Gösta Berling
Selma Lagerlöf




Selma Lagerlöf

Gösta Berling





Inleiding





I.

De predikant


Eindelijk stond de predikant op den preekstoel.

De menschen in de kerk hieven het hoofd op. Dus was hij er toch! Dus dezen keer werd de dienst niet afgeluid, zooals den vorigen Zondag en zooveel andere Zondagen.

De predikant was jong, lang, slank en stralend van schoonheid. Wanneer men hem een helm op ’t hoofd had gezet, en hem een zwaard en een harnas gegeven, zou men een marmeren beeld van hem hebben kunnen maken en het naar den schoonsten Griek noemen.

Hij had de diepe oogen van een dichter en de vaste, ronde kin van een veldheer. Alles aan hem, was schoon, fijn, vol uitdrukking en doorgloeid van een geniaal, geestelijk leven.

De menschen in de kerk werden wonderlijk te moede, toen zij hem zóo zagen. Ze waren meer gewend hem ietwat slingerend uit de herberg te zien komen, met zijne vroolijke kameraden, zooals Beerencreutz, de overste, met de dikke, witte snor, en de sterke kapitein Bergh.

Hij had zóo gezwierd, dat hij gedurende vele weken zijn ambt niet had kunnen waarnemen. De gemeente had over hem moeten klagen, eerst bij zijn Proost en toen bij den Bisschop en het Domkapittel. Nu was de bisschop in de gemeente gekomen, om kerkvisitatie te houden. Hij zat in het koor met het gouden kruis op de borst. Predikanten uit Karlstad en van de naburige gemeenten zaten om hem heen.

Er was geen twijfel aan – het gedrag van den predikant was over de grenzen van het betamelijke gegaan. In dien tijd – het was omstreeks 1820 – nam men het niet zoo nauw, als iemand dronk; maar deze man had zijn werk verzuimd om te kunnen drinken, en nu zou het hem afgenomen worden.

Hij stond op den preekstoel en wachtte, terwijl de gemeente het laatste psalmvers zong.

Daar kwam, terwijl hij daar stond, de zekerheid over hem, dat hij vijanden voor zich had, louter vijanden in de geheele kerk. De heeren en dames in de gesloten banken, de boeren in het ruim, de aannemelingen in het koor – zij waren allen zijne vijanden. ’t Was een vijand, die ’t orgel bespeelde; ook de orgeltrapper was zijn vijand.

Allen haatten zij hem, van de kleine kinderen af, die in de kerk gedragen werden, tot den plaatsbewaarder toe, een stijf en stram soldaat, die den slag bij Leipzig bijgewoond had.

De predikant had wel willen knielen en hen smeeken barmhartig jegens hem te zijn.

Maar een oogenblik later kwam een gevoel van smart en toorn over hem. Hij wist nog wel hoe hij geweest was, toen hij voor een jaar dezen preekstoel voor ’t eerst beklom. Toen was hij een smetteloos man, en nu stond hij daar en zag neer op den bisschop met het gouden kruis om den hals, die gekomen was om hem te veroordeelen.

Terwijl hij het voorgebed las, steeg hem telkens het bloed naar de wangen. Dat was van smart en toorn.

Het was waar, dat hij gezwierd had, – maar wie had recht hem daarvoor aan te klagen? Had iemand de pastorie gezien, waarin hij leven moest? Donker en spookachtig groeide het dennenbosch tot vlak voor zijn vensters. De zwarte zolderingen dropen van ’t vocht; ’t water liep langs de beschimmelde muren. Had hij dan geen brandewijn noodig, om den moed er in te houden, als de regen of de sneeuwstorm naar binnen joeg door de gebarsten ruiten, als de slecht bewerkte, verwaarloosde akker geen brood genoeg gaf om den honger te weren.

Het kwam hem voor, dat hij juist een predikant geweest was, zooals zij er een verdienden. Zij dronken immers allemaal. Waarom zou hij de eenige zijn, die zich iets ontzegde? De man, die zijn vrouw begraven had, dronk zich een roes aan ’t begrafenismaal. De vader, die zijn kind ten doop gebracht had, hield daarna een drinkgelag. De gemeente dronk, als ze van de kerk naar huis ging, zoodat de meesten beschonken thuis kwamen. Een predikant, die dronk, was goed genoeg voor hen!

’t Was op ambtsreizen gebeurd, als hij in zijn dunnen mantel mijlen ver over de bevroren meren had moeten rijden, waar alle koude winden elkaar ontmoetten, als hij op dezelfde meren in een open boot had moeten varen, in storm en stortregen, als hij in sneeuwjacht uit de slede had moeten stappen om het paard een weg te banen door huizenhooge sneeuwmassa’s, of als hij door ’t bosch moest waden – toen was het gebeurd, dat hij den brandewijn had liefgekregen!

De dagen van dit jaar waren langzaam omgekropen in duisternis en gedruktheid. Heeren en boeren waren met al hun gedachten aan ’t stof der aarde gebonden; maar ’s avonds had de geest zijn boeien afgeworpen, door den brandewijn bevrijd! De inspiratie was gekomen; ’t hart was warm geworden; ’t leven straalde van heerlijkheid; liederen klonken en rozen geurden. De gelagkamer werd dan voor hem een zuidelijken bloementuin; druiven en olijven hingen boven zijn hoofd; marmeren beelden blonken tusschen ’t donkere loof; philosofen en dichters wandelden onder palmen en platanen.

Neen, hij, de predikant daar op den preekstoel, wist, dat zonder brandewijn het leven in die streken niet uit te houden was. Al zijn toehoorders wisten het, en nu wilden ze hem veroordeelen!

Zij wilden hem zijn toga afrukken, omdat hij beschonken geweest was in het huis van hun God! O, al die menschen hadden zij dan … wilden zij zich verbeelden, dat zij een anderen God hadden dan den brandewijn!

Hij had het voorgebed gelezen en boog zich neer, om het Onze Vader uit te spreken.

’t Was ademloos stil in de kerk onder het gebed. Plotseling greep de predikant met beide handen naar de banden, die zijn toga vasthielden. ’t Kwam hem voor alsof de geheele gemeente, de bisschop vooraan, de trap van den preekstoel opsloop, om hem zijn toga af te rukken. Hij lag geknield en zag niet op, maar hij voelde hoe ze trokken. En hij zag hen zoo duidelijk, de proosten, de predikanten, de kerkvoogden, den klokkeluider en de gemeente, in één lange rij, trekkend met alle kracht, om de toga los te krijgen. En hij kon zich zoo duidelijk voorstellen, hoe ze allen, die nu zoo rukten en trokken, over elkaar de trap af zouden rollen, als de toga losvloog; en die heele rij daar beneden, die niet aan de toga, allen aan elkaars kleeren trokken, ze zouden allemaal vallen!

Hij zag het zoo duidelijk, dat hij bijna hardop gelachen had, terwijl hij daar geknield lag. Maar op ’t zelfde oogenblik parelde het koude zweet op zijn voorhoofd. ’t Was toch al te afschuwelijk!

Dat hij nu een verworpeling zou worden ter wille van den brandewijn! Een afgezette predikant – was er wel iets ellendigers op aarde!

Hij zou een van de bedelaars zijn aan den grooten weg, dronken aan den slootkant liggen, in lompen gekleed gaan, met vagebonden omgaan.

’t Gebed was ten einde. Hij moest zijn preek voorlezen. Toen kwam een gedachte bij hem op, die de woorden deed verstommen op zijn lippen. Hij dacht er aan, dat het voor ’t laatst was, het hem vergund zou zijn, daar te staan en Gods eer te verkondigen.

Voor ’t laatst! Dat trof den predikant zóo, dat hij den brandewijn en den bisschop vergat. Hij moest de gelegenheid aangrijpen en van Gods eer getuigenis afleggen.

Het kwam hem voor alsof de kerk met alle toehoorders diep, heel diep wegzonk, alsof het dak van de kerk genomen werd en hij in den hemel kon zien. Hij stond alleen, geheel alleen op den preekstoel, en zijn ziel kreeg vleugels en vloog op naar den open hemel boven hem, en zijn stem werd sterk en geweldig – en hij verkondigde Gods eer.

Hij was een man van inspiratie. Hij liet de geschreven preek liggen. Als een duivenvlucht daalden de gedachten op hem neer. Het was hem als ware het een ander, die sprak; maar het werd hem ook helder, dat dit het hoogste op aarde was, en dat niemand in glans en heerlijkheid hem nabij kwam, die daar stond en Gods eer verkondigde.

Zoolang de vurige tongen der inspiratie op hem rustten, sprak hij; maar toen die gebluscht waren, en toen ’t dak weer over de kerk was gedaald en de toehoorders weer waren opgekomen uit de diepte, toen boog hij zich neer en schreide; want hij dacht, dat het leven hem zijn beste oogenblikken gegeven had en dat die nu voorbij waren.

Na den dienst zou er vergadering en onderzoek volgen. De bisschop vroeg of de gemeente zich te beklagen had over hun leeraar.

De predikant was niet meer trotsch en vertoornd als vóór de preek. Nu schaamde hij zich en boog het hoofd. Ach, nu zouden al die ellendige brandewijnhistories voor den dag komen.

Maar er kwam geen enkele. ’t Was doodstil om de groote tafel in de kerkeraadskamer.

De predikant zag op, eerst naar den klokkeluider – neen, hij zweeg; toen naar de kerkvoogden, toen naar de notabelen en naar de eigenaars der ijzermijnen; maar allen zwegen. Zij hielden de lippen vast gesloten en keken half verlegen neer op tafel.

„Zij wachten maar tot één begint,” dacht de predikant.

Een der kerkvoogden kuchte.

„Ik vind, dat we een besten leeraar hebben,” zeide hij.

„De bisschop heeft immers zelf gehoord hoe hij preeken kan,” stemde de klokkeluider toe.

De bisschop zei iets van „dikwijls den dienst afluiden.”

„Maar een dominé mag toch even goed wel eens ziek zijn als andere menschen,” meenden de boeren.

De bisschop maakte een toespeling op een gerucht van misnoegdheid over de levenswijze van den predikant.

Zij verdedigden hem eenparig. Hij was nog zoo jong, hun leeraar; wat zou men daarvan zeggen. Neen, als hij maar altijd zóó preeken wilde als hij vandaag gedaan had, dan wilden ze hem zelfs voor den bisschop niet ruilen.

Er waren geen aanklagers, geen rechters! De predikant voelde hoe zijn hart zich verruimde, hoe zijn bloed lichter door zijne aderen vloot. Hij was dus niet meer door vijanden omringd. Hij had hen gewonnen, toen hij er allerminst aan dacht hun predikant te zullen blijven!

Na de kerkvisitatie dineerden de bisschop, de proosten, de predikanten en de notabelen in de pastorie. De vrouw van een der naburige predikanten had op zich genomen voor het feest te zorgen, want de predikant was ongehuwd. Zij had alles zoo goed mogelijk geschikt, en het kwam hem voor, dat de pastorie toch zoo akelig niet was. De lange tafel was buiten gedekt onder de dennen en stond zoo mooi: ’t blauwe en witte porselein, de schitterende glazen en de net gevouwen servetten. Twee berkeboomen bogen zich over den ingang. In de voorkamer was de grond met groene takjes bestrooid en aan den dakbalk hing een bloemkrans; in alle kamers stonden bloemen, de muffe lucht was weg, en de groene vensterruiten blonken vroolijk in den zonneschijn.

De predikant was zielsblij; hij beloofde zichzelf nooit meer te drinken.

Er was niemand, die niet blij was aan dien feestdisch. Zij, die grootmoedig geweest waren en vergeven hadden, waren blij, en de predikanten en proosten waren blij, omdat ze een schandaal hadden kunnen vermijden.

De goede bisschop hief zijn glas op en sprak. Hij was deze reis met een bezwaard hart begonnen, want hij had veel booze geruchten gehoord. Hij was uitgegaan om een Saulus te zoeken, en zie, Saulus was tot een Paulus geworden, die meer zou arbeiden dan alle anderen. En de vrome oude sprak verder over de rijke gaven, die hun jonge broeder ontvangen had, en roemde die. Niet opdat hij er zich op verhoovaardigen zou, maar opdat hij al zijn krachten zou inspannen en zich zelf wèl in acht nemen, zooals een man behoort te doen, wien een zeer zware en kostbare last op de schouderen is gelegd.

De predikant dronk niet te veel dien middag, maar in een roes was hij toch. Al dat groote, onverwachte geluk steeg hem naar het hoofd. De hemel had vlammende tongen van geestdrift op hem doen nederdalen, en de menschen hadden hem liefde geschonken. ’t Bloed stroomde koortsachtig en met geweldige snelheid door zijn aderen, nog toen de avond viel en zijn gasten vertrokken. Laat in den nacht zat hij in zijn kamer en liet de nachtlucht door het open venster naar binnen stroomen om den koortsgloed van geluk te koelen, de onrust en verrukking, die hem beletten te slapen.

Daar klonk een stem: „Ben je nog wakker, dominé?”

Een man kwam over het gras naar het huis toe. De predikant zag uit het venster en herkende den sterken kapitein Kristiaan Bergh, een van zijn trouwste zwierkameraden.

Een zwervend man, zonder tehuis, was die kapitein Bergh, een reus van gestalte en kracht, groot als een berg en dom als een berggeest.

„Ja, zeker ben ik wakker, kapitein,” antwoordde de predikant. „Vindt je, dat dit een nacht is om te gaan slapen?”

En hoor nu wat kapitein Kristiaan hem vertelt. De reus had er al een voorgevoel van gehad en begreep nu, dat de predikant van zijn drinkgelagen afscheid zou nemen. Hij zou nooit meer rust hebben, meende kapitein Kristiaan, want die proosten en dominees uit Karlstad, die er eens geweest waren, konden immers terugkomen en hem zijn toga afnemen, als hij weer aan het feestvieren ging.

Maar nu heeft kapitein Kristiaan zijn slag geslagen en ’t zóó gemaakt, dat er nooit een proost of een predikant meer komen zal, en ook geen bisschop. Nu kunnen de predikant en zijn vrienden in de pastorie net zooveel drinken als ze willen. Want raad eens wat de kapitein gedaan heeft! Toen de bisschop en de overige geestelijken in den gesloten wagen waren gegaan en het portier goed dicht zat, was de kapitein op den bok gaan zitten, om hem een paar mijlen ver te brengen in den lichten zomernacht. En hij had ze eens laten voelen wat het was: zijn leven aan een zijden draadje te voelen hangen; hij had de paarden voort laten draven in razende vaart. Dat moesten ze nu eens hebben, omdat zij een eerlijk man niet eens een roes gunden.

Meen niet, dat hij op den grooten weg bleef, of dat hij er bang voor was ze eens door elkaar te schudden. Hij reed over slooten en velden met boomknoesten, hij vloog in galop van de heuvels naar beneden, hij reed door het meer, zoodat ’t water tot over de wielen opspatte, en hij ging langs de berghelling, zoodat de paarden de voorpooten stijf uithielden en zich lieten glijden. En al dien tijd zaten de bisschop en de predikanten met bleeke gezichten gebeden te mompelen. Erger rijtoer hadden ze zeker nooit gedaan.

Men kan zich denken hoe ze er uitzagen, toen ze aan de herberg te Rissäter kwamen: levend, maar door elkaar geschud als hagel in een leeren zakje.

„Wat moet dat beteekenen, kapitein Kristiaan?” vraagt de bisschop, toen hij het portier open doet.

„Dat beteekent, dat de bisschop zich twee keer bedenken moet, eer hij weer bij Gösta Berling op kerkvisitatie komt,” antwoordt kapitein Kristiaan, en dien zin heeft hij vooruit bedacht en van buiten geleerd, om niet in de war te komen bij ’t uitspreken.

„Nu, groet dan Gösta Berling,” zegt de bisschop, „en zeg hem, dat bij hem noch ik, noch een ander bisschop ooit meer komen zal.”

Zie, dat heldenstuk staat de sterke kapitein daar aan den predikant te verhalen bij ’t open venster in den lichten zomernacht. Want hij heeft zoo juist de paarden naar de herberg teruggebracht, en is toen dadelijk naar de pastorie gegaan, om ’t nieuws te vertellen.

„Nu kun je dus gerust zijn, beste vriend,” zegt hij. Ach kapitein Kristiaan! Met bleeke gezichten zaten de geestelijken in ’t rijtuig, maar de predikant aan ’t venster, in dien lichten zomernacht, zag nog veel, veel bleeker. Ach, kapitein Kristiaan!

De predikant hief den arm op en wilde den reus een geweldigen slag in zijn grof, dom gezicht geven, maar hij bedwong zich. Met een woesten zwaai sloeg hij ’t venster dicht, bleef midden in de kamer staan, en schudde de gebalde vuist tegen den hemel.

Hij, op wien de vurige tongen der inspiratie waren neergedaald, hij, die Gods eer verkondigd had – hij stond daar met de vreeselijke gedachte, dat God hem verlaten en beschimpt had.

Moest de bisschop niet denken, dat hij kapitein Kristiaan hierop uitgestuurd had? Moest hij niet denken, dat hij den ganschen dag gelogen en gehuicheld had? Nu zou hij wel ernst met het onderzoek maken, hem eerst schorsen en dan afzetten.

Toen de morgen kwam, was de predikant uit de pastorie verdwenen. Hij wilde niet blijven en zich verdedigen. God had hem verlaten. Hij zou afgezet worden, dat wist hij. God wilde het. Dan kon hij evengoed dadelijk heengaan.

Dit gebeurde omstreeks 1820 in een afgelegen gemeente van West-Wermeland.

’t Was het eerste ongeluk, dat Gösta Berling trof, maar ’t was het laatste niet.

Want voor paarden, die sporen noch zweep kunnen verdragen, is het leven niet gemakkelijk. Bij elke pijn, die ze voelen, hollen ze voort op woeste wegen, die naar gapende afgronden leiden. Zoodra er steenen op den weg liggen en de rit moeielijk wordt, weten ze niets beter te doen, dan den wagen om te werpen en door te hollen.




II.

De bedelaar


Op een kouden Decemberdag kwam een bedelaar den Brobyheuvel op. Hij was gekleed in de ellendigste lompen, en zijne schoenen waren zóó versleten, dat de koude sneeuw zijn voeten nat maakte.

Löfven is de naam van een lang, smal meer in Wermeland, dat op een paar plaatsen sterk vernauwd wordt. ’t Strekt zich uit naar ’t Noorden tot aan de Finbosschen en naar ’t Zuiden tot het Wermermeer. Vele gemeenten liggen langs den oever; maar Broby is de grootste en rijkste. Die neemt een groot stuk van den oostelijken en westelijken oever in; maar aan de westkust liggen de groote hoeven, zulke landgoederen als Ekeby en Björne, ver beroemd om hun rijkdom en schoonheid, en het groote dorp Broby met de herberg, ’t stadhuis, de woning van den leensman, de pastorie en de markt.

Broby ligt op een steile helling. De bedelaar was de herberg voorbij gegaan, die aan den voet van den heuvel ligt, en werkte zich nu omhoog naar de pastorie, die het hoogst ligt.

Voor hem ging een klein meisje denzelfden weg; zij trok een slee voort, met een zak meel er op. De bedelaar haalde haar in en sprak haar aan.

„Dat is een klein paardje voor een groote lading,” zei hij.

’t Kind keek om en zag hem aan. Het was een klein ding van twaalf jaar, met doordringende, scherpe oogen en saamgeknepen lippen.

„’t Was te wenschen dat ’t paard kleiner en de lading grooter was; dan kwam ik er langer mee toe,” antwoordde zij.

„Is het soms je eigen voer, dat je naar huis sleept?”

„Ja, God beware me. Ik moet voor mijn eigen eten zorgen, zoo klein als ik ben.”

De bedelaar sloeg de hand aan de slee en duwde die voort. ’t Meisje wendde zich om en zag naar hem.

„Je moet niet denken, dat je er iets voor krijgt,” zei ze.

De bedelaar lachte luid. „Je bent zeker de dochter van den dominé uit Broby,” zei hij.

„Ja, dat ben ik. Een armer vader heeft menigeen, maar een slechter vader heeft niemand. ’t Is de heilige waarheid, al is ’t ook schande, dat zijn eigen kind het zeggen moet.”

„Hij is zeker gierig en kwaadaardig, je vader?”

„Gierig is hij, en kwaadaardig ook, maar zijn dochter wordt nog erger, als ze leven blijft,” zeggen de menschen.

„’t Kan best zijn, dat de menschen gelijk hebben. Ik zou wel eens willen weten hoe je aan dien zak meel gekomen bent.”

„Dat kan ik je wel zeggen. Ik heb koren van morgen uit vaders schuur gehaald en ben er nu mee naar den molen geweest.”

„Maar ziet hij je nu niet, als je er nu mee thuis komt?”

„Jij bent ook niet slim. Vader is uit op huisbezoek. Dat kun je toch wel begrijpen.”

„Maar daar komt iemand achter ons de hoogte oprijden. Ik hoor de sneeuw kraken onder de slee. Als hij dat nu eens was!”

’t Meisje luisterde en tuurde. Plotseling begon ze luid te schreien. „’t Is vader,” snikte ze. „Hij slaat me dood! Hij slaat me dood.”

„Ja, nu is goede raad duur, en wie gauw helpt, helpt dubbel,” zei de bedelaar.

„Hoor eens,” zei ’t kind, „jij kunt me helpen. Neem het touw en trek de slee voort; dan neemt vader dat hij van jou is.”

„Maar wat moet ik er mee doen?” vroeg de bedelaar, en nam het touw over den schouder.

„Ga er mee heen waar je wilt, maar kom er mee naar de pastorie als ’t donker wordt. Ik zal je wel opvangen.”

„Ja, dat kan ik wel doen.”

„Wee je gebeente, als je niet komt!” riep het meisje, en draafde weg, om vóór haar vader thuis te zijn.

Met een bezwaard hart keerde de bedelaar om en ging met de slee naar de herberg. De stumper had een heerlijken droom gehad, terwijl hij daar in de sneeuw liep met zijn halfnaakte voeten. Hij had aan de groote bosschen loopen denken, ten noorden van ’t Löfvenmeer, de groote Fin-bosschen.

Hier, in de gemeente Broby, waar hij nu rondzwierf langs ’t smalle water tusschen ’t boven- en ’t beneden-Löfvenmeer, in deze streken, beroemd om hun rijkdom en vreugde, waar landgoed aan landgoed en ijzermijn naast ijzermijn te vinden zijn, viel hem de weg te zwaar; de kamers waren hem te eng, de bedden te hard. Hier verlangde hij zoo bitter naar den vrede in de groote, eeuwige bosschen.

Hier hoorde hij op iederen dorschvloer de vlegels klepperen, alsof ’t dorschen nooit een einde zou nemen. Timmerhout en steenkool werden bij ladingen vol uit de onuitputtelijke wouden hierheen gebracht. Eindelooze rijen wagens met erts werden langs de wegen met diepe wielsporen, door honderden voorgangers getrokken, naar boven gehaald. Hij zag sleden van hoeve naar hoeve gaan, en ’t kwam hem voor, als hield blijdschap de teugels, als stonden schoonheid en liefde op zij van de sleden.

Ach, hoe liep die stumper daar te verlangen naar den vrede in de groote, eeuwige bosschen.

Daar, waar de boomen hoog en rank als zeilen opsteken uit de effen vlakte, waar de sneeuw in zware lagen op de onbewegelijke takken rust, waar de wind geen macht heeft, maar alleen heel stil met de naalden in de toppen spelen kan, daarheen wilde hij, al verder en verder daarin, tot eindelijk zijn krachten hem zouden begeven, en hij neer zou zinken onder de groote boomen en sterven van kou en honger.

Hij verlangde naar het groote, suizende graf, daar bij het Löfvenmeer, waar de macht der vernietiging hem meester worden kon, waar het eindelijk kou, honger, vermoeidheid en brandewijn gelukken zou zijn ellendig lichaam te vernielen, dat tot nu toe alles uitgehouden had.

Hij was bij de herberg gekomen, en wilde tot den avond wachten. Hij ging in de gelagkamer, en zat in doffe rust op een bank bij de deur, en droomde van de eeuwige bosschen.

De waardin had medelijden met hem, en gaf hem een glaasje van haar sterken, zoeten brandewijn. En zij gaf er hem nog een, omdat hij er zoo dringend om vroeg.

Meer wilde zij hem niet geven en de bedelaar werd wanhopend. Hij moest meer hebben van dien sterken, heerlijken brandewijn. Hij moest nog eens ’t hart in zich voelen opspringen van vreugde en zijn gedachten opvlammen in een roes. O, dat gezegend brouwsel! Zomerzon, vogelgezang, al de geuren en schoonheid van den zomer zweefden er over heen. Nog éens, eer hij verdwijnt, wil hij geluk en zonneschijn indrinken.

Toen ruilde hij eerst het meel, toen den zak en eindelijk de slee – alles voor brandewijn. Daardoor kreeg hij een goeden roes en sliep het grootste gedeelte van den middag op een bank in de gelagkamer.

Toen hij wakker werd, zag hij in, dat er in de wereld maar éen ding voor hem overbleef. Nu dit ellendige lichaam zóozeer zijn ziel beheerschte, nu hij voor drank kon weggeven wat een kind hem had toevertrouwd, nu hij een schandvlek op de aarde geworden was, moest hij die verlossen van zijn ellende. Hij moest zijn ziel de vrijheid hergeven – haar naar God laten gaan.

Hij lag op de bank in de gelagkamer, en hield gericht over zichzelf: „Gösta Berling, afgezette predikant, beschuldigd het eigendom van een hongerig kind verdronken te hebben, wordt ter dood veroordeeld. Tot welken dood? Tot den dood in de sneeuw.”

Hij greep zijn muts en wankelde naar buiten. Hij was nog niet geheel wakker en ook niet geheel nuchter. Hij schreide, uit medelijden met zichzelf, over zijn arme, vernederde ziel, die hij de vrijheid hergeven moest.

Hij ging niet ver en bleef op den weg. Aan den kant lag een hooge sneeuwhoop, waarin hij zich neerwierp om te sterven. Hij sloot de oogen en beproefde te slapen.

Niemand weet hoe lang hij daar lag, maar er was nog leven in hem, toen het dochtertje van den predikant te Broby langs den weg kwam loopen, met een lantaarn in de hand, en hem in de sneeuw aan den kant vond. Zij had uren op hem gewacht. Nu kwam zij den Brobyheuvel afhollen, om te weten te komen waar hij toch bleef.

Ze herkende hem dadelijk en begon hem te schudden en uit alle macht te schreeuwen om hem wakker te krijgen.

Ze moest weten wat die man met haar meelzak gedaan had. Ze moest hem in ’t leven terugroepen, ten minste zóó lang, dat hij haar zeggen kon, wat er van haar slee en haar zak geworden was. Haar vader zou haar doodslaan, als hij hoorde, dat zij zijn slee had weggemaakt. Zij beet den bedelaar in de vingers, krabde hem in ’t gezicht en schreeuwde als een wanhopende.

Daar kwam iemand langs den weg aanrijden.

„Voor den duivel! Wie schreeuwt daar zoo?” vroeg een barsche stem.

„Ik wil weten, wat hij met mijn slee en mijn zak met meel gedaan heeft,” jammerde het kind en sloeg den bedelaar met de gebalde vuisten op de borst.

„Krabbel jij een doodgevroren man? Weg met jou, krabbekat!”

De stem was van een groote, grof gebouwde vrouw. Zij kwam uit de slede en ging naar den sneeuwhoop. ’t Kind nam ze bij den nek en wierp het op zij van den weg; toen boog ze zich neer, schoof den arm onder den rug van den bedelaar en lichtte hem op. Toen droeg zij hem in de slee en legde hem er in neer. „Kom mee naar de herberg, jou heks!” riep ze tegen het meisje: „dan kunnen we hooren, wat jij van hem weet.”

Een uur later zat de bedelaar op een stoel bij de deur in de „mooie kamer” van de herberg, en voor hem stond de krachtige vrouw, die hem uit den sneeuwhoop gered had.

Zooals Gösta Berling haar nu zag, zooals ze uit de steenkoolbergplaatsen in ’t bosch kwam, met zwarte handen en een stompje pijp in den mond, met een korte lamspels zonder voering aan, met een kleed van gestreept, zelf gesponnen wollen goed, de schoenen met ijzerbeslag en een mes in een schee voor in haar borst, tusschen de plooien van haar pels, met het grijze haar glad weggestreken van haar mooi oud gezicht – zoo had hij haar honderdmaal hooren beschrijven, en hij begreep, dat de beroemde majoorsvrouw van Ekeby voor hem stond.

Zij was de machtigste vrouw in Wermeland, meesteres van zeven ijzermijnen, gewend te bevelen en gehoorzaamd te worden; hij was maar een ellendige, ter dood veroordeelde stumper, van alles ontbloot, met de bewustheid, dat elke weg hem te zwaar, elke kamer hem te eng was. Hij beefde van angst terwijl haar blik op hem rustte.

Zij stond zwijgend neer te zien op dat hoopje menschelijke ellende daar vóor haar, op die roode, gezwollen handen, die vermagerde gestalte en dat prachtige hoofd, dat, hoe vervallen en verwaarloosd ook, nog een woeste schoonheid vertoonde.

„Je bent immers Gösta Berling, de gekke dominé?” vroeg zij.

De bedelaar bleef onbeweeglijk zitten.

„Ik ben de Majoorske van Ekeby.”

Een rilling ging den bedelaar door de leden. Hij vouwde de handen en sloeg de oogen verlangend op. Wat zou zij met hem doen? Zou ze hem dwingen te leven? Hij beefde voor haar kracht. Ach, hij was den vrede der eeuwige bosschen zoo nabij geweest.

Zij begon den strijd met hem te zeggen, dat de dochter van den predikant haar slee en haar meel teruggekregen had, en dat zij, de Majoorske, een tehuis voor hem had, in den vleugel van de „kavaliers,” op Ekeby. Zij bood hem een leven van vreugd en heerlijkheid aan, maar hij antwoordde, dat hij sterven moest.

Toen sloeg zij met de vuist op tafel en zei hem de waarheid in ronde woorden.

„Zoo! Wil jij sterven? Ja, dat zou me niet verbazen – als je maar leefde! Maar kijk eens naar je uitgemergeld lichaam, je krachtelooze leden, je matte oogen. Meen je, dat er nog wat over is om dood te maken? Meen je soms, dat je precies in een dicht gespijkerde kist moet liggen om dood te zijn? Geloof je, dat ik niet zie hoe dood je bent, Gösta Berling?

„Ik zie, dat er een grijnzend doodshoofd op je schouders zit; ik zie, dunkt me, de wormen uit en in je oogkassen kruipen. Voel je niet, dat je mond vol aard zit? Kun je je knokkels niet hooren rammelen als je je beweegt? Je hebt je in brandewijn verdronken, Gösta Berling, en dood ben je al lang! Wat zich nu nog in je beweegt, zijn je doodsbeenderen, en die wil je niet eens laten voortbestaan!

„’t Is er ook een bestaan naar. ’t Is even dwaas alsof je de dooden een dans over de graven in den maneschijn niet gunt.

„Schaam je je omdat je dominé geweest bent? En wil je daarom sterven? Ik moet je zeggen, dat ’t heel wat behoorlijker zijn zou als je je gaven gebruiken wou en nog wat nut doen in Gods groote wereld.

„Waarom kwam je niet dadelijk bij mij? Ik zou dat wel in orde gemaakt hebben.

„Nu meen je zeker, dat ’t een heele eer is, als ze je op de spaanders leggen en dan zeggen dat je zoo’n mooie doode bent!”

De bedelaar zat nu rustig, half glimlachend naar haar boos gebulder te luisteren, „’t kan geen kwaad! niets geen kwaad!” jubelde ’t in hem. „De eeuwige bosschen wachten, en zij heeft geen macht mij daar vandaan te houden.”

Maar de Majoorske zweeg en liep een paar keer de kamer op en neer. Toen ging zij bij de kachel zitten, zette de voeten tegen ’t vuur en leunde met de ellebogen op de knieën.

„Alle duivels,” zei ze en lachte in zichzelf. „Wat ik zeg is zóo waar, dat ik ’t zelfs nauwlijks gemerkt heb. Geloof je niet, dat de meeste menschen dood of ten minste halfdood zijn? Geloof je dat ik leef? Och neen, och neen!

„Ja, kijk me maar aan! Ik ben Majoorske van Ekeby, en ik ben wel de machtigste vrouw van ’t heele Wermeland, zou ik denken. Als ik wenk met éen vinger, danst de burgemeester, wenk ik met twee, dan danst de bisschop, en wenk ik met drie, dan dansen de raadsleden en de hooge geestelijkheid en alle eigenaars van mijnen in heel Wermeland naar mijn pijpen op de markt in Karlstad. Voor den duivel, dominé, ik zeg je: ik ben een aangekleed lijk. Onze lieve Heer weet ’t best, hoe weinig leven er in me is.”

De bedelaar boog zich voorover en luisterde met heel zijn ziel. De oude Majoorske zat voor ’t vuur en wiegde heen en weer. Ze zag hem niet aan onder ’t spreken.

„Geloof je niet,” ging ze voort, „dat, als ik een levend mensch geweest was, dat je daar zag zitten, ellendig en ongelukkig, met gedachten aan zelfmoord in je hart, dat ik die niet in een oogenblik had kunnen wegblazen? Ik had dan tranen en gebeden voor je gehad, die alles in je onderste boven zouden gehaald hebben. Ik had dan je zondige ziel kunnen redden. Maar nu ben ik dood! Onze lieve Heer weet, hoe weinig leven er in me is!

„Heb je gehoord dat ik eens de mooie Margaretha Celsing was? Dat is lang geleden; maar nog kan ik mijn oogen rood schreien over haar! Waarom moest Margaretha Celsing sterven en Margaretha Samzelius leven – waarom moet de Majoorske van Ekeby leven? Kun jij me dat zeggen, Gösta Berling?

„Weet je hoe Margaretha Celsing was? Ze was slank en fijn, schuchter en onschuldig, Gösta Berling. Zij was een, op wier graf engelen schreien. Ze wist van geen kwaad en niemand had haar ooit leed gedaan. Zij had allen lief. En wonderlijk mooi was ze.

„Er was een man, heerlijk om te zien. Hij heette Altringer. Niemand weet hoe het kwam dat hij daar boven kwam, waar haar ouders hun landgoed hadden. Hem zag Margaretha Celsing; hij was schoon, hij was een man en hij had haar lief. Maar hij was arm en zij kwamen overeen, dat zij op elkaar zouden wachten, „vijf jaar lang” zooals ’t volksliedje zegt.

„Toen er drie jaar voorbij waren”, vervolgde de Majoorske, „kreeg zij een ander aanzoek. De man was leelijk; maar hare ouders meenden, dat hij rijk was, en zij dwongen haar met praatjes en overredingen, met slaag en booze woorden, hem tot man te nemen. Op dien dag stierf Margaretha Celsing. Sinds dien tijd bestond zij niet meer, alleen maar de Majoorske Samzelius, en die was niet goed, niet schuchter; zij geloofde aan veel kwaad en lette niet op het goede. Je weet wel hoe ’t later ging: we woonden op Sjö, hier bij ’t meer Löfven, de Majoor en ik. Maar hij was niet rijk zooals de menschen gezegd hadden. Ik heb vaak zware dagen gehad.

„Toen kwam Altringer terug, en nu was hij rijk. Hij werd eigenaar van Ekeby en onze buurman op Sjö; hij werd eigenaar van nog zes andere landgoederen bij ’t meer Löfven; hij was flink en ondernemend. Hij was een heerlijk man! Hij hielp ons in onze armoede; wij reden in zijn rijtuigen; hij zond eten voor onze keuken en wijn voor onzen kelder. Hij vulde mijn leven met feesten en blijdschap. De majoor ging op reis; hij moest naar den oorlog; maar wat kon ons dat schelen! Den eenen dag was ik zijn gast op Ekeby, den anderen dag kwam hij naar Sjö! O! daar ging een rondedans van vreugde om de oevers van ’t meer Löfven.

„Maar toen begonnen zij kwaad te spreken van Altringer en mij. Had Margaretha Celsing nog geleefd, dan zou haar dat zeker bedroefd gemaakt hebben, maar ik gaf er niet om. Toch begreep ik nog niet, dat het kwam omdat ik dood was, dat ik zoo ongevoelig was.

„De praatjes over ons bereikten mijn vader en moeder, die bij den kolenbrander, en in ’t bosch bij Elvedal woonden. Zij bedacht zich niet lang, de oude, maar kwam naar mij toe, om met mij te spreken.

„Op een dag, dat de Majoor uit was en ik met Altringer en nog vele anderen aan tafel zat, kwam zij naar Sjö. Ik zag haar de eetzaal inkomen, maar ik voelde niet, dat zij mijn moeder was, Gösta Berling. Ik groette haar als een vreemde en noodigde haar uit mee aan te zitten en aan den maaltijd deel te nemen. Zij wilde mij toespreken alsof ik haar dochter was; maar ik antwoordde, dat zij zich vergiste: mijn ouders leefden niet meer; zij waren beiden overleden op mijn trouwdag.

„Toen kwam zij in haar rol. Zeventig jaar was ze, en dertig mijl had ze gereden in drie dagen. Zij zette zich eenvoudig aan onze tafel en at mee. Ze was een krachtige, oude vrouw. Zij zeide dat het treurig was, dat ik juist op dien dag zulk een verlies geleden had. „Het treurigste was,” zeide ik, „dat mijn ouders niet den vorigen dag gestorven waren, want dan was er van dat huwelijk niets gekomen.”

„„Is mevrouw de Majoorske dan niet tevreden met haar huwelijk?” vroeg zij toen.”

„„Ja, zeker,” antwoordde ik, „nu ben ik tevreden. Ik zal altijd tevreden zijn, als ik gehoorzaam aan den wil van mijn lieve ouders.”

„Zij vroeg toen of het de wil van mijn ouders was, dat ik schande over hen en mijzelve bracht en mijn man bedroog. Ik bewees mijn ouders niet veel eer door mijzelf in opspraak te brengen.

„„Zij krijgen loon naar werken,” antwoordde ik. En verder moest mijn gast weten, dat ik niet toelaten kon, dat iemand de dochter van mijn ouders beleedigde.

„Wij beiden aten. Maar de mannen om ons heen zaten zwijgend en konden mes noch vork bewegen.

„De oude bleef een dag en nacht rusten; toen vertrok zij. Maar in al dien tijd kon ik niet begrijpen, dat ze mijn moeder was. Ik wist alleen, dat mijn moeder dood was.

„Bij haar vertrek, Gösta Berling, stond ik naast haar op de stoep, en de wagen was voor, en toen zeide zij tot mij:

„„Een dag en een nacht ben ik hier geweest, zonder dat je mij als je moeder hebt willen erkennen. Langs eenzame wegen ben ik hierheen komen reizen, dertig mijlen in drie dagen. En van schaamte over je gedrag beeft mijn oud lichaam, alsof ik met roeden geslagen ben. Mocht je eens verloochend worden, zooals ik verloochend ben, verstooten, zooals je mij verstooten hebt. De weg worde je thuis, de sloot je bed, de kolenbranderij je haard, schande en vernedering je loon. Anderen zullen je slaan, zooals ik je nu sla!”

„En zij gaf mij een harden slag op de wang. Maar ik nam haar op, droeg haar de stoep af en zette haar in den wagen.

„„Hoe durf je mij te vloeken?” vroeg ik. „Hoe durf je mij te slaan! Dat verdraag ik van niemand.”

„En ik gaf haar de oorvijg terug.

„Op ’t zelfde oogenblik reed de wagen weg: maar toen, op dàt oogenblik, Gösta Berling, wist ik dat Margaretha Celsing dood was. Zij was goed en onschuldig; zij wist van geen kwaad. Engelen zouden op haar graf geschreid hebben. Als zij geleefd had, zou ze nooit haar moeder geslagen hebben.”

De bedelaar aan de deur had geluisterd, en de woorden hadden voor een oogenblik het ruischen van de eeuwige bosschen overstemd. Zie! die machtige, rijke vrouw, zij maakte zich tot zijn gelijke in zonde, tot zijn zuster, tot een verlorene als hij, om hem moed te geven om te leven. Zoo moest hij leeren, dat er smart en schuld op andere hoofden dan het zijne drukte. Hij stond op en ging naar de Majoorske toe.

„Wil je nu leven, Gösta Berling?” vroeg ze, met een stem door tranen gebroken. „Waarom wil je sterven? Je zoudt een uitstekend predikant geworden zijn; maar nooit was die Gösta Berling, dien je in den brandewijn verdronken hebt, zóó stralend van onschuld en reinheid, als die Margaretha Celsing, die ik in haat smoorde. Wil je leven?”

Gösta viel naast haar op de knieën.

„Ik ben maar een oude vrouw,” zei de Majoorske, „door veel verdriet hard geworden. En ik zit hier en geef me bloot voor een bedelaar, dien ik half doodgevroren in een sneeuwhoop aan den weg vind. Ik heb niet beter verdiend! Ga maar heen, en wordt een zelfmoordenaar, dan kun je in ieder geval een ander niet van mijn schande vertellen.”

„Ik ben geen zelfmoordenaar. Ik ben een ter dood veroordeelde. Maak mij den strijd niet te zwaar. Ik kan niet leven. Mijn lichaam heerscht over mijn ziel; daarom moet ik dien vrij laten en haar naar God laten gaan.”

„Zoo? Geloof je dan, dat ze bij God komt?”

„Vaarwel, Majoorske Samzelius… ik dank u.”

„Vaarwel, Gösta Berling.”

De bedelaar stond op en ging met gebogen hoofd en sleependen tred naar de deur.

Die vrouw maakte hem den weg naar de groote bosschen moeilijk.

Toen hij bij de deur was, moest hij omzien.

Toen ontmoetten zijn oogen die van de Majoorske, die hem stil nazag. Hij had nooit zulk een verandering op een gezicht gezien, en hij bleef staan en staarde haar aan. Zij, die pas nog boos en dreigend geweest was, zat stil, als verheerlijkt, en haar oogen straalden van erbarmende, medelijdende liefde. Het was hem als brak er iets in hem, in zijn eigen verwildert hart; het brak door dien blik. Hij leunde zijn voorhoofd tegen den deurpost, hief de armen boven het hoofd en schreide alsof zijn hart zou breken.

De Majoorske slingerde haar pijp in ’t vuur en ging op hem toe. Haar bewegingen werden op eens zacht als die van een moeder.

„Nu, nu, mijn jongen.”

En ze trok hem naast zich neer op de bank bij de deur, en hij schreide, met het hoofd in haar schoot.

„Wil je nu nog sterven?”

Hij wilde opspringen, maar ze hield hem vast.

„Nu zeg ik je voor ’t laatst … Je kunt doen wat je wilt. Maar dat beloof ik je: als je leven wilt, zal ik de dochter van den dominé van Broby bij me nemen en haar tot een fatsoenlijk mensch maken. Dan zal ze er God voor danken, dat je haar meel weggenomen hebt. Nu, wil je?”

Hij hief het hoofd op en zag haar in de oogen.

„Is dat ernst?”

„Ja, dat is het, Gösta Berling.”

Hij wrong de handen in angst. Hij zag die schuwe oogen voor zich, die samengeknepen lippen, die vermagerde handjes. Dat arme, kleine schepsel zou beschut en verpleegd worden, en ’t teeken van vernedering van haar lichaam en ’t kwaad uit haar ziel weggevaagd worden. Nu werd de weg naar de eeuwige bosschen voor hem afgesloten.

„Ik zal mij niet van kant maken, zoo lang zij onder uw bescherming is,” zeide hij. „Ik wist wel, dat u me te sterk waart en mij zoudt dwingen te leven.”

„Gösta Berling,” zei ze plechtig, „ik heb om je gestreden als om mijzelf. Ik heb tot God gezegd: als er nog een greintje van Margaretha Celsing in me is, sta dan toe, dat ze te voorschijn komt en dien man belet heen te gaan en zichzelf te dooden. En Hij stond dat toe. En je hebt haar gezien, en daarom kon je niet heen gaan. En zij heeft mij ingefluisterd, dat je misschien ter wille van dat arme kind je voornemen op zoudt geven. Wel vlieg jelui hoog, jelui wilde vogels, maar Onze Lieve Heer weet wel met welk net je gevangen moet worden.”

„Hij is een groot, een wonderbaar God,” zeide Gösta Berling. „Hij heeft me verlaten en verworpen; maar Hij wil mij niet laten sterven. Zijn wil geschiede!”

Van dien dag werd Gösta Berling kavalier op Ekeby. Twee keer beproefde hij vandaar weg te komen en van eigen werk te leven. Den eenen keer gaf de Majoorske hem een huis dicht bij Ekeby; hij betrok dit en probeerde te leven als arbeider. Een tijd lang ging dat goed, maar spoedig verveelde hem de eenzaamheid en ’t dagelijksch sloven – hij werd op nieuw kavalier. Den tweeden keer werd hij huisonderwijzer op Borg, bij Graaf Henrik Dohna. Toen werd hij verliefd op de jonge Ebba Dohna, de zuster van den Graaf. Maar toen zij stierf, juist toen hij geloofde haar gewonnen te hebben, gaf hij alle hoop op, ooit iets anders te worden dan kavalier op Ekeby. Het kwam hem voor alsof voor een afgezetten predikant alle wegen tot herstel van eer afgesloten waren.




I.

Kerstnacht


Sintram heet de booze grondeigenaar van Fors, hij met zijn lomp lichaam en zijn lange apenarmen, met zijn kalen kop en zijn leelijk, grijnzend gezicht, hij wiens lust het is kwaad te doen.

Sintram heet hij. Hij neemt alleen landloopers en vechtersbazen als knecht aan en heeft altijd kibbelende, leugenachtige meisjes in zijn dienst. Hij maakt de honden razend, door ze naalden in in den neus te steken en voelt zich gelukkig tusschen slechte menschen en woedende dieren.

Sintram heet hij. Zijn grootste genoegen is zich te verkleeden als duivel, met horens, een staart en een paardepoot en dan plotseling te voorschijn te schieten, uit donkere hoeken, uit bakkersovens of uit schuren, om bange kinderen en bijgeloovige vrouwen te verschrikken.

Sintram heet hij. Hij vindt er genot in oude vriendschap in nieuwen haat te doen verkeeren en de harten met leugens te vergiftigen.

Sintram heet hij! – En eens kwam hij op Ekeby.

Trek de groote houtsleê midden in de smidse; gooi er een kar over met den bodem naar boven. Nu hebben we een tafel, hoera! een tafel!

Hier met de stoelen, met alles waar je op zitten kunt, hier met de driepootige schoenmakerstoelen, en de leege kisten, hier met de oude gescheurde armstoelen zonder leuning en hier met de oude sleê zonder sleephouten en de oude koets. Ha! ha! ha! de oude koets moet het spreekgestoelte zijn! Kijk eens hier, ’t eene wiel is er af en de heele kap is verdwenen. Alleen de bok is nog over; ’t kussen is kapot van ouderdom. De oude kast is zoo hoog als een huis. Hou vast! Hou vast! Anders valt hij om!

Hoera! hoera! ’t Is kerstnacht op Ekeby! Achter de zijden gordijnen van ’t groote ledikant slapen de Majoor en de Majoorske. Zij slapen en gelooven, dat ook in den kavaliersvleugel alles slaapt. De knechts en de meiden kunnen slapen op al die rijstenbrij en ’t sterke kerstbier; maar de heeren in de kavaliersvleugel niet. Hoe kan iemand zich verbeelden dat de kavaliers slapen!

Geen smeden met bloote voeten zijn in de weer met de ijzeren stangen; de jongens met roetzwarte handen komen niet aan met de kolenwagen, de groote hamer hangt stil boven aan ’t dak, als een opgeheven arm met een gebalde vuist; ’t aanbeeld staat leeg. De ovens sperren hun roode muilen niet open om kolen te verslinden; de blaasbalg piept niet. ’t Is kerstmis. De smidse slaapt!

Slaapt! zegt ge? Slaapt! Goede hemel! Slapen als de kavaliers wakker zijn! De groote tangen staan recht overeind op den vloer met kaarsen in den bek. Uit den grooten, blinkenden koperen ketel, waar tien kan ingaat, flikkert de blauwe vlam van den punch op naar het donkere dak. De hoornen lantaarn van Beerencreutz hangt aan den grooten hamer. De gele punch blinkt in den bowl als een heldere zon. Hier is een tafel en hier zijn banken. De kavaliers houden kerstnacht in de smidse.

Hier is geraas en vroolijkheid, muziek en zang. ’t Gedruisch van ’t middernachtelijk feest wekt niemand. Al ’t getier en gestommel in de smidse wordt verdoofd door ’t machtige bruisen van den waterval daarbuiten.

Daar is geraas en vroolijkheid! Als Mevrouw de Majoorske hen nu eens zag? Nu, wat zou dat! Zij zou zeker bij hen gaan zitten en een glas meêdrinken. Ze is een flinke vrouw; zij loopt niet weg voor een donderend drinklied of een spelletje kaart. De rijkste vrouw in heel Wermeland, barsch als een man en trotsch als een koningin is ze. Ze houdt van zang, van luid klinkende waldhorens en vioolspel. Ze houdt van wijn en kaartspel en lange tafels met vroolijke gasten. Ze ziet graag de voorraadschuren leeg worden, de kamers en zalen vol dans en vroolijkheid en de kavaliersvleugel vol kavaliers.

Zie, daar zitten ze om den bowl, zij aan zij. Twaalf zijn er, twaalf kavaliers. Geen eendagsvliegen, geen modejonkers; maar mannen, wier namen lang zullen leven in Wermeland; moedige, sterke mannen.

Geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken, maar arme, zorgelooze mannen, kavaliers van den morgen tot den avond.

Geen slaperige thuiszitters, die ’t hoofd laten hangen; maar rondzwervende mannen, blijde ridders met honderd avonturen.

Nu heeft de kavaliersvleugel al vele jaren leeggestaan. Ekeby is niet meer het toevluchtsoord voor daklooze kavaliers.

Gepensionneerde officiers en arme edellieden rijden niet langer Wermeland rond in rammelende wagens; maar hier zullen ze herleven, de blijde, zorgelooze, altijd jonge kavaliers!

Al deze ver in ’t rond beroemde mannen konden een of meer instrumenten bespelen. Ze zijn allen zoo vol eigenaardigheden, van stopwoorden, invallen en liedjes als een mierenhoop van mieren; maar elk van hen heeft toch zijn bijzondere, hem alleen eigen, deugd, zijn hoog gewaardeerde kavalierseigenschap, die hem van de anderen onderscheidt.

’t Eerst van allen die om den bowl zitten wil ik Beerencreutz noemen, de overste met den grooten witten knevel, de kaartspeler, de zanger van Bellmans liederen, en naast hem zijn vriend en oorlogmakker, de stille Majoor, de groote berenjager Anders Fuchs, en als de derde in de rij de kleine Ruster, de tamboer, die lang oppasser bij den overste geweest is; maar den rang van kavalier gewonnen heeft door zijn bekwaamheid in ’t punch maken en zijn mooie basstem. Daarna moet de oude vaandrig vermeld worden, Rutger van Örneclou, de hartenbreker, met pruik, stijve witte das en jabot en geblanket als een vrouw. Hij is een van de uitstekendste onder de kavaliers en dat was ook Kristiaan Bergh, de sterke kapitein, een dapper held , maar even gemakkelijk beet te nemen als de reus in het sprookje. In gezelschap van deze twee zag men vaak de kleine, kogelronde patroon Julius, vroolijk en blij, een helder hoofd, goed spreker, schilder, zanger en anekdotenverteller. Hij koos vaak den jichtigen vaandrig en den dommen als mikpunt voor zijn dwaze invallen.

Dan was er ook de groote Duitscher Kevenhüller, de uitvinder van de vanzelf rijdende wagen en ’t vliegmachine, wiens naam nog door de ruischende bosschen weerklinkt. Hij was een ridder van geboorte en uiterlijk, met grooten gedraaiden knevel, spitsen kinbaard, arendsneus en smalle in een stralenkrans van rimpels, schuin geplaatste oogen. Hier zat de groote krijgsheld, neef Christoffel, die nooit buiten de wanden van den kavaliersvleugel kwam, dan als er berenjacht was, of kans op een gewaagd avontuur; en naast hem Oom Eberhard, de filosoof, die niet om grappen te maken of feest te vieren naar Ekeby was getrokken, maar om, vrij van geldzorgen, zijn groot werk over de wetenschap bij uitnemendheid te voltooien.

’t Laatst van allen noem ik de besten: de zachtmoedige Löwenborg, de vrome man, die te goed voor deze wereld was en de wereldsche zaken maar niet best kon vatten en Liljecrona, de groote musicus, die een goed tehuis had en daar altijd naar verlangde; maar toch op Ekeby blijven moest, omdat zijn geest behoefte had aan rijkdom en afwisseling om het leven uit te kunnen houden.

Al die elf mannen hadden hun jeugd achter zich en enkelen waren reeds op weg naar den ouden dag. Maar in hun midden was een, die nog pas dertig jaar oud was en nog in ’t volle bezit van zijn lichamelijke en geestelijke kracht. Dat was Gösta Berling, de kavalier bij uitnemendheid, die alleen beter spreker, zanger, musicus, jager, drinker en speler was, dan al de anderen te samen. Hij bezat alle kavaliersdeugden. Welk een man had de Majoorske van hem gemaakt!

Zie, hoe hij nu op ’t spreekgestoelte staat. De duisternis hangt van ’t berookte dak in zware plooien over hem heen, maar zijn licht hoofd straalt er door, als dat van een jongen God, een der lichtdragers, die orde in den chaos bracht; slank, schoon, dorstend naar avonturen staat hij daar.

Maar hij spreekt met diepen ernst:

„Broeders, kavaliers! weldra zal het middernacht zijn. ’t Feest is reeds ver gevorderd. Het oogenblik is daar om te drinken op den dertienden man aan tafel.”

„Lieve broeder Gösta!” roept patroon Julius, „hier is geen dertiende, wij zijn maar met ons twaalven!”

„Op Ekeby sterft ieder jaar een man,” gaat Gösta met steeds dieper stem voort. „Een van de gasten in den kavaliersvleugel sterft, een van de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig jongen. Wat zou dat? Kavaliers moeten niet oud worden. Als onze bevende handen het glas niet meer kunnen omhoog heffen, als onze halfblinde oogen de kaarten niet meer kunnen onderscheiden, wat hebben wij dan aan ’t leven en wat heeft het leven dan aan ons? Een moet sterven van de dertien, die den Kerstnacht vieren op Ekeby, maar ieder jaar komt er een nieuwe bij om ’t getal vol te maken. Een man, die bekwaam is in ’t werk der vreugde, die een viool kan bespelen en de kaarten kent, moet komen, om onzen kring voltallig te maken. Oude vlinders moeten weten te sterven, terwijl de zomerzon schijnt. Ik drink op den dertiende!”

„Maar Gösta, wij zijn maar met ons twaalven,” riepen de kavaliers en roerden hun glas niet aan.

Gösta Berling, dien zij de dichter noemden, schoon hij nooit gedichten schreef, ging kalm voort:

„Broeders, kavaliers. Hebt ge vergeten, wie gij zijt? Gij zijt het, die de vreugde in ’t leven houdt in Wermeland. Gij moet de strijkstok vaart geven en den dans in gang zetten; zang en snarenspel laten klinken door ’t land. Waart gij er niet – de dans zou uitsterven; met den zomer, de rozen, het kaartspel en den zang was het gedaan en in heel dit gezegende land zou er niets dan ijzer en grondeigenaars overblijven. Maar de vreugde zal leven, zoolang gij leeft! Zes jaar achtereen reeds hebt gij den Kerstnacht gevierd in de smidse van Ekeby en nooit heeft iemand geweigerd op den dertienden te drinken. Wie is er onder u, die bang is voor den dood?”

„Maar Gösta,” riepen ze weer, „als we maar met ons twaalven zijn, hoe kunnen we dan op den dertiende drinken!”

Ernstige bekommering staat op Gösta’s gezicht te lezen. „Zijn wij maar met onzen twaalven?” zegt hij. „Waarom is dat? Zullen wij uitsterven op aarde? Zullen we dan ’t volgende jaar met ons elven zijn? – En dan met ons tienen? Moet ons leven een sage worden – te gronde gaan? – Ik roep hem hier, den dertiende, want ik ben opgestaan om op hem te drinken. Uit de diepte der zee, en ’t hart der aarde, uit den hemel, uit den hel roep ik hem hier, die ’t getal der kavaliers moet aanvullen!”

Daar rammelt het in den schoorsteen, daar vliegen de deuren van den grooten smeltoven open, daar komt de dertiende! Ruig van ’t hoofd tot de voeten, met staart en paardenpoot, met horens en spitsen baard, en de kavaliers springen op met een kreet als ze hem zien.

Maar luid jubelend roept Gösta Berling: „De dertiende is gekomen? Leve de dertiende!”

Zoo is hij dan gekomen, de oude vijand van ’t menschdom, gekomen bij de vermetelen, die den vrede van den heiligen nacht verstoren; de vriend van de heksen op den Bloksberg, hij, die zijn contracten met bloed op pikzwart papier schrijft, hij, die met de gravin op Ivarsnäs zeven dagen danste en door zeven predikanten niet verdreven kon worden. Hij is gekomen!

In woeste vaart vliegen de gedachten door de hoofden der oude avonturiers. Zij denken er over om wien hij vannacht zou zijn uitgegaan.

Velen van hen waren op ’t punt van schrik weg te loopen; maar al spoedig begrepen ze, dat hij niet gekomen was om hen bij zich in zijn duister rijk te nemen, maar dat het klinken der bekers en de zang hem gelokt hadden. Hij wilde de vreugde der menschen genieten in den heiligen Kerstnacht en den last der regeering afwerpen in dezen tijd van blijdschap.

Kavaliers, kavaliers! wie van u denkt er aan, dat het Kerstnacht is? Op dit oogenblik zingen de engelen voor de herders op het veld; de kinders in bed liggen wakker en zijn bang dat ze zóó vast in zullen slapen, dat ze ’t heerlijk morgenlied niet hooren. Straks is het tijd, de kerstlichten in de kerk te Bro aan te steken en diep in ’t bosch, bij de hut heeft de jonge man de knetterende houtmijt opgestapeld, die zijn liefste zal voorlichten op weg naar de kerk. In alle kleine huisjes heeft de huismoeder takjes met lichtjes er aan in het venster gezet, om aan te steken, als de kerkgangers voorbij kwamen.

De klokkenluider overhoort zich zelf de kerstpsalmen in den slaap en de oude proost ligt te bed en probeert of hij stem genoeg heeft om te zingen: „Eere zij God in den hooge, vrede op aarde, en in de menschen een welbehagen.”

Och, kavaliers, het was beter voor u geweest in deze nacht van vrede, rustig te bed te gaan dan omgang met den Booze te plegen.

Maar zij begroeten hem met gejubel en heeten hem welkom, even als Gösta. Een beker met den brandenden drank gevuld, wordt hem voorgezet en zij geven hem de eereplaats aan tafel. Beerencreutz noodigt hem uit tot een spelletje kaart, Patroon Julius zingt hem zijn mooiste liederen voor en Örneclou spreekt met hem over schoone vrouwen, die hemelsche wezens, die het aardsche leven met rozen doorwezen. Hij heeft het naar zijn zin, de gehoornde en leunt in vorstelijke houding achterover tegen den ouden koetsiersbok, en brengt den beker aan zijn grijnzenden mond.

Gösta Berling slaat natuurlijk een toast op hem.

„Uwe Excellentie!” zegt hij. „Wij hebben U al lang verwacht hier op Ekeby, want U zult wel geen toegang hebben tot eenig ander paradijs. Hier leeft men zonder te zaaien of te spinnen, zooals Uwe Excellentie zeker wel weet. Hier vliegen ons de gebraden duiven in den mond; hier vloeien sterk bier en zoete brandewijn in alle beekjes en stroomen. ’t Is hier een goed verblijf, onthoud dat, Uwe Excellentie.

„Wij, kavaliers, hebben werkelijk naar U verlangd, want wij waren nog niet recht voltallig tot nu toe. Want zie, wij zijn iets meer dan wij toonen. Wij zijn de oude groep van twaalve uit de poëzie, die door alle tijden heen gaat. Met ons twaalven bestuurden wij de wereld van den hoogen, door wolken omringden top van den Olympus. Met ons twaalven woonden wij als vogels in den kroon van Yggdrasil, den ouden wereldeik. Zaten wij niet met ons twaalven met koning Arthur om de ronde tafel en prijkten we niet als twaalf helden in ’t leger van Karel den Groote? Een van ons was Thor, een ander Jupiter – dat kan ieder heden ten dage ons nog aan zien. Nog kan men den goddelijken glans zien stralen door de lompen, nog ziet men de leeuwenmanen door de ezelshuid heen. De tijd heeft ons ruw behandeld, maar als wij hier zijn, wordt de smidse een Olymp en de kavaliersvleugel een Walhalla.

„Maar, Uwe Excellentie, wij waren niet voltallig. Gij weet wel, dat in groep van twaalve der oude poëzie altijd een Loke, een Prometheus, een Ganelon moest zijn. Hem hebben wij gemist.

„Uwe Excellentie, ik heet U welkom!”

„Zoo, zoo,” zegt de Booze. „Mooie woorden, mooie woorden! En ik heb geen tijd om te antwoorden! Zaken, lieve vrienden, zaken. Ik moet onmiddellijk weg, anders zou ik me gaarne tot uwe beschikking stellen in welke rol dan ook. Ik dank U zeer voor uw vriendelijke ontvangst, kameraden. Tot weerziens.”

Daarop vragen de kavaliers, waar hij heen gaat, en hij antwoordt, dat hij naar de Genadige vrouw van Ekeby moet; dat mevrouw de Majoorske hem wacht om haar contract te vernieuwen. Groote verbazing onder de kavaliers. Een strenge, bekwame vrouw is ze. Op haar breede schouders draagt ze een ton rogge. Ze volgt het ertstransport van de berggroeve heel tot Ekeby toe. Ze slaapt als een wagenmenner op den grond in de schuur met een zak onder het hoofd. ’s Winters kan ze een kolenbranderij besturen, ’s zomers een houtvlot ’t Löfvenmeer af brengen. Een kloeke vrouw is ze, die weet te bevelen. Ze vloekt als een boerenknecht en ze regeert haar zeven bergwerken en de hoeven van haar buren er bij, ja heel het mooie Wermeland. Maar voor de daklooze kavaliers is ze als een moeder geweest en daarom wilden ze niet luisteren naar den laster, die fluisterde, dat ze een verbond met den duivel gesloten had. Dus vragen ze verwonderd, welk contract ze met hem gesloten heeft.

En hij, de zwarte, antwoordt, dat hij de Majoorske de zeven bergwerken geschonken heeft onder voorwaarde, dat ze hem ieder jaar een ziel zenden zou.

O, welk een ontzetting doet de harten der kavaliers ineenkrimpen!

Ze wisten het immers wel, maar ze hadden ’t tot nu toe niet begrepen. Op Ekeby sterft ieder jaar een man, een der gasten der kavaliersvleugel sterft, een van de blijden, de zorgeloozen, de eeuwig jongen; nu, wat zou dat! – Kavaliers moeten niet oud worden. Als hun bevende handen het glas niet meer kunnen opheffen, als hun halfblinde oogen de kaarten niet meer kunnen onderscheiden, wat hebben zij dan aan ’t leven en wat heeft het leven dan aan hen? Vlinders moeten weten te sterven, terwijl de zon schijnt.

Maar nu eerst begrepen zij alles.

Wee over die vrouw! daarom geeft ze hen dus zoo menig goeden maaltijd, daarom liet zij hen haar sterk bier en zoeten brandewijn drinken, opdat zij uit de drinkzaal en van de speeltafel op Ekeby neer zullen storten in ’t rijk der verdoemenis. Eén per jaar, ieder jaar één!!

Wee die vrouw, die heks! Sterke, dappere mannen waren hier naar Ekeby gekomen – maar alleen om te vergaan. Zij leidde hen te verderve; hun hersens werden als sponzen, hun longen als droge asch, hun geest werd verduisterd, als ze neerzonken op ’t sterfbed, bereid voor de lange hopelooze reis, die hun de ziel zou kosten. Wee over die vrouw! Zoo zijn beter mannen dan zij gestorven en zoo zullen zij ook heengaan.

Maar niet lang staan de kavaliers daar als verlamd van schrik. „Jij, koning der duisternis!” roepen ze uit, „met die heks zul je nooit meer je contracten sluiten en ze met bloed schrijven; zij zal sterven! Kristiaan Bergh, de sterke kapitein heeft den zwaarsten smidshamer over den schouder geworpen; die zal begraven worden in het hoofd van dat monster. Zij zal geen zielen meer offeren. En jou zelf, gehoornde zullen we op ’t aanbeeld leggen en den stoomhamer boven je loslaten. We zullen je met tangen vasthouden onder de hamerslagen. We zullen ’t je wel afleeren op jacht naar kavalierszielen te gaan.”

Laf is de booze! dat is van ouds bekend en dat praten over den stoomhamer bevalt hem niet. Hij roept Kristiaan Bergh terug en begint met de kavaliers te onderhandelen.

„Maar de zeven bergwerken voor dit jaar, kavaliers, neem ze zelf en geef mij de Majoorske.”

„Meen je, dat we even laaghartig zijn als zij!” roept Patroon Julius. „Ekeby en alle bergwerken willen we hebben. Zie jij maar, dat je de Majoorske krijgt!”

„Wat zegt Gösta hiervan, Gösta, wat zeg jij er van? Gösta moet spreken. We moeten hem hooren in zulk een gewichtige zaak.”

„’t Is allemaal onzin,” zegt Gösta Berling. „Kavaliers, laat je toch niet door hem voor den gek houden. Wat zijn wij tegenover de Majoorske! Laat het met onze zielen gaan zooals ’t moet; maar met mijn toestemming zullen we ons niet aanstellen als ondankbare vlegels, als schurken en verraders. Ik heb te lang het brood van de Majoorske gegeten om haar nu af vallen.”

„Nu, ga jij maar naar de hel, Gösta, als je daar lust in hebt. Wij willen liever zelf Ekeby regeeren.”

„Maar ben jelui dan heelemaal dwaas of heb je al je verstand verdronken? Geloof jelui dan, dat ’t waar is? Geloof je dan, dat hij de Booze is. Kun je dan niet merken, dat ’t alles vervloekte leugens zijn?”

„Hi, hi! kijk eens hier,” roept de zwarte, „hij merkt niet eens hoe ver hij al gekomen is, en toch is hij al zeven jaar op Ekeby geweest.”

„Och! praatjes, oude! Ik heb je immers zelf daar in den oven gestopt.”

„Alsof dat er wat toe deed! alsof ik daarom niet even goed een duivel kan zijn. Ja, ja Gösta Berling, je hebt praats genoeg. Je bent al mooi onder den invloed van Majoorske.”

„Zij heeft me gered,” zegt Gösta. „Wat zou ik geweest zijn zonder haar.”

„Kijk eens hier! Alsof ze er niet haar bedoeling meê gehad zou hebben, met je hier op Ekeby te houden. Je kunt menigeen in ’t net lokken; je hebt groote gaven. Eens heb je geprobeerd van haar weg te komen, je kreegt een huis van haar en je werdt arbeider; je wou je eigen brood verdienen. Elken dag ging ze voorbij ’t huis, met een paar mooie meisjes. En eens bracht ze Marianne Sinclaire meê; toen gooide je de spa en ’t schootsvel weg en werd weer kavalier, Gösta Berling.”

„’t Was toch mijn eigen keus, ezel!”

„Jawel, ja zeker was ’t je eigen keus. Later kwam je op Borg en werd gouverneur van Hendrik Dohna en je was toen bijna Gravin Märta’s schoonzoon geworden. Wie maakte, dat de jonge Ebba Dohna te weten kwam, dat je maar een afgezette dominé was zoodat ze je den bons gaf? Dat deed de Majoorske, Gösta Berling. Zij wou je terug hebben!”

„’t Mocht wat, zegt Gösta. „Ebba Dohna stierf kort daarna. Haar zou ’k toch niet gekregen hebben.”

Toen ging de zwarte dicht bij hem staan en siste hem in ’t oor: „stierf.” Ja zeker stierf ze! Ze bracht zich om ’t leven om jouwentwil. Dàt deed ze. Maar dat hebben ze je nooit verteld.”

„Je bent nog zoo’n slechte duivel niet,” zei Gösta.

„De Majoorske heeft dat allemaal beredderd, zeg ik je. Ze wou je in den kavaliersvleugel terug hebben.”

Gösta lachte luid. „Je bent een echte duivel,” riep hij woest. „Waarom zouden we geen contract met je sluiten. Je kunt ons de zeven bergwerken wel bezorgen, als je wilt.”

„’t Is goed, dat je je geluk niet vergooit.”

De kavaliers slaakten een zucht van verlichting. Zóó ver was het met hen gekomen, dat zij niets konden doen zonder Gösta. Had hij niet gewild, dan hadden ze den koop niet aangedurfd. En ’t was toch nog zoo kwaad niet voor straatarme kavaliers, zeven bergwerken te krijgen om over te beschikken.

„Let nu goed op,” zegt Gösta, „dat we de zeven bergwerken nemen om onze zielen te redden, maar niet om grondeigenaars te worden, die geld tellen en ijzer wegen; geen uitgedroogde perkamenten, geen dichtgesnoerde geldzakken willen we worden. Kavaliers willen we zijn en blijven!”

„Woorden van wijsheid,” mompelt de zwarte.

„Als je ons daarvoor de zeven bergwerken geeft voor een jaar, dan nemen wij ze aan; maar onthoudt dit goed: als we in dien tijd iets doen, dat niet kavaliersachtig is, als we iets doen, dat wijs of nuttig of oudewijfachtig is, dan kun je ons alle twaalf krijgen, als ’t jaar voorbij is en de bergwerken geven aan wie je wilt.”

De Booze wrijft zich in de handen van pleizier.

„Maar als we ons voortdurend als ware kavaliers gedragen,” gaat Gösta voort, „dan mag je nooit weer een contract over Ekeby sluiten en je krijgt niets voor dit jaar, noch van ons, noch van de Majoorske.”

„Dat is hard,” zegt de Booze. „Ach lieve Gösta! je kondt me toch wel één zieltje gunnen, een enkel armzalig zieltje. Geef mij de Majoorske. Waarom wil je die sparen?”

„Ik drijf geen handel in zulke waren,” schreeuwt Gösta. „Maar als je iemand hebben wilt, dan moet je den ouden Sintram van Fors nemen. Hij is rijp voor de hel! daar sta ik je voor in!”

„Best, best!” antwoordt de oude heer, zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken. „De kavaliers of Sintram, dat staat zoowat gelijk. Dat wordt een goed jaar!”

Daarop wordt het contract geschreven met bloed uit Gösta’s pink op ’t zwarte papier van den Booze en met zijn veeren pen.

En als dat gedaan is, jubelen de kavaliers. Nu zullen dan alle heerlijkheden dezer wereld hun een heel jaar lang toebehooren. En dan kunnen ze altijd verder zien.

Ze zetten de stoelen weg en reiken elkaar de hand om den punchketel, midden op den zwarten vloer en draaien er om heen in wilden dans. Midden in den kring danst de Booze en springt hoog op; eindelijk valt hij zoo lang als hij is naast den ketel, haalt die naar zich toe en drinkt er uit.

Dan werpt Beerencreutz zich naast hem neer en dan Gösta Berling, en daarop leggen zij zich allen in een kring om den ketel, die rondgaat van mond tot mond. Eindelijk krijgt die een duw en valt om, zoodat de heete, kleverige drank over de liggenden heen stroomt.

Als zij vloekende opgestaan zijn, is de Booze verdwenen; maar zijn gulden beloften zweven als stralenkransen boven de hoofden der kavaliers.




II.

Het Kerstfeest


Op den eersten Kerstdag geeft de Majoorske Samzelius een groot feest op Ekeby.

Zij zit als gastvrouw aan een tafel, gedekt voor vijftig gasten. Zij zit daar in glans en heerlijkheid; de korte bonten pels, het gestreepte wollen kleed en de kleine pijp zijn verdwenen. Zijde ruischt om haar heen, gouden armbanden hangen zwaar om haar armen, en paarlen liggen koel op haar witten hals.

Waar zijn de kavaliers? Waar zijn zij, die den vorigen avond in de smidse punch dronken uit den blanken koperen ketel op de gezondheid van de nieuwe heeren van Ekeby?

In een hoek bij de kachel zitten de kavaliers aan een aparte tafel. Vandaag is er voor hen aan de groote tafel geen plaats. Bij hen komen de schotels laat en komt de wijn spaarzaam; hen bereiken de blikken der schoone dames niet; niemand luistert er naar Gösta’s scherts.

Maar de kavaliers zijn als getemde veulens, als matte roofdieren. Maar één uur nachtrust hebben zij gehad; toen reden zij naar de vroegpreek bij fakkel- en sterrenlicht. Zij zagen de Kerstlichten en hoorden de Kerstpsalmen, en zij glimlachten als kinderen. Zij vergaten den Kerstnacht in de smidse, als was dat een akelige droom.

Groot en machtig is de Majoorske op Ekeby. Wie waagt het zijn arm tegen haar op te heffen? Wie waagt het den mond tegen haar te openen, om tegen haar te getuigen? Zeker niet een paar arme kavaliers, die haar brood aten, velen jaren lang, en sliepen onder haar dak. Zij zet ze waar zij wil, zij kan haar deur voor hen sluiten als zij wil, en zij kunnen haar macht niet eens ontvluchten. God zij hen genadig! Ergens anders dan op Ekeby kunnen zij niet leven.

Aan de groote tafel geniet men het leven; dáár stralen de mooie oogen van Marianne Sinclaire, daar klinkt de vroolijke lach van gravin Dohna.

Maar bij de kavaliers is het stil. Was het toch niet billijk, dat zij, die aan den Booze verkocht zijn, ter wille van de Majoorske, met de andere gasten aan één tafel zaten? Wat is dat toch voor een schandaal, die tafel daar bij de kachel! Zijn de kavaliers dan niet waardig bij de notabelen aan tafel te zitten?

Trotsch zit daar de Majoorske tusschen den graaf van Borg en den predikant van Bro. De kavaliers laten het hoofd hangen als stoute kinderen, die in den hoek staan. En de gedachten van den vorigen nacht worden weer in hen wakker.

Als schuwe gasten komen de vroolijke invallen, de dwaze vertelsels aan de tafel in den hoek.

Daar houden de toorn en de beloften van den vorigen nacht intocht in de hersens der kavaliers. Wel maakt de patroon Julius den sterken kapitein Kristiaan Bergh wijs, dat de fijne gebraden vogels, die nu aan de groote tafel worden rondgediend, niet toereikend zijn voor alle gasten, maar die aardigheid gaat niet op.

„Er zijn er niet genoeg,” zegt hij. „Ik weet hoeveel er waren; maar dat hindert niet, kapitein Bergh; ze hebben voor ons hier aan de kleine tafel kraaien gebraden.”

Maar slechts een flauwe glimlach speelt er om de lippen van den overste Beerencreutz, en Gösta ziet er den heelen dag uit, alsof hij van plan is den een of ander dood te slaan.

„Is niet alle eten goed genoeg voor de kavaliers?” vraagt hij.

Eindelijk komt een groote schotel prachtig gebraden vogels bij de kleine tafel.

Maar kapitein Kristiaan is boos. Heeft hij de kraaien niet levenslang een vurigen haat toegedragen – die leelijke schreeuwende schepsels. Zóo bitter was zijn haat, dat hij in ’t najaar vrouwenkleeren aantrok, en zich voor iedereen belachelijk maakte, alleen om ze onder schot te krijgen, als ze het koren op de velden wegvraten. Hij vervolgde ze in den paartijd op ’t veld in ’t voorjaar, om ze dood te slaan. Hij zocht hun nesten in den zomer, smeet de scheeuwende, veerlooze jongen er uit en verbrijzelde de halfuitgebroede eieren.

Nu trekt hij den schotel met de fijne vogels naar zich toe.

„Meen je, dat ik ze niet ken?” brult hij den knecht tegemoet. „Geloof je, dat ik ze moet hooren schreeuwen, om ze te herkennen? Foei voor den duivel! Hoe durf je Kristiaan Bergh kraaien voorzetten!”

En precies als hij de hulpelooze, jonge kraaien tegen de rotsen slingert, zoo smakt hij den eenen gebraden vogel na den anderen tegen den wand. Saus en vet vliegt om hem heen, de verbrijzelde vogels stuiven terug en glijden over den grond. En de kavaliers schateren.

Daar klinkt de vertoornde stem van de Majoorske.

„Zet hem de deur uit!” roept zij tot de bedienden.

Maar dat durven ze niet. Hij is toch Kristiaan Bergh, de sterke kapitein.

„Zet hem de deur uit!”

Hij hoort dat bevel, en verschrikkelijk in zijn woede, wendt hij zich nu tot de Majoorske, zooals een beer zich van zijn gevallen vijand naar een nieuwen aanvaller keert. Hij gaat naar de groote tafel, die den vorm van een hoefijzer heeft. De vloer dreunt onder de voetstappen van den reus. Hij blijft vlak over haar staan, met de tafel tusschen hen in.

„Zet hem de deur uit!” roept de Majoorske nog eens.

Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand verbijsterd heeft?

Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist:

„Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?”

„De deur uit, kapitein!”

„Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken…”

„Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand vloeken dan ik!”

„Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?”

„Zwijg, kapitein!”

„Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje geweest was.”

„Zwijg!”

„Omdat je zoo’n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd, maar nu zal ’t met je gedaan zijn.”

De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; „Ja nu is ’t met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh.”

Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken, en de tranen van angst komen hem in de oogen.

„Ik ben dronken!” roept hij uit; „ik weet niet wat ik zeg; ik heb niets gezegd! Een hond en een slaaf – niets anders ben ik veertig jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond, die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!”

En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.

Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius.

Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.

De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich; hij heft den arm op.

Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar stem. „Je hebt mij gestolen!” barst ze uit. „Je kwam als een roover en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan, met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover je gehandeld zooals je verdiende.

„Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan.”

De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben, dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen.

„Ik wist het niet,” zegt hij stampvoetend.

„Dan is ’t goed, dat je het nu weet,” valt zij hem in de rede, met snijdende stem. „Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te hooren; ’t is goed, dat je ’t nu weet, dat ik vrij met je spreken kan, mijn meester en cipier! Weet ’t dan nu, dat ik hem toch heb toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen ’t weten, die me belasterd hebben.”

’t Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven, gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is, maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken kan over de schoonste herinnering van haar leven.

„Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!”

Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij, hoe hij haar straffen moet.

„Weg!” brult hij, „weg uit mijn huis!”

Zij staat versteend.

En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt immers alles uit, zooals de Booze ’t voorspeld heeft. Nu zien ze er de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is ’t zeker ook wel waar, dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden, en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks!

„Weg met jou,” gaat de Majoor voort. „Bedel je brood langs den weg. Je zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood.”

„Wil je mij uit mijn huis jagen?”

„Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!”

Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur, en hij volgt haar op den voet.

„Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt,” klaagt zij; „zul je nu ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?”

„Weg met jou!”

Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: „je zult verloochend worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren…!”

De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat ’t beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor een oogenblik Kristiaan Bergh.

„Het is een oude historie!” roept hij. „Ik wist van niets vóór vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen.”

Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed.

„Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk,” zegt ze. En zij gaat van de deur weg.

De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt, met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil.

„Helpt mij toch!” roept ze; „laat ons dien man binden en naar buiten brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van ’t houthakken in mijn bosschen en ’t erts vervoeren uit mijn bergwerken, de kolenbrander door ’t kolen leveren aan mij, de houtvlotter door ’t halen van mijn houtvlotten. Ik ben ’t, die den winst brengende arbeid geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen.”

Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor.

„Neen,” zegt hij, „ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar naar den berenkuil beneden.”

En bij die woorden zinken de helpende handen neer.

Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers.

„Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die ’t ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen, kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden.”

Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de groote tafel heeft gezeten. „Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar, Anna,” zegt hij zacht; „weet je of het de Majoorske was, die Ebba vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?”

„Help de Majoorske, Gösta,” is haar eenig antwoord.

„Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een moordenaar gemaakt heeft.”

„Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta.”

„Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is ’t wel waar wat Sintram zei.”

En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om de Majoorske te helpen.

Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen van den nacht bevestigen?

„Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft,” mompelden zij.

Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen handen tot voor haar gezicht. „Je zult verloochend worden zooals je mij verloochent,” roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. „Moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!”

Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog:

„Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij, Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen, neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna, Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben, die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers, nu zal er een storm over ’t land varen, nu is jullie tijd voorbij; waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie, want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven, nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!”

De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het hoofd en zegt:

„Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?”

De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet, dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft liefgehad, zal een moordenaar worden.

„Moet ik nu ook nog vergeven?” zegt zij. „Heb je niet schuld aan al mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug je over je werk.”

Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug, met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een moordenaar te maken.

Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten.

Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö, dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer’s testament, waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden, maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken de grootst mogelijke schade deed.

Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd, dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen, d. w. z. „niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;” en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was, die hen in het verderf had willen storten.

De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden, omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof.

Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker, dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat ’t beter voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid, schuld te hebben aan Ebba Dohna’s zelfmoord. Hij verhief zijn hand niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te helpen. Dat kon hij niet.

Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun harten waren vol vreugd – en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht, hij spreidde die niet op ’t gelaat of op de lippen ten toon.




III.

Gösta Berling, de dichter


’t Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg.

In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd en had een jonge, schoone vrouw. ’t Zou vroolijk toegaan op het oude grafelijke goed.

Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat van allen, die er dit jaar ’t Kerstfeest vierden, Gösta Berling, „de dichter,” zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer, maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden, om van Ekeby naar Borg te komen.

De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal, om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid en tintelde van geest.

Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla toen woonde en waar hij wilde gaan eten.

Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten, en vertrok even ongaarne als zij.

De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin, gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun wisselvallig lot.

De zorg stond voor de deur, zeide zij. ’t Waren moeilijke tijden op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen, die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij „voor den pot zorgen.” Maar dat kon er nog door, als hij maar niet met een ellendigen vos thuiskwam, ’t ongelukkigste dier, dat Onze Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is.

En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te werken, die engel.

Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door ’t huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze ’t nog niet gezien; maar ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis, en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen.

„Want hoe moet het toch gaan?” riep ze uit en droogde haar oogen, die telkens vol tranen schoten, „wij hebben schuld aan den boozen Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van ’t eene bal naar ’t andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit, met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert – behalve arbeid!”

Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten over de witte handen, die Gösta kussen mocht.

Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun kring. Vroolijk vroegen ze hem: „Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge daar in het beloofde land?”

„Daar vloeien melk en honig,” antwoordde hij. „Wij halen ’t ijzer uit de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud voort; daarmeê vergulden we ’s levens ellende, en we houwen onze bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen.”

Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over haar lippen kwam maar één woord: „dichter!”

„Veel zonden heb ik op mijn geweten,” antwoordde Gösta, „maar nooit heb ik een regel poëzie geschreven.”

„Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben.”

Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder met hem over zijn misbruikt leven. „Ik zal ’t nog wel beleven, dat je een man wordt,” zei ze. En hem scheen ’t toe, dat ’t hem goed deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige liefde koesterde voor groote daden.

Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij ’t vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en ’t kerstbier gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen, hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de booze Sintram binnen.

Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. ’t Was duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen.

„Heb je ’t gehoord?” vroeg de Booze; „heb je ’t gehoord, dat vandaag voor ’t eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten, dat ze met Ferdinand verloofd is.”

Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd.

En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke liefde.

Maar – in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte duizend plannen.

„Hoor,” riep hij uit, „nog is ’t geen tijd van klagen! ’t Is de dominé’s-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen ’t nooit worden. Nu ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik zal ze weghalen van de dominé’s-familie, van haar bruidegom. Ik zal ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste geen pleizier van haar hebben.”

Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de vroolijke meisjes naar ’t bal te nemen; maar de vurige wenschen van de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven, om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal.

De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes, rood gebonden, in de hand.

„Neem die,” zeide ze tegen Gösta, „en houd ze, als je niet slaagt. ’t Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht zullen worden.”

„Ik slaag altijd.”

„Ach, Gösta, Gösta,” antwoordde ze, en streek met de hand over zijn ontbloot hoofd, „sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je ’t onthouden, dat ’t geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!”

Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar ’t bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten Don Juan willen rijden!

Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch en overmoedig,

„Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?”

„Heeft hij gezegd, dat je ’t mooiste meisje bent tusschen ’t Löfvenmeer en de Klarbeek?”

„Je bent dom, Gösta, dat weten de menschen wel. Hij heeft ’t huwelijk van mij en den ouden Dahlberg afgekondigd.”

„Als ik dat geweten had, had ik je niet in mijn slee willen hebben, en niet hier achterop gestaan. Dat had ik je nooit willen rijden.”

De trotsche erfdochter antwoordde: „Ik zou zonder Gösta Berling nog wel naar Borg gekomen zijn.”

„’t Is toch jammer van je, Anna,” zei Gösta nadenkend, „dat je geen vader of moeder hebt. Daardoor ben je geworden zooals je nu bent, en niemand kan je nu hooge eischen stellen.”

„’t Is nog meer jammer, dat je dat niet eerder gezegd hebt; dan had een ander me kunnen rijden.”

„De dominé’s-vrouw denkt zeker als ik, dat je behoefte hebt aan iemand, die een vader voor je kan zijn; anders had ze je zeker niet met zoo’n ouden knol ingespannen.”

„Dat heeft de dominé’s-vrouw niet gedaan.”

„De hemel beware me, heb je zelf zóo’n knappen man gekozen?”

„Hij neemt mij niet om mijn geld.”

„Neen, zulke oude heeren kijken alleen naar blauwe oogen en roode wangen. En ze hebben nog gelijk!”

„Foei, Gösta, schaam je je niet!”

„Maar pas nu op, dat je niet langer met de jonge mannen speelt. Je plaats is nu op de canapé. Met dans en spel is ’t nu voorbij. Nu mag je een kaartje leggen met den ouden Dahlberg.”

Zwijgend reden zij voort, tot ze de steile heuvels bij Borg opreden.

„Dank je voor den rit! ’t Zal lang duren eer ik weer met Gösta Berling rijd.”

„Dank je voor die belofte! Ik ken menigeen, dien ’t berouwd heeft dat hij met je naar het feest reed.”

Zeer ontstemd trad de fiere schoonheid van het stadje de danszaal in en zag de verzamelde gasten aan.

’t Allereerst zag ze den kleinen, kalen Dahlberg naast den grooten, slanken, blonden Gösta Berling. Zij had hen allebei de zaal wel uit willen jagen. Haar verloofde kwam haar ten dans noodigen, maar zij ontving hem met honende verbazing.

„Wil jij dansen? Ben jij dat gewoon?”

En de jonge meisjes kwamen om haar geluk te wenschen.

„Speel geen comedie, meisjes! Je gelooft toch niet, dat iemand verliefd kan worden op den ouden Dahlberg? Maar hij is rijk en ik ben rijk; daarom passen we goed bij elkaar.”

De oude dames gingen naar haar toe, drukten haar de witte hand en spraken over ’t grootste geluk in ’t leven.

„Feliciteer de dominé’s-vrouw liever,” antwoordde zij. „Zij is er gelukkiger mee dan ik.”

Maar daar stond Gösta Berling, de vroolijke kavalier, met gejuich begroet om zijn helderen lach, zijn geestige woorden, die gouden glans wierpen over ’t grijze, dagelijksche leven. Nooit te voren had ze hem zoo gezien als dien avond. Hij was geen verstootene, geen verworpeling, geen daklooze grappenmakker, neen, een koning onder de mannen, vorstelijk van geboorte!

Hij en de andere jonge mannen smeedden een samenzwering tegen haar. Zij moest er maar eens over nadenken hoe verkeerd ze deed, toen zij zich zelf met haar schoonheid en rijkdom aan den ouden man gaf. En zij lieten haar tien dansen over zitten. Zij voelde haar bloed koken van spijt en smart.

Voor den elfden dans kwam een man haar uitnoodigen; hij was de geringste onder de geringen, een stumper, met wien geen ander dansen wilde.

„Als ’t bier op is, komt ’t zaksel in ’t glas,” zeide zij.

Toen speelden ze een pandspel. Blonde jonge meisjes staken de hoofden bijeen en veroordeelden haar te kussen wie ze ’t liefst had. En glimlachend verwachtten ze haar den ouden Dahlberg te zien kussen. Maar zij stond in haar toorn.

„Mag ik niet liever een oorveeg geven aan wie ik ’t minst liefheb?”

Een oogenblik later brandde Gösta’s wang onder haar vaste hand. Hij werd rood tot over de ooren, maar bedwong zich, greep haar hand, hield die een oogenblik vast en fluisterde:

„Kom over een half uur in de roode zaal beneden.”

Zijne blauwe oogen straalden en boeiden haar als met tooverkracht. Zij voelde, dat zij gehoorzamen moest.

Zij ontmoette hem beneden met trots en booze woorden.

„Wat gaat het Gösta Berling aan, met wien ik trouwen wil?”

Hij vond nog niet dadelijk zachte woorden, en ’t scheen hem ook niet geraden dadelijk over Ferdinand te spreken.

„Ik vind niet, dat ’t een te strenge straf was, dat je tien dansen moest blijven zitten. Maar je wilt ongestraft je woord breken. Als een beter man dan ik de straf in zijn hand genomen had, zou die harder geworden zijn.”

„Wat heb ik jullie toch gedaan, dat je mij niet met rust kunt laten? Jullie vervolgt me om mijn geld! Ik zal ’t in ’t meer gooien, dan kan, wie er zin in heeft, het opvisschen.” Ze hield de handen voor de oogen en schreide.

Toen werd het hart van den dichter geroerd. Hij schaamde zich over zijn strengheid, en zijn stem werd zacht:

„Ach, kind, vergeef me. Vergeef den armen Gösta Berling. Niemand geeft er om wat zulk een lummel zegt of doet; dat weet je immers wel. Niemand schreit er om, dat hij boos is; je kunt even goed om een muggebeet schreien. ’t Was onzin, maar ik wou verhinderen, dat het mooiste en rijkste van onze jonge meisjes met dien ouden man zou trouwen. En nu heb ik je alleen maar bedroefd gemaakt.”

Hij ging naast haar in de sofa zitten en sloeg zijn arm om haar schouders, om haar met teerheid te steunen en op te beuren. Zij trok zich niet terug. Zij leunde tegen hem aan, sloeg haar armen om zijn hals en schreide met het mooie hoofdje op zijn schouder.

Och, arme dichter, sterkste en zwakste onder de menschen; niet om uw hals moesten die blanke armen rusten.

„Als ik het geweten had,” fluisterde zij, „dan had ik den ouden nooit genomen. Ik heb je van avond gezien. Zoo is er geen ander.”

Maar met bleeke lippen stamelde Gösta:

„Ferdinand.”

Zij sloot hem de lippen met een kus.

„Hij is niets waard. Wie kan in je schaduw staan? Ik zal je trouw zijn.”

„Ik ben Gösta Berling,” zei hij, somber; „mijn vrouw kun je niet worden.”

„Ik heb je lief! De eerste onder de mannen. Je behoeft niets te zijn, niets te doen. Een geboren koning ben je.”

Toen bruiste het bloed van den dichter. Ze was zoo schoon, zoo bekoorlijk in haar liefde. Hij sloot haar in zijn armen.

„Als je de mijne wilt zijn, kun je niet in de pastorie blijven. Laat ik je dadelijk naar Ekeby brengen van nacht; ik zal je wel weten te verdedigen tot we bruiloft kunnen vieren.”

’t Werd een onvergetelijke tocht dien nacht. Zij gaven toe aan hun jonge liefde en lieten zich door Don Juan meevoeren. ’t Knetteren van de sneeuw onder de slee klonk als de klachten der bedrogenen. Wat stoorden zij zich daaraan! Zij lag aan zijn borst, en hij boog zich over haar heen en fluisterde haar in ’t oor: „Is er iets zaligers dan gestolen vreugde?”

Een huwelijks-afkondiging. Wat beteekende dat? Zij hadden hun liefde. En de toorn der menschen? Gösta Berling geloofde aan het noodlot. Het lot had hem gedwongen. Tegen het lot kan niemand zich verzetten. Al waren de sterren de bruiloftskaarsen geweest, en Don Juans bellen de kerkklokken, die haar bruiloft inluidden met den ouden Dahlberg, dan had ze toch met Gösta Berling moeten vluchten. Zóó machtig is ’t noodlot.

Zij waren goed en wel voorbij de pastorie en Munkerud gekomen. Op de helft van den weg naar Ekeby lag Berga. De weg ging langs het bosch; rechts lagen hooge donkere bergen, links een lang, besneeuwd dal.

Daar kwam Tancred aanrennen. Hij stoof over den weg. Huilend van schrik sprong hij in de slee en kromp ineen aan Anna’s voeten.

Door Don Juans leden ging een schok! Hij versnelde zijn vaart met groote sprongen.

„Wolven,” zei Gösta Berling.

Zij zagen een lange, grauwe streep zich langs den weg bewegen. ’t Ware minstens een dozijn.

Anna werd niet bang. De dag was zoo rijk aan verrassingen geweest, en de nacht beloofde ook zoo te worden. Dit was leven – voort te snellen over de blinkende sneeuw, trots wilde dieren en menschen.

Gösta stootte een vloek uit, boog zich voorover en gaf Don Juan een geweldige slag met de zweep.

„Ben je bang?” vroeg hij. „Zij snijden den hoek af en halen ons daar ginds bij de bocht van den weg in.”

Don Juan sprong voort en liep om ’t hardst met de wilde dieren in ’t bosch. Tancred huilde van woede en angst. Zij kwamen aan de bocht gelijk met de wolven en Gösta verdreef den voorsten met de zweep.

„Ach, Don Juan, mijn jongen, hoe gemakkelijk zou je niet twaalf wolven ontloopen, als je ons menschen maar niet meê te sleepen hadt.”

Zij bonden de groene reisdeken achteraan de slee. De wolven werden er bang voor en hielden zich een tijd lang op een afstand. Maar toen ze hun vrees overwonnen hadden, stoof een van hen, blazend, met de tong uit den bek en open muil, op de slee af. Toen nam Gösta Madame de Staëls Corinna en wierp het in den wolvenmuil.

Weer kregen ze een poosje rust, tot de dieren dien buit verscheurd hadden; maar toen voelden ze weer het rukken van de wolven aan de groene reisdeken, en hoorden hun snelle, korte ademhaling. Zij wisten, dat ze niet aan een menschenwoning kwamen voor ze Berga bereikten; maar erger dan de dood scheen het Gösta toe de menschen te ontmoeten, die hij bedrogen had. Hij zag in, dat het paard moe zou worden, en wat zou er dan van hen worden?

Daar zagen ze Berga aan den zoom van ’t bosch liggen. Er brandde licht in de vensters. Gösta wist wel voor wie!

Maar nu vluchtten de wolven, uit vrees voor de nabijheid van menschen, en Gösta reed Berga voorbij. Hij kwam toch niet verder dan tot de plaats, waar de weg opnieuw het bosch in gaat; daar zag hij een donkere plek voor zich uit. De wolven wachtten hem op.

„Laat ons naar de pastorie teruggaan en zeggen, dat we een pleziertochtje in ’t sterrenlicht gedaan hebben. Dit gaat niet.”

Zij keerden om; maar in ’t volgende oogenblik was de slee weer door wolven omringd. Grauwe gestalten gleden hen voorbij, de witte tanden glinsterden in de open muilen en de gloeiende oogen tintelden. Zij huilden van honger en bloeddorstigheid. Ze verlangden hun glimmende tanden in ’t weeke menschenvleesch te drukken. De wolven sprongen Don Juan op den rug en hingen aan het tuig. Anna zat er over na te denken of zij hen heelemaal op zouden eten, dan of er nog iets over zou blijven en of de menschen den volgenden morgen afgeknaagde ledematen zouden vinden in de bloedige, vertrapte sneeuw.

„Nu geldt het ons leven,” zei ze, boog zich neer en greep Tancred bij den nek.

„Doe dat niet; dat helpt niet. ’t Is niet om den hond, dat de wolven van nacht in ’t bosch zwerven.”

Met die woorden reed Gösta Berling Berga binnen; maar de wolven vervolgden hen tot vlak bij de stoep. Hij moest ze met de zweep van zich afhouden.

„Anna,” zeide hij, toen zij bij de stoep stil hielden. „God wilde het niet. Houd je nu goed; als je de vrouw bent, waar ik je voor houd, houd je dan goed.”

In ’t huis hoorde men de bellen van de slee en kwam naar buiten.

„Hij heeft haar,” riepen ze, „hij heeft haar! Leve Gösta Berling!” En de pas aangekomenen werden hartelijk omhelsd.

Er werden niet veel vragen gedaan. ’t Was al diep in den nacht; de reizigers waren geschokt door hun gevaarlijken tocht en hadden behoefte aan rust. ’t Was immers alles goed, nu Anna gekomen was.

Alles was goed! Alleen Corinna en de groene reissjaal, een kostbaar geschenk van juffrouw Ulrika, waren bedorven.

Alles sliep in huis. Toen stond Gösta op, kleedde zich aan en sloop naar buiten. Ongemerkt haalde hij Don Juan uit den stal, spande hem voor de slee en wilde wegrijden. Toen kwam Anna Stjärnhök uit het huis.

„Ik hoorde je uitgaan,” zeide zij. „Toen ben ik ook opgestaan. Ik ga met je mee.”

Hij ging naar haar toe en vatte haar hand.

„Begrijp je het nog niet? Het kan niet. God wil het niet. Luister nu en probeer het te verstaan. Ik was hier vanmiddag, en zag hoe bedroefd ze waren over je ontrouw. Toen reed ik naar Borg, om je naar Ferdinand terug te brengen. Maar ik ben altijd een ellendeling geweest, en zal ’t wel altijd blijven. Ik werd hem ontrouw en wilde je voor mijzelf houden. Hier woont een oude vrouw, die gelooft dat ik éens een man zal worden. Haar werd ik ontrouw. Je waart zoo mooi en de zonde zoo bekoorlijk. Gösta Berling is zoo licht te verleiden. Ach, wat ben ik toch een verachtelijk wezen! Ik weet hoe lief zij hun tehuis hebben, en ik was op het punt het te laten plunderen. Ik vergat alles om jou. Je was zoo bekoorlijk met je liefde. Maar nu, Anna, nu ik hun vreugde over je terugkomst gezien heb, wil ik je niet houden. O, mijn lieveling. Hij daarboven speelt met onze plannen. Nu moeten wij ons buigen onder zijn straffende hand. Zeg me, dat je van nu af aan je deel van den zwaren last op je nemen wilt. Zij allen daar binnen vertrouwen op je. Zeg me, dat je bij hen blijven wilt, en ze steunen en helpen. Als je me liefhebt, als je mijn bitter verdriet wilt verzachten, beloof me dit dan. Mijn lieveling, is je hart zóó groot, dat je jezelf kunt overwinnen, en ’t glimlachend doen?”

Zij aanvaardde met geestdrift den plicht der ontbering.

„Ik zal doen wat je wilt – mij offeren, en ’t met een glimlach doen!” Zij glimlachte droevig. „Zoolang ik je liefheb, zal ik hen liefhebben.”

„Nu eerst zie ik wat voor een vrouw je bent. ’t Valt me zwaar van je heen te gaan.”

„Vaarwel, Gösta; God zij met je! Mijn liefde zal je niet tot zonde verleiden.”

Zij keerde zich om en wilde naar binnen gaan. Hij volgde haar.

„Zul je me gauw vergeten?”

„Ga nu heen, Gösta; wij zijn maar menschen.”

Hij sprong in de slee. Maar toen kwam zij terug.

„Denk je wel aan de wolven?”

„Ja zeker, maar zij hebben hun werk gedaan. Met mij hebben zij vannacht niets meer te maken.”

Nog eens strekte hij de armen naar haar uit. Maar Don Juan werd ongeduldig en draafde weg. Hij greep de teugels niet. Hij lag voorover op de bank en zag achteruit. Toen steunde hij met het hoofd op den rand van de slee en schreide als een wanhopige.

„Ik had het geluk in handen en stootte het terug. Zelf stootte ik het terug. Ach, waarom hield ik het niet!”

Ach, Gösta Berling, sterkste en zwakste onder de menschen.




IV.

La Cachucha


Strijdros, strijdros! Arm, oud ros, dat daar staat op de weide, vastgebonden aan een touw. Herinnert ge u uw jeugd?

Herinnert ge u den dag van den strijd? Ge sprongt voort als droegen u vleugelen; uw manen golfden om u heen als flakkerende vlammen; bloed en schuim glinsterde op uw zwarte borst. In ’t met goud versierde tuig vloogt ge voort. Het veld dreunde onder uw hoeven. Ge trildet van vreugde, gij moedig dier! Ach, hoe schoon waart gij!

In den kavaliersvleugel van Ekeby heerscht grauwe schemering. In de groote zaal staan de roodgeschilderde kisten der kavaliers langs den wand en hun zondagskleeren hangen aan de haken in den hoek. Het schijnsel van het vuur speelt op de witte muren en op de geel geruite gordijnen voor de alcoven in den muur. De kavaliersvleugel is geen vorstelijk paleis, geen serail.

Maar Liljecrona’s viool klinkt er. Hij speelt la cachucha in den schemer. En hij speelt haar telkens weer van voren af aan.

Snijd de snaren door! Breek den strijkstok. Waarom speelt hij dien vervloekten dans? Waarom toch speelt hij dien, nu Örneclou, de vaandrig, met jicht te bed ligt, zóó stijf dat hij zich niet roeren kan? O, ruk hem de viool uit de hand en werp die tegen den muur als hij niet ophoudt!

La cachucha, speelt ge die voor ons, meester? Kunnen we die nu hier dansen, op de krakende planken van den kavaliersvleugel, tusschen deze nauwe muren, zwart van rook en ruig van vuil, onder dit lage dak? Wee u, dat ge hier la cachucha speelt!

La cachucha, is die voor ons, kavaliers? Buiten huilt de sneeuwstorm! Wilt ge de sneeuwvlokken op maat leeren dansen, speelt ge voor de lichte kinderen van den sneeuwjacht?

Vrouwengestalten, die trillen onder den heeten polsslag van hun bloed, kleine zwarte handjes, die de pannen hebben weggeworpen om de kastagnetten te grijpen, bloote voeten onder de opgeschorte rokken, een hof met marmeren vloer, zigeuners, die neergehurkt zitten en op den doedelzak blazen, of den tambourijn slaan, moorsche bogengangen, maneschijn en zwarte oogen… kunt ge ons dat alles geven, meester? O, laat anders uw strijkstok rusten.

Ginds bij het vuur drogen de kavaliers hunne natte kleeren. Hoe kunnen zij dansen met hun hooge laarzen met ijzer beslagen, en met dikke zolen. Den heelen dag hebben ze door voeten hooge sneeuw gewaad om den beer in zijn hol te bereiken. Meent ge dat ze met dien ruigen kameraad willen dansen in hun bombazijnen pakken? Een avondhemel vol sterren, roode rozen in donkere vrouwenlokken, warme avondlucht vol bedwelmende geuren, aangeboren schoonheid van beweging, liefdesgeluk, dat opstijgt uit de aarde, neerdaalt uit den hemel, zweeft in de lucht – hebt gij dat alles, meester? Ach, waarom wekt gij ons verlangen naar die dingen!

Wreedaard? Gij blaast het signaal van den slag voor ’t gekluisterde strijdros! Rutger van Örneclou ligt te bed, door de jicht verstijfd. Spaar hem de marteling van al die schoone herinneringen. Ook hij heeft de sombrero en ’t bonte haarnet gedragen, ook hij droeg eens het fluweelen buis en den dolk in den gordel. Spaar den ouden Örneclou, meester.

Maar Liljecrona speelt la cachucha, altijd la cachucha. En Örneclou wordt gepeinigd als de minnaar, die de zwaluwen ziet heentrekken naar de woning zijner geliefde, als het hert, dat door zijn vervolgers voorbij den verfrisschenden stroom gejaagd wordt.

Liljecrona neemt een oogenblik de viool van de kin.

„Vaandrig, herinner je je Rosalie van Berger?” Örneclou vloekt geweldig.

„Ze was licht en gracieus als een vlam. Ze vonkelde en danste als een diamant in den punt van een strijkstok. Je herinnert je haar nog wel van ’t theater in Karlstad? We zagen haar toen we nog jong waren, weet je nog wel, vaandrig?”

Of de vaandrig ’t nog weet! Ze was klein en wild en glinsterend als vuur. Zij kon de cachucha dansen. Zij leerde alle jonge heeren in Karlstad de cachucha dansen en kastagnetten slaan. Op het bal van den gouverneur dansten de vaandrig en Mejuffrouw van Berger een „pas de deux” als Spanjaarden gekleed. En hij had gedanst, zooals men danst onder vijgeboomen en platanen, als een Spanjaard, een echte Spanjaard. Niemand in heel Wermeland kon de cachucha dansen zooals hij. Niemand kon háár zoo dansen, dat ’t de moeite waard was er naar te kijken, behalve hij. Welk een kavalier had Wermeland niet in hem verloren, toen de jicht zijn leden deed verstijven en zijn gewrichten deed zwellen. Hij was zoo slank, zoo schoon, zoo ridderlijk! „De mooie Örneclou” noemden de jonge meisjes hem en er waren er, die levenslang boos op elkaar werden om zijnentwil.

En Liljecrona begint weer la cachucha te spelen – altijd weer la cachucha en Örneclou wordt teruggevoerd naar den ouden tijd.

Weer staat hij naast Rosalie van Berger! Zij zijn juist een oogenblik alleen in de kleedkamer geweest, als Spanjaarden verkleed. En hij heeft haar mogen kussen; maar voorzichtig, want zij was bang voor zijn zwartgeverfden baard. Nu dansen ze. Ach! zooals men onder vijgeboomen en platanen danst. Zij wijkt, hij volgt, hij wordt stoutmoedig, zij trotsch, hij vertoornd, zij tot verzoening geneigd. En als hij eindelijk op de knieën valt en haar in zijn open armen opvangt, gaat er een zucht door de zaal, een zucht van verrukking.

Hij was een Spanjaard – een echte Spanjaard.

Juist bij dezen streek van den strijkstok had hij zich zoo gebogen en de armen uitgestrekt en den voet opgeheven om op de teenen voort te zweven. Welk een gratie. Men had hem in marmer kunnen uithouwen!

Hij weet zelf niet hoe ’t kwam, maar hij heeft de voet over de beddeplank gestoken, hij staat recht overeind, hij buigt zich, heft de armen op, knipt met de vingers en wil over den grond zweven als in den ouden tijd, toen hij zulke nauwe schoenen droeg, dat hij de voeten van de kousen moest knippen.

„Bravo, Örneclou! bravo, Liljecrona, speel leven in hem!”

Maar zijn voet weigert. Hij kan niet op zijn teenen staan. Hij trekt een paar keer krampachtig met het ééne been…

Schoone Sennor, ge zijt oud geworden! De Sennorita misschien ook?

Alleen onder Granada’s platanen wordt de cachucha gedanst door eeuwig schoone Ginatos. Eeuwig jong zijn ze als de rozen, omdat iedere lente nieuwe brengt.

Is dan nu de tijd gekomen om de snaren van de viool door te snijden?

Neen, speel voort, Liljecrona, speel de cachucha, altijd weer de cachucha. Leer ons, dat we, al zijn we in de kavaliersvleugel dik en stijf geworden, in onze harten toch dezelfde bleven – dat we nog Spanjaarden zijn.

Strijdros! arm strijdros, beken, dat ge de tonen der trompet liefhebt, die u tot galoppeeren uitnoodigen, al slaat ge ook de pooten ten bloede in uw kluister.




V.

Het bal op Ekeby


O, gij vrouwen uit vroeger tijden. Wie van u spreekt, is het als vertoeven zijn gedachten in ’t Paradijs. Louter liefelijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge, en vriendelijk als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens, sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw of hard. Gij, zachte heiligen, als versierde beelden stondt ge in den tempel van het tehuis. Wierook en gebeden werden u geofferd; door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie.

O, gij vrouwen uit vroeger tijden, ik zal nu verhalen hoe een van u aan Gösta Berling haar liefde schonk.

Veertien dagen na het bal op Borg, was er feest op Ekeby. Dat was het heerlijkste feest van de wereld. Oude mannen en vrouwen werden jong opnieuw, lachten en waren vroolijk, als zij daarover spraken.

Maar toen waren ook de kavaliers alleenheerschers op Ekeby. De Majoorske ging het land door met den bedelstaf en de Majoor woonde op Sjö. Hij kon niet eens bij het feest zijn; want de pokken waren uitgebroken op Sjö en hij was bang de besmetting over te brengen. – Wat een overvloed van genot brachten die twaalf heerlijke uren niet mee! van ’t eerste knallen van de kurken aan tafel tot de laatste streek van den strijkstok, lang na middernacht!

Zij zonken neer in den afgrond der tijden die vorstelijke uren, bezield door vonkelenden wijn, door de fijnste gerechten, door de heerlijkste muziek, door de geestigste comedies en de schoonste tableaux-vivants. Ze zonken neer, duizelend door de sierlijkste dansen. Waar vond men zulke gladde dansvloeren, zulke ridderlijke kavaliers, zulke schoone vrouwen?

Ja, gij vrouwen uit vroeger dagen. De zalen van Ekeby wemelden van de schoonsten onder u. Daar is de jonge gravin Dohna, tintelend van vroolijkheid en altijd bereid tot spel en dans, zooals ’t past bij haar twintig jaren; daar zijn de mooie dochters van den rechter van Munkerud en de vroolijke jonge dames van Berga, daar is Anna Stjärnhök, duizendmaal bekoorlijker nog dan vroeger door den zachten weemoed, die over haar gekomen was na dien nacht, toen zij door de wolven vervolgd werd; daar zijn er nog velen, die nog wel niet vergeten zijn, maar spoedig zullen vergeten worden, en daar is ook de hartveroverende Marianne Sinclaire.

Zij de wijdberoemde, die schitterde aan ’t hof van den koning en straalde in de kasteelen der graven, de koningin der schoonheid, die ’t land doortrok en overal gehuldigd werd; – zij die de vonk der liefde ontstak, waar ze zich vertoonde, zij had zich verwaardigd op het feest der kavaliers te komen.

De eer van Wermeland was groot in de tijden, door zooveel fiere namen gedragen. De blijde kindren van dat schoone land hadden veel om trotsch op te wezen. Maar als zij hun grootheden noemden, dan vergaten ze nooit van Marianne Sinclaire te spreken.

De roem van haar overwinningen ging door ’t geheele land.

Men sprak van de gravenkronen, die om haar hoofd gezweefd hadden, van de millioenen, die voor haar voeten gelegd waren, van de zwaarden der krijgslieden en de kransen der dichters, die haar hadden gewenkt.

En zij was niet alleen schoon. Zij was geestvol en ontwikkeld. De beste mannen van dien tijd verheugden zich als zij met haar konden spreken. Zelf schreef zij niet; maar veel van haar gedachten, door haar in de zielen der dichters onder haar vrienden gelegd, leefden voort in liederen.

In Wermeland, in het berenland vertoefde ze maar zelden. Haar leven bracht ze meestal op reis door. Haar vader, de rijke Melchior Sinclaire was thuis met zijn vrouw op Björne en liet Marianne reizen naar haar voorname vrienden in de groote steden, of op de prachtige buitens. Hij vertelde graag van al het geld, dat zij verkwistte, en de twee oude menschen leefden gelukkig in den glans van Mariannes stralend bestaan.

Haar leven was vol genoegens en hulde. De lucht om haar heen was liefde. Liefde was haar licht bij dag en in de schemering, liefde haar dagelijksch brood.

Dikwijls had ze zelf liefgehad… dikwijls, dikwijls! Maar nooit had zulk een vlam lang genoeg gebrand om er de ketens in te smeden, die binden voor heel een leven.

„Ik wacht op de liefde, die komt als een veroveraar,” placht zij te zeggen. „Tot nu toe is ze nog niet over een wal geklommen of over een sloot gezwommen. Ik wacht op de geweldige, die me buiten mij zelf brengt. Zóó sterk wil ik de liefde in me voelen, dat ik voor haar beef. Nu ken ik alleen de liefde, waarover mijn verstand glimlacht.”

Haar nabijheid gaf vuur aan de woorden en leven aan den wijn. Haar ziel vol gloed gaf den strijkstok vaart en de dans zweefde lichter, meer bekorend dan vroeger over den dansvloer, wanneer zij die aanraakte met haar fijnen voet.

Zij schitterde in de tableaux, zij bezielde de comedies, haar schoone lippen… Ach, stil toch, het was haar schuld niet. Zij had het nooit zoo bedoeld, het kwam door het balkon, door den maneschijn, door de kanten sluier, het riddercostuum, het gezang. De arme jonge menschen waren onschuldig. En alles wat oorzaak was van zooveel ongeluk werd met de beste bedoelingen gedaan. Patroon Julius, die overal verstand van had, had een tableau vivant gearrangeerd, enkel en alleen opdat Marianne in al haar heerlijkheid zou uitkomen.

In het theater, dat in de groote zaal op Ekeby opgeslagen was, zaten honderden gasten en zagen op het tooneel de gouden Spaansche maan langs een donkeren nachtelijken hemel drijven. Een Don Juan sluipt langs de straten van Sevilla en houdt stil onder een balkon, met klimop bedekt. Hij was als monnik verkleed; maar men zag een geborduurde manchet uit de wijde mouw komen en een blinkende degenpunt stak beneden uit de monnikspij.

Hij verhief zijn stem en zong:

		„Mij lokt geen beker gulden wijn,
		Mij lokt geen roode vrouwenmond,
		Een smeekend oog, dat liefde vraagt,
		Beweegt mij ’t harte niet.

		Toon mij uw fiere schoonheid niet
		O sennorita, wijk van mij!
		Der Heilige Maagd behoort mijn hart
		Zij troost me in ’s werelds leed.”

Toen hij zweeg, trad Marianne te voorschijn op het balkon, in een zwart fluweelen gewaad, met kanten sluier. Zij boog zich over het hek en zong langzaam en ironisch:

		„Waarom vertoeft gij, vrome man,
		Te middernacht bij mijn balkon?
		Zeg, bidt gij voor mijn ziel?”

En toen plotseling, warm en innig:

		„O vlucht! vlucht snel, u dreigt gevaar
		Men kan uw degen duidlijk zien.
		En hoort, trots al uw vroom gezang,
		De sporen van uw hiel.”

Bij deze woorden wierp de monnik zijn kleed af en Gösta Berling stond onder ’t balkon in een ridderkleed van zijde en goud. Hij stoorde zich niet aan de waarschuwing van de schoone vrouw, maar klauterde tegen de zuilen van ’t balkon op, sprong over het hek en viel, zooals Patroon Julius had voorgeschreven, op de knieën aan de voeten van de schoone Marianne.

Zij glimlachte vriendelijk en reikte hem de hand om die te kussen, en terwijl de twee jongelieden elkaar vol liefde aanzagen, viel het gordijn.

En vóór haar knielde Gösta Berling met een gezicht, zacht en zielvol als dat van een dichter, en kloek als dat van een veldheer, met diepe oogen, guitig en geestig, oogen, die smeekten en dreigden. Slank en krachtig was hij, bezielend en innemend.

En het gordijn ging op en neer, en de jongelieden bleven staan in dezelfde houding. Gösta’s oogen bleven de schoone Marianne aanzien; zij smeekten en dreigden.

Eindelijk hield het applaudisseeren op. ’t Gordijn bleef neer. Niemand kon hen zien. Toen boog de schoone Marianne zich neer en kuste Gösta Berling. Zij wist niet waarom; zij kon niet anders. Hij legde den arm om haar hals en hield haar vast. Zij kuste hem nog eens, en nog eens.

Maar ’t kwam door ’t balkon, door den maneschijn, door de kanten sluier, ’t ridderkostuum, het gezang, het applaus; de arme jonge menschen waren onschuldig. Zij hadden dit niet gewild. Zij had de gravenkronen niet van zich gestooten, die boven haar hoofd zweefden, zij was de millioenen, die aan haar voeten gelegd werden niet voorbij gegaan, uit verlangen naar Gösta Berling en hij had Anna Stjärnhök niet vergeten. Neen, zij waren onschuldig, geen van beiden had dit gewild.

’t Was de zachtmoedige Löwenborg, hij met de tranen in de oogen en den glimlach op de lippen, – die het gordijn ophaalde en liet vallen. Verdiept in vele treurige herinneringen, had hij maar weinig aandacht over voor de dingen dezer wereld en had nooit geleerd ze behoorlijk te behartigen. Toen hij nu zag, dat Gösta en Marianne eene andere houding hadden aangenomen, meende hij, dat dit bij het tableau hoorde en trok het gordijn weer op.

De jonge menschen op ’t balkon bemerkten er niets van, eer de storm van applaus weer losbarstte in de zaal.

Een schok voer Marianne door de leden, en zij wilde vluchten; maar Gösta hield haar vast en fluisterde: „sta stil, ze denken dat dit bij het tableau hoort.”

Hij voelde haar beven van angst en de gloed der kussen sterven op haar lippen. „Wees niet bang,” fluisterde hij, „schoone lippen hebben recht tot kussen.”

Zij moesten stil blijven staan, terwijl het gordijn op en neer ging, en ieder keer, dat die honderden oogen hen aanzagen, ging een storm van applaus door de zaal.

Want het is heerlijk twee schoone jonge menschen het geluk der liefde te zien voorstellen. Niemand dacht, dat deze kussen iets anders dan tooneelkussen waren, niemand vermoedde dat de Sennora beefde van schaamte en de ridder trilde van onrust. Iedereen dacht, dat alles bij het tableau hoorde.

Eindelijk stonden Marianne en Gösta achter de coulissen. Zij streek zich over het voorhoofd en over het haar: „Ik begrijp mij zelf niet,” zeide zij.

„Foei, juffrouw Marianne,” zei hij en trok een leelijk gezicht, terwijl hij een afwerende beweging met de hand maakte. „Gösta Berling kussen, wel foei!”

Marianne moest lachen.

„Iedereen weet, dat Gösta Berling onweerstaanbaar is,” antwoordde ze. „Mijn schuld is niet grooter dan die van ieder ander.”

En ze spraken af zich goed te houden, zoodat niemand de waarheid zou vermoeden.

„Kan ik er op vertrouwen, dat de waarheid nooit uitkomt, mijnheer Gösta?” vroeg zij toen zij in de zaal zouden gaan.

„Daar kunt u zeker van zijn, juffrouw Marianne. De kavaliers zwijgen; ik sta voor hen in.”

Zij sloeg de oogen neer en een eigenaardige glimlach krulde haar lippen.

„Als nu de waarheid toch uitkomt, wat zullen de menschen dan wel van me denken, mijnheer Gösta?”

„Ze zullen niets denken; zij weten, dat dit niets beduidt. Ze zullen denken, dat we in onze rollen waren en doorspeelden.”

Nog een vraag sloop te voorschijn van onder de neergeslagen oogen en den gedwongen glimlach.

„Maar wat denkt Mijnheer Gösta er zelf van?”

„Ik denk, dat Juffrouw Marianne verliefd op mij is,” zei hij lachende.

„Geloof dat niet,” antwoordde ze glimlachend, „want dan zou ik Mijnheer Gösta met mijn Spaansche dolk moeten doorboren om hem te bewijzen, dat hij ongelijk heeft.”

„Vrouwenkussen zijn duur,” zei Gösta. „Kost het iemand het leven als Juffrouw Marianne hem kust?”

Toen zond Marianne hem een vlammenden blik, zóó scherp, dat hij dien voelde als een dolkstoot.

„Ik wou, dat je dood waart, Gösta Berling! dood! dood!”

Die woorden wakkerden ’t oude heimwee van den dichter weer aan.

„Ach,” zeide hij, „waren die woorden maar meer dan woorden, waren ze maar pijlen, die fluitend aankwamen uit ’t donkere kreupelhout, waren ze maar dolken of giftdroppels! Hadden ze maar macht dit ellendig lichaam weg te nemen en mijn ziel vrij te maken!”

Zij was weer rustig geworden en glimlachte: „Kinderpraat,” zei ze en nam zijn arm om naar binnen te gaan.

Zij hielden hun kostumes aan en werden in triomf ingehaald, toen zij zich in de zaal vertoonden. Allen prezen hen. Niemand vermoedde iets.

’t Bal begon, maar Gösta ging weg uit de balzaal. Zijn hart deed hem pijn, na dien blik van Marianne, als ware ’t door scherp staal gekwetst. Hij begreep wel, wat ze bedoelde. ’t Was schande hem lief te hebben, schande door hem bemind te worden – een schande, erger dan de dood. Hij wilde niet meer dansen; hij wilde ze niet meer zien, die schoone vrouwen. Hij wist het wel. Hun fluweelen oogen, hun roode wangen waren niet voor hem. Niet voor hem zweefden hun lichte voeten door de zaal, niet voor hem klonk hun frissche lach. Ja, met hem dansen, met hem dwepen – dat konden ze, maar geen van hen zou in allen ernst de zijne willen zijn.

Hij ging in de rookkamer naar de oude heeren en zette zich aan een der speeltafeltjes. Toevallig kwam hij aan ’t zelfde, waar de machtige Heer van Björne zat. Nu eens speelde hij, dan hield hij de bank en verzamelde een grooten stapel geld voor zich.

’t Spel ging al hoog. Nu voerde Gösta ’t nog hooger op. De groene bankpapieren kwamen voor den dag en steeds groeide de stapel geld voor den machtigen Melchior aan.

Maar ook voor Gösta lagen spoedig bankbiljetten en kopergeld in overvloed en spoedig was hij de eenige die ’t tegenover Melchior Sinclaire van Björne kon volhouden. Spoedig begonnen zelfs de geldstukken van hem naar Gösta Berling te verhuizen.

„Nu Göstalief!” riep hij uit, toen hij alles had verspeeld wat hij in zijn beurs en portefeuille had, „wat zullen we nu doen? Ik ben lens en speel nooit met geleend geld. Dat heb ik mijn moeder beloofd.”

Hij vond er toch iets op. Hij verspeelde zijn horloge en zijn pels van berenvel en was juist van plan zijn slee en paard op te zetten, toen Sintram hem tegenhield.

„Zet wat op, dat de moeite waard is,” raadde de booze Heer van Fors. „Zet wat op dat ’t geluk kan doen verkeeren.”

„De duivel hale als ik weet wat dat is.”

„Speel om je dierbare oogappel, Melchior, speel om je dochter!”

„Dat kunt u gerust wagen,” zei Gösta lachende, „dien prijs zal ik nooit winnen.”

De machtige landheer kon niet anders dan meelachen. Hij had niet graag, dat Mariannes naam aan de speeltafel genoemd werd; maar deze inval was zóó onzinnig, dat hij niet boos kon worden. Marianne aan Gösta Berling verspelen… ja, dat kon hij wel wagen.

„Dat wil zeggen,” verklaarde hij, „dat als je haar jawoord kunt winnen, Gösta, zet ik mijn zegen op jelui huwelijk op deze kaart.”

Gösta zette alles op, wat hij gewonnen had en ’t spel begon. Hij won en Melchior Sinclaire hield met spelen op. ’t Geluk liep hem tegen. Hij zag wel dat ’t niet ging.

De nacht ging voorbij. ’t Was al over twaalven.

De wangen der schoonen begonnen te verbleeken, het haar ging uit de krul, de garneeringen der baljaponnen waren gekreukeld. De oude dames stonden op uit de sofa’s en zeiden, dat ’t feest nu twaalf uren geduurd had en dat het tijd werd om naar huis te gaan.

En ’t heerlijk feest was voorbij, maar Liljecrona nam zelf de viool en speelde nog een laatste polka. De sleden stonden voor de deur, de oude dames deden haar pelzen en kappen aan, de oude heeren bonden de cache-nez om den hals en knoopten hun bonten overschoenen dicht.

Maar de jongelieden konden nog niet uit de danszaal scheiden. Zij dansten met hoed en mantel om. Ze dansten de polka à quatre, de slingerpolka, de ringpolka, een onzinnige dans was het. Zoo vaak een cavalier zijn dame losliet, kwam een ander en danste met haar weg.

Zelfs de treurige Gösta werd meegesleept in den wervelwind. Hij wilde de smart en de vernedering wegdansen, hij wilde weer de levenslust door zijn aderen voelen bruisen; hij wilde blij zijn, blij zooals alle anderen. En hij danste dat de zaal met hem in ’t rond draaide en zijn gedachten verward werden.

Wat was dat nu voor een dame, waar hij nu meê danste? Ze was licht en slank en ’t was hem als gingen stroomen vuur van hem naar haar en van haar naar hem. Ach! Marianne!

Terwijl Gösta met Marianne danste, zat Sintram al in zijn slee beneden op de plaats en naast hem stond Melchior Sinclaire. De machtige landheer was ongeduldig geworden, omdat hij op Marianne moest wachten. Hij stampte op de sneeuw met zijn groote, met bont gevoerde laarzen en sloeg met de armen, want ’t was bitter koud.

„Je hadt misschien Marianne maar liever niet aan Gösta moeten verspelen, Sinclaire,” zei Sintram.

„Wat blief je??” —

Sintram maakte de teugels in orde en hief de zweep op, eer hij antwoordde:

„Dat gekus hoorde volstrekt niet bij het tableau.”

De machtige Melchior hief den arm op tot een verpletterenden slag; maar Sintram was al weg. Hij draafde weg en zweepte de paarden aan tot een woeste vaart zonder te durven omzien. Want Melchior Sinclaire had een sterken arm en weinig geduld.

De Heer van Björne ging nu in de danszaal om zijn dochter te halen en zag daar hoe Gösta en Marianne dansten. Woest en onstuimig werd die laatste polka gedanst. Enkele paren waren bleek; andere gloeiend rood. ’t Stof stond als een wolk door de zaal. De kaarsen gloeiden; ze waren in de kandelaars neergebrand, en midden in dien ongezelligen chaos vlogen Gösta en Marianne rond, vorstelijk in hun frissche onvermoeidheid in hun vlekkelooze schoonheid, blijde zich latende gaan in de heerlijke beweging van den dans.

Melchior Sinclaire zag een poos naar hen, toen ging hij heen en liet Marianne dansen. Hij sloeg de deur hard dicht, stampte woest op de trappen, zette zich zonder een woord te spreken in de slee, waar zijn vrouw hem al wachtte en reed naar huis.

Toen Marianne na den dans naar haar ouders vroeg, waren ze weggereden. Toen zij dat hoorde, hield zij zich goed en toonde geen verwondering. Zij kleedde zich stil aan en ging naar buiten. De dames in de kleedkamer meenden, dat zij haar eigen slee had. Maar ze spoedde zich in haar dunne zijden schoentjes voort langs den weg, zonder aan iemand haar nood te klagen. Niemand herkende haar in het donker. Niemand kon denken, dat de wandelaarster, die door de voorbijrijdende sleden in de hooge sneeuwhoopen langs den weg gedrongen werd, de mooie Marianne was. Zoodra de weg vrij was en zij midden op kon loopen, liep ze zoo hard als ze kon. Als ze moe werd, hield ze even op, dan draafde ze weer. Een akelige, pijnlijke angst dreef haar voort.

Van Ekeby naar Björne is niet verder dan een vierde mijl. Marianne was spoedig thuis, maar ze meende eerst dat ze verkeerd geloopen was. Toen zij het huis naderde, waren alle deuren dicht, alle lichten uit. Ze dacht eerst, dat haar ouders nog niet thuis gekomen waren.

Ze ging naar de hoofddeur en liet den klopper een paar malen zwaar neervallen. Zij greep den deurknop en rukte er aan, dat het door ’t geheele huis klonk. Niemand deed open; maar toen ze den ijzeren knop, dien ze met haar bloote handen had aangegrepen, wilde loslaten, werd de huid van haar hand door den ijskouden knop gescheurd.

De machtige eigenaar van Björne, Melchior Sinclaire, was naar huis gereden om de poort van zijn goed te sluiten voor zijn eenig kind: hij was bedwelmd door den drank, en woest van toorn. Hij haatte zijn dochter, omdat ze van Gösta Berling hield, hij sloot de dienstboden in de keuken op en zijn vrouw in de slaapkamer. Met geweldige vloeken dreigde hij ieder, die het waagde Marianne binnen te laten komen, armen en beenen stuk te slaan. Zij wisten dat hij woord zou houden.

Zóó boos had nog niemand hem ooit gezien. Grooter leed was hem nooit overkomen. Was zijn dochter hem onder de oogen gekomen, hij had haar misschien gedood.

Hij had haar gouden sieraden en zijden kleederen gegeven; hij had haar fijne beschaving en veel kennis gegeven. Zij was zijn eer, zijn glorie geweest. Hij was trotsch op haar geweest als droeg ze een kroon! Ach zijn vorstelijke, goddelijke, aangebedene, zijn schoone fiere Marianne! Had hij iets ontzien, waar ’t haar gold? Had hij zich niet te onbeschaafd gevoeld om haar vader te zijn? Ach Marianne, Marianne!

Zou hij haar niet haten, zij die verliefd is op Gösta Berling en hem kust! Zou hij haar niet verstooten en zijn deur voor haar sluiten, als ze zijn eer krenkt door zulk een man lief te hebben? – Laat ze op Ekeby blijven. Laat ze bij de buren een onderkomen zoeken, laat ze in de sneeuw slapen. Hem kan ’t niet schelen. Ze is toch al door den modder gehaald. Haar glans – de glans van zijn leven is weg!

Hij ligt daar binnen in bed en hoort haar kloppen op de deur. Wat gaat hem dat aan? Hij slaapt. Daar buiten staat iemand, die met een afgezetten dominé trouwen wil. Zulke menschen hooren niet in zijn huis. Had hij haar minder liefgehad, was hij minder trotsch op haar geweest, dan had hij haar misschien nog ingelaten.

Ja, zijn zegen kon hij hen niet onthouden. Dien had hij aan Gösta Berling verspeeld. Maar in zijn huis zou ze geen voet meer zetten, dàt verkoos hij niet. – Ach Marianne!

De schoone jonge vrouw stond nog altijd buiten de deur van haar ouderlijk huis. Nu eens rukte ze aan de deur in machtelooze woede, dan weer viel ze op haar knieën, vouwde haar gekwetste handen en smeekte om vergeving. Maar niemand deed open.

Ach, was dat niet verschrikkelijk?

Ontzetting grijpt me aan, terwijl ik het vertel. Zij kwam van een bal, waar ze koningin van ’t feest geweest was. Ze was fier, rijk en gelukkig en in één oogenblik werd ze in zulk een hopelooze ellende gestort. Uitgestooten uit haar huis, aan de felle winterkou prijs gegeven; niet gehoond, geslagen of vervloekt, maar enkel koud, onverbiddelijk, liefdeloos buitengesloten.

Ik denk aan den kouden, sterrenheldren nacht, die zich over haar welfde, de groote wijde nacht met de verlatene, eenzame sneeuwvelden, met de stille bosschen. Alles was stil, alles lag zonder smart in diepe rust, slechts één enkel levend punt in al dat slapende witte. Alle smart en angst en schrik, die anders over heel de wereld verdeeld is, kwam nu samen op dat ééne punt. O, God! alleen te lijden in die slapende, stijfbevroren wereld.

Voor ’t eerst in haar leven ontmoette ze onbarmhartigheid en hardheid. Haar moeder wilde niet eens uit haar bed opstaan, om haar te redden. Oude, trouwe dienaren, die haar eerste schreden geleid hadden, hoorden haar, maar verroerden geen vinger om harentwil. Voor welke misdaad werd ze toch gestraft! Waar kon ze barmhartigheid verwachten, als ze die hier niet vond! Als ze een mensch vermoord had, zou ze toch nog hier aangeklopt hebben, in de overtuiging, dat zij daarbinnen haar vergeven zouden. Al was ze de ellendigste onder de menschen geworden, al was ze diep gezonken en in lompen, dan nog zou ze met vertrouwen naar deze deur zijn gegaan en een liefdrijk welkom verwacht hebben. Deze deur was de ingang naar haar huis. Daarachter kon ze alleen liefde ontmoeten. Had haar vader haar nu nog niet genoeg beproefd? Zouden ze nu niet gauw opendoen?

„Vader, vader!” riep ze, „laat me toch binnen. Ik heb ’t zoo koud, ik ril ’t Is hier buiten zoo vreeselijk!”

„Moeder, moeder; u hebt zooveel voor me gedaan! u hebt zoo dikwijls bij me gewaakt! Waarom slaapt u nu? Moeder, moeder waak nog dezen éénen nacht, en ik zal u nooit meer verdriet doen!”

Zij roept, en luistert dan ademloos naar antwoord. Maar niemand hoort het, niemand helpt, niemand antwoordt. Dan wringt zij de handen van angst; maar ze heeft nog geen tranen.

Het lange donkre huis met zijn gesloten deuren en donkre vensters lag schrikwekkend, onbewegelijk, in den stillen nacht. Wat moest er van haar, arme daklooze worden. Gebrandmerkt en onteerd zou ze zijn, zoolang ze leefde. En ’t was haar vader zelf, die haar ’t gloeiend brandijzer in de schouders drukte.

„Vader,” riep ze nog eens, „wat moet er van me worden? De menschen zullen allerlei kwaad van me denken.” Zij schreide en jammerde; zij was geheel verstijfd van kou.

O! dat zulk een ellende kan komen over iemand, die pas zóó hoog stond. Dat men zóó licht onder ’t zwaarste leed gebogen kan worden! Moeten we niet bang worden voor ’t leven? Wie is er veilig? Om ons heen golft de smart als een woeste zee. Zie, de golven dringen op om ons scheepje, begeerig om er bruisend overheen te storten. O, geen zeker voetpad, geen vaste grond, geen veilig vaartuig, zoover het oog reikt! Slechts een onbekende hemel over zee van smart.

Stil! Eindelijk, eindelijk! Lichte schreden klinken in de vestibule.

„Is u ’t moeder?” vroeg Marianne.

„Ja, mijn kind.”

„Mag ik nu binnen komen?”

„Vader wil je niet binnen laten.”

„Ik ben van Ekeby hierheen geloopen met mijn dunne schoenen door de sneeuw. Ik heb hier een uur staan roepen en kloppen. Ik vries hier dood! Waarom is u weggereden?”

„Ach, kind, kind, waarom heb je Gösta Berling gekust!”

„Maar zeg toch aan vader, dat ik niet van hem houd! ’t Was immers maar spel! Gelooft hij dan dat ik Gösta hebben wil?”

„Ga naar de boerderij, Marianne en vraag of je daar van nacht moogt blijven. Vader is dronken. Met vader is niet te praten, hij heeft mij boven gevangen gehouden. Ik ben weggeslopen, toen ik dacht, dat hij sliep. Hij slaat je dood, als je binnenkomt.”

„Moeder, moeder, moet ik naar vreemden gaan als ik een huis heb? Is moeder even hard als vader. Hoe kunt gij er vrede meê hebben, dat ik buiten gesloten word. Ik ga hier in de sneeuw liggen, als u me niet binnen laat.”

Toen nam Mariannes moeder de deursleutel in de hand om open te doen; maar op ’t zelfde oogenblik hoorde ze zware schreden op de trap en een scherpe stem riep haar.

Marianne luisterde; haar moeder haastte zich weg; de scherpe stem schold haar uit en toen…

Marianne hoorde iets vreeselijks – in ’t doodstille huis kon ze ieder geluid hooren.

Ze hoorde ’t geluid van een slag, van een stokslag of een oorvijg, toen een zwak geritsel en toen weer een slag.

Hij sloeg haar moeder, de verschrikkelijke, reusachtige Melchior Sinclaire sloeg zijn vrouw!

Doodsbleek van schrik wierp Marianne zich neer op den drempel en wrong de handen van angst. Nu schreide zij en haar tranen bevroren op den drempel van haar ouderlijk huis.

Genade! Erbarming! Doe open, doe open, opdat zij haar rug kan krommen onder de slagen. O! dat hij moeder kan slaan, haar slaan, omdat ze haar dochter niet dood in de sneeuw wil zien liggen, omdat zij haar kind heeft willen troosten!

Hoe diep werd Marianne dien nacht vernederd! Ze had gedroomd, dat zij koningin was en daar lag ze nu, weinig beter dan een slavin, gekromd onder de zweep van haar meester.

Maar zij stond op in ijskoude verontwaardiging. Nog eens sloeg ze met haar bloedende hand op de deur en riep:

„Hoor wat ik je nu zeg, jij die mijn moeder slaat! Je zult schreien, Melchior Sinclaire, bloedige tranen schreien!” Daarop ging zij heen, de schoone Marianne en legde zich ter ruste in een sneeuwhoop. Ze gooide haar pels af en lag daar in haar zwart fluweelen feestkleed, scherp afstekend tegen de witte sneeuw en ze dacht er aan hoe haar vader den volgenden morgen vroeg zou uitgaan en haar vinden. Zij hoopte alleen dat hij haar zelf vinden zou.

Op Ekeby waren alle lichten uitgebluscht en alle gasten vertrokken. De kavaliers stonden alleen boven in de kavaliersvleugel, om den laatsten halfleegen bowl.

Toen tikte Gösta tegen den rand van den bowl, en sloeg een toast op u, gij vrouwen uit vroeger dagen.

Wie van u sprak, zei hij, hem was het als vertoefden zijn gedachten in ’t Paradijs. Louter heerlijkheid waart ge, louter licht. Eeuwig jong, eeuwig schoon waart ge en vriendelijk als de oogen der moeder, die naar haar kind ziet. Zacht als jonge eekhorens sloegt ge de armen om den hals van den man. Nooit beefde uw stem van toorn, nooit werd uw voorhoofd gerimpeld, uw zachte handen werden nooit ruw en hard. Gij zachte heiligen, als versierde beelden stond ge in den tempel van het tehuis. De mannen lagen aan uw voeten en brachten u wierook en gebeden ten offer, door u verrichtte de liefde haar wonderen en om uw schedel straalde de gulden aureool der poëzie.

En de kavaliers sprongen op, bedwelmd door den wijn, bedwelmd ook door zijn woorden, de feestvreugde nog bruisend door hun bloed. De oude oom Eberhard en de luie neef Christoffel bleven niet achter. In vliegende vaart spanden zij allen te samen de paarden voor de sleden en ijlden voort door den kouden nacht om nog een hulde te brengen aan haar, die nooit genoeg gehuldigd werden, om een serenade te brengen aan ieder, die met haar roode wangen en heldere oogen schitterde in de groote zalen van Ekeby.

Maar de kavaliers brachten ’t niet ver op dien tocht. Want toen ze bij Björne kwamen, vonden zij de schoone Marianne in de sneeuw liggen voor de poort van haar ouderlijk huis.

Zij rilden! Zij werden bedroefd en vertoornd toen ze haar daar zoo zagen liggen. Het was hun als vonden ze een heiligenbeeld vernield en uitgeplunderd bij de kerkdeur liggen, alsof een baldadige hand de snaren van een stradivarius had doorgesneden.

Gösta balde de vuist tegen het donkere huis. „Gij kindren der duisternis!” riep hij. „Als hagel en storm hebt ge Gods paradijs verwoest!”

Beerencreutz stak zijn hoornen lantaren aan en lichtte er de bewustelooze meê in ’t blauwbleeke gezicht. Toen zagen de kavaliers haar gekwetste handen, en de tranen, die in haar wimpers bevroren waren en zij jammerden luid. Want zij was toch meer dan een heiligenbeeld of een kostbaar muziekinstrument; – ze was een schoone vrouw, die tot vreugd voor hun oude harten geweest was.

Gösta Berling wierp zich naast haar op de knieën.

„Hier ligt ze nu, mijn bruid,” riep hij uit. „Zij gaf mij voor een paar uur de eerste kus en haar vader heeft mij zijn zegen beloofd. Zij ligt en wacht, tot ik haar sneeuwwit bed kom deelen.” En Gösta hief de levenlooze op in zijn sterke armen.

„Naar huis, naar Ekeby met haar!” riep hij uit. „Nu is ze de mijne! In de sneeuw heb ik haar gevonden, nu zal niemand mij haar afnemen. Wij zullen hen daarbinnen niet wakker maken. Wat zou zij daar achter die poort doen, waartegen zij de handen aan bloed sloeg!”

Hij mocht doen wat hij wilde. Hij legde Marianne in de voorste slee en zette zich naast haar. Beerencreutz ging er achter op staan en greep de teugels.

„Wrijf haar met sneeuw, Gösta,” raadde hij.

De kou had haar verlamd, anders niet. Haar woest oproerig hart klopte nog. Zij was niet eens bewusteloos. Zij had alles gehoord en wist, dat de kavaliers haar gevonden hadden; maar zij kon zich niet bewegen. Ze lag stijf en onbewegelijk in de slee, terwijl Gösta Berling haar met sneeuw wreef en beurtelings schreide en haar kuste, en zij voelde een oneindig verlangen om slechts éen hand zóóveel te kunnen verroeren, dat ze zijn liefkoozingen beantwoorden kon.

Zij herinnerde zich alles; ze lag daar wel stijf en machteloos, maar haar gedachten waren helderder dan ooit. Had zij Gösta Berling lief? Ja, dat deed ze! Was het maar een inval van dien avond? Neen, zij had hem al lang, al vele jaren liefgehad.

Ze vergeleek zich zelf met hem en de andere menschen in Wermeland. Zij waren allen kinderen van het oogenblik. lederen opkomenden lust volgden ze. Zij leefden alleen het uiterlijke leven en hadden nooit de diepte hunner ziel gepeild. Maar zij was geworden zooals men wordt door veel onder menschen te verkeeren. Zij kon zich nooit geheel aan iets overgeven. Als zij liefhad – ja, wat ze ook deed – altijd stond de eene helft van haar Ik met een koelen spottenden glimlach toe te zien op wat de andre helft deed. Zij had verlangd naar een hartstocht, die over haar komen zou en haar meêslepen in woeste vaart. En nu was hij gekomen, de machtige. Toen zij Gösta Berling gekust had op het balkon, had zij voor het eerst zich zelf vergeten.

En nu kwam de hartstocht op nieuw over haar. Haar hart sloeg zóó heftig, dat zij ’t hooren kon. Zou zij niet eindelijk haar ledematen weer meester worden? – Zij voelde een woeste blijdschap, omdat ze uit haar huis verstooten was. Nu wilde ze Gösta toebehooren, zonder eenige bedenkingen. Wat was ze toch dom geweest, toen ze jaren lang haar liefde bedwong. O heerlijk, heerlijk is ’t zich over te geven aan de liefde, haar te voelen branden in ’t hart. Maar zou ze dan nooit, nooit uit de kluisters van ijs bevrijd worden? Tot nu toe was ze van binnen koud en van buiten vol gloed geweest. Nu was ’t haar als droeg ze een ziel van vuur in een lichaam van ijs.

Daar voelt Gösta twee armen zacht zich opheffen en om zijn hals leggen met een zwak, bijna onmerkbaar drukken.

Hij kon ’t maar juist even voelen.

En Marianne meende, dat zij haar gesmoorden hartstocht lucht gegeven had in een brandende omhelzing.

Toen Beerencreutz dat zag, liet hij ’t paard over aan zich zelf op den bekenden weg. Hij hief zijn oogen op en staarde hardnekkig en onafgebroken naar ’t zevengesternte.




VI.

De oude voertuigen


Vrienden, menschenkinderen! Wanneer het mocht zijn, dat ge dit zit of ligt te lezen in den nacht, zooals ik dit schrijf in stilte en duisternis, slaak dan geen zucht van verlichting bij de gedachte, dat de goede heeren van Ekeby ongestoord konden slapen, toen ze thuis gekomen waren met Marianne en haar een goed bed gegeven hadden in de beste logeerkamer bij de groote zaal.

Ze gingen wel naar bed en sliepen in; maar het viel hen niet te beurt om rustig te slapen tot midden op den dag, zooals gij en ik zouden doen, als we tot vier uur opgebleven waren en de leden ons pijn deden van vermoeidheid.

Want ge moet niet vergeten, dat de oude Majoorske door ’t land ging met den bedelstaf en dat het niet in haar aard lag, bij ’t uitvoeren van gewichtige plannen, rekening te houden met het gemak van vermoeide zondaars. En nu deed ze dat nog veel minder, omdat ze voornemens was dezen nacht de kavaliers van Ekeby te verdrijven.

De tijd, toen zij in glans en heerlijkheid op Ekeby zat en vreugde om zich heen strooide over de wereld, zooals God sterren zaait over den ganschen hemel – die tijd was voorbij. En terwijl zij verlaten ronddwaalde, was de macht en eer van het groote goed aan de kavaliers overgelaten, die het verzorgden, zooals de wind de asch, zooals de lentezon de sneeuw.

Nu en dan gebeurde het, dat de kavaliers in een lange slede reden met klinkende bellen. Wanneer zij dan de Majoorske ontmoetten, die als bedelaarster langs den weg ging, sloegen zij de oogen niet neer. De luidruchtige troep balde de vuisten tegen haar. Met een zwaai van de slee drongen ze haar in de sneeuwhoopen op zij van den weg en Majoor Fuchs, de beerenjager, spuwde altijd drie keer op den grond om het booze voorteeken van zulk een ontmoeting de kracht te ontnemen.

Zij hadden geen medelijden met haar, ze beschouwden haar als een leelijke heks.

Als haar een ongeluk getroffen had, zouden ze het zich niet meer hebben aangetrokken, dan wanneer ze op een avond een geweer hadden afgeschoten met koperen knoopen en dan toevallig een voorbijvliegende tooverheks geraakt hadden.

De arme kavaliers meenden hun ziel te redden door de Majoorske te vervolgen.

De menschen hebben elkaar vaak ’t gruwelijkst gepijnigd, als zij in angst waren voor de zaligheid hunner ziel.

Als de kavaliers laat in den nacht van hun drinkgelag naar ’t venster gingen, om naar ’t weer te kijken, zagen ze vaak een donkere schaduw door den hof glijden en ze begrepen dan, dat de Majoorske naar haar geliefd tehuis kwam kijken. Maar dan daverde de kavaliersvleugel van het honend lachen der oude zondaars en spottende woorden klonken uit de open vensters in haar ooren.

Voorwaar! Harteloosheid en hoogmoed namen hun intrek bij de arme avonturiers. Sintram had haat in hun harten gezaaid. Als de Majoorske in vrede op Ekeby was gebleven, kon hun ziel niet in grooter gevaar geweest zijn. Er vallen meer krijgers op de vlucht dan in den slag.

De Majoorske was niet bijzonder boos op de kavaliers. Had zij er nog de macht voor gehad, dan had zij ze met een roede afgestraft als ondeugende jongens en hen dan weer in genade aangenomen. Maar ze was bekommerd voor haar geliefd tehuis, dat aan de kavaliers was overgelaten en door hen verzorgd werd zooals de wolf het schaap verzorgt.

Ach! hoevelen hebben dezelfde smart gedragen. Zij is niet de eenige, die haar dierbaar thuis heeft zien verwaarloozen, die gevoeld heeft wat het is als het ouderlijk huis ons aanziet als een gewond dier. Hoe menigeen voelt zich als ware hij een misdadiger, als hij de boomen met mos en de paden met gras ziet begroeien. Hij zou op de knieën kunnen vallen op die velden, vroeger golvend van graan en ze smeeken hem niet aan te klagen om de schande, die over hen kwam. Hij wendt zijn hoofd af voor den blik der arme oude paarden. Hij durft niet aan ’t hek blijven staan om ’t vee van de weiden te zien thuiskomen. Geen plek op aarde is zóó droevig om te zien als een vervallen thuis.

Ach, ik smeek u, gij allen, die velden en weiden en tuinen met bloemen, die vreugde brengen, bezit of te verzorgen hebt – verzorg ze goed. Geef ze uw liefde, uw arbeid. Het is niet goed, als de natuur moet treuren over de menschen! Als ik er aan denk wat het trotsche Ekeby heeft moeten lijden, onder het bestuur der kavaliers, dan betreur ik het, dat de Majoorske haar doel niet bereikte, dat Ekeby hun niet afgenomen werd.

Het was niet haar bedoeling zelf weer aan het bestuur te komen. Zij had maar één doel: haar huis te bevrijden van die dwazen, sprinkhanen, die roovers, die geen grassprietje overlieten.

Terwijl ze bedelend door ’t land trok en van aalmoezen leefde, moest zij steeds aan haar moeder denken, en de gedachte, dat er nooit betere tijden voor haar zouden komen, vóor haar moeder den vloek van haar weggenomen had, die haar zoo zwaar drukte, schoot wortel in haar ziel.

Niemand had haar nog den dood der oude vrouw gemeld. Zij leefde dus zeker nog in het Elvedal, daar boven op haar hoeve. Negentig jaar oud leefde ze daar nog en werkte onafgebroken, verzorgde haar melkschotels in den zomer en haar kolenbranderijen in den winter, werkte tot het laatste toe, verlangend naar den dag, dat zij haar arbeid volbracht had.

En de Majoorske dacht, dat als de oude vrouw zóólang bleef leven, ’t zeker zijn zou, omdat ze den vloek van haar leven wegnemen zou. De moeder, die zulk een ellende over ’t hoofd van haar kind had gebracht, kon niet sterven.

Daarom wilde de Majoorske naar haar toegaan, opdat ze beide rust zouden vinden. Zij wilde door de donkre bosschen heen opgaan langs de lange beek naar haar ouderlijk huis. Eer kon ze geen rust vinden. Er waren velen, die haar in die dagen een gezellig tehuis en trouwe vriendschap aanboden, maar zij had geen blijvende plaats. Barsch en toornig ging zij van de eene hoeve naar de andere, want de vloek drukte haar.

Zij wilde naar haar moeder gaan, maar eerst wilde zij haar geliefd Ekeby redden. Zij wilde het niet achterlaten in de handen van lichtzinnige pretmakers, van onbruikbare zwierbollen, van onverschillige verkwisters van Gods goede gaven. Zou zij heengaan om later haar bezittingen verwoest, haar smidse verlaten, haar paarden verwaarloosd, haar dienstboden vertrokken te vinden? Neen, nog eens wilde ze al haar kracht verzamelen en de kavaliers wegjagen.

Wel wist ze, dat haar man met vreugde zag hoe ’t toeging op Ekeby. Maar ze kende hem genoeg om te weten dat, als zij maar eens zijn sprinkhanen verdreven had, hij te lui zou zijn om anderen te zoeken. Waren de kavaliers maar eerst weg, dan zou haar oude rentmeester en de meesterknecht Ekeby wel op de oude manier besturen.

Daarom had men haar zwarte schaduw vele nachten lang zien rondsluipen op de zwarte wegen bij de ijzermijnen. Zij was de arbeidershuizen uit en ingegaan; ze had gefluisterd met den molenaar en zijn knechts in de benedenste kelders van den molen; zij had beraadslaagd met de smeden in ’t donkere kolenhok.

En allen hadden ze gezworen haar te helpen. De eer en ’t aanzien van ’t oude landgoed zou niet langer overgelaten worden aan slordige kavaliers, om door hen verzorgd te worden zooals de wind de asch, de wolf de kudden verzorgt.

En in dezen nacht, die de vroolijke heeren verdanst, en verdronken hebben, tot ze doodmoe op hun bedden in slaap gevallen zijn, in dezen nacht nog moeten zij weg. Zij heeft hen laten feestvieren. Met een barsch gezicht heeft zij in de smidse gezeten en gewacht tot het feest voorbij was. Zij heeft nog langer gewacht, totdat de kavaliers terugkwamen van hun nachtelijken rit; zij heeft zwijgend gewacht tot haar werd aangezegd, dat het laatste licht uit was op de kavaliersvleugel en dat alles op het groote landgoed sliep. Toen stond ze op en ging naar buiten. ’t Was al vijf uur in den morgen; maar nog welfde zich de donkere, van sterren vonkelende Februarinacht over de aarde.

De Majoorske gebood heel het dienstpersoneel van ’t landgoed zich bij den kavaliersvleugel te verzamelen. Zelf ging ze eerst naar het hoofdgebouw, klopte aan en werd binnen gelaten. De dochter van den predikant te Broby, die zij had opgeleid tot een bekwaam dienstmeisje, ontving haar.

„Mevrouw is zoo hartelijk welkom,” zei het meisje en kuste haar de hand.

„Doe het licht uit,” zei de Majoorske. „Meen je, dat ik hier den weg niet kan vinden zonder licht?”

En toen begon zij haar wandeling door het stille huis. Zij ging van den zolder tot den kelder om afscheid te nemen. Zacht slopen de beide vrouwen van ’t eene vertrek naar het andere. De Majoorske sprak met haar herinneringen. ’t Meisje zuchtte en jammerde niet, maar groote tranen rolden aanhoudend over haar wangen, terwijl ze haar meesteres volgde. De Majoorske liet de linnenkast en de zilverkast opendoen en streek met de hand over de fijne damasten tafellakens en over de prachtige zilveren kannen. Zij liet de hand over de groote stapels donzen dekens en kussens glijden op de beddenkamer. Al het huisraad: de weefstoelen, de spinnewielen, de garenwinders, moest zij aanraken. Zij stak onderzoekend haar hand in de kruiddoos en voelde aan de vetkaarsen, die aan den zolder hingen.

„De kaarsen zijn droog,” zeide ze. „Nu kunnen ze afgenomen en opgeborgen worden.” In den kelder ging ze, klopte op de vaten liet de hand glijden langs de rekken met wijnflesschen. Zij was in de provisiekamer en in de keuken en betastte alles, onderzocht alles. Zij strekte de handen uit en nam afscheid van alles in het huis.

Eindelijk ging zij in de kamers. In de eetzaal streek zij met de hand over de groote uittrektafel.

„Menigeen is verzadigd geworden aan deze tafel,” zeide zij.

Zij ging door alle kamers. Zij vond de lange breede sofa’s op hun plaatsen, zij streelde het koude marmer op de consoles die, door vergulde draken gedragen, de kostbare spiegels ondersteunden.

„Een rijk huis,” zei ze, „een heerlijk man was hij, die mij dat alles gaf om te besturen.”

In de groote zaal, waar zoo pas de dans nog weêrklonken had, stonden de leuningstoelen met hooge ruggen al weer op een stijve rij langs den muur. Zij ging naar de piano en sloeg zacht een paar tonen aan.

„Ook in mijn tijd ontbrak ’t hier niet aan vreugd en vroolijkheid,” zeide zij.

De Majoorske ging ook in de logeerkamer achter de groote zaal. ’t Was pikdonker.

De Majoorske voelde voor zich uit en raakte bij toeval ’t gezicht van ’t meisje aan.

„Schrei je?” vroeg zij, want haar hand was nat van tranen.

Toen barstte het meisje in luid weenen uit. „Ach mevrouw, lieve mevrouw,” snikte ze, „zij vernielen alles. Waarom gaat mevrouw van ons weg en laat de kavaliers het heele huis bederven!”

De Majoorske trok het gordijn ter zijde en wees naar beneden in den hof. „Heb ik je geleerd te schreien en te jammeren?” vroeg zij. „Zie, de plaats is vol menschen. Morgen is er geen enkele kavalier meer op Ekeby.”

„En komt mevrouw dan terug?” vroeg het meisje.

„Mijn tijd is nog niet gekomen,” zeide de Majoorske. „De straatweg is mijn huis, een sloot mijn bed. Maar jij moet Ekeby voor mij bewaren, meisje, terwijl ik weg ben.”

En zij gingen verder. Geen van beiden wist of dacht er aan, dat Marianne juist in deze kamer sliep.

Zij sliep ook niet. Ze lag klaar wakker, zij hoorde en begreep alles. Zij had in haar bed een hymne aan de liefde liggen dichten. „Gij heerlijke, die me verhieft boven mij zelf,” zeide zij, „ik lag in grondelooze ellende verzonken en gij hebt die in een paradijs herschapen. Aan den ijzeren knop van den gesloten poort bleven mijn handen hangen en werden er gekwetst; op den drempel van mijn tehuis liggen mijn tranen tot ijspaarlen bevroren. IJzige woede deed mijn hart rillen toen ik slagen hoorde dalen op mijn moeders rug. In de koude sneeuw wilde ik mijn toorn vergeten. Maar toen kwaamt gij, o liefde! Kind van ’t vuur! Gij kwaamt! Tot de arme van koude bevangen zijt gij gekomen. Als ik mijn ellende vergelijk met de heerlijkheid, die ik daardoor won, is zij als niets. Van alle banden ben ik bevrijd. Geen vader of moeder of thuis heb ik meer. De menschen zullen alle mogelijke kwaad van mij gelooven en zich van mij afwenden. Welaan, uw wil geschiede, machtige Liefde. Waarom zou ik meer zijn dan de man, dien ik liefheb? Hand in hand zullen wij de wereld doorgaan. Arm is de Bruid van Gösta Berling. In de sneeuw heeft hij haar gevonden. Laat ons te zamen ons vestigen, niet in de hooge zalen; maar in een boerenhut aan den rand van het woud. Ik zal hem helpen in de kolenbranderij, en met het strikken zetten voor vogels en hazen. Ik zal zijn eten bereiden en zijn kleeren verzorgen. O mijn liefste, gelooft ge, dat ik ontbering of droefheid zal voelen, terwijl ik alleen in onze hut zit en u wacht? En toch zal ik dat, maar niet naar de dagen van mijn rijkdom, alleen naar u zal ik uitzien en verlangen, naar uw schreden op ’t pad, naar uw vroolijk gezang, als ge met de bijl op den schouder thuiskomt.”

Zoo had ze stil gelegen en hymnen gedicht aan den aller harten beheerschenden God der liefde en geen slaap had haar oogen geloken, toen de Majoorske binnenkwam. Toen ze weer was heengegaan, stond Marianne op en kleedde zich aan. Nog eens moest ze het zwart fluweelen kleed en de dunne balschoenen aantrekken. Zij sloeg de deken om zich heen als een shawl en spoedde zich op nieuw voort door den vreeselijken nacht.

Rustig, vol sterren en bijtend koud rustte de Februarinacht nog over de aarde, het was als zou ze nooit voorbijgaan. En de duisternis en de kou door de nacht gebracht, bleef op aarde hangen lang nadat de zon was opgegaan, lang nadat de sneeuw, waardoor de schoone Marianne gewaad had, tot water versmolten was.

Marianne haastte zich voort van Ekeby om hulp te zoeken. Zij kon niet toelaten, dat de mannen, die haar uit de sneeuw hadden opgenomen en hun huis en hart voor haar geopend, van hun haardsteden verjaagd zouden worden. Zij wilde naar Sjö gaan, naar Majoor Samzelius. Eerst over een uur kon ze terug zijn.

Toen de Majoorske afscheid van haar huis genomen had, ging ze naar buiten op de plaats, waar het volk haar wachtte en de strijd om den kavaliersvleugel begon.

De Majoorske stelt al het volk op rondom het hooge smalle gebouw, waaraan het bovenste gedeelte de beruchte woning der kavaliers is. In de groote kamer daarboven met de gewitte muren, de roodgeschilderde kisten en de groote tafel, waar de kaarten nog op de met brandewijn bemorste tafel liggen, waar de breede bedden door geel geruite gordijnen verborgen worden – daar slapen de kavaliers. Ach, die zorgeloozen?

En in den stal voor de gevulde ruif slapen de kavalierspaarden en droomen van de heldenfeiten hunner jeugd.

Liefelijk is het in de rustdagen te droomen van de avonturen der jeugd, van de marktreizen, toen ze dag en nacht onder den blooten hemel moesten staan, van hardrijderijen, van proefritten voor een verkoop, als hun door wijn verhitte meesters hun van uit de wagens allerlei vloeken toeriepen. Lieflijk zijn die droomen voor hen, nu ze weten dat ze nooit meer den warmen stal, de gevulde ruif van Ekeby zullen verlaten. Ach, die zorgeloozen!

In een oud vervallen wagenhuis, waar stukgereden karossen en afgedankte sleden bewaard worden, staat een wonderlijke verzameling voertuigen. Daar staan groen geschilderde mandenwagens en sjeezen en sleden en allerlei soorten van rijtuigen. Daar staat de eerste kariool, die in Wermeland gezien is, en die door Beerencreutz in den oorlog van 1814 is buit gemaakt. Daar staat de lange slee, waarin plaats is voor twaalf man en de kleine slee waarin neef Christoffel kwam aanrijden en Örneclous’ oude familieslee met berenvellen en ’t wapen op ’t zeil en verder een oneindig aantal kapsleden.

Vele kavaliers hebben al geleefd en zijn gestorven op Ekeby. Hun namen zijn vergeten en zij hebben geen plaats meer in de harten der menschen; maar de Majoorske heeft de voertuigen bewaard, waarin zij naar Ekeby kwamen. Ze heeft ze allen bijeen in het oude wagenhuis.

En daarbinnen staan zij stil en laten de stof dicht op zich neervallen.

Nagels en spijkers houden niet meer in ’t vermolmde hout, de verf valt er af in groote stukken, en door de motgaten komt het opvulsel van kussens en dekken naar buiten.

„Laat ons rusten, laat ons vervallen,” zeggen de oude voertuigen. „Wij hebben lang genoeg langs de wegen geschommeld, wij hebben vocht genoeg opgezogen in de regenbuien. Laat ons rusten! ’t Is lang geleden, dat wij de jonge heeren naar hun eerste bal reden, lang geleden, dat wij netjes gepoetst en glimmend uittrokken op sleepartijtjes, lang geleden, dat we op moerassige wegen in de lente de jonge heeren naar den slag van Trössnäs reden. De meesten van hen gingen ter ruste, de laatsten en de besten zullen Ekeby niet meer verlaten.”

En het leder der voetenzakken barst, de banden springen van de wielen, wielspaken en naaf vermolmen. De oude voertuigen geven niet meer om het leven. Zij willen sterven.

’t Stof ligt over hen als een lijkwade en zij laten onder die bedekking den ouderdom steeds meer macht over hen krijgen. In hardnekkige luiheid laten ze zich vervallen. Niemand raakt hen aan en toch vallen zij aan stukken. Eéns in het jaar wordt de schuur geopend, als een nieuwe kameraad is aangekomen, die zich op Ekeby wil vestigen en zoodra de deuren gesloten zijn valt de moeheid, de slaap, ’t verval, de zwakte van den ouderdom ook over de nieuw aangekomene. Ratten en houtwormen en motten en hoe al die roofdieren verder mogen heeten, werpen zich op hen en zij verroesten en vermolmen in droomlooze, liefelijke rust.

Maar nu in den kouden Februarinacht laat de Majoorske de deuren van de wagenschuur openen.

En met lantarens en fakkels laat zij de voertuigen uitzoeken, die aan de tegenwoordige kavaliers van Ekeby behooren: ’t oude kariool van Beerencreutz en de met wapens versierde slee van Örneclou en ’t smalle sleetje van Neef Christoffel.

Ze geeft er niet om of ’t zomer- of winterrijtuigen zijn, ze past alleen op, dat ieder ’t zijne krijgt.

En in den stal worden al de oude kavalierspaarden gewekt, die zoo pas nog voor de gevulde kribben droomden.

Uw droomen zullen werkelijkheid worden, gij zorgeloozen!

De steile heuvels zult ge weer afrennen en ’t muffe hooi weer proeven in den herbergstal, en de zweep van den paardenkooper voelen en deelnemen aan onzinnige wedrennen op zulk glad ijs, dat ge er voor beeft.

Nu is ’t zooals ’t behoort, nu de oude voertuigen bespannen zijn.

Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als ’t gebit in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten, spatten en gehoest komen nu aan het licht.

De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen.

„Span Don Juan voor onze beste kapslee,” antwoordt de Majoorske, „en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen.” En als de jongens aarzelen, gaat ze voort: „Er is geen paard op mijn stal, dat ik niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet.”

Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt, – maar de kavaliers slapen nog altijd.

Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar ’t is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. ’t Is zoo makkelijk hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen, die hen weg zullen voeren.

Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de kavaliers slapen.

„’t Is mijn hooiberg,” zegt ze, „heel Ekeby hoort mij toe.”

En als nu de hooiberg in lichtelaaie vlam staat roept ze: „Wek hen nu!”

Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord: „Brand! brand!”

Maar de kavaliers slapen.

De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers slapen.

Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen.

Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht.

Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om hen te wekken.

Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep als dooden.

Die gezegende slaap zal hen redden.

’t Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen; gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt, neer te vellen.

Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een beer in zijn hol? ’t Volk brult: „Brand! brand!” keer op keer; maar niets helpt.

Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de slaapkamer open en roept naar binnen:

„Brand! Brand!”

Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan ’t schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen onmiddellijk de twaalf mannen ’t bed uit, zien den vuurgloed, trekken haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op.

Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke molenaarsjongens, – en een groote schande komt over de kavaliers. Want wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of slee gelegd.

Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh, de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke, de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers.

’t Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde uitbarstingen van onmachtige woede.

De Majoorske gaat van den een naar den ander.

„Je moet zweren,” zegt ze, „dat je nooit meer naar Ekeby terug zult komen.”

„Och loop, oude tooverheks!”

„Je moet zweren,” zegt zij, „anders gooi ik je in den kavaliersvleugel, gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand ik den kavaliersvleugel. Nu weet je ’t!”

„Dat durft de Majoorske toch niet.”

„Durf ik ’t niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je, dat ik ’t niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? ’t Is je geraden te zweren!”

En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden, want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken te voorkomen.

Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö bereikt.

De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin, waar hij zijn beren voerde.

Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in ’t berenhok, bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten en haastte zich naar Ekeby.

Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen.

Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden?

Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in wilde vaart naar Ekeby.

Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan:

„De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren.”

Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan.

„Jij hebt hem gehaald,” zei ze tegen Marianne.

„Vlucht!” roept deze nog dringender. „Weg van hier, in Godsnaam! Ik weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich.”

Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan.

„Ik dank jelui voor je hulp, kinderen,” zei deze kalm tot het volk. „Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van jelui voor ’t gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga nu heen.”

Maar zij bleven dralen.

Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne.

„Ik weet, dat je liefhebt,” zeide ze. „Je handelt in waanzin, door liefde gedreven. ’k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is!

„Komt nu kinders, komt nu!” met deze woorden wendde ze zich weer tot het volk. „God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en ’t land in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme menschen.”

Toen ging ze heen, door ’t volk gevolgd.

Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden, – een lange treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was ’t al even droevig gesteld. ’t Leven had geen van allen gespaard.

Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog nooit gedragen.

„Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van Björne knielde,” zeide Marianne.

En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude voertuigen weer in ’t wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen, dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en de uilen krassen.

Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen.

„Leve de Majoorske!” riepen zij.

Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren.

Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg, dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden?




VII.

De groote beer op Gurlita Klätt


In de duisternis der wouden huizen de onheilige dieren, de kaken gewapend met glinsterende tanden of scherpe bekken; en scherpe klauwen aan de pooten. Zij verlangen er naar zich aan een bloedigen hals vast te klampen, – hun oogen vonkelen van moordlust.

Daar huizen de wolven, die ’s nachts te voorschijn komen om de slede der boeren te jagen, tot de vrouw het kindje, dat op haar schoot zit, moet opnemen en het uit de slee werpen om haar leven en dat van haar man te redden.

Daar huist de los, die ’t volk „göpä” noemt, want, in het bosch ten minste, is ’t gevaarlijk hem bij zijn rechten naam te noemen. Hij, die op den dag over hem gesproken heeft, mag ’s avonds wel goed de deuren en luiken van ’t schapenhok nazien, anders komt hij. Hij klautert recht tegen ’t schapenhok op, want zijn klauwen zijn sterker dan ijzeren nagels. Hij glijdt door ’t nauwste luikje en werpt zich op de schapen. En hij hangt aan hun hals en drinkt hun bloed uit de aderen en vermoordt en verscheurt ze tot er geen enkel schaap meer over is. Zijn woede bedaart niét zoolang nog éen van hen teekenen van leven geeft.

En ’s morgens vindt de boer alle schapen dood in ’t hok met afgebeten halzen; want de los laat geen levend vee achter, waar hij komt.

Daar huist de uil, die huilt in de schemering. Als ge hem dan nadert, komt hij op zijn breede vleugels aansuizen en steekt u de oogen uit. Want hij is geen gewone uil. Een boschduivel is hij!

En daar huist de verschrikkelijkste van allen, de beer, die zoo sterk is als twaalf man en die, nu hij volwassen is, alleen met zilveren kogels geveld kan worden. Kan iets een dier verschrikkelijker maken dan dat het alleen met zilveren kogels kan geveld worden? Wat zijn dat voor vreeselijke, geheime krachten, die in hem wonen, die hem voor gewoon lood onkwetsbaar maken? Kan niet menig kind vele uren wakker liggen en beven voor het wilde dier, dat door booze machten beschut wordt.

En als men hem in ’t bosch tegen mocht komen, groot en hoog als een wandelende rots, dan moet men niet opspringen, zich ook niet verdedigen; maar zich op den grond laten vallen en zich dood houden. Vele kinderen hebben in gedachten op ’t veld gespeeld en den beer bij zich gehad. Hij heeft ze met de poot om en om gerold, en ze hebben zijn heeten, snuivenden adem in hun gezicht gevoeld, maar ze hebben stil gelegen, tot hij wegging om een gat te graven, waar hij ze in bewaren wilde.

Toen zijn ze stil opgestaan en weggeloopen, – eerst langzaam, maar later in vliegende vaart.

Maar o! Stel u eens voor, dat de beer ze niet goed dood gevonden had, maar nog eens had toegebeten, of dat hij ergen honger had en ze dadelijk had willen opeten, of dat hij ze gezien had, toen ze zich bewogen en ze nagesprongen was! O God!

Een heks is de angst. Ze zit in de schemering der wouden, dicht tooverliederen voor de oogen der menschen en vult hun harten met ontzettende gedachten. Daardoor ontstaat die verlammende vrees, die ’t leven zwaar maakt en de schoonheid der lachende dreven verwoest. Boosaardig is de natuur, valsch als een slapende draak. Nergens kan men op vertrouwen.

Daar ligt het Löfvenmeer in zijn heerlijke schoonheid, maar vertrouw het niet. Het loert op roof; ieder jaar moet het zijn schatting van drenkelingen brengen.

Daar ligt het woud; verlokkend vredig; maar vertrouw het niet. ’t Bosch is vol onheilige dieren, waarin de zielen van booze toovenaars en moordlustige schurken gevaren zijn.

Vertrouw de beek niet met het zachte water. ’t Brengt u vreeselijke ziekten en den dood, als ge er in baadt na zonsondergang. Vertrouw den koekoek niet, die zoo vroolijk riep in ’t voorjaar. In den herfst wordt hij een havik met booze oogen en scherpe klauwen. Vertrouw het mos niet, noch het heidekruid, noch de berghelling. Boosaardig is de natuur, bezield door onzichtbare machten, die de menschen haten. Er is geen plaats waar ge een voet veilig neer kunt zetten. Wonderlijk is ’t, dat dit zwak geslacht zoo veel vervolging ontkomen kan.

Een heks is de angst. Zit ze nog in de duisternis der bosschen van Wermeland haar tooverliederen te zingen? Verduistert ze er nog de schoonheid van ’t lachend landschap, verlamt ze nog de vreugde over ’t leven? Groot is haar macht geweest, ik weet dat! Ik, die haar ijzeren hand om mijn hart heb gevoeld.

Maar nu moet niemand meenen, dat ik nu iets griezeligs of vreeselijks vertellen zal. ’t Is maar een oud verhaal van den grooten beer in Gurlita Klätt, dat ik moet doen en ’t staat ieder volkomen vrij het te gelooven of niet, zooals ’t immers met alle echte jachtverhalen het geval is.

De groote beer heeft zijn hol op den prachtigen bergtop, die Gurlita Klätt heet en zich steil en ontoegankelijk aan den oever van ’t boven-Löfvenmeer verheft.

De wortels van een omgevallen den, waartusschen ’t mos is blijven hangen, vormen de wanden en ’t dak van zijn woning; takken en twijgjes beschutten die en de sneeuw dekt ze toe. Daar binnen kan hij liggen en rustig slapen van den eenen zomer tot den andren.

Is hij dan een dichter, een verweekelijkt droomer, die ruige boschkoning, die roover in de sneeuw verborgen? Zal hij de koude nachten en de grauwe dagen van den winter verslapen om door murmelende beekjes en vogelgezang gewekt te worden? Zal hij daar liggen droomen van heuvels met roode boschbessen bedekt en van mierenhoopen vol lekkere, bruine miertjes en van de lammeren die op de groene berghellingen weiden? Zal hij, de gelukkige, aan ’s levens winter ontkomen?

Buiten giert de sneeuwjacht door de dennen; buiten zwerven wolven en vossen rond, waanzinnig van honger. Waarom zou alleen de beer slapen? Hij zal opstaan en voelen hoe snerpend de kou is, hoe zwaar het valt door de diepe sneeuw te waden.

Hij ligt daar zoo heerlijk. Hij lijkt de prinses uit de sage wel. Zooals zij door de liefde gewekt werd, zoo zal hij door de lente gewekt worden. Door een zonnestraal, die door de takjes heen glijdt en zijn snuit verwarmt; door droppeltjes smeltende sneeuw, die zijn pels nat maken, zal hij gewekt worden. Wee hem, die hem ontijdig stoort.

Als nu maar iemand er rekening meê hield, hoe de woudkoning zijn leven heeft ingericht. Als nu maar niet plotseling een zwerm hagel door de takjes kwam suizen en de korrels in zijn huid kropen als nijdige muggen.

Hij hoort plotseling geraas, roepen en schieten. Hij schudt zich den slaap uit de leden en breekt door de takken om te zien wat er is. Daar is werk voor den ouden strijdheld. De lente is het niet, die buiten zijn hol ruischt en buldert; ook de wind niet, die de dennen omrukt en de jachtsneeuw doet opstuiven; ’t zijn de kavaliers, de kavaliers van Ekeby, – oude kennissen van den woudkoning.

Hij herinnert zich den nacht nog wel toen Fuchs en Beerencreutz op den loer zaten bij de schuur op de hoeve van den boer van Nygaard, waar men een bezoek van hem wachtte. Ze waren juist bij hun brandewijn flesch ingeslapen, toen hij kwam en door ’t met plaggen gedekte dak van den stal kroop; maar ze werden wakker, toen hij de gedoode koe uit de stal wilde slepen. De koe namen ze hem af en zijn ééne oog; maar ’t leven redde hij. Ja, zoowaar! de kavaliers en hij zijn oude kennissen. De woudkoning herinnert zich nog hoe ze hem een anderen keer overvielen, toen hij en zijne hooge gemalin zich juist ter ruste hadden gelegd voor den winterslaap in den ouden koningsburcht hier op Gurlita Klätt en hun jongen bij zich hadden. Hij herinnert zich nog, hoe onverwacht ze kwamen. Hij ontkwam wel, maar moest loopen wat hij kon, en mank werd hij voor zijn leven, door een schot in de dij. En toen hij des nachts naar den Koningsburg terug keerde, vond hij de sneeuw rood van ’t bloed van zijn hooge gemalin, en de vorstelijke kindren waren weggevoerd naar de vlakte, om daar als dienaren en vrienden der menschen op te groeien.

Ja, nu beeft de grond, en de sneeuw trilt, die ’t dak bedekt, nu breekt hij los, de groote beer, de oude vijand der kavaliers. Geeft nu acht, Fuchs, oude berendooder, geef nu acht, Beerencreutz, in ’t spel bedreven overste, geef acht, Gösta Berling, held van honderd avonturen!

Wee de dichters, de droomers, de helden van liefdesavonturen! Daar staat nu Gösta Berling met den vinger aan den trekker en de beer komt recht op hem af. Waarom schiet hij niet, waar denkt hij aan?

Waarom zendt hij niet fluks den beer een kogel in de breede borst? Hij staat juist op de rechte plaats om dat te kunnen doen. De andren kunnen niet schieten op dat oogenblik. Meent hij soms, dat hij voor zijn woudmajesteit op parade staat?

Gösta staat natuurlijk te droomen van de schoone Marianne, die in deze dagen zwaar ziek ligt op Ekeby, ziek, na dien nacht, dat ze in de sneeuw heeft geslapen.

Hij denkt aan haar, die ook een offer van den vloek van den haat is, van dien vloek, die over de aarde rust en hij beeft als hij bedenkt, dat hij is uitgegaan om te vervolgen en te dooden.

En daar komt de groote beer recht op hem af, blind aan één oog, door een houw van ’t mes van een kavalier, mank aan één poot door een kogel uit ’t geweer van een kavalier, ruig en knorrig en alleen; sinds zij zijn vrouw gedood hebben en zijn kinderen weggevoerd. En Gösta ziet hem zooals hij is: een arm, vervolgd dier, dat hij niet van ’t leven berooven wil, ’t eenige, wat hij nog over heeft, sinds de menschen hem alles ontnamen,

„Hij mag mij dooden,” denkt Gösta, „maar ik schiet niet.”

En terwijl de beer op hem aankomt, blijft hij stil staan, precies als op een parade. En als de woudkoning vlak voor hem staat, presenteert hij ’t geweer en gaat op zij.

De beer vervolgt zijn weg, wel wetende, dat hij geen tijd te verliezen heeft. Hij baant zich een weg door de manshooge sneeuw, rolt van de steile hellingen en vlucht zonder ophouden, terwijl alle kavaliers, die met overgetrokken hanen op Gösta’s schot hebben staan wachten, hun geweer op hem afschieten.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/lagerlof-selma/gosta-berling/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


