De economische toestand der vrouw
Charlotte Gilman




Charlotte Perkins Gilman

De economische toestand der vrouw / Een studie over de economische verhouding tusschen mannen en vrouwen als een factor in de sociale evolutie





Voorbericht van de schrijfster


Dit boek is geschreven om een eenvoudige en natuurlijke verklaring te geven van een der meest bekende en meest verwarde vraagstukken van het menschelijk leven, – een vraagstuk dat zich bijna aan elkeen ter praktische oplossing opdringt en dat de ernstige aandacht vraagt van den moralist, den medicus, en den socioloog —

Om aan te toonen hoe eenige van de ergste kwalen waaronder wij gebukt gaan, kwalen die lang verondersteld werden onafscheidelijk van onzen aard te wezen en onuitroeibaar te zijn, slechts het gevolg zijn van zekere willekeurige toestanden, toestanden van eigen maaksel, en hoe wij, door deze toestanden te veranderen, de daaruit voortspruitende kwalen kunnen verwijderen —

Om aan te duiden hoever wij reeds het pad ter verbetering betreden hebben en hoe onweerstaanbaar de sociale krachten ons dwingen verder te gaan, zelfs zonder ons weten en tegen ons krachtig verzet in, – een voortgaan dat door onze erkenning en met onze hulp zeer versneld kan worden —

Om in het bijzonder de denkende vrouw van heden te bereiken en haar een nieuw besef te geven, niet alleen van haar maatschappelijke plichten als individu, maar van haar onmetelijk belang voor het ras als maakster van menschen.

Tevens wordt de hoop gekoesterd dat de ontvouwde theorie suggestief genoeg zal werken, om aanleiding te geven tot zulke verdere studie en bespreking, waardoor haar dwaling aangetoond of haar waarheid bevestigd zal worden.



    Charlotte Perkins Stetson.

Met liefde en toewijding volbracht ik de vertaling van dit belangrijk werk, met zijn diepgaande studie van de menschelijke samenleving en zijne breede grondslagen voor de hervormingen die onze maatschappij heeft te ondergaan.

Niets schijnt mij noodiger bij de duidelijk waarneembare kentering in onze begrippen omtrent de sexueele verhoudingen, dan het kennis nemen van beschouwingen daarover, die getuigen van zelfstandig onderzoek, vrij van alle doctrinairisme, en van volkomen onafhankelijkheid bij de beoordeeling der verkregen resultaten.

Het is waar dat de schrijfster bij haar arbeid het oog gevestigd had op toestanden in Amerika, maar met hier en daar slechts geringe wijzigingen zijn hare beschouwingen ook op de meeste Europeesche landen toepasselijk. De bijzondere waardeering die het werk in Amerika en vooral in Engeland ten deel viel zal het ook hier te lande ongetwijfeld ondervinden. Vooral nu hier in de laatste jaren zooveel geschreven en geredetwist is over het geslachtsleven van de vrouw in verband met haar maatschappelijk optreden, zal dit werk van Charlotte Perkins Stetson zeer velen tot nadenken aansporen en hun het antwoord geven op verschillende toen gerezen vragen.

De schrijfster, een zeer gunstig bekende dichteres en begaafd spreekster, werd in 1860 in New-England geboren. Zij is, zoowel van vaders’ als van moeders’ zijde, aan vele beroemde en om hun vooruitstrevende denkbeelden en handelingen bekende mannen en vrouwen verwant, waarvan voorzeker de schrijfster van “de negerhut van Oom Tom”, Harriet Beecher Stowe, hier te lande de meest bekende is.

In 1888 werd zij in Californië, waar zij toen woonde, voor haar schitterend artikel over de arbeidersbeweging met goud bekroond en in 1896 bood de Fabian Society te Londen haar, voor het vele goede zaad dat zij door haar verschillende werken uitgestrooid had, het eerelidmaatschap aan.

Deze geestelijk zoo rijk begaafde vrouw bezit een hoogst aangenaam uiterlijk en doet hare gesprekken van humor tintelen. Op het internationale vrouwencongres te Londen, in den zomer van 1899, waar ik het voorrecht had haar persoonlijk te leeren kennen, fonkelde zij te midden van de élite der vrouwenbeweging als een ster van de eerste grootte.



    Aletta H. Jacobs.
    Amsterdam, Juni 1900.




Inleiding


In de donkere en vroege tijden, nog vóórdat het licht in den voor-historischen nacht begon te schijnen, waren in de oorspronkelijke wouden de tweevoudige menschen elkaars gelijke; zij waren innige, hartelijke vrienden, die in onberekend genot wild en vrij tezamen leefden.

Vóórdat het verstand ontwaakte, – en bewustzijn kwam in die tijden langzaam, – vóórdat het verstand ontwaakte in den man, maar ook in de vrouw; nog vóór hij den Boom der Kennis vond, dien verschrikkelijken doch heiligen boom, reeds vóór hij wist was hij gevallen en begreep toen dat hij wist.

Toen sprak hij tot Smart: “Thans ben ik wijs en ken U! maar zoolang macht en wijsheid duren, wil ik niet meer lijden!” En tot Genot sprak hij: “Ik ben sterk en ik zal U bewijzen dat mijn mannenwil U in bezit kan nemen, – o, en U vast houden ook!”

Voedsel at hij voor zijn genoegen en wijn dronk hij voor zijn pleizier. En de vrouw? O, de vrouw, het toppunt van genot! Zij was nu de zijne, – ja, hij wist het! En sterk als een krankzinnige werd hij in de vroege schemering na den voor-historischen nacht.

Hem toebehooren, – de zijne voor eeuwig! welk een heerlijke, teedere overwinning! O, wat zou hij haar liefhebben! En zij zou slechts hem beminnen! Hij wilde werken en strijden voor haar, hij wilde haar beschutten en beschermen. – En zij zou hem nooit meer verlaten, vóórdat haar oogen door den dood gebroken werden.

Nauw, nauw sloot hij haar op, opdat zij hem nooit kon verlaten; zwak hield hij haar, opdat zij de kracht zou missen hem te ontvluchten. En de verdoovende vlam der passie hield hij steeds vlammend, door al de kunstgrepen en krachten die aarde en hemel en zee hem boden.

Doch o, die lange tocht! Die langzame en verschrikkelijke jaren die zij te zamen, blind en kreupel en ten laatste geheel verdwaald, doorworsteld hebben! Welk een machtig boekdeel, met millioenen schandelijke bladen, van de vrijheid der wouden tot in de gevangenissen van heden!

Voedsel at hij voor zijn genoegen en het bracht hem ziekte aan! Wijn dronk hij voor zijn pleizier en het baande hem den weg tot misdaad! En de vrouw? Hij wilde haar vasthouden, – hij wilde haar hebben als het hem behaagde, – En hij heeft haar nooit terug gezien, sedert den voor-historischen tijd!

Verdwenen was de vriendin en makker uit den vroegeren levenstijd; Zij die koesterde en troostte, zij die hulp en redding bracht. Hij zoekt haar nog steeds met onstilbaren honger vergeefs; Alleen staat hij thans, onder zijn tyrannen, alleen boven zijn slaven.

Zwoeger, gebogen en vermoeid door den zwaren last dien gij u zelf hebt opgelegd! Gij, die treurig en eenzaam zijt, ofschoon slechts eenzaam in schijn! Gij, die Genot hebt trachten te overwinnen om het steeds voor het grijpen te hebben, Gij hebt ondervonden dat Genot slechts was een andere naam voor Smart.

Natuur heeft uwe dwaling hersteld, uwe dwaasheid vergeven! God heeft niet vergeten, indien de menschen het ook nog niet inzien. De geest der vrouw verheft zich, in weerwil van uw schennis. Bevrijd haar nu en vertrouw haar! Zij wil u nog liefhebben!

U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben met een liefde, zooals alleen de vrijheid kweekt. U liefhebben? Ja, zij zal u liefhebben, omdat alleen liefde doet leven! Vrees het hart der vrouw niet! Het zal geen bitterheid toonen! Het eeuwenlange lijden heeft haar geleerd te vergeven.




I


Sedert wij geleerd hebben de ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch evenals de overgangsvormen in het dierenrijk te bestudeeren, hebben zich eenige bijzondere verschijnselen, die langen tijd den philosoof en moralist op een dwaalspoor brachten, in een nieuw licht vertoond. Wij beginnen te begrijpen dat vele bezwaren en moeilijkheden in ons leven, in plaats van onoplosbare vraagstukken te zijn, die een ander leven eischen om verklaard te kunnen worden, slechts het natuurlijk gevolg van natuurlijke oorzaken zijn en dat er zoodra wij die oorzaken hebben vastgesteld, veel kan gedaan worden om ze uit den weg te ruimen.

Niettegenstaande de individueele wil tegen invloeden kan strijden, deze voor een tijd kan weerstaan en ze somtijds overwinnen, blijft het toch waar dat de omgeving op den mensch, als op ieder ander levend wezen, haren stempel drukt. De macht van den individueelen wil om natuurwetten te weerstaan, is duidelijk bewezen door het leven en den dood van den asceet. Bij enkele van deze zelfmoordende martelaren kan men zien hoe de wil, door een ziekelijken geest misleid, het lichaam dwingt elken natuurlijken prikkel weerstand te bieden, – tot zelfs aan den rand van het graf en er in.

Mogen zulke uitzonderingen ook aantoonen wat de menschelijke wil vermag, het leven der menschheid in het algemeen bewijst daarentegen den onverbiddelijken invloed der omstandigheden. Van deze omstandigheden deelen wij met andere levende wezens de invloeden van het stoffelijk heelal. Wij ondergaan wijzigingen door het klimaat en de plaatselijke gesteldheid, door physische, chemische, electrische machten, zoo goed als alle dieren en planten. Met de dieren deelen wij verder de gevolgen van onze eigen werkzaamheid, de terugwerkende kracht van lichaamsbeweging. Wat wij doen, even goed als wat men ons doet, maakt ons tot wat wij zijn. Maar buiten en behalve deze machten, staan wij nog bloot aan de inwerking van een derde reeks invloeden, alleen de menschheid eigen, namelijk die van de maatschappelijke toestanden. In het organisch leven onzer maatschappij oefenen wij grooter invloed op elkander uit dan ooit, zelfs bij de meest in kudden samenlevende dieren, gevonden is. Deze derde factor, de maatschappelijke omgeving, wijzigt met zeer groote macht het menschelijk leven. Uit al deze ons omringende invloeden, veroorzaken degene welke onze economische behoeften raken, de sterkste uitwerking.

Stellen wij den invloed der maatschappelijke toestanden ter zijde, en beschouwen dus den mensch als een dierlijk wezen, dan ontdekken wij dat de mensch evenals ieder ander dier de sterkste wijziging ondergaat door zijn economische levensvoorwaarden. Mogen de dieren ook verschillen in kleur en grootte, in kracht en spoed, in meerder of minder aanpassingsvermogen aan slechter toestanden, toch hebben alle grasetende en alle vleeschetende dieren onderscheidingsteekens gemeen, zóó onderscheidend en zóó gemeen, dat zij door hun tanden, door hun digestie-orgaan in het geheel, in klassen verdeeld worden, in plaats van door hun verdedigings- of bewegingsmiddelen. De behoefte aan voedsel is bij het dier de grootste passieve macht in zijn ontwikkeling; de wijze waarop het in deze behoefte voorziet is de grootste actieve macht in zijn ontwikkeling. Het zijn deze werkzaamheden, de onophoudelijke herhaling van de krachtige pogingen om zijn voedsel te verkrijgen, welke het meest zijn vorm wijzigen en zijne functiën ontwikkelen. Het schaap, de koe, het rendier verschillen in het vermogen om zich aan te passen aan het weder, in de snelheid om zich voort te bewegen, in de verdedigingsmiddelen; zij stemmen evenwel overeen in de voornaamste kenteekenen, omdat hun voeding op gelijke wijze geschiedt.

De mensch als dier maakt op dezen regel geen uitzondering. Het klimaat oefent invloed op hem uit, het weder oefent invloed op hem uit, vijanden oefenen invloed op hem uit; de sterkste wijziging ondergaat hij evenwel, evenals ieder ander levend wezen, door hetgeen hij doet voor zijn levensonderhoud. Niettegenstaande het individu allen invloed ondergaat van zijn later en breeder leven, al de tegenwerkende macht van maatschappelijke instellingen, toch ondergaat het onverbiddelijk wijzigingen door de middelen die het aanwendt om in zijn levensonderhoud te voorzien: “aan de hand van den blauwverver ziet men wat hij verwerkt.” Als een zuiver, wereldbekend voorbeeld van den invloed der economische omstandigheden op den mensch, voer ik de duidelijke rasverandering der Joden aan, onder de gedwongen beperkingen van de laatste 2000 jaren. Hier treedt een volk op den voorgrond, eerst als een herdersvolk, dan als een landbouwende natie, alleen voor een deel koophandel drijvende, voor zoover het in relatie stond met de Phoeniciërs, de eerste kooplieden der wereld. Onder de sociale macht van een vereenigd Christendom, – vereenigd ten minste in deze meest onchristelijke daad – werden de Joden gedwongen hun levensonderhoud voornamelijk in den handel te verwerven. Men kan aantoonen dat vele hunner eigenschappen een gevolg zijn van den wreeden druk der sociale omstandigheden waaraan zij onderworpen waren: de sterke familieband van een volk zonder vaderland, zonder koning; zonder gelegenheid voor ontspanning of tot voldoening aan hun eerzucht, behalve in het familieleven; de verminderde lichaamsmaat en de verschrikkelijke levensvatbaarheid en levensduur van de meedoogenloos uitverkoren overblijvenden van het Ghetto; de herhaalde uitbarstingen van geniale geesten zoo onmenschelijk onderdrukt. Maar kenmerkender nog is het gevolg der economische omstandigheden; – de kunstmatige ontwikkeling van een ras kooplieden en geldhandelaars, van het minste pandjeshuis tot het huis van Rothschild; een bijzonder soort volk, uitgebroeid door de economische omgeving waarin zij gedwongen waren te leven.

Een ruw doch bekend voorbeeld, waarbij wij gelijke oorzaak met gelijk gevolg kunnen opmerken, is het opvallend verschil van een veeteelend, een landbouwend, en een fabrieksvolk in dezelfde natie, waarbij al de andere omstandigheden dus gelijk zijn.

Uit dezelfde zuivere redeneering dat functiën en organen door het gebruik zich ontwikkelen, dat de organen die het meest gebruikt worden ook het meest zich ontwikkelen, en dat het dagelijks moeten voorzien in onze economische behoeften deze functiën tot de meest gebruikte maakt, volgt, dat waar wij een bijzondere volksklasse vinden onder bijzondere economische omstandigheden, wij dan mogen uitzien naar bijzondere gevolgen en die ook zullen vinden.

Met het oog op deze feiten wordt thans de aandacht gevestigd op een zeer in het oog loopenden en eigenaardigen economischen toestand waarin het menschengeslacht verkeert en die in de organische wereld geen tegenhanger vindt. Wij zijn de eenige diersoort waarbij het vrouwtje van het mannetje afhankelijk is voor haar voedsel, de eenige diersoort waarbij de geslachts-verhouding tevens een economische verhouding is. Bij ons leeft een geheele sekse in economische afhankelijkheid van de andere sekse en de economische verhouding is vereenigd met de geslachts-verhouding. De economische staat van de vrouw houdt verband met de geslachts-verhouding.

Dikwijls wordt aangenomen dat deze toestand ook voorkomt bij andere diersoorten, maar dit is niet het geval. Er zijn verschillende vogels, waar het mannetje het vrouwtje gedurende den broeitijd helpt de jongen te voeden en dan gedeeltelijk ook haar voedt, en ook bij sommige hooger ontwikkelde carnivoren helpt het mannetje de jongen voeden en voedt dan gedeeltelijk ook het vrouwtje. In geen geval is “zij” evenwel uitsluitend afhankelijk van “hem”, zelfs niet in den broeitijd. Alleen de hoornvogel maakt hierop een uitzondering. Zoodra zijn vrouwtje in een hollen boom op het gemaakte nest is gaan zitten omringt hij haar met een muur van klei, zoodat alleen haar snavel vrij blijft en dan voedt hij haar tot de eieren uitgebroeid zijn. Maar zelfs het hoornvogelvrouwtje verwacht niet dat zij op eenig ander tijdstip gevoed zal worden. Het vrouwtje van bij en mier zijn economisch afhankelijk, maar niet van het mannetje. De arbeiders zijn ook vrouwtjes, tot economische werkzaamheden bepaald aangewezen. En bij de vleesch-etende dieren kunnen de jongen, indien zij één van de ouders moeten missen, beter den vader dan de moeder verliezen, want de moeder is volkomen in staat alleen de zorg voor hen op zich te nemen. Bij vele diersoorten, zooals bijv. bij de kat, voedt het vrouwtje niet alleen zich zelf en de jongen, doch zij moet tevens de jongen verdedigen tegen het mannetje. In geen enkel geval wordt het vrouwtje gedurende haar geheele leven door het mannetje onderhouden.

Bij de menschen is deze toestand algemeen en aanhoudend, al zijn er ook uitzonderingen en al is deze eeuw ook getuige van een groote verandering ten goede. Toch zijn we nog niet gewend dit feit te beschouwen buiten de grens van eenige losse algemeenheden, wij meenen dat de oude toestand «natuurlijk» is en dat andere dieren ook zoo doen.

Velen zal dit inzicht niet dadelijk helder voor den geest staan en zij zullen werkende boerinnen of vrouwen uit wilde volksstammen en vooral de huishoudelijke werkzaamheden der vrouw als voorbeelden daartegenover stellen. Eenige met zorg gekozen voorbeelden zijn noodig om voor ons zelf het essentieele der feitelijke verhouding, ook in deze gevallen duidelijk te maken. Het paard, in zijn vrijen natuurstaat, is economisch onafhankelijk. Het verkrijgt zijn voedsel door eigen inspanning, zonder hulp van een ander schepsel. Het paard, in zijn tegenwoordigen slaventoestand, is economisch afhankelijk. Het ontvangt het voedsel uit de hand van zijn meester; zijn inspanning, hoe krachtig ook, staat niet in onmiddellijk verband tot zijn levensbehoeften. Integendeel, de paarden die het best gevoed en verzorgd worden zijn niet de paarden die het hardst werken. Het paard werkt, dat is waar; maar wat hij te eten krijgt hangt af van de macht en den wil van zijn meester. Zijn levensbenoodigdheden verkrijgt het door een ander. Het paard is economisch afhankelijk. Zoo ook de hardwerkende wilde of de boerin. Hun arbeid is het eigendom van een ander, zij werken onder den wil van een ander en wat zij ontvangen hangt niet af van hun werk, maar van de macht en den wil van een ander. Zij zijn economisch afhankelijk. Dit geldt voor de vrouw zoowel individueel als collectief.

Door den economischen toestand van de seksen in hun geheel te bestudeeren komt het verschil het sterkst uit. Als maatschappelijk dier berust de economische staat van den mensch op de gezamenlijke en uitgewisselde diensten van groote getallen op den voorgrond tredende bijzondere individuen. De economische vooruitgang van een ras, zijn bestaan op zeker tijdstip, zijn bestendige vooruitgang sluit in zich de gezamenlijke werkzaamheden van al de ambachten, beroepen, kunsten, fabrieken, handel, uitvindingen, ontdekkingen en al de burgerlijke en militaire instellingen, waarvan het volk zich onderhoudt. De economische staat van eenig ras op eenig tijdstip, met zijn daarin opgesloten gevolgen op al de bestaande individuen, hangt af van hun over de geheele wereld zich uitbreidenden arbeid en hun vrij onderling verkeer. Economische vooruitgang is evenwel bijna uitsluitend mannenwerk. De economische werkzaamheden die de vrouwen mochten verrichten zijn van den vroegsten tijd en van de eenvoudigste soort. Indien mannen geen andere economische diensten bewezen hadden, dan die ook thans nog door vrouwen worden verricht, de staat van ons ras zou in economisch opzicht tot de pijnlijkste grenzen teruggebracht worden.

Wanneer men uit een gemeenschap al de mannen-werkers verwijderde zou dit in economisch opzicht veel verlammender werken dan wanneer daaruit al de vrouwen-werkers verwijderd werden. Het werk dat nu gedaan wordt door vrouwen, kan door mannen verricht worden, het vereischt alleen de terugzetting van goede werkkrachten tot een vroegeren vorm van voortbrenging; doch het werk nu door de mannen verricht, zou niet door de vrouwen verricht kunnen worden, zonder geslachten van inspanning en aanpassing. Mannen kunnen koken, reinigen, naaien, zoo goed als de vrouwen; maar het maken en besturen van de groote machines der moderne industrie; het doorbanen van land en zee met uitgebreide stelsels van vervoer, de behandeling van onze saamgestelde beroeps-, handels-, en regeeringsinstellingen, deze zaken kunnen door vrouwen in haar tegenwoordigen staat van economische ontwikkeling niet zoo goed gedaan worden.

Dit is niet te wijten aan gebrek aan de essentieele menschelijke bekwaamheden die voor zulke handelingen noodzakelijk zijn, noch aan een aangeboren ongeschiktheid van het geslacht, maar zij is een gevolg van de tegenwoordige positie der vrouw, waardoor zij verhinderd wordt zich tot dien graad van economische bekwaamheid te ontwikkelen. Bij den mensch is de man in economischen staat de vrouw duizenden jaren vooruit. In het algemeen gesproken kan men zeggen dat mannen goederen voortbrengen en zorgen voor de verdeeling en dat vrouwen die van hen ontvangen. Als mannen jagen, visschen, veehoeden of het land bebouwen, dan eten de vrouwen wild, visch, biefstuk of koren. Als mannen over de zee gaan en koffie, specerijen, zijde en edelgesteenten medebrengen uit verre landen, dan krijgen de vrouwen haar deel van de koffie en specerijen en zijde en edelgesteenten, die de mannen gebracht hebben.

De economische staat van het menschelijk ras in eenig volk op zeker tijdstip is in hoofdzaak afhankelijk van de werkzaamheden van den man; de vrouw verkrijgt haar aandeel in den vooruitgang enkel en alleen door hem.

Deze feiten zijn zelfs nog duidelijker merkbaar, meer algemeen bekend, indien men ze individueel bestudeert. Van de vrouw van den dagwerker tot die van den millionnair, spreekt het versleten kleed of schitterend edelgesteente, de hut of het kasteel, de vermoeide voet of de rijke equipage, van de economische bekwaamheid van den echtgenoot. De comfort, de weelde, de noodzakelijkste levensbehoeften zelfs, welke de vrouw ontvangt, zijn door den man aangebracht en haar door hem gegeven. En zoodra de vrouw aan haar zelf overgelaten, zonder man om haar te “onderhouden”, in haar eigen economische behoeften tracht te voorzien, dan bewijzen de moeilijkheden die zij ondervindt voldoende wat in het algemeen de economische staat van de vrouw is. Niemand kan deze duidelijke feiten ontkennen, – de economische staat der vrouwen individueel hangt af van de mannen individueel, van de mannen tot welke zij in betrekking staan.

Maar onmiddellijk wordt daar tegenover geplaatst de algemeen gehuldigde meening dat, ofschoon moet worden toegegeven dat de mannen de economische goederen voortbrengen en verdeelen, toch de vrouwen hun aandeel daarin verdienen als echtgenooten. Dit veronderstelt òf dat de echtgenoot in de positie verkeert van werkgever en de echtgenoote van werknemer, òf dat het huwelijk een vennootschap is en de vrouw een gelijk aandeel neemt in de voortbrenging als de man.

Economische onafhankelijkheid is ten slotte een betrekkelijke toestand. In ruimen zin opgevat zijn alle levende wezens van elkander economisch afhankelijk, de dieren van de planten en de menschen van beide. In engeren zin is het geheele maatschappelijke leven economisch onderling afhankelijk; de mensch brengt collectief voort wat hij onmogelijk afzonderlijk kan voortbrengen. Maar vat men dit begrip zoo eng mogelijk op, dan veronderstelt individueele economische onafhankelijkheid, dat het individu betaalt voor hetgeen het ontvangt, werkt voor wat het krijgt, aan een ander een gelijke waarde geeft voor hetgeen de ander hem geeft. Ik ben afhankelijk van den schoenmaker voor schoenen en van den kleermaker voor kleederen, maar geef ik den schoenmaker en kleermaker genoeg van mijn arbeid als timmerman om de schoenen en kleeren die zij mij geven te betalen, dan behoud ik mijne persoonlijke onafhankelijkheid. Ik heb hun arbeid niet genomen zonder daarvoor iets van mijn arbeid te geven. Zoolang hetgeen ik ontvang betaald is door hetgeen ik geef, ben ik economisch onafhankelijk.

Vrouwen verbruiken economische goederen. Welk economisch product geven zij in ruil voor wat zij verbruiken? De bewering dat het huwelijk een vennootschap is, waarin de twee gehuwde personen zooveel voortbrengen als geen van beiden afzonderlijk kan voortbrengen, kan den toets der kritiek niet doorstaan. Een man die gelukkig is en zonder zorgen, kan meer voortbrengen dan een die ongelukkig en vol zorgen is, maar dit geldt evenzeer van een vader of een zoon als van een echtgenoot. Ontneemt men een man eenige van de voorwaarden waardoor hij gelukkig en zonder zorg is, dan verlamt men, in het algemeen gesproken, zijn ijver. Maar die verwanten die hem gelukkig maken zijn daarom niet zijn arbeids-vennooten en worden niet geacht deel te nemen aan de vermeerdering van zijn inkomen.

Een dankbare belooning voor aangebracht geluk is geen ruilmiddel in een vennootschap. Het gemak dat een man door een vrouw heeft ligt, evenmin als haar zuinigheid en werkzaamheid, in den aard der bedrijfs-vennootschap. Een huishoudster in haar plaats kan even zuinig en even werkzaam zijn, maar zou daarom toch geen deelgenoot zijn. Man en vrouw zijn ware vennooten in hunne onderlinge verplichting tegenover hunne kinderen, – hun gemeenschappelijke liefde, plicht en hulp. Maar een fabrikant die huwt, of een geneesheer, of een advokaat neemt geen deelnemer in zijn zaak, wanneer hij een deelgenoot in zijn ouderschap neemt, tenzij zijne vrouw ook een fabrikant, doctor of advocaat is. Zij kan hem zelfs nog geen goeden raad in zijne zaken geven, zonder oefening en ondervinding. Dat zij haar man, den componist, liefheeft, maakt haar niet bekwaam tot componeeren. Als een man zijn vrouw verliest, dan mag zijn hart breken, maar het bedrijf lijdt er niet onder, tenzij zijn geest ziek wordt door verdriet. Zij is in geen opzicht een arbeids-vennoot, of zij moet kapitaal of ondervinding of arbeid aanbrengen, evenals een man zou doen in dezelfde betrekking. Vele mannen zullen zich eerst zeer ernstig bedenken, voordat zij in een bedrijfs-vennootschap treden met een of andere vrouw, echtgenoote of niet.

Indien dus de vrouw geen werkelijke deelgenoot in zaken is, op welke wijze verdient zij dan van haar man het voedsel, de kleeding, de huisvesting, die zij uit zijn handen ontvangt? Door huiselijke bezigheden, zal onmiddellijk geantwoord worden. Dit is het algemeen vage begrip van deze zaak, – dat vrouwen alles verdienen wat zij ontvangen, en meer zelfs, door huiselijke diensten. Hier komen wij op een zeer praktisch en ten slotte economisch terrein. Ofschoon geen voortbrengers van goederen, dienen zij in het eindproces, bij de bereiding en verdeeling daarvan. Haar arbeid in het huisgezin heeft werkelijk economische waarde.

Een zeker percentgehalte personen die anderen dienen, zoodat die anderen meer kunnen voortbrengen, leveren inderdaad een bijdrage die niet over het hoofd mag gezien worden. Het werk dat de vrouwen in huis doen stelt de mannen zeer zeker in staat, meer goederen voort te brengen dan zij anders konden doen; en in zoo ver zijn vrouwen economische factoren in de maatschappij. Maar aldus ook de paarden. Het werk van de paarden stelt de menschen in staat meer goederen voort te brengen dan zij anders konden doen. Het paard is een economische factor in de maatschappij. Maar het paard is niet economisch onafhankelijk, evenmin als de vrouw. Indien een man met een knecht meer nuttig werk kan verrichten dan zonder knecht, dan doet de knecht nuttig werk. Maar indien de knecht het eigendom van den man is, verplicht wordt dat werk te doen zonder betaling, dan is hij niet economisch onafhankelijk.

Het werk dat de vrouw in het huisgezin verricht, geeft zij als een deel van haar functioneele taak, niet als beroepsbezigheid.

De vrouw van een arm man die in haar klein huisje hard werkt, alles alleen doet voor het huisgezin, of de vrouw van den rijkaard die aardig en bevallig haar paleis bestuurt en de werkzaamheden leidt, beiden hebben aanspraak op behoorlijke betaling voor bewezen diensten.

Als men dezen grondslag aanneemt en daaraan consequent vasthoudt, dan maken huisvrouwen, die door huishoudelijke werkzaamheden haar levensonderhoud verdienen, aanspraak op de loonen van keukenmeiden, werkmeiden, kindermeiden, naaisters of huishoudsters en niets meer. Dit zou natuurlijk de uitgaven van de rijke huisvrouwen verminderen en het voor den armen man onmogelijk maken om een vrouw “te onderhouden”, tenzij dat die arme man de onderlinge verhouding goed inzag, zijn vrouw betaalde als dienstbode, en zij hun gezamenlijke inkomsten bij elkaar voegden om daarvan hun kinderen op te voeden. Hij zou dan een meid houden en zij zou haar aandeel betalen in de huishouding. Maar dan zou er op de geheele wereld geen “rijke vrouw” te vinden zijn. Zelfs de beste huishoudster, hoe nuttig ook haar diensten mogen zijn, brengt geen fortuin bij elkaar. Zoo iemand koopt geen juweelen en parelen, of houdt equipage. Zulke dingen verdient men niet door huiselijke bezigheden.

Maar wat het merkwaardige in deze bespreking is, hoe groot ook de economische waarde van de huiselijke bezigheden mogen zijn, de vrouwen krijgen ze niet uitbetaald. De vrouwen die het hardst werken, ontvangen het minst en de vrouwen die het meest verteren werken het minst. Haar arbeid is noch gegeven noch genomen als een factor in den economischen ruil. Men gaat uit van de meening dat het haar plicht als vrouw is om dit werk te doen, en er bestaat geen verhouding tusschen de hoeveelheid van dit werk en haar economischen staat, tenzij een omgekeerde. Doch bovendien, als de vrouwen aldus eerlijk betaald werden en men haar gaf wat zij verdienen en niets meer, dan zouden alle vrouwen die dezen arbeid verrichten teruggebracht worden tot den economischen staat van dienstboden. Er zijn niet veel vrouwen, mannen ook niet, die deze voorwaarden aandurven.

De basis dat vrouwen haar levensonderhoud verdienen door huiselijk werk wordt dan ook onmiddellijk los gelaten en de bewering volgt, dat zij haar onderhoud verdienen als moeders. Dit is een eigenaardige toestand. Wij spreken genoeg hierover en dikwijls met diep gevoel, zonder dit echter voldoende te ontleden.

Wanneer men het als een economischen ruil behandelt en men vraagt, wat geven de vrouwen in goederen of arbeid terug voor de goederen en arbeid die haar gegeven worden, – hetzij aan het geheele ras of aan haar echtgenooten individueel, – wat betalen de vrouwen voor haar kleederen en schoenen en meubelen en voedsel en huisvesting, dan zal men antwoorden dat de plichten en diensten van de moeder haar het recht geven op onderhoud.

Indien dit waar is, indien het moederschap een wisselbaar handelsartikel is, dat vrouwen in ruil geven voor kleederen en voedsel, dan moeten wij natuurlijk eenige betrekking vinden tusschen de kwantiteit en kwaliteit van het moederschap en de kwantiteit en kwaliteit van de betaling. Dan zouden de vrouwen die geen kinderen hebben in ’t geheel geen economischen staat bezitten en van de moeders zou moeten kunnen aangetoond worden dat haar economische staat in verhouding staat tot haar moederschap. Dit is klaarblijkelijk onzin. De kinderlooze echtgenoote heeft even veel geld te verteren als de moeder van veel kinderen, – meer, want de kinderen van de laatste verteren nog, wat anders het hare zou zijn, en de zwakke moeder ontvangt niet minder dan de krachtige.

Het is immers duidelijk dat de economische welvaart van een vrouw geen verband houdt met haar moederschap. Onder de oorspronkelijke volkeren, in het patriarchale tijdperk bijvoorbeeld, was er iets waars in. De vrouwen bezaten toen geen andere waarde dan alleen om kinderen te baren en de voorrechten en gunsten die zij ontvingen stonden in direct verband tot het moederschap; de vrouwen hadden toen meer dan één reden om te juichen wanneer zij een zoon ter wereld brachten. Heden ten dage is evenwel het onderhoud van de vrouw daarop niet meer gebaseerd. Een man heeft geen recht zijn vrouw te verstooten op grond dat zij geen kinderen krijgt. De aanspraak van het moederschap om beschouwd te worden als een factor voor economischen ruil is heden ten dage ongerijmd. Maar veronderstel eens dat het waar was. Zijn wij bereid dezen grondslag, zelfs in theorie, aan te nemen? Zijn wij bereid toe te stemmen dat het moeder-zijn een bedrijf is, een vorm van ruilhandel? Zijn de zorgen en plichten van de moeder, haar werk en haar liefde, handelsartikelen die voor brood te koop zijn?

Zulke overwegingen zijn stuitend. Indien wij onze gedachten durven volgen en ze doorvoeren tot een logische gevolgtrekking, dan zullen wij zien dat er niets terugstootender voor het menschelijk gevoel kan zijn, of meer maatschappelijk en individueel beleedigend, dan het moederschap te maken tot een bedrijf. Weg daarom met deze aangevoerde reden van de economische onafhankelijkheid der vrouwen! Er is aangetoond dat vrouwen als een klasse geen goederen voortbrengen, noch verdeelen; dat vrouwen als individuen hoofdzakelijk werken als dienstboden, niet als zoodanig betaald worden en niet tevreden zouden zijn met haar economischen staat, indien zij wel als zoodanig betaald werden; dat vrouwen geen bedrijfs-vennooten of mede-voortbrengers van goederen met haar mannen zijn, tenzij zij werkelijk hetzelfde vak uitoefenen; dat zij niet als moeders gesalarieerd worden en dat, indien dit het geval was, dit onuitsprekelijk vernederend zou zijn, – wat hebben nu degenen nog in te brengen die niet willen toegeven dat vrouwen onderhouden worden door mannen? Dit (en dit is een zeer vermakelijke toestand), dat de functie van het moederschap een vrouw ongeschikt maakt voor economische voortbrenging en dat het daarom billijk is dat zij door haar man onderhouden wordt.

Wij zijn begonnen met de stelling dat bij de menschen de vrouw economisch afhankelijk is, dat zij gevoed wordt door den man. Om dit te loochenen heeft men eerst beweerd dat zij economisch onafhankelijk is, doordat zij zich onderhoudt door haar werkzaamheden in de huishouding. Daarop werd aangetoond dat er geen verband bestond tusschen den economischen staat der vrouw en den arbeid dien zij in het huisgezin verricht, toen werd aangevoerd dat zij niet als dienstbode, maar als moeder haar levensonderhoud verdient. Nadat aangetoond was dat de economische staat der vrouw geen verband houdt tot haar moederschap, noch in de kwantiteit, noch in de kwaliteit, toen werd beweerd dat het moederschap de vrouw ongeschikt maakt voor economische productie en dat het daarom rechtvaardig is dat de vrouw door haar man onderhouden wordt. Voordat wij verder gaan, kunnen wij dus vaststellen, – dat de vrouw wordt onderhouden door haar echtgenoot.

Zonder thans in zedelijkheids- of in noodzakelijkheidsbeschouwingen te treden, hebben wij ten minste dezen vasten grond onder den voet: Het wijfje van het geslacht mensch wordt onderhouden door het mannetje. Terwijl bij andere diersoorten het mannetje en vrouwtje gelijkelijk grazen en weiden, jagen en dooden, klimmen en zwemmen, graven, rennen of vliegen voor hun levensbehoeften, zoekt in onze soort het vrouwtje haar eigen levensonderhoud niet, door de gebruikelijke werkzaamheden van ons geslacht, maar wordt gevoed door het mannetje.

Nu kan de aangevoerde noodzakelijkheid nagegaan worden. Het wijfje-mensch zou door haar moederplichten onbekwaam zijn om in haar eigen onderhoud te voorzien. Aangezien de moederplichten van andere wijfjes deze niet ongeschikt maken om in eigen onderhoud en dikwijls ook in het onderhoud der jongen te voorzien, schijnt het dat de moederplichten van den mensch eischen dat de totale krachten van de moeder in dienst worden gesteld van het kind en dat wel gedurende geheel haar volwassen leeftijd, of dat er zoo’n groot gedeelte van noodig is dat er niet genoeg overblijft om de individueele belangen der moeder te behartigen.

Indien zulk een toestand bestond, zou hij natuurlijk de beklagenswaardige afhankelijkheid van het wijfje-mensch en haar onderhoud door het mannetje verontschuldigen en rechtvaardigen. Evenals de koningin-bij, geheel voor het moederschap bestemd, onderhouden wordt – niet door het mannetje, wees daarvan overtuigd – door haar medewerksters, de “oude vrijsters” de onvruchtbare werkbijen, die geduldig en lief op hare wijze arbeiden voor de moederplichten van den bijenzwerm, zoo zou ook het wijfje-mensch, dat geheel bestemd werd voor het moederschap, ongeschikt worden voor elke andere inspanning en hulpeloos afhankelijk zijn.

Is dit de toestand van het menschelijk moederschap? Verliest de vrouw door haar moederschap de macht over haar geest en haar lichaam, verliest zij de gave, de geschiktheid, den lust en de kracht voor elk ander werk? Zien wij het menschelijk geslacht voor ons met al de wijfjes, alleen bestemd voor het moederschap, zich wijden, afzonderen, bijzonder ontwikkelen en elke gave der natuur besteden in dienst hunner kinderen?

Neen. Wij zien de mensch-moeder harder werken dan een merrie, levenslang werken in dienst, niet alleen van haar kinderen, maar ook van vele menschen, echtgenooten, broeders en vaders en verdere mannelijke verwanten; ook voor moeders; voor de kerk een beetje, als het haar veroorloofd wordt; voor de maatschappij, indien zij daartoe in staat is; voor liefdadigheid en opvoeding en hervormingen; werken in verschillende richtingen, die niet speciaal de richting van het moederschap zijn.

Het is niet het moederschap dat de huisvrouw van den vroegen morgen tot den laten avond op de been houdt, het is huishoudwerk, geen werk in dienst van het kind. Vrouwen werken langer en harder dan de meeste mannen, doch niet enkel in dienst van het moederschap. Bij de wilde volksstammen draagt de moeder zware lasten en doet al de werkzaamheden voor den stam. De boerin-moeder werkt op het land en de werkmansvrouw in de fabriek of te huis. Vele moeders verdienen zelfs nu geld voor het gezin, dat zij tegelijkertijd onderhouden en besturen. Vindt men misschien bij de vrouwen die niet zoo veel doen, vrouwen die rijken mannen toebehooren, een volledige toewijding aan het moederschap, waardoor de economische afhankelijkheid der vrouw gerechtvaardigd en geduld zou moeten worden? Wij vinden haar zelfs daar niet. Rijke, in weelde levende vrouwen laten dikwijls meer zorg aan haar kinderen besteden dan de arme moeder kan doen, doch zij zelf wijden aan hen niet meer tijd, noch meer liefde en toewijding. Zij hebben andere bezigheden.

Ondanks haar veronderstelde bestemming voor het moederschap, werkt de mensch-moeder over de geheele wereld dagelijks uren lang aan werk dat met het moederschap niets te maken heeft, lang genoeg om haar een onafhankelijk levensbestaan te verschaffen en toch wordt de onafhankelijkheid onmogelijk verklaard op grond dat het moederschap haar het werken verhindert!

Als deze grond houdbaar was, dan zouden wij een wereld vol vrouwen vinden die nooit een vinger verroerden dan alleen ten dienste harer kinderen, en een wereld vol mannen die al het overige werk deden en bovendien de vrouwen bedienden, omdat dezen door het moederschap verhinderd waren zich zelf te bedienen. Dit is niet het geval. De gezonde, flinke vrouw heeft 25 levensjaren alvorens zij moeder is en zal over 25 jaren te beschikken hebben na de periode waarin zulke moederdiensten van haar verwacht worden. De plichten van het grootmoederschap zullen toch zeker haar economische onafhankelijkheid niet in den weg staan?

De werkkracht van de moeder is altijd een voorname factor in het menschelijk leven geweest. Zij is de werker “bij uitnemendheid”; maar haar werk oefent geen invloed uit op haar economischen staat. Haar levensonderhoud, dat is alles wat zij noodig heeft: – voedsel, kleeding, sieraden, weelde, amusementen, staat niet in verhouding tot haar productievermogen, haar huiselijke diensten of haar moederschap. Deze dingen staan alleen in verband tot den man dien zij huwt, den man waarvan zij afhankelijk wordt; namelijk van hoeveel hij bezit en hoeveel hij bereid is haar te geven.

De vrouwen wier opvallende levenswijze de wereld verblindt, die de grootste weelde genieten, zijn dikwijls geen huisvrouwen, noch moeders, maar eenvoudig de vrouwen die de grootste macht uitoefenen over mannen die het meeste geld hebben.

Het wijfje van het geslacht mensch is afhankelijk van het mannetje. Hij voorziet haar van voedsel.




II


Nu wij weten welk een belangrijke factor de economische verhouding in de evolutie der diersoorten is en wij in het menschengeslacht een zoo bijzondere economische verhouding vinden, moeten wij natuurlijk op gevolgen rekenen, die alleen aan ons ras eigen zijn. Wij mogen verwachten dat er zich in de geslachts-verhouding en in de economische verhouding van de menschen verschijnselen zullen voordoen, eenig in haar soort, – verschijnselen die niet uit de menschelijke superioriteit verklaard kunnen worden, doch zonderling genoeg deze superioriteit afbreuk doen; verschijnselen zoo kenschetsend, zoo ziekelijk, dat zij tot vele bespiegelingen aanleiding hebben gegeven.

Zijn deze voor de hand liggende gevolgtrekkingen juist? Zijn deze bijzonderheden in de geslachts-verhouding en in de economische verhouding in het menschelijk leven aanwezig? Zonder twijfel zijn zij het, – en wel zóó duidelijk, zóó in ’t oog loopend, zóó gebiedend de aandacht vergend, dat de menschelijke geest van zijn eerste ontwaken af er door werd bezig gehouden en getracht heeft er zich op de een of andere wijze rekenschap van te geven. Deze verschijnselen uiteen te zetten en te verklaren, – met afscheiding van wat moet toegeschreven worden aan een normale ras-ontwikkeling van datgene wat een gevolg is van abnormale sexueel-economische verhoudingen, – is het doel van de hier gegeven studie.

Aangezien het ras-kenmerk van de menschheid in haar maatschappelijke verhouding ligt, moeten wij de kenmerkende voor- en nadeelen van het menschenras ook zoeken in haar maatschappelijke verhouding. Onze betrekking tot elkander oefent meer invloed op ons uit dan onze physische omgeving.

Nadeelen van het klimaat, gebrek aan voedsel, mededinging van andere diersoorten, – al deze voorwaarden kan de maatschappij met haar krachtig organisme gemakkelijk overwinnen of regelen. Maar in onze onderlinge menschelijke verhoudingen zijn wij niet zoo voorspoedig. Ernstige gevaren en bezwaren in het menschelijk leven zijn meer een gevolg van de moeilijkheid om te wennen aan onze maatschappelijke, dan aan onze physische omgeving. Deze moeilijkheden, voor zoover zij bestaan, hebben als een aanhoudende rem aan den maatschappelijken vooruitgang gewerkt. Hoe volkomener een natie over physische toestanden getriumfeerd heeft en hoe gunstiger zij stond in haar overmacht tegenover physische vijanden en hindernissen, des te meer kracht legde zij in haar maatschappelijke macht, waardoor zij ten laatste vernietigd werd en het werd aan anderen overgelaten om den langen weg opwaarts op nieuw te doorloopen.

		De moraal uit alle verhalen aan de menschheid ontleend
		Zegt dat het Verleden zich steeds op dezelfde wijze herhaalt, —
		Eerst Vrijheid en dan Zege; wanneer dat ontbreekt,
		Dan volgt op Rijkdom, ondeugd en verderf, – Barbaarschheid op het eind.
		En Geschiedenis met hare groote boekdeelen.
		Beslaat dan slechts één pagina.[1 - Childe Harold’s Pilgrimage, Canto IV. CVIII.]

Het pad der geschiedenis ligt bezaaid met fossielen en zwakke overblijfselen van uitgestorven rassen, – rassen die stierven aan wat de sociologen liever inwendige ziekten dan natuurlijke oorzaken willen noemen. Ook dit is voor den opmerker door alle eeuwen heen duidelijk geweest. Het was gemakkelijk te zien dat er iets in ons eigen gedrag was, waardoor ons meer schade berokkend werd dan eenige invloed van buiten kon teweegbrengen; wij zagen echter de natuurlijke oorzaak van ons onnatuurlijk gedrag niet en wisten zoodoende niet hoe allergemakkelijkst het te veranderen zou zijn.

Wanneer wij de voornaamste moeilijkheden van het menschelijk leven ten ruwste klassificeeren, dan vinden wij dat een groot gedeelte er van moet toegeschreven worden aan de geslachts-verhouding en een ander deel aan de economische verhouding tusschen de leden der maatschappij. Plastisch voorgesteld kan men zeggen dat de levensbezwaren bijna altijd teruggebracht kunnen worden tot het hart of de portemonnaie. De andere kwaal van ons leven – ziekte – is dikwijls een gevolg van dezelfde oorzaken, iets verkeerds in onze economische verhouding of in onze geslachts-verhouding. Ziek-gevoed of ziek-gebroed of beide, is hoofdzakelijk de oorzaak van ons ziekelijk bestaan. Wat zijn de voornaamste kenmerken van deze verkeerde voortplanting, deze averechtsche geslachts-verhouding in de menschheid? Wij zien in de maatschappelijke ontwikkeling in dit deel van het leven twee hoofdzakelijk werkende krachten. De een is een langzamerhand geordende ontwikkeling van monogame huwelijken, als de vorm van geslachts-vereeniging die het best berekend is om de belangen van het individu en van de maatschappij te bevorderen. Men moet duidelijk begrijpen dat dit een natuurlijke ontwikkeling is, die onvermijdelijk was in den loop van den maatschappelijken vooruitgang, geen kunstmatige toestand ons door wetten van eigen maaksel opgedrongen. Monogamie wordt gevonden onder vogels en zoogdieren; het is een even natuurlijke toestand als polygamie of gemengde geslachtsvereeniging of welke andere vorm van geslachts-vereeniging ook. Haar duurzaamheid en volledigheid werden ingevoerd en uitgebreid door de behoeften der jongen en de voordeelen voor het ras, om dezelfde reden dus als elke andere vorm van voortplanting werd ingevoerd. Onze zedelijkheidsbegrippen rusten voornamelijk op feiten. De zedelijke hoedanigheid van een monogaam huwelijk hangt af van het werkelijk voordeel dat het individu en de maatschappij er bij hebben. Wanneer het voor ons ras niet de beste huwelijksvorm was, zou hij geen recht van bestaan hebben. Door alle tijden heen, van de verwarde horden der wilde volksstammen, met hunne verscheidenheid in paring, tot aan de levenslange toewijding van romantische liefde, is ten slotte in het sociale leven een type van geslachts-vereeniging ontstaan, het meest geschikt voor de ontwikkeling en verbetering van het individu en het ras. Deze overgang kwam op regelmatige en zeer aangename wijze tot stand, alleen in zoover pijn en moeilijkheid veroorzakende als deze bij aanneming van nieuwe en uitroeiïng van oude processen altijd gevoeld worden, doch in dit geval leverde het meer genoegen dan pijn op.

Met het natuurlijk proces van maatschappelijken vooruitgang ging echter een onnatuurlijk proces gepaard, een ongeregelde, ziekelijke handeling, die de geslachts-verhouding der menschheid tot een vreeselijke bron van ellende maakte. Deze ziekelijke handelingen met haar slechte gevolgen drongen zoo op den voorgrond, dat oppervlakkige denkers ten allen tijde gemeend hebben dat de geheele zaak slecht en onthouding de hoogste deugd was. Zonder de macht van volkomen ontleding, zonder kennis der sociologische tijdperken die het wezenlijke deel van zulk een ontleding uitmaken, hebben wij het in zijn geheel zeer sterk veroordeeld, omdat wij gemakkelijk inzagen dat het verbonden was met zooveel pijn en verdriet. Maar evenals alle natuurlijke verschijnselen moet ook de geslachts-verhouding bestudeerd worden, zoowel de normale als de abnormale, de physiologische als de pathologische; dan zijn wij volkomen in staat den slechten toestand waarin wij verkeeren te begrijpen en uit te maken hoe wij betere toestanden kunnen verkrijgen.

Tot zoover heeft de studie van dit onderwerp berust op de veronderstelling dat de mensch juist zoo moet zijn als wij hem vinden, dat de mensch handelt zooals hij verkiest en, indien hij niet wenscht te handelen zooals hij doet, hij het dan kan nalaten. Toen wij dan ook ontdekten dat de menschelijke gedragslijn ten opzichte van de geslachts-verhouding niet de juiste was en kwaad veroorzaakte, werd de mensch vermaand die gedragslijn niet langer te volgen en deze vermaning werd door verschillende geslachten heen herhaald. Door wet en godsdienst, door opvoeding en gewoonte hebben wij getracht het menschelijk individu te dwingen zich te gedragen als volgens ons maatschappelijk gevoel noodzakelijk was.

Maar de ziekelijke daad bleef steeds bestaan. Wat ook de uiterlijke vorm van de geslachts-vereeniging was waaraan wij maatschappelijke sanctie gaven, of de Bijbel, de Koran en de Vedas ons wilden onderwijzen, een geheime oorzaak heeft voortdurend gewerkt om den waren loop van maatschappelijke ontwikkeling, tegen te gaan, om de natuurlijke neiging naar een hoogere en betere geslachts-verhouding in verkeerde richting te leiden en lager vormen en slechter toestanden van zeer schadelijken aard te handhaven.

Ieder ander dier bezigt die wijze van geslachts-vereeniging die het meest geschikt is voor de voortplanting van zijn soort en brengt die vredig in toepassing. Wij brengen in toepassing wat het best voor ons past, het best voor de betrokken personen, voor het kind dat geboren wordt en voor de maatschappij in haar geheel; maar wij doen dat niet langs vreedzamen weg. Dit is zoo’n tastbaar feit dat wij gewoonlijk aannemen en voor uitgemaakt houden, dat de geslachtsverhouding een aanhoudende bron van verdriet moet zijn. “Het huwelijk is een loterij”, is een gewoon gezegde. “Trouwe liefde loopt nimmer over effen paden.” En zalvend geven wij den raad van ”Punch” aan hen die trouwen willen: “Doe het niet.” Die bijzondere bijverhouding, welke ons gedurende den tijd dat de monogame huwelijken in wording waren naar beneden trok en de aangenomen vorm voor onze geslachts-vereeniging werd, – de prostitutie – hebben wij aanvaard en een “sociale noodzakelijkheid” genoemd. Wij noemen haar tevens een “sociaal kwaad.” Wij hebben stilzwijgend toegestemd dat de sexueele verhouding bij de menschen meer of minder onaangenaam en slecht moest zijn, dat het in onzen aard ligt om het zoo te hebben.

Laat ons nu de zaak eens eerlijk en bedaard onderzoeken en zien of zij zoo onnaspeurlijk en onveranderlijk is als tot op heden geloofd werd. Hoe zijn de toestanden? Wat zijn de natuurlijke en wat de onnatuurlijke kenmerken der kwestie? Om dit uit te maken, dient een kleine studie van het voortplantingsproces vooraf te gaan.

Door de langzame, doch zekere proeven der natuur was het reeds zeer vroeg in de ontwikkeling der diersoorten bewezen dat het in haar belang was, dat de twee geslachten in twee afzonderlijke organismen zetelden en van elkaar verschilden. Te dien einde groeiden door het gebruik uit de min of meer protoplasma massa’s de drijvende cellen, de vroege amorphe levensvormen, het onderscheid in de geslachten, – de trapsgewijze ontwikkeling van mannelijke en vrouwelijke organen en functiën in twee verschillende lichamen. Door het gebruik ontwikkeld en toegenomen, nam ook bij de evolutie der diersoorten het onderscheid in geslacht toe. Hoe meer het verschil in geslacht toenam, hoe meer ook de onderlinge aantrekking toenam, tot wij in al de hooger ontwikkelde rassen twee duidelijk verschillende seksen hebben, die zich sterk tot elkaar voelen aangetrokken en in de voortplanting van de soort hun plicht vervullen. Dit zijn de natuurlijke kenmerken van geslachts-onderscheid en geslachts-vereeniging, die zoowel in het ras der menschen als in dat van andere diersoorten gevonden worden. Het onnatuurlijke kenmerk waardoor ons ras zich niet benijdenswaardig onderscheidt, bestaat in een ziekelijke buitensporigheid in de uitoefening van deze functie.

Deze buitensporigheid is het, hetzij in het huwelijk of daarbuiten, die de gezondheid en het geluk der menschen in dezen zoo hoogst onzeker maakt. Het is deze buitensporigheid, die altijd gemakkelijk waar te nemen was, die wet en godsdienst gepoogd hebben te beteugelen. Buitensporige geslachts-bevrediging is kenmerkend voor de menschheid.

Het is niet moeilijk te bepalen wat “buitensporigheid” in dezen wil zeggen. Alle natuurlijke functiën die voor hare vervulling onze bewuste medewerking vereischen, dringen zich door een gebiedende begeerte aan onze aandacht op. Wij behoeven niet te wenschen te ademen of het bloed te laten circuleeren, want dat geschiedt zonder onzen wil; maar wij moeten wenschen te eten of te drinken, omdat de maag anders het noodige niet verschaffen kan zonder op de eene of andere wijze het geheele organisme in de war te brengen. Daarom beschouwen wij het gevoel van honger als een voornamen factor in het voedingsproces. Op dezelfde wijze is geslachts-aantrekking een voorname factor in de vervulling van het voortplantings-proces. In normalen toestand is de hoeveelheid honger die wij voelen in volkomen overeenstemming met de hoeveelheid voedsel die wij noodig hebben. De honger waarschuwt ons wanneer wij eten moeten en wanneer wij bevredigd zijn. In sommige ziekelijke toestanden treedt “een onnatuurlijke eetlust” op, dan worden wij als ’t ware gedreven om meer te eten dan de maag verteren of het lichaam opnemen kan. Dit is een buitensporige honger.

Wij toonen als ras een buitensporigen geslachtslust te bezitten, die gevolgd wordt door een buitensporige bevrediging en de onvermijdelijke slechte gevolgen daarvan. Hij drijft ons tot een graad van bevrediging welke niet in verhouding staat tot de oorspronkelijke behoeften van het menschelijk organisme en die even bespottelijk overdreven is als dat hij ongunstig terugwerkt op het toevallig bijkomend genot; een buitensporigheid die zoowel strekt om de begeerte uit te dooven en op verkeerde wegen te leiden als om de geheele voortplanting te benadeelen.

Het menschelijk dier openbaart een overdrevenheid in den geslachtslust, die niet alleen het ras benadeelt door hare ziekelijke werking op het natuurlijk verloop der voortplanting, maar die ook het geluk van het individu in den weg staat door hare ziekelijke terugwerking op eigen begeerten.

Wat is de oorzaak van dezen buitensporigen geslachtslust bij den mensch? De onmiddellijke oorzaak van geslachts-aantrekking is geslachts-verschil. Hoe meer de geslachten uiteenloopen, des te krachtiger voelen zij zich tot elkaar aangetrokken. Hoe hooger het geslachts-verschil zich in ieder organisme ontwikkelt, hoe sterker de aantrekking van het eene geslacht tot het andere wordt. In het menschenras vinden wij het geslachts-onderscheid tot een buitensporige hoogte ontwikkeld. Geslachts-onderscheid komt zoo sterk uit bij de menschen, dat het ras-onderscheid er door op den achtergrond treedt, de individueele onderscheiding er door belemmerd en het ras ernstig benadeeld wordt. Gewend als wij zijn om het leven maar steeds te nemen zooals wij het vinden, de menschen te beschouwen als vaste typen, in plaats van hen te zien als een heel ras dat aanhoudend verandert, naarmate verschillende machten daarop inwerken, schijnt het ons eerst vreemd om onderscheid te maken tusschen bekende uitingen van geslachts-onderscheid en te zeggen: “dit is normaal en mag niet tegengegaan worden; dit is abnormaal en moet verwijderd worden.” Maar dat is juist hetgeen gebeuren moet.

Het normale geslachts-kenmerk openbaart zich bij alle diersoorten in wat wij noemen, primaire en secondaire kenteekenen. Onder primaire geslachts-kenteekenen vatten wij al die organen en functiën samen, die voor de voortteling wezenlijk noodig zijn. De secondaire geslachts-kenteekenen daarentegen zijn de verschillen in vorm en functie van de organen die bij de voortteling slechts een ondergeschikten rol spelen en daarbij geen directe diensten bewijzen; bijv. de horens van het hert zijn secondaire geslachts-kenteekenen, omdat zij alleen van dienst zijn in den geslachts-strijd; evenzoo de veerentooi van den pauw-haan, die in den onderlingen geslachts-wedijver der pauw-hanen van nut is. Zoo zijn ook al de ondergeschikte kenteekenen, zooals baard, manen, kam, sporen, schitterende kleuren of meerdere grootte, waardoor het mannetje zich van het vrouwtje onderscheidt, secondaire geslachts-kenmerken. Zij zijn bij de verschillende diersoorten alleen voor de voortplanting van nut in de processen van ras-behoud. Voor het proces van zelf-behoud hebben zij geen waarde. Geen schepsel heeft persoonlijk voordeel van zijn manen, zijn kam of zijn staartveeren; zij zullen hem zijn diner niet verschaffen noch zijn vijanden dooden.

Integendeel, zij zijn in zijn persoonlijk nadeel, indien zij bijv. door te groote ontwikkeling zijn werkkracht verminderen of hem een in ’t oogloopende prooi voor zijne vijanden maken. Zulk een ontwikkeling zou een overdreven geslachts-kenmerk zijn, en dezen toestand treffen wij juist bij de menschen aan. Onze geslachts-kenmerken zijn tot zulk een hoogte ontwikkeld, dat zij op den vooruitgang der individuen zoowel als op dien van het ras een nadeeligen invloed uitoefenen. In onze diersoort verschillen de geslachten niet alleen genoeg om hun primaire functiën te kunnen uitoefenen, of genoeg om alle secondaire geslachts-kenteekenen voldoende te openbaren en aan hun doel te doen beantwoorden door genoegzame geslachtsaantrekking tot stand te brengen, maar ze zijn zoo sterk dat zij ernstig het proces tot zelf-behoud belemmeren, en erger nog, zelfs op het proces van ras-behoud, dat zij verondersteld worden te dienen, een ongunstigen invloed uitoefenen. Ons buitensporig geslachts-onderscheid, waardoor de eigenaardigheden van het geslacht tot een buitengewone hoogte zijn opgevoerd, heeft tot zulk een groote aantrekking der geslachten aanleiding gegeven, dat het een geslachtsbevrediging ten gevolge heeft, waardoor het moederschap en het vaderschap rechtstreeks worden benadeeld. Wij zijn geen beter ouders, noch beter menschen, omdat onze geslachten zoo sterk verschillen, maar blijkbaar slechter. Waar moeten wij de oorzaak voor deze verschijnselen zoeken?

Laat ons eerst onderzoeken, waardoor deze twee groote processen – zelf-behoud en ras-behoud – in de wereld in evenwicht worden gehouden. Zelf-behoud sluit in het verbruik van energie in die handelingen, en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van bouw en functie, die strekken tot behoud van het individueele leven. Ras-behoud sluit in het verbruik van energie in die handelingen en de daaruit voortvloeiende wijzigingen van bouw en functie, die strekken tot behoud van het ras-leven, zelfs indien het individueele leven daarbij geheel moet worden opgeofferd. Dit op den voorgrond tredend verschil moet duidelijk in het oog worden gehouden. De processen die tot zelf-behoud en tot ras-behoud leiden zijn in geen enkel opzicht gelijk, dikwijls staan zij lijnrecht tegenover elkander. De natuurkeus, in het proces van zelf-behoud op het individu inwerkende, brengt die bijzonderheden tot ontwikkeling, waardoor het individu “den strijd om het bestaan” beter kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het sterkst te doen toenemen waarbij het rechtstreeks voordeel heeft. De teeltkeus, in het proces van ras-behoud op het individu inwerkende, brengt die bijzonderheden tot ontwikkeling, waardoor het individu, wat Drummond genoemd heeft “de strijd om het bestaan van anderen” beter kan voeren, door die organen en functiën door gebruik het sterkst te doen toenemen, waarbij de jongen direct of indirect voordeel hebben. Het individu wijzigt zich niet alleen, onder de inwerking der natuurkeus naar zijn omgeving, maar onder de inwerking van de teeltkeus wijzigt het zich ook naar zijn makker. Wanneer men de keuze eenvoudig vrij laat, dan ontwikkelt elk geslacht die eigenschappen die door den ander begeerd worden, en doordat de individuen met de beste geslachts-eigenschappen dan het eerst gekozen worden, brengt geslachts-ontwikkeling ras-ontwikkeling voort.

De orde der zoogdieren is ontstaan doordat een primair geslachts-kenmerk zich door de natuurkeus ontwikkeld heeft; maar de prachtige staart van den pauwhaan is het gevolg van de ontwikkeling van een secondair geslachts-kenmerk door teeltkeus. Nam de pauwenstaart echter zoo sterk in grootte en pracht toe, dat hij een akker gronds bedekte en schitterde als de zon, – laat ons veronderstellen dat hij een neiging vertoonde om zoo toe te nemen, – dan zou zulk een overdreven geslachts-kenmerk het persoonlijk belang van den pauwhaan zoodanig in den weg staan, dat hij ten slotte zou uitsterven en zijn staart met hem. Ook omgekeerd, indien de pauw-hen, wier geslachts-kenmerk in tegenovergestelde richting aantrekt door niet groot te zijn noch te schitteren, maar klein en stemmig, – indien zij zoo klein en zoo stemmig werd dat zij zich zelf en haar jongen niet meer kon voeden en verdedigen, dan zou zij sterven, en er zou op andere wijze belemmering door een overdreven geslachts-onderscheid zijn. In kudden van rendieren en runderen is het mannetje grooter en sterker, het wijfje kleiner en zwakker; maar het wijfje blijft altijd groot en sterk genoeg om met het mannetje haar voedsel te zoeken of te kunnen vluchten voor vijanden, want anders zou zij eenvoudig sterven, het mannetje bleef dan alleen over en daarmede zou de diersoort geheel verdwijnen. Hoezeer zij ook in geslacht mogen verschillen, in soort moeten zij gelijk blijven, elkaar’s gelijke in ras-ontwikkeling, anders gaan zij te gronde. De kracht der natuurkeus, die slechts dezelfde ras-eigenschappen vraagt en voortbrengt, werkt belemmerend op de teeltkeus, die juist het ontstaan van verschil in ras-eigenschappen bevordert. Als seksen vervullen zij verschillende functiën en neigen daardoor tot verschil in ontwikkeling. Als diersoort vervullen zij dezelfde functiën en neigen daardoor tot gelijke ontwikkeling.

Aangezien geslachts-functiën slechts nu en dan en ras-functiën geregeld uitgeoefend worden, omdat paren slechts eens in het jaar of eens in de drie maanden en eten dagelijks en zelfs elk uur geschiedt, werken de processen om voedsel te verkrijgen of om geregeld vijanden af te weren aanhoudender dan de voortplantings-processen en veroorzaken daardoor een grooter uitwerking.

Dientengevolge vinden wij bij de orde der zoogdieren, die hunne jongen op gelijke wijze voortbrengen en zogen, toch een groote verscheidenheid van diersoorten, die op verschillende wijzen in hun levensonderhoud voorzien. Het kalf, het veulen, de welp, het katje worden op dezelfde wijze geboren; maar de koe en het paard, de beer en de kat worden op verschillende wijze groot gebracht. En mogen koe en bul, merrie en hengst ook in geslacht verschillen, in soort zijn zij toch gelijk, terwijl de gelijkheid in soort het verschil in geslacht overtreft. Koe, merrie en kat zijn allen wijfjes uit de orde der zoogdieren en in zoover gelijk, maar toch is hun verschil veel grooter dan hun overeenkomst.

Door natuurkeus ontwikkelt zich het ras. Door teeltkeus ontwikkelt zich het geslacht. Geslachts-ontwikkeling is in al zijn verschillende vormen hetzelfde, zij strekt alleen om voort te planten wat reeds bestaat. Maar ras-ontwikkeling stijgt steeds in hooger en hoogere uiting van energie. Ons verschil in geslacht deelen wij, nagenoeg van den oorsprong van leven af, met het dierenrijk en zelfs met de plantenwereld. Maar de rassen verschillen in opklimmenden graad en het menschenras heeft daarbij het hoogste standpunt ingenomen.

Wanneer het nu kan aangetoond worden dat het geslachts-verschil in het menschenras zoo buitensporig groot is, dat daardoor niet alleen zijn eigen optreden wordt bemoeilijkt, maar dat daardoor ook de vooruitgang van het ras wordt tegengehouden of in verkeerde banen geleid, dan wordt het een zaak die ernstige overweging verdient. Onder onze sexueel-economische verhouding is het echter onvermijdelijk. Doordat in het menschengeslacht de vrouw economisch afhankelijk is van den man, is het evenwicht der krachten verbroken. Natuurkeus beteugelt hier niet langer de teeltkeus, maar werkt met haar samen. Waar beide seksen hun voedsel verkrijgen door gelijke inspanning, uit dezelfde bronnen, onder dezelfde voorwaarden, daar werken op beide dezelfde invloeden en worden beide door hun omgeving gelijk ontwikkeld. Doch waar beide seksen hun voedsel verkrijgen op verschillende wijze en dat verschil beteekent dat een van beide gevoed wordt door den ander, daar wordt het voedende geslacht de omgeving van het gevoede. De man wordt, door de vrouw te onderhouden, haar economische omgeving. Door de natuurkeus wordt ieder schepsel naar zijn omgeving gewijzigd, doordat het noodzakelijkerwijze die hoedanigheden moet ontwikkelen die het noodig heeft om in zijn levensonderhoud in die omgeving te kunnen voorzien. De man als voeder der vrouw wordt de sterkst wijzigende macht van haar economischen toestand. Door de teeltkeus wijzigt het menschelijk wezen zich natuurlijk evenals alle schepselen naar zijn makker. Wordt de makker tegelijkertijd de meester, zoodat economische noodzakelijkheid gevoegd wordt bij geslachts-aantrekking, dan werken de twee groote evolutionaire krachten samen voor denzelfden uitslag, om namelijk in de vrouw het geslachts-onderscheid tot ontwikkeling te brengen. Want in haar positie van economische afhankelijkheid in de geslachts-verhouding is het geslachts-onderscheid voor haar niet alleen het middel om te kunnen paren, zooals bij alle andere schepselen, maar het is voor haar tevens het middel om in haar levensonderhoud te voorzien, hetgeen bij geen ander wezen op aarde gevonden wordt. Door haar economische afhankelijkheid van den man wordt de vrouw in een buitensporig geslachts-wezen veranderd. Deze overdreven verandering brengt zij op haar kinderen over en zoo wordt in het menschelijk lichaam aanhoudend de ziekelijke neiging tot excessen in deze verhouding voortgeplant, welke, ondanks al onze pogingen om die tegen te gaan, steeds zoo sterk op ons allen heeft ingewerkt. Het is geen normale geslachts-neiging, die alle schepselen eigen is, maar eene abnormale geslachts-lust, opgewekt en onderhouden door de abnormale economische verhouding, waarbij het eene geslacht gevoed wordt door het andere en dat nog wel ter vergoeding voor de uitoefening harer geslachts-functiën. Dat is het rechtstreeksche gevolg van de bijzondere sexueel-economische verhouding die onder ons bestaat.




III


Na te hebben vastgesteld dat het buitensporig geslachts-onderscheid (de over-sexualiteit) in het menschenras bestaat, dienen wij den gewonen lezer nog duidelijk te maken, wat met dezen term bedoeld wordt. Volgens de volksmeening, zoowel in ruw-gemeenzame als in overbeschaafde kringen, beteekent “sexueel” (geslachtelijk) meestal “sensueel” (zinnelijk), en meent men iemand, die den last der over-sexualiteit te dragen heeft, daarvan een verwijt te moeten maken. Deze meening kunnen wij onmiddellijk ter zijde stellen, want zij toont duidelijk aan dat men de beteekenis van den gebruikten term niet kent. Een man toch voelt zich niet beleedigd als men hem “mannelijk” noemt, of een vrouw als men haar “vrouwelijk” noemt. En toch is alles wat mannelijk of vrouwelijk aan hen is sexueel. Zich door vrouwelijkheid te onderscheiden, beteekent niets anders dan zich sexueel te onderscheiden. Over-vrouwelijk te zijn is over-sekst te zijn. Door op de een of andere wijze de onderscheidingsteekens van het geslacht, de primaire zoowel als de secondaire, in overmaat te vertoonen, bewijst men over-sekst te zijn. Om bij ons voorbeeld van den pauwhaan te blijven, eene te groote en te schitterende staart zou bewijzen dat hij over-sekst was, doch dit zou voor zijn zedelijk karakter geen beleediging zijn!

De primaire geslachts-kenmerken zijn in ons ras zoowel als in andere rassen alleen in de organen en functien aanwezig die een werkelijke rol bij de voortplanting vervullen. De secondaire kenmerken, – en hier moeten wij onze grootste overmaat zoeken, – zijn te vinden in al die kenmerken in orgaan en functie, in gelaatsuitdrukking en beweging, in gewoonte, manieren, wijze van doen, bezigheid, gedrag, waardoor mannen en vrouwen uiterlijk van elkaar onderscheiden worden. Ziet men een troep paarden op een kleinen afstand dan kan men de geslachten niet van elkander onderscheiden. In een kudde rendieren zijn de mannetjes door hun gewei onmiddellijk te herkennen. De leeuw onderscheidt zich door zijn manen, de kater alleen door wat zwaarder bouw. In sommige soorten van insekten verschillen het mannetje en het vrouwtje uiterlijk zooveel van elkaar, dat zelfs natuuronderzoekers gemeend hebben dat zij tot afzonderlijke soorten behooren. Boven deze verschillen staat het verschil in gedrag. Elke sekse bezit zekere psychische eigenschappen. De krachtige moederlijke hartstocht is even goed een geslachts-kenmerk als de manen van den leeuw of de horens van het hert. Het oorlogzuchtige en heerschende in het karakter van den man zijn geslachtskenmerken; de bescheidenheid en bedeesdheid der vrouw zijn geslachts-kenmerken. De zucht om te broeden is een geslachts-kenmerk van de hen; de zucht om trots en deftig te stappen is een geslachts-kenmerk van den haan. De neiging tot vechten is een geslachts-kenmerk der mannen in het algemeen; de neiging om te beschermen en te verzorgen is een geslachts-kenmerk der vrouwen in het algemeen.

De beginnende neiging tot geslachts-onderscheid is bij de menschen, wier voornaamste werkzaamheden van socialen aard zijn, in allerlei functiën merkbaar. Wij hebben onze industrieele werkzaamheden, onze verantwoordelijkheid, onze ware deugden, door geslachtslijnen in tweeën gedeeld. Het is daarom duidelijk dat het buitensporig geslachts-kenmerk in de menschheid, en in de vrouw in het bijzonder, geen bepaald “zedelijk” verwijt in zich sluit, ofschoon het in ruimer beteekenis aantoont dat het op den vooruitgang der menschheid een beslist slechten invloed uitoefent.

In de primaire kenmerken is onze buitensporigheid niet zoo merkbaar als in de verdere en fijnere ontwikkeling; doch zelfs daar zijn de bewijzen duidelijk aanwezig. Geslachts-drift uit zich bij den man ten eerste veel sterker dan noodig is voor de voortplantings-processen, zoo sterk inderdaad, dat het geheele proces er door tegengegaan of benadeeld wordt. Het directe nadeel aan de voortplanting door den overdreven geslachts-lust van den man, het indirecte nadeel door zijn verzwakkenden invloed op de vrouw, met het verschrikkelijk kwaad door buiten-echtelijke geslachts-gemeenschap aan de maatschappij berokkend – deze zijn de bijna algemeen bekende gevolgen. Eeuwenlang kenden wij ze reeds en wij hebben het kwaad trachten te beteugelen door burgerlijke, maatschappelijke en zedelijke wetten. Maar wij hebben het altijd als een daad van vrijen wil beschouwd en niet als een toestand van ziekelijke ontwikkeling. Wij hebben altijd gemeend dat het juist was dat mannen zoo waren, maar dat het verkeerd was dat zij zoo handelden. Op die wijze werkt de natuur niet. Wie zoo moet zijn, moet ook zoo handelen. Wie anders moet handelen, moet ook anders zijn. De overdreven eisch naar geslachts-gemeenschap in den man is een buitensporig geslachts-kenmerk. Wij vinden in een zeker soort ruwheid en hardheid, in een te groote heerschzucht en trots, in een te sterk toegeven aan de macht tot geslachts-lust, de voornaamste kenteekenen van een buitensporig geslachts-kenmerk in mannen. Dit werd in hen steeds beteugeld en tegengewerkt door de gezonde werkzaamheden van het ras-leven. Hunne krachten werden gebruikt en hun talenten ontwikkeld langs de geheele linie van den menschelijken vooruitgang. Met den vooruitgang van industrie, koophandel, wetenschap, fabrieken, regeering, kunst, godsdienst, werd de man van ons ras mensch, veel meer dan man. Hoe sterk deze hartstocht in hem is en hoe buitensporig hij er ook aan toegeeft, toch is hij een veel normaler dier dan het vrouwtje van zijn ras, veel minder over-sekst. Voor hem is dit veld van bijzondere werkzaamheid slechts een deel van zijn leven, – een voorbijgaand iets. De geheele wereld staat daar buiten. Voor haar daarentegen is het de geheele wereld. In het bekende gezegde van madame de Staël: – “Liefde is voor den man een episode, voor de vrouw een geschiedenis,” – is dit zeer goed weergegeven. In de vrouw vinden wij het buitensporig geslachts-onderscheid van het menschenras, lichamelijk, geestelijk, maatschappelijk, het volledigst uitgedrukt.

Eerst het lichamelijk onderscheid. Door een voorbeeld zal ik trachten het verschil tusschen een normaal en een abnormaal geslachts-kenmerk duidelijk te maken. Beschouw voor dat doel een wilde koe en een “melkkoe” zooals wij die gemaakt hebben. De wilde koe is een vrouwtje. Zij heeft gezonde kalveren en melk genoeg om hen te voeden; dat is al de vrouwelijkheid die zij noodig heeft. Overigens is zij meer rund dan vrouwelijk. Zij is een licht, sterk, vlug, gespierd schepsel, in staat als het noodig is te rennen, te springen, te vechten. Voor ons economisch voordeel hebben wij de eigenschap van de koe om melk te kunnen voortbrengen, kunstmatig ontwikkeld. Zij is een wandelende melk-machine geworden, aangefokt en opgeleid voor dat uitsluitend doel, zoodat haar waarde in liters berekend kan worden. Melk-afscheiden is een moederlijke functie, een geslachts-functie. De koe is over-sekst. Breng haar in haar natuurlijken toestand terug en indien zij de verandering overleeft, dan zal zij na eenige generaties weder in een eenvoudige koe veranderd zijn, die al haar energie gebruikt in de algemeene werkzaamheden van haar ras, in plaats van op te gaan in het produceeren van melk.

Lichamelijk behoort de vrouw tot een groot, krachtig schoon diersoort, dat in staat is tot groote inspanning van allerlei aard. In elk ras en op elk tijdstip waar zij gelegenheid had aan de werkzaamheden van het ras deel te nemen, ontwikkelde zij zich in overeenstemming daarmede en zij werd niet minder vrouw door een gezond menschelijk wezen te zijn. In elk ras en op elk tijdstip waar men haar deze gelegenheid ontnam, – en haar jaren van vrijheid waren inderdaad zeer weinige, – heeft zij zich in die richting ontwikkeld waarvoor men haar bestemde, en die richting was altijd geslachts-werkzaamheid. Daardoor treedt het geslachts-onderscheid bij de vrouw zeer sterk op den voorgrond.

De vrouwelijkheid der vrouw, – en “das ewig weibliche” beteekent eenvoudig het eeuwig sexueele, – treedt in evenredigheid tot haar menschelijkheid meer op den voorgrond, dan de vrouwelijkheid van andere dieren in evenredigheid tot hun hond- of kat- of paard-zijn. Een “vrouwenhand” of een “vrouwenvoet” is altijd te herkennen. Wij hooren echter nooit spreken van een “vrouwenpoot” of een “vrouwenhoef.” Een hand is een grijporgaan en een voet een bewegingsorgaan. Zij zijn geen secondaire geslachts-organen. De betrekkelijke kleinheid en zwakheid van de vrouw is een geslachts-kenmerk. Wij hebben het tot zulk een uiterste gebracht dat de vrouwen gewoonlijk aangeduid worden als “het zwakke geslacht.” In geen ander hoog ontwikkelde diersoort bestaat zulk een beschamend verschil tusschen het mannetje en het vrouwtje. Op de lange zwerftochten der trekvogels, in de onophoudelijke beweging der grazende kudden die het geheele jaar door over de velden trekken, of in de wilde, diepe reizen van de zalmen is nooit sprake van een zwak geslacht. En bij de hoogere carnivoren, die door hun langdurige zorg voor de jongen dichter bij ons staan, vreest de jager den aanval van het vrouwtje meer dan van het mannetje. De ongeëvenredigde zwakheid is een buitensporig geslachts-kenmerk. Haar schadelijke gevolgen kunnen duidelijk aangetoond worden bij de Oostelijke natiën, waar de vrouwen in gesloten harems geheel alleen voor geslachts-functiën bestemd zijn en de uitoefening van elke ras-functie haar verboden is. Bij zulke volkeren wordt de zwakheid, de fijne beenderenbouw en de sterke vetontwikkeling van de over-sekste vrouw op den man overgebracht en bewerkt zoodoende achteruitgang van het geheele ras. Omgekeerd, bij de vroegere Germaansche stammen brachten de betrekkelijk vrije en menschelijk ontwikkelde vrouwen, – die groot, sterk en moedig waren, – op hunne zonen een grootere hoeveelheid menschelijke krachten en veel minder ziekelijken geslachts-lust over.

De graad van zwakheid en plompheid aan vrouwen eigen, de betrekkelijke moeilijkheid om te staan, te loopen, te rennen, te springen, te klimmen, en om andere ras-functiën, die voor beide seksen gelijk zijn, te verrichten, is een buitensporig geslachts-onderscheid, en de daaropvolgende overplanting van deze betrekkelijke zwakheid op hare kinderen, zoowel op de jongens als op de meisjes, houdt de ontwikkeling van het menschdom tegen. Sterke, vrije, werkzame vrouwen, de stoere op-het-land-werkende boerin, de last-dragende wilde, zijn niet minder goede moeders omdat zij zoo krachtig zijn. Maar onze beschaafde “vrouwelijke teerheid”, die zich iets minder teer voordoet zoodra zij erkend wordt als een uitdrukking van buitensporige seksualiteit, maakt geen betere moeders van ons, maar slechtere. De betrekkelijke zwakheid der vrouwen is een geslachts-kenmerk. Zij heeft dien graad bij hen bereikt dat het moederschap, de huwelijksstaat en het individu er door benadeeld worden. Het nut dat vrouwen als sekse en als menschen doen, haar algemeene menschenplicht, wordt door dezen graad van distinktie zeer sterk aangetast. In elk opzicht oefent de over-sekste toestand der vrouw een ongunstigen invloed uit op haar zelf, haar man, haar kinderen en het ras.

Het geestelijk verschil der beide seksen is even duidelijk. De aanvankelijke behoefte aan geslachts-bevrediging heeft zich onder den invloed van sociale krachten langzamerhand ontwikkeld tot een bewusten hartstocht van enorme macht, een innige, levenslange toewijding, die in zijn kracht overweldigend is. In beide seksen is dit overdreven, maar toch meer in vrouwen dan in mannen; niet zoo erg in zijn eenvoudigen physischen vorm, maar in de onredelijke kracht der emotie, die voor geen rede vatbaar is en degenen, die in haar macht zijn, voortdrijft om alles aan dit ééne doel op te offeren. Oppervlakkig beschouwd, lijkt het niet gemakkelijk en het is misschien een oneerbiedige en ondankbare taak om hier uit te maken wat in “meester-hartstocht” goed en wat slecht is, vooral nu het eene geslacht meer van dit gevoel eischt dan het andere; maar het kan toch geschieden.

Het is voor het individu en voor het ras goed de hartstochtelijke en bestendige liefde tot zulk een graad ontwikkeld te hebben als noodig is om het geluk der individuen en de voortplanting van het ras te bevorderen. Het is voor het individu en voor het ras niet goed, dat dit gevoel zoo krachtig is geworden dat het alle andere menschelijke eigenschappen overschaduwt, dat het den spot drijft met de opgedane wijsheid van vele eeuwen en de voorhanden wilskracht, om het individu – tegen zijn eigen volle overtuiging – tot een vereeniging te drijven, welke zeker op kwaad uitloopt of hem hulpeloos in een ongewenschte verhouding houdt.

Zoo is de toestand der menschheid, de slechtste gevolgen voor zijne nakomelingen en voor zijn eigen geluk medebrengende. En hoewel bij de mannen de onmiddellijk op den voorgrond tredende kracht van den hartstocht misschien meer de aandacht trekt, toch heerscht hij algemeener onder de vrouwen. Want de man heeft tegelijkertijd andere krachten en eigenschappen in volle werking, waardoor hij de macht der hartstochten kan ontvluchten; maar de vrouw, die opzettelijk tot geslachts-wezen gevormd en aan wie elke ras-werkzaamheid ontzegd wordt, stort haar geheele leven in haar liefde uit en wordt zij hier gekwetst, dan is zij onherstelbaar gewond. Bij den man is de liefde doorgaans licht en vergankelijk, en wanneer zij het krachtigst is duurt zij meestal het kortst.

Bij de vrouw is het een innige, alles-opslorpende kracht, onder wier macht zij alles wat het leven aanbiedt opoffert, elk gevaar trotseert, elke ontbering geringschat, elke pijn verdraagt. Zelfs na levenslang verwaarloosd en misbruikt te zijn, blijft de liefde in haar voortleven. Dagelijks komt het op de politie-bureaux voor, dat de wreed mishandelde vrouw weigert tegen haar man te getuigen. Deze toewijding, tot zulk een hoogte opgevoerd dat het tot paring van niet bij elkaar passende individuen leidt, met de daaruit voortvloeiende persoonlijke en maatschappelijke nadeelen, is een buitensporig geslachts-onderscheid.

Maar in onze gewone maatschappelijke verhoudingen komt het overheerschen van het geslachts-onderscheid der vrouwen het duidelijkst uit. Het feit dat de vrouwen, in het algemeen gesproken, uitdrukkelijk “de sekse” genoemd worden, toont onbetwistbaar aan, dat dit de voornaamste indruk is, dien zij op waarnemers en geschiedschrijvers gemaakt hebben. Men behoeft geen verder bewijs te leveren, maar slechts den lezer te herinneren aan de onafgebroken reeks feiten en gevoelens aan ieder volkomen bekend, doch tot nu toe beschouwd als volmaakt natuurlijk en rechtvaardig. Zoo geheel heeft men den staat van de vrouw als een sexueelen beschouwd, dat het aan de vrouwenbeweging der 19e eeuw werd overgelaten om te strijden voor den eisch, dat vrouwen ook als personen beschouwd zullen worden. Dat vrouwen behalve wijfjes ook burgers zijn – welk een ongehoorde eisch!

In een “Handboek met Spreekwoorden van alle Volken”, vele duizenden bevattende, zijn deze feiten opgemerkt: 1e dat de spreekwoorden over vrouwen veel minder talrijk zijn dan die over mannen; 2e dat de spreekwoorden op vrouwen van toepassing bijna altijd haar in het algemeen treffen. Die op mannen toegepast worden, bepalen zijn hoedanigheid, begrenzen, beschrijven of specializeeren hem. Het is een “luie man”, “een driftige man”, “een dronken man”. Hoedanigheden en handelingen worden den man individueel toegerekend en niet het geheele geslacht, tenzij hij gunstig tegenover de vrouw wordt gesteld, zooals in “Een man van stroo is een vrouw van goud waard”, “Mannen zijn daden, vrouwen zijn woorden”, of “Man, vrouw en duivel, zijn de drie trappen van vergelijking.” Maar wanneer er sprake is van een vrouw, is het altijd en alleen “de vrouw”, eenvoudig het wijfje bedoelende, zonder eenig persoonlijk onderscheid te maken: “Het is even hard een vrouw te zien weenen als een gans blootvoets te zien gaan”. “Het is even gemakkelijk een aal bij zijn staart als een vrouw aan haar woord te houden”. “Een vrouw, een hond en een ezelijn, hoe meer men ze slaat, hoe beter zij zijn”. Nu en dan wordt er verschil gemaakt tusschen een “blondine” en een “brunette” en Salomo’s “deugdzame vrouwen”, die zulk een hoogen prijs bedongen, zooals ons allen bekend is. Maar gewoonlijk is het “een vrouw”, eeuwig en altijd. Het bluffen van den losbol dat hij “de vrouwen” kent, werd niet lang geleden door een der jonge dichters aldus bezongen: “De zaken die men leert bij negervrouwen en kleurlingen, bevorderen het succes bij blanken”; iemand die afgewezen is klaagt verdrietig “dat alle vrouwen precies gelijk zijn”; dat de publieke opinie ten allen tijde hierin overeenstemde bewijst, dat de eigenaardigheden van het geslacht de eigenaardige verschillen van het individu hebben overtroffen, – geen geringe buitensporigheid in het geslachts-onderscheid.

Van het oogenblik dat onze kinderen geboren worden, wenden wij alle bekende middelen aan om in jongen en meisje beiden het geslachts-onderscheid te doen uitkomen; de reden dat de jongen er niet zoo hopeloos door bedorven wordt als het meisje, ligt daarin, dat de jongen nog het heele veld van menschelijke uiting voor zich open vindt. In ons bestendig drijven om het geslachts-onderscheid te doen uitkomen, hebben wij ons aangewend de meest menschelijke eigenschappen als mannelijke eigenschappen te beschouwen en wel om de eenvoudige reden, dat zij voor mannen geoorloofd en voor vrouwen verboden waren.

Het verschil tusschen ras-eigenschappen en geslachts-eigenschappen moet helder en scherp uiteengezet worden. Het leven bestaat uit daden. Het gedrag van een levend wezen is onder twee hoofdlijnen te brengen, – zelf-behoud en ras-behoud. Tot de daden van zelf-behoud behooren al de levensprocessen die dienen om het individu in leven te houden, van de onwillekeurige werking der inwendige organen tot de willekeurige daden der uitwendige organen, van het ademhalen tot het op de jacht gaan voor voedsel, alles dus wat het in stand houden van het individueele leven bevordert. Tot de daden van ras-behoud behooren al die processen die dienen om het ras in leven te houden, van de onwillekeurige werking der inwendige organen, tot de willekeurige daden der uitwendige organen; van de ontwikkeling der kiem-cellen tot het verzorgen der kinderen, alles dus wat het in stand houden van het ras-leven bevordert. Voor ras-behoud hebben mannen en vrouwen verschillende organen, verrichten zij verschillende functiën, en doen verschillende handelingen. Voor zelf-behoud hebben mannen en vrouwen dezelfde organen, verrichten zij dezelfde functiën, en doen dezelfde handelingen. De processen van ras-behoud hebben bij de menschen een zekeren graad van volmaaktheid bereikt, maar de processen van zelf-behoud zijn reeds veel en veel verder gegaan.

Allerlei werkzaamheden van economische voortbrenging en verdeeling, alle kunsten en industrieën, beroepen en bedrijven, onze vooruitgang in wetenschap, ontdekkingen, regeering, godsdienst, – die alle onder de daden van zelf-behoud gerangschikt moeten worden, deze worden, of moesten worden uitgevoerd door beide geslachten. Te onderwijzen, te regeeren, te maken, te decoreeren, te verdeelen, – dit zijn geen geslachts-functiën, het zijn ras-functiën. Doch zoo buitensporig is het geslachts-onderscheid in het menschenras dat het geheele veld van menschelijken vooruitgang als een mannelijk prerogatief werd beschouwd. Is er sterker bewijs voor een buitensporig geslachts-onderscheid in het menschenras denkbaar? Dat dit onderscheid al de natuurlijke grenzen overschreed en over iedere levensdaad werd uitgebazuind, zoodat elke stap van het menschelijk wezen gestempeld wordt als “mannelijk” en “vrouwelijk”, zekerlijk, dat is genoeg om onzen over-seksten toestand aan te toonen.

Doch beetje bij beetje, zeer langzaam, onder den onrechtvaardigsten en wreedsten tegenstand en dikwijls ten koste van alles wat het leven dierbaar maakt, is trapsgewijze vastgesteld dat menschenwerk zoowel door vrouwen als door mannen kan geschieden. Harriet Martineau moest haar schrijfwerk onder haar naaiwerk verstoppen, wanneer er onverwacht bezoek kwam, want “naaiwerk” was vrouwelijk en “schrijfwerk” mannelijk werk. Mary Somerville moest zelfs haar werk voor vele familieleden verbergen, want “wiskunde” was een wetenschap voor mannen. Men heeft het zoover gebracht dat de geheele menschenwereld beheerscht wordt door het geslacht, – al de groote levens-uitingen zijn “mannelijk” genoemd en voor de vrouw heeft men het overgelaten een “wijfje” te zijn, niets anders.

Maar terwijl de zaken die de mannen dwaas genoeg als “mannelijk” beschouwden meestentijds “menschelijk” waren, wat zeer goed voor hen was, waren de weinige zaken die voor de vrouwen overbleven inderdaad “vrouwelijk”; en altijd hetzelfde deuntje te zingen, hoe mooi dan ook, is verschrikkelijk eentonig. In een kleeding, waarvan het hoofddoel is onmiskenbaar het geslacht aan te duiden; met een zucht tot opschik die overvloedig blijk geeft van geslachts-neiging; met een lichaam zoodanig vervormd tot een vrouwelijk lichaam dat het op betreurenswaardige wijze haar natuurlijke verrichtingen belemmert; met manieren en gedrag geheel in overeenstemming met haar geslachts-belang en dikwijls zeer nadeelig voor eenig menschelijk belang; met een arbeidsveld zoo streng mogelijk beperkt tot de geslachts-verhoudingen; met haar over-gevoeligheid, haar overdreven zedigheid, haar “eeuwige vrouwelijkheid”, – is het wijfje van het geslacht mensch onloochenbaar over-sekst.

Dit buitensporig geslachts-onderscheid vertoont zich evenzeer in een opvallend vroegrijpe ontwikkeling. Onze kleine kinderen, de zuigelingen, vertoonen reeds kenteekenen van geslacht in uiterlijk en kleeding, wanneer de jongen van andere schepselen nog zuiver geslachtloos zijn. Wij merken deze vroegrijpheid verheugd op. Wij zijn er trotsch op. Door voorschrift en voorbeeld moedigen wij het zorgvuldig aan, wij doen moeite om het geslachts-instinkt bij het kind te ontwikkelen en denken aan geen kwaad. Een van de eerste dingen die wij het kind, bij het ontwaken van zijn bewustzijn, inprenten is het feit dat hij een jongen of dat zij een meisje is, en dat zij daarom elke zaak uit een verschillend oogpunt moeten beschouwen. Zij moeten verschillend gekleed worden, niet ter wille hunner persoonlijke behoeften, want die zijn in die levensperiode precies dezelfde, maar opdat zij niet zelf noch iemand anders een oogenblik zouden kunnen vergeten dat zij tot een verschillend geslacht behooren.

Onze eigenaardigheid om datgene wat gewoonlijk bij dieren gevonden wordt om te keeren, waar het mannetje opgesierd is en het vrouwtje er donker en eenvoudig uitziet, is waarlijk niet zoo zeer een bewijs van buitensporigheid als wel van onze bijzonder averechtsche positie in de kwestie van teeltkeus. Bij andere diersoorten wedijveren de mannetjes in opschik en de vrouwtjes kiezen. Bij ons wedijveren de vrouwtjes in opschik en de mannetjes kiezen. Indien deze theorie van sekse-tooi geen instemming vindt en wij geven er de voorkeur aan om den opschik der mannetjes meer als een vorm van overvloedige geslachts-lust te beschouwen, die zich zelf in onproductieve overdaad verbruikt, dan is inderdaad het feit, dat bij ons de wijfjes met zulk een schitterenden tooi voor den dag komen een ander teeken van een buitensporig geslachts-kenmerk. In elk geval, om kleine meisjes met geweld zulke mooie kleederen aan te doen, dat haar lichaamsbewegingen en natuurlijke vrijheid er door belemmerd worden en een vroegtijdig geslachts-bewustzijn aangekweekt wordt, is een zoo klaar en dreigend bewijs van onzen toestand, als maar met mogelijkheid kan aangevoerd worden. Dat het kleine meisje zoo gekleed wordt dat het daardoor verschil in zorg en gedrag vereischt, alleen omdat het kind een meisje is, iets wat op dien leeftijd anders in haar geest niet zou opkomen, is een brutaal aandringen op geslachts-onderscheid, dat in zijn gevolgen zeer slecht is. Jongens en meisjes worden dus verondersteld zich verschillend tegenover elkander en tegenover de menschen in het algemeen te gedragen, – een gedrag dat wij kortheidshalve in twee woorden kunnen omschrijven. Tot den jongen zeggen wij “Doe”; tot het meisje “Doe niet.” Kleine broer moet zusje “beschermen”, zelfs als zus grooter is dan broer. “Waarom?” vraagt hij den eersten keer. Wel, omdat hij een jongen is. Om het geslacht. Als zij waarlijk sterker is, moet zij hem beschermen, al was het alleen daarom dat in een normaal ras het beschermend instinkt zuiver vrouwelijk is. Het duurt niet lang of de jongen kent zijn les. Hij is een jongen en zal een man worden, dat sluit alles in. “Ik dank God dat ik niet als vrouw geboren ben,” luidt het joodsch gebed. Zij is een meisje, “máár een meisje”, “niets anders dan een meisje” en zal een vrouw worden, alleen een vrouw. Jongens worden van het begin af aangemoedigd te toonen dat zij de gevoelens, die men veronderstelt mannelijk te zijn, bezitten. Wanneer de kleine vent rondom zich slaat, schreeuwt en zijn speelgoed wegsmijt, dan zeggen wij trotsch: “het is een echte jongen.” Wanneer het kleine nufje met bezoekers coquetteert, of in moederlijk weeklagen uitbarst omdat broer haar pop heeft stuk gemaakt, wier zaag-meelig overschot zij met liefde verzorgt, dan zeggen wij trotsch: “zij is reeds op end’op een moedertje!” Wat weet een klein meisje van moederlijk instinkt? Niets meer dan een kleine jongen van vaderlijk instinkt. Dat zijn geslachts-instinkten, die zich niet moesten openbaren vóór de periode van geslachts-rijpheid. Het meest normale meisje is “de wildzang”, waarvan het aantal in deze wijzere dagen gelukkig toeneemt; een jong, gezond schepseltje dat door en door mensch is en niet vrouwelijk voordat de tijd daarvoor gekomen is. De meest normale jongen is evenzeer kalm en vriendelijk als levendig en moedig. Hij is een menschelijk wezen zoo goed als een mannelijk wezen, en niet opvallend mannelijk voordat de tijd daarvoor aangebroken is. De kindsheid is niet de periode voor deze kenmerkende geslachts-uitingen. Dat wij ze aan anderen toonen, ze bewonderen en aanmoedigen, bewijst hoezeer wij over-sekst zijn.




IV


Nadat wij gezien hebben dat het geslachts-onderscheid in de menschheid buitensporig groot is en bij de vrouwen sterker op den voorgrond treedt dan bij de mannen en tevens bevonden hebben dat het wijfje van het menschengeslacht een éénige positie inneemt als economisch afhankelijk van het mannetje van haar diersoort, is het niet moeilijk een verband vast te stellen dat tusschen deze twee feiten bestaat. Reeds in het tweede hoofdstuk werd kort verwezen naar de algemeene wet die dezen toestand van buitensporige geslachts-ontwikkeling doet ontstaan. Hij ontstaat als volgt: De natuurlijke neiging van elke functie om door gebruik in kracht toe te nemen, is oorzaak dat de geslachts-functie toeneemt door de werking van teeltkeus. In de meeste diersoorten wordt deze neiging beteugeld door de kracht der natuurkeus, welke de energie langs andere kanalen voert en ras-functiën ontwikkelt. Waar het mannetje de economische omgeving van het vrouwtje is en haar economisch voordeel rechtstreeks bepaald wordt door haar geslachts-verhouding, daar wordt de kracht der natuurkeus gevoegd bij de kracht der teeltkeus en werken beide samen om de geslachts-functiën te ontwikkelen. In elk dier, wanneer geen andere omstandigheden aanwezig waren, zou zulk een verhouding onvermijdelijk het geslacht tot een buitensporige hoogte hebben ontwikkeld. Dit valt duidelijk waar te nemen in betrekkelijk overeenkomstige gevallen van sommige insekten, waar het wijfje, haar economische bedrijvigheid verliezende, geheel in geslachtswezen verandert en enkel een eierzak wordt, een organisme dat geen vermogens tot zelf-behoud, alleen die tot ras-behoud bezit. Het eenige ras-vraagstuk bij deze insekten komt daarop neer, hoe zij het best hun diersoort in stand kunnen houden en voortplanten en zulk een toestand is niet noodzakelijk slecht; maar voor een ras als het onze, welks ontwikkeling tot menschelijke wezens nog maar betrekkelijkerwijze begonnen is, is hij wel slecht, omdat hij den individueelen en den ras-vooruitgang tegenhoudt. Buiten en behalve de zuivere instandhouding en voortplanting van ons ras, bestaan er voor ons nog andere doeleinden.

Het moest ieder die de werking der biologische wetten kent duidelijk zijn, dat elk levend organisme er naar streeft om in zijn ontwikkeling progressief te zijn en dat die progressieve ontwikkeling beteugeld wordt door de onderlinge werking der verschillende krachten. Elk levend wezen, met zijn op den voorgrond tredende eigenaardigheden, vertegenwoordigt een evenwicht van macht, een soort van compromis. De grootte van de voorwereldlijke monsterdieren der aarde werd begrensd door den voorraad voedsel. Zeemonsters konden grooter zijn, omdat het element waarin zij leefden, meer voor onderhoud aanbiedt. Vogels zijn kleiner om de omgekeerde reden. De koe bezit vele magen van tamelijke grootte, omdat haar voedsel een geringe voedingswaarde heeft en zij groote hoeveelheden moet eten om haar levensmachine gaande te houden. De grootte van op boomen levende dieren, zooals apen en eekhorentjes wordt begrensd door den aard van hun woonplaats: schepselen die op boomen leven, kunnen niet zoo groot zijn als die welke op den grond leven. Iedere hoedanigheid van elk schepsel staat in verhouding tot zijn toestand en streeft er naar om in overeenstemming daarmede toe of af te nemen; elke hoedanigheid bezit een neiging om toe te nemen in evenredigheid tot haar bruikbaarheid en af te nemen in evenredigheid tot haar onbruikbaarheid. De oorspronkelijke man en zijn vrouwtje waren dieren, evenals andere dieren. Zij waren sterke, vurige, levendige beesten; en zij was even vlug en woest als hij; behalve dat de mannetjes in hun geslachts-wedstrijd bovendien zeer strijdlustig waren. In dien strijd vocht hij, evenals de andere mannelijke wezens, wild en woest met zijne harige medeminnaars; terwijl zij, even als de andere vrouwelijke wezens, met voldoening hun strijd gadesloeg en zich met den overwinnaar paarde. In andere tijden rende zij mede door de wouden, bediende zich zelf van ’t geen er te eten was even vrij als hij.

Er schijnt een tijd gekomen te zijn, waarin het aan het ontwaakte verstand van dezen beminnelijken wilde duidelijk werd dat het goedkooper en gemakkelijker was om een wijfje te bevechten en zich daartoe te bepalen dan telkens een man te bevechten, wanneer hij een vrouw wenschte. Daarom stelde hij tot regel om het wijfje tot slavernij te brengen, en toen zij haar vrijheid verloren had, kon zij niet langer haar eigen voedsel en dat voor haar jongen verkrijgen. De moeder-aap, na haar goed volbrachte moederlijke functie, vliedt springende door het woud, plukt haar vruchten en noten, verplaatst zich met den troep, haar jong op den rug of in een sterken arm houdende. Maar de moeder-vrouw, tot slavernij gebracht, kan dit niet doen. Toen zag de man, de vader, dat die toestand van slavernij hem verplichtingen oplegde; hij moest voor haar zorgen, omdat hij haar verboden had voor zich zelf te zorgen; anders zou zij onder zijn oogen sterven. Langzaam en met tegenzin nam hij de plichten van zijn nieuwe positie op zich. Hij begon haar te voeden en niet alleen dat, maar hij moest nu ook de kinderen voeden, waaruit bleek hoezeer hij de plichten van het moederschap gedwarsboomd had. Het schijnt een eenvoudige regeling. Wanneer wij er over nadachten was dit met bewondering. De naturalist verdedigt haar op grond dat het voor de diersoort het voordeeligst is als de moeder, van alle andere zorgen bevrijd, zich geheel kan wijden aan de plichten van het moederschap. De dichter en novellist, de schilder en beeldhouwer, de priester en onderwijzer, allen hebben deze liefelijke verhouding hoog verheven. Den socioloog werd het overgelaten uit een biologisch oogpunt hare gevolgen op de lichaamsgesteldheid van het menschelijk ras op te merken, zoowel in het individu als in de maatschappij.

Naarmate de man de vrouw begon te voeden en te verdedigen, hield zij op, zich zelf te voeden en te verdedigen. Naarmate hij tusschen haar en haar physische omgeving stond, hield zij op, den invloed van die omgeving te voelen en er aan te beantwoorden. Naarmate hij haar onmiddellijke en almachtige omgeving werd, begon zij aan dezen nieuwen invloed te beantwoorden en veranderde in overeenstemming daarmede. In vrijen staat was spoed een even groot voordeel voor het vrouwtje als voor het mannetje, zoowel om haar prooi te bemachtigen als om aan haar vijanden te ontkomen; maar in haar nieuwen toestand was spoed een nadeel. Zij mocht geen mannen vangen, en het gaf haar het voordeel om door haar nieuwen meester gevangen te worden. Vrije wezens, die hun eigen voedsel zoeken en in hun levensonderhoud voorzien, ontwikkelen groote vlugheid om het noodige te verkrijgen. Parasieten, die hun levensonderhoud door de inspanning van anderen verkrijgen, ontwikkelen de hoedanigheden om zich vast te zuigen en vast te houden aan anderen, hoedanigheden die hun het meeste voordeel aanbrengen. Het menschelijk wijfje werd aan de rechtstreeksche werking der natuurkeus onttrokken, dien machtigen invloed welke te voren op het mannetje en vrouwtje gelijkelijk had ingewerkt met onverbiddelijk en heilzaam gevolg, kracht, bekwaamheid, volharding, moed ontwikkelende, – in één woord, het ras ontwikkelende. Zij ondervond nu den invloed der natuurkeus indirect werkende door het mannetje en natuurlijk werden daardoor de eigenschappen ontwikkeld, die noodig zijn om een hoûvast aan hem te krijgen en te behouden. Onnoodig te zeggen dat deze eigenschappen, die van geslachts-aantrekking waren, de eenige macht die hem er toe gebracht heeft het wezen, waarop hij verliefd was, met graagte in alle mogelijke weelde te onderhouden. Vele, vele eeuwen had zij geen ander hoûvast, geen andere zekerheid om gevoed te worden. Het jonge meisje had een toekomstige waarde en werd onderhouden voor hetgeen zou volgen; de oude vrouw daarentegen had in vroeger tijden slechts een armoedig bestaan. De vrouw die haar heer het meest kon behagen was de lievelings-slaaf of de lievelings-vrouw en zij verkeerde in de beste economische omstandigheden.

Met het toenemen der beschaving hebben wij trapsgewijze de zichtbare noodzakelijkheid om het hulpelooze vrouwtje te voeden tot wet verheven; en zelfs oude vrouwen hebben nu een aangename zekerheid dat zij door hunne mannelijke verwanten zullen worden onderhouden. Maar tot op heden, – uitgezonderd natuurlijk het steeds grooter wordende leger loontrekkende vrouwen, die de wereld door haar aanhoudend voorwaarts schrijden naar economische onafhankelijkheid een ander aanzien zullen geven, – staat het persoonlijk voordeel der vrouwen nog steeds in een te nauw verband tot haar macht om de andere sekse te winnen en er een hoûvast aan te krijgen. Van de odalisk met de meeste armbanden tot de debutante met de meeste bouquetten, blijft de verhouding steeds dezelfde, – het economisch voordeel der vrouw wordt verkregen door de macht van geslachts-aantrekking.

Wanneer wij dit feit moedig en eerlijk op de open markt van ontucht aanschouwen, dan walgen wij van afschuw. Doch zien wij diezelfde economische verhouding blijvend vastgesteld, bekrachtigd door de wet, gesteund en geheiligd door de kerk, bedekt onder bloemen en wierook en al het opeengehoopte sentiment, dan denken wij dat het onschuldig, liefelijk en juist is. Den kortstondigen handel beschouwen wij als slecht. Den verkoop voor het leven keuren wij goed. Maar het biologisch gevolg blijft hetzelfde. In beide gevallen ontvangt de vrouw haar voedsel van den man op grond van haar geslachts-verhouding tot hem. In beide gevallen, misschien zelfs meer in het huwelijk, omdat daar de stand van zaken volmaakter optreedt, verandert het wijfje van het menschenras, levende onder natuurwetten, onvermijdelijk in steeds toenemenden graad in een geslachts-wezen.

De inwerking der veranderde omgeving op vrouwen, in bepaalde bijzonderheden nagegaan, is in gegeven omstandigheden als volgt geweest: In de beteekenis van zuiver passieve omstandigheden is de vrouw onmiddellijk in haar levenscirkel beperkt geworden. Deze ééne factor heeft onmetelijke gevolgen zoowel op mensch als dier. Een volkomen éénvormige omgeving, één vorm, één grootte, één kleur, één geluid, zou het leven maken, indien eenig leven zoo kon zijn, tot een hopelooze, onveranderlijke zaak. Wanneer de omgeving grooter wordt en afwisselt, moet ook de ontwikkeling van het schepsel grooter worden en mede afwisselen; want het verkrijgt kennis en macht zoodra de stof voor kennis en de behoefte aan macht verschijnt. Bij zwervende diersoorten is het vrouwtje vrij om dezelfde kennis als het mannetje op dezelfde wijze op te doen, dezelfde ontwikkeling door dezelfde ondervinding. Van den beginne af is het gebied waarop het menschelijk wijfje zich had te bewegen beperkt geworden. Zelfs onder de wilden is haar kennis van het land waarin zij leeft beperkter dan de zijne. Zij reist natuurlijk met den troep en oefent haar primitieve werkzaamheden in zijn nabijheid uit, maar het oorlogsveld en de jacht blijven voor den man. Hij leeft op veel ruimer gebied. Het leven van de vrouwelijke wilde is evenwel de vrijheid zelf, vergeleken met de toenemende gewoonte om de vrouw in huis op te sluiten, waar de beschaving vooruitgaat. Zeer sterk is dit uitgedrukt in het gezegde: “Een vrouw moet maar driemaal haar huis verlaten: als zij gedoopt wordt, als zij trouwt en als zij begraven wordt.” Of dit: “De vrouw, de kat, het fornuis, Verlaten nimmer het huis.” Het steeds thuiszitten van het wijfje en het vrij rondzwerven van het mannetje zijn duidelijk te onderscheiden menschelijke instellingen; achter ons volgen zulke laag georganiseerde wezens als de rondvliegende mot, wiens vrouwtje zich zelden meer dan een paar voet van de plaats waar zij pop-mot was verwijdert. Zij heeft afgeknotte vleugels en kan niet vliegen. Zij wacht ootmoedig op het gevleugelde mannetje, legt haar ontelbare eieren en sterft, – een prachtig voorbeeld van opgaan in geslachts-dier.

Door de omgevings-ruimte zoo te verkleinen, heeft men de ras-ontwikkeling zeer sterk belemmerd; maar dit kan in zijne gevolgen niet vergeleken worden met de beperking van vrijwillige werkzaamheden waaraan men de vrouw heeft onderworpen. Haar beperkte indrukken, haar opsluiting tusschen de vier muren van het huis, heeft natuurlijk groote gevolgen gehad; daardoor werden haar denkbeelden, kennis, gedachtengang en macht om te oordeelen begrensd en werd een onevenredig gewicht en belangrijkheid gegeven aan de weinige zaken waarvan zij iets afweet; maar dit alles werkt onschuldig vergeleken met haar beperkte uiting en het verbod om in vrijheid te handelen. Een levend wezen wordt veel minder gewijzigd door den invloed van uiterlijke omstandigheden en zijn verzet daartegen, dan door de gevolgen van zijn eigen inspanning. De huid mag langzamerhand dikker worden door blootstelling aan het weder, maar wordt veel sneller dik wanneer zij tegen iets gewreven wordt, bijv. tegen het handvat van een roeiriem of van een bezemsteel. Met mooie zaken omgeven te zijn oefent op het menschelijk wezen een grooten invloed uit; maar mooie zaken te maken veel meer. In een mooie omgeving te leven en leelijke zaken te maken verlaagt meer rechtstreeks, dan in een leelijke omgeving te leven en mooie zaken te maken. Wat wij doen verandert ons meer dan wat ons gedaan wordt. De vrijheid om zich te uiten is bij vrouwen meer beperkt geworden dan de vrijheid om in zich op te nemen, indien dat mogelijk ware. Zij heeft iets van de wereld waarin zij leeft door hare getraliede vensters gezien. Een beetje lucht kwam door de reten der deuren, een beetje kennis drong tot haar gretige ooren door uit de gesprekken der mannen. Desdemona leerde iets van Othello. Had zij meer geweten, dan had zij misschien langer geleefd. Maar in den steeds grooter wordenden menschelijken drang tot scheppen, de macht en den wil om te maken, te doen, nieuwe gedachten in nieuwe vormen uit te drukken, werd zij volkomen belemmerd. Zij mocht werken zooals zij van het begin af gewerkt had, aan den oorspronkelijken huishoudelijken arbeid, maar in de onvermijdelijke uitbreiding zelfs van deze werkzaamheden tot beroeps-werkzaamheden, hebben wij getracht haar tegen te houden. Om met haar handen te werken voor niets, in rechtstreeksche dienstbaarheid bij haar eigen familie, – dit werd toegestaan, ja verplicht. Maar het werd haar verboden om iets anders te zijn, iets meer te doen. Haar arbeid was niet alleen begrensd in soort, maar ook in gehalte. Wat haar ooit werd toegestaan te doen, moest zij in stilte en alleen doen, de eenvoudige werkzaamheden uit onbeschaafde tijden.

Onze industrie is niet alleen in soort maar ook in rang vooruitgegaan. De bakker staat niet op denzelfden graad van industrie als de keukenmeid, ofschoon beiden brood bakken. Door een of ander soort van werk tot een bepaald vak te maken, verheft men het; door het te organiseeren, gaat men een stap verder. Specialiseeren en organiseeren zijn de grondslagen van den menschelijken vooruitgang, de organische stelsels van het maatschappelijk leven. Dit is den vrouwen nagenoeg geheel verboden geworden. De grootste en meest heilzame verandering in deze eeuw is de ontwikkeling der vrouwen op deze twee lijnen van vooruitgang. Het gevolg van de belemmering in industrieele ontwikkeling, vergezeld als zij werd door het onophoudelijk overerven van vermeerderde ras-macht, heeft de gevoelens en aandoeningen der vrouwen versterkt en een groote bedrijvigheid ontwikkeld op de toegestane arbeidswegen. De zenuwachtige haast, die zelfs tegenwoordig nog vele vrouwen voortdrijft om onophoudelijk iets te doen, zij het dan ook het onzinnigst handwerkje, is één kenteeken van dit effekt.

Dezelfde dooddoener heeft den vooruitgang der vrouwen in godsdienstige ontwikkeling door alle rassen en eeuwen tegengehouden. In de grijze oudheid nam de vrouw deel aan de geheimen en ceremoniën; maar bij de ontwikkeling van den godsdienst, werd zij op zij geschoven, totdat Paulus haar beval in de kerken te zwijgen. En zij heeft gezwegen, tot op dezen dag. Zelfs nu, met al wat wij gewonnen hebben, staan wij nog maar aan het begin, – het langzaam afgedwongen en afgekeurd begin – van godsdienstige gelijkheid voor beide geslachten. Bij sommige natiën wordt de godsdienst nog beschouwd als een zuiver mannelijke eigenschap, en wordt het zelfs betwijfeld of vrouwen wel een ziel hebben. Een Christelijke Raad heeft vroeger deze belangrijke kwestie bij stemming uitgemaakt, gelukkig werd toen aangenomen dat zij een ziel hadden. Voor een kerk, wier voornaamste kracht altijd in de aanhankelijkheid der vrouwen gelegen heeft, zou het een droevige achteruitgang geweest zijn haar geen zielen toegekend te hebben.

Oude familie-vereering ging alleen op mannelijke afstammelingen over. Het was de zoon die de heilige voorvaders in hooge achting kon houden en plengoffers over hunne overblijfselen uitstortte. Wanneer een vrouw huwde, dan veranderde zij van voorouders, dan moest zij de voorvaders van haar man vereeren in plaats van haar eigen. Daarom moeten de Hindu en de Chinees en velen van gelijken aard een zoon hebben om hen in eere te houden, – een diep ingeworteld geslachts-vooroordeel, dat langzaam begint te verdwijnen nu de vrouwen in economische beteekenis stijgen.

Het is pijnlijk interessant de langzaam toenemende uitwerking van deze toestanden op vrouwen na te sporen. Eerst de werking van groote natuurwetten, die op haar evenals op elk ander dier inwerken, dan de evolutie van maatschappelijke gewoonten en wetten (met haar positie als de werkende oorzaak), die op dezelfde wijze als de zuiver physische krachten werken en deze zeer versterken. Bij toenemende beschaving komt dan de onafgebroken opeenhooping van het voorafgaande, die door de grooter wordende kracht der opvoeding in elke generatie gegrift wordt, na eerst door de kunst verfraaid, door godsdienst geheiligd, door gewoonte wenschelijk gemaakt te zijn; en onveranderlijk van beneden af inwerkende, de niet afwijkende druk van economische noodzakelijkheid, waarop het geheele samenstel steunt. Dit zijn waarlijk zeer sterk wijzigende omstandigheden.

Het proces zou zelfs veel grooter uitwerking hebben en veel minder pijnlijk zijn, indien slechts één belangrijke omstandigheid ontbrak. Erfelijkheid kent geen Salische wet. Elk meisje erft van haar vader een zekere toenemende hoeveelheid menschelijke ontwikkeling, menschelijke macht, menschelijke neiging; en evenzoo erft elke jongen van zijn moeder een toenemende hoeveelheid geslachts-ontwikkeling, geslachts-macht, geslachts-neiging. Het erfelijkheidsproces heeft gelijk gemaakt, wat elke strekking van omgeving en opvoeding verschillend wilde maken. Dit heeft ons voor het lot van de mot beveiligd. Het heeft de vrouw hoog-, en den man laag gehouden. Het heeft ijzeren grenspalen geplaatst voor onze pogingen om een ras te vormen, waarin de eene sekse een millioen jaren achter de andere aankomt. Maar het heeft de smart en moeilijkheid van het menschelijk leven verschrikkelijk vergroot, – een moeilijkheid en smart die ons reeds lang geleerd moesten hebben dat wij naar valsche begrippen leefden. Elke vrouw die geboren wordt, vermenschelijkt door den stroom van ras-bekwaamheid door haar vader aangebracht en vervrouwelijkt door hare traditioneele positie, moet in haar eigen persoon nog eens datzelfde proces van beperking, terugstooting, verloochening, doorleven; het smorende “neen” hetwelk al haar menschelijke wenschen om te scheppen, te ontdekken, te leeren, te uiten, vooruit te gaan, te niet doet. Daarnaast stond voor elke vrouw slechts een en dezelfde weg open om zich te uiten en haar doel te bereiken; dezelfde ééne weg waarlangs zij alleen tot stand mocht brengen wat zij kon en hebben wat zij kon krijgen. Alle andere deuren waren gesloten, deze ééne altijd open, terwijl de geheele last der vooruitgaande menschheid op haar drukte. Geen wonder dat de jonge Daniël in testamentische taal uitriep: “De koning is sterk! wijn is sterk! maar vrouwen zijn sterker!”

Voor den jongen man die het leven intreedt ligt de wereld open. De krachten die hij heeft mag hij aanwenden, moet hij aanwenden. Kiest hij eerst verkeerd, hij mag nog eens kiezen en nog eens. Is de fortuin hem niet gunstig op de eene wijze, dan beproeft hij haar op een andere. De aangroeiende, wisselende behoeften der geheele menschheid doen een beroep op hem voor alle diensten, waarin hij zich kan ontwikkelen. Wat hij wenscht te zijn, daarnaar mag hij streven. Wat hij wenscht te hebben, mag hij trachten te verkrijgen. Rijkdom, macht, maatschappelijke onderscheiding, eer, – wat hij begeert, kan hij beproeven te verkrijgen.

De jonge vrouw die het leven intreedt, staat tegenover dezelfde wereld met dezelfde menschelijke gaven en menschelijke wenschen en menschelijke eerzucht. Maar alles wat zij kan wenschen te hebben, alles wat zij kan wenschen te doen, moet door een enkel kanaal, door een enkele keus komen. Rijkdom, macht, maatschappelijke onderscheiding, eer, – niet deze alleen, maar een tehuis en geluk, reputatie, gemak en pleizier, haar boterham, – alles moet door een kleinen gouden ring komen. Dit is een zware last. Deze werd achter haar opgehoopt door erfelijkheid, rondom haar voortgezet door omgeving. Zij werd er door haar opvoeding langzaam aan gewend, tot dat zij haar toestand is gaan beschouwen als den juisten, dien zij met grootere kracht op haar dochter over brengt. Is het dan te verwonderen dat vrouwen oversekst zijn? Ware het niet dat zij aanhoudend van den meer menschelijken man erfden, dan zouden zij inderdaad reeds lang koningin-bijen geworden zijn. Maar de dochter van den krijgsman en den zeeman, den artist, den uitvinder, den groothandelaar, heeft in elke generatie in lichaam en geest haar deel geërfd van zijn ontwikkeling, en is zoodoende iets menschelijk gebleven in al haar vrouwelijkheid.

Alle ziekelijke toestanden neigen tot uitsterving. Eén beletsel heeft onze onevenredige geslachts-ontwikkeling altijd in den weg gestaan, – de nimmer falende hulp der natuur, de dood. Was iets tot het uiterste opgevoerd, dan stierf het individu, het gezin stierf uit, de heele natie verdween, zooals Sodom en Gomorrha. Waar één functie tot onnatuurlijke buitensporigheid is opgevoerd, verzwakken andere functies en het organisme verdwijnt. In individueele gevallen is dit ons bekend, ten minste, de doctoren weten het. In de geschiedenis der natiën kunnen wij er iets van vinden. Elke nieuwe sprong in de geschiedenis kwam van jonger rassen, die nader tot de wilde toestanden stonden, nader tot de gezonde gelijkheid van de vóór-menschelijke wezens. Perzië was ouder dan Griekenland en zijn hoog opgevoerde sexualiteit heeft het onvermijdelijk gevolg gehad dat de ras-hoedanigheden verzwakten. Op het land, onder boeren-menschen, is er veel minder geslachts-onderscheid dan in steden, waar rijkdom de vrouwen in staat stelt om te leven in volmaakt niets-doen; zelfs de mannen openbaren daar dezelfde bijzonderheid. Het frissche bloed dat stroomt in de steden, komt van het land en de lagere volksklasse, maar keert door den invloed van de onnatuurlijke geslachts-onderscheiding verzwakt daarheen terug, totdat er niets is overgebleven om de natie weder aan te vullen.

De onvermijdelijke neiging van het menschelijk leven is naar hoogere beschaving; maar aangezien die beschaving slechts tot één sekse is beperkt, vermeerdert het onvermijdelijk geslachts-onderscheiding, totdat het toenemende kwaad van deze omstandigheid sterker is dan al het goede dat door de beschaving wordt aangebracht en dan daalt de natie. Laat men niet vergeten dat beschaving niet bestaat in het verkrijgen van weelde. Sociale ontwikkeling is een organische ontwikkeling. In een beschaafden Staat leven de burgers in organische industrieele verhouding. Hoe vollediger, vrijer, fijner, gemakkelijker die verhouding; hoe volmaakter de verdeeling van arbeid en ruil van het voortgebrachte, met hunne wederkeerige instellingen, – des te hooger is de beschaving. Eten, drinken, slapen, zich warm houden, – deze werkzaamheden zijn eigen aan alle dieren, om het even of het dier zich te ruste begeeft in een bed van bladeren of een van eiderdons, in de zon slaapt en den wind vermijdt of een verwarmd huis bouwt, op de loer ligt voor wild of zijn diner bestelt in een hotel. Dit zijn slechts individueele dierlijke processen. Of men één ei of een millioen eieren legt, of men een kat, een kalf of een baby baart, of men zijn kuikens uitbroedt, zijn varkens hoedt, of een kinderkamer vol kinderen verzorgt, dit zijn slechts individueele dierlijke handelingen. Maar om elkander al meer en ruimer te dienen; alleen voor zulk een dienst te leven; bijzondere functiën te ontwikkelen, zoodat wij voor ons levensonderhoud afhangen van wat de maatschappij kan terug geven voor diensten die geen direct nut voor ons zelf opleveren, – dat is beschaving, onze menscheneer, ons ras-kenmerk.

Deze geheele menschelijke vooruitgang is door mannen tot stand gebracht. Vrouwen zijn achter, buiten gelaten, omdat zij hoegenaamd geen maatschappelijke verhouding hebben, enkel de geslachts-verhouding waardoor zij leven. Laat ons niet vergeten dat alle teedere familiebanden, banden zijn van bloedverwantschap, van geslachtsverwantschap. Een vriend, een kameraad, een deelgenoot, – dat is een menschelijke verwant. Vader, moeder, zoon, dochter, zuster, broeder, echtgenoot, echtgenoote, – deze zijn geslachts-verwanten. Bloed is dikker dan water, zeggen wij. Dat is waar. Maar banden van bloed doen de wereld niet ruischen met de onstuimige golven van vooruitgaanden godsdienst, kunst, wetenschap, handel, opvoeding en alles dat ons tot menschen stempelt. De man is het menschelijk wezen. De vrouw is belemmerd, gekortwiekt, omgebracht geworden in menschelijken groei; de aanzwellende krachten van ras-ontwikkeling werden in elke generatie terug gedreven om in haar alleen door geslachts-functiën te werken.

Op deze wijze heeft de sexueel-economische verhouding in onze diersoort gewerkt, door ras-ontwikkeling in de eene helft van ons te belemmeren en geslachts-ontwikkeling in beide helften te verhoogen.




V


De feiten in de vorige hoofdstukken genoemd zijn bekend en niet te loochenen, de redeneering is logisch. Toch verzet het verstand zich met geweld tegen de gevolgtrekkingen die het gedwongen wordt te aanvaarden en tracht steun te vinden in de gewone omstandigheden van het dagelijksch leven. Wij vluchten van het opdoemende spook van het over-sekste wijfje van het geslacht mensch met voldoening terug naar goede vrienden en bekenden, – naar mevrouw Smit en naar juffrouw Muller, – naar moeders en zusters en dochters, naar verloofden en echtgenooten. Wij meenen dat zulk een verschrikkelijke staat van zaken niet waar kan zijn zonder dat wij dien zouden hebben opgemerkt. Wij probeeren zelfs dezen acrobatischen toer te volbrengen, voor het verstand van velen zoo gemakkelijk, – toe te stemmen dat het hiervoor gestelde theoretisch waar, maar praktisch onjuist is!

Aan twee eenvoudige wetten van hersenwerking is het toe te schrijven dat de menschen moeilijk te overtuigen zijn van de een of andere groote algemeene waarheid die henzelf betreft. Eén van deze is aan elk brein eigen, aan alle zenuwgewaarwordingen zelfs, en blijde zijn wij hier te kunnen constateeren dat dit niets te maken heeft met de sexueel-economische verhouding. Het is dit eenvoudig feit, dat wij geen notitie nemen van hetgeen wij gewóón zijn te doen. Dit berust op de wet van aanpassing, het adaptatie-vermogen; den geregelden, onophoudelijken drang, die het organisme aan zijne omgeving passend zoekt te maken. Een zenuw die voor den eersten keer door een zekeren prikkel getroffen wordt, voelt dezen eersten prikkel veel meer dan den honderdsten of duizendsten, zelfs wanneer hij den duizendsten keer veel krachtiger was dan den eersten. Indien een prikkel voortdurend en regelmatig werkt, dan worden wij er volkomen ongevoelig voor en beantwoorden er alleen onder bijzondere omstandigheden aan; zooals het tikken van een klok, het geluid van stroomend water of van de golven van de zee. Zelfs het ratelen van de spoortreinen wordt niet meer opgemerkt door degenen die het dagelijks hooren. Een individu is volkomen in staat zich aan de nadeeligste omstandigheden te wennen, zonder ze op te merken.

Evenzoo is het mogelijk voor een ras, een natie, een klasse om gewend te raken aan de nadeeligste toestanden, zonder ze op te merken. Neem, als een individueel voorbeeld, het dragen van corsetten door vrouwen. Doe een krachtigen man of eene vrouw die nooit een corset droeg er eens een aan, een los corset maar, dan zullen zij het steeds onaangenaam voelen drukken. De gezonde spieren van den romp verzetten zich tegen zulk een druk, de werking van het geheele lichaam wordt in het midden belemmerd, de maag wordt vernauwd, het digestie-proces in de war gebracht en het slachtoffer vraagt: “Hoe kan men in ’s hemelsnaam zoo’n ding dragen?”

Maar de persoon die gewend is een corset te dragen voelt daarvan niets. Het bestaat wel, dat is zeker, de feiten zijn er, het lichaam wordt niet misleid; maar de zenuwen zijn aan dit onaangenaam gevoel gewend geraakt en beantwoorden er niet langer aan. De persoon “voelt het niet.” Werkelijk wordt de drager zoo aan dit gevoel gewend, dat het corset niet kan worden uitgelaten zonder dat hij er last van ondervindt. De zware plooien van de das, stropdas en halsdoek, zooals de mannen vroeger droegen, de zware paardenharen pruik, de stijve hooge kraag van heden, het soort schoenen dat wij dragen, het zijn alle volmaakt bekende voorbeelden van de kracht der gewoonte bij het individu.

Dit is eveneens waar voor de gewoonten van een ras. Dat een koning moest regeeren, eenvoudig omdat hij geboren was, werd duizenden jaren als van zelf sprekend beschouwd. Dat de oudste zoon de titels en landgoederen moest erven, was een zelfde verschijnsel, evenmin in twijfel getrokken. Dat een schuldenaar in de gevangenis moest worden gezet en zoodoende heelemaal verhinderd werd om zijn schulden te betalen, was de wet. Zoo’n schandelijk kwaad als kettingslavernij was een onaangetaste maatschappelijke instelling uit de vroegste geschiedenis tot op onze dagen, onder de meest beschaafde natiën van de wereld. Zelfs Jezus merkte haar niet op. De afschuwelijke onrechtvaardigheid van de Christelijke kerk tegenover de Joden heeft vele eeuwen lang niemands aandacht getrokken. Dat de slaaf met den grond verkocht werd en de meester zich dien toeeigende, was in de middeleeuwen een van de grondslagen der maatschappij.

Men gewent op den duur zoowel aan sociale als aan individueele toestanden en dan worden zij niet meer opgemerkt. Dat is de reden waarom het zooveel gemakkelijker is de gebruiken van andere personen en van andere natiën te kritiseeren dan onze eigen. Het is tevens de reden waarom wij zoo gemakkelijk de aanvallen der kritiek kwalijk nemen en er de juistheid van ontkennen. Het is geen gevolg van eenige onrechtvaardigheid aan de eene zijde of onoprechtheid aan de andere, maar alleen een eenvoudige en nuttige natuurwet. De Engelschman die in Amerika komt, wordt in hooge mate getroffen door de politieke verdorvenheid aldaar en met den ernstigen wensch zijn broeder te helpen, brengt hij hem dat onder ’t oog. Wat in zijn eigen land gebeurt ziet hij niet, omdat hij daaraan gewend raakte. De Amerikaan in Engeland vindt ook wel iets waartegen hij bezwaar heeft en vergeet dan ook niet om in gedachten vergelijkingen te maken met wat hij in eigen land zag.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/gilman-charlotte-perkins/de-economische-toestand-der-vrouw/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Childe Harold’s Pilgrimage, Canto IV. CVIII.


