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die, nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het, in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt. Hij is de „echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn eigen zoon.” Als „levende Osiris” bezielt hij al het geschapene, het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot een hooger bestaan. Hij wordt „weldadig, schoon, zonder gelijke” genoemd, maar ook een „vernietiger van het kwade,” in wien de mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld met een ramskop.




68


Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god die het Al is.




69


Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping heeft gemaakt, „die er van den aanvang geweest is;” wien de zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die „de Heer der waarheid” wordt genoemd, omdat de wetten en de bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken, zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: „Hij die opent.” Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij behoeven om weder op te gaan en op te staan.




70


De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd der pharao’s overeen met het ware astronomische jaar en kon den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de tijdrekening dienen.




71


Toth-Hermes. Zie boven.




72


De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder zijne opvolgers geschiedde.




73


De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in schrijftafeltjes geborgen werden. Vert.




74


Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld door Lepsius in zijne Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien. Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot voorbeeld het huis met een tuin. „Gij hebt voor u,” zegt hij, „een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het, dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt.”




75


De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal. Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl, die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt, vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd, hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de overwinning op Typhon heeft behaald.




76


Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus (Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de Franschen vergelijkt. „Zij toch zijn,” zegt hij „gelijk men genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars, geneeskundigen.”




77


Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en rijkelijk gevoed werden.




78


De godin van den overvloed.




79


Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.




80


Phoenicië.




81


Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert. Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv. te Beni Hassan (12e dynastie).




82


Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem (Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.




83


De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven, waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk geschrift van Maspero, Du genre épistolaire chez les anciens Egyptiens de l’époque pharaonique.




84


Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd werden.




85


Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen hebben verricht.




86


Ethiopië.




87


Hoofd van een nomos of provincie.




88


„Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”




89


Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.




90


In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor vrouwen.




91


Huwelijken tusschen broeders en zusters waren in het oude Egypte geoorloofd. Ofschoon dit in strijd was met de Macedonische zeden, namen Ptolemaeën deze gewoonten toch over. Toen Ptolemaeus II Philadelphus, zijne zuster Arsinoë huwde, schijnt men het echter noodig geacht te hebben dit te verontschuldigen door den stand van de planeet Venus met betrekking tot Saturnus en den onvermijdelijken invloed van deze constellatie.




92


In het aan hout zoo arme Egypte is heden nog gedroogde koemest de voornaamste brandstof. – Ook in sommige gedeelten van ons land wordt deze brandstof (bijv. de plaggen in ’t Gooi) door arme lieden gebruikt. Vert.




93


Eene naar beneden gebogen haarvlecht, die alle jonge leden van vorstelijke huizen droegen. Ook de jeugdige Horus wordt er mede afgebeeld.




94


De eerste koning van de 4e dynastie, die ook in later tijd nog in eere werd gehouden. Van hem heet het op meer dan ééne plaats: „een dergelijke is niet gezien sedert de dagen van Snefroe.” Voor de vereering zijner nagedachtenis waren ook later priesters aangewezen. De gedenkteekenen van zijn tijd zijn de oudste van alle die tot ons kwamen.




95


De krijgsgod der Egyptenaars.




96


De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus II, 136.




97


De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon. Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.




98


Ongeveer 81,000 gulden.


