De Ellendigen (Deel 4 van 5)
Victor Hugo




Victor Hugo

De Ellendigen (Deel 4 van 5)





Boek I

Eenige bladzijden geschiedenis





Eerste hoofdstuk

Goed gesneden


De jaren 1831 en 1832, welke onmiddellijk op de Juli omwenteling volgen, zijn een der eigenaardigste en treffendste tijdperken uit de geschiedenis. Deze beide jaren zijn als twee bergen te midden der jaren, die hen voorafgaan en volgen. Zij hebben de revolutionnaire grootheid. Men onderscheidt er afgronden. De maatschappelijke massa’s, de grondslagen zelve der beschaving, de hechte groep der opeengestapelde en samenhangende belangen, de eeuwenoude omtrekken der voormalige Fransche vorming verschijnen en verdwijnen er ieder oogenblik te midden der onstuimige wolken van stelsels, hartstochten en theorieën. Deze verschijningen en verdwijningen heeft men den wederstand en de beweging genoemd. Bij tusschenpoozen ziet men er de waarheid, dat licht der menschelijke ziel, in stralen.

Dit merkwaardig tijdvak is tamelijk eng begrensd en begint zich reeds allengs genoeg van ons te verwijderen, om thans de hoofdlijnen ervan te kunnen erkennen.

Wij willen beproeven ze aan te toonen.

De restauratie was een tusschentijdvak, dat moeielijk te beschrijven is, een tijdvak van afmatting, dof gerucht, gemor, slaap, rumoer, welke niets anders beteekenen dan de komst eener groote natie aan een rustpunt. Deze tijdvakken zijn buiten allen regel en bedriegen de staatkundigen, die ze willen bewerken. Bij den aanvang vraagt de natie slechts rust; men haakt slechts naar vrede; men heeft geen andere eerzucht dan klein te zijn; ’t geen wil zeggen rustig te blijven. Men heeft, God dank, tot verzadigens toe, genoeg groote gebeurtenissen, groote afwisselingen, groote avonturen, groote mannen gezien. Men zou gaarne Cesar voor Prusias, en Napoleon voor den koning van Yvetot geven: Quel bon petit roi c’était là! (welk een goed koninkje was dat!) Men heeft sinds het aanbreken van den dag gegaan en is aan den avond van een langen vermoeienden dag; den eersten tocht heeft men met Mirabeau, den tweeden met Robespierre, den derden met Bonaparte afgelegd; men is van vermoeidheid uitgeput. Ieder verlangt naar bed.

De vermoeide opoffering, de oud geworden heldenmoed, de verzadigde eerzucht, de bereikte fortuin – dat alles zoekt, eischt, smeekt, verzoekt, wat? – een nachtverblijf. Zij hebben het. Zij nemen bezit van den vrede, van de rust, van het gemak – zij zijn tevreden. Maar tezelfdertijd doen zich feiten voor, maken zich bekend en kloppen hunnerzijds aan de deur. Deze feiten zijn uit de revolutiën en de oorlogen voortgekomen; zij bestaan, zij leven, zij hebben het recht zich in de maatschappij te vestigen en vestigen er zich; meesttijds zijn de feiten kwartiermakers en fouriers, die niets doen dan voor de beginselen kwartieren gereed te maken.

Nu verschijnt voor de politieke wijsgeeren het volgende:

Terwijl de vermoeide menschen naar rust verlangen, eischen de volbrachte feiten waarborgen. Voor de feiten zijn waarborgen hetzelfde als rust voor de menschen.

Die vroeg Engeland na den protector aan de Stuarts; die vroeg Frankrijk den Bourbons na het Keizerrijk.

Deze waarborgen zijn een noodzakelijkheid van den tijd; men moet ze verleenen. De vorsten „oktrooieeren” ze, maar ’t is werkelijk de drang der omstandigheden die ze geeft. ’t Is een diepe, nuttige waarheid, waaraan de Stuarts in 1662 niet dachten, welke de Bourbons zelfs in 1814 niet opmerkten. De voorbeschikte familie, die in Frankrijk terugkwam, toen Napoleon viel, had de noodlottige onnoozelheid te gelooven, dat zij gaf, en dat zij terug kon nemen wat zij gegeven had, dat het huis van Bourbon het goddelijk recht bezat, dat Frankrijk niets bezat, en dat het politieke recht, in de charte van Lodewijk XVIII toegestaan, niets anders was dan een tak van het goddelijk recht, door het huis Bourbon afgebroken en genadiglijk aan het volk gegeven, tot den dag dat het den koning behagen mocht het terug te nemen. Het huis van Bourbon had evenwel, al ware het alleen door den tegenzin, waarmede het die gift deed, moeten gevoelen, dat ze niet van hen kwam.

Het was nijdig op de negentiende eeuw. Bij iedere ontwikkeling der natie betoonde het zich wrevelig; het „mokte,” om een plat, maar waar woord te gebruiken. Dit zag het volk.

Het waande zich sterk, wijl het keizerrijk als een tooneelscherm bij zijn komst was weggeschoven. Het merkte niet op, dat het op dezelfde wijze aangebracht was. Het zag niet, dat het zelf ook in de hand was, die Napoleon had weggenomen.

Het meende wortelen te hebben, wijl het ’t verledene was. Het bedroog zich; het vormde een gedeelte van het verledene, maar geheel het verledene was Frankrijk. De wortelen der Fransche maatschappij lagen niet in de Bourbons, maar in de natie. Deze onzichtbare en krachtig levende wortelen vormden niet het recht eener familie, maar de geschiedenis van een volk. Zij lagen overal, behalve onder den troon.

Het huis van Bourbon was voor Frankrijk de roemrijke en bloedige knoop zijner geschiedenis, maar niet meer het hoofdelement van zijn lot en de noodzakelijke grondslag zijner politiek. Men kon de Bourbons missen; men had ze twee-en-twintig jaren gemist; de voortduring was afgebroken geweest, maar zij begrepen het niet. Hoe hadden zij het kunnen begrijpen, zij die zich verbeeldden, dat Lodewijk XVII op den 9 Thermidor, en Lodewijk XVIII op den dag van Marengo regeerde? Nooit waren, sedert het begin der geschiedenis, de vorsten zoo blind geweest tegenover de feiten en ten opzichte van dat gedeelte van het goddelijk gezag, ’t welk de feiten bevatten en verkondigen. Nooit had deze aanmatiging van beneden, welke men het recht der koningen noemt, op zulk een wijze het recht van boven verloochend.

Deze groote dwaling bracht deze familie er toe de hand aan de in 1814 „geoktrooieerde” waarborgen, aan de concessiën zooals zij die noemde, te slaan. ’t Was treurig! Wat zij onze overweldigingen noemde, waren onze rechten.

Toen de restauratie meende, Bonaparte overwonnen te hebben en in het land geworteld te zijn, dat wil zeggen: zich sterk en vast genoeg achtte, nam zij, toen het oogenblik haar gunstig scheen, ijlings een besluit en waagde een slag. Op zekeren ochtend richtte zij zich op voor Frankrijks aangezicht, en haar stem verheffende, betwistte zij den algemeenen en den persoonlijken rechtstitel, namelijk zij betwistte der natie de souvereiniteit, den burger de vrijheid. Met andere woorden: zij loochende datgene wat de natie tot natie en den burger tot burger maakte.

Dit is de grond dier beruchte staatsstukken, welke men de ordonnantiën van Juli noemt.

De restauratie viel.

Zij viel met recht. Wij moeten echter zeggen, dat zij niet volstrekt aan al de vormen van den vooruitgang vijandig was. Grootsche dingen waren uitgevoerd aan haar zijde.

Gedurende de restauratie had de natie zich gewoon gemaakt aan de discussie in de rust, ’t geen aan de republiek had ontbroken, en aan de grootheid in den vrede, ’t geen aan het Keizerrijk had ontbroken. Het vrije, sterke Frankrijk was een bemoedigend schouwspel voor de andere volken van Europa geweest. De revolutie had, onder Robespierre, het kanon, onder Bonaparte, het woord gevoerd; onder Lodewijk XVIII en Karel X kwam de beurt om het woord te hebben aan het verstand. De wind hield op, de toorts gaf weder licht. Men zag op de heldere kruinen het zuiver licht der geesten flikkeren. Een heerlijk, nuttig en bekoorlijk schouwspel. Men zag gedurende vijftien jaren, in vollen vrede, in volkomen openbaarheid deze groote beginselen werkzaam, die zoo oud voor den denker, zoo nieuw voor den staatsman zijn: de gelijkheid voor de wet, de vrijheid van geweten, de vrijheid van spreken, de vrijheid der drukpers, de toegankelijkheid van alle bedieningen voor alle bekwaamheden. Dit duurde tot in 1830. De Bourbons waren een werktuig van beschaving, dat in de handen der voorzienigheid brak.

De val der Bourbons was vol grootheid, niet van hun zijde, maar van de zijde der natie. Zij verlieten den troon met ernst, maar zonder waardigheid; hun nederdaling in den nacht was geen dier plechtige verdwijningen, welke in de geschiedenis een sombere aandoening achterlaten; ’t was noch de spookachtige kalmte van Karel I, noch de adelaarskreet van Napoleon. Zij gingen heen – dit was alles. Zij legden de kroon neder, maar behielden geen glans er van. Zij waren niet laag, maar evenmin verheven. Zij schoten eenigermate te kort aan de majesteit van hun ongeluk. Op zijn weg naar Cherbourg liet Karel X van een ronde tafel een vierkante zagen, en bekommerde zich meer om de bedreigde etiquette dan om de instortende monarchie. Deze kleinheid bedroefde de getrouwe lieden, die het persoonlijke der koninklijke familie beminden, en de ernstige lieden, welke hun geslacht vereerden. Het volk zelf was bewonderenswaardig. De natie, op een ochtend door een soort van koninklijken opstand gewapenderhand aangevallen, gevoelde zich zoo sterk, dat zij niet toornig was. Zij verdedigde, bedwong zich, bracht de dingen weder op hun plaats; het gouvernement in de wet, de Bourbons in ballingschap, en liet het daarbij. Zij nam den ouden koning Karel X van onder den troonhemel, die Lodewijk XIV had overschaduwd, en zette hem zacht op den grond neder. Zij raakte slechts met droefheid en voorzichtig aan de koninklijke personen. ’t Was niet een man, ’t waren niet eenige mannen, ’t was Frankrijk, geheel Frankrijk, het zegevierende en door zijn overwinning dronken Frankrijk, dat zich scheen te herinneren en dat voor de oogen der gansche wereld deze ernstige woorden van Guillaume du Vair na den dag der barricades in practijk bracht: „’t Is gemakkelijk voor hen, die gewoon zijn de gunst der grooten te genieten en als een vogel van den eenen tak op den anderen te springen, van een bekrompen tot een schitterend fortuin, zich hardvochtig tegen hun vorst en zijn tegenspoed te toonen; maar voor mij zal het lot mijner koningen eerwaardig zijn, en voornamelijk dat der bedroefden.”

De Bourbons namen eerbied, maar geen leedwezen mede. Zooals wij gezegd hebben, was hun ongeluk grooter dan zij. Zij verdwenen aan den horizon.

Dadelijk had de Juli-revolutie vrienden en vijanden in de geheele wereld. De eenen ijlden met geestdrift en vreugd haar tegen, de anderen wendden zich van haar, ieder naar zijn geaardheid. De vorsten van Europa, de uilen bij dien dageraad, sloten aanvankelijk getroffen en ontsteld de oogen, en openden ze niet weder dan om te dreigen. Een ontzetting die begrijpelijk, een toorn die verschoonbaar is. Deze zonderlinge revolutie was nauwelijks een schok geweest, zij had zelfs het verwonnen koningschap de eer niet bewezen het als vijand te behandelen en zijn bloed te storten. Voor de oogen der despotieke gouvernementen, die er steeds belang bij hebben dat de vrijheid zich zelve onteert, had de Juli-revolutie het ongelijk, vreeselijk te zijn en toch zacht te blijven. Er werd overigens niets tegen haar beproefd noch heimelijk bewerkt. Zij, die het meest ontevreden, vergramd en beangst waren, begroetten haar. Hoe groot onze zelfzucht en onze wrok zijn mogen, een geheimzinnige eerbied ontstaat uit de gebeurtenissen, waarin men de medewerking van eene hoogere dan menschelijke macht gevoelt.

De Juli-revolutie is de triumf van het recht, dat het feit nedervelt. Zij is iets schitterends!

Het recht het feit nedervellende. Vandaar de glans der revolutie van 1830, vandaar ook haar zachtmoedigheid. Het triumfeerende recht heeft geen behoefte om geweldig te zijn.

Het recht is het juiste en ware.

Het eigenaardige van het recht is, dat het eeuwig schoon en rein blijft. Het feit, zelfs het schijnbaar noodzakelijkst, het door den tijdgenoot volkomenst aangenomen feit is, zoo het slechts als feit bestaat en te weinig of in ’t geheel geen recht bevat, onvermijdelijk bestemd om na verloop van tijd, leelijk, onrein, misschien monsterachtig te worden. Zoo men met een oogopslag weten wil, welken graad van leelijkheid het feit kan bereiken, wanneer men het na verloop van eeuwen ziet, aanschouwe men Machiavelli. Machiavelli is geen booze geest, geen demon, geen lage, ellendige schrijver; hij is niets dan het feit. Niet alleen het Italiaansche feit, maar het Europeesche; het feit der zestiende eeuw. Het schijnt leelijk, en het is leelijk tegenover de zedelijke idée der negentiende eeuw.

Deze strijd van het recht en het feit duurt sedert het ontstaan der maatschappijen. Het werk der wijzen is aan den tweestrijd een einde te maken, de zuivere idée met de menschelijke wezenlijkheid te verbinden, op vreedzame wijze het recht in het feit en het feit in het recht op te nemen.




Tweede hoofdstuk

Slecht genaaid


Maar het werk der wijzen is anders dan het werk der behendigen.

De revolutie van 1830 was spoedig tot staan gekomen.

Zoodra een revolutie gestrand is, bemachtigen zich de behendigen het wrak.De behendigen hebben zich zelven, in onze eeuw, den naam van staatslieden toegekend, zoodat de naam staatsman uiteindelijk eenigermate een woord uit de dieventaal is geworden. Men vergete het toch niet, dat, waar behendigheid is, ook noodzakelijk kleinheid moet zijn. Behendigen wil dus zooveel zeggen als: middelmatigen.Even zoo is „staatsman” vaak gelijkbeteekenend met „verrader.”Zoo men nu de behendigen gelooft, zijn de revolutiën, gelijk de Juli-revolutie, doorgesneden slagaderen, die spoedig verbonden moeten worden. Het te luid verkondigd recht schokt. Zoodra derhalve het recht is erkend, moet de staat opnieuw gevestigd worden. Is de vrijheid verzekerd, dan moet men aan het gezag denken.Hier scheiden de wijzen nog niet van de behendigen, maar beginnen te wantrouwen. Het gezag, goed. Maar, vooreerst, wat is het gezag? ten tweede, van waar komt het?De behendigen schijnen de gefluisterde tegenwerping niet te hooren en gaan voort met hun arbeid.Volgens deze staatslieden, die zoo schrander zijn, aan voordeelige hersenschimmen een masker van noodzakelijkheid te geven, is de eerste behoefte van een volk na een revolutie, wanneer dit volk tot een monarchaal werelddeel behoort, zich een dynastie te bezorgen. Op deze wijze, zeggen zij, kan het rust na zijn omwenteling hebben; dat wil zeggen, den tijd om zijn wonden te verbinden en zijn huis te herstellen. De dynastie verbergt den steiger en bedekt het hospitaal.Maar het is niet altijd gemakkelijk, zich een dynastie te bezorgen.

De behendigen hebben zich zelven, in onze eeuw, den naam van staatslieden toegekend, zoodat de naam staatsman uiteindelijk eenigermate een woord uit de dieventaal is geworden. Men vergete het toch niet, dat, waar behendigheid is, ook noodzakelijk kleinheid moet zijn. Behendigen wil dus zooveel zeggen als: middelmatigen.

Even zoo is „staatsman” vaak gelijkbeteekenend met „verrader.”

Zoo men nu de behendigen gelooft, zijn de revolutiën, gelijk de Juli-revolutie, doorgesneden slagaderen, die spoedig verbonden moeten worden. Het te luid verkondigd recht schokt. Zoodra derhalve het recht is erkend, moet de staat opnieuw gevestigd worden. Is de vrijheid verzekerd, dan moet men aan het gezag denken.

Hier scheiden de wijzen nog niet van de behendigen, maar beginnen te wantrouwen. Het gezag, goed. Maar, vooreerst, wat is het gezag? ten tweede, van waar komt het?

De behendigen schijnen de gefluisterde tegenwerping niet te hooren en gaan voort met hun arbeid.

Volgens deze staatslieden, die zoo schrander zijn, aan voordeelige hersenschimmen een masker van noodzakelijkheid te geven, is de eerste behoefte van een volk na een revolutie, wanneer dit volk tot een monarchaal werelddeel behoort, zich een dynastie te bezorgen. Op deze wijze, zeggen zij, kan het rust na zijn omwenteling hebben; dat wil zeggen, den tijd om zijn wonden te verbinden en zijn huis te herstellen. De dynastie verbergt den steiger en bedekt het hospitaal.

Maar het is niet altijd gemakkelijk, zich een dynastie te bezorgen.

Ten strengste genomen is een geniaal man, ja zelfs de eerste de beste gelukkige man voldoende om er een koning van te maken. In ’t eerste geval heeft men Bonaparte, in het tweede Iturbide.

Maar de eerste de beste familie is niet voldoende om een dynastie te zijn. Een geslacht moet noodzakelijk zekeren ouderdom hebben en de rimpels der eeuwen kan men niet plotseling voortbrengen.

Welke eigenschappen, altijd, wel te verstaan, uit het gezichtspunt der „staatsmannen” gezien, en onder zeker voorbehoud, moet na een revolutie een koning hebben, die er uit ontstaan is? Hij kan revolutionnair zijn en ’t is nuttig, dat hij het zij, namelijk dat hij persoonlijk in de revolutie betrokken zij geweest, er de hand in gehad hebbe, dat hij er zich door benadeeld of er roem mede behaald, dat hij er de bijl van geraakt of den degen er voor gevoerd hebbe.

Welke zijn de eigenschappen eener dynastie? Zij moet nationaal, dat is uit de verte revolutionnair zijn, niet door volbrachte handelingen, maar door aangenomen beginselen. Zij moet uit het verleden zijn samengesteld, en historisch zijn, een toekomst hebben en sympathie inboezemen.

Dit alles verklaart, waarom de eerste revolutiën zich tevreden stellen met een man te vinden, Cromwell of Napoleon; en waarom de tweede volstrekt een familie willen vinden, het huis van Brunswijk of het huis van Orleans. De koninklijke huizen gelijken naar die Indische vijgeboomen, van welke iedere tak zich naar de aarde buigt, er wortelt en een vijgeboom wordt. Iedere tak kan een dynastie worden. Alleen op voorwaarde, dat hij zich tot het volk buigt.

Dit is de theorie der behendigen.

De groote kunst is alzoo: aan eenigen voorspoed den klank eener gewichtige gebeurtenis te geven, opdat zij, die ervan genieten, er ook voor beven; een gedanen stap met vrees te kruiden; de buiging van den overgang te vernauwen om den vooruitgang te vertragen; dit werk te verzwakken, de ruwheden der geestdrift aan te wijzen en weg te nemen; de hoeken en nagels weg te snijden; den triumf in watten te leggen; het recht in te bakeren; den reus, het volk, in flanel te wikkelen en het schielijk te bed te brengen; aan deze overmatige gezondheid een diëet voor te schrijven; Hercules als een herstelden zieke te behandelen; de gebeurtenis in het hulpmiddel op te lossen; aan de, naar het ideaal dorstende geesten een verkoelenden drank te reiken; voorzorgen tegen al te grooten voortgang te nemen, de revolutie van een lichtscherm te voorzien.

1830 bracht deze theorie in practijk, welke door 1688 reeds op Engeland was toegepast.

1830 is een te halverwege tot staan gebrachte revolutie; half vooruitgang, bijna recht. Maar de logica wil van „bijna” niets weten, evenmin als de zon iets van de kaars weet.

Wie houdt de revolutiën te halverwege staande? De burgerstand.

Waarom?

Wijl de burgerstand is: het eigenbelang, dat tot bevrediging is gekomen. Gisteren was het de honger, heden is het de voldoening, morgen zal het de verzadiging zijn.

Het verschijnsel van 1814 na Napoleon herhaalde zich in 1830 na Karel X.

Men heeft ten onrechte van den burgerstand eene klasse willen maken. De burgerstand is eenvoudig het bevredigde gedeelte des volks. De burger is de man, die op ’t oogenblik den tijd heeft te gaan zitten. Een stoel is geen kaste. Maar door te spoedig te gaan zitten, kan men zelfs den gang van het menschelijk geslacht tegenhouden. Dit is dikwerf de misslag van den burgerstand geweest.

Men is geen klasse, wijl men een misslag begaat. De zelfzucht is geen afdeeling der menschelijke orde.

Men moet overigens, zelfs jegens de zelfzucht, rechtvaardig zijn; de toestand, waarnaar dit gedeelte der natie, ’t welk men den burgerstand noemt, na den schok van 1830 trachtte, was geen werkeloosheid, die zich aan onverschilligheid en luiheid paart, en een weinig schande bevat; ’t was niet de slaap, die een vluchtige vergetelheid onderstelt, vatbaar voor droomen; ’t was een halt.

Dit „halt” is een woord van een dubbele, schier tegenstrijdige beteekenis: voor marcheerende troepen behoort het tot de beweging; bij stilstand is het rust.

Halt houden is de herstelling der krachten, ’t is de gewapende en waakzame rust, ’t is het volbrachte feit, dat schildwachten uitzet en op zijn hoede is. Halt houden veronderstelt het gevecht van gisteren en het gevecht voor morgen.

’t Is de tusschentijd van 1830 en van 1848.

Wat wij hier gevecht noemen, kan ook vooruitgang worden genoemd.

De burgerstand had dus evenzeer als de staatslieden een man noodig, die dit woord „halt” uitdrukte. Een „Hoewel omdat.” Een samengestelde individualiteit, die revolutie en duurzaamheid beteekent, met andere woorden: die het tegenwoordige, door de blijkbare overeenstemming van het verledene en de toekomst, bevestigde.

Die man was „gevonden.” Hij heette Lodewijk Filips van Orleans.

De 221 maakten Lodewijk Filips koning. Lafayette belastte zich met de zalving. Hij noemde hem „de beste der republieken.” Het stadhuis van Parijs verving de Cathedraal van Reims.

Deze vervanging door een halven troon, in de plaats van een geheelen, was „het werk van 1830.”

Toen de behendigen gedaan hadden, kwam de groote feil hunner schepping voor den dag. Dit alles was verricht buiten het volstrekte recht. Het volstrekte recht riep: Ik protesteer! en toen trad het, ’t geen nog geduchter was, weder in de schaduw.




Derde hoofdstuk

Lodewijk Filips


Revolutiën hebben een vreeselijken arm en een gelukkige hand; zij slaan duchtig en kiezen goed. Zelfs wanneer zij onvolledig, verbasterd, te vroegtijdig en een jeugdige revolutie zijn, gelijk die van 1830, blijft haar schier altijd nog genoeg providentieele helderziendheid over om niet verkeerd te vallen. Haar verduistering is nooit een afstand.

Beroemen wij ons echter niet te luid; ook de revolutiën bedriegen zich en men heeft ernstige misvattingen gezien.

Keeren wij tot 1830 terug. 1830 had in zijn afwijking geluk. Bij de instelling, die, na de plotseling staande gehouden revolutie, orde heette, was de koning beter dan het koningschap. Lodewijk Filips was een zeldzaam man.

Zoon van een vader, nopens wien de geschiedenis zekerlijk verzachtende omstandigheden in aanmerking zal nemen, even achtenswaardig als zijn vader laakbaar was geweest; in het bezit van alle persoonlijke, en vele openbare deugden; zorgvuldig voor zijn gezondheid, zijn fortuin, zijn persoon en zijn zaken; de waarde van een minuut, niet altijd die van een jaar kennende; matig, opgeruimd, vreedzaam, geduldig; een goed man en een goed vorst; die bij zijn vrouw sliep en in zijn paleis lakeien had om zijn echtelijk bed aan de burgers te laten zien; de praalvertooning van een geregeld huwelijksleven, te noodzakelijker geworden na de zedelooze praalvertooningen van den ouderen tak; bekend met al de talen van Europa, en wat zeldzamer is, met alle talen van alle belangen, en die talen sprekende; een merkwaardig vertegenwoordiger van den „middelstand”, maar dien overtreffende en in alle opzichten er boven verheven; in ’t bezit van een uitstekenden geest, echter het bloed waardeerende waarvan hij afstamde, en vooral zich zelven wegens eigen geestkracht; bij de vraag nopens zijn geslacht, zich uitsluitend Orleans en niet Bourbon noemende; zeer prins van den bloede, zoolang hij slechts koninklijke hoogheid was, maar een wezenlijk burger, zoodra hij majesteit was; in ’t openbaar wijdloopig, maar kort en bondig in vertrouwde kringen; gierig genoemd, maar nooit bewezen; in den grond een dier spaarzamen, die uit lust of plicht gemakkelijk verspillend worden; een geletterde, maar echter weinig voor de letteren over hebbende; een edelman maar geen ridder; eenvoudig, kalm en sterk; door zijn familie en zijn huis bemind; een verleidelijk verhaler; een van hersenschimmen bevrijd staatsman; inwendig koel; beheerscht door het onmiddellijk belang; immer zich naar het naaste richtend; noch tot wraak noch tot dankbaarheid bekwaam; onmeedoogend de uitstekenden tegen de middelmatigen bezigende; behendig om door de parlementaire meerderheden die geheimzinnige eenstemmigheden in ’t ongelijk te stellen, welke onder de tronen grollen; openhartig, soms onvoorzichtig in zijn openhartigheid, maar bij deze onvoorzichtigheid wonderbaar behendig; vruchtbaar in uitvluchten, gedaantewisselingen en maskers; Frankrijk voor Europa en Europa voor Frankrijk bevreesd makende; onbetwistbaar zijn vaderland beminnende, maar aan zijn familie de voorkeur gevende; meer waarde hechtende aan heerschappij dan aan het gezag, en aan het gezag meer dan de waardigheid; een neiging die noodlottig is, wanneer zij in alles willende slagen, list te baat neemt en niet volstrekt afkeerig van laagheid is, maar het voordeel heeft dat zij de politiek voor geweldige schokken, den staat voor breuken en de maatschappij voor noodlottige gebeurtenissen behoedt; stipt in kleinigheden, nauwkeurig, waakzaam, oplettend, scherpzinnig, onvermoeibaar, die zich soms tegensprak en logenstrafte, die stoutmoedig tegen Oostenrijk te Ancona, hardnekkig tegen Engeland in Spanje was, die Antwerpen bombardeerde en den missionaris Pritchard vergoeding gaf; die met overtuiging de Marseillaise zong; onvatbaar voor neerslachtigheid, vermoeienissen, voor den smaak voor het goede en het ideale, voor edelmoedige vermetelheid, voor utopieën, hersenschimmen, toorn, ijdelheid en vrees; die al de vormen van persoonlijke onversaagdheid had; als generaal te Valmy, als soldaat te Jemmapes, achtmaal door koningsmoord aangerand, en die telkens glimlachte; dapper als een grenadier, moedig als een denker; geen andere bekommering hebbende dan voor de gevaren eener Europeesche opschudding, en ongeschikt voor groote politieke avonturen; immer gereed zijn leven te wagen, nooit zijn werk; zijn wil onder den schijn van invloed vermommende, ten einde eerder als een schrander man dan als koning gehoorzaamd te worden; begaafd met opmerkzaamheid, maar niet met vooruitzicht; weinig lettende op de geesten, maar van groote menschenkennis, dat wil zeggen: hij moest zien, om te kunnen oordeelen; vlug van verstand en scherpzinnig, met practische wijsheid, welbespraakt, en met een wonderbaar geheugen; immer uit dat geheugen puttende, het eenige wat hij met Cesar, Alexander en Napoleon gemeen had; hij kende de feiten, de bijzonderheden, de datums, de eigennamen, maar was onbekend met de neigingen, de hartstochten, de verschillende uitingen der menigte, de inwendige strevingen, de geheime en verborgen opstanden der zielen, met één woord: alles wat men de onzichtbare stroomingen der geesten zou kunnen noemen; een man door de oppervlakte aangenomen, maar weinig in overeenstemming met het onderste van Frankrijk; die zich door slimheid uit de verlegenheid redde; die te veel regeerde en niet genoeg heerschte; die zelf zijn eerste minister was; uitmuntend om van de kleinheid der wezenlijkheden hindernissen voor het oneindige der ideeën te vormen; die aan een wezenlijk scheppende bekwaamheid van beschaving, orde en organisatie een zekeren geest van kibbelarij en chicane paarde; stichter en procureur eener dynastie, die iets van Karel den groote en iets van een advocaat had; in ’t geheel een verhevene, origineele gestalte, een vorst die zich gezag wist te verschaffen in weerwil der kitteloorigheid van Frankrijk, en macht, trots Europa’s ijverzucht – Lodewijk Filips zal onder de uitstekende mannen zijner eeuw worden gesteld en zou gerangschikt zijn onder de doorluchtige heerschers der geschiedenis, zoo hij een weinig zin voor den roem had gehad en evenzeer gevoel voor het grootsche als voor het nuttige. Lodewijk Filips was schoon geweest, en was, oud geworden, nog bevallig gebleven; hoewel niet altijd aangenaam bij de natie, was hij het altijd bij de menigte; hij behaagde. Hij had de gaaf te bekoren. Hem ontbrak majesteit; hij droeg geen kroon, hoewel hij koning, geen wit haar, hoewel hij een grijsaard was. Zijn manieren behoorden den ouden, zijn gewoonten den nieuwen tijd, een mengsel van het adellijke en burgerlijke, dat aan 1830 paste; Lodewijk Filips was de regeerende overgang; hij had de oude uitspraak en de oude spelling behouden, welke hij ten dienste der nieuwe gedachten stelde; hij beminde Polen en Hongarije, maar schreef als eertijds Polonois, en zeide Hongrais. Hij droeg de uniform der nationale garde gelijk Karel X, en het lint van het Legioen van Eer gelijk Napoleon.

Hij ging weinig ter kerk, niet ter jacht, nooit naar de opera. Hij was onomkoopbaar voor de kosters, jachtknechten en danseressen; dit gaf hem populariteit bij den burgerstand. Hij had geen hofhouding. Hij ging uit met zijn parapluie onder den arm, en deze parapluie heeft lang tot zijn gloriekrans behoord. Hij was een weinig metselaar, een weinig tuinier en een weinig arts; hij deed een aderlating aan een postillon, die van het paard was gestort; hij ging evenmin uit zonder zijn lancet als Hendrik III zonder zijn dolk. De koningsgezinden bespotten dezen belachelijken koning, den eerste die bloed vergoot om te genezen.

In de grieven der geschiedenis tegen Lodewijk Filips moet onderscheid gemaakt worden; er is in beschuldiging van het koningschap, beschuldiging van de regeering en beschuldiging van den koning; drie kolommen, welke ieder een verschillende som geven. Op het democratische recht beslag gelegd, de vooruitgang een tweede belang geworden, de geweldige onderdrukking der straatprotesten, de militaire terechtstelling der opstanden, het oproer door de wapens bedwongen, de straat Transnonain, de zittingen van den krijgsraad, de overvleugeling van het wezenlijke land door het wettige land, het gouvernement in halve winst met driehonderd duizend bevoorrechten zijn de feiten van het koningschap; België geweigerd, Algerië te streng veroverd, en, evenals Indië door de Engelschen, met meer barbaarschheid dan beschaving; de trouwbreuk jegens Abdel-Kader, Blaye, de koop van het verraad tegen de hertogin van Berry; de aan Pritchard betaalde vergoeding zijn de feiten der regeering; een politiek, die meer de belangen der familie dan die der natie op ’t oog had, is een feit des konings.

Zooals men ziet, wordt na deze afscheiding de schuld des konings minder.

Zijn grootste misslag is deze: Hij was te bescheiden in naam van Frankrijk.

Vanwaar komt deze misslag?

Lodewijk Filips was als koning te veel vader; de opkweeking eener familie, waarvan men een dynastie wil maken, is voor alle omstandigheden beducht, moet door niets gehinderd worden. Vandaar die buitensporige beschroomdheid, welke voor het volk onaangenaam was, dat den 14 Juli in zijn burgerlijke overleveringen, en Austerlitz in zijn militaire overleveringen heeft.

Afgescheiden overigens van de openbare plichten, die het eerst moeten vervuld worden, was deze innige liefde van Lodewijk Filips voor zijn familie eene alleszins gewettigde. Deze huiselijke groep was bewonderenswaardig. De deugden gingen er aan talenten gepaard. Eene der dochters van Lodewijk Filips, Maria van Orleans, plaatste den naam van haar geslacht onder de kunstenaars, zooals Karel van Orleans dien onder de dichters had geplaatst. Zij had haar ziel in marmer gevormd, ’t geen zij Jeanne d’Arc noemde. Twee zonen van Lodewijk Filips hadden Metternich dezen demagogischen lof ontrukt: „’t Zijn jongelieden, zooals men ze zelden ziet, en prinsen, zooals men ze in ’t geheel niet ziet.”

Dit is, zonder iets te bewimpelen, maar ook zonder iets te verergeren, de waarheid nopens Lodewijk Filips.

’t Was in 1830 voor Lodewijk Filips het geluk dat hij prins Egalité was, dat hij in zich de tegenspraak der restauratie en der revolutie droeg, dat hij die verontrustende zijde van den revolutionnair had, die bij den regeerder geruststellend wordt. Nooit paste een mensch beter bij een gebeurtenis; de een ging in de andere over, en een nieuwe menschwording ontstond. Lodewijk Filips is de menschwording van 1830. Bovendien had hij in zijn voordeel deze groote aanbeveling voor den troon; de verbanning. Hij was balling, zwervend en arm geweest. Hij had van zijn arbeid geleefd. In Zwitserland had deze deelgenoot aan de rijkste vorstelijke domeinen van Frankrijk een oud paard verkocht, om in zijn onderhoud te voorzien. Te Reichenau had hij lessen in de wiskunde gegeven, terwijl zijn zuster Adelaïde borduurde en naaide. Deze herinneringen van een koning brachten den burgerstand in verrukking. Met eigen handen had hij het laatste ijzeren cachot van Mont-Saint-Michel afgebroken, dat door Lodewijk XI gebouwd, door Lodewijk XV gebezigd werd. Hij was de krijgsmakker van Dumouriez, de vriend van Lafayette; hij had tot de club der Jacobijnen behoord; Mirabeau had hem op den schouder geklopt; Danton had tot hem gezegd: jongeling! In 93, op vier-en-twintigjarigen leeftijd, had hij, als mijnheer de Chartres, in een donkere loge der conventie, het proces bijgewoond van Lodewijk XVI, zoo terecht „die arme tyran” genoemd. De blinde helderziendheid der revolutie, het koningschap in den koning en den koning met het koningschap verbrekende, zonder bijna in de woeste verplettering der idée den mensch op te merken; de ontzaggelijke storm der vergadering als gerechtshof, de openbare toorn die ondervraagt, Capet die niet weet te antwoorden; de schrikbarende verstomde waggeling van dit koninklijke hoofd onder dien noodlottigen storm; de betrekkelijke onschuld van allen in dit schriktooneel, zoowel van hen die veroordeelden als van hem die veroordeeld werd – dit alles had hij gezien, hij had aller verbijstering aanschouwd; hij had de eeuwen voor de balie der conventie zien verschijnen; achter Lodewijk XVI, dezen ongelukkigen verantwoordelijken voorbijganger, had hij in de duisternis de vreeselijke beschuldigde, de monarchie, zien verrijzen; en in zijn ziel was de eerbiedige ontzetting voor de ontzaggelijke gerechtigheid des volks, schier even onpersoonlijk als die van God achtergebleven.

Het spoor dat de revolutie in hem had achtergelaten was wonderbaar. Zijn herinnering was als een levend indruksel van deze groote jaren, minuut voor minuut. Op zekeren dag verbeterde hij, in tegenwoordigheid van een getuige, aan wien wij onmogelijk kunnen twijfelen, uit zijn geheugen de geheele letter A der alphabetische lijst van de Constitueerende Vergadering.

Lodewijk Filips was een koning in den vollen dag. Toen hij regeerde was de pers vrij, het spreekgestoelte vrij, waren het geweten en het woord vrij. De September-wetten spreken luide. Hoewel hij de nadeelige kracht van het licht op de privilegiën kende, liet hij toch zijn troon aan het licht blootgesteld. De geschiedenis zal hem deze grootmoedigheid toerekenen.

Thans is Lodewijk Filips, zooals alle historische mannen, die van het tooneel zijn getreden, voor de balie van het menschelijk geweten gevoerd. Zijn proces is nog slechts ter eerste instantie.

Het uur, dat de geschiedenis met haar eerwaardige en vrije stem spreekt, heeft voor hem nog niet geslagen, het oogenblik is nog niet gekomen om over dien koning het eindvonnis uit te spreken: zelfs de strenge en beroemde geschiedschrijver Louis Blanc heeft onlangs zijn eerste vonnis verzacht; Lodewijk Filips werd gekozen door deze twee, die men 221 en 1830 noemt, namelijk door een half parlement en een halve revolutie; in allen geval, en uit het verheven gezichtspunt, waarop de wijsbegeerte zich moet plaatsen, zouden wij hem hier niet kunnen beoordeelen, zooals men hierboven heeft kunnen opmerken, dan met zekere voorbehoudingen, in naam van het volstrekt democratisch beginsel; voor het oog van het volstrekte, buiten deze twee rechten: vooreerst de rechten van den mensch, en ten tweede het recht des volks, is alles overweldiging; wat wij evenwel reeds nu, behoudens deze voorbehoudingen, kunnen zeggen, is, dat over ’t geheel en op welke wijze men hem beschouwe, Lodewijk Filips, op zich zelven genomen en uit het oogpunt van menschelijke goedheid, om ons van de uitdrukking der oude geschiedenis te bedienen, een der beste vorsten zal blijven, die op eenigen troon gezeteld hebben.

Wat heeft hij tegen zich? Die troon. Neem het koningschap van Lodewijk Filips af. De mensch blijft. De mensch is goed; dikwijls goed tot bewonderens toe. Menigmaal kwam hij des avonds, te midden der drukkendste zorgen, na een dag van strijd tegen de diplomatie van geheel Europa, in zijn kamer, en wat deed hij daar, uitgeput van vermoeidheid, en worstelend tegen den slaap? Hij nam een bundel processtukken, en bracht den nacht door met de nalezing van een crimineel rechtsgeding, meenende dat het iets beteekende Europa het hoofd te bieden, maar dat het een gewichtiger zaak was, den beul een mensch te ontrukken. Volhardend bestreed hij zijn zegelbewaarders; voet voor voet betwistte hij den procureurs-generaal, deze „babbelaars der wet” zooals hij ze noemde, het terrein der guillotine. Soms bedekten stapels processtukken zijn tafel; hij onderzocht ze alle; ’t was hem onmogelijk deze rampzalige veroordeelde hoofden op te geven. Op zekeren dag zeide hij tot denzelfden getuige, van wien wij aanstonds spraken: „Dezen nacht heb ik er zeven gewonnen.” In de eerste jaren zijner regeering werd de doodstraf zoogoed als afgeschaft, en het weder opgerichte schavot was een dwang den koning gedaan. De gerechtsplaats La Gréve was met den ouderen tak der Bourbons verdwenen; er werd een burgerlijke gerechtsplaats ingesteld onder den naam van barrière St. Jacgues; de „practische mannen” gevoelden behoefte aan een zoogenaamde wettige guillotine; dit was een der overwinningen van Casimir Périer, – die de bekrompen zijden van den burgerstand vertegenwoordigde – op Lodewijk Filips, die er de liberale zijden van vertegenwoordigde. Lodewijk Filips had eigenhandig noten op Beccaria’s werk geschreven. Na het helsche werktuig van Fieschi, riep hij uit: „Hoe jammer dat ik niet gekwetst ben! Ik had dan gratie kunnen verleenen!” Toen hij een andermaal op den tegenstand zijner ministers zinspeelde, schreef hij bij gelegenheid van een staatkundig veroordeelde – een der edelste figuren van onzen tijd: „zijn genade is verleend; er blijft mij slechts over ze te verwerven.” Lodewijk Filips was zachtmoedig als Lodewijk IX, en goed als Hendrik IV.

En voor ons heeft in de geschiedenis, waar goedheid een zoo zeldzame parel is, de goedheid schier den voorrang boven de grootheid.

Daar Lodewijk Filips streng door de eenen, misschien hard door de anderen is beoordeeld, is het zeer natuurlijk, dat een man, thans zelf een schim, die dezen koning gekend heeft, voor hem tegenover de geschiedenis kome getuigen; deze getuigenis, hoe zij zijn moge, is blijkbaar en bovenal onbaatzuchtig; een grafschrift door een doode geschreven is oprecht; een schim mag een andere schim troosten; het deelgenootschap aan dezelfde duisternis geeft het recht tot lofspraak; en ’t is weinig te vreezen, dat men ooit van twee graftomben in ballingschap zal zeggen: Deze heeft den ander gevleid.




Vierde hoofdstuk

Scheuren in de fundamenten


Op het oogenblik dat het drama, ’t welk wij verhalen, in de diepte van een der treurige wolken zal dringen, welke het begin der regeering van Lodewijk Filips bedekken, mocht er geen dubbelzinnigheid bestaan, en ’t was noodzakelijk, dat dit boek zich nopens dien koning uitsprak.

Lodewijk Filips was zonder gewelddadigheid tot het koninklijk gezag gekomen, zonder rechtstreeksche handeling zijnerzijds, door het feit eener revolutionnaire omkeering, waaraan de hertog van Orleans geen persoonlijk deel had genomen. Hij was prins geboren en meende een gekozen koning te zijn. Hij had zich zelf dit mandaat niet gegeven, het ook niet genomen; men had het hem aangeboden, en hij had het aanvaard; overtuigd, onzes inziens ten onrechte, dat deze aanbieding rechtmatig, en hij tot de aanneming verplicht was. Vandaar een bezit te goeder trouw. Nu, wij zeggen met volle overtuiging, dat Lodewijk Filips in het bezit te goeder trouw was, en dat de democratie, in zijn aanval te goeder trouw zijnde, de verschrikking, die uit de maatschappelijke worstelingen ontstaat, noch den koning noch de democratie beschuldigt. De schok der beginselen gelijkt den schok der elementen. De oceaan verdedigt het water, de orkaan verdedigt de lucht; de koning verdedigt het koningschap, de democratie verdedigt het volk; het betrekkelijke, namelijk de monarchie, biedt wederstand aan het absolute, namelijk de republiek; de maatschappij bloedt onder dit conflict, maar wat thans haar lijden is, zal later haar heil zijn; in allen gevalle zijn zij die strijden niet te laken; een van beide partijen bedriegt zich ontwijfelbaar; het recht staat niet als de colossus van Rhodes tegelijk op twee oevers, met den eenen voet in de republiek, met den anderen in het koningschap; het is ondeelbaar en geheel aan één zijde; maar zij die zich bedriegen, bedriegen zich te goeder trouw; een blinde is evenmin een misdadiger als een Vendeër een bandiet. Schrijven wij alzoo slechts aan het noodlot deze vreeselijke botsingen toe. Wat deze stormen zijn mogen, de menschelijke verantwoordelijkheid heeft er geen deel aan.

Voltooien wij dit overzicht.

De regeering van 1830 had reeds dadelijk een moeielijk bestaan. Gisteren geboren, moest zij reeds heden strijden.

Nauwelijks ingesteld, voelde zij reeds overal flauwe rukken aan het Juli-getimmerte, dat zoo versch gebouwd, nog zoo weinig hecht was.

De tegenstand ontstond den volgenden dag; misschien was hij reeds den vorigen dag ontstaan.

Van maand tot maand breidde zich de vijandigheid uit en werd meer en meer openlijk.

De Juli-revolutie, die, zooals wij gezegd hebben, buiten Frankrijk noode door de koningen ontvangen werd, was in Frankrijk op verschillende wijze opgevat geworden.

God geeft aan de menschen Zijn zichtbaren wil in de gebeurtenissen te kennen; een duistere tekst in een geheimzinnige taal. Dadelijk maken de menschen daarvan vertalingen, overijlde, onjuiste vertalingen, vol fouten, leemten en tegenstrijdigheden. Zeer weinig geesten verstaan de goddelijke taal. De schranderste, de bedaardste, de diepzinnigste ontcijferen langzaam, en wanneer zij met hun tekst komen, is het werk sinds lang verricht; er zijn dan reeds meer dan twintig vertalingen aan de markt. Uit iedere vertaling ontstaat een partij en uit iedere tegenstrijdigheid een factie; iedere partij meent uitsluitend den waren tekst te hebben; iedere factie meent het licht te bezitten.

Soms is het gezag zelf een factie.

In revolutiën zijn zwemmers tegen den stroom, ’t zijn de oude partijen.

Aangezien de revolutiën uit het recht van den opstand ontstaan, zoo meenen de oude partijen, die zich aan de erfelijkheid door de gratie Gods houden, dat men tegen haar het recht van den opstand heeft. ’t Is een dwaling. Want in revolutiën is de opstandeling niet het volk, maar de koning. Revolutie is juist het tegenovergestelde van opstand. Iedere revolutie, een normale vervulling zijnde, bevat in zich haar wettigheid, die soms door valsche revolutionnairen onteerd wordt, doch die, hoewel bezoedeld, bestaan blijft, en hoewel zelfs bloedend blijft leven. Revolutiën ontstaan niet uit een toeval, maar uit de noodzakelijkheid. Een revolutie is een terugkeer uit het schijnbare tot het wezenlijke. Zij is, wijl zij zijn moet.

Desniettemin vielen de oude legitimistische partijen de revolutie van 1830 aan met al het geweld, dat uit valsche redeneering kan voortkomen. Dwalingen zijn uitmuntende kogels. Zij troffen haar behendig, waar zij kwetsbaar was, bij gemis van kuras, daar haar logica ontbrak; zij vielen deze revolutie in haar koningschap aan. Zij riepen haar toe: Revolutie, waarom deze koning? De factiën zijn blinden, die juist mikken.

Ook de republikeinen slaakten dezen kreet. Maar deze kreet, van hen komende, was logisch. Wat blindheid was bij de legitimisten, was helderziendheid bij de democraten. 1830 had bij het volk bankroet gemaakt. De verontwaardigde democratie verweet het haar.

De instelling van Juli worstelde tusschen den aanval van het verledene en den aanval der toekomst. Zij vertegenwoordigde het oogenblik, eenerzijds in strijd met de monarchale eeuwen, anderzijds met het eeuwige recht.

Buitendien was zij voor buiten geen revolutie meer, toen zij monarchie werd en 1830 was dus gedwongen Europa’s stappen te volgen. Den vrede te moeten behouden, dit vermeerderde de verwikkelingen. Een in twee verschillende richtingen verlangde harmonie is vaak schadelijker dan oorlog. Uit dezen doffen, steeds gebreidelden, maar steeds grommenden strijd ontstond de gewapende vrede, dit kostbaar hulpmiddel der bij zich zelve verdachte beschaving. Het Juli-koningschap steigerde, niettegenstaande het dit droeg, in het gareel der Europeesche kabinetten. Metternich had het gaarne bij de lange leidsels genomen. In Frankrijk door den vooruitgang gedreven, dreef het de achterblijvende monarchen in Europa. Op sleeptouw genomen, nam zij anderen op sleeptouw.

Binnenslands vermeerderden zich en hingen loodzwaar boven de maatschappij de quaestiën betreffende het pauperismus, het proletariaat, het werkloon, de opvoeding, het strafrecht, de prostitutie, het lot der vrouw, den rijkdom, de armoede, de voortbrenging, het verbruik, de verdeeling, den ruilhandel, het muntwezen, het crediet, het recht van ’t kapitaal, het recht van den arbeid enz.

Buiten de eigenlijk gezegde politieke partijen, ontstond een andere beweging. Aan de democratische gisting paarde zich de philosophische. De keur der bevolking gevoelde zich evenzeer gestoord als de menigte; wel in een anderen zin, maar niet minder.

De denkers peinsden, terwijl de grond, namelijk het volk, door revolutionnaire stroomingen doorweekt, onder hen beefde met ik weet niet welke stuipachtige schokken. Deze denkers, eenigen afzonderlijk, anderen in gezinnen en schier in gemeenten vereenigd, peilden vreedzaam maar diep de maatschappelijke vraagstukken. Zij waren kalme mijnwerkers, die rustig hun loopgraven in de diepten van een vulkaan voortzetten, nauwelijks gehinderd door doffe schokken en den reeds eenigszins zichtbaren vuurgloed.

Deze rust was niet het minst schoone schouwspel van dezen bewogen tijd.

Deze mannen lieten aan de politieke partijen de quaestie der rechten over, zij hielden zich alleen met die des geluks bezig.

Wat zij uit de maatschappij wilden trekken, was het welzijn van den mensch.

Zij verhieven de stoffelijke, de industriëele, de handels-, de landbouwquaestiën schier tot de waardigheid van eenen godsdienst. In de beschaving, zooals zij een weinig door God, en heel veel door den mensch gevormd is, vereenigen, vermengen en hechten zich de belangen zoodanig aaneen, dat zij een wezenlijke harde rots vormen, die naar dynamische wetten geduldig door de staathuishoudkundigen, deze geologen der staatkunde, bestudeerd worden.

Deze mannen, die zich onder verschillende benamingen groepeerden, maar allen door den algemeenen naam van Socialisten kunnen worden aangeduid, poogden deze rots te doorboren en er de levende wateren van het menschelijk geluk uit te doen ontspringen.

Van de quaestie van het schavot tot die des oorlogs omvatten hun werkzaamheden alles. Bij het recht van den man, door de Fransche revolutie verkondigd, voegden zij het recht der vrouw en het recht van het kind.

Men verwondere zich niet, dat wij, om verschillende redenen, hier niet grondig uit het theoretisch oogpunt de quaestiën behandelen, die door het Socialismus zijn opgeworpen.

Al de problemen, welke de Socialisten zich voorstelden op te lossen, de cosmogenische visioenen, de droomerijen en het mysticismus uitgezonderd, kunnen tot twee hoofdproblemen gebracht worden.

Eerste probleem:

Voortbrenging van rijkdom.

Tweede probleem:

Dien te verdeelen.

Het eerste probleem bevat de quaestie van den arbeid.

Het tweede bevat de quaestie van het werkloon.

Bij het eerste probleem betreft het de aanwending der krachten.

Bij het tweede de verdeeling der genietingen.

Door de goede aanwending der krachten ontstaat de openbare macht.

Door de goede verdeeling der genietingen ontstaat het individueel geluk.

Door goede verdeeling moet niet verstaan worden een gelijke verdeeling, maar eene billijke verdeeling. De eerste gelijkheid is de billijkheid.

Uit de vereeniging dezer beide zaken, de openbare macht naar buiten, het individueel geluk naar binnen, ontstaat de maatschappelijke welvaart.

Maatschappelijke welvaart beteekent de gelukkige mensch, de vrije burger, de groote natie.

Engeland lost het eerste dezer beide problemen op. Het schept op bewonderenswaardige wijze den rijkdom, doch het verdeelt hem slecht. Deze, slechts éénzijdige oplossing, voert noodlottiger wijs tot deze twee uitersten: Overmatige weelde, ontzettende armoede. Voor enkelen al de genietingen, voor de anderen, namelijk voor het volk, alle ontberingen; want het voorrecht, de uitzondering, het monopolie, de feodaliteit ontstaan uit den arbeid zelven. Een valsche, gevaarlijke toestand, die de openbare macht op de privaatarmoede bouwt en de grootheid van den staat in het lijden van het individu doet wortelen. Een slecht samengestelde grootheid, waarin zich alle stoffelijke elementen mengen, maar waarin geen enkel zedelijk element komt.Het communisme en de Agrarische wet meenen het tweede probleem te kunnen oplossen. Zij bedriegen zich. Hun verdeeling doodt de voortbrenging. De gelijke verdeeling vernietigt den naijver. Bijgevolg den arbeid. ’t Is een verdeeling zooals de slachter verricht, die doodt wat hij verdeelt. ’t Is alzoo onmogelijk, zich met deze vermeende oplossingen tevreden te stellen. Door den rijkdom te dooden, verdeelt men hem niet.Om goed te worden opgelost moeten de beide problemen te zamen worden opgelost. De beide oplossingen moeten vereenigd worden en slechts één vormen.Zoo men slechts het eerste van beide problemen oplost, is men Venetië of Engeland. Als Venetië zal men een kunstmatige macht hebben, of als Engeland een stoffelijke macht; men zal de slechte rijke zijn. Men sterft door geweld, zooals Venetië, of door een bankroet, zooals Engeland zal vallen. En de wereld zal u laten sterven en vallen, wijl de wereld alles laat sterven en vallen wat enkel zelfzucht is, al wat niet voor het menschelijk geslacht een deugd of een idée vertegenwoordigt.’t Spreekt vanzelf, dat wij hier door de woorden Venetië en Engeland op geen volken, maar op maatschappelijke instellingen wijzen; de oligarchieën over de natiën en niet de natiën zelven. De natiën bezitten steeds onze achting en sympathie. Als volk zal Venetië herboren worden; als aristocratie zal Engeland vallen; maar als natie is het onsterfelijk. Nu gaan wij verder.

Het communisme en de Agrarische wet meenen het tweede probleem te kunnen oplossen. Zij bedriegen zich. Hun verdeeling doodt de voortbrenging. De gelijke verdeeling vernietigt den naijver. Bijgevolg den arbeid. ’t Is een verdeeling zooals de slachter verricht, die doodt wat hij verdeelt. ’t Is alzoo onmogelijk, zich met deze vermeende oplossingen tevreden te stellen. Door den rijkdom te dooden, verdeelt men hem niet.

Om goed te worden opgelost moeten de beide problemen te zamen worden opgelost. De beide oplossingen moeten vereenigd worden en slechts één vormen.

Zoo men slechts het eerste van beide problemen oplost, is men Venetië of Engeland. Als Venetië zal men een kunstmatige macht hebben, of als Engeland een stoffelijke macht; men zal de slechte rijke zijn. Men sterft door geweld, zooals Venetië, of door een bankroet, zooals Engeland zal vallen. En de wereld zal u laten sterven en vallen, wijl de wereld alles laat sterven en vallen wat enkel zelfzucht is, al wat niet voor het menschelijk geslacht een deugd of een idée vertegenwoordigt.

’t Spreekt vanzelf, dat wij hier door de woorden Venetië en Engeland op geen volken, maar op maatschappelijke instellingen wijzen; de oligarchieën over de natiën en niet de natiën zelven. De natiën bezitten steeds onze achting en sympathie. Als volk zal Venetië herboren worden; als aristocratie zal Engeland vallen; maar als natie is het onsterfelijk. Nu gaan wij verder.

Los beide problemen op, moedig den rijke aan, bescherm den arme, vernietig de armoede, maak een einde aan de onrechtvaardige exploitatie van den zwakke door den sterkere, breidel de onbillijke ijverzucht van hem die op weg is, tegen hem die reeds is aangekomen; breng het loon wiskunstig en broederlijk in verhouding met den arbeid; verbind het kosteloos en verplichtend onderwijs met den wasdom van het kind en maak van de wetenschap den grondslag der manbaarheid; men ontwikkele het verstand, terwijl men de handen bezighoudt; men zij tevens een machtig volk en een gezin van gelukkige menschen; men democratizeere den eigendom niet door hem af te schaffen, maar door hem algemeen te maken, opdat ieder burger zonder uitzondering bezitter zij – wat gemakkelijker is dan men meent – met twee woorden; men wete den rijkdom voort te brengen en dien te verdeelen, en hierdoor zal men tevens de stoffelijke en de zedelijke grootheid hebben; – en ge zult waardig zijn Frankrijk te heeten.

Dat was, behalve eenige secten die op een dwaalspoor waren, hetgeen het socialisme zeide, wat het in de feiten zocht, wat het in de geesten prentte.

Bewonderenswaardig pogen! heilig streven!

Deze leerstelsels, deze theorieën, deze wederstand, de onverwachte noodzakelijkheid voor den staatsman om met den philosoof in rekening te treden; de schepping, uit verwarde en onduidelijk erkende waarheden, van een nieuwe politiek, niet te veel in tweestrijd met het revolutionnaire ideaal, een toestand waarin men Lafayette moest gebruiken om Polignac te verdedigen; de overtuiging van den vooruitgang onder den opstand, de kamers en de straat; het in evenwicht houden der naijverigen in hun omgeving; zijn geloof in de revolutie; een eventueele onderwerping bij de onduidelijke aanneming van een bepaald oppergezag; zijn wil om aan zijn geslacht trouw te blijven; zijn familiezucht; zijn oprechte eerbied voor het volk, zijn eigene eerlijkheid, dit alles hield Lodewijk Filips op smartelijke wijze bezig, en bij wijlen, hoe sterk en moedig hij was, bezwaarde en bemoeielijkte het hem zoo, dat hij schier onder zijn koningschap bezweek.

Hij voelde onder zijn voeten een vreeselijke woeling, die eigenlijk nog geen instorting was, want Frankrijk was krachtiger dan ooit.

Donkere wolken stapelden zich aan den horizont opeen. Een zonderlinge duisternis, die nader en nader kwam, spreidde zich allengs over de menschen, over de dingen, over de ideeën; een duisternis die uit den toorn en de stelsels ontstond. Al wat in overhaasting gesmoord was, bewoog zich en geraakte in gisting. Soms hield het geweten van den eerlijke den adem in, zoo ongezond was de lucht, waarin zich de sophismen met de waarheden mengden. De gemoederen beefden in dien maatschappelijken angst, als de bladeren bij de nadering van den storm. De electrieke spanning was zoodanig, dat in zekere oogenblikken, de eerste de beste, een onbekend licht gaf. Dan weder daalde de schemering en duisternis. Bij tusschenpoozen kon men, naar het diep en dof gerommel, de hoeveelheid bliksem berekenen die in de wolken was.

Nauwelijks waren twintig maanden sedert de Juli-omwenteling verstreken, of het jaar 1832 had zich met een dreigend aanzien geopend. De nood van het volk, de broodelooze werklieden, de laatste prins van Condé in de duisternis verdwenen; Brussel, dat de Nassaus verdreef gelijk Parijs de Bourbons; België, dat zich aan een Fransch prins aanbood, en aan een Engelsch prins gegeven werd; de Russische haat van Nikolaas; achter ons twee zuidelijke demons, Ferdinand in Spanje, Miguel in Portugal; de bevende bodem van Italië; Metternich, die de hand naar Bologna uitsteekt; Frankrijk, dat Oostenrijk te Ancona trotseert: in het noorden een akelig gerucht van hamerslagen, die Polen weder in zijn doodkist spijkeren; in geheel Europa vergramde oogen, die op Frankrijk loeren; Engeland, een verdacht bondgenoot, gereed om omver te stooten, wat mocht hellen, en zich te werpen op hetgeen vallen zou; het pairschap, dat zich achter Beccaria verschanst, om aan de wet vier hoofden te weigeren: de leliën van het rijtuig des konings geschrapt; het kruis van Notre Dame gerukt; Lafayette klein geworden; Laffitte geruïneerd; Benjamin Constant arm gestorven; Casimir Périer in de uitputting der macht overleden; de politieke en de maatschappelijke krankheid, die zich tegelijkertijd in de twee hoofdsteden van het rijk openbaren, in de stad der gedachte, en in de stad van den arbeid; te Parijs de burgeroorlog; te Lyon de oorlog der werklieden; in beide steden dezelfde vuurgloed; het purper eens kraters op het voorhoofd des volks: het zuiden gefanatiseerd; het westen in beroering; de hertogin van Berry in de Vendée; complotten, samenzweringen, opstanden, de cholera voegden bij het somber rumoer der denkbeelden het somber gewoel der gebeurtenissen.




Vijfde hoofdstuk

Feiten waaruit de geschiedenis voortkomt, maar welke de geschiedenis niet kent


Tegen het einde van April was alles verergerd. De gisting werd koking. Sedert 1830 waren hier en daar kleine, afzonderlijke opstanden ontstaan, die, spoedig onderdrukt, weder te voorschijn kwamen, een teeken van een ver uitgebreiden onderaardschen brand. Er broeide iets vreeselijks. Men zag, hoewel nog onduidelijk, de flauwe omtrekken eener mogelijke revolutie. Frankrijk zag naar Parijs; Parijs zag naar de voorstad St. Antoine.

De voorstad St. Antoine, heimelijk gestookt, begon te koken.

De kroegen in de straat Charonne waren, hoewel de verbinding dezer beide uitdrukkingen moeielijk op kroegen toepasselijk schijnt, ernstig en onstuimig.

Er werd niets minder dan het voortbestaan van het gouvernement besproken. Men discuteerde openlijk over „de vraag of men vechten zou of rustig blijven.” Er waren kamers achter de winkels, waar men de werklieden deed zweren, dat zij bij den eersten alarmkreet op de straat zouden zijn en „vechten zonder den vijand te tellen.” Zoodra deze verbintenis was aangegaan, zeide iemand, in een hoek der herberg gezeten, met heldere stem: „Gij hoort het! gij hebt het gezworen!” Soms ging men naar boven, in een gesloten kamer, en daar hadden schier vrijmetselaars-tooneelen plaats. Men liet den ingewijde zweren „om hem dienst te doen, alsmede aan de huisvaders.” Zoo luidde de formule.

Beneden in de gelagkamers las men oproerige brochures. „Zij sloegen het gouvernement met geweerkolven,” zegt een geheim rapport uit dien tijd.

Men hoorde er woorden als deze: „Ik ken de namen der aanvoerders niet. Wij zullen slechts twee uren te voren den dag kennen.” – Een arbeider zeide: „Wij zijn driehonderd, geven wij ieder tien sous, dan hebben wij honderdvijftig francs om kogels en kruit te maken.” – Een ander zeide: „Ik eisch geen zes maanden, geen twee maanden. Met vijf-en-twintig-duizend man kan men er zich tegenover stellen.” – Een ander zeide: – „Ik ga niet te bed, want ik maak ’s nachts patronen.” – Nu en dan kwamen mannen fraai en „als heeren” gekleed, „maakten bedenkingen” schenen te bevelen, gaven aan de „aanzienlijksten” de hand en gingen weder heen. Zij bleven nooit langer dan tien minuten. Men fluisterde elkander veelbeteekenende woorden toe: „Het complot is rijp; de maat is vol.” Allen die er waren „gonsden dat na” om de uitdrukking van een der aanwezenden te gebruiken. De opgewondenheid was zoodanig, dat een werkman eens in een volle herberg riep: „Wij hebben geen wapens!” – Een zijner makkers antwoordde: „De soldaten hebben er!” aldus, zonder er aan te denken, Bonapartes proclamatie aan het leger van Italië parodieerende. „Hadden zij iets geheimers,” zegt een rapport, „dan deelden zij het elkander niet mede.” Men begrijpt niet wat zij nog te verbergen hadden, na gezegd te hebben wat zij zeiden.

Deze vergaderingen waren soms geregeld. In sommige waren niet meer dan acht of tien personen te zamen en steeds dezelfde. In andere mocht komen wie wilde, en de kamer was zoo vol dat men staan moest. Eenigen gingen daarheen uit geestdrift en hartstocht; anderen, wijl „’t hun weg was om naar den arbeid te gaan.” Evenals tijdens de revolutie waren in die herbergen patriottische vrouwen, die de nieuw aankomenden omhelsden.

Andere veelbeteekenende feiten traden te voorschijn.

Iemand kwam in een herberg, dronk, ging heen en zeide: „kastelein, wat ik schuldig ben zal de revolutie betalen.”

Bij een herbergier tegenover de straat de Charonne benoemde men revolutionnaire agenten. De stembriefjes werden in petten verzameld.

Werklieden kwamen bij een schermmeester te zamen, die in de straat de Cotte assauts gaf. Er was een wapentrofee samengesteld, uit houten sabels, wandelstokken, knuppels en fleuretten. Op zekeren dag brak men de knoppen van de fleuretten. Een arbeider zeide: „Wij zijn vijf-en-twintig man, maar men rekent mij niet mede, wijl men mij als een machine beschouwt.” – Deze machine was later Quénisset.

De dingen, die werden voorbereid, verkregen allengs op zonderlinge wijze een algemeene bekendheid. Een vrouw, die haar stoep veegde, zeide tot een andere vrouw: „Sinds lang is men druk bezig met patronen te maken.” – Op de straat las men proclamatiën gericht aan de nationale garden der departementen. Een dier proclamatiën was onderteekend: „Burtot, wijnkooper.”

Voor de deur van een likeurstoker op de markt Lenoir klom op zekeren dag een man met een ringbaard en met Italiaanschen tongval op een straatpaal, en las met luide stem een zonderling geschrift, dat van een onzichtbare macht afkomstig scheen. Groepen hadden zich om hem geschaard en juichten hem toe. De zinsneden, welke op de menigte den meesten indruk maakten, werden bewaard en opgeschreven. – ”…Onze leer wordt belemmerd, onze proclamatiën worden verscheurd, onze aanplakkers worden bespied en in de gevangenis geworpen.” – „De daling, die in de katoen heeft plaats gehad, heeft verscheidenen van het justemilieu tot ons bekeerd.” – De toekomst der volken wordt in onze nederige rangen bewerkt.” – ”… ’t Is bepaald: Actie of reactie, revolutie of tegenrevolutie. Want in onzen tijd gelooft men niet meer aan werkeloosheid, noch aan bewegingloosheid. Voor het volk of tegen het volk, dat is de vraag; er is geen andere weg!” – „Breekt ons, zoodra gij ons niet meer geschikt acht, maar helpt ons tot zoolang voorwaarts gaan.”

Dit alles gebeurde op klaar lichten dag.

Andere, nog vermeteler feiten waren juist om hun vermetelheid bij het volk verdacht. Den 4 April 1832 klom een voorbijganger op den straatpaal aan den hoek der straat St. Marguérite en riep: „Ik behoor tot Babeuf!” Maar onder Babeuf vermoedde het volk den politieprefekt Gisquet.

Onder andere zei deze voorbijganger:

„Weg met den eigendom! De oppositie der linkerzijde is lafhartig en verraderlijk. Wanneer zij gelijk wil hebben, predikt zij de revolutie. Zij is democratisch om niet geslagen te worden, en koningsgezind om niet te vechten. De republikeinen zijn pluimdieren. Mistrouwt de republikeinen, burger-werklieden!”

„Zwijg, burger-verklikker!” riep een werkman.

Deze kreet maakte een einde aan de redevoering.

Geheimzinnige voorvallen hadden plaats.

Tegen den avond ontmoette een arbeider bij het kanaal „een goed gekleed man,” die hem zeide: „Waarheen, burger?” – „Ik heb de eer niet u te kennen, mijnheer,” antwoordde de werkman. „Maar ik ken u.” En de man voegde er bij: – „Vrees niet, ik ben de agent van het comité. Men verdenkt u van niet trouw te zijn. Gij weet, dat zoo ge iets openbaardet, men u in ’t oog houdt.” – Toen drukte hij den werkman de hand en zeide heengaande: „Spoedig zien wij elkander weder.”

De spioneerende politie ving niet alleen in de herbergen, maar ook op de straat de zonderlingste gesprekken op: – „Laat u spoedig aannemen,” zei een wever tot een schrijnwerker.

„Waarom?”

„Er zal geschoten moeten worden.”

Twee havelooze kerels wisselden met elkander deze merkwaardige woorden, die veel van „Jacquerie” hadden:

„Wie regeert ons?”

„Mijnheer Filips.”

„Neen, ’t is de burgerstand.”

Men geloove niet, dat wij het woord Jacquerie in een slechten zin gebruiken. De „Jacques” waren de armen. De hongerigen hebben altijd recht.

Een andermaal hoorde men twee voorbijgangers tot elkander zeggen: „Wij hebben een zeer goed plan van aanval.”

Van een vertrouwelijk gesprek tusschen vier mannen, die in een groeve bij de barrière du Trone bijeengekropen zaten, verstond men slechts het volgende:

„Men zal al het mogelijke doen, opdat hij niet meer in Parijs wandele.”

Wie, hij? ’t Was een duistere bedreiging.

„De hoofdaanvoerders,” zooals men in de voorstad zeide, hielden zich ter zijde. Men geloofde, dat zij in een herberg bij St. Eustache te zamen kwamen om te raadplegen. Een zekere Aug… chef van het hulpgenootschap der kleermakers in de straat Mondetour, werd gehouden voor onderhandelaar tusschen de aanvoerders en de voorstad St. Antoine. Niettemin heerschte steeds veel duisternis omtrent deze aanvoerders, en niets kan de zonderlinge fierheid van dit antwoord verzwakken, ’t welk later door een beschuldigde voor het hof der pairs gegeven werd:

„Wie was uw chef?”

„Ik kende er geen en wilde er geen erkennen.”

Meestal waren ’t nog doorschijnende, bewimpelde, maar losse woorden; soms slechts geruchten. Maar daarbij kwamen andere kenteekenen.

Een timmerman, in de straat Rueilly bezig met het spijkeren van planken voor een schutting van een huis dat in aanbouw was, vond op het terrein een gedeelte van een verscheurden brief, waarop deze regels nog leesbaar waren:

„… Het comité moet maatregelen nemen ten einde de recruteering voor de verschillende genootschappen in de sectiën te beletten…”

En als postcriptum:

„Wij hebben vernomen, dat in de straat Faubourg Poissonnière No. 5 (bis) op de binnenplaats van dat huis bij een geweermaker vijf of zes duizend geweren zijn. De sectie bezit geen wapens.”

Wat den timmerman ontstelde en hem bewoog het papier aan zijn buren te toonen was, wijl hij eenige schreden verder er nog een opraapte, dat ook gescheurd en van meer beteekenis was, en waarvan wij uit hoofde van het historisch belang, het model hier mededeelen:








De personen, die van dien vond wisten, vernamen eerst later, wat deze vier hoofdletters beteekenden, namelijk: quinturions, centurions, dicurions, éclaireurs; en de letters u og a′ fe: den 15 April 1832. Onder iedere hoofdletter stonden namen met zeer karakteristieke aanwijzingen, als deze: Q. Bannorel, 8 geweren, 83 patronen. Een vertrouwd man. – C. Boubière, 1 pistool, 40 patronen. – E. Teissier, 1 sabel, 1 patroontasch, enz.

Eindelijk vond deze timmerman, altijd op hetzelfde erf een derde papier, waarop zeer leesbaar met potlood deze raadselachtige lijst stond geschreven:

Eenheid, Blanchard: arbre-sec. 6.

Barra. Soize. Salie au Comte.

Kosciusko. Aubrey le boucher?

J. J. R.

Caïus Graccheus.

Recht van herziening. Dufond. Four.

Val der Girondisten. Derbac. Maubueé.

Washington. Pinson. 1 pist. 86 patr.

Marseillaise.

Souver. Van het volk. Michel. Quincampoix. Sabel.

Hoche.

Marceau. Platon. Arbre-Sec.

Warschau. Tilly, uitroeper van den Populaire.

De brave burger, in wiens handen deze lijst was geweest, kende de beteekenis ervan. Het schijnt, dat ’t een naamlijst was der sectiën van het vierde arrondissement van ’t genootschap der rechten van den mensch, met de namen en woonplaatsen van de chefs dier sectiën. Thans, nu al deze in de duisternis gebleven feiten tot de historie behooren, mag men ze openbaren. Wij moeten er bijvoegen, dat de oprichting van het genootschap der Rechten van den mensch na den vond van dit papier schijnt te dagteekenen. Misschien was ’t slechts een proeve.

Na de geruchten, de gesprekken en de geschreven kenteekenen begonnen zich stoffelijke feiten te vertoonen.

Ten huize van een uitdrager werden in een ladetafel zeven vellen grijs papier, in vieren gevouwen, gevonden en in beslag genomen; deze vellen papier waren zes-en-twintig vierkante stukken van hetzelfde grijze papier voor patronen bestemd, en een kaart waarop te lezen stond:



„Salpeter, 12 ons.

Zwavel, 2 ons.

Houtskool, 2½ ons.

Water, 2 ons.”


Het procesverbaal der inbeslagneming vermeldde, dat de ladetafel sterk naar buskruit rook.

Een metselaar, van zijn werk naar huis keerende, vergat op een bank bij de brug van Austerlitz een pakje. Dat pakje werd naar den wachtpost gebracht. Men opende het en vond er twee gedrukte samenspraken in, onderteekend: Lahautière, en een liedje getiteld: Ouvriers, associez-vous (werklieden, vereenigt u), en een blikken doos vol patronen.

Een werkman, die met een zijner kameraads dronk, liet dezen voelen hoe warm hij was; de andere voelde een pistool onder zijn buis.

In een grebbe op den boulevard, tusschen Père Lachaise en de barrière du Trône, vonden kinderen, die op een eenzame plek speelden, onder een hoop spaanders en afval, een zak, waarin een kogelvorm, een houten hamer om patronen te maken, een bakje waarin eenig jachtkruit en een ijzeren potje, dat sporen bevatte van gesmolten lood.

Politieagenten, die onverhoeds te vijf uren ’s ochtends het huis van een zekeren Pardon binnendrongen, die later lid der sectie van de barricade Merry was, en in den opstand van April 1834 sneuvelde, vonden hem bij zijn bed bezig met patronen maken.

Omstreeks het schoftuur der werklieden, werden twee mannen gezien, die elkander, tusschen de barrière Picpus en de barrière Charenton op een smal pad tusschen twee muren bij een herberg ontmoetten. De een nam van onder zijn kiel een pistool, dat hij den ander gaf. Hij bespeurde, dat het kruit door het zweet van zijn borst eenigszins vochtig was geworden. Hij opende de pan van het pistool en voegde er nieuw kruit bij. Daarop scheidden beide mannen.

Een zekere Gallais, later in de gevechten van April in de straat Beaubourg gedood, roemde er op, dat hij in zijn huis zevenhonderd patronen en vier-en-twintig vuursteenen had.

Op zekeren dag ontving de regeering het bericht, dat in de voorstad wapens en tweehonderd duizend patronen waren uitgedeeld. In de volgende week werden dertig duizend patronen uitgedeeld. ’t Is opmerkelijk, dat de politie er geen enkele van kon vatten. In een onderschepten brief stond: „De dag is niet ver, dat in vier uren tachtig duizend patriotten onder de wapens zullen zijn.”

Deze geheele gisting was openbaar, men zou kunnen zeggen rustig. De dreigende opstand maakte tegenover het gouvernement met kalmte zijn storm gereed. Niets zonderlings ontbrak aan deze nog onderaardsche maar reeds zichtbare crisis. De burgers spraken rustig met de werklieden over hetgeen werd voorbereid. Men vroeg: „Hoe gaat het met den opstand?” op denzelfden toon als men zou gevraagd hebben: „Hoe gaat het uw vrouw?”

Een meubelmaker in de straat Moreau vroeg: „Nu, wanneer begint de aanval?”

Een winkelier zeide:

„Ik weet, dat men spoedig zal aanvallen. Een maand geleden waart gij vijftien duizend man, nu zijt gij vijf-en-twintig duizend.” Hij bood zijn geweer, en een buurman een pistooltje aan, dat hij voor zeven francs wilde verkoopen.

Intusschen won de revolutionnaire koorts veld. Geen punt van Parijs noch van Frankrijk was er vrij van. Overal klopte de slagader. Evenals die vliezen, welke uit sommige ontstekingen ontstaan en zich in het menschelijk lichaam vormen, begon het net der geheime genootschappen zich over het land uit te breiden. Uit het genootschap der Vrienden van het volk, dat tevens openbaar en geheim was, ontstond het genootschap der Rechten van den mensch, dat een zijner dagorders aldus dagteekende: Pluviôse, an 40 de l’ère republicaine (regenmaand, het 40e jaar der republiek), dat zelfs de vonnissen der gerechtshoven overleefde, die zijn ontbinding uitspraken en niet aarzelde aan zijn sectiën de volgende veelbeteekenenden namen te geven:



Pieken.

Alarmklok.

Alarmkanon.

Phrygische muts.

21 Januari.

Geuzen.

Schooiers.

Voorwaarts.

Robespierre.

Waterpas.

Ça ira.


Het genootschap der Rechten van den mensch bracht het genootschap van de Daad voort. Het waren de ongeduldigen, die zich los maakten en vooruit ijlden. Andere genootschappen trachtten zich uit de groote moedervereenigingen te recruteeren.

De Parijsche genootschappen hadden hun vertakkingen in de voornaamste steden. Lyon, Nantes, Rijssel en Marseille hadden hun genootschap van de Rechten van den mensch, der vrije mannen enz.

Te Parijs was de voorstad Saint-Marceau niet minder onrustig dan de voorstad Saint-Antoine, en de scholen niet minder dan deze voorsteden. Een koffiehuis in de straat Saint-Hyacinthe en de estaminet der zeven biljarten in de straat Mathurins Saint-Jacques dienden den studenten tot vereenigingsplaatsen. Het genootschap der vrienden van het A. B. C., in verbinding met andere genootschappen, kwam, zooals men gezien heeft, in het koffiehuis Musain te zamen. Ook, zooals gezegd is, ontmoetten die jongelingen elkander in een restaurant bij de straat Montédour, dat Corinthe heette. Deze samenkomsten waren geheim. Andere waren zoo openbaar mogelijk, en hielden hun bijeenkomsten op de openbare straat.

Het leger was tegelijk met de bevolking ondermijnd, zooals later de bewegingen te Belfort, te Luneville en te Epinal bewezen. In Bourgondië en in de zuidelijke steden plantte men den vrijheidsboom. Namelijk een mast met een roode muts op den top.

Zoo was de toestand.

De voorstad Saint-Antoine was inzonderheid het brandpunt van den opstand.

Deze oude voorstad, als een mierennest bevolkt, ijverig, moedig en toornig als een bijenzwerm, trilde van verwachting en begeerte naar een schok. Alles was er beweging, zonder dat daarom de arbeid werd gestaakt. In deze voorstad is onder het dak der vlieringen hartverscheurende ellende verborgen; maar tevens vindt men er zeldzame schranderheid en vernuft. ’t Is vooral bij gebrek en schranderheid gevaarlijk, dat de uitersten elkander raken.

De voorstad Saint-Antoine is een vergaarbak van volk. De revolutionnaire schudding veroorzaakt er scheuren in, door welke de volkssouvereiniteit heen vloeit. Deze souvereiniteit kan kwaad doen; zij bedriegt zich gelijk ieder ander; maar zelfs in hare afdwalingen blijft zij groot.

In 93, al naar de zwevende idée goed of slecht was, al naar ’t een dag van fanatisme of van geestdrift was, trokken uit de voorstad Saint-Antoine woeste horden, of heldenmoedige legioenen.

Woeste. Verklaren wij dit woord. Wat wilden deze opgeruide menschen, die in de eerste scheppingsdagen van den revolutionnairen chaos, in lompen, brullend, wreed, met opgeheven knots, met gevelden piek tegen het oude, overhoop geworpen Parijs stormden? Zij wilden het einde der verdrukkingen, het einde der tyrannieën, het einde van het zwaard, arbeid voor den man, onderwijs voor het kind, een stil maatschappelijk leven voor de vrouw, de vrijheid, de gelijkheid, de broederschap, brood voor allen, de idée voor allen, de wereld tot een paradijs gemaakt, den vooruitgang; en deze heilige, edele, teedere zaak, den vooruitgang, tot het uiterste gedreven, en zonder er zelf in betrokken te zijn, eischten zij half naakt, met de knots in de vuist, brullend en schuimbekkend. ’t Waren wilden, ja; maar de wilden der beschaving.

Zij proclameerden met woede het recht; zij wilden, ware het ook door ontzetting en schrik, het menschelijk geslacht in het paradijs drijven. Zij geleken barbaren, en waren redders. Zij eischten licht, in het masker van den nacht.

Tegenover deze wreede en schrikkelijke mannen, wij bekennen het, maar wreed en schrikkelijk tot het goede, zijn andere mannen, glimlachende, geborduurde, vergulde, met linten omhangen, gesternde mannen, met zijden kousen, witte pluimen, gele handschoenen, gelakte laarzen, die, op een met fluweel bekleede tafel geleund voor een marmeren schoorsteen, zoetelijk aandringen op de handhaving en het behoud van het verledene, van de Middeleeuwen, van het goddelijk recht, van de dweepzucht, van de onwetendheid, van de slavernij, van de doodstraf, van den oorlog; die heel beleefd en met zachte stem de sabel, den brandstapel en het schavot verdedigen. Zoo wij gedwongen waren een keus te doen tusschen de barbaren der beschaving en de beschaafden der barbaarschheid, zouden wij de barbaren kiezen.

Maar de hemel zij dank, er is een andere keus mogelijk. Er is geen steile sprong noodig, zoomin naar voren als naar achteren. Noch despotisme, noch schrikbewind. Wij willen den vooruitgang langs een zachte helling.

God zorgt hiervoor. De geheele politiek van God is de verzachting der hellingen.




Zesde hoofdstuk

Enjolras en zijn luitenants


Omstreeks dien tijd hield Enjolras, in ’t vooruitzicht van een mogelijke gebeurtenis, een geheime monstering.

Allen waren in het koffiehuis Musain vereenigd.

Enjolras zeide, terwijl hij onder zijn woorden eenige half raadselachtige, maar veelbeteekenende beeldspraak mengde:

„’t Is noodzakelijk te weten, hoe ver men is en op wie men rekenen kan. Zoo men strijders wil, moet men ze maken; moet men wapens hebben. De voorbijgangers hebben altijd meer kans door hoornen te worden gestooten, als er ossen op den weg zijn, dan wanneer er geen zijn. Tellen wij dus eens de kudde. Hoe talrijk zijn wij? Dat werk mag niet tot morgen worden uitgesteld. Revolutionnairen moeten altijd haast hebben; de vooruitgang heeft geen tijd te verliezen. Hoeden wij ons voor het onverwachte. Wij mogen ons niet laten overrompelen. Al de naden, die wij gemaakt hebben, moeten onderzocht worden om te zien of zij houden. Deze zaak moet vandaag afgedaan worden. Gij, Courfeyrac, spreek met de polytechnici. ’t Is vandaag hun uitgaansdag; Woensdag. Gij, Feuilly, zult die der Glacière spreken, niet waar? Combeferre heeft mij beloofd naar Picpus te zullen gaan. Daar is een heerlijk gekrioel. Bahorel zal de Estrapade bezoeken. De metselaars verflauwen, Prouvaire; ge moet ons tijding brengen uit de loge van de straat Grenelle-Saint-Honoré. Joly zal naar de clinische school van Dupuytren gaan en haar den pols voelen. Bossuet zal even naar het paleis van justitie wandelen en met de jonge advocaten spreken. Ik belast mij, naar de Cougourde te gaan.”„Dus is alles geregeld,” zei Courfeyrac.„Neen.”„Wat is er nog?”„Iets zeer gewichtigs.”„Wat?” vroeg Combeferre.„De barrière du Maine,” antwoordde Enjolras.Enjolras bleef een oogenblik als in gedachten verdiept; toen hernam hij: „Aan de barrière du Maine zijn steenhouwers, schilders, werklieden der beeldhouwers-ateliers. Zij zijn vol geestdrift, maar aan een spoedige verkoeling onderhevig. Ik weet niet wat zij sinds eenigen tijd hebben. Zij denken aan iets anders. Zij verdooven, zij brengen hun tijd met het dominospelen door. ’t Is noodzakelijk, dat men hen ga spreken en opwekken. Zij vereenigen zich bij Richefeu. Men kan ze er tusschen twaalf en één ure ’s middags vinden. Die asch moet aangeblazen worden. Ik had hiervoor op dien verstrooiden Marius gerekend, die overigens zeer goed is, maar hij komt niet meer. Ik heb iemand noodig voor de barrière du Maine; maar heb niemand.”„En ik ben er,” zei Grantaire.„Gij?”„Ik.”„Gij zoudt republikeinen willen leeren! gij, in naam der beginselen, verkoelde harten verwarmen!”„Waarom niet?”„Zoudt gij tot iets deugen?”„Ik maak er eenigszins aanspraak op,” zei Grantaire.„Gij gelooft aan niets.”„Ik geloof aan u.”„Wilt ge mij een dienst doen, Grantaire?”„Alles, uw laarzen poetsen.”„Nu, bemoei u dan niet met onze zaken. Slaap uw absinth uit.”„Ge zijt ondankbaar, Enjolras.”„Zoudt gij de man zijn om naar de barrière du Maine te gaan? Zoudt ge er toe in staat zijn?”„Ik ben in staat dien weg af te leggen; mijn schoenen zijn er ook toe in staat.”„Kent gij de vrienden die bij Richefeu komen?”„Niet veel. Wij zijn overigens zeer gemeenzaam met elkander.”„Wat zult ge hun zeggen?”„Ik zal hen van Robespierre spreken, van Danton, van de beginselen.”„Gij!”„Ik. Men laat mij geen gerechtigheid wedervaren. Als ik er mij toe zet, ben ik vreeselijk. Ik heb Prudhomme gelezen; ik ken het Contrat Social, ik ken de constitutie van het jaar II van buiten. „De vrijheid van den burger eindigt, waar de vrijheid van een ander burger begint.” Houdt ge mij voor een botterik? In mijn lade heb ik een oude assignaat. Ik weet van de rechten van den mensch, van de volkssouvereiniteit te spreken. Zes uren lang kan ik, met dit horloge in de hand, over de heerlijkste dingen redevoeren.”„Wees ernstig,” zei Enjolras.„Ik ben meer dan ernstig,” antwoordde Grantaire.Enjolras dacht eenige oogenblikken en maakte een gebaar als iemand die een besluit heeft genomen.„Grantaire,” zeide hij ernstig, „ik zal u op de proef stellen. Ga naar de barrière du Maine.” Grantaire woonde in de nabijheid van het koffiehuis Musain.Hij ging; maar kwam vijf minuten later terug. Hij was even te huis geweest om een vest à la Robespierre aan te doen.„Rood,” zeide hij binnenkomende en Enjolras strak aanschouwende.En met forsche hand drukte hij het roode vest tegen zijn borst.Toen Enjolras naderde, fluisterde hij hem in: „Wees gerust.”En zijn hoed op het hoofd drukkende verwijderde hij zich.Een kwartieruurs later was de achterkamer van het koffiehuis Musain verlaten. Al de vrienden van het A. B. C. waren, ieder op zijn eigen gelegenheid, naar hun werk gegaan. Enjolras, die voor zich de Cougourde had behouden was de laatste die heenging.De leden van het genootschap der Cougourde van Aix, welke te Parijs waren, vereenigden zich toen op de vlakte van Issy, in een der talrijke verlaten steengroeven aan die zijde van Parijs.Terwijl Enjolras zich naar die vereenigingsplaats begaf, sloeg hij bij zich zelven een blik op den toestand: Dat de gebeurtenissen ernstig waren, was duidelijk. Wanneer de kenteekens eener maatschappelijke ziekte zich openbaren, kan ze onverwacht uitbreken. Enjolras zag een lichtschijn in de donkere wolken der toekomst. Wie weet? Het oogenblik naderde misschien. Welk een fraai schouwspel, het volk dat zijn recht herneemt! de revolutie die majestueus Frankrijk in bezit neemt en tot de wereld zegt: het vervolg morgen! Enjolras was tevreden. De oven werd heet. Hij had op dienzelfden tijd zijn vrienden in Parijs verspreid. In zijn gedachte schiep hij door de wijsgeerige welsprekendheid van Combeferre, de cosmopolitische geestdrift van Feuilly, de wegsleependheid van Courfeyrac, de vroolijkheid van Bahorel, de droefgeestigheid van Jean Prouvaire, de wetenschap van Joly, de spotternijen van Bossuet, een soort van electrisch geknetter, dat alom een weinig vuur vatte. Allen waren aan ’t werk. De uitkomst zou gewis aan de poging beantwoorden. ’t Was goed. Dit deed hem aan Grantaire denken. – De barrière du Maine, dacht hij, is niet ver uit mijn weg. Zoo ik tot Richefeu ging, om te zien wat Grantaire doet, en hoe ver hij is?De klok van Vaugirard sloeg één uur, toen Enjolras in de kroeg van Richefeu aankwam. Hij opende de deur, trad binnen, kruiste de armen, terwijl de deur tegen zijn schouder dicht viel, en sloeg een blik door de kamer, die vol tafels, mannen en rook was.Een stem klonk in dien nevel en werd levendig door een andere stem beantwoord. ’t Was Grantaire, die met een ander aan een marmeren tafeltje zat domino te spelen.

„Dus is alles geregeld,” zei Courfeyrac.

„Neen.”

„Wat is er nog?”

„Iets zeer gewichtigs.”

„Wat?” vroeg Combeferre.

„De barrière du Maine,” antwoordde Enjolras.

Enjolras bleef een oogenblik als in gedachten verdiept; toen hernam hij:

„Aan de barrière du Maine zijn steenhouwers, schilders, werklieden der beeldhouwers-ateliers. Zij zijn vol geestdrift, maar aan een spoedige verkoeling onderhevig. Ik weet niet wat zij sinds eenigen tijd hebben. Zij denken aan iets anders. Zij verdooven, zij brengen hun tijd met het dominospelen door. ’t Is noodzakelijk, dat men hen ga spreken en opwekken. Zij vereenigen zich bij Richefeu. Men kan ze er tusschen twaalf en één ure ’s middags vinden. Die asch moet aangeblazen worden. Ik had hiervoor op dien verstrooiden Marius gerekend, die overigens zeer goed is, maar hij komt niet meer. Ik heb iemand noodig voor de barrière du Maine; maar heb niemand.”

„En ik ben er,” zei Grantaire.

„Gij?”

„Ik.”

„Gij zoudt republikeinen willen leeren! gij, in naam der beginselen, verkoelde harten verwarmen!”

„Waarom niet?”

„Zoudt gij tot iets deugen?”

„Ik maak er eenigszins aanspraak op,” zei Grantaire.

„Gij gelooft aan niets.”

„Ik geloof aan u.”

„Wilt ge mij een dienst doen, Grantaire?”

„Alles, uw laarzen poetsen.”

„Nu, bemoei u dan niet met onze zaken. Slaap uw absinth uit.”

„Ge zijt ondankbaar, Enjolras.”

„Zoudt gij de man zijn om naar de barrière du Maine te gaan? Zoudt ge er toe in staat zijn?”

„Ik ben in staat dien weg af te leggen; mijn schoenen zijn er ook toe in staat.”

„Kent gij de vrienden die bij Richefeu komen?”

„Niet veel. Wij zijn overigens zeer gemeenzaam met elkander.”

„Wat zult ge hun zeggen?”

„Ik zal hen van Robespierre spreken, van Danton, van de beginselen.”

„Gij!”

„Ik. Men laat mij geen gerechtigheid wedervaren. Als ik er mij toe zet, ben ik vreeselijk. Ik heb Prudhomme gelezen; ik ken het Contrat Social, ik ken de constitutie van het jaar II van buiten. „De vrijheid van den burger eindigt, waar de vrijheid van een ander burger begint.” Houdt ge mij voor een botterik? In mijn lade heb ik een oude assignaat. Ik weet van de rechten van den mensch, van de volkssouvereiniteit te spreken. Zes uren lang kan ik, met dit horloge in de hand, over de heerlijkste dingen redevoeren.”

„Wees ernstig,” zei Enjolras.

„Ik ben meer dan ernstig,” antwoordde Grantaire.

Enjolras dacht eenige oogenblikken en maakte een gebaar als iemand die een besluit heeft genomen.

„Grantaire,” zeide hij ernstig, „ik zal u op de proef stellen. Ga naar de barrière du Maine.”

Grantaire woonde in de nabijheid van het koffiehuis Musain.

Hij ging; maar kwam vijf minuten later terug. Hij was even te huis geweest om een vest à la Robespierre aan te doen.

„Rood,” zeide hij binnenkomende en Enjolras strak aanschouwende.

En met forsche hand drukte hij het roode vest tegen zijn borst.

Toen Enjolras naderde, fluisterde hij hem in:

„Wees gerust.”

En zijn hoed op het hoofd drukkende verwijderde hij zich.

Een kwartieruurs later was de achterkamer van het koffiehuis Musain verlaten. Al de vrienden van het A. B. C. waren, ieder op zijn eigen gelegenheid, naar hun werk gegaan. Enjolras, die voor zich de Cougourde had behouden was de laatste die heenging.

De leden van het genootschap der Cougourde van Aix, welke te Parijs waren, vereenigden zich toen op de vlakte van Issy, in een der talrijke verlaten steengroeven aan die zijde van Parijs.

Terwijl Enjolras zich naar die vereenigingsplaats begaf, sloeg hij bij zich zelven een blik op den toestand: Dat de gebeurtenissen ernstig waren, was duidelijk. Wanneer de kenteekens eener maatschappelijke ziekte zich openbaren, kan ze onverwacht uitbreken. Enjolras zag een lichtschijn in de donkere wolken der toekomst. Wie weet? Het oogenblik naderde misschien. Welk een fraai schouwspel, het volk dat zijn recht herneemt! de revolutie die majestueus Frankrijk in bezit neemt en tot de wereld zegt: het vervolg morgen! Enjolras was tevreden. De oven werd heet. Hij had op dienzelfden tijd zijn vrienden in Parijs verspreid. In zijn gedachte schiep hij door de wijsgeerige welsprekendheid van Combeferre, de cosmopolitische geestdrift van Feuilly, de wegsleependheid van Courfeyrac, de vroolijkheid van Bahorel, de droefgeestigheid van Jean Prouvaire, de wetenschap van Joly, de spotternijen van Bossuet, een soort van electrisch geknetter, dat alom een weinig vuur vatte. Allen waren aan ’t werk. De uitkomst zou gewis aan de poging beantwoorden. ’t Was goed. Dit deed hem aan Grantaire denken. – De barrière du Maine, dacht hij, is niet ver uit mijn weg. Zoo ik tot Richefeu ging, om te zien wat Grantaire doet, en hoe ver hij is?

De klok van Vaugirard sloeg één uur, toen Enjolras in de kroeg van Richefeu aankwam. Hij opende de deur, trad binnen, kruiste de armen, terwijl de deur tegen zijn schouder dicht viel, en sloeg een blik door de kamer, die vol tafels, mannen en rook was.

Een stem klonk in dien nevel en werd levendig door een andere stem beantwoord. ’t Was Grantaire, die met een ander aan een marmeren tafeltje zat domino te spelen.




Boek II

Eponine





Eerste hoofdstuk

Het veld van de leeuwerik


Marius was getuige geweest der onverwachte ontknooping van de hinderlaag, op welker spoor hij Javert had gebracht; doch nauwelijks had Javert het oude huis verlaten en zijn gevangenen in drie rijtuigen medegenomen, of Marius ging insgelijks uit het huis. Het was eerst negen uren ’s avonds. Marius ging naar Courfeyrac. Courfeyrac was niet meer de bestendige bewoner van de latijnsche wijk; hij was, „om staatkundige redenen”, naar de straat la Verrerie verhuisd; deze wijk behoorde onder degene, waar de opstand zich het meest had gevestigd. Marius zeide tot Courfeyrac: Ik kom bij u slapen. Courfeyrac haalde een matras uit zijn bed, dat er twee had, legde ze op den grond en zeide: „Ziedaar.”

Den volgenden ochtend tegen zeven uren keerde Marius naar het oude huis terug, betaalde de huur en wat hij aan vrouw Bougon schuldig was, liet op een handkar zijn boeken, bed, tafel, commode en twee stoelen laden, en ging heen zonder zijn adres achter te laten, zoodat, toen Javert des morgens kwam, om Marius nopens de gebeurtenissen van den vorigen avond te ondervragen, hij slechts vrouw Bougon vond, die hem antwoordde: „Verhuisd!”

Vrouw Bougon hield zich zelve overtuigd, dat Marius min of meer een medeplichtige was van de dieven, die dien nacht gevangen waren. „Wie zou dat gezegd hebben?” riep zij bij de portierster in de buurt, „een jonge man, dien ge voor een meisje zoudt gehouden hebben.”

Marius had voor deze plotselinge verhuizing twee redenen gehad. De eerste was zijn afkeer van dit huis, waarin hij van zoo dichtbij de afzichtelijkste en wreedste ontwikkeling der maatschappelijke afschuwelijkheid had gezien, iets afschuwelijker nog dan den slechten rijke: den slechten arme. De tweede was, dat hij op geenerlei wijze in ’t proces wenschte gemengd te worden, ’t geen waarschijnlijk volgen zou, noch genoodzaakt zijn tegen Thénardier te getuigen.

Javert meende dat de jongeling, wiens naam hij niet onthouden had, bevreesd geweest en gevlucht was, of wellicht niet eens op ’t oogenblik der hinderlaag te huis was gekomen; hij deed evenwel eenige pogingen om hem weder te vinden, die echter vruchteloos waren.

Een maand verstreek, daarna een andere. Marius was nog altijd bij Courfeyrac. Hij had van een jong advocaat, die gewoon was het gerechtshof te bezoeken, vernomen, dat Thénardier in zijn gevangenis buiten toegang was. Alle Maandagen liet Marius voor Thénardier aan de griffie der gevangenis La Force vijf francs bezorgen.

Toen Marius geen geld meer had, leende hij van Courfeyrac vijf francs. Het was de eerste maal zijns levens dat hij geld ter leen nam. Deze wekelijksche vijf francs waren een dubbel raadsel, voor Courfeyrac, die ze gaf, en voor Thénardier, die ze ontving. „Tot wien gaan ze?” dacht Courfeyrac. „Van wien komen ze?” vroeg zich Thénardier af.

Overigens was Marius bedroefd. Alles was wederom als in een valluik voor hem verdwenen. Hij zag niets meer voor zich; zijn leven was weder in die geheimzinnigheid gedompeld, waarin hij dolend rondtastte. Een oogenblik had hij van zeer nabij in deze duisternis het meisje herzien, dat hij beminde, den grijsaard, die haar vader scheen, deze onbekende wezens, die zijn eenige belangstelling, zijn eenige hoop in de wereld waren; en juist toen hij ze meende te vatten, werden al deze schimmen als weggeblazen. Zelfs geen enkele vonk van zekerheid en waarheid was uit dien vreeselijken schok gesprongen. Geen gissing was mogelijk. Hij kende zelfs den naam niet meer, dien hij gemeend had te kennen. ’t Was stellig niet Ursula. En Leeuwerik was een bijnaam. En wat van den grijsaard te denken? Verborg hij zich werkelijk voor de politie. De werkman met het witte haar, dien Marius in de nabijheid der Invaliden had ontmoet, kwam hem weder voor den geest. ’t Werd thans waarschijnlijk, dat deze werkman en de heer Leblanc dezelfde waren. Hij vermomde zich dus? Deze man had een heldhaftige en een dubbelzinnige zijde. Waarom had hij niet om hulp geroepen? Waarom was hij gevlucht? Was hij de vader van het meisje, ja of neen? was hij eindelijk inderdaad de man, dien Thénardier had gemeend te herkennen? Had Thénardier zich kunnen vergissen? Alles onoplosbare raadsels. Dit alles, evenwel, ontnam niets aan de engelachtige bekoorlijkheid der jonge dame van het Luxembourg. ’t Was een pijnlijke toestand; Marius had liefde in het hart en duisternis voor de oogen. Hij werd voortgedreven, aangetrokken en kon zich niet bewegen. Alles was verdwenen, behalve de liefde. Zelfs van de liefde had hij het instinct en de plotselinge verlichting verloren. Gewoonlijk verlicht deze vlam, die ons brandt, ook een weinig en werpt eenigen heilzamen glans naar buiten. Marius hoorde zelfs niet meer de onduidelijke raadgevingen van den hartstocht. Nooit dacht hij: zoo ik daar heen ging? Zoo ik dit beproefde? Zij, die hij niet meer Ursula kon noemen, was bepaald ergens; maar niets duidde Marius aan, in welke richting hij haar moest zoeken. Zijn geheel leven was nu in twee woorden samengevat: een volstrekte onzekerheid in een ondoordringbaren nevel. Haar weder te zien was zijn voortdurende wensch; maar hij vleide er zich niet meer mee.

Tot overmaat van ramp, keerde de armoede terug. Dicht bij zich, achter zich voelde hij haar killen adem. Bij al deze folteringen had hij reeds sinds lang zijn arbeid gestaakt, en niets is gevaarlijker dan de staking van den arbeid; de arbeid is een gewoonte die verdwijnt. Een gemakkelijk te verlaten, maar moeielijk te hernemen gewoonte.

Een weinig droomerij is goed, evenals een verdoovend geneesmiddel, mits in matige hoeveelheid toegediend. Het verzacht de soms heftige koorts van den werkenden geest en breidt er een zachten frisschen adem over, die de scherpe kanten van de nuchtere gedachte verstompt en hier en daar leemten en tusschenruimten aanvult en verbindt. Maar te veel droomerij overstroomt en verdrinkt. Wee den werker door den geest, die zich geheel uit de gedachte in den droom laat verzinken. Hij meent, dat hij zich gemakkelijk weder opheffen zal, en acht het in allen geval ook vrij onverschillig. Dwaling!

De gedachte is de arbeid van het verstand, het droomen is er de wellust van. Het droomen in de plaats der gedachte stellen, is vergif met voedsel verwarren.

Marius, men zal ’t zich herinneren, was hiermede begonnen. Vervolgens was de liefde gekomen en had hem eindelijk in hersenschimmen zonder doel of grond gestort. Men gaat dan slechts uit om te droomen. ’t Is een gevaarlijke, stilstaande, peillooze kolk. En naarmate de arbeid minderde, groeiden de behoeften. Dit is een wet. De mensch, in droomenden toestand, is van nature zacht en verspillend; de ontspannen geest kan het leven niet streng meer in teugel houden. In deze leefwijze is het goede onder het kwade vermengd, want zoo weekheid noodlottig is, edelmoedigheid is heilzaam en goed. Maar de arme, die goed en edelmoedigheid is, zonder te werken, is verloren. Zijn hulpbronnen verdrogen, en de nood rukt aan. ’t Is een noodlottige helling, waarop zoowel de eerlijksten en standvastigsten als de zwaksten en de slechtsten worden medegesleept, en die op één dezer twee afgronden uitloopt – den zelfmoord of de misdaad.

Wie lang genoeg is uitgegaan om te denken en te droomen, gaat eindelijk uit om zich te verdrinken.

Overmatige droomerijen brengen Escousses en de Lebras voort.

Met langzame schreden ging Marius langs deze helling, met de oogen op haar gericht, die hij niet meer zag. Wat wij hier schrijven, zal zonderling schijnen en is evenwel waar. De herinnering aan een afwezende ontvlamt in de duisternis van het hart; hoe meer hij verdwenen is, des te helderder schittert hij; de wanhopige, duistere ziel ziet dat licht aan haar horizont, als een ster in den inwendigen nacht. Zij was Marius’ eenige gedachte. Hij dacht aan niets anders; hij gevoelde onduidelijk dat zijn oude rok onmogelijk langer te dragen was, en zijn nieuwe een oude rok werd; dat zijn hemden, zijn hoed, en zijn laarzen versleten, dat ook zijn leven versleet, en hij dacht: „Zoo ik haar slechts mocht wederzien vóór ik stierf!”

Slechts een liefelijke gedachte bleef hem over, dat zij hem bemind had, dat haar blik het hem had gezegd, dat zij zijn naam niet kende, maar wel zijn hart, en dat zij hem misschien thans, in welk geheim oord zij ook zijn mocht, nog beminde. Wie weet of zij niet evenzeer aan hem dacht, als hij aan haar! Soms, in onbeschrijfelijke uren, zooals ieder minnend hart er heeft, waarin hij slechts redenen van smart vond en evenwel een onduidelijke rilling van vreugd gevoelde, zeide hij bij zich zelven: „’t Zijn haar gedachten, die tot mij komen?” – Dan voegde hij er bij: „Mijn gedachten komen misschien ook tot haar.”

Deze hersenschim, die hem een oogenblik later het hoofd deed schudden, wierp toch eenige stralen, welke soms eenigermate naar hoop zweemden, in zijn hart. Nu en dan, meestal in dat uur van den avond, dat de mijmeraars het meest droefgeestig maakt, liet hij op het papier de zuiverste, de onlichamelijkste, de ideaalste zijner droomerijen vloeien, waarmede de liefde zijn hersens vulde. Dit noemde hij „aan haar schrijven.”

Men geloove niet, dat zijn verstand geleden had. Integendeel. Hij had wel de bekwaamheid verloren om te arbeiden en met vastheid naar een bepaald doel te streven, doch hij zag helderder en juister dan ooit. Marius zag in een rustig en wezenlijk, hoewel zonderling licht, wat voor zijn oogen gebeurde, zelfs de onverschilligste feiten of menschen; hij sprak over alles het juiste woord uit, met een soort van eerlijke droefheid en oprechte onbaatzuchtigheid. Zijn oordeel, dat zich schier van alle hoop had losgemaakt, hield zich hoog en krachtig.

In deze gemoedsstemming ontglipte hem niets, niets misleidde hem en hij ontdekte te allen tijde den grond des levens, der menschelijkheid en van het noodlot. Hij is zelfs in angst en onspoed gelukkig, wien God een ziel heeft geschonken, die de liefde en het ongeluk waardig is! Wie de dingen dezer wereld en het hart der menschen niet in dit dubbel licht gezien heeft, heeft niets waars gezien en weet niets.

De ziel, die bemint en lijdt, is in een verheven toestand.

Overigens volgden de dagen elkander op en niets nieuws deed zich voor. Het scheen hem echter, alsof de donkere ruimte, welke hij nog moest doorloopen, elk oogenblik korter werd. Hij meende reeds duidelijk den kant van de grondelooze steilte te onderscheiden.

„Hoe!” vroeg hij zich telkens, „zal ik haar vooraf niet wederzien?”

Zoo men de straat St. Jacques is ingegaan, de barrière ter zijde laat liggen en eenigen tijd links den ouden binnen-boulevard gevolgd heeft, komt men in de straat la Santé, daarna bij de Glacière en even voor het riviertje der Gobelins ziet men een soort van veld, dat binnen den langen eentonigen ring der boulevards van Parijs de eenige plek is waar Ruijsdael lust zou hebben gehad zich neer te zetten.

Daar is dat onbeschrijfelijke, waaruit het bevallige zich ontwikkelt; een groene weide, waarboven gespannen touwen, waarop het linnen in den wind droogt; een oude warmoezierswoning uit den tijd van Lodewijk XIII met zijn groot dak en grillige dakvensters, vervallen heiningen, een weinig water tusschen populieren, vrouwen, gelach, stemmen; aan den horizont het Pantheon, de boom der doofstommen, het Val-de-grace, en op den achtergrond de statige vierkante torens van Notre-Dame.

Dewijl deze plek werkelijk der moeite waard is gezien te worden, komt er niemand. Nauwelijks om het kwartieruurs een kar of een voerman.

Eenmaal voerden de eenzame wandelingen van Marius hem naar dit oord, bij dat water. Op dien dag was er op dezen boulevard iets zeldzaams, namelijk een voorbijganger. Marius, wien de schier woeste bekoorlijkheid van deze plek trof, vroeg dien voorbijganger: „Hoe heet dit oord?”

De voorbijganger antwoordde: „Het Leeuweriksveld.”

En hij voegde er bij: „’t Is hier dat Ulback de herderin van Ivry doodde.”

Maar na het woord „Leeuwerik” had Marius niets meer gehoord. In den droomenden toestand kan een enkel woord een plotselinge verstijving doen ontstaan. De geheele ziel dringt zich om één denkbeeld samen en is voor geen ander begrip vatbaar. De „Leeuwerik” was de naam, die in Marius’ diepe droefgeestigheid den naam „Ursula” vervangen had. „Zie,” sprak hij, in die soort van de redelooze verbazing aan deze geheimzinnige afgetrokkenheid eigen, „dit is haar veld. Hier zal ik vernemen waar zij woont.”

’t Was ongerijmd, maar onweerstaanbaar.

En dagelijks wandelde hij naar dit Leeuweriksveld.




Tweede hoofdstuk

Het ontstaan van de kiemen der misdaden in de gevangenissen


De overwinning van Javert in het huis Gorbeau scheen volkomen te zijn geweest, maar was het echter niet.

Vooreerst, en dat was zijn grootste teleurstelling, had Javert den gevangene niet gevangen genomen. De aangerande, die vlucht, is nog meer verdacht dan de aanrander; en waarschijnlijk zou deze persoon, die zulk een kostbare buit voor de bandieten was geweest, een niet minder goede vangst voor de justitie geweest zijn.

Voorts was ook Montparnasse aan Javert ontsnapt. Er moest een andere gelegenheid worden afgewacht om op dien „Pronker der Hel” de hand te leggen. Inderdaad, Montparnasse, die Eponine had ontmoet, terwijl ze onder de boomen van den boulevard de wacht hield, had haar medegenomen, om liever Nemorin met de dochter, dan Schinderhannes met den vader te zijn. ’t Was zijn geluk geweest; want hij was vrij. Javert had echter Eponine doen vatten; een geringe troost voor hem. Eponine werd bij Azelma in de gevangenis de Madelonnettes gezonden.

Eindelijk was een der voornaamste gevangenen, Claquesous, op den weg van het huis Gorbeau naar la Force, weg geraakt. Men wist niet hoe het gebeurd was, de agenten en stadssergeanten „begrepen er niets van,” hij was in damp veranderd, uit de handboeien gegleden, door de reten van het rijtuig heengeslopen; men wist niets anders te zeggen, dan dat, toen men aan de gevangenis kwam, Claquesous verdwenen was. Daar school iets van tooverij of politie onder. Was Claquesous in de duisternis gesmolten als een sneeuwvlok in het water? Bestond er tusschen de politieagenten en hem een heimelijke verstandhouding? Behoorde deze man tot het dubbel raadsel der wanorde en orde? Was hij het middelpunt tusschen de misdaad en de beteugeling? Had deze sfinx de voorpooten in de misdaad, en de achterpooten in het openbaar gezag? Javert wilde van al deze redeneeringen niets weten, en zou ze met afkeer verworpen hebben; maar bij zijn sectie behoorden meer inspecteurs, die hoewel zijn ondergeschikten, misschien beter dan hij in de geheimen der prefectuur van politie waren ingewijd, en Claquesous was zulk een schurk, dat hij een zeer goed handlanger der politie kon zijn. Den nacht aldus tot hulpgenoot te hebben is uitmuntend voor de dieven, maar wonderbaar voor de politie. Er zijn zulke schurken, wier mes aan twee kanten snijdt. Hoe het zij, de verloren Claquesous was niet weder te vinden. Javert scheen er meer vertoornd dan verwonderd over.

Wat Marius betreft, „dat jong advocaatje, die waarschijnlijk bang was geweest” en wiens naam Javert vergeten had, aan dezen lag Javert weinig gelegen. Een advocaat is buitendien altijd licht te vinden. Maar was hij wel advocaat?

Het onderzoek was begonnen.

De rechter van instructie had het raadzaam geoordeeld, een der mannen van de bende Patron-Minette niet buiten toegang te stellen, hopende dat hij iets verklappen zou. Deze man was Brujon, de langharige van de straat Petit-Banquier. Men had hem in een ander deel der gevangenis gebracht, waar de bewakers hem in het oog hielden.

Deze naam, Brujon, behoort tot de herinneringen in de gevangenis la Force. Op de leelijke binnenplaats van het zoogenaamde nieuwe gebouw, welke het bestuur de plaats St. Bernard, maar de dieven den Leeuwenkuil noemden, zag men op den vuilen muur die zich links tot aan de daken verhief, bij een oude verroeste ijzeren deur, welke in de oude kapel van het hertogelijk hôtel de la Force voerde, en welke kapel thans als slaapzaal voor dieven dient, voor omstreeks twaalf jaren een soort van bastille met een spijker in de steenen gekrabd en daar onder deze naamteekening:



Brujon, 1811.


De Brujon van 1811 was de vader van den Brujon van 1832.

Deze laatste, dien men bij de hinderlaag in het huis Gorbeau slechts onduidelijk gezien heeft, was een zeer sluwe, behendige knaap, met een bescheiden en weemoedig voorkomen. Om deze reden had de rechter van instructie hem in de algemeene gevangenis doen brengen, in de meening dat hij hier nuttiger zou zijn dan buiten toegang in zijn cel.

De dieven staken hun bedrijf niet, omdat zij in de handen der justitie zijn. Aan zulk een kleinigheid stoort men zich niet. Wegens een misdaad in de gevangenis te zijn, belet niet een andere misdaad op touw te zetten. ’t Zijn schilders, die een schilderij op de tentoonstelling hebben, en daarom niet te minder aan een nieuwe schilderij in hun atelier werken.

Brujon scheen door de gevangenis geheel ontsteld. Men zag hem soms uren lang op de plaats bij het raampje der cantine staan, als een zinnelooze de vuile prijslijst der waren beschouwende, die begon met: knoflook 62 centimes, en eindigde met: sigaren vijf centimes. Of hij bracht den tijd door met te rillen en te klappertanden, zeggende dat hij de koorts had, en onderzoekende of een der acht-en-twintig bedden der koortszaal onbezet was.

Eensklaps vernam men omstreeks het midden der maand Februari 1832, dat Brujon, die slaper, door de boodschappers van het gevangenhuis, niet op zijn naam, maar op dien van drie zijner kameraads, drie verschillende boodschappen had laten doen, welke hem gezamenlijk vijftig sous hadden gekost, een buitengewone uitgave, welke de opmerkzaamheid van den brigadier der gevangenis wekte.

Men deed onderzoek en het tarief der boodschappen vergelijkende, dat in de spreekkamer der gevangenen hing, bleek het, dat de vijftig sous voor drie boodschappen waren geweest, een naar het Pantheon, tien sous; een naar het Val de Grace, vijftien sous; en een naar de barrière Grenelle, vijf-en-twintig sous. Deze laatste was de duurste op het tarief. Nu bevonden zich juist bij het Pantheon, het Val de Grace en de barrière Grenelle de woningen van deze drie zeer gevreesde barrièreschooiers, Kruideniers, anders genoemd Bizarro, Glorieux, een ontslagen galeiboef, en Barre-Carrosse, op welke door dit voorval de blik der politie opnieuw getrokken werd. Men meende te weten, dat deze drie mannen tot de bende van Patron-Minette behoorden, van welke men twee aanvoerders, Babet en Gueulemer, gevat had. Men veronderstelde, dat de boodschappen van Brujon, die niet aan de huizen, maar aan lieden op de straat gericht waren, inlichtingen moesten bevat hebben wegens een of ander beraamd misdrijf. Men had nog andere aanwijzingen. Men vatte dus de drie schooiers, in de meening hierdoor Brujons plannen verijdeld te hebben.

Omstreeks een week na deze maatregelen zag een oppasser, die zijn ronde deed en de benedenslaapzaal van het nieuwe gebouw inspecteerde, juist toen hij het teeken wilde geven dat alles in orde was, door het spiegat van de slaapzaal, Brujon op zijn bed zitten schrijven. De oppasser trad binnen, men zette Brujon een maand in het cachot, maar men kon niet vinden wat hij geschreven had. De politie vernam evenmin iets.

Zeker is het, dat den volgenden dag „een postillon” van de plaats Charlemagne over het vijf verdiepingen hooge gebouw, dat beide plaatsen scheidde, in den Leeuwenkuil werd geworpen.

De gevangenen noemen „postillon” een kunstig van brood gekneed balletje, dat „naar Ierland” wordt gezonden, dat wil zeggen over de daken eener gevangenis van de eene naar de andere plaats. Dat balletje valt op de plaats. Die het opraapt, opent het en vindt er een briefje voor een der gevangenen in. Is de vinder een gevangene, dan bezorgt hij het briefje aan zijn bestemming; is ’t een oppasser of een stille verklikker onder de gevangenen, dan wordt het briefje naar het bureau der gevangenis gebracht en aan de politie overgeleverd.

Ditmaal kwam de postillon aan zijn adres, hoewel degeen voor wien het briefje was bestemd, op dien oogenblik buiten toegang zat. De geadresseerde was niemand minder dan Babet, een der vier aanvoerders van Patron-Minette.

De postillon bevatte een gerold papiertje, waarop slechts deze twee regels:

„Babet. Er is in de straat Plumet een zaak te doen. Een hek om een tuin.”

Dit had Brujon des nachts geschreven.

Ten spijt van alle onderzoekingen vond Babet middel het briefje uit la Force naar Salpetrière, de vrouwengevangenis, tot een „goede vriendin” die hier zat, te doen overgaan. Deze vrouw bezorgde op haar beurt het briefje aan eene andere die ze kende, een zekere Magnon, die de politie scherp in ’t oog hield, maar nog niet gevat had. Deze Magnon, wier naam de lezer reeds kent, had betrekkingen met de Thénardiers, welke later zullen worden vermeld, en kon, door Eponine te bezoeken, tot brug dienen, tusschen la Salpetrière en de Madelonnettes.

’t Was juist op het oogenblik, dat de zusters Eponine en Azelma weer op vrije voeten werden gesteld, daar bij ’t onderzoek der zaak van haar vader geen directe bewijzen tegen haar waren aan ’t licht gekomen.

Toen Eponine de Madelonnettes verliet, gaf haar Magnon, die haar aan de deur wachtte, het briefje van Brujon aan Babet, haar bevelende de zaak „op te nemen.”

Eponine ging naar de straat Plumet, vond het hek en den tuin, nam het huis in oogenschouw, bespiedde, loerde, en bracht eenige dagen later aan Magnon, die in de straat Cloche-Perce woonde, een beschuit, welke Magnon aan de minnares van Babet in de Salpetrière bezorgde. Een beschuit beteekent in de duistere beeldspraak der gevangenissen: „niets te doen.”

Toen ongeveer een week later Babet en Brujon elkander in de gang der gevangenis la Force ontmoetten, terwijl de een naar het verhoor ging en de andere van daar terugkeerde, vroeg Brujon: „Nu, de straat P?” – „Beschuit,” antwoordde Babet.

Alzoo ging deze kiem der misdaad te niet, welke door Brujon in la Force was ontworpen.

Deze mislukking had echter gevolgen, die geheel niet in Brujons bedoelingen lagen.

Men meent soms een draad te knoopen, en men maakt een anderen los.




Derde hoofdstuk

Vader Mabeuf heeft een verschijning


Marius bezocht niemand meer; hij ontmoette echter nu en dan den ouden Mabeuf.

Terwijl Marius langzaam die donkere trap afging, welke men de trap der holen zou kunnen noemen, en welke naar die oorden zonder licht voert, waar men de gelukkigen boven zich hoort gaan, ging de heer Mabeuf zijnerzijds insgelijks naar beneden.

De „Flora van Cauteretz” werd volstrekt niet meer verkocht. De proefnemingen met de indigo waren niet geslaagd in den kleinen tuin van Austerlitz, die niet aan de zonzijde lag. Mabeuf kon er slechts eenige zeldzame planten kweeken, die vochtigheid en schaduw behoeven. Evenwel verloor hij den moed niet. In den Plantentuin had hij een hoekje gronds verkregen, dat goed gelegen was, om er „te zijnen koste” proefnemingen met de indigo te doen. Daarvoor had hij de koperplaten zijner Flora naar den lombard gebracht. Hij had zijn ontbijt tot twee eieren ingekrompen, en daarvan gaf hij er een aan zijn oude dienstmaagd, welke hij sedert vijftien maanden geen loon had betaald. En dikwijls was zijn ontbijt zijn eenige maaltijd. Hij lachte niet meer met dien kinderlijken lach van vroeger, maar was somber geworden en ontving geen bezoeken meer. ’t Was goed, dat Marius er niet meer aan dacht tot hem te gaan. Soms ontmoetten de grijsaard en de jongeling elkander op den boulevard, wanneer de heer Mabeuf naar den Plantentuin ging. Zij spraken niet, maar knikten elkander treurig toe. ’t Is iets grievends, dat er oogenblikken zijn, wanneer de armoede alle betrekkingen oplost! Men was een paar vrienden, men wordt twee voorbijgangers.

De boekhandelaar Royol was overleden. De heer Mabeuf kende nu nog slechts zijn boeken, zijn tuin en zijn indigo; dit waren de drie vormen, welke voor hem het geluk, het vermaak en de hoop hadden aangenomen.

Dit was hem voldoende om te leven. Hij dacht: „Zoodra ik mijn indigo gemaakt heb, ben ik rijk, ik zal mijn koperplaten uit den lombard halen, het debiet van mijn Flora door kwakzalverij, de turksche trom en advertentiën in de couranten weder herstellen, en hier of daar een exemplaar van L’art de Naviguer door Pierre de Medine, druk van 1559, met houtsneden, zien op te sporen. Intusschen werkte hij den ganschen dag aan zijn indigobed en des avonds kwam hij te huis om zijn tuin te begieten en zijn boeken te lezen. De heer Mabeuf was op dat tijdstip bijna tachtig jaar oud.

Op zekeren avond had hij een zonderlinge verschijning.

Hij was te huis gekomen, terwijl het nog helder licht was. Moeder Plutarchus, die begon te sukkelen, was ongesteld en lag te bed. Hij had met een bot, waaraan een weinig vleesch was, en een stuk brood, dat hij op de keukentafel had gevonden, zijn maaltijd gedaan, en zich toen op een liggenden straatpaal gezet, die in zijn tuin voor bank diende.

Bij die bank stond, zooals gewoonlijk in oude tuinen met vruchtboomen, een soort van groote kist, die onder tot konijnenhok, boven tot bergplaats van vruchten diende. Er waren geen konijnen in het hok, maar boven eenige appels; de rest van den wintervoorraad.

De heer Mabeuf was, met behulp van zijn bril, twee boeken begonnen te doorbladeren en te lezen, welke hem bevielen, en zelfs, iets bijzonders op zijn ouderdom, zijn gedachten geheel boeiden. Zijn natuurlijke beschroomdheid maakte hem eenigszins vatbaar voor bijgeloovigheid. Het eene boek was de vermaarde verhandeling van den president Delancre „over de onstandvastigheid der duivels”, het andere was de 4


 uitgave van Mutor de la Rubaudière, „over de duivels van Vauvert en de kabouters van de Bièvre.” In dit laatste oude boek stelde hij te meer belang, wijl zijn tuin vroeger door kabouters bezocht was geweest. De avondschemering begon wat boven is te verlichten en wat onder is te verdonkeren. Terwijl hij het boek las, dat hij in de hand hield, zag vader Mabeuf er over heen naar zijn planten, onder anderen naar een prachtigen rhododendron, die een zijner vertroostingen was; er waren vier heete, winderige en zonnige dagen zonder een droppel regen voorbijgegaan; de stengels bogen, de knoppen hingen, de bladeren vielen; de geheele tuin moest begoten worden; vooral stond de rhododendron heel treurig. Vader Mabeuf behoorde tot hen, voor wie de planten zielen hebben. De grijsaard had den geheelen dag aan zijn indigobed gewerkt, hij was uitgeput van vermoeidheid, maar stond echter op, legde zijn boeken op de bank en ging gebukt en met waggelenden tred naar den put; doch toen hij den ketting had gegrepen, kon hij niet ver genoeg reiken om dien los te haken. Toen keerde hij zich om en hief een treurigen blik ten hemel, die zich met sterren vulde.

De avond had die helderheid, welke over de smarten van den mensch een soort van weemoedige en eeuwige vreugd uitbreidt. De nacht beloofde even dor te zijn als de dag was geweest.

Overal sterren! dacht de grijsaard; niet het kleinste wolkje! geen droppel water!En zijn even opgericht hoofd zonk weder op zijn borst.Hij hief het weder op, aanschouwde nogmaals den hemel en prevelde: Een dropje dauw! een weinig erbarming!Hij poogde nogmaals den ketting los te maken, maar kon niet.Op dit oogenblik hoorde hij een stem zeggen: „Vader Mabeuf, wilt gij, dat ik uw tuin begiete?”Tezelfder tijd ontstond in de haag een gerucht als van een dier, dat er doordrong, en hij zag uit de struweelen een groot, mager meisje komen, dat eensklaps voor hem verscheen, en hem strak en stoutmoedig aanzag. Zij had minder het voorkomen van een menschelijk wezen dan van een gestalte, die uit de avondschemering was ontstaan.Alvorens vader Mabeuf, die licht schrikte, en zooals wij gezegd hebben, spoedig bevreesd was, iets had kunnen antwoorden, had dit wezen, welks bewegingen in de duisternis een zonderlinge levendigheid hadden, den ketting losgemaakt, den emmer laten dalen en opgehaald, en den gieter gevuld; en nu zag de goede oude man deze verschijning, met bloote voeten en in een versleten rok, tusschen de bloembedden loopen, en leven om zich heen verspreiden. Het geruisch van den gieter op de bladeren vervulde de ziel van vader Mabeuf met verrukking. Hij meende, dat de rhododendron nu gelukkig moest zijn.Toen de eerste emmer ledig was, putte het meisje een tweeden, en daarna een derden. Zij begoot den geheelen tuin.tweeden, en daarna een derden. Zij begoot den geheelen tuin.

Terwijl zij dus over de paden ging, waarop haar gestalte donker uitkwam, en met haar knokige armen haar gescheurden halsdoek bewoog, had zij wel iets van een vleermuis.

Toen zij gedaan had, trad vader Mabeuf met tranen in de oogen naar haar toe, legde zijn hand op haar hoofd en zeide:

„God zal u zegenen; ge zijt een engel, wijl ge voor de bloemen zorgt.”

„Neen,” antwoordde zij, „ik ben een duivel; maar ’t scheelt mij niet.”

De oude man riep, zonder haar antwoord te wachten of te hooren:

„Het spijt mij, dat ik zoo ongelukkig en zoo arm ben van niets voor u te kunnen doen.”

„Gij kunt iets voor mij doen,” zeide zij.

„Wat dan?”

„Mij zeggen, waar de heer Marius woont.”

De grijsaard begreep haar niet.

„Welken mijnheer Marius?”

Hij sloeg zijn oogen op en scheen iets te zoeken, dat verdwenen was.

„Een jong mensch, die van tijd tot tijd hier komt.”

De heer Mabeuf had zijn geheugen onderzocht, en riep:

„Ha, ja… ik weet wien ge bedoelt. Wacht even! mijnheer Marius… de baron Marius Pontmercy, zeker! hij woont… of liever, hij woont niet meer… ik weet niet.”

Dus sprekende had hij zich gebogen om een tak van den rhododendron op te richten, en hernam:

„Zie, nu herinner ik mij. Hij komt dikwijls op den boulevard en gaat aan de zijde der Glacière, straat Croule Barbe, naar het Leeuweriksveld. Ga daar heen; gij zult er hem gemakkelijk vinden.”

Toen de heer Mabeuf zich oprichtte, was er niemand meer; het meisje was verdwenen.

Hij was werkelijk een weinig angstig geweest.

„Inderdaad,” dacht hij, „zoo mijn tuin niet werkelijk begoten was, zou ik denken, dat het een geest was geweest.”

Toen hij een uur later te bed lag, speelde ’t hem weder door ’t hoofd, en toen hij insluimerde, in dat nevelig oogenblik dat de gedachte, als de vogel uit de fabel, die in een visch verandert, om de zee over te gaan, allengs den vorm des drooms aanneemt, om in den slaap over te gaan, zeide hij bij zich zelven:

„Inderdaad, het gelijkt wel naar ’t geen la Rubaudière van de kabouters verhaalt. Zou ’t een kabouter geweest zijn?”




Vierde hoofdstuk

Marius heeft eene verschijning


Eenige dagen na dit bezoek van een „geest” aan vader Mabeuf, had Marius – ’t was des Maandags, den dag dat Marius een vijffrancstuk van Courfeyrac leende om ’t aan Thénardier te geven, – des ochtends dat vijffrancstuk in zijn zak gestoken, maar voor het naar de gevangenis te brengen was hij een weinig gaan wandelen, in de hoop, dat hem dit bij zijn terugkomst zou doen werken. Dit was trouwens altijd hetzelfde. Zoodra hij was opgestaan, zette hij zich voor een boek en een vel papier, om iets te vertalen; hij had destijds tot bezigheid de vertaling in ’t Fransch van een vermaarden Duitschen twist, den strijd van Gans en Savigny; nu nam hij Gans, dan Savigny, las vier regels, poogde er een te schrijven, kon niet, zag een star tusschen zich en zijn papier, stond van zijn stoel op en zeide: „Ik wil eens uitgaan. Dat zal mij op streek brengen.”

En hij ging naar het Leeuweriksveld.

Daar zag hij meer dan ooit de ster, en minder dan ooit Savigny en Gans.

Hij kwam weder te huis, beproefde zijn werk te hervatten, maar ’t gelukte hem niet; er was geen mogelijkheid een der gebroken draden in zijn hersens weder aaneen te knoopen, en dan zeide hij: „Morgen zal ik niet uitgaan. Het belet mij te arbeiden.” – Maar hij ging alle dagen uit.

Hij woonde meer op het Leeuweriksveld dan in de kamer van Courfeyrac. Zijn wezenlijk adres was dit: Boulevard de la Santé, zevende boom, voorbij de straat Croulet-Barbe.

Dien ochtend had hij dezen zevenden boom verlaten en zich aan den kant der rivier der Gobelins nedergezet. De zon drong vroolijk door de frisch ontloken en glanzende bladeren.

Hij dacht aan „haar”; tot zijn denken een verwijt voor hem werd. Hij dacht dan met smart aan zijn luiheid, aan de geestverlamming, welke hem aangreep, en aan de duisternis, welke ieder oogenblik voor hem dikker werd, zoodat hij zelfs de zon niet meer zag.

Te midden van deze smartelijke denkbeelden, welke hem schier alle geestkracht benamen, bereikten hem evenwel de indrukken van buiten. Hij hoorde achter zich, op beide oevers der rivier, de waschvrouwen der Gobelins haar linnen kloppen, en boven zijn hoofd de vogels in de olmen kweelen en zingen. Aan den eenen kant het gerucht der vrijheid, der gelukkige zorgeloosheid, van den gevleugelden lust; aan den anderen kant het gerucht van den arbeid. Deze beide geluiden brachten hem opnieuw aan ’t mijmeren en bijna aan ’t nadenken.

Eensklaps, te midden van zijn weemoedige verrukking, hoorde hij een bekende stem zeggen:

„Zie, daar is hij!”

Hij sloeg de oogen op, en herkende het ongelukkig meisje, dat op zekeren morgen bij hem was gekomen, de oudste dochter der Thénardiers, Eponine; hij wist thans hoe zij heette. Zonderling, zij was armer en schooner geworden, zij had twee stappen gedaan, welke bij haar niet meer mogelijk schenen. Zij was dubbel vooruitgegaan, naar het licht en naar den nood. Zij was blootsvoets en in lompen, gelijk op den dag toen zij zoo stoutmoedig zijn kamer was binnengegaan, maar haar lompen waren twee maanden ouder, de scheuren waren grooter, de vodden vuiler. ’t Was dezelfde heesche stem, hetzelfde doffe, verweerde voorhoofd; dezelfde vrije, wilde en dwalende blik. Maar op haar gezicht lag meer dan vroeger dat onbeschrijfelijk schuwe en jammerlijke, ’t welk de doorgang tot de gevangenis aan de ellende geeft.

Zij had stroo- en hooi-sprieten in ’t haar, niet als Ophelia, door Hamlets krankzinnigheid aangestoken, maar wijl zij op den zolder van een stal geslapen had.

In weerwil van dat alles was zij schoon. Welk een star zijt gij, o jeugd!

Ondertusschen stond zij voor Marius stil met een zweem van vreugde op haar bleek gezicht en iets dat naar een glimlach geleek.

Zij bleef eenige oogenblikken alsof zij niet kon spreken.

„Ik heb u dan gevonden,” zeide zij eindelijk. „Vader Mabeuf had gelijk, ’t was op dezen boulevard! Hoe heb ik u gezocht! Zoo ge het wist! Ik ben veertien dagen in de gevangenis geweest. Maar zij hebben mij losgelaten, wijl er niets tegen mij was, en ik bovendien de jaren van onderscheid niet had; er ontbraken nog twee maanden aan. O! wat heb ik gezocht, sedert zes weken. Ge woont dus niet meer ginds?”

„Neen,” zei Marius.

„Ha ik begrijp; uithoofde van het gebeurde. Die dingen zijn onaangenaam. Ge zijt verhuisd. Zie! waarom draagt ge zulke oude hoeden? een jongeling als gij moet fraai gekleed zijn. Weet ge wel, mijnheer Marius, dat vader Mabeuf u baron Marius noemt; ik weet niet hoe meer. Niet waar, ge zijt immers geen baron? Barons zijn oud, zij gaan naar het Luxembourg voor het kasteel, waar ’t zonnig is, en lezen de Gliobienne voor een sou. Eens ben ik met een brief bij zulk een baron geweest. Hij was ouder dan honderd jaar. Maar zeg mij, waar woont ge nu?”

Marius antwoordde niet.

„O,” voer zij voort, „er is een scheur in uw overhemd. Ik zal ’t voor u naaien.”

Toen hernam zij met een uitdrukking die allengs treuriger werd:

„’t Schijnt u geen genoegen te doen, dat ge mij ziet?”

Marius zweeg, ook zij zweeg een oogenblik; vervolgens riep zij:

„Zoo ik echter wilde, zou ik u wel dwingen verheugd te schijnen.”

„Wat?” vroeg Marius. „Wat wilt ge zeggen?”

Zij beet zich op de lip en scheen te weifelen, als ter prooi aan een inwendigen strijd. Eindelijk scheen zij een besluit te nemen.

„Nu, zooveel te erger, ’t doet er niet toe. Ge ziet er treurig uit, ik wil dat ge tevreden zijt. Beloof mij slechts, dat ge zult lachen. Ik wil u zien lachen en u hooren zeggen: Ha! dat is goed! Arme mijnheer Marius; herinnert ge u, dat ge mij beloofd hebt mij alles te geven wat ik wilde?”

„Ja, maar spreek dan!”

Zij zag Marius strak in de oogen en zeide:

„Ik heb het adres!”

Marius verbleekte. Al zijn bloed stroomde naar zijn hart terug.

„Welk adres?”

„Het adres, dat ge mij gevraagd hebt.”

En als zich geweld doende, voegde zij er bij:

„Ge weet immers… het adres.”

„Ja,” stamelde Marius.

„Van de jonge dame.”

Zij zuchtte diep, bij ’t uitspreken van dat woord.

Marius sprong van den grond, waar hij zat, en greep driftig haar hand.

„Ha! welaan, geleid mij! spreek! vraag mij al wat ge wilt! waar is het?”

„Kom mede,” antwoordde zij. „Ik weet niet goed de straat en het nommer. ’t Is geheel aan den anderen kant; maar ik weet het huis en zal er u brengen.”

Zij trok haar hand terug en hernam op een toon, die een toeschouwer smartelijk bewogen zou hebben, maar die den verbijsterden en verrukten Marius nauwelijks aandeed:

„Ha! nu zijt gij tevreden!”

Een wolk trok over Marius’ voorhoofd. Hij greep Eponines arm, en zeide:

„Zweer mij één ding.”

„Zweren?” hernam zij; „wat wil dat zeggen? Hé, wilt ge dat ik zwere?”

Zij lachte.

„Beloof mij, Eponine, zweer mij, dat ge dat adres niet aan uw vader zult bekend maken.”

Verbaasd wendde zij zich tot hem, en riep:

„Eponine! Hoe weet ge dat ik Eponine heet?”

„Beloof mij wat ik u vraag!”

Maar zij scheen hem niet te hooren.

„’t Is heel lief, dat ge mij Eponine noemt!”

Marius nam haar beide armen tegelijk.

„In ’s hemels naam, antwoord toch! let op ’t geen ik u zeg, zweer mij dat ge het bewuste adres niet aan uw vader zult zeggen.”

„Mijn vader?” zeide zij. „O, ja, mijn vader; wees gerust. Hij is gevangen, buiten toegang. Wat kan mij mijn vader ook schelen.”

„Maar gij belooft het mij niet,” riep Marius.

„Laat mij toch los?” riep zij luid lachend; „hoe schudt ge mij! Ja, ja, ik beloof het, ik zweer het; wat raakt het mij? ik zal ’t adres aan mijn vader niet zeggen. Nu, is ’t zoo goed? is het?”

„Noch aan iemand anders?” hernam Marius.

„Aan niemand.”

„Geleid mij nu,” zei Marius.

„Aanstonds?”

„Ja, aanstonds.”

„Kom! – O! hoe verheugd is hij nu!” zeide zij.

Na eenige schreden hield zij stil.

„Ge volgt mij al te dicht, mijnheer Marius. Laat mij vooruit gaan, en volg mij, dat het niet in ’t oog valt. Men mag niet zien, dat een jongeling als gij gaat met een meisje als ik.”

Geen taal kan uitdrukken, wat in dit woord „meisje” lag, aldus door dit kind uitgesproken.

Zij deed een tiental schreden en bleef weder staan. Marius voegde zich bij haar. Zijdelings, zonder zich tot hem te wenden, sprak zij tot hem:

„A propos, ge weet dat ge mij iets beloofd hebt.”

Marius tastte in zijn zak. Hij bezat niets ter wereld dan de vijf francs voor Thénardier bestemd. Hij nam ze en legde ze in Eponines hand.

Zij opende de vingers en liet het muntstuk ter aarde vallen, terwijl ze hem met een somberen blik aanzag, en zeide:

„Ik wil uw geld niet.”




Boek III

Het huis in de straat Plumet





Eerste hoofdstuk

Het verborgen huis


Omstreeks het midden der vorige eeuw had een president van het parlement te Parijs eene maîtresse, welke hij verborg; want in dien tijd vertoonden de groote heeren hun maitressen, en de burgers verborgen ze. Hij liet een huis bouwen in de voorstad Saint Germain, in de eenzame straat Blomet, die thans straat Plumet genoemd wordt.

Dit huis bestond uit een paviljoen van één verdieping; twee benedenkamers, twee kamers op de eerste verdieping, onder een keuken, boven een boudoir, onder het dak een zolder, voor het huis aan de straat een tuin met hek. Deze tuin was ongeveer een morgen groot. Dat was alles wat de voorbijgangers konden zien; maar achter het paviljoen was een kleine plaats, en achter op die plaats een lage woning van twee vertrekken met kelder, een soort van schuilplaats ingeval soms een kind met de min moesten verborgen worden. Deze woning kwam van achter met een verborgen deur uit in een lang, nauw, bestraat, krom, open, aan beide zijden van hooge muren omgeven pad, dat met wonderbare kunst tusschen de omheiningen der tuinen en bouwvelden, waarvan het al de hoeken en krommingen volgde, verscholen en als verloren was, tot aan een andere, eveneens geheime deur, ongeveer een half kwartier verder, schier in een andere wijk, aan het eenzame einde der Babelstraat.

Mijnheer de president ging daarbinnen, zoodat zelfs zij, die hem bespied hadden, en gevolgd waren, door de opmerking dat hij alle dagen heimelijk ergens heen ging, niet konden gissen, dat hij van de Babelstraat naar de straat Blomet ging. Door den gelukkigen aankoop van gronden had de schrandere magistraatspersoon op eigen grond en bijgevolg zonder contrôle dien geheimen weg kunnen doen aanleggen. Later had hij in kleine perceelen, voor tuinen en velden, de gronden bezijden de gang verkocht, en de eigenaars dier gronden meenden aan weerszijden een tusschenmuur te hebben en vermoedden volstrekt niet het bestaan van een lang, bestraat pad, dat tusschen twee muren kronkelend door hun moestuinen en boomgaarden liep. Alleen de vogels zagen deze merkwaardigheid. ’t Is mogelijk, dat de vinken en musschen der vorige eeuw veel over mijnheer den president gepraat hebben.

Dit paviljoen in den stijl van Mansard gebouwd en in den smaak van Watteau gemeubeld, omgeven met een driedubbele haag bloemen, had iets geheimzinnigs, coquets en plechtigs, zooals het aan een grilligheid der liefde en van het rechterschap betaamt.

Dat huis en deze gang, die thans verdwenen zijn, bestonden nog voor omstreeks vijftien jaren. In ’93 had een ketellapper het huisje gekocht om het af te breken, maar wijl hij het niet kon betalen, verklaarde de natie hem bankroet; zoodat het huis den ketellapper ten onder bracht. Sedert bleef het huis onbewoond en verviel allengs, zooals ieder verblijf, waaraan de tegenwoordigheid van den mensch geen leven meer mededeelt. Het bleef gemeubeld met zijn oud huisraad, en stond altijd te koop of te huur, en de tien of twaalf personen, die jaarlijks de straat Plumet doorgaan, werden hiervan verwittigd door een geel en onleesbaar bordje, dat sinds 1810 aan het tuinhek was gehecht.

Deze zelfde voorbijgangers konden tegen het einde der restauratie zien, dat het bordje verdwenen was en de vensterluiken der eerste verdieping open waren. Het huis werd inderdaad bewoond. Voor de vensters hingen ondergordijntjes, een bewijs dat er een vrouw in ’t huis was.

In de maand October 1829 had een vrij bejaard man het huis gehuurd, in den staat zooals het was, daaronder begrepen het achterhuis en de gang, die in de Babelstraat uitliep. Hij had de twee geheime deuren van die gang doen herstellen. Zooals wij gezegd hebben, was het huis nog genoegzaam gemeubeld met het oude huisraad van den president; de nieuwe bewoner had eenige herstellingen verordend, hier en daar bijgevoegd wat ontbrak, de plaats opnieuw doen bestraten, de vloeren doen vernieuwen, aan de trap nieuwe treden doen maken en ruiten in de ramen doen zetten, en eindelijk had hij met een jong meisje en een oude dienstmaagd stil en onopgemerkt het huis betrokken, als iemand die heimelijk binnensluipt. De buren babbelden er niet over, wijl er geen buren waren.

Deze weinig gerucht makende huurder was Jean Valjean het jonge meisje was Cosette. De dienstbode was een vrouw, Toussaint geheeten, welke Jean Valjean van het hospitaal en de armoede had gered, een oude, stotterende boerin, welke drie hoedanigheden Jean Valjean er toe geleid hadden haar bij zich te nemen. Hij had het huis gehuurd onder den naam van Fauchelevent, rentenier. Met al hetgeen reeds vroeger verhaald is, zal de lezer Jean Valjean gewis eerder herkend hebben dan Thénardier zulks deed.

Waarom had Jean Valjean het klooster van Klein-Picpus verlaten? Wat was er gebeurd?

„Er was niets gebeurd.”

Men weet, dat Jean Valjean in het klooster gelukkig was, zoo gelukkig, dat zijn geweten zich eindelijk verontrustte. Hij zag Cosette dagelijks, terwijl het vaderlijk gevoel meer en meer in hem ontwaakte en zich ontwikkelde; hij nam het kind geheel in zijn hart op, hij zeide bij zich zelven, dat het hem behoorde en niets het hem kon ontrukken; dat dit altijd zoo zou blijven; dat zij zekerlijk non zou worden, wijl zij hiertoe dagelijks zacht werd aangespoord; dat dus het klooster zoowel voor hem als voor haar, voortaan de wereld zou zijn; dat hij er oud en zij er groot zou worden; dat zij er oud worden en hij er sterven zou; dat eindelijk, welk een zoet vooruitzicht! geen scheiding meer mogelijk was. Doch bij de overweging van dit alles, geraakte hij toch in verlegenheid. Hij onderzocht zich zelven. Hij vroeg zich, of al dat geluk hem wel behoorde; of het niet uit het geluk van een ander bestond, uit het geluk van het meisje, ’t welk hij, oude man, zich toegeëigend had en bij zich verborg; of dit geen diefstal was? Hij zeide tot zich zelf, dat dit kind het recht had het leven te kennen, vóór er afstand van te doen, dat, zoo hij haar vooraf, en zonder haar te raadplegen, alle vreugde afsneed, onder het voorwendsel haar voor alle verzoekingen te bewaren, en van haar onwetendheid en afzondering gebruik maakte om een kunstmatige roeping in haar aan te kweeken – hierdoor een menschelijke natuur geweld werd aangedaan en God belogen. En wie weet of Cosette, dit eenmaal ontwarende en een non tegen haar zin zijnde, hem ten slotte niet zou haten. Deze laatste, schier zelfzuchtige en minder edelmoedige gedachte dan de andere, was hem ondragelijk. Hij besloot het klooster te verlaten.

Hij nam dat besluit en erkende met leedwezen, dat hij moest. Tegenbedenkingen had hij niet. Een vijfjarig verblijf en verdwijning tusschen deze vier muren hadden noodwendig alle redenen van vrees vernietigd of verdreven. Gerust kon hij onder de menschen wederkeeren. Hij was ouder geworden en alles was veranderd. Wie zou hem nog herkennen? Zoo het ergste mocht gebeuren, was er slechts gevaar voor hem zelven, en hij had het recht niet Cosette tot het klooster te doemen, omdat hij tot het bagno veroordeeld was geweest. Wat is overigens het gevaar tegenover den plicht? Eindelijk, niets belette hem voorzichtig te zijn en voorzorgen te nemen.

Cosette’s opvoeding was overigens bijna voltooid.

Toen hij zijn besluit genomen had, wachtte hij de gelegenheid af. Deze bood zich spoedig aan. De oude Fauchelevent stierf. Jean Valjean verzocht gehoor bij de hoogwaardige priorin en zeide haar, dat hem bij den dood zijns broeders een kleine erfenis was toegevallen, welke hem vergunde, voortaan stilletjes te kunnen leven, waarom hij den dienst van het klooster ging verlaten en zijn dochter medenam; maar aangezien het niet billijk zou zijn dat Cosette, nu ze haar gelofte niet deed, kosteloos opgevoed was geworden, verzocht hij nederig de eerwaardige priorin het klooster, ter vergoeding der vijf jaren die Cosette er in had doorgebracht, een som van vijf duizend francs te mogen aanbieden.

Alzoo verliet Jean Valjean het klooster der Eeuwige Aanbidding. Toen hij het verliet, droeg hij zelf, zonder het aan een kruier te willen toevertrouwen, het kleine valies, van ’t welk hij steeds den sleutel bij zich droeg. Dit valies wekte Cosette’s nieuwsgierigheid, uithoofde der kamferlucht die het verspreidde.

Laat ons bij deze gelegenheid zeggen, dat dit valies hem voortaan niet meer verliet. Het was altijd in zijn kamer. Het was het eerste en soms het eenige voorwerp, dat hij bij zijn verhuizingen medenam. Cosette lachte er om, en noemde dit valies, „de onafscheidbare,” en zeide, dat zij er jaloersch op was.

Overigens verscheen Jean Valjean niet zonder bezorgdheid weder in de vrije lucht.

Hij vond het huis in de straat Plumet en trok zich hier terug. Van nu af nam hij den naam van Ultime Fauchelevent aan.

Tezelfder tijd huurde hij twee andere woningen in Parijs, om minder de aandacht te trekken, dan wanneer hij altijd in dezelfde wijk ware gebleven, om desnoods bij de minste ongerustheid zich te kunnen verwijderen, en eindelijk om niet weer zonder toevlucht te zijn als in den nacht toen hij zoo wonderdadig aan Javert ontsnapt was. ’t Waren uiterlijk twee zeer ellendige en armoedige woningen in twee ver van elkander verwijderde wijken, de eene in de Westerstraat, de andere in de straat van den gewapenden Man.

Van tijd tot tijd ging hij met Cosette nu in deze, dan in gene woning een maand of zes weken doorbrengen, zonder vrouw Toussaint mede te nemen. Hij liet er zich door de portiers bedienen en gaf zich uit voor een rentenier uit den omtrek, die een optrek in de stad moest hebben. Deze zoo deugdzame man had drie woningen in Parijs om aan de politie te ontkomen.




Tweede hoofdstuk

Jean Valjean nationale garde


Overigens woonde hij eigenlijk in de straat Plumet, waar hij op de volgende wijs zijn leven had ingericht:

Cosette bewoonde met de dienstbode het paviljoen, zij had de groote slaapkamer met de geschilderde paneelen, het boudoir met de vergulde lijsten, het salon van den president met tapijten en groote stoelen, en den tuin. Jean Valjean had in Cosette’s kamer een ledikant met hemel van drieërlei kleur van oud damast doen plaatsen en den vloer doen beleggen met een oud fraai Perzisch tapijt, dat in de straat Figuier-Saint-Paul bij vrouw Gaucher was gekocht, en om het statige van deze ouderwetsche pracht eenigszins te temperen, had hij er allerlei bevallige en sierlijke kleine meubelstukken voor jonge dames bijgevoegd, étagère, boekenkast met vergulde boeken, papeterieën, een met paarlemoer ingelegd werktafeltje, een zilveren vergulde nécessaire, en een toilet van Japansch porselein. Lange, driekleurige damasten gordijnen met rooden grond als die van het ledikant hingen voor de vensters van de eerste verdieping. Voor de vensters beneden hingen geborduurde gordijnen. Den ganschen winter was het huisje van Cosette van boven tot beneden verwarmd. Jean Valjean zelf bewoonde de soort van portierswoning achter op de plaats, met een matras op een bed met zeelen, een withouten tafel, twee matten stoelen, een aarden waterkan, eenige boeken op een plank, zijn dierbaar valies in een hoek, maar altijd zonder vuur. Hij at met Cosette, en had een zwart brood voor zich op de tafel. Toen vrouw Toussaint bij hem in dienst kwam, had hij haar gezegd: „De jongejuffrouw is de meesteres des huizes.” – „En gij, mijnheer?” had vrouw Toussaint verwonderd gevraagd. „Ik ben veel meer dan de heer des huizes, ik ben de vader.”

Cosette had in het klooster de huishouding geleerd, en regelde de uitgaven, die zeer matig waren. Alle dagen ging Jean Valjean met Cosette aan den arm wandelen. Hij leidde haar naar het Luxembourg in de minst bezochte laan, en alle Zondagen naar de mis, altijd in St. Jacques du Haut-Pas, wijl deze kerk ver af was. Aangezien deze wijk zeer arm is, gaf hij er veel aalmoezen, en de armen omringden hem in de kerk, ’t geen hem den brief van Thénardier had bezorgd: „Aan den weldadigen Heer van de kerk van Saint-Jacques du Haut-Pas.” Gaarne ging hij met Cosette de behoeftigen en kranken bezoeken. Geen vreemde had toegang in het huis der straat Plumet. Vrouw Toussaint bracht de mondbehoeften, en Jean Valjean zelf ging het water aan een nabijgelegen pomp op den boulevard halen. Het hout en de wijn werden bewaard in een half onderaardsch hol, dicht bij de deur in de Babelstraat, dat eertijds den heer president tot grot had gediend; want in dien tijd was er geen liefde zonder grot.

In de deur aan den kant der Babelstraat was een bus voor brieven en dagbladen; maar de drie bewoners van het paviljoen der straat Plumet ontvingen noch dagbladen noch brieven, zoodat deze bus, die vroeger had gediend voor de ontvangst van minnebrieven en liefdezaken, nu enkel de waarschuwingen van den ontvanger der belastingen en de wachtbriefjes ontving. Want de rentenier Fauchelevent was nationale garde; hij had aan de dichte maliën der volkstelling van 1831 niet kunnen ontsnappen. Het onderzoek van het stedelijk bestuur, destijds gedaan, had zich tot het klooster van Klein-Picpus uitgestrekt, waaruit Jean Valjean, voor het oog der mairie, als uit een ondoordringbare en heilige wolk, eerwaardig, en bijgevolg waardig om de wacht te betrekken, gekomen was. Drie of viermaal ’s jaars trok Jean Valjean zijn uniform aan en betrok de wacht. Hij deed dit gaarne, want ’t was voor hem een volkomene vermomming, die hem onder de menschen mengde en toch alleen liet. Jean Valjean had zijn zestigste jaar reeds bereikt, welke ouderdom hem van den dienst vrijstelde; maar hij scheen niet ouder dan vijftig; bovendien had hij volstrekt geen lust zich aan zijn sergeant-majoor te onttrekken en met zijn kommandant den graaf de Lobau te kibbelen; hij verborg zijn naam, zijn identiteit, zijn ouderdom; hij verborg alles, en, zooals wij gezegd hebben, was hij een nationale garde met goeden wil. Zijn eenige eerzucht bestond in op ieder te gelijken, die zijn burgerplichten volbrengt. Het ideaal voor dezen man was voor het innerlijke de engel, voor het uiterlijke de burger.

Wij moeten hier evenwel op een bijzonderheid opmerkzaam maken: wanneer Jean Valjean met Cosette uitging, kleedde hij zich, zooals wij gezien hebben, en had eenigszins het voorkomen van een oud-officier. Wanneer hij alleen uitging en dit was gewoonlijk ’s avonds ’t geval, droeg hij steeds een buis en broek als een werkman, en een pet welker klep zijn gezicht bedekte. Was dit voorzichtigheid, of nederigheid? Beide tegelijk. Cosette was aan het raadselachtige zijns levens gewoon en merkte nauwelijks de zonderlingheden van haar vader op. Vrouw Toussaint vereerde Jean Valjean en vond alles goed wat hij deed. – Op zekeren dag zeide de slager, die even Jean Valjean gezien had: „’t Is een rare snaak.” Zij antwoordde: „’t Is een heilige.”

Nooit gingen Jean Valjean, Cosette of vrouw Toussaint uit of in het huis dan door de deur in de Babelstraat. Zonder hen door het tuinhek te zien, zou ’t bezwaarlijk te raden zijn geweest, dat zij in de straat Plumet woonden. Dat hek bleef altijd gesloten. Jean Valjean had den tuin woest laten liggen, ten einde de aandacht er niet op te vestigen.

Hierin bedroog hij zich misschien.




Derde hoofdstuk

Bladeren en bloesems


Deze alzoo sedert een halve eeuw aan zich zelven overgelaten tuin was inderdaad buitengewoon en fraai geworden. Veertig jaren geleden bleven de voorbijgangers in de straat staan om hem te bezien, zonder te vermoeden, welke geheimen achter zijn frisch, dicht struikgewas scholen. Menig denker heeft destijds zekerlijk zijn oogen en zijn gedachten tevens nieuwsgierig door de traliën van het gesloten, waggelend hek gewrongen, dat zich tusschen twee met mos begroeide pilaren bevond, met een kroonwerk van zonderlinge, onverklaarbare arabesken.

Men zag er een steenen bank in een hoek en een paar beelden, tegen den muur eenig rottend latwerk; maar geen sporen van paden of bedden; overal onkruid. De tuinier was heengegaan, maar de natuur was teruggekeerd. Het onkruid tierde welig, een gelukkige omstandigheid voor een arm hoekje grond. De hondsbloemen hielden er feest. Niets in dezen tuin belemmerde het heilig streven van het geschapene naar leven; er heerschte onweerhouden groeikracht. De boomen hadden zich naar de struiken gebogen, de struiken waren tot de boomen opgestegen, de plant had zich geslingerd, wat op de aarde kruipt had zich vereenigd met ’t geen zich in de lucht ontwikkelt; wat in den wind wuift, had zich gebogen naar ’t geen in het mos wemelt; stammen, takken, vezelen, struiken, ranken, doornen hadden zich gemengd, verward, dooreen gekronkeld; de groeikracht had hier in een klein en nauw bestek, op een oppervlakte van driehonderd vierkante voeten, onder het tevreden oog van den schepper de heilige verborgenheid van haar broederschap, het zinnebeeld der menschelijke broederschap, gevierd en voltrokken. Deze tuin was geen tuin meer, maar één colossaal struikgewas, dat wil zeggen iets dat ondoordringbaar is als een woud, bevolkt als een stad, trillend als een vogelnestje, somber als een kerk, geurig als een bloemruiker, eenzaam als een graf, levendig als een volksdrom.

In de lente deelde dit groote bosschage, vrij achter zijn hek en tusschen zijn vier muren, in den algemeenen arbeid der ontkieming en van den liefdegloed, trilde het bij de opgaande zon schier als een dier, dat den invloed der cosmische liefde in zijn aderen voelt zieden; dan zijn weelderig groen haar in den wind schuddende, bestrooide het de vochtige aarde, de half vergane beelden, de bouwvallige stoep van het paviljoen en zelfs de keien der eenzame straat met bloemen en sterren, met dauw en paarlen, met vruchtbaarheid, schoonheid, leven, vreugd en geur. Des middags dartelden er duizenden witte vlinders, en ’t was een heerlijk schouwspel deze levende zomersneeuw in de schaduw te zien dwarlen. Hier, in deze bekoorlijke duisternissen van het groen, spraken een menigte ongekunstelde stemmen zachtkens tot de ziel, en wat het gekweel had vergeten, voltooide het gegons. Des avonds steeg een wasem van droomerij uit den tuin op en vervulde hem; een lijkwade van nevel, een hemelsche, kalme droefgeestigheid overdekte hem; de zoo bedwelmende geur der kamperfoelie en winde verbreidde zich van alle zijden als een vluchtig, bedwelmend vergif; men hoorde de laatste tonen der meerlen en vinken onder de twijgen wegsterven, men gevoelde er die heilige vertrouwelijkheid van den vogel en den boom; des daags verlevendigt het gevogelte de bladeren, des nachts beschermen de bladeren het gevogelte.

In den winter was het bosschage donker, vochtig, steil opgericht, bibberend, en liet het een weinig het huis zien. Men zag dan in plaats van bloemen in de twijgen en dauw op de bloemen, de lange zilveren strepen der slakken op het kille dikke tapijt van dorre bladeren; maar op allerlei wijzen, hoe men ze ook beschouwde, in alle jaargetijden, in de lente, des winters, des zomers, in den herfst, ademde deze kleine plek weemoed bespiegeling, eenzaamheid, vrijheid, ’s menschen afwezendheid, Gods tegenwoordigheid; en het oude verroeste hek scheen te zeggen: deze tuin behoort mij.

Niettegenstaande heel Parijs er omheen lag, de klassieke en prachtige hôtels der straat Varennes er zich dicht bij bevonden, de dom der Invaliden zeer dicht bij was, de kamers der gedeputeerden niet ver waren; niettegenstaande de koetsen der Bourgogne- en St. Dominique-straten statig in de nabuurschap rolden, de gele, bruine, witte en roode omnibussen elkander op het nabijgelegen plein kruisten – was en bleef de straat Plumet een woestenij; en de dood der voormalige bezitters, een voorbijgegane omwenteling, de verwoesting van vroegere rijkdommen, afwezendheid, vergetelheid, veertigjarige verlatenheid en ledigheid waren voldoende geweest om in dit bevoorrechte oord varens, scheerling, duizendblad, wild gras en woekerplanten, hagedissen, kevers, alle soorten van insecten terug te brengen; om uit de diepte der aarde een onbeschrijfelijk wilde en woeste grootschheid tusschen deze vier muren te doen opstijgen, en te bewerken, dat de natuur, die de kleingeestige inrichtingen van den mensch verijdelt, en zich daar geheel uitstort, waar zij zich uitstort, evenzeer in de mier als in den arend, zich in een kleinen Parijschen tuin met even veel macht en majesteit ontwikkelde, als in een maagdelijk woud der nieuwe wereld.

Niets is werkelijk klein; wie zich aan de onderzoekingen der natuur wijdt, weet dat. Hoewel de wijsbegeerte zich evenmin beroemen kan op het aangeven der oorzaak als op de bepaling der werking, verzinkt toch de aanschouwer in grondelooze verrukking bij deze werkingen der natuurkrachten, die alle tot éénheid voeren. Alles werkt tot het geheel.

De algebra is van toepassing op de wolken; de straling der sterren is ten voordeele der roos; geen denker zou durven zeggen, dat de geur van den witten hagedoorn geheel zonder invloed op de sterren is. Wie kan dus den loop van een stofdeeltje berekenen? Wat weten wij er van, of de vorming van werelden niet door den val van zandkorrels wordt veroorzaakt? Wie kent toch de wederzijdsche eb en vloed van het oneindig kleine, den weerklank der oorzaken in de afgronden van het bestaan, en de lawinen der eeuwigheid. Een mijtje is van gewicht; het kleine is groot, het groote is klein; alles staat in noodzakelijk evenwicht; welk een vreeselijk visioen voor den geest!

Wezens en zaken zijn met elkander in wonderbare betrekking, in het onmetelijk geheel hebben mijt en zon, heeft het een het ander noodig. Het licht voert de aardsche geuren niet in het blauw des hemels op, zonder te weten wat er meê te doen; de nacht deelt aan de slapende bloemen het uitvloeisel der sterren mede. Al de vogels die vliegen hebben den draad van het oneindige aan den poot. De ontkieming ligt zoowel in het ontstaan van een luchtverschijnsel als in het pikken der zwaluw, die het ei breekt, en zij bewerkt evenzeer de geboorte van een aardworm als de verschijning van een Sokrates. Waar de telescoop eindigt, begint de microscoop. Wie van de twee heeft het scherpste gezicht. Men kieze. Een schimmelplekje is een melkweg van bloemen; een nevelvlek een gewemel van sterren. ’t Is dezelfde, maar nog meer wonderbare overeenstemming der dingen van den geest met de werkingen van de stof. De elementen en beginselen mengen, vereenigen, verbinden, vermenigvuldigen zich de eene door de andere, zoodat zij tegelijk de stoffelijke en de zedelijke wereld in het licht brengen.

De oneindige cosmische wisselingen strekken zich over alles uit, en vormen een ontzaggelijke machine, welker eerste beweegkracht een mug en welker laatste rad de dierenriem is.




Vierde hoofdstuk

Verandering van het hek


Het scheen of deze tuin, eertijds geschapen om onzedelijke verborgenheden te omsluieren, was herschapen en geschikt geworden om kuische verborgenheden te beschermen. Er waren geen priëelen, geen grasperken, geen hutjes, geen grotten meer; maar er was een heerlijke duisternis, die als een sluier over alles hing. Paphos was in Eden veranderd. Deze plek scheen door een of andere boetedoening gereinigd. Deze bloementuin bood thans haar bloemen aan de ziel. Deze sierlijke tuin, eertijds zeer onteerd, was weder rein en schuldeloos geworden. Een president, geholpen door een tuinier, hadden hem voor de zinnelijkheid gevormd, gesnoeid, gedraaid, opgeschikt en ingericht; maar de natuur had hem teruggenomen, met schaduw gevuld en voor de reine liefde bereid.

In deze eenzaamheid was insgelijks een geheel gereed hart. De liefde behoefde zich slechts te vertoonen; zij had er een tempel uit loof, gras, mos, vogelengekweel en zachte duisternis; en een ziel uit zachtheid, geloof, deugd, hoop, wenschen en illusiën gevormd.

Cosette had, schier als kind, het klooster verlaten; zij was iets ouder dan veertien jaar, in den zoogenoemden „ondankbaren leeftijd.” Zooals gezegd is, scheen zij, behalve de oogen, eer leelijk dan mooi. Zij had wel is waar geen onaangename trekken, maar zij was houterig, mager, verlegen en stoutmoedig tevens, kortom een groot „klein” meisje.

Haar opvoeding was voltooid; men had haar namelijk den godsdienst, en ook en bovenal uiterlijke vroomheid geleerd; voorts de „geschiedenis”, namelijk wat in ’t klooster dus genoemd wordt, de aardrijkskunde, de spraakkunst, de deelwoorden, de koningen van Frankrijk, een weinig muziek, teekenen enz.; overigens kende zij niets, ’t geen tevens een bekoorlijkheid en een gevaar is. De ziel van een meisje mag niet in de duisternis blijven; later ontstaan er als in een camera obscura te plotselinge en te levendige lichtbeelden in. Zij moet zacht en behoedzaam verlicht worden, meer door den weerschijn der werkelijkheid, dan door haar rechtstreeksch en scherp licht. Door een heilzaam en behagelijk halflicht wordt de kinderlijke angst verdreven en voor den val behoed. Slechts het moederlijk instinct, deze wonderbare ingeving, die de herinneringen der maagd met de ondervinding der vrouw vereenigt, weet op welke wijs dit halflicht moet samengesteld zijn en aangebracht worden. Niets kan dit instinct vervangen. Voor de vorming van een jong meisje kunnen al de geestelijke zusters der wereld niet tegen ééne moeder opwegen.

Cosette had geen moeder gehad. Zij had slechts vele moeders gehad.

Jean Valjean bezat wel alle teederheden en bezorgdheden tevens in zich, maar hij was een oud man, die volstrekt niets wist.

En hoeveel wetenschap is er niet noodig voor dat werk der opvoeding, voor deze gewichtige zaak, als de voorbereiding eener vrouw tot het leven, om tegen deze groote onwetendheid op te wegen, die de onschuld wordt genoemd!

Niets maakt een meisje vatbaarder voor hartstocht dan het klooster. Het klooster richt de gedachte naar het onbekende. Het hart, tot zich zelf verwezen, graaft en verdiept zich, wijl het zich niet kan uitstorten en uitzetten. Vandaar al die visioenen, gissingen, veronderstellingen, romantische beelden, gewenschte avonturen, luchtkasteelen in de duisternis van den geest gebouwd, donkere, geheime verblijven, waar de hartstochten dadelijk huisvesting vinden, zoodra het hek geopend is en zij er binnen kunnen gaan. Het klooster is een beperking die, om het menschelijk hart te kunnen betoomen, het geheele leven moet duren.

Toen Cosette het klooster verliet, kon zij niets liefelijker en gevaarlijker vinden dan het huis in de straat Plumet. ’t Was de voortzetting der eenzaamheid met het begin der vrijheid, een gesloten tuin, maar een krachtige, weelderige en prikkelende natuur; overigens dezelfde droomen als in het klooster, maar daarbij soms een blik op jongelingen; een hek, maar aan de straat.

Zij was echter, wij herhalen het, toen zij er kwam, een kind. Jean Valjean gaf haar dien woesten tuin. Doe er mede wat ge wilt, sprak hij. – Cosette vermaakte zich en zocht in het gebladerte en onder de steenen diertjes; zij speelde er, tot de dag kwam dat zij er droomen zou; zij beminde dien tuin om de insecten, welke zij onder haar voeten in het gras vond, tot de dag kwam, dat zij hem zou beminnen om de sterren, welke zij er door de takken heen boven zich zou zien.

Overigens beminde zij haar vader, namelijk Jean Valjean, met haar gansche ziel, met een naïeve kinderlijke liefde, die den goeden man een gewenscht en aangenaam gezelschap voor haar maakte. Men herinnere zich, dat de heer Madeleine veel las; Jean Valjean was hiermede voortgegaan en dit had hem geleerd te spreken; hij bezat den verborgen schat en de welsprekendheid van een bescheiden en gezond verstand, dat zich zelf gevormd heeft. Hem was juist zooveel ruwheid overgebleven om zijn goedheid daarmede te temperen; hij was ruw van geest en zacht van hart. Wanneer zij in den tuin van het Luxembourg te zamen waren, onderrichtte hij haar over alles wat hij gelezen, en ook wat hij geleden had. Met verstrooiden blik luisterde Cosette naar hem.

Deze eenvoudige man was voor den geest van Cosette evenzeer voldoende als de verwilderde tuin voor haar oogen. Wanneer zij een geruime poos vlinders had vervolgd, kwam zij buiten adem bij hem en zeide: „O! wat heb ik geloopen!” Hij kuste haar teederlijk.

Cosette vereerde den goeden man. Immer was zij hem op de hielen. Waar zich Jean Valjean bevond, was het voor haar goed. Wijl Jean Valjean noch in het paviljoen, noch in den tuin kwam, beviel het haar beter op de geplaveide achterplaats, dan in den tuin vol bloemen, beter in het kleine vertrek met matten stoelen, dan in het ruime salon met tapijten belegd en met zachte armstoelen bezet. Jean Valjean zeide haar soms, met een glimlach van geluk, omdat hij gestoord werd: „Maar ga toch naar uw kamer. Laat mij een oogenblik alleen!”

Zij beknorde hem dan zoo bekoorlijk en teeder, als slechts een dochter tegen haar vader vermag.

„Vader, ik word koud hier bij u; waarom legt ge hier geen kleed en zet een kachel?”

„Mijn lief kind, er zijn zooveel menschen die beter zijn dan ik, en die zelfs geen dak boven hun hoofd hebben.”

„Waarom is er dan vuur en al het overige bij mij?”

„Wijl ge een vrouw en een kind zijt.”

„Zoo! moeten de mannen dan koude lijden en slecht wonen?”

„Sommige mannen.”

„Goed, ik zal hier zoo dikwijls komen, dat ge wel genoodzaakt zult zijn te stoken.”

Zij zeide hem nog:

„Vader, waarom eet ge zulk gemeen brood?”

„Daarom, mijn dochter.”

„Nu, zoo gij het eet, zal ik het ook eten.”

En opdat Cosette geen zwart brood zou eten, at Jean Valjean wit brood.

Cosette herinnerde zich slechts flauw haar kindsheid. Zij bad ’s morgens en ’s avonds voor haar moeder, welke zij niet gekend had. De Thénardiers waren als twee leelijke droombeelden in haar geheugen gebleven. Zij herinnerde zich dat zij „eens in een nacht” water in een bosch had gehaald. Zij meende, dat het zeer ver van Parijs was. Het scheen haar alsof haar leven in een afgrond was begonnen, waaruit Jean Valjean haar getrokken had. Haar kindsheid maakte op haar den indruk, als van een tijd toen zij door niets dan duizendpooten, spinnen en slangen omgeven was. Wanneer zij zich ’s avonds, vóór zij insliep, aan haar gedachten overgaf, verbeeldde zij zich, bij gemis van een juist begrip hoe zij de dochter van Jean Valjean en hij haar vader was, dat de ziel van haar moeder in dien goeden man was overgegaan en alzoo nu bij haar woonde.

Wanneer hij zat, legde zij haar wang tegen zijn wit haar en liet zij er soms in stilte een traan op vallen, denkende: „deze man is misschien mijn moeder.”

Cosette, hoewel ’t zonderling klinken moge, had, in de diepe onwetendheid van een meisje, dat in het klooster is opgevoed, en wijl buitendien het moederschap voor de maagdelijkheid volkomen onbegrijpelijk is, zich eindelijk verbeeld, dat zij misschien geen moeder gehad had. Immers kende zij niet eens den naam dezer moeder. Telkens wanneer zij er Jean Valjean naar vroeg, zweeg hij. Zoo zij haar vraag herhaalde, antwoordde hij met een glimlach. Eenmaal drong zij er op aan, en toen ging zijn glimlach in een traan over.

Deze stilzwijgendheid van Valjean hulde Fantine in nacht.

Was het voorzichtigheid? was het achting? was het uit vrees dien naam aan de toevallen van een ander geheugen dan het zijne over te leveren?

Zoolang Cosette klein was, had Jean Valjean haar gaarne van haar moeder gesproken; toen zij jongedochter was geworden, werd hem dit onmogelijk. ’t Scheen hem, alsof hij niet meer durfde. Was het om Cosette? Was het om Fantine? Hij gevoelde een soort van godsdienstige huivering om deze schim in Cosette’s gedachte te brengen en de doode in hun beider lot in te voeren. Hoe heiliger voor hem deze schim was, hoe meer hij haar scheen te vreezen. Hij dacht aan Fantine en gevoelde zich tot stilzwijgen gedwongen. Onduidelijk zag hij in de duisternis iets, dat naar een vinger op een mond geleek. Was deze kuischheid, die in Fantine geweest en gedurende haar leven met geweld uit haar gedreven was, dadelijk na haar dood tot haar wedergekeerd, om, verontwaardigd, de rust dezer doode te beschermen en, schuw, haar in ’t graf te bewaken? Voelde Jean Valjean er onbewust den druk van? Wij, die aan den dood gelooven, behooren niet tot hen, welke deze geheimzinnige verklaring zouden verwerpen. ’t Was hierom voor Valjean onmogelijk, zelfs tegen Cosette, den naam Fantine uit te spreken.

Op zekeren dag zeide Cosette tot hem:

„Vader, van nacht heb ik mijn moeder in den droom gezien. Zij had twee groote vleugels. In haar leven moet mijn moeder schier een heilige zijn geweest!”

„Door haar lijden,” antwoordde Jean Valjean.

Overigens was Jean Valjean gelukkig.

Wanneer Cosette met hem uitging, leunde zij op zijn arm en was fier en gelukkig uit de volheid van haar hart. Bij al deze teekenen van een zoo uitsluitende en met hem alleen tevredene liefde, voelde Valjean zijn ziel in zaligheid opgelost.

De arme man trilde, overstroomd door hemelsche weelde; met verrukking hield hij zich overtuigd, dat dit zijn geheele leven zou duren; hij zeide in zich zelven, dat hij inderdaad niet genoeg geleden had, om zulk een schitterend geluk te verdienen, en dankte God uit de diepte zijner ziel, wijl Hij vergunde, dat hij, de ellendige, door dit onschuldig wezen zoo bemind werd.




Vijfde hoofdstuk

De roos bespeurt dat zij een wapen is


Op zekeren dag zag Cosette toevallig in den spiegel en zeide: „He!” Het kwam haar bijna voor, dat zij mooi was! Dit bracht haar in een zonderlinge onrust. Tot hiertoe had zij aan haar gezicht niet gedacht. Zij zag in den spiegel, maar nam zich niet op. Bovendien had men haar dikwerf gezegd, dat zij leelijk was; Jean Valjean alleen zeide zacht: „Wel neen, wel neen!” Hoe het zij, Cosette had altijd gemeend, dat zij leelijk was, en was met de gemakkelijke berusting der kindsheid in dat denkbeeld groot geworden. Maar zie, eensklaps zeide haar de spiegel, evenals Jean Valjean: „Wel neen!” Zij sliep den ganschen nacht niet. – Indien ik schoon ware! dacht zij; hoe aardig zou het zijn als ik schoon ware! – En zij herinnerde zich die harer kloostergezellinnen, die om haar schoonheid beroemd waren, en zij zeide bij zich zelve: Hoe! zou ik op mejuffrouw die of die gelijken!

Den volgenden dag beschouwde zij zich, maar niet toevallig, en zij twijfelde. – „Waar waren mijn gedachten?” zeide zij; „neen, ik ben leelijk!” ’t Was alleen, omdat zij slecht geslapen had, omdat haar oogen flauw waren en haar gezicht bleek was. Het geloof aan haar schoonheid had haar den vorigen dag niet zoo buitengewoon verheugd, maar nu was zij treurig, er niet meer aan te gelooven. Zij beschouwde zich niet meer, en langer dan veertien dagen beproefde zij zich te kappen met den rug naar den spiegel gekeerd.

Des avonds na het middagmaal was zij gewoon in het salon te borduren, of eenigen kloosterarbeid te verrichten, terwijl Jean Valjean bij haar las. Eens sloeg zij de oogen van haar werk op, en was zeer verwonderd over de ongeruste wijze, waarop haar vader haar aanschouwde.

Een anderen keer meende zij op de straat iemand, die achter haar ging, en dien zij niet zag, te hooren zeggen: Een schoone dame, maar slecht gekleed. „O,” dacht zij, „dat geldt mij niet. Ik ben leelijk, maar goed gekleed.” – Zij droeg toen haar pluchen hoed en merinossen kleed.

Zekeren dag, eindelijk, was zij in den tuin en zij hoorde de oude vrouw Toussaint zeggen: „Hebt gij wel opgemerkt, mijnheer, hoe mooi de jongejuffrouw wordt?” Cosette hoorde niet wat haar vader antwoordde; de woorden van vrouw Toussaint veroorzaakten haar een soort van schok. Zij verliet den tuin, ging naar haar kamer, ijlde voor den spiegel, zij had zich sedert drie maanden niet beschouwd, en slaakte een kreet. Zij was over zich zelve verbijsterd.

Zij was schoon en lief; zij kon zich niet beletten, de meening van vrouw Toussaint en van haar spiegel te deelen. Haar vormen waren weelderig, haar vel was blank, heur haar zacht en glanzend; een onbekende gloed schitterde in haar blauwe oogen. Eensklaps, in een minuut, als bij het ontstaan van een helder licht, was zij zich haar schoonheid bewust geworden; anderen hadden ’t immers reeds opgemerkt, vrouw Toussaint zeide het; ’t was blijkbaar dat de voorbijganger van haar gesproken had, er was geen twijfel; nu keerde zij naar den tuin terug, en waande zich een koningin; zij meende de vogels te hooren zingen, hoewel het winter was; zij zag den hemel verguld, de zon in het geboomte, bloemen aan de struiken, zij was opgetogen, in een onuitsprekelijke verrukking.

Jean Valjean gevoelde van zijn kant een innige, onbegrijpelijke hartsbeklemming.

Inderdaad, sedert eenigen tijd had hij met schrik de toenemende schoonheid opgemerkt, die dagelijks schitterender op het zachte gelaat van Cosette verscheen. Voor alle anderen een bekoorlijk morgenrood; alleen voor hem een somber.

Cosette was langen tijd schoon geweest, zonder het op te merken. Maar reeds van den beginne af deed dit onverwachte licht, ’t welk langzaam opging en trapswijs de geheele gestalte van het meisje omhulde, de sombere oogen van Jean Valjean pijnlijk aan. Hij gevoelde, dat het een verandering zou zijn in een gelukkig leven, zoo gelukkig, dat hij er niet aan durfde roeren, uit vrees er iets in te verstoren. Deze man, die alle tegenspoeden had doorgestaan, die nog bloedde door de verwondingen van zijn lot, die bijna slecht was geweest en schier een heilige was geworden, die na de ketenen van het bagno te hebben gesleept, nu de onzichtbare, maar zware keten der eindelooze eerloosheid sleepte, deze man, dien de wet niet had losgelaten, en die elk oogenblik weder gevat en uit de verborgenheid zijner deugd in het helder licht der openbare schande kon worden gebracht, deze man berustte in alles, verschoonde alles, vergaf alles, zegende alles, wilde allen goed, en bad alleen van de Voorzienigheid, van de menschen, van de wetten, van de maatschappij, van de natuur, van de wereld, dit eenige: dat Cosette hem mocht beminnen.

Dat Cosette hem bij voortduring mocht beminnen, dat God het hart van dit kind niet belette tot hem te komen en bij hem te blijven. Door Cosette bemind, gevoelde hij zich genezen, gerust, bevredigd, gelukkig, beloond en bekroond. Door Cosette bemind, was hij zalig; hij verlangde niets meer. Zoo men hem gevraagd had: Wilt gij iets meer? zou hij geantwoord hebben: Neen. Zoo God hem gevraagd had: Wilt gij den Hemel? zou hij geantwoord hebben: Ik zou er bij verliezen.

Al wat dezen toestand kon aanraken, ware het slechts zeer licht en oppervlakkig, deed hem beven, als ware het ’t begin van iets anders. Nooit had hij recht geweten wat de schoonheid eener vrouw was; maar door instinct begreep hij, dat dit iets vreeselijks kon zijn.

Deze schoonheid, die zich allengskens overweldigend en trotsch, aan zijn zijde, onder zijn oogen ontwikkelde op het tevens argeloos en belangrijk gelaat van het meisje, aanschouwde hij van uit zijn leelijkheid, zijn ouderdom, zijn ellende, zijn verworpenheid, zijn bedruktheid met ontzetting. Hij dacht: „Hoe schoon is zij! Wat zal van mij worden!”

Hierin bestond overigens het verschil tusschen zijn liefde en de liefde eener moeder. Wat hij met angst zag, zou een moeder met vreugd hebben gezien.

De eerste verschijnselen vertoonden zich spoedig.

Van den dag, dat zij bij zich zelve had gezegd: Inderdaad, ik ben schoon! stelde Cosette meer belang in haar kleeding. Zij herinnerde zich de woorden van den voorbijganger: Mooi, maar slecht gekleed – de stem van een orakel, die langs haar gegaan en verdwenen was, na in haar hart een der beide kiemen te hebben gelegd, die later het geheele leven der vrouw zullen vervullen, de coquetterie. De liefde is de andere kiem.

Met het geloof aan haar schoonheid, ontwikkelde zich in haar de gansche vrouwelijke ziel. Zij had een afkeer van het merinos en schaamde zich over het pluche. Haar vader had haar nooit iets geweigerd. Eensklaps was zij ingewijd in de geheimen van den hoed, van het kleedje, van de mantille, van het laarsje, van de manchette, van de stof die goed staat, van de kleur die past, deze wetenschap, die van de Parijsche vrouw iets zoo bekoorlijks, zoo innemends, zoo gevaarlijks maakt. Het woord femme capiteuse is voor de Parijsche vrouw uitgevonden, ’t beteekent, dat men eene vrouw niet kan aanschouwen zonder als betooverd te worden.

In minder dan een maand was de kleine Cosette in de onaanzienlijke Babelstraat niet alleen een der schoonste vrouwen, en dat beteekent iets, maar zij was een der best gekleede dames van Parijs, wat veel meer wil zeggen. Zij zou gaarne den bewusten „voorbijganger” ontmoet hebben, om te hooren wat hij nu zou zeggen. Zij was inderdaad in alle opzichten bekoorlijk, en wist verwonderlijk een hoed van Gerard van een hoed van Herbaut te onderscheiden.

Angstig sloeg Jean Valjean deze verandering gade. Hij gevoelde, dat hij zelf nooit anders dan zou kunnen kruipen, of ten hoogste gaan, en zag dat Cosette vleugels kreeg.

Overigens zou een vrouw reeds op ’t eerste gezicht van Cosette’s kleeding gezien hebben, dat zij geen moeder had. Zekere kleine voegzaamheden, zekere bijzondere aangenomen gebruiken waren door Cosette niet in acht genomen. Een moeder, bij voorbeeld, zou haar gezegd hebben, dat een jong meisje geen damast draagt.

Den eersten keer toen Cosette in haar zwart damastzijden kleed en mantilje, en haar witkrippen hoed uitging, nam zij, vroolijk, opgewekt, blozend, fier en schitterend den arm van Jean Valjean. – „Vader,” vroeg zij, „hoe vindt ge mij nu?” Jean Valjean antwoordde, met een stem, welke bitter was als die van een afgunstige: „Bekoorlijk.” – Op de wandeling was hij voorts als gewoonlijk. Te huis komende vroeg hij Cosette:

„Wilt ge uw kleed en hoed van vroeger niet meer dragen?”

Dit had plaats in de kamer van Cosette. Cosette wendde zich naar de kleerkast, waar haar kloosterkleeding nog hing. „Deze plunje!” zeide zij. „Vader, wat zal ik daarmeê doen? O neen, die leelijke dingen draag ik niet meer. Met dat ding op ’t hoofd heb ik veel van een oude schoonmaakster.”

Jean Valjean zuchtte diep.

Van dien oogenblik af, merkte hij op, dat Cosette, die vroeger altijd wilde te huis blijven, zeggende: Vader, ik vermaak mij hier beter met u, nu steeds wenschte uit te gaan. Inderdaad, waartoe dient een fraaie gestalte en een keurige kleeding, zoo men ze niet laat zien.

Ook merkte hij op, dat Cosette niet meer dezelfde liefde voor de achterplaats had. Nu was zij het liefst in den tuin en wandelde niet zonder vermaak voor het hek. Schuw, zette Jean Valjean den voet niet in den tuin, hij bleef op zijn achterplaats, als de hond.

Nu Cosette wist dat zij schoon was, verloor zij het bekoorlijke dier onwetendheid; een uitnemende bekoorlijkheid; want de schoonheid, door argeloosheid opgeluisterd, is onbeschrijfelijk, en niets is heerlijker dan een schitterende onschuld, die, zonder het te weten, in haar hand den sleutel van een hemel heeft. Maar wat zij aan naïeve bevalligheid verloor, won zij aan ernstige, peinzende bekoorlijkheid. Haar geheele persoon, doordrongen door de vreugden der jeugd, der onschuld en der schoonheid, ademde een betooverende zwaarmoedigheid.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/viktor-gugo/de-ellendigen-deel-4-van-5/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


