Christuslegenden
Selma Lagerlöf




Selma Lagerlöf

Christuslegenden





De heilige nacht


Toen ik vijf jaar oud was, trof mij een groot verdriet. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit grooter verdriet gehad heb. Dat was de dood van mijn grootmoeder. Tot dien tijd toe had zij elken dag in den hoek van de sofa gezeten en verhalen verteld.

Ik kan me niet anders herinneren, dan dat Grootmoeder aldoor maar zat te vertellen van den morgen tot den avond, en dat wij, kinderen, stil naast haar zaten te luisteren. Dat was een heerlijk leven. Geen kind had het zoo goed als wij.

Ik kan me niet veel meer herinneren van Grootmoeder. Ik herinner me, dat ze mooi spierwit haar had, en dat ze heel krom liep en altijd aan een kous zat te breien. En ik herinner me ook, dat zij, als ze een verhaal gedaan had, haar hand op mijn hoofd placht te leggen en dan zei ze: „En dat alles is waar gebeurd, zoo waar als je mij ziet en ik jou.”

Ik herinner me ook, dat ze liedjes zingen kon, maar dat deed ze niet alle dagen. Een van die liedjes was van een ridder en een meermin en daarvan was het refrein: „Koud waait de wind over de zee”.

En dan herinner ik me een gebedje, dat ze mij geleerd heeft, en een gezangvers.

Van alle verhalen, die zij gedaan heeft, heb ik nog maar een flauwe, verwarde herinnering. Er is maar één dat ik nog zóó goed weet, dat ik ’t zou kunnen navertellen. Dat is een verhaal van Jezus’ geboorte.

Zie, dat is bijna alles wat ik van mijn grootmoeder weet, behalve dat wat ik me ’t allerbest herinner – en dat is het groote gemis, toen zij was heengegaan.

Ik herinner me dien morgen, toen de canapé daar leeg stond – en toen ik maar niet begrijpen kon, hoe de dag om komen zou! Dat weet ik nog zoo goed. Dat vergeet ik nooit. En ik weet hoe wij, kinderen, bij de doode gebracht werden om haar hand te kussen.

En we waren bang, toen we dat doen moesten, maar iemand zei ons toen, dat het de laatste maal was, dat we Grootmoeder konden bedanken voor al het pleizier, dat zij ons gedaan had.

En ik weet nog, hoe de verhalen en liedjes heengingen van onze hoeve, ingepakt in een lange zwarte kist en hoe ze nooit weerom kwamen.

Ik weet, dat er iets weg was uit ons leven. Het was alsof de deur van een mooie tooverwereld gesloten was, een deur, waar we vroeger vrij uit- en inliepen. En nu was er niemand, die die deur weer open kon maken.

En ik weet, hoe wij kinderen zoo langzamerhand met poppen en speelgoed leerden spelen, en leven zooals andere kinderen, en toen kon ’t wel schijnen, alsof we Grootmoeder niet meer misten of aan haar dachten.

Maar nog op dezen dag, veertig jaar later, nu ik hier zit en de legenden van Christus verzamel, die ik nu in ’t Oosten gehoord heb, wordt dat kleine verhaal van Jezus’ geboorte, dat Grootmoeder me placht te vertellen, weer in me wakker. En ik moet daar nog eens over spreken en het opnemen in mijn verzameling.

’t Was op een Kerstdag. Allen waren naar de kerk, behalve Grootmoeder en ik. Ik geloof dat we heel alleen in huis waren. Wij mochten niet meerijden, omdat de eene te jong en de andere te oud was. En het speet ons allebei, dat we niet mee naar de vroeg-mis mochten rijden en de Kerstlichtjes zien.

Maar toen we daar zoo alleen zaten, begon Grootmoeder te vertellen.

„Er was eens een man,” zei ze, „die uitging in den donkeren nacht om vuur te leenen. Hij ging van ’t eene huis naar het andere en klopte aan.

„Ach, vrienden,” zei hij, „helpt mij. Mijn vrouw heeft pas een kind gekregen en ik moet vuur aanmaken om haar en den kleine te verwarmen.”

„Maar ’t was laat in den nacht. En alle menschen sliepen. Niemand antwoordde hem.

„De man liep steeds door. Eindelijk zag hij heel in de verte het schijnsel van een vuur. Hij ging in die richting en zag dat het vuur in het open veld brandde. Een menigte witte schapen lagen er om heen te slapen en een oude herder zat hen te hoeden.

„Toen de man, die vuur wilde leenen, tot bij de schapen gekomen was, zag hij, dat drie groote honden aan de voeten van den herder lagen te slapen. Zij werden alle drie wakker, toen hij kwam, en sperden de bekken wijd open, alsof ze wilden blaffen, maar geen geluid werd gehoord. De man zag, dat de haren op hun ruggen overeind gingen staan, hij zag hun tanden wit glimmen in ’t schijnsel van het vuur en zij vlogen op hem aan. Hij voelde, dat een van hen hem in ’t been wilde bijten en een in zijn hand en dat een aan zijn keel kwam hangen. Maar de kaken en tanden, waarmee de honden bijten moesten, wilden niet gehoorzamen en de man werd in ’t minst niet gewond.

„Nu wilde hij verder gaan om te krijgen wat hij noodig had. Maar de schapen lagen zóó dicht op elkaar, rug aan rug, dat hij er niet door kon. Toen sprong de man op de ruggen van de dieren en liep naar het vuur. En geen van de dieren werd wakker of verroerde zich.”

Tot nu toe had Grootmoeder ongestoord verteld. Maar nu kon ik niet laten haar in de rede te vallen. „Waarom werden ze niet wakker, Grootmoeder?” vroeg ik.

„Dat zul je straks hooren,” zei Grootmoeder, en vertelde voort.

„Toen de man bijna bij ’t vuur was, zag de herder op. Hij was een oud, knorrig man, onvriendelijk en hard tegen alle menschen. En toen hij den vreemde zag aankomen, greep hij zijn langen spitsen staf, dien hij gewoonlijk in de hand had, als hij zijn kudde hoedde, en wierp hem dien tegemoet. En de staf vloog suizend op den man aan, maar eer hij hem trof, week hij op zij af en snorde voorbij hem ver het veld in.”

Toen Grootmoeder zóóver gekomen was, viel ik haar weer in de rede: „Grootmoeder, waarom wilde de staf dien man niet treffen?” Maar Grootmoeder antwoordde mij niet, maar vertelde voort:

„Nu kwam de man bij den herder en zei: „Vriend, help mij, en leen me wat vuur. Mijn vrouw heeft pas een kindje gekregen en ik moet vuur aanmaken, om haar en den kleine te verwarmen.”

„De herder had ’t liefste „neen” gezegd, maar toen hij er over dacht, dat zijn honden den man geen kwaad hadden kunnen doen, dat de schapen niet voor hem weggeloopen waren en dat zijn staf hem niet had willen treffen, werd hij een beetje bang en durfde hem niet weigeren wat hij vroeg.

„Neem zooveel ge noodig hebt,” zei hij tot den man.

„Maar ’t vuur was nagenoeg uit. Er lagen geen stokken of takken, maar niets dan een gloeiende hoop en de vreemde had geen schop of schep, waarin hij de heete kolen dragen kon.

„Toen de herder dat zag, zei hij opnieuw: „Neem zooveel als gij noodig hebt,” en hij was er blij om, dat de man geen vuur zou kunnen meenemen.

„Maar de man boog zich neer, zocht kolen uit de asch met zijn handen en legde ze in zijn mantel. En de kolen brandden zijn handen niet, toen hij ze aanraakte en ook zengden ze zijn mantel niet, maar de man droeg ze weg, alsof het noten of appelen waren.”

Maar opnieuw werd de vertelster in de rede gevallen: „Grootmoeder, waarom wilden de kolen den man niet branden?”

„Dat zul je hooren,” zei Grootmoeder, en vertelde verder:

„Toen de herder, die een nare, knorrige man was, dat alles zag, werd hij heel verbaasd: „Wat kan dat toch voor een nacht zijn, dat de honden niet bijten, de schapen niet bang worden, de speer niet doodt en ’t vuur niet zengt?”

„Hij riep den vreemde terug en vroeg hem: „Wat is dit toch voor een nacht? En hoe komt het toch, dat alle dingen barmhartigheid betoonen?”

„Toen zei de man: „Ik kan het u niet zeggen, als gij het zelf niet ziet.” En hij wilde heengaan, om spoedig vuur aan te maken en vrouw en kind te kunnen verwarmen.

„Maar toen dacht de herder, dat hij den man niet geheel uit het oog moest verliezen, eer hij begrepen had wat dit alles toch kon beteekenen.

„Hij stond op en ging den man na, tot hij gekomen was waar hij woonde.

„Toen zag de herder, dat de man zelfs geen hutje had om in te wonen, maar dat zijn vrouw en kind in een grot lagen, waar niets te zien was dan kale, naakte steenen wanden.

„Toen dacht de herder, dat dit arme, onschuldige kindje wel dood zou kunnen vriezen daar in de grot, en hoewel hij een hardvochtig man was, werd hij aangedaan en wilde het kind helpen.

„En hij nam zijn ransel van de schouders en nam er een zachte witte schapenpels uit, gaf die aan den vreemde en zei dat hij het kindje daarop moest leggen.

„Maar op hetzelfde oogenblik dat hij ook toonde barmhartig te kunnen zijn, werden zijn oogen geopend en hij zag wat hij te voren niet had kunnen zien en hoorde wat hij te voren niet had kunnen hooren.

„Hij zag, dat om hem heen een dichtgesloten kring van engeltjes met zilveren vleugels stond. En ieder van hen had een harp in de hand en allen zongen luid, dat dien nacht de Verlosser geboren was, die de wereld zou redden uit haar zonden.

„Toen begreep hij, dat alle dingen zóó blij waren, dat ze geen kwaad wilden doen.

„En niet alleen om den herder heen waren engelen, maar hij zag ze overal. Zij zaten in de grot en buiten op den berg en zij vlogen langs den hemel. Zij kwamen aanloopen over de golven in groote scharen en als zij voorbijgingen, bleven zij staan en keken naar het kindje.

„Er was zulk een jubelende vreugde, zooveel zang en spel! En dat alles zag hij in den donkeren nacht, waar hij vroeger niets had kunnen onderscheiden. Hij werd zoo blij, omdat zijn ooren geopend waren, dat hij op de knieën viel en God dankte.”

Maar toen Grootmoeder zoover gekomen was, zuchtte ze en zei: „Maar wat die herder zag, kunnen wij ook zien. Want in elken Kerstnacht vliegen de engelen langs den hemel. Als wij ze maar zien konden.”

En toen legde Grootmoeder haar hand op mijn hoofd en zei: „Dat moet je goed onthouden, want dat is zoo waar als dat jij mij ziet en ik jou. ’t Zit hem niet in kaarsen en lampen en ’t is niet verborgen in zon of maan, maar het ééne noodige is, dat wij oogen hebben, die Gods heerlijkheid kunnen zien.”




Het visioen van den Keizer


Het was in den tijd, dat Augustus keizer in Rome was en Herodes koning in Jeruzalem.

Toen gebeurde het, dat een grootsche, heilige nacht over de aarde neerdaalde. ’t Was de donkerste nacht, dien ooit iemand gezien had; men zou kunnen denken, dat de heele aarde in een kelder terechtgekomen was. Het was onmogelijk het water van het land te onderscheiden en men kon den meest bekenden weg niet vinden. En dat kon ook niet anders, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal. Alle sterren waren thuis gebleven en de liefelijke maan had haar gelaat afgewend.

En even diep als de duisternis was de doodsche stilte. De rivieren staakten haar loop, de wind bewoog zich niet en zelfs de espebladeren hadden opgehouden te trillen. Had iemand aan den oever van de zee gestaan, hij zou gezien hebben, dat de golven niet meer op het strand sloegen, en wie in de woestijn gekomen was, zou het zand niet hebben hooren knarsen onder zijn voeten. Alles was versteend en hield zich onbeweeglijk om den heiligen nacht niet te verstoren. ’t Gras durfde niet groeien, de dauw kon niet vallen, de bloemen waagden ’t niet haar geuren uit te ademen.

In dien nacht jaagde geen enkel roofdier, beten de slangen niet, blaften de honden niet. En wat nog heerlijker was, geen van de levenlooze dingen zou de heiligheid van dien grootschen nacht hebben willen storen door zich tot een booze daad te leenen. Geen looper zou een slot hebben kunnen opensteken en geen mes bloed vergieten.

Juist in dien nacht kwam in Rome een kleine groep menschen van het keizerlijk paleis op den Palatin, en nam den weg over het Forum naar het Kapitool. In den afgeloopen dag hadden namelijk de raadsheeren den keizer gevraagd, of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel bouwden op den heiligen berg van Rome. Maar Augustus had niet dadelijk zijn toestemming gegeven. Hij wist niet, of het den goden behaagde, dat hij een tempel zou hebben naast de hunnen en hij had geantwoord, dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn beschermgeest hun wil in deze zaak wilde uitvorschen. Hij was het, die nu, vergezeld door enkele vertrouwden, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel brengen, want hij was oud en de vele trappen van het Kapitool vermoeiden hem. Hij hield zelf de kooi met duiven in de hand, die hij zou offeren. Geen priesters of soldaten of raadsheeren volgden hem, alleen zijn naaste vrienden.

De fakkeldragers gingen voor hem uit, als om een weg door ’t nachtelijk duister te banen en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige altaar droegen, de kolen, de messen, het heilige vuur – en alles wat er verder voor het offer noodig was.

Onderweg sprak de keizer opgeruimd met zijn vertrouwden, en daarom lette niemand van hen op de zeldzame, ademlooze stilte van den nacht. Eerst toen ze op het bovenste gedeelte van het Kapitool de ledige plaats bereikten, die voor den nieuwen tempel was afgezet, openbaarde het zich voor hen, dat er iets ongewoons was.

Dit kon geen nacht zijn als alle anderen, want boven op den rand van de rots zagen zij een allerwonderlijkst wezen. Ze meenden eerst, dat het een oude vergroeide olijfstam was; toen meenden zij, dat een oeroud steenen beeld van uit den Jupiterstempel naar buiten op de rots gekomen was. Eindelijk meenden zij, dat het niemand anders kon zijn dan de oude Sibylle.

Zooiets ouds, verweerds, reuzengroots hadden zij nog nooit gezien. Die oude vrouw was verschrikkelijk om aan te zien. Als de keizer er niet bij geweest was, waren ze allen naar hun legersteden gevlucht. „Zij is het,” fluisterden ze elkaar toe, „die zooveel jaren telt als er zandkorrels aan de kust van haar geboorteland zijn. Waarom is zij juist vannacht uit haar grot te voorschijn gekomen? Wat zal zij den keizer en het rijk voorspellen, zij, die haar profetieën op de bladeren der boomen schrijft en weet, dat de wind orakelspreuken brengt tot hen, aan wie ze zijn afgezonden?”

Zij waren zóó bang, dat allen op de knieën zouden zijn gevallen met het voorhoofd op den grond, als de sibylle ook maar een enkele beweging gemaakt had. Maar zij zat doodstil, alsof ze levenloos was. Ze zat aan den uitersten rand van de rots neergehurkt en zag, met de hand over de oogen, uit in den nacht.

Zij zat daar, alsof zij op de rots geklommen was, om iets, wat heel in de verte gebeurde, beter te kunnen zien.

Hoe kon zij iets zien, in zulk een nacht?

Opeens merkten de keizer en zijn gevolg, hoe diep de duisternis was. Niemand kon een handbreed voor zich uitzien. En wat een stilte, wat een ademlooze stilte! Zelfs het doffe bruisen van den Tiber konden ze niet hooren. Maar ’t was alsof de lucht hen wilde smoren; het koude zweet parelde op hun voorhoofd en hun handen waren stijf en machteloos.

Zij dachten: „Er moet iets vreeselijks gebeuren.”

Maar niemand wilde toonen, dat hij bang was en allen zeiden tot den keizer, dat dit een goed teeken was: de heele natuur hield den adem in om den nieuwen god te begroeten.

Zij drongen er op aan, dat Augustus zich haasten zou met het offer en zeiden, dat de oude sibylle zeker uit haar grot was opgestegen om zijn beschermgeest te begroeten.

Maar de waarheid was, dat de oude sibylle zóó verdiept was in een visioen, dat zij niet eens wist, dat Augustus op het Kapitool gekomen was. Zij was met haar geest in verre landen en het was haar, alsof ze daar over een groote vlakte ging. In het donker stootte zij met den voet onophoudelijk tegen iets, dat zij voor bosjes gras hield. Zij boog zich neer en voelde met de hand. Neen, dat waren geen bosjes gras, maar schapen. Zij liep tusschen groote kudden slapende schapen.

Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld en zij zocht den weg er heen. De herders lagen bij ’t vuur te slapen en naast hen lagen de lange spitse staven, die zij gebruikten om de kudde tegen wilde dieren te beschermen. Maar die kleine dieren met de glinsterende oogen en de dikke staarten, die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen? En toch slingerden de herders hun staven niet naar hen, de honden sliepen door, de schapen vluchtten niet en de wilde dieren legden zich ter ruste naast de menschen.

Dit zag de sibylle; maar ze wist niets van wat er achter haar op den berg gebeurde. Ze wist er niets van, dat men daar een altaar bouwde, de kolen aanstak, wierook strooide en dat de keizer de eene duif uit de kooi nam om haar te offeren. Maar zijn handen sliepen en hij kon den vogel niet houden. Met een enkelen wiekslag maakte de duif zich vrij en verdween in ’t duister van den nacht.

Toen dat gebeurde, zagen de hovelingen wantrouwend naar de oude sibylle. Zij meenden, dat zij dit ongeluk bewerkt had.

Konden zij weten, dat de sibylle steeds bij ’t kolenvuur der herders meende te staan en dat ze nu luisterde naar een zwak geluid, dat door den doodstillen nacht klonk van uit de verte? Ze hoorde het lang, eer ze merkte, dat het niet van de aarde kwam, maar van den hemel.

Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag ze lichtende, schitterende gestalten daarboven in ’t donker voortglijden. ’t Waren kleine scharen engelen, die liefelijk zingend en als zoekend heen en weer vlogen over de wijde vlakte.

Juist terwijl de sibylle naar het engelengezang luisterde, bereidde de keizer een nieuw offer voor. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de andere duif geven. Maar hoewel hij alle krachten inspande om haar vast te houden, gleed het lichaam van de duif door zijn handen en de vogel steeg op in den ondoordringbaar duisteren nacht.

De keizer was ontzet. Hij viel op de knieën voor het leege altaar en bad tot zijn beschermgeest. Hij riep hem aan om kracht, om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.

Ook hiervan had de sibylle niets gehoord. Zij luisterde met heel haar ziel naar het engelengezang, dat al sterker klonk. Eindelijk werd het zóó krachtig, dat het de herders wekte. Zij hieven zich overeind op de ellebogen en zagen glanzende scharen van zilverwitte engelen zich boven hen in ’t donker bewegen in lange, golvende rijen, als trekvogels. Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen cithers en harpen, en hun lied klonk zoo vroolijk als kinderlachen en zoo zorgeloos als leeuwerikgekweel. Toen de herders dat hoorden, stonden ze op om naar de stad op den berg te gaan, waar zij woonden, om van het wonder te vertellen.

Zij trachtten vooruit te komen op een smal slingerend pad, en de oude sibylle volgde hen. Opeens werd het licht op den berg. Een groote heldere ster fonkelde er midden boven, en de stad op den bergtop glinsterde als zilver in het sterrenlicht. Al de rondzwervende engelenscharen haastten zich daarheen onder jubelkreten en de herders versnelden hun schreden en liepen zoo hard als zij konden.

Toen zij de stad bereikt hadden, vonden zij de engelen verzameld boven een lagen stal bij de stadspoort. ’t Was een onooglijk gebouw met een rieten dak en de naakte rots als achterwand. Daar stond de ster boven en daarheen stroomden steeds meer engelen samen. Sommigen zetten zich op het rieten dak of sloegen neer op den steilen bergwand achter het huis, anderen zweefden er klapwiekend over. Hoog, heel hoog was de lucht, lichtend van stralende engelenvleugels.

Op hetzelfde oogenblik, dat de ster ontvlamde boven de bergstad, ontwaakte de geheele natuur en de mannen, die op de hoogte bij ’t Kapitool stonden, konden niet nalaten dat op te merken. Zij voelden frissche, maar streelende koelten door de lucht gaan, liefelijke geuren stegen op om hen heen, de boomen ruischten, de Tiber begon te bruisen, de sterren straalden en de maan stond plotseling hoog aan den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven neerdalen en zetten zich op de schouders van den keizer.

Toen dit wonder gebeurde, stond Augustus op in fiere vreugde, maar zijn vrienden en slaven vielen op de knieën. „Ave, Caesar!” riepen zij. „Uw beschermgeest heeft U geantwoord. Gij zijt de God, die aangebeden moet worden op het Kapitool.”

En de hulde, die de verrukte mannen den keizer toejubelden, klonk zóó luid, dat de oude sibylle het hoorde. Die wekte haar uit haar visioenen. Zij stond op van haar plaats aan den rand van de rots en ging op de menschen toe. Het was alsof een donkere wolk uit den afgrond was opgestegen en over den heuvel neergedaald. Zij was vreeselijk in haar ouderdom. Ruige haren hingen in dunne vlokken om haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren uitgezet; en de donkere huid bekleedde rimpelend, hard als boombast, haar lichaam.

Maar geweldig en eerwaardig was zij, toen zij den keizer tegemoet ging. Met de eene hand vatte zij hem om den pols, met de andere wees zij naar het verre oosten.

„Zie,” beval zij hem. En de keizer hief de oogen op en zag. De ruimte opende zich voor zijn blikken en zij drongen door tot het land in het verre oosten. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen rotswand en in de open deur eenige herders, die geknield lagen. In den stal zag hij een jonge moeder op de knieën voor een kindje, dat op een stroobos op den grond lag.

En de groote, beenige vingers van de sibylle wezen op dat arme kind.

„Ave, Caesar!” zei ze met een hoonlach. „Dáár is de God, die op den heuvel van het Kapitool zal worden aangebeden.”

Toen deinsde Augustus achteruit, alsof hij een krankzinnige voor zich had.

Maar de sibylle veranderde in een machtige profetes. Haar doffe oogen begonnen te branden, ze hief haar handen ten hemel, haar stem veranderde, zoodat die niet meer haar eigen scheen, maar een klank en een kracht had, die de wereld over had kunnen klinken. En zij sprak woorden, die ze uit de sterren scheen te lezen:

„Op den heuvel van het Kapitool zal Hij aanbeden worden, die de wereld vernieuwt.

„Christus of Anti-Christus, maar geen onvolmaakte menschen.”

Toen zij dit gezegd had, ging zij heen van de door schrik verslagen mannen, liep langzaam den berg af en verdween.

Maar Augustus liet den volgenden dag ’t volk streng verbieden een tempel voor hem op het Kapitool te bouwen. In plaats daarvan richtte hij er een heiligdom op voor het pasgeboren Godenkind en noemde dat: „Altaar des Hemels”, Ara Cœli.




De bron der Wijzen


In het oude land van Juda ging de droogte rond, met holle oogen en verbitterd, tusschen verschrompelde distels en verdord gras.

’t Was in den zomer. De zon scheen op schaduwlooze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

De droogte ging rond en inspecteerde den watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tusschen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slependen tred langs den grooten landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan den weg ligt, en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De droogte zette zich op den rand van de put, dien uit één grooten, uitgeholden steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van den bodem maakte hem onrein en troebel.

Toen de bron het bruinverbrande gezicht van de droogte zag afgebeeld op haar doffen waterspiegel, begon zij te golven van angst.

„Ik zou wel eens willen weten, wanneer ’t met jou gedaan kan zijn,” zei de droogte. „Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn.”

„Je kunt gerust wezen,” zuchtte de bron; „niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaâr uit het Paradijs voor noodig zijn.”

„Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is,” zei de droogte. Ze zag, dat de oude bron haar einde tegemoet ging, en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven.

Ze zette zich behaaglijk op den rand van den put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel pleizier in te zien hoe dorstige reizigers naar den put kwamen, den aker lieten neerdalen en dien optrokken met een paar modderige droppels van den bodem.

Zoo ging de heele dag voorbij en toen de schemering viel, keek de droogte weer in den put. Er blonk nog wat water in de diepte.

„Ik blijf hier vannacht,” riep ze. „Haast je maar niet. Als het zoo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat ’t met je gedaan is.”

De droogte ging op het dak over den put zitten, terwijl de heete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen van uit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijksten glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag de droogte een groote karavaan aankomen en den heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

De droogte zat op het lange dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al den dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelescht te worden. Daar kwamen zooveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook heelemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij den indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in den nacht.

Alle kameelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen den horizon afstak; het was alsof zij uit den hemel kwamen. Zij schenen ook grooter dan gewone kameelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten, waarmee zij beladen waren.

Maar toch kon ze niet anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de drie eerste dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje, en bereden door schoone, voorname ruiters.

De heele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af.

De pakkameelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bosch te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.

De drie ruiters kwamen snel op de droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen, Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van den hemel genomen was.

„Wij komen uit een ver land,” zei een van de vreemdelingen, „en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is.”

„Zoo wordt zij vandaag nog genoemd,” zei de droogte; „maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven.”

„Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie,” zei de man; „maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En vanwaar heeft zij haar naam?”

„Ik weet dat ze heilig is,” zei de droogte; „maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs.”

De drie reizigers zagen elkander aan.

„Kent ge werkelijk de geschiedenis van de oude bron?” vroegen ze.

„Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stroomen,” zei de droogte trotsch.

„Doe ons dan het genoegen en vertel ons die,” vroegen de vreemdelingen.

En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit, en luisterden.

De droogte kuchte even en kroop op den rand van den put, als een sagenverteller op zijn hoogen stoel en begon haar verhaal:

„In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt, en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in eere gehouden en goed betaald. Maar voor deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaatsch en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De menschen vonden den eerste al te oud om hun wat te kunnen leeren, den tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar den derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit eenige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

De drie wijzen sloten zich intusschen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen des nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij ten minste gelegenheid zich den tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en menschen opmerkten.

Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met roode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.

„Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,” sprak hij tot hen. „Ontwaakt en heft uw oogen op naar den hemel.”

„Nu,” zeide de droogte met een wat zachter stem, dit was een nacht, dien niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zoo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

Maar zoo ver mogelijk en zoo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zooals rozen – God late ze alle verdorren – wanneer ze pas uit den knop komen. Hij werd al grooter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zoover naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel op zijde en er wikkelde zich het eene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.

Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtig Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan.

En ze zeiden tot elkander: „Laat ons naar den vader en de moeder van den Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zooeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan beloonen met een zak munten of met een gouden armband.”

Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Zij gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een oogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de groote droge, lieflijke woestijn, die de menschen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.

Zij gingen den heelen nacht voort over de witte zandvlakte en onder den heelen tocht spraken ze over den jongen pasgeboren Koning, dien ze zouden vinden, slapend in een gouden wieg, en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van den nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, den koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, grooter dan die van Salomo.

Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van den jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden beloonen. Misschien zouden zij zelfs wel zooveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen.

„Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw,” zei de droogte, „en wilde mij op deze reizigers werpen met alle ellende van den dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen den heelen nacht en tegen den morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende boomen vonden. Daar rustten zij den geheelen dag en eerst tegen den nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder.

„Voor een mensch,” ging de droogte voort, „was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zoo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontkwamen den scherpen zonneschijn en den heeten woestijnstormen. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: „God beschermt ons en zegent onzen gang; wij zijn Zijn gezanten.”

„Maar zoo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen,” ging de droogte voort. „Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbaren trots en verwoestende gierigheid. „Wij zijn Godsgezanten,” herhaalden de drie Wijzen. „De vader van den pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.”

„Eindelijk leidde de ster hen over den beroemden Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tusschen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.

„De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad hooren; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan den kant van den weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door de opening en toonde den drie wandelaars een kindje, dat op zijn moeders schoot rustig lag te slapen.

„Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om den kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar den heuvel.

„Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?” zeiden ze. „Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan den zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.”

De droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. „Heb ik geen gelijk?” scheen zij te vragen. „Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het menschenhart.”

„De drie Wijzen hadden niet lang geloopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden,” ging de droogte voort. „En zij zagen omhoog om de ster te vinden en den rechten weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van den heuvel verdwenen.”

De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun aangezicht lag een uitdrukking van diepe smart.

„Wat nu gebeurde,” ging de spreekster voort, „is van ’t standpunt van een mensch uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde,” vertelde de droogte bevend verder, „zooals het veld in den herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week, en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras.

„Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder, en voelden de grootste smart en wanhoop. In den derden nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zoodat toen ze over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

„En onmiddellijk zagen zij die ook aan den hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: „Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. Gij zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.”

„Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven, grooter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatsche was gezond en de zwarte was een schoon blank man. En men zegt, dat zij zoo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden – ieder in zijn eigen land.”

De droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: „Ge hebt goed verteld,” zeiden zij.

„Maar het verwondert mij,” zei de eene, „dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?”

„Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?” zei de tweede vreemdeling, „om den menschen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van den hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?”

„Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?” zei de derde. „Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?”

Maar toen zij dat zeiden, sprong de droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet te behoeven zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kameelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.




De Kinderen van Bethlehem


Buiten de stadspoort te Bethlehem stond een Romeinsch krijgsman op wacht. Hij droeg harnas en helm, een kort zwaard op zij en een lange speer in de hand. Hij stond den heelen dag bijna onbeweeglijk, zoodat men werkelijk denken kon, dat hij van ijzer was. De stadsbewoners gingen de poort uit en in, bedelaars zetten zich neer in de schaduw onder het poortgewelf, vruchtenverkoopers en wijnhandelaars zetten hun manden en potjes op ’t veld naast den krijgsman, maar hij nam nauwelijks de moeite het hoofd om te wenden om ze aan te zien.

„Dat is niet de moeite waard om naar te kijken,” scheen hij te willen zeggen. „Wat geef ik om jelui, die werken en handel drijven en komen aanloopen met oliepotjes en wijnzakken? Laat mij een leger zien, dat zich opstelt om den vijand tegemoet te gaan! Laat mij het krioelen zien en den heeten strijd van een troep ruiters, die zich op een schaar voetvolk werpt. Laat mij de dapperen zien, die met stormpas vooruitsnellen om de muren van een belegerde stad te bestormen. Niets kan mijn oogen doen genieten dan de oorlog. Ik verlang er naar den Romeinschen adelaar weer in de lucht te zien glinsteren. Ik verlang naar het gedruisch van de koperbazuin, naar de glanzige wapens, de roode bloeddroppels.”

Buiten de stadspoort lag een prachtig veld, geheel bedekt met leliën. De krijgsman stond daar iederen dag, de blikken steeds op dit veld gericht, maar hij dacht er geen oogenblik aan, de buitengewone schoonheid der bloemen te bewonderen. Nu en dan merkte hij, dat de voorbijgangers bleven staan en van het zien van de lelies genoten, en dan verwonderde hij er zich over, dat ze hun tocht vertraagden om naar zooiets onbeduidends te kijken. „Die menschen weten niet wat mooi is,” dacht hij.

En terwijl hij dat dacht, zag hij niet meer het groenende veld en de olijvenheuvels om Bethlehem heen voor zijn oogen, maar hij droomde zich ver weg in een gloeiende woestijn in het zonnige Lybië. Hij zag een legioen soldaten in een lange rechte lijn over het gele, effen zand trekken. Nergens vonden ze beschutting tegen de zonnestralen, nergens een verfrisschende bron, nergens zagen zij een grens aan de woestijn of een doel voor hun tocht. Hij zag de soldaten voortloopen met wankelende schreden, uitgeput door honger en dorst. Hij zag den een na den ander omvallen, neergeveld door de gloeiende hitte. Maar niettegenstaande dit alles trok de troep toch altijd voort, zonder aarzelen, zonder er aan te denken hun veldheer ontrouw te worden en terug te gaan.

„Zie, dàt is mooi,” dacht de krijgsman, „dat is de moeite waard voor een dapper man, om te zien.”

Terwijl de krijgsman dag aan dag op post stond op dezelfde plaats, had hij de beste gelegenheid de mooie kinderen te bekijken, die om hem heen speelden. Maar het ging met de kinderen als met de bloemen. Hij begreep niet, dat het de moeite waard was naar hen te zien. „Wat is daar voor aardigs aan?” dacht hij, wanneer hij menschen zag lachen, als zij naar de spelen der kinderen keken. „’t Is wonderlijk, dat menschen pleizier in zulke kleinigheden kunnen hebben.”

Op een dag, dat de krijgsman als gewoonlijk op zijn post stond buiten de stadspoort, zag hij een kleinen jongen, die zoowat drie jaar oud kon zijn, op ’t veld komen om te spelen. ’t Was een arm kind, met een kleinen pels aan, dat heelemaal alleen speelde.

De soldaat stond op dien kleinen nieuweling te letten bijna zonder ’t zelf te merken.

’t Eerste wat hem boeide, was dat die kleine zoo licht over ’t veld sprong; ’t was alsof hij over de punten van de grassprietjes zweefde. Maar toen hij hem later in zijn spelen volgde, werd hij nog verbaasder.

„Bij mijn zwaard!” zei hij eindelijk. „Dit kind speelt niet als anderen. Wat kan het toch zijn waar hij mee bezig is?”

’t Kind speelde maar een paar stappen van den krijgsman af, zoodat deze kon zien wat hij deed. Hij zag hem de hand uitstrekken om een bij te vangen, die op den rand van een bloem zat en zoo zwaar beladen was met stuifmeel, dat zij nauwelijks de vleugels tot vliegen kon opheffen. Hij zag tot zijn groote verbazing, dat de bij zich liet opnemen, zonder te probeeren weg te vliegen en zonder haar angel te gebruiken. Maar toen hij de bij goed en wel in de hand had, liep de knaap vlug naar een scheur in den stadsmuur, waar een troep bijen haar woning hadden en zette haar daarbij neer. En zoo gauw hij op die manier een bij geholpen had, haastte hij zich een andere te zoeken. Den heelen dag zag de soldaat hem bijen vangen en naar haar huis dragen.

„Die jongen is zoowaar nog dwazer dan ik er ooit een gezien heb,” dacht de krijgsman. „Hoe komt hij er toch bij die bijen te willen helpen, die zich zoo goed zonder hem redden kunnen en die hem op den koop toe nog kunnen steken? Wat zal daar voor een mensch van groeien, als hij in ’t leven blijft!”

De kleine kwam dag aan dag terug en speelde buiten op het veld, en de krijgsman kon niet laten met verbazing naar hem en zijn spelen te kijken. „Dat is toch wonderlijk,” dacht hij. „Ik heb hier nu volle drie jaar op wacht gestaan bij de poort, en tot nu toe heb ik niets gezien, dat mijn gedachten innemen kon, behalve dit kind.”

Maar de krijgsman was in ’t geheel niet ingenomen met het kind. Integendeel, de kleine deed hem aanhoudend denken aan een vreeselijke voorspelling van een oud joodsch profeet. Die had namelijk gezegd, dat een tijd van vrede eenmaal over de aarde komen zou. In een tijd van duizend jaar zou er geen bloed vergoten, geen oorlog gevoerd worden, maar de menschen zouden elkaar als broeders liefhebben. Als de krijgsman er aan dacht, dat zooiets vreeslijks werkelijkheid zou kunnen worden, ging er een rilling door zijn leden en hij klemde de hand om zijn speer, als om steun te zoeken.

En nu – hoe meer de krijgsman naar den kleine en zijn spelen zag, hoe vaker hij aan het rijk van den duizendjarige vrede dacht. Wel was hij niet bang, dat het al gekomen kon zijn, maar hij hield er niet van aan zooiets akeligs te denken.

Op een dag, dat de kleine tusschen de bloemen op het mooie veld speelde, kwam er een geweldige regenbui uit de wolken neerkletteren. Toen hij voelde hoe groot en zwaar de droppels waren, die op de teere lelies neersloegen, scheen hij bezorgd over zijn sierlijke vrienden te worden. Hij haastte zich naar de grootste en mooiste van hen en boog den stijven stengel, die de bloemen droeg, naar den grond, zoodat de regendroppels den onderkant van de kelken troffen. En zoo gauw hij dit met één bloemsteel gedaan had, haastte hij zich naar een anderen en boog dien op dezelfde wijze, zoodat de bloemkelken naar den grond gekeerd stonden. En toen naar een derden en een vierden tot alle bloemen van het veld voor den hevigen regen beschut waren. De krijgsman lachte in stilte, toen hij dat werk van den jongen aanzag. „Ik ben bang, dat de lelies hem daar niet dankbaar voor zijn,” zei hij. „Elke stengel is natuurlijk gebroken. Dat gaat niet, die stijve planten zoo te buigen.”

Maar toen de regenbui eindelijk ophield, zag de krijgsman den kleinen jongen gauw weer naar de lelies loopen en ze weer overeind zetten. En tot zijn onbeschrijfelijke verbazing boog het kind zonder de minste moeite de stijve stengels weer recht. Het bleek, dat geen enkele gebroken of beschadigd was. Hij snelde van de eene bloem naar de andere en alle geredde lelies prijkten in volle pracht op het veld. Toen de krijgsknecht dat zag, werd hij door een wonderlijk gevoel van toorn aangegrepen. „Kijk nu zoo’n kind eens,” dacht hij. „’t Is ongeloofelijk, dat iemand zooiets onzinnigs doen kan. Wat zal er voor een man uit zoo’n jongen groeien, die niet verdragen kan, dat een lelie vernield wordt? Hoe zou ’t gaan als zoo iemand in den oorlog moest? Wat zou hij doen als hem bevolen werd een huis in brand te steken vol vrouwen en kinderen, of een schip in den grond te boren met alle manschappen aan boord?” Weer moest hij denken aan die oude profetie en hij begon bang te worden, dat de tijd toch werkelijk gekomen kon zijn, dat die in vervulling zou gaan. „Nu er zulk een kind gekomen is als dit,” dacht hij, „is die vreeselijke tijd misschien heel nabij. Nu al is er vrede in de heele wereld en zal de dag van oorlog misschien nooit meer aanbreken. Van nu af aan zullen alle menschen gezind zijn als dit kind. Zij zullen niet eens het hart hebben een bij of een bloem te vernielen. Geen groote heldenfeiten zullen meer verricht worden, geen heerlijke overwinningen behaald, en geen stralende held zal zegevierend naar het kapitool trekken. Er zal niets meer zijn om naar te verlangen voor een dapper man.”

En de krijgsman, die aldoor hoopte spoedig nieuwe oorlogen te beleven en er naar verlangde door heldendaden tot macht en rijkdom te komen, voelde zich zoo geërgerd door den kleinen driejarige, dat hij dreigend met de speer naar hem stak, toen hij weer voorbij kwam.

Op een anderen dag waren het geen leliën of bijen, die de kleine trachtte te helpen, maar hij deed iets wat den krijgsman nog veel onnoodiger en ondankbaarder voorkwam.

’t Was een vreeselijk warme dag en de zonnestralen, die op den helm en het harnas van den soldaat vielen, verhitten die zoo sterk, dat hij een gevoel had, alsof hij een uniform van vuur droeg. ’t Scheen den voorbijgangers toe, dat hij vreeslijk door de warmte leed. Zijn oogen waren met bloed beloopen en puilden hem uit het hoofd, en ’t vel op zijn lippen kromp ineen; maar de krijgsman, die zoo gehard was, dat hij de brandende hitte in de Afrikaansche woestijn kon verdragen, vond dit een kleinigheid en dacht er niet aan zijn gewone plaats te verlaten. Hij had er integendeel plezier in den voorbijgangers te toonen, dat hij zoo sterk en volhardend was, dat hij geen beschutting voor de zon behoefde te zoeken.

Maar terwijl hij daar zoo stond en zich bijna levend liet braden, kwam de kleine jongen, die gewoonlijk op ’t veld speelde, plotseling naar hem toe. Hij wist wel, dat de krijgsman niet tot zijn vrienden hoorde, en hij was gewend zich in acht te nemen, zoodat hij niet binnen het bereik van zijn speer kwam, maar nu sprong hij zelfs naar hem toe, bekeek hem lang en nauwkeurig en liep toen in volle vaart weg. Toen hij na een poosje terugkwam, hield hij beide handen uitgebreid als een schotel en bracht op die manier een paar droppels water meê.

„Zou dat kind nu de moeite genomen hebben weg te loopen om water voor mij te halen?” dacht de krijgsman. „Dat is toch al te onwijs! Zou een Romeinsch soldaat niet een beetje warmte kunnen verdragen! Wat hoeft die snaak zoo te loopen om allerlei hulp te brengen, die niet noodig is. Ik heb geen zin in zijn barmhartigheid. Ik wou, dat hij en zijns gelijken de wereld uit waren!”

De kleine kwam zachtjes aanloopen. Hij hield de vingers vast opeengedrukt, opdat niets zou verloren gaan door overloopen. Terwijl hij den krijgsman naderde, hield hij zijn oogen angstig op het beetje water gericht, dat hij meebracht; en hij zag dus niet, dat de man daar stond met gefronst voorhoofd en afwijzende blikken.

Eindelijk bleef hij dicht voor den krijgsman staan en bood hem het water aan.

Terwijl hij liep waren zijn zware, blonde krullen al verder en verder over zijn voorhoofd en oogen gevallen. Hij schudde meermalen het hoofd om het haar weg te krijgen, zoodat hij op kon zien. Toen hem dat eindelijk gelukte en hij de harde uitdrukking op het gezicht van den soldaat zag, werd hij toch niet bang, maar bleef staan en noodigde hem met een betooverend glimlachje uit van het water te drinken, dat hij meêgebracht had. Maar de krijgsman had geen lust een weldaad aan te nemen van dit kind, dat hij als zijn vijand beschouwde.

Hij zag het niet in ’t lieve gezichtje, maar bleef stijf en onbeweeglijk staan en toonde niet, dat hij begreep wat het kind voor hem wilde doen.

Maar het knaapje kon ook niet begrijpen dat de ander hem afwijzen wou. Hij bleef even vertrouwelijk lachen, hief zich op de teenen op en strekte de handen zoo ver mogelijk omhoog, opdat de lange soldaat bij het water zou kunnen komen.

De krijgsman voelde zich zoo beleedigd doordat een kind hem wilde helpen, dat hij zijn speer greep om den kleine weg te jagen.

Maar nu gebeurde het, dat op datzelfde oogenblik de hitte en de zonnestralen zoo heftig neerstroomden over den krijgsman, dat hij roode vlammen voor zijn oogen zag en zijn hersens in zijn hoofd voelde smelten. Hij vreesde, dat de zon hem zou vermoorden, als hij niet oogenblikkelijk eenige verlichting kon vinden. En buiten zich zelf van schrik door het gevaar, waarin hij verkeerde, wierp hij de speer op den grond, omvatte het kind met beide handen en zoog zooveel hij kon van het water op, dat het in de handjes hield.

’t Waren maar een paar droppels, die hij zoodoende binnen kreeg, maar meer was ook niet noodig. Zoodra hij het water geproefd had, voelde hij een liefelijke koelte door zijn lichaam gaan en zijn helm en harnas brandden en drukten niet meer. De zonnestralen hadden hun moordende kracht verloren. Zijn droge lippen werden weer zacht en de roode vlammen dansten niet meer voor zijn oogen.

Voor hij nog tijd had dit alles op te merken, had hij het kind weer neergezet en dit liep nu weer op het veld te spelen. En hij vroeg zich verwonderd af: „Wat was dat voor water, dat het kind me gaf? ’t Was een heerlijke drank! Ik moet het toch mijn dankbaarheid toonen.”

Maar omdat hij den kleine haatte, verjoeg hij die gedachte. „’t Is immers maar een kind,” dacht hij, „’t weet zelf niet waarom het zoo of zoo doet. Hij speelt maar het spelletje, dat hij het prettigst vindt. Zou hij dank krijgen van de bijen of van de lelies? Voor dien kleinen snaak hoef ik me toch geen moeite te geven, hij weet niet eens, dat hij me geholpen heeft.”

En hij gevoelde zich een oogenblik later zoo mogelijk nog meer geïrriteerd tegen ’t kind, toen hij den aanvoerder der Romeinsche soldaten, die te Bethlehem gedetacheerd waren, de poort uit zag komen. „Kijk,” dacht hij, „wat ben ik door dien jongen in gevaar geweest! Als Voltigius maar even eerder voorbij gekomen was, zou hij mij met een kind in de armen hebben zien staan.”

De hoofdman ging intusschen recht op den krijgsman toe en vroeg hem of zij hier konden spreken zonder dat iemand hen hoorde: hij had hem een geheim meê te deelen. „Als wij maar tien stappen van de poort weggaan,” antwoordde de krijgsman, „dan kan niemand ons hooren.”

„Je weet,” zei de hoofdman, „dat koning Herodes meer dan eens getracht heeft een kind machtig te worden, dat hier in Bethlehem opgroeit. Zijn profeten en priesters hebben hem gezegd, dat dit kind zijn troon zal bestijgen en bovendien hebben zij voorspeld, dat de nieuwe Koning een duizendjarig rijk van vrede en heiligheid stichten zal. Je begrijpt dus, dat Herodes hem graag onschadelijk maken wil.”

„Ja, dat begrijp ik,” zei de krijgsman levendig, „maar dat moet immers de eenvoudigste zaak van de wereld zijn.”

„Dat zou ook zeker heel gemakkelijk zijn,” zei de hoofdman, „als de koning maar wist welk van al de kinderen in Bethlehem het bedoelde was.”

De krijgsman trok zijn voorhoofd in diepe rimpels. „’t Is jammer, dat zijn profeten hem dat niet hebben kunnen zeggen.”

„Maar nu heeft Herodes een list bedacht, waardoor hij meent den jongen Vredevorst onschadelijk te kunnen maken,” ging de hoofdman voort. „Hij looft een prachtig geschenk uit aan iedereen, die hem helpen wil.”

„Wat Voltigius ook beveelt, zal worden uitgevoerd, ook zonder belooning of geschenken,” antwoordde de soldaat.

„Ik dank je,” antwoordde de hoofdman. „Hoor nu wat de koning van plan is. Hij wil den verjaardag van zijn jongsten zoon vieren door een feest te bereiden, waarop alle jongens in Bethlehem, die tusschen de twee en drie jaar oud zijn, zullen worden uitgenoodigd met hun moeders. En op dit feest – ”

Hij hield op en lachte, toen hij de uitdrukking van afkeer zag, die op het gezicht van den soldaat kwam.

„Vriend,” ging hij voort, „je hoeft niet bang te zijn, dat Herodes van plan is ons als kindermeisjes te gebruiken. Breng nu je oor bij mijn mond, dan zal ik je zijn plannen toevertrouwen.”

De hoofdman fluisterde lang met den krijgsman en toen hij hem alles verteld had, zei hij: „Ik behoef je zeker niet te zeggen, dat de grootste geheimhouding noodig is, als niet de heele onderneming zal mislukken.”

„Ge weet, Voltigius, dat ge op mij vertrouwen kunt,” zei de krijgsman.

Toen de hoofdman was heengegaan en de krijgsman weer alleen op zijn post stond, keek hij rond naar het kind. Dat speelde nog altijd tusschen de bloemen, en het verraste den soldaat, dat hij onwillekeurig dacht, dat het zoo licht en gracelijk rondzweefde als een vlinder.

Plotseling begon de krijgsman te lachen. – „’t Is waar,” zei hij, „ik zal me niet lang aan dat kind daar hoeven te ergeren. Dat wordt vanavond ook op het feest van Herodes genoodigd.”

De krijgsman bleef den heelen dag door op zijn post staan, tot de avond viel en het tijd werd de stadspoorten voor den nacht te sluiten.

Toen dit gedaan was, liep hij door smalle en donkere straten naar een prachtig paleis, dat Herodes in Bethlehem bezat.

Binnen in dit reusachtige paleis was een groote steenen plaats, door gebouwen omringd, waar drie open galerijen omheen liepen, boven elkaar. Op de bovenste galerij had de koning bepaald, dat het feest voor de Bethlehemsche kinderen plaats zou hebben.

Deze galerij was, evenzoo op ’s konings uitdrukkelijk bevel, zoo veranderd, dat het een overdekte gang leek in een heerlijken lusthof. In het dak slingerden zich wijngaardranken van waar heerlijke druiventrossen afhingen, en aan de wanden en pilaren stonden kleine granaat- en oranjeboomen, die met rijke vruchten bedekt waren. De vloer was bestrooid met rozebladen, licht en zacht als een kleed, en langs de balustrade, langs de lijst van het dak, langs de tafels en de lage divans, overal liepen guirlanden van schitterend witte lelies langs.

In dezen bloementuin stonden hier en daar groote bassins van marmer, waar glinsterende zilver- en goudvisschen in ’t doorschijnende water speelden. In de boomen zongen bonte vogels uit verre landen, en in een kooi zat een oude kraai, die onophoudelijk sprak.

Toen het feest begon, trokken kinderen en moeders naar die galerij. De kinderen werden dadelijk bij ’t binnenkomen in ’t paleis getooid in witte kleeren met purperen randen en kregen kransen van rozen op de donkere haren. De vrouwen kwamen aan in statige roode en blauwe gewaden en witte sluiers, die van hooge puntige kappen neerhingen, met munten en kettingen behangen. Sommige droegen haar kind hoog op de schouders, andere leidden haar zoontje bij de hand en weer andere, wier kinderen verlegen en angstig waren, droegen ze op de armen.

De vrouwen zetten zich op den vloer in de galerij. Zoodra ze plaats genomen hadden kwamen er slaven aan en zetten lage tafels voor haar, waarop uitgezochte spijzen en dranken werden voorgediend, zooals het past op een koninklijk feest, en al die gelukkige moeders begonnen haar maaltijd zonder die fiere gracieuse waardigheid af te leggen, die het grootste sieraad der Bethlehemsche vrouwen is.

Langs de wanden der galerij en bijna verborgen achter de bloemguirlanden en met vruchten beladen boomen waren dubbele rijen krijgslieden in volle uniform opgesteld. Zij stonden volkomen onbeweeglijk, als hadden ze niets te maken met wat er om hen heen gebeurde. De vrouwen konden toch niet laten nu en dan die geharnaste schare verwonderd aan te zien.

„Waarom staan die daar?” fluisterden zij; „meent Herodes, dat we ons niet behoorlijk zullen gedragen? Denkt hij, dat er zooveel krijgslieden noodig zijn om op ons te passen?”

Maar anderen fluisterden weer, dat het zoo hoorde bij een koning. Herodes zelf gaf nooit een feest zonder dat zijn heele huis vol krijgsknechten was. Het was om haar eer te bewijzen, dat de zwaarbewapende soldaten daar op wacht stonden.

In het begin van het feest voelden de kinderkens zich verlegen en onveilig, en hielden zich dicht bij hun moeders, maar al spoedig kwamen ze in beweging om de heerlijkheden in bezit te nemen, die Herodes hun aanbood. Het was een betooverend land, dat de koning voor zijn kleine gasten geschapen had.

Als ze de galerij doorwandelden, vonden ze bijenkorven, waaruit ze honig mochten plunderen, zonder dat een enkele knorrige bij hen hinderde. Zij vonden boomen, die hun met vruchten beladen takken voor hen neerbogen. Zij vonden in een hoek goochelaars, die in een oogenblik hun zakken vol speelgoed tooverden, en in een anderen hoek van de galerij een dierentemmer, die hun een paar tijgers toonde, die zoo tam waren, dat zij op hun rug konden rijden.

Maar in dit paradijs, met al zijn vreugd was er toch niets, wat zoo de aandacht trok van de kleinen als de lange rij krijgslieden, die onbeweeglijk langs de eene zij van de galerij stonden. Hun oogen werden geboeid door hun glinsterende helmen, door hun strenge trotsche gezichten, door hun korte zwaarden, die in rijk versierde scheeden gestoken waren. En terwijl zij met elkaar speelden en juichten, dachten ze toch onophoudelijk aan de krijgslieden. Zij hielden zich nog op een afstand, maar ze verlangden bij hen te komen, om te zien of ze levend waren en zich wezenlijk konden bewegen.

Het spel en de feestvreugde nam ieder oogenblik toe, maar de soldaten stonden altijd door onbeweeglijk. Het kwam den kleinen ongelooflijk voor, dat menschen zoo dicht bij die druiventrossen en al dat lekkers konden staan, zonder de hand uit te steken en ze te grijpen.

Eindelijk was er een van de jongetjes, die zijn nieuwsgierigheid niet kon beheerschen. Hij naderde zachtjes en bereid tot snelle vlucht, een van de geharnasten en daar de soldaat voortdurend onbeweeglijk bleef staan, kwam hij al nader. Eindelijk was hij zoo dicht bij hem, dat hij aan zijn sandaalriemen kon voelen en aan zijn schenen.

Toen, alsof dat een ongehoorde misdaad was, kwamen opeens al die ijzeren menschen in beweging. Met een onbeschrijfelijke razernij wierpen ze zich op de kinderen en grepen ze. Sommigen zwaaiden ze over hun hoofden als werpspiesen en slingerden ze tusschen lampen en guirlanden door over de balustrade der galerij op den grond, waar ze verbrijzeld werden op de marmeren steenen. Enkelen trokken het zwaard en doorboorden hun hart, anderen verbrijzelden hun hoofden tegen den muur, vóór zij ze naar beneden wierpen op de donkere plaats.

In het eerste oogenblik na dien overval was het ademloos stil. De kleine lichamen zweefden nog in de lucht, de vrouwen waren versteend van schrik. Maar opeens kwamen al die ongelukkigen tot het bewustzijn van wat er gebeurd was, en zij vlogen gelijktijdig met een vreeselijken kreet op de krijgslieden toe.

Er waren nog kinderen over op de galerij. De krijgsknechten joegen ze voort en hun moeders wierpen zich voor hen op den grond en grepen met de handen de ontbloote zwaarden om den doodelijken slag af te wenden. Eenige vrouwen, wier kinderen reeds gedood waren, wierpen zich op de soldaten, grepen ze bij de keel en trachtten haar kleinen te wreken door hun moordenaren te worgen.

Onder die woeste verwarring, terwijl ontzettende kreten door het paleis klonken en de vreeselijkste bloedige daden bedreven werden, stond de krijgsman, die gewoonlijk de wacht hield aan de stadspoort, volkomen onbeweeglijk vlak onder aan de trap, die van de galerij naar beneden leidde. Hij nam geen deel aan den strijd en het bloedbad. Alleen hief hij het zwaard op tegen de vrouwen, wien het gelukt was haar kind te grijpen en die er de trap mee trachtten af te vluchten. En alleen zijn gezicht, terwijl hij daar somber en onbeweeglijk stond, was zoo vreeselijk, dat de vluchtenden liever over de balustrade sprongen of terugkeerden in het strijdgewoel, dan zich bloot te stellen aan het gevaar van hem voorbij te gaan.

„Voltigius heeft wel gelijk gehad, dat hij mij dezen post gaf,” dacht de krijgsman, „een jong, onnadenkend soldaat zou zijn plaats verlaten hebben en zich in het gewoel begeven. Als ik mij hiervandaan had laten lokken, zouden minstens een tiental kinderen ontkomen zijn.”

Terwijl hij zoo dacht, werd zijn aandacht gevestigd op een jonge vrouw, die haar kind naar zich toe getrokken had en nu in snelle vlucht naar hem toe kwam rennen. Geen van de krijgslieden, die ze voorbijvloog, kon haar den weg versperren, omdat ze in het heetst van ’t gevecht waren met andere vrouwen, en zoo was ze tot aan het eind van de galerij gekomen.

„Ziedaar een, die hoopt gelukkig weg te komen,” dacht de krijgsman; „noch zij noch het kind is gekwetst. Als ik nu niet hier stond…”

De vrouw kwam op den krijgsknecht af met een vaart, alsof ze vloog, en hij had geen tijd om duidelijk haar gezicht of dat van het kind te zien. Hij stak alleen het zwaard naar hen uit en met het kind in haar armen stormde ze daarop af. Hij verwachtte, dat zij en het kind het volgend oogenblik doorboord op het veld zouden neervallen.

Maar op hetzelfde oogenblik hoorde de soldaat een woedend gonzen boven het hoofd en onmiddellijk daarop voelde hij een hevige pijn in het eene oog. Die was zoo scherp en snijdend, dat hij bedwelmd en verward werd en het zwaard viel hem uit zijn hand op den grond. Hij bracht de hand aan het oog, greep een bij en begreep, dat wat hem die vreeselijke pijn veroorzaakte, niet anders was dan de steek van dat kleine dier. Hij boog zich bliksemsnel neer naar zijn zwaard, in de hoop, dat het nog niet te laat zou zijn om de vluchtende tegen te houden. Maar de kleine bij had haar werk zeer goed gedaan. In den korten tijd, dat zij den krijgsman verblind had, was het de jonge moeder gelukt hem voorbij en de trap af te snellen, en hoewel hij haar haastig achterna liep, kon hij haar niet meer inhalen. Zij was verdwenen en in heel het groote paleis kon niemand haar vinden.

Den volgenden morgen stond de krijgsman met eenigen van zijn kameraden op wacht, dicht bij de stadspoort. ’t Was nog vroeg en de zware poorten waren pas geopend. Maar het scheen alsof niemand verwacht had, dat zij dien morgen geopend zouden worden, want geen schare landarbeiders stroomden de stad uit zooals gewoonlijk iederen morgen. Al de inwoners van Bethlehem waren zoo vol ontzetting over het bloedbad van dien nacht, dat niemand ’t waagde zijn huis te verlaten.

„Bij mijn zwaard,” zei de soldaat, terwijl hij daar stond en de nauwe straat inzag, die naar de poort leidde, „ik geloof, dat Voltigius een onverstandig besluit genomen heeft. ’t Was beter geweest als hij de poorten gesloten had gehouden en ieder huis in de stad had laten doorzoeken, tot hij den jongen gevonden had, wien het gelukt is van het feest te ontkomen. Voltigius rekent er op, dat zijn ouders zullen probeeren hem hiervandaan te brengen, zoodra ze weten, dat de poorten openstaan en hij hoopt, dat ik hem zal kunnen vangen juist hier in de poort. Maar ik vrees dat die berekening niet verstandig is. Hoe licht kan het niet gelukken een kind te verbergen.” En hij dacht er over na, of ze ook zouden probeeren het kind te verbergen in de manden met vruchten op een ezel of in een grooten oliepot. Of in balen met koren op een karavaan.

Terwijl hij daar stond te wachten of men hem ook op die manier zou trachten te verschalken, kreeg hij een man en een vrouw in ’t oog, die haastig de straat uit kwamen en de poort naderden. Zij liepen hard en keken angstig om, als vluchtten ze voor een gevaar. De man had een bijl in de hand en hield die stevig vast, alsof hij besloten was zich met geweld een weg te banen, als iemand dien voor hem versperren wilde.

Maar de krijgsman zag niet zoozeer naar den man, dan wel naar de vrouw. Hij dacht erover dat ze even groot was als de jonge moeder, die hem den vorigen avond ontkomen was. Hij merkte ook op, dat zij den rok van haar kleed over ’t hoofd geslagen had. Hij dacht: „Dat doet ze misschien om te verbergen, dat ze een kind op den arm draagt.”

Hoe dichter ze bij hem kwamen, hoe duidelijker de krijgsman het kind, dat de vrouw op den arm droeg, zich zag afteekenen onder het omhoog geslagen kleedingstuk.

„Ik ben er zeker van dat zij het is,” dacht hij, „die mij gisteren ontvluchtte. Ik kon haar gezicht niet zien maar ik herken die lange gestalte. En hier komt ze nu aan met het kind op den arm, zonder zelfs te trachten het te verbergen. Ik had niet op zooveel voorspoed durven hopen.”

De man en de vrouw zetten hun haastige wandeling voort tot aan de stadspoort. Het was duidelijk, dat zij niet verwacht hadden hier tegengehouden te worden; zij krompen ineen van schrik, toen de krijgsman zijn speer voor hen velde en hun den weg versperde.

„Waarom mogen we niet naar het veld gaan om te werken?” vroeg de man.

„Je moogt dadelijk gaan,” zei de soldaat; „ik moet alleen maar eerst even zien, wat je vrouw onder haar kleed verbergt.”

„Wat is daaraan te zien?” zei de man, „het is alleen wat brood en wijn, waar we vandaag van moeten leven.”

„Het is misschien waar, wat je zegt,” zei de soldaat; „maar als dat zoo is, waarom wendt ze zich dan af, waarom laat zij mij dan niet gewillig zien wat ze draagt?”

„Ik wil niet hebben, dat je het ziet en ik raad je ons voorbij te laten gaan.”

Op hetzelfde oogenblik hief de man de bijl op, maar de vrouw legde de hand op zijn arm.

„Neen, ga nu niet vechten,” smeekte ze. „Ik zal hem laten zien wat ik draag, en ik weet zeker, dat hij het geen kwaad kan doen.”

En met een fieren glimlach en vol vertrouwen keerde zij zich naar den soldaat toe, en sloeg een slip van haar kleed op.

En op hetzelfde oogenblik schrikte de soldaat terug en hield de hand voor de oogen, als verblind door een sterken glans. Wat de vrouw onder haar kleed verborgen hield, straalde hem tegen met zulk een schitterend witten glans, dat hij eerst niet wist wat hij zag.

„Ik dacht, dat je een kind op den arm hadt,” zei hij.

„Je ziet nu wat ik draag,” antwoordde de vrouw.

Toen eindelijk zag de soldaat dat, wat daar schitterde en blonk, niet anders was dan een bos witte lelies van dezelfde soort, die op het veld groeide. Maar haar glans was veel rijker, veel stralender. Hij kon er nauwelijks naar kijken.

Hij stak zijn hand in de bloemen. Hij kon de gedachte niet van zich afzetten, dat het een kind was, dat de vrouw droeg. Hij voelde niets dan de koele bloembladeren.

Hij voelde zich bitter bedrogen en hij had graag in zijn boosheid den man en de vrouw allebei gevangen genomen, maar hij begreep, dat hij geen reden zou kunnen opgeven voor zulk een handelwijze.

Toen de vrouw zijn verbazing zag, vroeg ze:

„Wil je ons nu laten gaan?”

De krijgsman nam zwijgend de speer weg, die hij voor de poort gehouden had en trad op zij.

Maar de vrouw trok weer haar kleed over de bloemen en bekeek op hetzelfde oogenblik wat ze op haar arm droeg met een lieflijken glimlach!

„Ik wist wel, dat je het geen kwaad zou kunnen doen, als je het maar zag,” zei ze tegen den krijgsman.

En toen snelde ze weg. Maar de krijgsman stond ze na te zien zoolang ze in ’t gezicht waren.

En terwijl hij hen met de blikken volgde, was hij er weer zeker van, dat ze geen bos lelies op haar arm droeg, maar een echt levend kind.

Maar terwijl hij de beide zwervers nazag, hoorde hij luide kreten uit de straat. Het was Voltigius met eenigen van zijn mannen, die aan kwamen loopen. „Houd ze!” riepen ze. „Sluit de poort voor hen! Laat hen niet ontkomen!”

En toen ze den krijgsman bereikten, vertelden zij, dat zij het spoor van den ontkomen knaap gevonden hadden. Zij hadden hem nu in zijn huis gezocht, maar van daar was hij weer gevlucht. Zij hadden zijn ouders met hem zien wegloopen. De vader was een krachtig man, met een grijzen baard, en droeg een bijl; de moeder was een lange vrouw, die ’t kind verborgen had onder haar kleed, dat ze omhoog geslagen had.

Op ’tzelfde oogenblik, dat Voltigius dat vertelde, kwam een Bedouïen de poort inrijden op een mooi paard. De krijgsman snelde zonder een woord te zeggen op den ruiter toe. Hij rukte hem met geweld van het paard, wierp hem op den grond, en met één sprong was hij zelf in ’t zadel en joeg voort over den weg.

Een paar dagen later reed de krijgsman door de vreeslijke bergwoestijn, die ’t zuiden van Judea vult. Hij vervolgde nog altijd de vluchtelingen van Bethlehem en hij was buiten zichzelf over dien vruchteloozen tocht, waar maar geen einde aan kwam.

„’t Schijnt waarachtig wel, of die menschen in den grond kunnen zinken,” zei hij morrend. „Hoe dikwijls ben ik hun in deze dagen niet zoo dicht op de hielen geweest, dat ik mijn speer naar het kind had kunnen slingeren, en toch ontkwamen ze nog. Ik begin bang te worden, dat ik ze nooit kan vinden.”

Hij voelde zich moedeloos, als een die tegen een overmacht strijdt. Hij vroeg zich af of het mogelijk was dat de goden deze menschen tegen hem beschermden.

„’t Is vergeefsche moeite. Laat ik toch teruggaan, eer ik van honger en dorst omkom in dit eenzame land!” zei hij herhaaldelijk in zichzelf.

Maar dan overviel hem de vrees voor wat hem bij zijn thuiskomst wachtte, als hij onverrichter zake terugkwam. Hij was het, die nu al twee keer het kind had laten ontkomen. ’t Was niet denkbaar, dat Voltigius of Herodes hem zooiets zouden vergeven.

„Zoolang Herodes weet, dat een van de kinderen van Bethlehem nog leeft, zal hij voortdurend aan denzelfden angst lijden,” zei de krijgsman. „’t Waarschijnlijkste is, dat hij – om zijn ellende te verzachten – mij aan het kruis zal slaan.”

’t Was een heete middag, en hij leed vreeselijk onder het rijden in deze boomlooze bergstreek op een weg, die zich door diepe ravijnen in ’t dal slingerde, waar geen windzuchtje zich bewoog. Het paard en de ruiter beide waren op ’t punt te bezwijken.

Reeds sedert verscheidene uren had de krijgsman elk spoor van de vluchtenden uit het oog verloren en hij voelde zich moedeloozer dan ooit.

„Ik moet het opgeven,” dacht hij. „Voorwaar, ik geloof niet, dat het de moeite loont ze verder te vervolgen: zij moeten toch omkomen in deze vreeselijke woestijn.”

Toen hij zoo dacht, ontdekte hij in een rotswand, die zich aan den weg verhief, den gewelfden ingang van een grot.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/lagerlof-selma/christuslegenden/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


