Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten
Guido Gezelle




Guido Gezelle

Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten



Deze Bloemlezing heb ik samengesteld om Gezelle’s poëzie te brengen in ruimer kring dan tot heden is bereikt. Op ’n paar uitzonderingen na in ’t begin liet ik de volgorde der gedichten naar de verschillende dichtbundels onveranderd. Hier en daar heb ik ’n enkel ons minder bekend woord verklaard.

Maart 1904.

In volgende drukken is in de keuze der gedichten weinig veranderd; over het algemeen zijn meer woorden verklaard.



    Dr. J. Aleida Nijland.

Amsterdam, April 1915.


		De vlaamsche tale is wonder zoet
		voor die heur geen geweld en doet,
		maar rusten laat in ’t herte, alwaar,
		ze onmondig leefde en sliep te gaar,
		tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
		te monde uit, gaat heur vrijen gang!
		Wat verruwprachtig hoortooneel,
		wat zielverrukkend zingestreel,
		o vlaamsche tale, uw’ kunste ontplooit,
		wanneer zij ’t al vol leven strooit
		en vol ’t onzegbaar schoon zijn, dat,
		lijk wolken wierooks, welt
		uit uw zoet wierookvat!




ONEIGENE


		Hetgeen ik niet uitgeve en
		hebbe ik niet in,
		wie zal mij dat wijten te schanden?
		Mijn herte en mijn tale, mijn
		zede en mijn zin,
		’t is al zoo van buiten, ’t is
		al zoo van bin’:
		’t ligt alles daar bloot op mijn’ handen!

		Dan, weg met de oneigene
		tale en den schijn
		van elders geborgde gepeizen;
		mijn zijt gij niet, uw dat en
		wille ik niet zijn,
		dat in mij en aan mij is
		dat heete ik mijn:
		oneigene, ik late u… gaat reizen!

		Als de Ziele luistert
		spreek ’et al een taal dat leeft,
		’t lijzigste gefluister
		ook en taal en teeken heeft:
		blâren van de boomen
		kouten met malkaar gezwind,
		baren in de stroomen
		klappen luide en welgezind,
		wind en wee en wolken,
		wegelen[1 - Wegel is een Z. Ned. verkleinwoord van weg.] van Gods heiligen voet,
		talen en vertolken
		’t diep gedoken Woord zoo zoet…
		als de Ziele luistert!




HET SCHRIJVERKE



(GYRINUS NATANS)

		O krinklende winklende waterding,
		met ’t zwarte kabotseken aan,
		wat zien ik toch geren uw kopke flink
		al schrijven op ’t waterke gaan!
		Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
		al zie ’k u noch arrem noch been;
		gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
		al zie ’k u geen ooge, geen één.
		Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
		Verklaar het en zeg het mij, toe!
		Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
		dat nimmer van schrijven zijt moe?
		Gij loopt over ’t spegelend water klaar,
		en ’t water niet méér en verroert
		dan of het een gladdige windje waar,
		dat stille over ’t waterke voert.
		o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, —
		met twintigen zijt gij en meer,
		en is er geen een die ’t mij zeggen kan: —
		Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
		Gij schrijft, en ’t en staat in het water niet,
		gij schrijft, en ’t is uit en ’t is weg;
		geen Christen en weet er wat dat bediedt:
		och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
		Zijn ’t visselkes daar ge van schrijven moet?
		Zijn ’t kruidekes daar ge van schrijft?
		Zijn ’t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
		of ’t water, waarop dat ge drijft?
		Zijn ’t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
		of is ’et het blauwe gewelf,
		dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
		of is het u, schrijverken, zelf?
		En ’t krinklende winklende waterding,
		met ’t zwarte kapoteken aan,
		het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
		en ’t bleef daar een stondeke staan:
		„Wij schrijven,” zoo sprak het, „al krinklen af
		het gene onze Meester, weleer,
		ons makend en leerend, te schrijven gaf:
		één lesse, niet min nochte meer;
		wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
		niet lezen, en zijt gij zoo bot?
		Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg,
		den heiligen Name van God!”




O ’T RUISCHEN VAN HET RANKE RIET




    Παρὰ ῥοδανὸν δονακῆαHom. Il. XVIII, 576.

		O! ’t ruischen van het ranke riet!
		o wist ik toch uw droevig lied!
		wanneer de wind voorbij u voert
		en buigend uwe halmen roert,
		gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr,
		staat op en buigt ootmoedig weêr,
		en zingt al buigend ’t droevig lied,
		dat ik beminne, o ranke riet!

		O! ’t ruischen van het ranke riet!
		hoe dikwijls dikwijls zat ik niet
		nabij den stillen waterboord
		alleen en van geen mensch gestoord,
		en lonkte ’t rimplend water na,
		en sloeg uw zwakke stafjes ga,
		en luisterde op het lieve lied,
		dat gij mij zongt, o ruischend riet!

		O! ’t ruischen van het ranke riet!
		hoe menig mensch aanschouwt u niet
		en hoort uw’ zingend’ harmonij,
		doch luistert niet en gaat voorbij!
		voorbij alwaar hem ’t herte jaagt,
		voorbij waar klinkend goud hem plaagt;
		maar uw geluid verstaat hij niet,
		o mijn beminde ruischend riet!

		Nochtans, o ruischend ranke riet,
		uw stem is zoo verachtlijk niet!
		God schiep den stroom, God schiep uw stam,
		God zeide: „Waait!..” en ’t windje kwam,
		en ’t windje woei, en wabberde om
		uw stam, die op en neder klom!
		God luisterde… en uw droevig lied
		behaagde God, o ruischend riet!

		O neen toch, ranke ruischend riet,
		mijn ziel misacht uw tale niet:
		mijn ziel, die van den zelven God
		’t gevoel ontving, op zijn gebod,
		’t gevoel dat uw geruisch verstaat,
		wanneer gij op en neder gaat:
		o neen, o neen toch, ranke riet,
		mijn ziel misacht uw tale niet!

		O! ’t ruischen van het ranke riet
		weêrgalleme in mijn droevig lied,
		en klagend kome ’t voor uw voet,
		Gij, die ons beiden leven doet!
		o Gij, die zelf de kranke taal
		bemint van eenen rieten staal,
		verwerp toch ook mijn klachte niet:
		ik! arme, kranke, klagend riet!




HET MEEZENNESTJE


		Een meezennestje is uitgebroken,
		dat, in den wulgentronk
		gedoken,
		met vijftien eikes blonk;
		ze zitten in den boom te spelen,
		tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in, tak-om,
		met velen,
		en ’k lach mij, ’k lach mij, ’k lach mij bijkans krom.

		Het meezenmoêrtje komt getrouwig,
		komt op den lauwen noen,
		al blauwig
		en geluwachtig groen;
		het brengt hun dit en dat, om te azen,
		tak-om, tak-op, tak-af, tak-uit, tak-in,
		ze razen,
		en kruipen, vlug, het meezennestjen in.

		Het meezenvaârtje zit – de looveren
		verduiken ’t voor ’t gestraal —
		te tooveren,
		al in de meezentaal;
		daar vliegen ze, al med’ een, te zamen,
		tak-om, tak-op, tak-af, tak-in, tak-uit,
		en, amen,
		het meezennestje is weêrom ijele en uit.




DIEN AVOND EN DIE ROOZE



AAN EUGENE VAN OYE

		’k Heb menig menig uur bij u
		gesleten en genoten,
		en nooit en heeft een uur met u
		me een enklen stond verdroten.
		’k Heb menig menig blom voor u
		gelezen en geschonken,
		en, lijk een bie, met u, met u,
		er honing uit gedronken;
		maar nooit een uur zoo lief met u,
		zoo lang zij duren koste,
		maar nooit een uur zoo droef om u,
		wanneer ik scheiden moste,
		als de uur wanneer ik dicht bij u,
		dien avond, neêrgezeten,
		u spreken hoorde en sprak tot u
		wat onze zielen weten.
		Noch nooit een blom zoo schoon, van u
		gezocht, geplukt, gelezen,
		als die dien avond blonk op u,
		en mocht de mijne wezen!
		Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
		– wie zal dit kwaad genezen? —
		een uur bij mij, een uur bij u
		niet lang een uur mag wezen;
		ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
		zoo lief en uitgelezen,
		die rooze, al was ’t een roos van u,
		niet lang een roos mocht wezen;
		toch lang bewaart, dit zeg ik u,
		’t en ware ik ’t al verloze,
		mijn hert drie dierbre beelden: u,
		dien avond, – en —die rooze!




KOM E’ KEER HIER



AAN PIETER BUSSCHAERT VAN DAMME

		„Kom e’ keer hier, fliefflodderke[2 - Vlinder.],
		’k hebbe u, ’k hebbe u zoo lief!”
		Maar ’t wipte, ’t wupte, ’t en wachtte niet,
		en ’t liet mij alleene zijn.
		’t Was wel van dat lief fliefflodderke,
		want, hadde ik het eens genaakt,
		ik hadde ’t, het lief fliefflodderke,
		’k en wete niet wat gemaakt:
		geen hand van ’nen mensche ’n mocht ’et ooit
		genaken zijn lieve kleed,
		of ’t was en het wierd ’t fliefflodderke,
		het was en het wierd hem leed;
		de hand van die ’t miek alleene mag
		’t genaken en niet beschaân,
		de wind van die ’t miek alleene mag
		er, wandelend, over gaan.
		Dus, wakker en weg! fliefflodderken,
		op planten en bloeiend gers[3 - Gras.],
		alwaar dat u God geschapen heeft,
		alwaar dat ’t uw woning es! —
		En zoekt gij nu, kind, een zin hierin,
		’t fliefflodderke, wie dat zij,
		uw herte is het, alderliefste mijn,
		ai, wat zou het anders zijn!
		God miek het u, maakt dat God alleen
		kan zeggen: Dit herte is mijn,
		zoo zal het, en anders en zal ’t, o neen,
		het uw’ noch gelukkig zijn!
		Zoo zong hij, die lang en lusteloos
		gezeten had, eenen dag,
		wanneer hij, op de eerste lenteroos,
		het eerste fliefflodderken zag.




GEWIJDE KLOK


		o Avond- noen- en morgenmate,
		ik vrij mij op uw’ klank verlate,
		gewijde klok!

		Uw hert is van metaal gegoten,
		toch blijft het voor geen mensch gesloten,
		gewijde klok!

		Gij hangt zoo hooge, ik ga zoo leege,
		och helpt de menschen, kranke en veege,
		gewijde klok!

		En dat uw klank in ’t ronde vliege,
		zij lief of leed aan sponde en wiege,
		gewijde klok!

		Den akker end’ het veld verwekke,
		en al dat hoort tot welzijn strekke,
		gewijde klok!

		Gij zegt aan elk het lang verleden
		de mede- en wederspoedigheden,
		gewijde klok!

		Gij troost mij op den dag van huiden,
		en zult wel eens mijn uitvaart luiden,
		gewijde klok!

		Nog zult ge waken lang na dezen,
		en ongeboornen beeklank wezen,
		gewijde klok!

		Dan zal mijn taal geen mensch meer hooren;
		maar God zal ze eeuwig toebehooren,
		gewijde klok!

		o ’k Wou dat, om mijn ziel te laven,
		zij ook dan een gebed mij gaven,
		gewijde klok, gewijde klok!




O GULDEN HOOFD


		o Gulden hoofd der blijde zonne,
		volheerlijke, altijd nieuwe bronne
		van levenskracht;
		wie heeft u in die blauwe streken
		het brandend voetspoor uitgesteken
		en voorgedacht?

		Gij staat des morgens op, beneden
		’t bereik van sterflijke oogenleden;
		en, rijzend, dan
		verblijdt gij mensch en dier en boomen;
		en ’s avonds laat gij los de toomen
		van uw gespan.

		o Edel’ zonne, o machtig wezen,
		o zienlijke afgezant van dezen
		die ’t al beveelt;
		wat ben ik, of wat zijt gij, schoone,
		als, in des Heeren schild en kroone,
		een wapenbeeld?

		Zoo kent men aan des Ridders wapen
		zijn hofgezin, zijn huis, zijn’ knapen,
		zijn heerlijk slot;
		zoo kan men, aan uw pronksieraden,
		o zonne, uw edelen Ridder raden:
		zijn name is – God!




O VECHTER


		o Vechter, die in ’t vaderland,
		met scherpgeschuurden tee en tand,
		door vodde[4 - Zode.] en vilte[5 - Wortelvezelnet.] en voren vecht,
		en ’t taaie terwland ommelegt!

		Ik zie u geerne, ontembaar aan,
		uw’ diepe en duistere wegen gaan,
		van al dat vreeze is vrank en vrij!
		– Mijn doen is dat, zoo dunk ’et mij!

		Wanneer gij rust in ’t wagenkot,
		en roestend daar uw tanden bot,
		dan zal wellicht een edel graan
		alwaar gij vocht te golven staan.

		Mij geve God dat, moegewrocht,
		en ’t zalig rusten weerd gerocht[6 - Geraakt.],
		ik zie eens ’t edel terruwveld,
		dat stijve zakken koorn geldt[7 - Betalen, opbrengen.]!




MET KLOEKEN ARME




    Exiit qui seminat.

		Met kloeken arme, en hand vol zaad,
		aanschouwt, hoe hij zijn’ stappen gaat
		en zaait, vol zorgen
		de man, wiens hope en troost en al,
		met ’t stervend zaad, nu zitten zal
		in ’t land geborgen.

		Staat op, o zaad, ’t is God die ’t zegt,
		den winter en de dood bevecht:
		de zonnestralen
		verwachten al, met menigvoud
		geverwde pracht en levend goud,
		uw zegepralen.

		o Winden, waait om ’t groene kind
		des lands, uw zacht-, uw zoetsten wind;
		o dauwrijk dagen
		des morgenstonds, o wolkenvloed,
		verleent het koorn, dat kenen[8 - Kiemen.] doet,
		uw welbehagen.

		Het wasse en ’t worde een geluw graan,
		het bloeie en ’t blijve buigend staan,
		vol zaad geladen;
		vol zegen, die geen’ nijd en baart,
		geen’ zucht, geen’ zoek omleegewaard,
		geen’ euveldaden!

		Houdt af, gij, wind- en wolkgeweld,
		die de akkerzaaite omverrevelt,
		en bleeke ellenden
		verspreidt alom: houdt af uw’ hand;
		wilt verre weg van ’t dragend land
		uw’ geesels wenden!

		Dan zal de landman, ’t herte groot
		van dankbaarheid, om ’t daaglijksch brood
		dat hij mocht winnen,
		den ouden arbeid, zwart en zwaar,
		zoo dit, zoo ’t naaste en ’t naaste jaar
		weêr herbeginnen.




SLAAPT GIJ NOG


		Slaapt gij nog, gedaagde[9 - Bedaagd, oud.] kruinen
		van de onzochte[10 - Onzacht.] doorentuinen?
		slaapt gij nog, en weet gij niet
		dat de ontwekte zonne u ziet?

		Dat alree de dagen langen
		zichtbaar, en de stralen strangen[11 - Strang = streng.]
		van de lente? Ontwekt, welaan,
		doornen, en wilt wakker staan!

		Onlangs nog, met sneeuw doorschoten,
		hebt gij, naast uw’ stamgenoten,
		weken lang den tijd verbeid,
		vaste in uwe onroerbaarheid.

		Tijd is ’t om den dag te groeten:
		’t Oosten blinkt, en wakker moeten
		al die zonne- en zomerglans
		schuldig zijn hun’ liefde, thans.

		Doorentuin dan, botten open;
		los, uw dichte looverknopen;
		los, uw zilveren reukallaam[12 - Alm, allaam = handwerktuig.];
		los, uw sneeuwwit blommenkraam!

		Ei, ’t en baat niet, dat robijnen
		naalden deur de toppen schijnen
		heen te bersten, hier en daar,
		van uw doornig streuvelhaar[13 - Verwarreld opstaand haar.]!

		Ei, ’t en baat niet dat uw’ leden,
		zwellende uit van vruchtbaarheden,
		drinken ’t zog der aarde, en bloot
		laten heuren moederschoot!

		Blâren moet ge en blommen schieten,
		vol de vaten ommegieten
		uwer zalven, en voortaan,
		hagedoornen, bloeien gaan!

		Slaapt gij nog? De bien ontwekken,
		langende om uw zeem te lekken;
		’t vogelken zoekt, nestgezind,
		waar ’t uw vrije daken vindt!

		Slaapt gij nog? De zangermonden,
		zullende uwen lof verkonden
		zoo gij wakker wordt, ze slaan
		reeds hun liefste leisen[14 - Liederen.] aan!

		Slaapt gij nog? De dichters dragen
		droevig, dorre doorenhagen,
		het geheugen, lang verbeid,
		van uw’ zomerschoonigheid!

		’t Water zucht, de blauwe lochten,
		de aarde deunt[15 - Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.], vol minnetochten:
		alles, alles wenscht om… och,
		doorenhagen, slaapt gij nog?




HOE SCHITTERT MIJ DIE SPA TOCH


		Hoe schittert mij die spa toch, als
		gij, landman, uwen taaien hals
		gebogen, langzaam eerselt[16 - Aarzelen = achteruitgaan.], end’
		nu hier nu daar Gods akker wendt!

		De zonne komt u volgzaam na
		en velt op uw geglimde spa,
		terwijl gij zucht en arrebeidt,
		den blik van heur’ hoogmogendheid.

		En, spittende in dat hel gestraal,
		zoo keert uw werkzaam akkerstaal
		med een den grond, en zendt den schicht
		terug naar mij, van ’t zonnelicht.

		Daar speiten[17 - Spatten.], uit den zwarten grond
		der aarde, zoo veel stralen rond
		uw’ delfspa, dat ’t een beeltenis
		van Gods gevreesden bliksem is.

		Doch neen: de duiven weten ’t wel,
		dat ’t spawerk is en zonnenspel,
		dit bliksemen, en hun vrije vlerk
		vervolgt u, op uw akkerwerk.

		De kwiksteert, zoo de duiven doen,
		u nagaande, in zijn’ stouteschoen,
		en vreest, alwaar hij wormen ziet,
		uw’ spa noch heur geflikker niet.

		Zoo volge ik ook, en geren ga
		’k, van ’s morgens vroeg, den delver na,
		hem dichtende, als hij lam en moe
		van werken is, mijn deuntjen toe.

		God vordere u, mijn brave man,
		en, zoo ’t gebed u helpen kan
		van een, die geerne uw’ weêrga ziet,
		de spa en delve uw graf nog niet!

		Maar mocht gij eens, uw werk voldaan,
		den blijden oest[18 - Oogst.] zien binnengaan,
		en zuchten: Die den arrebeid
		mij zoet maakt, U zij dank gezeid!




O LEYE LIEF


		O Leye lief, wat mocht u boozen;
		wat ’s hemels kom, den vlekkeloozen,
		weêrspiegeld in uw’ schoot, dat blauw
		verliezen doen? Dat blauw, och armen,
		dat donkert in de ontstelde barmen[19 - Golven, watersprongen.]
		van uw geweldig watergrauw?

		’k En hoorde u niet, op vroeger dagen,
		en ’t was als of ze in slape lagen,
		één glimmend glas, uw’ baren; daar ’t
		nu brieschen is en woedend grimmen,
		van breedgerugde waterkimmen,
		die beurtlings berschen[20 - Met kracht en spoed gaan.] boordewaard.

		Nog nooit en zag ik witgekoofde[21 - Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).]
		gelederen rijen, den helm ten hoofde,
		met zulk een daverend rukgeweld,
		o Leye, als de ongetelde toppen
		der witgekamde barenkoppen,
		die rennen in uw waterveld!

		Het klotst, het kleunt[22 - Slaan, kloppen.], de golven stooten
		het hooge schip, de smalle booten:
		het danst, het deunt[23 - Daverend schokken, schudden, trillen.], het roert, het maalt
		alom, van ’t vlugge schuim, dat vedert;
		van ’t zwalpend zop, dat weg- end- wedert;
		en van den wind, die zegepraalt.

		o Noorden, sluit uw dolle perken,
		besnijdt dien boozen zoon zijn’ vlerken:
		laat af, genoeg, genade! Hij
		is koning, heere en baas gebleken:
		laat licht en zonne u schoone spreken,
		dat ’t windloos weêr en vrede zij!

		Dan zal ik liefst, o Leysche boorden,
		als ’t zomer is, en zwijgt in ’t Noorden
		de felle reus, u volgend gaan;
		dan zal ik weêr mijn hert vermeiden,
		langs uw’ gegroende en stille weiden,
		en in uw’ grond hun beeld zien staan.




HEMELLAWERKE HEET GIJ


		Hemellawerke heet gij, wakkere en
		snelgewiekte strale, die
		’k, uit het zaailand opgestegen,
		lijk nen vierpijl rijzen zie.

		Striemen lichts ontlaat, en vonken,
		’t vluchtend vierwerk; en zoo hoort
		me u ook vluchtend henentieren,
		als gij deur de wolken boort.

		Hemellawerke, schoon van name en
		sprake zijt gij, maar uw kleed,
		’t valt te grauw toch: is ’t de reden
		dat men grijslawerke u heet?

		Ben ik grauw, het is van zeilen,
		en van, altijd reisgezind,
		zoo de grauwgedoekte schepen,
		heen te varen, vóór den wind.

		Hemellawerke, grijslawerke,
		luchtleeuwerke, hemelwaard,
		weg met u, ja, leeuwerkt helder,
		op uw’ hooge hemelvaart!

		Zingt en zeilt maar, al te zelden
		hoore en zie ’k u, lieve; ’t gaat
		beter hem, die, vroeg en spade
		hoort u, ende gadeslaat.

		Midden in Gods werken levend,
		’t gaat hem beter, achter ’t land,
		die u naziet, te elker stonde,
		daar hij zaait en zeeuwt[24 - Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.] en plant.

		Ach, om niet is ’t, al te dikwijls,
		dat gij dankend opwaarts stijgt,
		daar geen mensch en is dien ’t aangaat,
		of gij, schamele, zingt of zwijgt.

		Horkt er niemand, ik zal horken,
		wilt ge, in ’t droevig tranendal,
		mij vertroosten, hemellawerke; en
		ziet ons niemand, God ziet ’t al!

		Hij zal zien en hij zal hooren,
		hij, die vlerke en tale u gaf,
		en die mij, in stad begraven,
		wekken eens zal uit dit graf.

		Dan verrijze ik, luchtleeuwerke;
		zette ik zeil en vaar getroost
		naar de hoogten, daar gij schouwend
		eert den dagraad en den oost.

		Naar de streken die mij wijzende
		is uw’ vlerke en uw geschal,
		en van waar ik, vrij en veilig,
		niet meer, niet meer neêr en zal.




DE BOOMEN ZIEN ZWART


		De boomen zien zwart, van de zwellende botten;
		o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên[25 - Onbevangen, ongehinderd, vrij.],
		weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,
		waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?

		Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
		houdt af uwen vuist, in de botten begint er
		weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.

		De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;
		zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;
		doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,
		lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.

		Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
		uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er
		weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.

		De boomen zien zwart, en hun’ dreigende schachten
		staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist
		eens ridders, het teeken ten storme te wachten:
		het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!

		Staat achter, o nijdig geweld van den winter;
		de boomen slaan uit, en zoo zaan[26 - Weldra, spoedig.] herbegint er
		weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!




GELUWGROENE LEGERSCHAREN


		Geluwgroene legerscharen,
		honderdduizend, waar vandaan
		zijt gij, vastgevoette blâren,
		komen op de boomen staan?

		Nauwlijks heeft twee lentezonnen
		’s werelds blijde onthaal begroet,
		of… wie zal ’t getellen konnen,
		’t leger dat gij porren doet?

		Werkzaam, onder ’t machtig streelen
		van des morgens windgeweld,
		op de berken, op de abeelen
		zie ’k u, in ’t gelid gesteld.

		’t Ruischt alom vol zware talen,
		’t ruischt alom; en ’t krijgsgebaar,
		stortende in de diepe dalen,
		dooft alle andere stemmen daar.

		Waar vandaan zijt, al in ’t blijde
		doek gekleed, gij krijgeren dan?
		Wie, die zulk een wereldwijde
		legervastheid voeden kan?

		Zijt ge uit louter locht gesteven,
		zijt gij zonnestralen teer,
		schielijk en van licht geweven,
		duizendwendig bladerenheer?

		Zijt gij ’t bloed en ’t merg der boomen,
		’t boomzijn zelve, of anders iet
		onbekend, dat uit wil stroomen,
		al zoo zaan[27 - Dra.] ’t de zonne ziet?

		Zijt gij… Uwe ontelbaarheden
		staan het stormend volk gelijk,
		strijdbaar in ’t bezit getreden
		van des Winters koninkrijk!

		Nutloos, in zijn’ zware ellenden,
		heeft het land om hulp gewacht:
		komt en stoort des vijands benden,
		velt hem voor uw’ legermacht.

		Breekt zijn’ bergsteê, slaat zijn’ ridderen,
		scheurt zijn’ vanen: roept en tiert,
		dat de verste velden zidderen
		van ’t geruchte: zegeviert!

		Vluchten moet hij weg; verwonnen,
		wapenloos en wepel[28 - Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.], gaan
		zitten waar, in ’t ijs geronnen,
		onbewoond, zijn’ steden staan.

		Ruischt dan maar, gij legerscharen;
		zingt en trommelt overluid,
		zegevolle zomerblâren:
		morgen is de winter uit!




GEKAMDE KONING CANTECLAAR


		Gekamde koning Canteclaar,
		hoe geren zie ’k u komen daar;
		gestapt zoo edeldrachtig
		als Alexander, Atilla,
		of Karloman zijn’ wederga:
		heel keizerlijk almachtig!

		Gij kraait, terwijl ge uw’ vlerken slaat,
		en ’t stemgeluid dat henengaat,
		uit uwen hals gedreven,
		herwekt het slapend menschendom,
		het boodschapt hem den dag weêrom,
		den dag, het licht, en ’t leven.

		Uw’ vonkelende ooge, uw’ rooden kam,
		een laaiend beeld van vier en vlam,
		uw’ zwakken steert, uw’ spooren,
		uwe om end om geglimde borst,
		uw’ strijdbaarheid, uw’ zegedorst,
		uw’ stem, zoo schoon om hooren…

		Wie is er die dat al beschrijft,
		die, heel in woord en taal gelijfd,
		doet leven u en waken?
		Wie is er? Anders geen als gij,
		heer Canteclaar, die machtig zij
		uw evenbeeld te maken.

		Vaart wel dan: ik ontgeef ’t mij, en
		’k wil weten dat ik verre ben
		bij u voortaan ten onderen;
		gij hebt, o haan, den prijs behaald,
		kraait koning nu, en zegepraalt,
		en laat mij zwijgend wonderen!




O WILDE EN ONVERVALSCHTE PRACHT




    Alre creature sake ende yersticheit.Ruusbrouck.

		o Wilde en onvervalschte pracht
		der blommen, langs den watergracht!

		Hoe geren zie ’k u, aangedaan
		zoo ’t God geliefde, in ’t water staan!

		Geboren, arg- en schuldeloos,
		daar God u eens te willen koos,

		daar staat ge: en, in den zonneschijn,
		al dat gij doet is blomme zijn!

		’t Is wezen, ’t geen mijne ooge aanziet,
		’t is waarheid, en ge’n dobbelt niet;

		en die door u mijn hert verblijdt
		is enkel, zoo gij enkel zijt!

		Hoe stille is ’t! ’t En verwaait med al
		geen bladtje, dat ons stooren zal;

		geen rimpelken in ’t lief gelaat
		des waters, dat vol blommen staat;

		geen wind, geen woord: rondom gespreid,
		al schaduwe, al stilzwijgendheid!

		Dan, diepe, diepe in ’t water, blauwt,
		half groen geblest[29 - Gevlekt.], de hemelvaut;

		en, priemend’ hier en daar vergaat
		een langgesponnen zonnedraad.

		Hoe eerbaar, edel, schoone en fijn
		kan toch eene enkele blomme zijn,

		die, al med eens, en zorgloos, uit
		de hand van heuren Schepper spruit!

		Door Hem, en door geen menschenhand,
		lag hier een nederig zaad geplant;

		door Hem, op dezen oogenblik,
		ontlook het, en dien troost heb ik,

		dat, blomme, gij mij bidden doet,
		en wezen zoo ik wezen moet:

		aanschouwende en bevroedende in
		elk uiterste einde ’t oorbegin,

		den grond van alles; meer gezeid,
		maar nog niet al: Gods eerstigheid.




WAAR ZIT DIE HELDERE ZANGER


		Waar zit die heldere zanger, dien
		ik hooren kan en zelden zien,
		in ’t loof geborgen,
		dees blijden Meidagmorgen?

		Hij klinkt alom de vogels dood,
		bij zijnder kelen wondergroot’
		en felle slagen,
		in bosschen en in hagen.

		Waar zit hij? Neen, ’k en vind hem niet,
		maar ’k hoore, ’k hoore, ’k hoore een lied
		hem lustig weven:
		het kettert in de dreven.

		Zoo zit en zingt er menig man,
		vroegmorgens op ’t getouwe, om, van
		goên drom[30 - Schering.], te maken
		langlijdend[31 - Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.] lijwaadlaken.

		De wever zingt, zijn’ webbe deunt[32 - Schudt, trilt.];
		de la klabakt, ’t getouwe dreunt;
		en lijzig varen
		de spoelen heen, in ’t garen.

		Zoo zit er, in den zomer zoel,
		een, werpende, op den weverstoel
		van groene blâren,
		zijn duizendverwig garen.

		Wat is hij: mensche of dier of wat?
		Vol zoetheid, is ’t een wierookvat,
		daar Engelenhanden,
		onzichtbaar, reuke in branden?

		Wat is hij? ’t Is een wekkerspel,
		vol tanden fijn, vol snaren fel,
		vol wakkere monden
		van sprekend goud, gebonden.

		Hij is… daar ik niet aan en kan,
		een’ sparke viers, een’ boodschap van
		veel hooger’ daken
		als waarder menschen waken.

		Horkt! Langzaam, luide en lief getaald,
		hoe diep’ hij lust en leven haalt,
		als uit de gronden
		van duizend orgelmonden!

		Nu piept hij fijn, nu roept hij luid’;
		en ’t zijpzapt hem ter kelen uit,
		lijk waterbellen,
		die van de daken rellen.

		Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
		als ware ’t op een marbelstik[33 - Stik = stuk.],
		dat perelkransen,
		van ’t snoer gevallen, dansen.

		Geen vogel of hij weet zijn lied,
		zijn’ leise[34 - Lied.] en al zijn stemgebied,
		bij zijnder talen,
		nauwkeurig af te malen.

		’t En deert mij niet, hoe oud gedaagd,
		dat hij den zangprijs henendraagt,
		en, vogel schoone,
		mij rooft de dichterkroone!

		Want mensche en heeft u nooit verstaan,
		noch al uw’ rijkdom recht gedaan,
		o wondere tale
		van koning Nachtegale!




DE NAVOND KOMT ZOO STIL


		De navond komt zoo stil, zoo stil,
		zoo traagzaam aangetreden,
		dat geen en weet, wanneer de dag
		of waar hij is geleden[35 - Voorbijgegaan.].
		’t Is avond, stille… en, mij omtrent,
		is iets, of iemand, onbekend,
		die, zachtjes mij beroerend, zegt:
		„’t Is avond en ’t is rustens recht.”

		De boomen dragen gansch de locht
		vol groen, nog onbestoven;
		en ’k zie, zoo dicht hun’ blaren staan,
		nog nauwlijks door de hoven;
		’k en hoore niets, al om end om,
		van ’t zoetgekeelde vogelendom,
		’t en zij, het donker loof beneên,
		den nachtegaal zijne avondbeên.

		Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
		hij zingt! Het is onwetend,
		dat zingend hij mijne ooren boeit,
		en aan zijn’ kele ketent.
		Ach, wist hij ’t gene ik wetend ben:
		dat dankbaar ik toch wete en ken
		wie hem zijn’ tale, en mij daaraf
		’t genoegen en ’t genieten, gaf!

		Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
		eensgangs ik ginder gekken?
		Wat is ’t, dat her en weder her
		verergerend gerrebekken?
		Och, vorschenvolk, in ’t waterwied,
		houdt op! En stoort de stilte niet:
		laat hooren mij dat leutig slaan…
		en, kwelgediert, houdt op voortaan!

		Hebt daar!.. Het speit, den steen rondom,
		en, uitgestrekter schenen,
		zijn al de vorschen, diepe in ’t goor,
		in ’t zwijgend goor verdwenen!..
		Eilaas, de nacht en ’t donker zijn
		bezitten nu den zanger mijn:
		noch nachtegaal, noch ruit, noch muit[36 - Niet het minste stemgerucht.],
		en hoore ik meer… ’t is uit, ’t is uit!




DE VLIEGE


		o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
		vliege, die
		’k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
		hoore en zie
		vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
		zonnestraal,
		met uw’ ronkend-, hoog- en leeggevooisde
		vedertaal!

		Ha, ’k en kenne niemand die u ooit ééne arme
		reke[37 - Regel, schrift of zang.] of twee
		heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
		zongt, alreê
		ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
		nachtegaal,
		ruim zoo schoone allichte als honigbie- en
		krekeltaal.

		o Gij dikke, weltevreden, welgezinde
		snaartrompet,
		nooit en zag ik of en hoorde ik uwe
		vlerken, net
		lijk twee glazen ruitjes, daverende’ ’t zij
		late of vroeg,
		of ’t was helder zomerweder, en de
		zonne loech!

		o Gij aardig dierken, ’k wou dat ik, zoo wel als
		alle mensch,
		zoo gij schijnt te hebben, had mijn herte en
		wille en wensch,
		en dat ge ons, al ronken in den mooien
		zonneschijn,
		wist den weg te wijzen naar ’t gestadig
		blijde zijn!




WAT HANGT GIJ DAAR TE PRATEN


		Wat hangt gij daar te praten
		aan die blomme, o bruine bie;
		waarop, waaruit, waarover
		ik u ronken hoore en zie?
		Gij zijt er met uw’ neuze en
		met uw tonge al ingegaan;




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/gezelle-guido/bloemlezing-uit-guido-gezelle-s-gedichten/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Wegel is een Z. Ned. verkleinwoord van weg.




2


Vlinder.




3


Gras.




4


Zode.




5


Wortelvezelnet.




6


Geraakt.




7


Betalen, opbrengen.




8


Kiemen.




9


Bedaagd, oud.




10


Onzacht.




11


Strang = streng.




12


Alm, allaam = handwerktuig.




13


Verwarreld opstaand haar.




14


Liederen.




15


Deunen = 1. dreunen, daveren, schudden, trillen tengevolge van een hevig gedruisch, maar ook van blijdschap, voldoening, genot; 2. zingen, weerklinken van geluid.




16


Aarzelen = achteruitgaan.




17


Spatten.




18


Oogst.




19


Golven, watersprongen.




20


Met kracht en spoed gaan.




21


Koove = vrouwenmuts (fr. coiffe).




22


Slaan, kloppen.




23


Daverend schokken, schudden, trillen.




24


Het gezaaide graan dekken met de uitgespitte aarde.




25


Onbevangen, ongehinderd, vrij.




26


Weldra, spoedig.




27


Dra.




28


Eenzaam, alleen, zonder maag of vriend.




29


Gevlekt.




30


Schering.




31


Langmeegaand, duurzaam. Lijden = gaan.




32


Schudt, trilt.




33


Stik = stuk.




34


Lied.




35


Voorbijgegaan.




36


Niet het minste stemgerucht.




37


Regel, schrift of zang.


