Dante en Beatrice, en andere verzen
Frederik Eeden




Frederik van Eeden

Dante en Beatrice, en andere verzen





DANTE EN BEATRICE





INLEIDING


De volgende verzen ontstonden na 't herleezen van Dante's eerste ontmoeting met Beatrice, toen hij bijna neegen en zij acht jaren oud was, zooals beschreeven wordt in "Vita Nuova". Of Beatrice die Bice Portinari geweest is, waarvan Boccacio in zijn Leeven van Dante spreekt is niet zeeker. Dat zij nooit in werkelijkheid zou bestaan hebben – zooals G. Rosetti, La Farina e.a. beweeren – is niet te gelooven. Zij mooge een anderen naam gedragen hebben, het meisje in 't roode kleedje heeft bestaan, en is door Dante gezien en bemind. Potgieter vraagt of wij het hem ten goede houden, dat hij, in zijn Florence, Beatrice's kleed in plaats van rood, wit maakte, "voor de onschuld", zooals hij zegt. Het in deezen den Florentijn te willen verbeeteren is echter den Amsterdammer moeyelijk ten goede te houden. Het achtjarige meisje ging in 't rood, "zooals het haren leeftijd paste" zegt Dante. Tien jaren later, als volwassen maagd, werd zij door hem in wit gewaad gezien. Na deeze tweede ontmoeting zag hij Beatrice in een vizioen, naakt, in een bloedig laken gewikkeld in de armen van Amor, die haar Dante's hart te eeten gaf, en daarna opvoerde ter zaligheid. Beatrice's dood in de "Vita Nuova" valt volgens d'Ancona, in 1290 ongeveer. Vóór 1298 trad Dante in 't huuwelijk met Gemma Donati. Vier jaren later ging hij alleen in ballingschap en schreef Hel, Vagevuur en Paradijs.




EERSTE DEEL





I


		Een vizioen van wonderhoog genucht
		heeft mij, toen 'k in de poort mijns najaars staarde
		en langs reeds winterige velden waarde,
		den dag, den nacht en weer den dag verlucht.

		Het was zoo fijn en lieflijk als 't gerucht
		der voogels, die in herfstnacht naar hun gaarde
		in 't zuiden trekken, hoog, hoog oover d'aarde,
		zacht snaterend in ongeziene vlucht.

		Het was zoo scherp en kleurig als van vlinders
		de vleugel-cier – als zij zich rustend zonnen
		op gloedbescheenen muur, – en zoo vol diep

		geheimenis, alsof er uit de bronnen
		van alle licht en vreugde⌒een lokstem riep:

		Ik zag een stoet van bloembekranste kinders.




II


		Een meisje⌒in kleedje, heerelijk getint
		van zacht en zeedig rood, met wat sieraden
		als 't kind die draagt, naar 't haar heur ouders raden,
		het ranke lijfje⌒omstrikt met blinkend lint,

		zag 'k in gewoel van bloemen en gewaden
		als heldre ster die vóór alle⌒andren blindt,
		en 'k zag hoe haar genootjes vroolijk traden
		om haar, als eene die elk 't minnigst vindt

		en als de schoonste zonder spijt wil roemen,
		daar zij, hoe mooi en goed zij is, niet speurt.

		Ik hoor haar kindernaam vertrouwlijk noemen,
		de knapen roepen "Bice!" en werpen bloemen

		naar 't blonde haar. Verleegen lachend beurt
		zij de oogen naar haar ouders op, en kleurt.




III


		Toen zag 'k twee felle donker-vuurige⌒oogen,
		in streng en ernstig knapen-aangezicht,
		onafgewend naar 't lieflijk wicht gericht
		door óóvermacht'ge tooverkracht getoogen.

		De kind'ren eeten. Hij zit aan, doch zwicht
		voor lust naar 't lekkers niet, maar onverwoogen
		drinken zijn blikken 't jonge, lieve licht,
		't éénige wat zij nog te zien vermoogen.

		't Feestvolk stroomt uit, hij volgt, als weezenloos,
		't lieftallig weezen dat haar macht niet weet
		en niet vermoedt wat gloed zij deed ontbranden.

		Hij treedt haar toe, heft stamelend de handen,
		beroert de bloemen die zij draagt, haar kleed…
		en zwijmt doodsbleek, – geslaag'ne voor altoos.




IV


		O meester, zag ik met mijn geest de bron
		des ongelijkbren liefdestrooms, wiens vloeden
		na eeuwen nog een dorre waereld voeden,
		die zulke weelde zelf niet baren kon?

		Als Nijl het Nijldal, blaakrend in de zon,
		drenkt hij het rotsig land van droeve' en moeden,
		nog voelt een dichterhart of 't moest verbloeden
		zoo 't zijner heerlijkheid zich niet bezon.

		Bekoorlijke oorsprong van zoo grootsche macht!
		Het kinderfeest, de blanke bloemenstad,
		de schoone maatschappij, nog jong en blijde —

		Zóó sluipt het eerste glinster-sprankje nat
		uit woudenrijk gebergt, en babbelt zacht
		waar kreekels sjirpe' op stilbezonde weide.




V


		Heeft dan ook uw geweld'ge ziel geleeden
		dat allerteerste, allerzoetste leed? —
		Door dagen vuurig en door nachten heet
		zaagt gij die onbeschrijfb're lieflijkheeden:

		dat roode kleedje, 't lint, die ranke leeden,
		die ooge-starren… O ik weet!.. ik weet!..
		en naar de zoete folter dieper beet
		hebt gij om uitkomst of begrip gebeeden.

		Doch toen het ruuwe leeven, koel en straf,
		den wonder-broozen kinderdroom wou breeken,
		dreef 't u van haar op verre weegen af,
		maar kon den innerlijken glans niet bleeken.

		Dood mocht haar lijf en aardsche vreugd u rooven,
		dien eersten luister liet gij u niet dooven.




VI


		Wie ben ik, als ik denk aan u, mijn held!
		ik kleine,⌒in 't klein-gevoelend volk begraven —
		maar toch! – wat zoeten drank van min zij gaven,
		mijns harten hart bleef zoeken, onverzeld,

		naar minder niet, dan wat uw mond mocht laven,
		kristallen dronk, uit eeuw'ge rots geweld.
		Datzelfde, waar uw Godlijk lied van meldt,
		heb ik voor alle tijden willen staven.

		Uw stroom is majestatisch neergedonderd
		met wentelsprongen tot den blanken plas,
		maar als een zwoel, vermaledijd moeras
		houdt U van mij mijn tijd en volk gezonderd.

		En daar was géén, ik zeg u, die verstond
		de taal der stroeve plooyen om mijn mond.




VII


		Gij die uw ooverwonnen smart deed schijnen
		als fakkel-licht, de duistere eeuwen dóór,
		en liet in vuur uw zondaars-hart verreinen
		en hield het brandende⌒aan de waereld vóór,

		hebt Gij dan ook die zwartste mijner pijnen
		gekend, verwonnen en als meteoor
		doen schrijven aan den nachtwand vuur'ge lijnen,
		den menschen-volken tot belichtend spoor?

		Ik weet een donker wee, dat klacht niet kent,
		të eenzaam en të innig voor gedichten,
		hebt gij dat óók aan uw zielsfirmament
		genageld en als richt-gesternt doen lichten?

		Hiér antwoordt géén, maar Gij woont hoog, ai wend
		tot onzen God u, die weet, en zal richten.




VIII


		De voogel Waarheid mijmert bij mijn hand
		en peilt met ingetrokken kop de gronden
		des heemels, – als verlangend naar zijn land
		terug, van waar hem d'Almacht heeft gezonden.

		Ik wacht in ootmoed, heilige gezant!
		Nooit werd gij zoo vertrouwelijk bevonden.
		Vertoef! en doe mij weeten en verkonden,
		eer gij ter opvaart weer de wieken spant.

		Ook hij, de zanger, hield u niet gevangen
		in zijner lied'ren goudenkoordig want
		en kon ter uwer woonsteê niet gelangen
		eer zij, die hij beminde,⌒uit Liefde's hand
		zijn hart met al zijn bitterheid verteerde
		en zóó tot 's Heemels Lichthof weederkeerde.




IX


		Het was dezelfde wonderbare vonk
		die oover mijnen opgang heeft geglommen,
		waaruit de groote gloeden zijn geklommen,
		die hij, de meester, onzer waereld schonk —

		en die hem veilig voerde door de drommen
		van spooken in hun gruuwlijken spelonk,
		tot waar de starrenkrans der zaal'gen blonk
		in 't Licht, waarvoor zijn liederen verstommen.

		Zoozeer verscheiden zijn twee menschen niet
		door ééne Hand uit eender stof geweeven,
		of 'k weet, wat al die wond'ren groeyen liet
		is 't zelfde, wat mijn kinderziel deed beeven…

		O àl te machtig, àl te teer ontroeren!
		mijn hand ligt stil – kan 't schrijftuig niet meer voeren.




X


		Mijn hart heeft bitterheeden als de Dood
		en diepten waar geen woorden van gewagen,
		is daar wel Liefde sterk genoeg en groot,
		die 't kan verzwelgen en ten Heemel dragen?

		Ik blader vluchtig thans in 't boek der dagen
		en leg het duisterst zonder deernis bloot,
		tot schuuwe schimmen angstig rond mij klagen:
		"Gedenk! Gedenk! Gedenk! – éér gij verstoot!"

		Hebt Gij, mijn zanger, ongeschokt vernoomen
		den doodssnik van uw allerschoonste waan?
		en zijt gij vast de treeden opgegaan
		bestroomd van 't bloed der teerste, liefste droomen?

		Welk Licht-verschiet was 't dat u schrijden deed
		zoozeer als God, zóó liefdrijk en zóó wreed?




XI


		Er drijft een zeldsaam gisten, zeldsaam dringen
		de jonge ziel in haren opgang uit.
		Zij breekt den schors van waan die haar omsluit
		en neigt tot nadering aan vreemde dingen.

		Door 't naaste, wat niet-eigen is, gestuit
		baart zij dan teedre ranken, die 't omringen
		en gansch tot eigen-worden willen dwingen —
		en geeft zich vangeling aan de⌒eigen buit.

		't Gaat dan om eeuwig heil! want ach! wie beurt
		wat aan een schaduw zich heeft willen hechten?
		En vast kan zich geen tweedemaal vervlechten
		de rank, na d'eersten opgroei afgescheurd.

		Dan worden alle klanken, alle kleuren
		van 't Leeven weer een vreemd, vèr-af gebeuren.




XII


		De schakel brak, – de Dood hield u gescheiden,
		het Leeven sleepte u op zijn deining voort,
		en, onder nieuwen liefde-groei versmoord,
		ging schuil het glanzend schoon der eerste tijden.

		Nochthans, nochthans voltrok zich ongestoord
		het heilig Wonder, dat Gelieven beiden
		door de⌒eigen liefde⌒elkaar tot God geleiden, —
		en werd geboekstaafd in ontzach'lijk Woord.

		Ik zie het aan en huiv'ring grijpt mijn ziel,
		wij hadden van die Liefde een zwak vermoeden,
		verrukt alree door 't ongeveer bevroeden —
		Gedoog, dat ik voor haar gewisheid kniel.

		Mijn hoofd buigt neer, omgolfd door staat'ge klanken,
		laat de arme vreemd'ling in úw Tempel danken.




XIII


		Wat zegt het najaar dat de blaren strooit,
		het rul-geworden zomerloof doet zwijgen
		van voogellied, – en leevens-weeke twijgen
		met harde doodspracht van kristallen tooit?

		Wat zal het leeven van zijn schoon herkrijgen,
		door Tijd en Dood van zijnen bloei berooid?
		Wat houdt er stand en ziet zijn groei voltooid
		terwijl de welkende geslachten zijgen?

		Er staat een boom, in lichten Hof geplant,
		zijn takken reiken buiten 't ruim der heem'len,
		zijn wortel voedt zich in der eeuwen zand,
		zijn bloesem geurt, zijn looverdiepten weem'len
		van voogelzang. Elk looverken een ziel
		versterkt zijn machtig Leeven, éér het viel.




XIV


		Ze noemen Liefde wat de ziel doet zieden
		in helle vreugde van een oogwenk duur,
		in lijden leevenslang, – met ieder uur
		zien ze haar vluchtige bekooring vlieden, —

		een sidd'rend glimpjen onstandvastig vuur
		in woestenij van donkre doods-gebieden,
		waar alle dingen zonder zin geschieden
		naar starre wet van ijzige natuur.

		Maar Hij, die op vervaarlijken en verren
		boet-vaart door kringen, waar geen stervling kwam,
		kondschap van 't onnaspeur'lijke vernam,

		Hij gaf éénzelfden naam aan d'ééne Macht,
		die 't kinds-hart wekt met stralen luuw en zacht,
		en die de Zon beweegt en d'andre sterren.




TWEEDE DEEL





XV


		't Zij dan door zesmaal honderd jaar gescheiden,
		't zij dan zóó ongelijk van maat en macht,
		zijn telgen wij nochthans van één geslacht
		en draagt één liefde-tronk ons, bloesems, beiden.

		Als klank van verre kerk-klok in den nacht
		d'eenzamen dwaler oover duistre heiden
		vertroostend meldt waar zijn verwanten beiden,
		waar hem de lang gederfde haardstee wacht,

		zoo heeft van ver 't plechtstatige geluid,
		bij d'eersten flaauwen aangalm uwer woorden,
		mij 't trouwlijk thuis der eigen ziel geduid,

		en d'ooren van 't verlaten kindje hoorden
		met grooter vreugd de moeder niet, die 't riep,
		dan ik die roepstem uit der eeuwen diep.




XVI


		Mijn Land, mijn Land, hoe blinken spiegelklaar
		uw vlieten in de riet-bewassen zoomen,
		stil glijdt het bruine scheepszeil langs de boomen,
		kalm ligt het vreedige gehuchtje daar

		met toorenspitsje en moolentje, te droomen,
		breed ooverwelfd door blanke wolkenschaar,
		die statig aandrijft uit de kimmen, waar
		het zee-ruim wacht op d'altijd gaande stroomen.

		Mijn Land van weide en rustloos winde-lied,
		gij hebt de pracht van Arno's bloemen niet
		en niet de grootschheid van Ravenna's wouden,

		mijn Land, toch deed gij mij, als Hem, verstaan
		wat in 't verganklijke niet kan vergaan,
		wat ons van 't aardsche leeven voegt te⌒onthouden.




XVII


		Gij werdt gebannen uit uw vaderstad,
		gij moest het bittre brood der deernis eeten
		en kondt Firenze's heuvlen niet vergeeten,
		wat hulde en glans de vreemde voor u had,

		en nimmer heeft één, zooals gij, geweeten
		hoe scherpe weemoed geeft, op 't lijdenspad,
		herdenken van verlooren vreugde-schat,
		van vroegre banden ééns voor àl gereeten.

		Maar wee mij! wat is mij? ik ga in 't land
		mij booven allen dierbaar en gemeenzaam,
		waar 'k jong was, ga ik aan der liefste hand,

		en voel mij toch gebannen, arm en eenzaam!

		Wie dreef mij uit? mijn held, wat was mijn schuld?
		Wanneer is 't tij der ballingschap vervuld?




XVIII


		Mijn hart smacht naar dat verre vaderland,
		waarvan wij beide op aard een vóórglans zagen,
		toen nauw-ontwaakt, in blijde kinderdagen,
		zich ziel aan ziele spon met teedren band.

		Toen, door dat bliksemfelle licht geslagen,
		verhief zich ons verwonderde verstand,
		en bleef om 't kernvuur van zoo schoonen brand
		en om terugkeer naar dat licht-heil vragen.

		Dit is mijn smart, dàt raakt het diepste weezen
		van al mijn vreugde en leed, dàt geeft de klank
		van innigheid aan deeze zwakke zangen —

		Gij steegt omhoog, op wieken, sterk en blank,
		van een grootmachtig, triomfant verlangen —

		mijn wonde brandt nog altijd ongeneezen.




XIX


		"De Zeegenbrengster" luidde uw naam, o milde,
		aan wie de waereld zooveel zeegen dankt,
		wier brooze leeven, marmervast verklankt,
		den dorst zooveeler schoonheids-dorst'gen stilde.

		Ach, blanke liefde-zuil, bloedrood omrankt
		door vuurig lied, – één vriendlijk groeten tilde
		den Held in 't licht, – dat uw zacht aanschijn wilde
		nogmaals verlichten wie er doolt en wankt!

		Het menschdom stroomt, langs onheilvolle weegen,
		de stralende uitkomst angstig tegemoet.
		Wee, den in duistren dwarrelstroom geboornen!
		Wee, den voor reiner schoonheidslicht verloornen!
		Hoe reiken zij de handen, om den zeegen
		van Liefde's minnelijken, zachten groet.




XX


		Men noemde u Beatrice, maar gij draagt
		heil'ger benaming, onbekend den veelen.
		Hij heet u "Liefde", wien de glans-tafreelen
		van uw verheerlijkt weezen zijn gedaagd,

		die kroonde uw zeedig hoofd met de juweelen
		van zijn kleurfonklend woord. Naar Liefde vraagt
		nog immer wat op aarde duldt en klaagt. —
		Zal ooit haar adem 't waereld-aanzicht streelen?

		Kom, Zeegenrijke! jammerlijk in nood
		om uwen bijstand moet nog 't menschdom strijden.
		Vermag nooit in terugkomst te ooverschrijden
		uw blijde voet den drempel van den Dood?

		Des Vreedes Ster! der onrust vijandinne!
		Verhelder d'aard met uwen lach van minne!




XXI


		Gij, Alighieri, "Glans der Eeuw" geheeten,
		Ook U noem ik met wijdingsvoller Naam,
		want Liefde zaligt slechts met Wijsheid saam
		en alle Smart vergaat voor 't zoete Weeten.

		Kom, Wijsheid! dat uw zeegnend licht beschaam
		wie vreezen van de vrucht der kennis te eeten,
		en breng' te schand wie lichtschuuw zich vermeeten
		de kracht te keeren van uw vrijen Aâm.

		Vaar als een frissche wind de velden oover,
		de vuuren aller Liefde wakker aan!
		doe aller Harten Vlammen samenslaan!
		en vaag den Heemel schoon met éénen toover!

		dat 't dwalend volk weer d'oogen opwaarts richt
		en schouwt naar d'één'gen Oorsprong van Uw licht.




XXII


		De Stem des Lichts, die dóórbreekt ooveral,
		doet dreunend òp de gouden heemeldeuren,
		en de verborgen duisternissen scheuren
		door 't verre daveren van haar geschal,

		dan baart de troostelooze nachtgrond kleuren,
		dan bloeit de leelie in het diepste dal,
		dan stort zich, als een gouden waterval,
		vreugde in het hart van allen die daar treuren.

		Voor Wijsheid's aanblik houdt geen jammer stand,
		voor haar handheffing zwicht de vale ellende,
		waar zij haar wèl-betoomde rossen mende
		gloeit al het leevende in haar stralenbrand.

		En als de bloem naar d'ongenaakbre Zon
		wendt zich de ziel naar haar onkenbre Bron.




XXIII


		Thans weet ge, als ik, dat d'Almacht hooger troont
		dan uw goud-vleugelige zangen steegen,
		en dat de ziel langs nog benarder weegen
		't hart des Heelal's moet vinden, waar Zij woont,

		en dat alom daarbuiten is geleegen
		de macht-kreits des Verdoemden, dien gij hoont,
		en dat Gehenna geen verschrikking toont
		zóóals die Nacht, waar alle Konden zweegen.

		Wat is er Hel, 't en zij de Hel van Waan
		waar, door een schijn verblijd, wij armen allen
		verspeelen ons kortstondige bestaan,
		om lachend in den muil des Doods te vallen?

		En God ziet toe, hoe ons wuft leeven vlucht,
		maar van zijn strengen mond valt geen gerucht.




XXIV


		Wie eens uw watervelden heeft aanschouwd
		o zee! waaroover zilvren glanzen glijen
		en zag uw eindelooze golvenrijen
		aanstrijken van de kimme, grijs en goud,

		wie ééns met uwer blauwe woestenijen
		schriklijk bestaan verzoend werd en vertrouwd,
		en voelde aan uwe rotsen, grauw en oud,
		d'ontroerde ziel tot ruimer bloei gedijen,

		hoe kan die anders dan in smachtend dulden
		de droefheid ondergaan van enger sfeer?
		Hij kent geen vreede in 't veilig landschap meer
		schoon aarde en zon hem elke wensch vervulden.
		Hij wil de wijdheid der verlaten kusten
		als kon hij nader dáár aan Gods hart rusten.




XXV


		't Is niet om mij, 't is om ons droef geslacht
		dat nog die wonde branden blijft hierbinnen,
		want ik moet haten teevens en beminnen
		en liefde blijven geeven waar 'k veracht.

		Zoo was Hij niet, die met gelijke kracht
		geliefd heeft, en gehaat met ziel en zinnen,
		en zich van 's Waerelds einddoel en beginnen
		en d'eigen Waarheid zeeker heeft geacht.

		Maar in mij gloort een vonk van nieuwen dag,
		wèl ongewis nog en in hachlijk beeven,
		maar voorboô van een ruimer, schooner leeven
		dan 't allerschoonste wat mijn held ooit zag.

		Zoo zal ik dan, welweetend, zonder klagen,
		dit heilig lijdensmerk geduldig dragen.




DES LEEVENS KERN





Des Leevens Kern


		Zooals de kleuren nu mijn hart opbeuren
		deeden ze 't nooit, ook niet in versche jeugd,
		en aller waer'ld zoet-zorgelijk gebeuren
		heeft nooit zoo rechtstreeks mijn verstand verheugd.

		Het Leeven spreekt nu met een klare stem.
		Als 't carrillon des morgens van een tooren,
		dreunt mij, die opziet, wislijk en met klem
		de blijde noodzaak van elk ding in d'ooren.

		Elk lijden waan, zonder bestand noch duur,
		elk pijntje⌒een wenk en richtvonk onzer weegen,
		de waan een toornwolk rond Gods liefdevuur
		hoe kloeker dóórgeboord, te eer ontsteegen.

		En God geen ding, geen kracht, maar vriend en vader
		digt bij mij, digt, den dag, den nacht – den nacht,
		liever dan 't liefst en dan het naaste nader,
		de vreugd van 't blijdst en van het schoonst de pracht.

		Nu zie ik weer geranium en linde
		met 't oog eens kinds, als waar ik pas ontwaakt
		en zee en duin, die ik als kind zóó minde
		mijn manlijk hart met voller vreugde raakt.

		Ai, laat mijn blik verzwakken, 't lijf verouden!
		wanneer herinnren faalt en denkkracht dooft
		heb ik bereikt wat 'k eeuwig zal behouden,
		dat vrij de ladder breek', ik borg het ooft.

		Wie zou 'k nog haten, schoonheid is in allen,
		'k zie gansch den nacht niet om één vonkske licht
		en waar een hart zich ópdoet, moet ook vallen
		mijn liefdevloed, door eigen wigt gericht.

		Het lust mij wat ik heb aan glans te spreiden,
		niemand moog danken, nochthans blijft de lust,
		om wisse vreugd trots ik 't onwisse lijden,
		ik ken het zoete werk om zoeter rust.

		Dat komt dewijl ik in een blind vertrouwen
		d'onzichtbre kern van 't zichtbre Leeven zocht,
		geduldig zooals dorst'ge bloemen schouwen
		die zich ontvouwen voor het reegenvocht.

		Dit's ál, onrust'ge, die mij mocht benijden,
		geen meerder weetenschap en doet u nood:
		blijf 's Leevens kern betrouwen – en de Dood
		met àl zijn schrik moet eeuwig van u scheiden.




Koele Mei-dag


		De blindend-blanke hagelwolken drijven
		trotsch en geducht aan 't hardblaauw firmament
		en dreigen met hun schaduw te verstijven
		de schuchtre kindren van de jonge lent.

		Van 't koele Noord varen ze stom en prachtig,
		gekuifde sneeuwkop booven grauwen buik,
		door den van toorn gebolden stoet onmachtig
		groet lieve zon de beidende⌒aard tersluik.

		Toch drijft, niet-kleumsch, de beuk haar bleeke loover
		ten twijgen uit, de tulpbloem flonkert koen,
		de berk in 't sparbosch sprinkelt zich àl oover
		met tintellooverkes van teeder groen.

		De koekoek roept getrouw het voorjaar uit,
		de mei houdt vol, bestendig langs de dreeven
		schalt nachtegalenslag en lijsterfluit,
		en alom zeegeviert het lichte leeven.




De schat mijns harten


		Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,
		Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,
		Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens
		Wisslend geflonker.

		Is het dan, is het dan waarlijk mijn eigenst, mijn innigst?
		Heb ik het kostbaarst der waereld, wat bloed niet kan werven?
		Hoe heeft vóór allen aan mij dan, aan mij zich voltrokken
		't Nameloos wonder?!


…


…

		Aldoor maar moet ik bedenken de schoone gedachte,
		Telkens weer moet ik beschouwen den schat in mijn boezem,
		Nimmer verzaadt zij mijn oog, als eens rijken juweelsteens
		Wisslend geflonker.

		Het is mijn ster, het is de sterke liefde,
		die niemand kan verstaan en niemand ziet,
		die alom heerscht, die al vertroost wat griefde,
		die stralend schoon uit alle dingen schiet.
		Nu ken ik haar die heft en heelt en heiligt,
		die zacht als water door geen kracht bezwijkt,
		den Satan slaat en voor demoonen veiligt,
		die immer buigend booven bergen reikt.
		Haar glans ging òp toen ik geen vreugd meer vragend
		in duldsaam beeven uitzag in den nacht,
		toen heeft zij, mij in Liefstes oogen dagend,
		beweezen haar onnoemelijke macht,
		Dies roem ik God, zal van zijn Rijk gewagen,
		spijt aller schijndeugd, spot of hindernis,
		daar Hij der waereld doem zoo ligt leert dragen
		en zacht voor Liefde's kindren is.


…


…

		Altijd door moet ik weer denken de schoone gedachte,
		Als ik ga slapen en 's nachts en des morgens, des morgens,
		Als zij weer waarlijk in luister ontluikt uit den scheemer,
		eeuwig waarachtig.

		Hoofdschuddend lach ik tot bloemen, tot weiden, tot wolken,
		d'armen strek ik der zee toe: "wéét ge het? wéét ge het?"
		Tranen stroomen mijn wangen langs, mild als de slaaf weent
		voelend verlossing.




Het looverlied


		Hoe heerlijk onder bladgeruisch te gaan
		van groote boomen die in duister staan,
		weer naar hun machtig nachtgezang te luistren
		hun wijd gezwatel en plechtstatig fluistren.

		In langen winter zongen barre twijgen
		een ander lied. Zij klaagden, of hun zwijgen
		was angstig in den Januari-mist. —
		Maar 't loover kwam toch weer – en hoor nu is 't

		als een gelukkig volk dat zeegezingt.
		Nu juicht het gansche lenteland, er klinkt
		fijn geschalmei van voogels in de verte —
		zoo fijn en klaar als 't tintelend gesternte

		dat door de zwarte bladerschimmen kijkt
		en met haar vaag beweegen komt en wijkt.
		Ik ga door looverlied en sterreschijn
		blij en gerust. Ook in mijn kleine brein

		worden nu teedre liedekens gebooren
		die 'k liefst mijn teeder lief wou laten hooren.
		De wind die 't nachtland als een harpe streelt
		in maatgang met mijn stille liedjens speelt.

		Als nu mijn ziel reeds in dit brooze huis
		het looverlied verstaat en 't zeegeruisch —
		zal ik dan niet in sterker lijf herbooren
		den juubelzang der gouden sterren hooren?




Alles voor U


		Alles voor U, – wie is er nog betrouwbaar
		dan Hij die 't licht en de gesternten maakt,
		van wien al wat er tastbaar heet en schouwbaar,
		al wat ons lijf beroert en raakt
		is enkel een gedachte⌒en teere droom?
		De breede zee met witbeschuimden zoom,

		zilv'rig beglansd door vluchtige lichten,
		't kantig gebergt, gloedrood in zonnevonken,
		wat zijn ze, dan Uw droomgedichten? —
		Gij denkt hem éve' en eeuwig pronken
		de groote maaksels voor der schepslen oog.
		Het vaste veld, de luchte wolkenboog,

		Gij denkt, gij zingt zë, – als een blijde knaap
		des morgens gaand langs glinsterende bronnen
		zijn zangen zingt, gelukkig na den slaap, —
		zoo zingt Gij waerelden en zonnen,
		schrijdend langs schitterenden leevensvloed,




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/frederik-van-eeden-11569228/dante-en-beatrice-en-andere-verzen/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


