De Ellendigen (Deel 1 van 5) Victor Hugo Victor Hugo De Ellendigen (Deel 1 van 5) Boek I. Een rechtvaardige Eerste hoofdstuk. M. Myriel In het jaar 1815 was de heer Charles-François-Bienvenu Myriel bisschop van Digne. Hij was een grijsaard van omstreeks vijf en zeventig jaren en bekleedde de waardigheid van bisschop sedert 1806. Hoewel deze bijzonderheid eigenlijk niets te maken heeft met de hoofdzaak van ons verhaal, heeft het misschien toch zijn nut, al was het maar om niet te vergeten, hier te wijzen op de geruchten en praatjes, die er omtrent hem in omloop waren op het tijdstip, dat hij tot genoemde waardigheid werd bevorderd. Hetgeen men van de menschen zegt, het moge dan waar zijn of niet, heeft dikwijls evenveel invloed op hun leven en vooral op hun levensloop, als hetgeen zij doen. De heer Myriel was de zoon van een parlementslid te Aix; van den adel des tabbaards dus. Men vertelde, dat zijn vader, in de hoop, dat zijn zoon hem eenmaal zou opvolgen, dezen zeer vroeg, op zijn achttiende of twintigste jaar namelijk, had laten trouwen overeenkomstig een gebruik in de familiën der leden van het parlement. Toch had Charles Myriel, niettegenstaande dezen echt, veel van zich doen spreken, naar men zeide. Hij was welgebouwd, ofschoon nog al klein, had zeer goede manieren en was geestig; het eerste gedeelte zijns levens was geheel en al aan de wereld en haar vermakelijkheden gewijd. Daar brak de revolutie uit, de eene gewichtige gebeurtenis stapelde zich op de andere, de familiën der parlementsleden vernederd, verjaagd en verguisd, spatten uiteen. Charles Myriel nam reeds bij den aanvang der revolutie de wijk naar Italië. Zijn vrouw stierf er aan een borstkwaal, waaraan zij reeds sedert lang lijdende was. Zij hadden geen kinderen. Wat ging er toen om in het binnenste van Charles Myriel? Deden de vernietiging der bestaande Fransche maatschappij, de val van zijn eigen familie, de treurige tooneelen van ’93, misschien nog verschrikkelijker voor de uitgewekenen, die ze uit de verte met toenemenden angst zagen, denkbeelden van zelfverloochening en eenzaamheid in hem opkomen? Werd hij, te midden der verstrooiingen en genietingen, die hem bezighielden, plotseling aangegrepen door een van die geheimzinnige en vreeselijke slagen, die somtijds den mensch, door hem in de ziel te treffen, verpletteren, den mensch dien de openbare rampen niet zouden doen wankelen, al grepen ze ook in zijn bestaan en in zijn fortuin? Niemand zou het kunnen zeggen; al wat men wist was, dat hij als priester in Frankrijk terugkwam. In 1804 was Myriel pastoor van Brignolles. Hij was toen reeds oud en leefde in de strengste afzondering. Omstreeks het tijdstip der kroning gaf een kleine zaak in zijn gemeente, men weet niet recht meer wat, hem aanleiding om naar Parijs te gaan. Onder de invloedrijke personen, die hij in het belang zijner gemeenteleden moest spreken, behoorde ook de kardinaal Fesch. Eens toen de Keizer zijn oom was komen bezoeken, bevond zich de eerwaarde pastoor, die in de spreekkamer wachtte, toevallig tegenover Zijne Majesteit. Napoleon, die zag dat de grijsaard hem met zekere nieuwsgierigheid aankeek, keerde zich plotseling om en zeide: „Wie is die eenvoudige man, die mij zoo aankijkt?” „Sire”, sprak Myriel, „gij ziet een eenvoudig man en ik zie een groot man. Ieder van ons kan hier zijn voordeel mee doen.” Nog denzelfden avond vroeg de Keizer den kardinaal naar den naam van dezen pastoor, en niet lang daarna was Myriel zeer verrast te vernemen, dat hij tot bisschop van Digne benoemd was. En wat was er waar van de verhalen, die er over het eerste gedeelte van Myriels leven in omloop waren? Dit wist niemand. Er waren slechts weinig familiën, die de familie Myriel vóór de omwenteling gekend hadden. Charles Myriel moest hetzelfde lot ondergaan als iedereen, die in een kleine stad komt wonen, waar veel monden zijn die babbelen en zeer weinig hoofden, welke denken. Hij moest het ondergaan, ofschoon en omdat hij bisschop was. Maar per slot van rekening waren de praatjes, waarin zijn naam werd genoemd slechts praatjes; geruchten, klanken, woorden, minder dan woorden, leuterpraatjes. Hoe het zij, na tien jaren bisschop van Digne te zijn geweest, waren al deze verhalen, die in den beginne de kleine steden en de kleinsteedsche lieden bezighouden, geheel en al in het vergeetboek geraakt. Niemand zou er van hebben durven spreken, niemand zou er aan durven herinneren. Myriel was te Digne gekomen vergezeld van een oude vrijster, juffrouw Baptistine, zijn zuster, die tien jaar jonger was dan hij. Hun eenige dienstbode was een vrouw, even oud als juffrouw Baptistine en juffrouw Magloire geheeten, die, na eerst de meid van den eerwaarden pastoor geweest te zijn, nu den dubbelen titel droeg van kamenier van juffrouw Baptistine en huishoudster van mijnheer pastoor. Juffrouw Baptistine was een lang, mager, bleek, zacht wezen; zij verwezenlijkte het ideaal, dat het woord „eerbiedwaardig” in zich sluit, want mij dunkt, dat men moeder moet zijn om „eerwaardig” te kunnen heeten. Zij was nooit mooi geweest; haar geheele leven, dat slechts een reeks van heilige werken geweest was, had een waas van reinheid en helderheid over haar verspreid, en toen zij ouder werd had zij verkregen wat men de schoonheid van de goedheid zou kunnen noemen. Wat in haar jeugd magerheid was geweest, was op haar rijperen leeftijd doorschijnendheid geworden, en deze laatste eigenschap deed haar op een engel gelijken. Ze was meer een ziel dan een maagd. Ze scheen van schaduw gemaakt; ze had nauwelijks lichaam genoeg om een vrouw te zijn; ze was niets dan een weinig bezielde stof, had groote oogen, die altijd neergeslagen waren; een voorwendsel voor een ziel om op aarde te blijven. Juffrouw Magloire was een klein oud vrouwtje, blank, dik, zwaarlijvig, druk, altijd hijgende, vooreerst wegens haar bedrijvigheid, en dan tengevolge van haar asthma. Bij zijn aankomst werd Myriel in zijn bisschoppelijk paleis ontvangen met de eerbewijzingen, voorgeschreven door de Keizerlijke wetten, die den bisschop onmiddellijk na den veldmaarschalk plaatsen. De burgemeester en de president maakten hem de eerste visite, en hij van zijn kant bracht het eerste bezoek aan den generaal en den prefekt. Toen de installatie had plaats gehad, verwachtte de stad, dat haar bisschop de handen aan het werk zou slaan. Tweede hoofdstuk. De heer Myriel wordt Monseigneur Bienvenu Het Bisschoppelijk paleis te D. grensde aan het gasthuis. Het Bisschoppelijk paleis was een groot, fraai hôtel, in ’t begin der vorige eeuw gebouwd door Monseigneur Henri Puget, docter in de theologie bij de faculteit van Parijs en abt van Simore, die in 1712 bisschop van D. was. Dit paleis was inderdaad een wezenlijk vorstelijke woning. Alles had er een grootsch aanzien: de bisschoppelijke vertrekken, de salons, de kamers, het eerplein, dat zeer ruim en met booggangen in den ouden Florentijnschen stijl omgeven was, tuinen met heerlijke boomen beplant. In de eetzaal, een lange prachtige galerij, gelijkvloers, in den tuin uitkomende, had Monseigneur Henri Puget den 29 Juli 1714 een plechtigen maaltijd gegeven aan de prelaten Charles Brûlart de Genlis, prins-aartsbisschop van Embrun; Antoine de Mesgrigny, kapucijn en bisschop van Grasse; Philippe de Vendôme, groot-prior van Frankrijk, abt van St. Honoré de Lerins; François de Berton de Grillon, bisschop en baron van Vence; César de Sabran de Forcalquier, bisschop en heer van Glandève, en Jean Soanen, priester van het oratorium, gewoon hofprediker, bisschop, en heer van Senez. De portretten van deze zeven hoogeerwaarde personages versierden deze zaal en de gedenkwaardige datum, 29 Juli 1714, was er met gouden letters op een wit marmeren blad gegrift. Het hospitaal was een eng, laag gebouw, van slechts één verdieping en met een kleinen tuin. Drie dagen na zijn komst bezocht de bisschop het hospitaal. Na dit bezoek, liet hij den directeur verzoeken bij hem te komen. „Mijnheer de directeur,” zeide hij tot hem, „hoeveel zieken hebt ge op dit oogenblik?” „Zes en twintig, Monseigneur.” „Zooveel had ik er ook geteld,” zei de bisschop. „De bedden,” hernam de directeur, „staan zeer dicht op elkander.” „Dit heb ik gezien.” „De zalen zijn slechts kamers en ze zijn moeilijk van versche lucht te voorzien.” „Dat scheen mij ook toe.” „En, als de zon schijnt, is de tuin te klein voor de herstellenden.” „Dat kwam mij ook zoo voor.” „Bij epidemie – dit jaar hadden wij den typhus en voor twee jaren de zweetkoorts – hebben wij soms honderd zieken, waarmede wij niet weten wat wij zullen aanvangen.” „Zoo verbeeldde ik mij ook.” „Wat zal men zeggen, Monseigneur?” zei de directeur, „men moet zich schikken.” Dit gesprek werd gevoerd in de groote beneden-eetzaal. De bisschop bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, toen wendde hij zich schielijk tot den hospitaal-directeur, en sprak: „Hoeveel bedden, denkt ge, mijnheer, dat alleen in deze zaal kunnen staan?” „In de eetzaal van Monseigneur?” riep de directeur verbaasd. De bisschop liet zijn blik door de zaal gaan en scheen ze met de oogen te meten en de ruimte te berekenen. „Er zouden wel twintig bedden kunnen staan!” zeide hij zacht, als tot zich zelven, en vervolgens met verheffing van stem: „Hoor, mijnheer de directeur, ik zal u iets zeggen. Er bestaat blijkbaar een vergissing. Gij hebt voor zes-en-twintig personen vijf of zes kleine kamers. Wij hebben hier met ons drieën plaats voor zestig menschen; ik zeg u: ’t is een vergissing, gij hebt mijn woning en ik heb de uwe. Geef mij mijn huis terug; dit behoort u.” Den volgenden dag werden de zes-en-twintig arme zieken in het bisschoppelijk paleis overgebracht, en de bisschop betrok het hospitaal. De heer Myriel bezat geen vermogen; zijn familie had door de revolutie haar bezittingen verloren. Zijn zuster had een lijfrente van vijfhonderd francs, die in de pastorie voor haar persoonlijke behoeften voldoende was. Myriel ontving als bisschop van den staat een inkomen van vijftien duizend francs. Denzelfden dag waarop hij het hospitaal betrok, regelde hij het gebruik dier som, eens voor al, op de volgende wijze. Wij schrijven hier een nota over van zijn eigen hand. Nota ter regeling der uitgaven van mijn huis: Zoolang de bisschop Myriel den zetel te D. bekleedde, veranderde hij niets in deze regeling. Hij noemde het, gelijk men ziet, de regeling der uitgaven van zijn huis. Deze schikking werd met volkomen goedvinden door mejuffrouw Baptistine aangenomen. Voor deze vrome maagd was Myriel te gelijker tijd haar broeder en haar bisschop, haar natuurlijke vriend en haar geestelijk hoofd. Zij beminde en vereerde hem. Wanneer hij sprak, boog zij zich; en al wat hij deed, vond zij goed. Alleen de dienstbode, Magloire, morde wel eens. Zooals wij hebben gezien, had de bisschop slechts 1000 francs voor zich gehouden, ’t welk, gevoegd bij het jaargeld van juffer Baptistine, te zamen jaarlijks 1500 francs bedroeg. Van deze vijftienhonderd francs leefden de beide oude vrouwen en de grijsaard. En wanneer een dorpspastoor te D. kwam, had de bisschop, door de strenge zuinigheid van Magloire en het schrander huisbestuur van mejuffrouw Baptistine nog altijd gelegenheid hem behoorlijk te ontvangen. De bisschop was ongeveer drie maanden te D., toen hij op zekeren dag zeide: „’t Is zeker, dat mijn financiën zeer bekrompen zijn.” „Dit geloof ik wel,” hernam Magloire, „Monseigneur heeft zelfs niet eens de gelden gevorderd, welke het departement hem schuldig is voor zijn equipage en voor de reizen in het bisdom. De vorige bisschoppen ontvingen die altijd.” „’t Is waar, gij hebt gelijk, Magloire,” zei de bisschop, en hij zond zijn rekening in. Eenigen tijd later stond de algemeene raad van het departement, na overweging zijner vordering, den bisschop een jaarlijksche som van drie duizend francs toe voor de kosten van rijtuig en ter vergoeding der herderlijke reizen. De burgerij der plaats maakte hierover een groote drukte, en bij deze gelegenheid richtte een senator van het Keizerrijk, oud lid van den raad der vijfhonderd, die een begunstiger van den 18 Brumaire was geweest en daarvoor in de nabuurschap van Digne met een heerlijk landgoed beloond was geworden, aan den minister van Eeredienst, Bigot de Préameneu, een kwaadaardig vertrouwelijk schrijven, waaraan wij de volgende authentieke regelen ontleenen. „Equipagekosten? waartoe die, in een stad van minder dan vier duizend inwoners? Reiskosten? waartoe dienen vooreerst deze tochten? en hoe kan men met extra-rijtuig in deze bergachtige streken reizen? er zijn geen wegen. Men kan alleen te paard reizen. Zelfs de brug over de Durance bij Château-Arnoux kan nauwelijks ossenkarren dragen. Maar deze priesters zijn allen gelijk: – hebzuchtig en gierig. Toen deze hier kwam, speelde hij den goeden apostel. Nu doet hij gelijk de anderen, en begeert equipage en extra-rijtuig. Hij wil weelde ten toon spreiden, gelijk de vorige bisschoppen. O, dat priesterras! Mijnheer de graaf, de zaken zullen niet eerder goed gaan, dan wanneer de Keizer ons van de papen verlost heeft. Weg met den Paus! (op dit oogenblik raakten de zaken met Rome in de war), wat mij aangaat, ik ben vóór Cesar alleen, enz., enz., enz.” Magloire was daarentegen zeer verheugd over de zaak en zeide tot mejuffer Baptistine: „Nu, Monseigneur is met de zorg voor anderen begonnen; maar hij heeft eindelijk toch ook aan zich zelven moeten denken. Hij heeft al zijn liefdegiften, geregeld: nu hebben wij eindelijk dus drie duizend francs voor ons!” Denzelfden avond schreef de bisschop de volgende nota, welke hij aan zijn zuster ter hand stelde: Equipage en reiskosten. Dat was het budget van den heer Myriel. Wat de bisschoppelijke inkomsten betrof als afkooping van geboden, dispensatiën, doopplechtigheden, predikatiën, kerkwijdingen, huwelijken enz., de bisschop hief ze te ijveriger van de rijken, daar hij ze den armen ruimer gaf. In korten tijd stroomden de geldoffers toe. Rijken en armen klopten gelijkelijk aan de deur van den heer Myriel, de laatsten kwamen de aalmoezen halen, welke de eersten er hadden gebracht. In minder dan een jaar tijds werd de bisschop de schatmeester van alle weldaden, en de kassier van alle noodlijdenden. Aanzienlijke sommen gingen door zijn handen; maar niets was in staat zijn levenswijze te veranderen of bij het noodige de geringste overtolligheid te voegen. Integendeel. Aangezien er steeds veel meer nooden en ellenden beneden, dan menschlievendheid boven is, was, om zoo te zeggen, alles reeds weggegeven vóór ’t ontvangen was; ’t was als water op een uitgedroogd land: hoeveel geld hij ook ontving, altijd kwam hij te kort. Hij bekromp zich derhalve nog meer. Volgens gebruik plaatsten de bisschoppen hun doopnamen aan ’t hoofd hunner mandementen en herderlijke brieven. Nu hadden de arme lieden dier streek, door een gevoel van dankbaarheid gedreven, uit de namen en voornamen van den bisschop dien gezocht, waarin zij een beteekenis vonden, en noemden hem in de wandeling Monseigneur Bienvenu (Welkom). Wij zullen doen als zij, en hem bij gelegenheid ook zoo noemen. De naam behaagde hem trouwens. „Ik houd van dien naam,” zeide hij. „Bienvenu maakt Monseigneur weder goed.” Wij beweren niet, dat het portret, ’t welk wij hier geven, waarschijnlijk is; wij zeggen alleen dat het gelijkt. Derde hoofdstuk. Een goede bisschop heeft een moeielijk ambt Hoewel de bisschop zijn equipage in aalmoezen had omgezet, deed hij toch zijn rondreizen. Het bisdom Digne is zeer moeielijk te bereizen. Er zijn weinig vlakten en veel bergen, schier geen gebaande wegen, gelijk reeds gezegd is; twee-en-dertig pastorieën, één-en-veertig vicariaten en tweehonderd vijf-en-tachtig kapellen. ’t Was een zware taak die alle te bezoeken. De bisschop deed het echter. Hij ging te voet, wanneer hij in de buurt moest wezen, reed met een karretje door de vlakte, en gebruikte een bergrijtuigje, als hij hoogere streken moest bezoeken. De beide oude vrouwen vergezelden hem; slechts wanneer de reis voor haar te moeielijk was, ging hij alleen. Op zekeren dag kwam hij te Senez – een oude bisschoppelijke stad – op een ezel. Zijn beurs, die op dien tijd zeer schraal voorzien was, had hem geen ander middel van vervoer veroorloofd. De maire der stad ontving hem aan de deur der bisschoppelijke woning en zag hem met oogen vol ergernis van den ezel stijgen. Eenige burgers, die er bij stonden, lachten. „Mijnheer de maire,” zei de bisschop, „en heeren burgers, ik zie wat u ergert; ge vindt het zeer hoogmoedig van een armen priester, dat hij rijdt op de wijze van onzen Heiland. Ik verzeker u, dat ik het uit nood en niet uit ijdelheid doe.” Op deze rondreizen was hij verschoonend en zachtmoedig; hij preekte minder dan dat hij zich met de menschen onderhield. Hij ging zijn betoogen en vergelijkingen niet ver zoeken. De inwoners der eene buurt stelde hij tot voorbeeld van die der andere. In streken, waar men onmeedoogend voor de behoeftigen was, zeide hij: „Ziet de lieden van Briançon. Zij hebben aan de noodlijdenden, aan de weduwen en weezen het recht gegeven, om drie dagen vroeger dan alle anderen, hun weilanden te maaien. Zij herstellen kosteloos hun woningen, wanneer deze in verval zijn. Daarom is dit ook een door God gezegend land. Gedurende een geheele eeuw is er geen moord gepleegd. In dorpen, die naar winst en een rijken oogst hunkerden, zeide hij: „Ziet de lieden van Embrun. Zoo een huisvader in den oogsttijd zijn zonen bij het leger en zijn dochters in de stad heeft dienen, indien hij ziek of op eene andere wijze verhinderd is, beveelt de pastoor hem van den kansel bij de gemeente aan, en des Zondags, na de mis, gaan al de dorpelingen, mannen, vrouwen, kinderen, naar den akker van den armen man om voor hem te maaien, en brengen stroo en graan in zijn schuur. – Tot families die wegens geldzaken of erfenissen in tweedracht leefden, zeide hij: „Neemt de bergbewoners van Devolny tot voorbeeld, een land zoo woest, dat men er een nachtegaal nauwelijks in vijftig jaren hoort. Welnu, wanneer de vader in een gezin sterft, gaan de jongens fortuin zoeken en laten het goed aan hun zusters, opdat dezen echtgenooten vinden.” – In districten, waar men gaarne procedeerde en de pachters zich door gerechtszaken arm maakten, zeide hij: „Aanschouwt de goede landlieden der vallei Queyras. Zij tellen drie duizend zielen, en leven als in een kleine republiek. Men kent er noch rechters, noch deurwaarders. De maire doet alles. Hij regelt de belastingen, belast ieder naar zijn beste weten, beslecht kosteloos alle geschillen, verdeelt de erfenissen zonder belooning, strijkt kosteloos vonnissen, en men gehoorzaamt hem, wijl hij een rechtvaardig man onder eenvoudige menschen is.” – In de dorpen, waar hij geen schoolmeester vond, wees hij weder op de inwoners van Queyras. „Weet ge hoe zij doen?” zeide hij. „Wijl een klein oord van twaalf of vijftien gezinnen niet altijd een onderwijzer kan onderhouden, zoo heeft men schoolmeesters, welke door de geheele vallei worden betaald, en die de dorpen rondtrekken, in dit acht dagen, in een ander tien dagen doorbrengende en onderwijzende. Deze onderwijzers gaan naar de jaarmarkten, waar ik hen gezien heb. Men herkent ze aan de schrijfpennen, welke zij in het lint van hun hoed dragen. Zij die alleen het lezen onderwijzen hebben één pen; zij die in het lezen en rekenen les geven, hebben twee pennen; zij die lezen, rekenen en latijn onderwijzen, hebben drie pennen. Deze laatsten zijn groote geleerden. Maar ’t is groote schande onwetend te zijn. Doet zooals de lieden van Queyras.” Aldus sprak hij, ernstig en vaderlijk; bij gemis aan voorbeelden bedacht hij gelijkenissen, die recht op het doel afgingen, met weinig woorden, maar veel beelden. ’t Was de welsprekendheid van Jezus Christus uit het hart komende en overredende. Vierde hoofdstuk. De werken en de woorden één! In den omgang was hij vriendelijk en vroolijk. Hij schikte zich naar de bevatting der beide oude vrouwen, die haar leven bij hem doorbrachten; wanneer hij lachte, was ’t de hartelijke lach van den knaap. Magloire noemde hem gaarne Uwe Hoogheid. Op zekeren dag stond hij op van zijn stoel en ging naar zijn bibliotheek een boek halen. Dat boek stond op eene der hoogste planken. Daar de bisschop klein van gestalte was, kon hij er niet bij. — „Magloire,” zeide hij, „breng mij een stoel, mijn grootheid reikt niet tot aan deze plank.” Een zijner verre verwanten, mevrouw de gravin de Lô, liet zelden een gelegenheid voorbijgaan zonder in zijn tegenwoordigheid op te sommen, wat zij „de vooruitzichten” van haar drie zonen noemde. Zij had verscheiden zeer oude bloedverwanten, van welke haar zoons natuurlijk de erfgenamen werden. De jongste van de drie moest van een oudtante honderd duizend francs rente erven; de tweede zou van een oom den hertogstitel bekomen; de oudste moest zijn grootvader in het pairschap opvolgen. De bisschop hoorde meestal zwijgend, deze onschuldige en verschoonbare moederlijke uitweidingen aan. Eens echter scheen hij ernstiger dan gewoonlijk, toen mevrouw de Lô wederom in ’t breede van al die erfenissen en van al die „vooruitzichten” sprak. Met eenig ongeduld vroeg zij hem: „Maar, neef, waaraan denkt ge toch?” – „Ik denk aan iets zonderlings,” zei de bisschop, „’t geen, geloof ik, in St. Augustinus staat, n.l.: „Stel uw hoop op hem, van wien ge niet erft.” Een anderen keer ontving hij een brief, het overlijden meldende van een edelman uit het gewest, waarin met weidsche praal, behalve de waardigheden van den overledene, al de leenheerlijke en adellijke titels van zijn geheele familie waren opgenoemd. „Welk een breeden rug heeft toch de dood,” riep hij. „Welk een verbazenden last van titels geeft men hem te dragen en hoeveel geest moeten de menschen hebben om aldus het graf aan de ijdelheid dienstbaar te maken!” Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn preek had de liefdadigheid tot onderwerp. De rijken vermaande hij, om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke hij zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven, dien hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor bevond zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken, en een kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met het fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee millioen overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte men op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters in het kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme vrouwen toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en zeide glimlachend tot zijn zuster: „Zie! mijnheer Géborand koopt voor een stuiver den hemel.” Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen; er bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek, die tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij hem op den arm en zei: „Mijnheer de markies, ge moet mij iets geven.” De markies keerde zich om, en antwoordde droog: „Monseigneur, ik heb mijn armen.” „Geef ze mij,” hernam de bisschop. Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek: „Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn één millioen driehonderd twintig duizend boerenhuizen met slechts drie openingen; één millioen achthonderd zeventien duizend met slechts twee: de deur en het venster; en eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten met slechts één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting op deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen, kleine kinderen, die daarin verblijf houden, en ’t is geen wonder dat er koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God geeft den menschen lucht, maar de wet verkoopt ze hun. Ik beschuldig de wet niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van Var, in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, den mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar branden houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is het in geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half jaar en stoken den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij dat brood met de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig uren in water weeken om het te kunnen eten. – Broeders, hebt mededoogen! Ziet hoe men rondom u lijdt!” In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en sprak die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt en er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij was in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen sprak, vond hij den weg tot aller harten. Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe. Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan is, placht hij te zeggen. Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een voormalig zondaar was, verschanste hij zich niet achter een harde strengheid, en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het wenkbrauwfronsen der zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men vrijwel in de volgende woorden kan samenvatten: „De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe. „Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in den uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. ’t Is een val, maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan. „’t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar ’t is een regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, maar weest rechtschapen. „’t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te zondigen. Volstrekt niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het aardsche is aan de zonde onderworpen. De zonde is een wet der zwaartekracht.” Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd worden, dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te wezen, die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich haast, om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen. Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der maatschappij zoo zwaar drukt. – De zonden der vrouwen, der kinderen, der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden zijn de zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der overheden, der rijken en der geleerden, sprak hij. Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de maatschappij bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de duisternis welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een donkere ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt. Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het evangelie had ontleend. Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw was aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk, dat de man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen bewijzen tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door haar bekentenis in ’t verderf storten. Zij deed het niet. Men drong bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door de jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was, vroeg hij: „Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden? „Voor het Hof van Assises.” „En waar,” vervolgde hij, „zal mijnheer de procureur des konings worden gevonnist?” Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens moord ter dood veroordeeld. ’t Was een ongelukkige, die wel niet geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den veroordeelde, werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke moest den armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging naar den pastoor. ’t Schijnt dat deze weigerde, zeggende: „’t Gaat mij niet aan; ik heb met dit werk en dezen koorddanser niets te maken; ik ben ook ziek; bovendien,’t is mijn ambt niet.” – Men bracht den bisschop dit antwoord, en deze zeide: „De heer pastoor heeft gelijk, ’t is zijn ambt niet, maar het mijne.” Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel van den „koorddanser” brengen, noemde hem bij zijn naam, drukte hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij hem door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van den veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij hield hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. Hij was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen om hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man zou in wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond, aan welks rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet onwetend genoeg om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling, een geweldige schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel gescheurd, dat ons van de verborgenheid der dingen scheidt, en ’t welk wij het leven noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren en zag niets dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien. Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop bij hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen mantel en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den geboeiden veroordeelde, voor de oogen des volks. Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had nu een kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had gevonden, en hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen de bijl zou vallen, zeide hij: „Hem, dien de mensch doodt, zal God weder doen opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader aan. Bid, geloof en ga het leven in! De vader wacht u!” Toen hij het schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter zijde ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid, òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, welke hij glimlachend „zijn paleis” noemde, zeide hij tot zijn zuster: Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan. Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren er personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop „gemaaktheid” noemden. Dit werd echter slechts in hoogere kringen gezegd. Het volk, dat edele handelingen van geen kwaad verdenkt, was getroffen en vol bewondering. Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde. Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u oprijst, heeft het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf eenigszins onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch neen zeggen, zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er voor staat is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of tegen kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen vervloeken, gelijk Beccaria. De guillotine is de verlichamelijking der wet; zij noemt zich gerechtigheid; zij is niet onzijdig en veroorlooft anderen niet, onzijdig te blijven. Die haar ziet, voelt een geheimzinnige huivering. Alle maatschappelijke kwestiën plaatsen om de valbijl haar vraagteekens. Het schavot is een visioen. Het schavot is geen stellage, geen machine, geen gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het gelijkt een soort van wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is alsof deze stellage ziet; deze machine hoort; dit werktuig begrijpt; dit hout, dit ijzer, dit touw een wil hebben. In de afgrijselijke gedachten, welke ’t gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt het vreeselijk, doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot is de medeplichtige van den beul; het verslindt; het eet vleesch en drinkt bloed. Het schavot is een soort van gedrocht door den rechter en den timmerman vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het gegeven heeft, een verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te hebben geput. Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich nu iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen: „Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. ’t Is verkeerd, zich in de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de menschen aan dit onbekende?” Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk geheel uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan vermeed, over de gerechtsplaats te gaan. Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar zijn duurste plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging er uit eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man zitten die zijn geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die haar kind beweende. Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen, kende hij ook het oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij troosten! Hij trachtte niet de smart door vergetelheid te lenigen, maar ze door de hoop grooter en waardiger te maken. Hij zeide: „Let wel, op welke wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan ’t geen verteert. Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van uw geliefden overledene in den hemel erkennen.” Den wanhopige poogde hij tot kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt, te veranderen in een smart die naar een ster opziet. Vijfde hoofdstuk. Waarom Monseigneur Bienvenu te lang zijn priesterrokken draagt In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens dezelfde als in zijn openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de bisschop van Digne leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen gadeslaan, een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest. Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur aan zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, ’t zij in de kerk, ’t zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, bestaande in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij. Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht houden, privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, getijboeken, catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet mandementen schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires vereenigen, een kerkelijke en een administratieve correspondentie voeren, eenerzijds met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, duizend zaken wachten op hem. Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten en zijn brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan de noodlijdenden, de kranken en de bedrukten; den tijd, dien deze hem lieten, besteedde hij aan den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, dan weer las en schreef hij. Hij had voor deze beide soorten van werk slechts één naam: hij noemde het tuinieren. „De geest is ook een tuin,” zeide hij. Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en wandelde op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. Men zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met neêrgeslagen oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn violetkleurigen, gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, zware schoenen en met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten aan de punten, op het hoofd. ’t Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij zijn komst iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden kwamen aan de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij deelde zegen uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees men zijn huis. Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te spreken, en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij geld had; was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken. Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig. Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide dan ook in de stad: „wanneer de bisschop niet smult als een pastoor, eet hij als een trappist.” Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en Magloire; vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder aan ’t schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant van een foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf of zes merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een verhandeling over het vers van Genesis: „En de geest Gods zweefde over de wateren.” – Hij vergelijkt met dit vers drie teksten: het arabisch, dat zegt: „de winden Gods bliezen;” Flavius Josephus, die zegt: „Een wind van boven viel op de aarde;” en eindelijk de Chaldeeuwsche overzetting van Onkelos, die zegt: „Een wind, die van God kwam, blies over de wateren.” In een andere verhandeling onderzocht hij de godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen. Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek hij in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een boek in kwarto, getiteld: Correspondance du lord Germain avec les généraux Clinton, Cornwallis et les amiraux de la station de l’Amérique. Deze kantteekening luidt als volgt: „O gij, die zijt! „In den prediker Salomo heet gij de Almachtige, in het boek der Makkabeeën Schepper, in den brief aan de Ephezers Vrijheid, in Baruch Onmetelijke, in de psalmen Wijsheid en Waarheid, in het evangelie van Johannes Licht, in het boek der koningen Heer, in het tweede boek van Mozes Voorzienigheid, in het derde Heiligheid, in Esdra Gerechtigheid; de schepping noemt u God, de mensch Vader, maar Salomo noemt u Erbarmer, en dit is de schoonste van al uw namen.” Tegen negen uur ’s avonds verwijderden zich de beide vrouwen en begaven zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den bisschop alleen beneden tot den volgenden morgen. ’t Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der woning van den bisschop van Digne te geven. Zesde hoofdstuk. Door wie hij zijn huis liet bewaren Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen. De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd. Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij. Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.” In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht. Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.” Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer hij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd. Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen. In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam. Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt? Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en die verder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer. Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was. Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond. Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit. In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield. ’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moeten wij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten. Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel. In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken. De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.” – „Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!” Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter. Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginne had deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.” In een ander boek, getiteld: Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zij hun zieken noemen; en dan de mijne, welke ik de ongelukkigen noem.” Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!” Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke – ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was – hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.” Daarop sprak hij van iets anders. Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.” Zevende hoofdstuk. Cravatte Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was. Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van Gaspard Bès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen. Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld. „Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop. „Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire. „Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.” „Ge wilt vertrekken?” „Ja.” „Alleen?” „Alleen.” „Dat zult ge niet doen, Monseigneur!” „In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?” „Maar de roovers, Monseigneur?” „Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.” „Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!” „Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?” „Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.” „Ik heb niets.” „Zij zullen u vermoorden.” „Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?” „O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!” „Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.” „Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!” „Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.” Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek. Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtig Te Deum houden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen. „Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.” Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest. Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven: Cravatte aan Monseigneur Bienvenu. „Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.” „Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God – of de duivel?” De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!” Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.” Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.” En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet, veroorlooft God. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.” Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag. Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!” Achtste hoofdstuk. Wijsbegeerte na tafel De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde. Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf *** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was: „Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.” „Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.” Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator: „Laten we verdraagzame lieden zijn.” „Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop. „Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.” „Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede. De senator ging voort: „Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen het fiat lux (er zij licht). Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterren zijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in den Moniteur gaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde. Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.” De bisschop klapte goedkeurend in de handen. „Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar, alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.” Negende hoofdstuk. De broeder door de zuster geschilderd Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.     Digne, 16 December 18.. „Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijn kamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben. „Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden! „Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hij zijn dapperheid. „Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen. „Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen. „Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden. „Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelen van ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren. „In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er. „Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over. „Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest. „Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq. „Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten. „Baptistine.” „P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën? – ’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!” Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook – ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God. Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd. Tiende hoofdstuk. De bisschop tegenover een onbekend licht Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden. Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man, – om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen – was een voormalig lid der conventie. Hij heette G. In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben; – er moet immers barmhartigheid zijn? – maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden… Gekwaak van ganzen over den gier. Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven. Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters. De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.” Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt. Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap! De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven. Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaar op sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen. – Goddank! zeiden sommigen. De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg. De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol. ’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel. Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende. Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte. Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten. De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan. „Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?” De bisschop antwoordde: „Ik heet Bienvenu Myriel.” „Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?” „Die ben ik.” Half glimlachend hernam de grijsaard: „Dan zijt gij mijn bisschop.” „Zoo gij wilt!” „Ga binnen, mijnheer.” Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts: „Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!” „Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik. Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.” De grijsaard wendde zich tot den herder: „Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.” De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende: „Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.” De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen – want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden – hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op. Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren. De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventie kwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan. G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was. De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping: „Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.” Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen. „Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, want ik heb voor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid. „Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop. „Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.” „En door het geweten,” voegde de bisschop er bij. „Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.” Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal. De oude man vervolgde: „Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voel mij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.” „Een gemengd geluk,” zei de bisschop. „Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.” „Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.” „Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft – een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.” De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?” Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag: „Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.” De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde: „De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is dan een hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende. De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche – een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was – niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV, – insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was. „Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.” „Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?” Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan. Het lid der conventie hernam: „Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!” „Gewis,” zei de bisschop zacht. „Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.” „Ik beween allen,” zei de bisschop. „Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.” Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde: „Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden, – de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr. – met koks en livreibedienden, – een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?” De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.) „Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie. ’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn. De bisschop antwoordde vriendelijk: „’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets, die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.” Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven. „Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.” „Ik dank u,” zei de bisschop. G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?” „Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?” „Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een Te Deum zong?” Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest. Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde: „Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaag ook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg… Mijn spel is al te schoon, – en bovendien – de dood nadert.” En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden: „Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.” De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek: „De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.” De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf: „O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!” De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide: „Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geen IK had, zou het IK zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een IK. Dat IK van het oneindige, is God.” De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met de trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde. De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende: „Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?” De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat. „Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijn land mij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat l’Arbre-Sec voor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling, en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?” „Uw zegen,” zei de bisschop. En hij knielde. Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven. Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel. Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden. Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht. Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats: „Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.” Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem: „Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.” – „O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.” Elfde hoofdstuk. Een voorbehoud Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu wilde besluiten, dat Monseigneur Bienvenu een „wijsgeerig bisschop,” een „patriottisch pastoor was.” Zijn ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting men schier met het samentreffen van twee planeten kan vergelijken, had een soort van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog zachtmoediger maakte. Dit was alles. Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek persoon geweest zij, is ’t hier misschien toch de plaats, om met een enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen. Gaan wij dus enkele jaren terug: Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop, had de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen, tot baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli 1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs moest samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde het eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts één zitting, en drie of vier afzonderlijke conferentiën bij. Het schijnt, dat hij als bisschop uit een bergstreek en nauw aan de natuur verwant, bovendien in landelijken eenvoud en armoede levende, onder deze zeer aanzienlijke personen denkbeelden bracht, welke met de temperatuur dier vergadering volstrekt niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar Digne terug. Men vroeg hem naar de reden zijner spoedige terugkomst, en hij antwoordde: – „Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur.” Een andermaal zeide hij: – „Wat zal ik u zeggen? Deze heeren zijn prinsen. Ik ben slechts een arme boeren-bisschop.” De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd. Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden zijn ontsnapt: – Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten, deze keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al die overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen: er zijn menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er zijn armen! er zijn armen! ’t Is in ’t voorbijgaan gezegd, niet verstandig de weelde te haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten opgesloten liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd bij openbare plechtigheden en ceremoniën, een verkeerdheid. Zij schijnt gewoonten aan te duiden, die weinig met een wezenlijke weldadigheid overeenkomen. Een weelderig priester is een tegenstrijdigheid. De priester moet zich bij de armen houden. Of kan men nacht en dag onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle ontberingen in aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige behoeftigheid te bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich iemand voorstellen, die, als hij bij een vuur staat, geen warmte gevoelt? Kan men zich een arbeider voorstellen, die steeds aan een vuurhaard werkzaam, geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, geen droppel zweet, geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het groote bewijs van de weldadigheid eens priesters, vooral van een bisschop, is de armoede. Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne. Men moet echter niet meenen, dat hij, ’t geen wij „de denkbeelden der eeuw” zouden noemen, in sommige teedere punten deelde. Hij mengde zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd en zweeg over de kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; doch zoo men sterk bij hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk meer ultramontaansch dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een portret maken, en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij te voegen, dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 stemde hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze toe. Hij weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba terugkeerde, en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor den keizer aan gedurende de honderd dagen. Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders, van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef hij aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl de generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in Provence hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had vervolgd, als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef zijn briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt, een braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde. Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van dien tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich met het eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen staatkundige meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in onze bedoeling; wij maken onderscheid tusschen hetgeen „staatkundige meening” wordt genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof, ’t welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed moet zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts zijdelings betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou schoon geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den haat der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke zaken, deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en de menschlievendheid ziet stralen. Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van het recht en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken, maar rechtmatigen tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen en bewonderd hebben. Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen, behaagt ons minder tegen hen die vallen. Wij beminnen slechts het gevecht zoolang er gevaar is; en in allen geval hebben alleen de strijders van het begin het recht, de verdelgers van het einde te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen moedig beschuldiger was, moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger van den voorspoed is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den tegenspoed. Wat ons betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich neemt, laten wij ’t aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. In 1813 kon het laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend lichaam, door de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan verontwaardiging wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in 1814 was het een plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke maarschalken, van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den anderen overging, die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze afvallige afgoderij, die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht van groote rampen zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze nadering er van, terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor Napoleon kon zien openen, had de treurige sympathie van het leger en het volk voor den door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den despoot er buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den bisschop van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, dat de hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan den rand des afgronds had. Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig; weldadig en welwillend, en welwillendheid is een andere vorm van weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een mensch. Zelfs moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige gevoelens, welke wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn schier streng te beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, wellicht meer dan wij, die er hier over spreken. De portier van het raadhuis was door den keizer aangesteld. ’t Was een oud-onderofficier der oude garde, met het legioen van eer van Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch als de adelaar. Bij gelegenheid ontglipten dien armen drommel eenige onbedachte woorden, welke de wet destijds met den naam van „oproerige taal” bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van het legioen-kruis verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het voorschrift, om, zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis te dragen. Met eigen handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit het door Napoleon geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane opening niets in de plaats willen stellen. „Ik sterf liever,” zeide hij, „dan op mijn hart de drie padden te dragen!” Hij spotte gaarne openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: „Die oude jichtpoot met zijn engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met zijn boksbaard;” en ’t deed hem genoegen in dezelfde verwensching de twee dingen, welke hij het meest verachtte, Pruisen en Engeland, samen te kunnen vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn post ontzet werd. Nu was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood en huisvesting. De bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem welwillend en stelde hem tot oppasser der kerk aan. In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was hem niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk, welk volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn bisschop beminde. Twaalfde hoofdstuk. Monseigneur Bienvenu in de afzondering Een bisschop is bijna altijd omgeven door een schaar jonge geestelijken, gelijk een generaal door een zwerm jonge officieren. De waardige Franciscus van Sales noemt dezen ergens „melkmuilpriesters.” Elke loopbaan heeft haar aspiranten, welke het gevolg vormen van hen, die het doel reeds bereikt hebben. Geen macht of zij heeft haar omgeving, geen fortuin of zij heeft haar hof. Zij, die een toekomst najagen, fladderen om het schitterend tegenwoordige. Iedere hoofdkerk heeft haar staf. Elke bisschop, die slechts eenigen invloed heeft, heeft zijn wacht van seminaristen, die in het bisschoppelijk paleis de ronde doen, er de orde bewaren en naar een glimlachje van Monseigneur dingen. Een bisschop voor zich winnen, is de voet in den stijgbeugel tot het Diakenschap. Men moet vooruit in de wereld, en het apostelschap veracht het kanunnikschap niet. Evenals in den staat invloedrijke ambtenaren, zijn in de kerk invloedrijke prelaten. ’t Zijn de bisschoppen, die bij het hof gezien, rijk, sluw en in de groote wereld gezocht zijn; die ongetwijfeld kunnen bidden, maar ook verzoeken; die er geen gewetensbezwaar in vinden om een geheel bisdom in hun persoon vertegenwoordigd in een antichambre te laten wachten; die zeer goed de sacristie met de diplomatie weten te vereenigen; die veeleer abten dan priesters, veeleer kerkvorsten dan bisschoppen zijn. Gelukkig degenen, die hen naderen mogen! Als lieden van invloed laten zij op de dienstvaardigen en begunstigden, op deze geheele jongelingschap die zich beminnelijk weet te maken, een zegen van rijke pastorieën, vette prebenden, aarts-priesterdommen, en allerlei waardigheden regenen, in afwachting van de bisschoppelijke waardigheid. Zelf vooruitgaande, laten zij hun satellieten mede voortgaan; ’t is een soort van vooruitgaand zonnestelsel. Hun stralen deelen het purper aan hun gevolg mede. Hun geluk strooit zich over hun aanhangers, in kleine gunsten en bevorderingen, uit. Hoe grooter het bisdom van den patroon, des te vetter pastorie voor den gunsteling. En bovendien is er Rome! Een bisschop, die aartsbisschop; een aartsbisschop, die kardinaal weet te worden, voert den gunsteling mede naar het conclave, hij komt dan in de rota, bekomt het pallium, wordt uditore, cameriere, monsignore; van hoogwaardig heer tot eminentie is er slechts één schrede, en tusschen eminentie en Zijne Heiligheid ligt slechts een verkiezing. Elk priesterkapje kan van de drievoudige kroon droomen. De priester is in onze dagen de eenige, die langs een geregelden weg koning kan worden. En welk een koning! de hoogste koning! Welk een kweekschool van hoop en verwachting is dan ook niet een seminaire! Hoevele blozende koorknapen, hoevele jonge abten dragen, evenals Perrette uit de fabel, de kan met melk op ’t hoofd! En hoe licht noemt zich de eerzucht roeping? Misschien te goeder trouw, en zich zelven bedriegende, vroom als zij is. De ootmoedige, arme, eenvoudige Monseigneur Bienvenu behoorde niet onder de invloedrijke kerkvorsten. Dit was duidelijk aan de volstrekte afwezigheid van jonge priesters in zijn omgeving. Men heeft gezien, dat hij te Parijs „geen opgang had gemaakt.” Daarom trachtte ook geen enkele toekomst zich op dien eenzamen grijsaard te enten. Geen ontluikende eerzucht was zoo dwaas, in zijn schaduw te willen groeien. Zijn kanunniken en groot-vicarissen waren goede, oude lieden, eenigszins burgerlijk evenals hij, in het bisdom vastgegroeid, zonder uitzicht op het kardinaalschap, en die op hun bisschop geleken, met dit verschil, dat zij minder en hij beter af was. Men gevoelde zoozeer de onmogelijkheid om bij Monseigneur Bienvenu eenigszins vooruit te komen, dat de nauwelijks door hem gewijde seminaristen zich bij de aartsbisschoppen van Aix of van Auch deden aanbevelen en zoo schielijk mogelijk weggingen. Want, wij herhalen het: ieder wil vooruit! Een vroom man die in groote afzondering leeft, is een gevaarlijke buurman; hij zou u kunnen besmetten met een ongeneselijke armoede, de verstijving van de ter bevordering noodzakelijke leden, kortom: met meer zelfverloochening dan gij wenscht; en daarom ontvlucht men die aanstekende deugd. Vandaar de verlatenheid van Monseigneur Bienvenu. Wij leven in een treurige maatschappij. Vooruitkomen! ziedaar de leer, die uit het boven haar zwevende verderf nederdroppelt. De voorspoed heeft, in ’t voorbijgaan gezegd, een zeer onaangename zijde. De valsche gelijkenis, welke hij met de ware verdienste heeft, bedriegt de menschen. Voor de groote menigte heeft de fortuin schier hetzelfde voorkomen als de wijsheid. Door het geluk, die wederga van het talent, laat zich ook de geschiedenis bedriegen. Alleen Juvenalis en Tacitus onderscheiden ze. In onze dagen is een bijna officieele wijsbegeerte in zijn dienst getreden, draagt de livrei van het geluk en wacht in zijn voorkamer. Voorspoed wordt voor theorie gehouden, en doet bekwaamheid veronderstellen. Wie in de loterij wint, is een schrander man. De overwinnaar wordt altijd vereerd. Men moet met een helm zijn geboren! dat is alles! Men hebbe slechts geluk en al ’t overige komt vanzelf; den gelukkige beschouwt men als een groot man. Op vijf of zes uitzonderingen na, die den roem eener eeuw uitmaken, is de hedendaagsche bewondering niet veel meer dan kortzichtigheid. Verguldsel heet goud. Hoe men er komt, maakt niets uit, mits men er slechts „kome.” Het gemeen is een oude Narcissus, die zich zelven aanbidt en toejuicht. De buitengewone begaafdheid, door welke men een Mozes, een Eschylus, een Dante, een Michel-Angelo of een Napoleon is, schrijft de menigte onnadenkend en als bij acclamatie toe aan ieder die, in welk opzicht ook, zijn doel bereikt. Een notaris herscheppe zich in een afgevaardigde, een valsche Corneille make een treurspel, een gesnedene kome in ’t bezit van een harem, een gewoon man winne toevallig een beslissenden slag, een apotheker vinde bordpapieren zolen uit voor het leger van Sambre-en-Maas en make zich uit dit voor leder verkochte bordpapier een rente van vierhonderd duizend francs; een pakkedrager huwe met de woekerzucht en doe haar van zeven of acht millioen bevallen, waarvan hij de vader en zij de moeder is; een prediker worde bisschop wegens zijn eigenaardig neusorgaan en het draaien zijner oogen; een rentmeester eener voorname familie zij, wanneer hij zijn dienst verlaat, zoo rijk, dat men hem minister van financiën maakt: dat alles noemen de menschen genie, evenals zij versiering schoonheid en omvangrijkheid majestueus noemen. De sterrenbeelden des uitspansels verwarren zij met de sterachtige afdruksels van eendepooten in het slijk van een modderpoel. Dertiende hoofdstuk. Wat hij geloofde Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop van Digne niet te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij slechts eerbied gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich niet door woorden beoordeelen. Voor ’t overige nemen wij de mogelijke ontwikkeling van alle volkomenheden der menschelijke natuur bij sommige karakters aan, zelfs al verschillen ze ook met ons in godsdienstig geloof. Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf bekend, waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het, dat geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De diamant is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij kon. Ik geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte hij uit de goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te bevredigen, terwijl ’t hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij moeten hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te spreken, boven zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden, omdat hij „veel bemind had”, achtten sommige „ernstige, verstandige lieden” hem kwetsbaar. „Ernstige, verstandige lieden,” geliefkoosde uitdrukkingen onzer treurige wereld, waarin de zelfzucht het wachtwoord van de waanwijsheid ontvangt. Waarin bestond nu deze overvloed van liefde? In een opgeruimde welwillendheid, die, gelijk reeds gezegd is, zich over menschen, ja soms over zaken uitbreidde. Hij kende geen verachting. Hij was toegevend jegens al wat God geschapen had. Ieder mensch, zelfs de beste, heeft een soort van onwillekeurige hardheid in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar de bisschop van Digne had deze hardheid niet, die evenwel velen priesters zoo eigen is. Hij ging niet zoo ver als de brahmin, maar scheen de woorden van Salomo’s Prediker ter harte te hebben genomen: „Weet men waarheen de ziel der dieren gaat?” Een leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden verstoorden noch verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door aangedaan, schier verteederd. Hij scheen er over te peinzen om aan gene zijde van het aardsche leven de oorzaak, de verklaring of de verschooning er voor te zoeken. ’t Scheen of hij soms God om verzachting van hun lot bad. Zonder toorn, en met het oog van een taalvorscher, die een oud handschrift ontcijfert, onderzocht hij de schijnbare tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze bespiegelingen ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren morgen dat hij meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster niet zag, die achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde iets op den grond; ’t was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke spin. Zijn zuster hoorde hem zeggen: – Arm dier! ’t is zijn schuld niet. Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche goedhartigheid niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die verheven beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van Marcus Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een mier niet wilde vertreden. Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin ingeslapen, en dan kon men niets eerwaardigers zien. Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens ’t geen van zijn jeugd en zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een hartstochtelijk, ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en zachtmoedigheid was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg eener diepe overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door overdenking in zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals een steen, door waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn onuitwischbaar; deze vormen onverstoorbaar. In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom van vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. Hij was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, en om dit te bestrijden deed hij groote wandelingen te voet; hij ging met vasten tred en slechts een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid willen wij echter geen gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, toen hij tachtig jaren oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk voorkomen, ’t geen niet belette, dat hij een slecht bisschop was. Monseigneur Bienvenu had, wat het volk „een fraaien kop” noemt; maar die was zoo vriendelijk, dat men de fraaiheid er van voorbij zag. Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een zijner beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd hebben, was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich verspreidde. Zijn blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij alle behouden had en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem dit openhartig en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: „er is geen kwaad in hem,” en van een grijsaard: „’t is een allerliefst man.” Zoo was, gelijk men zich herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had gemaakt. Op ’t eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste maal ontmoette, was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig man. Maar wanneer men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem zag denken, veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends: zijn hoog, ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar, werd het te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden; de majesteit kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze laatste ophield te blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan als door de verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend zijn vleugelen uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied vervuld, en gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en toegevende zielen voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn, dat zij niet anders dan zachtmoedig kunnen zijn. Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten, het bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid, gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van zijn leven vervulden. „Vervullen” is het juiste woord, en zekerlijk was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede gedachten, goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet volledig, als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, zoodra de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin door te brengen, vóór hij naar bed ging. ’t Scheen hem een soort van eerdienst te zijn, door overpeinzingen in ’t gezicht der gesterrende hemellichamen, zich tot den slaap voor te bereiden. Soms hoorden de vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog zeer laat in den nacht langzaam in den tuin wandelen. Daar was hij alleen, in zich zelven gekeerd, aandachtig, rustig, biddend, de kalmte zijns harten met de kalmte des hemels in overeenstemming brengende, in de duisternis aangegrepen door den zichtbaren luister der sterrenbeelden en den onzichtbaren luister van God, en zijn ziel openende voor de gedachten, die van den Onbekende komen. Wanneer in zulke oogenblikken, als de nachtbloemen haar geuren deden opstijgen, zijn hart als een licht te midden van dezen gesterrenden hemel vlamde en verrukt door de oneindige schepping zweefde, zou hij misschien zelf niet in staat zijn geweest te zeggen, wat in zijn geest omging; ’t was hem, alsof iets uit zijn binnenste opsteeg, en iets in hem nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen de diepten der ziel en de diepten der Schepping. Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de toekomstige eeuwigheid, – een geheimzinnige verborgenheid; aan de doorloopen eeuwigheid, – een nog vreemder verborgenheid; aan al het oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde, en zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het aan. Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid, de gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen, en door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking en verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit ontstaan het leven en de dood. Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder, en zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige, schrale vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende. Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens, ’t welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het tuinwerk des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine ruimte, waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God beurtelings in Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te aanbidden? Was dit inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? Een kleine tuin om in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan zijn voeten, wat men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men kan bestudeeren en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren aan den hemel. Veertiende hoofdstuk. Wat hij dacht Een laatste woord. Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen tijd, den bisschop van Digne een schijn van „pantheïsme” geven – om een woord, dat thans zeer in de mode is, te gebruiken – en, hetzij tot zijn blaam of zijn lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat van die persoonlijke, onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms in eenzaam levende geesten ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt, dat zij er den godsdienst uit verdringt, zoo vermelden wij wel uitdrukkelijk dat niemand dergenen, die Monseigneur Bienvenu gekend hebben, zich zou veroorloofd hebben iets dergelijks te denken. Wat dien man verlichtte, was het hart. Zijn wijsheid was uit het licht ontstaan, dat daaruit voortkomt. Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt duizeling, en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door de Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis een gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen. In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als ’t ware boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen groote geesten hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een stoutmoedige drang om meer licht. Hun vereering is een vraag. ’t Is een onmiddellijke godsdienst, vol angsten en verantwoordelijkheid voor dengene, die er de steilten van beproeft. Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af, ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou schier kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en ’t is waarschijnlijk, dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij, er zijn menschen op de wereld – zijn zij menschen? – die duidelijk aan den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte zien, en die een visioen van den ontzettenden berg der oneindigheid hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; Monseigneur Bienvenu was geen genie, geen groote geest. Hij zou teruggedeinsd zijn voor die hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote geesten, als Schwedenburg en Pascal, in verbijstering hebben gebracht. ’t Is waar, deze grootsche bespiegelingen hebben een zedelijk nut, en langs zulke steile wegen komt men de denkbeeldige volmaaktheid nader. Hij echter koos den kortsten weg, den weg van ’t Evangelie. Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen; hij poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te dringen; hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). Zijn nederige ziel beminde slechts; dat was alles! ’t Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een bovenmenschelijke verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin te veel bidden als te veel beminnen; en indien ’t ketterij is buiten de formulieren te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. Jeronimus ketters zijn. Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij koorts; overal hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen oplossen, poogde hij de wonde te verbinden. Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en die aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden, zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt te vertroosten. Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij hield zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De algemeene ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor hem slechts een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. „Bemint elkander;” dit bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte niets meer, en dit was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide de man, die zich „wijsgeer” waande, de reeds genoemde senator, tot den bisschop: – „Zie toch, hoe het in de wereld toegaat; oorlog van allen tegen allen; de sterkste is de verstandigste. Uw „bemint elkander” is een dwaasheid.” „Welnu,” antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem te redetwisten, „zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich insluiten, als de parel in de oester.” En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen in tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken onaangeroerd liet, die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der bespiegeling, de afgronden der bovennatuurkunde, al die ondoorgrondelijkheden, welke den apostel tot God, den atheïst tot het niet voeren: het noodlot, het goede en het kwade, de oorlog van het eene tegen het andere schepsel, het geweten van den mensch, het denkend somnambulisme van het dier, de herschepping door den dood, de wederopstanding van al de wezens, die het graf bevat, de onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende liefdeneigingen op het steeds voortbestaande ik, de geest en het stof, het niet en het zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de noodzakelijkheid, – alle diepe problemen, schrikbarende duisternissen, voor welke de reusachtige aartsengelen van het menschelijk geslacht zich buigen; vreeselijke afgronden, welke Lucretius, Manou, Paulus en Dante met dien vlammenschietenden blik aanstaren, die, door strak in het oneindige te turen, er sterren schijnt te ontdekken. Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen eerbied voor het verborgene koesterde. Boek II. De val Eerste hoofdstuk. De avond na een dagreize In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang. Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig. Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar Parijs ging. Deze man moest wel den geheelen dag geloopen hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4 Maart klom, om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen. Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van Labarre te Grenoble.” De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken. De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan: „Wat wenscht mijnheer?” „Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger. „Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits betalend.” De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en antwoordde: „Hier is geld.” „Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein. De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De Octobermaand is er koud. Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens den reiziger aan. „Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man. „Aanstonds,” zei de hospes. Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis. De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: „Wordt er spoedig gegeten?” „Aanstonds!” herhaalde de kastelein. De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide: „Ik kan u niet herbergen.” De man richtte zich ten halve op. „Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.” „Daarom is ’t niet.” „Waarom dan?” „Ge hebt geld…” „Ja,” zei de man. „Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen kamer.” De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal slapen.” „Dat kan niet.” „Waarom?” „De stal is geheel vol paarden.” „Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel vinden.” „Ik kan u niet te eten geven.” Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den vreemde. Hij stond op, en zeide: „O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten.” „Ik heb niets,” antwoordde de hospes. De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen wendende: – „Niets? En wat is dat dan?” „Dat alles is besteld.” „Door wie?” „Door de voerlieden.” „Met hoevelen zijn ze?” „Met hun twaalven.” „En daar is eten genoeg voor twintig menschen.” „Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.” De man ging weer zitten en zeide zonder drift: „Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.” Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, die hem deed ontstellen: – „Ga heen!” De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij: „Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?” Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen hernam de herbergier: „Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend. Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn. Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt. Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats kon ontdekken. De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen. ’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut. De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting een pot te koken. Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest. De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op en deed de deur open. „Wie is dáár?” vroeg de waard. „Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.” „Goed. Men kan hier slapen en eten.” Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde. De hospes zeide toen: – „Hier is ’t vuur. Het avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.” Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide en gewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan het gelaat geeft. Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een kreupelbosch. Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk tusschen Bras d’Asse en… (de naam is mij ontgaan; ik meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept. De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder van den man en zeide: „Ge moet u dadelijk voortmaken.” De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten: „Zoo! weet ge?” „Ja.” „Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.” „En men jaagt u uit deze.” „Waarheen moet ik dan gaan?” „Waar ge wilt.” De man nam zijn stok en ransel en ging heen. Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven. Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend. „Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht te huisvesten?” Een stem antwoordde: „Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de deur voor u openen.” Het raampje werd gesloten. Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. ’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hing een jachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, de moeder glimlachte. Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig medelijden zou vinden. Zacht klopte hij tegen de glasruit. Men hoorde niet. Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen: – „Man, ik geloof dat er geklopt wordt.” „Neen,” antwoordde de man. Ten derden male klopte de vreemde. De man stond op, nam de lamp en deed de deur open. ’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt. „Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?” „Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes. De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?” „Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?” „Er is geen plaats.” „Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij Labarre geweest?” „Ja.” „Nu?” De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet opnemen.” „Zijt ge bij… hoe heet hij – in de straat Chaffaut geweest?” De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: „Hij wilde mij evenmin herbergen.” Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps riep hij met een zekere huivering: „Zoudt gij soms die man zijn?” Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand. Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, „struikroover” fluisterde. Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, en zeide: „Ga heen!” „Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas water!” „Een geweerschot!” zei de boer. Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er twee zware grendels voorschuiven. Een oogenblik later werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan het gerucht buiten gehoord werd. Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog. Hij lag in een hondenhok! Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken. Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in bedwang te houden. Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond! Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te beschutten. Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken. Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde. De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt. Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen. ’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling. Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn vuist op. Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven gedicteerd waren. Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond. Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den donker liggen. „Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij. Op ruwen, strengen toon antwoordde hij: – „Gij ziet immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.” De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin de R. „Op deze bank?” hernam zij. „Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van steen.” „Zijt gij soldaat geweest?” „Ja, goede vrouw, soldaat.” „Waarom gaat ge niet naar de herberg?” „Wijl ik geen geld heb.” „Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs.” „Schenk ze mij.” De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam: – „Voor dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten.” „Ik heb overal aangeklopt.” „En?” „Men heeft mij overal weggejaagd.” De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het bisschoppelijk paleis. „Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?” „Ja.” „Hebt ge dáár aangeklopt?” „Neen.” „Klop daar dan aan.” Tweede hoofdstuk. Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God (Matth. VI), plichten jegens zich zelven (Matth. V: 29, 30), plichten jegens den naaste (Matth. VII: 12), plichten jegens de schepselen (Matth. VI: 20, 25). De overige plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten en onderdanen, in den brief aan de Romeinen; aan de overheid, aan de vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen. Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, ’t welk hij der wereld wilde aanbieden. Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen. Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin uitzag. Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij met mejuffrouw Baptistine. Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard. Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, gekleed in een puce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als een boerin, en mejuffrouw Baptistine als een dame. Magloire droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld naturelletje, à l’enfant verborgen. Magloire had een schrander, levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlip was, gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering! Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden herinneren. Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/viktor-gugo/de-ellendigen-deel-1-van-5/) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.