De Ellendigen (Deel 5 van 5)
Victor Hugo




Victor Hugo

De Ellendigen (Deel 5 van 5)





Boek I

De oorlog tusschen vier muren





Eerste hoofdstuk

De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel


De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis gezien heeft.

Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.

Het janhagel valt het algemeen recht aan; de ochlocratie staat op tegen den demos.

Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, dan die der onterfden.

Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus Christus.

Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassen bewonderd heeft.

Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige woorden sprak: Fex urbis, lex orbis.

De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar verzet, vereert hij haar. ’t Is een dier zeldzame oogenblikken, wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van den plicht gaat met verscheuring van ’t hart gepaard.

Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat oproer moest bestreden worden, en ’t was plicht, want het viel de republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het volk tegen zich zelf.

Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen afdwaling; het zij ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.

De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.

De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der voorstad steunenden, verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? ’t Was het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles ’t onderstboven! ’t Was de samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. ’t Was grootsch en klein! ’t Was de afgrond, door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, ’t was vreeselijk. ’t Was de acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor op den 10


 Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op haar korf geweest. Was ’t een haag? Was ’t een dronkenmanspartij? Was ’t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de bedelaar wegwerpt, en die tevens woede en het niet bevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; ’t was geen gevecht, ’t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. ’t Was een mesthoop en ’t was Sinaï!

Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en ’t was de Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.

Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is een heldin.

De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.

De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in het wanstaltige; de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.

Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille du Temple, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige Romeinsche muren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop maakte; ’t was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.

De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.

’t Was de barricade der voorstad van den Tempel.

Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd en somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.

Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer verloochent zich niet.

In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.

Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.

Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug, zorgende dat hun schako’s er niet boven uitkwamen.

De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade huiverend. – „Welk een bouwstuk!” zeide hij tot een vertegenwoordiger. „Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. ’t Is zoo glad als porselein.” – Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.

„De lafaards!” zeide men. „Dat zij voor den dag komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.” De barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.

De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du Temple was de stilte. Deze beide schansen boden het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere een masker.

Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.

Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.

Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van Herkules was.

Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.

Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas! Barthélemy Cournet. ’t Was een treurig tweegevecht. Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: de zwarte vlag.




Tweede hoofdstuk

Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten


Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.

Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.

Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke men als op den muur van een citadel kon klimmen.

Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de schade hersteld en de lijken weggevoerd.

Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.

Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze woorden te griffen:



Leven de volken!


Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men nog op dien muur in 1848.

De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts gebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, ’t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.

Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.

Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, die een ambulance was geworden, lagen op matrassen en bossen stroo vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden het eerst verbonden.

In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.

„’t Is hier de doodenkamer,” zei Enjolras.

In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.

De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.

Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.

Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, onvermijdelijk het wrak der Medusa. Men moest zich aan den honger onderwerpen. ’t Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: „Waarom? ’t Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!”

Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.

Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de keldertrap opging, zeide hij: „’t Is van den ouden voorraad van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest.” – „’t Moet een fijn wijntje zijn,” merkte Bossuet op. „Gelukkig, dat Grantaire slaapt. Zoo hij wakker was, zou ’t moeielijk zijn deze flesschen te redden.” – In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.

Tegen twee uren ’s morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog zeven-en-dertig man.

De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op ’t hoofd van den doode.

„Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,” zei Courfeyrac tot Feuilly. „De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het beeft.”

De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.

Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende wijsbegeerte:

„Wat is de kat?” sprak hij. „’t Is een middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij: „Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping.”

Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van Cabuc, alsmede van Enjolras’ strenge droefheid. Hij zeide:

„Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus, Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, om dien zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest.”

En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.

„Cesar,” zei Combeferre, „viel met recht. Cicero was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde, regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing van Christus’ aangezicht. Cesar werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in ’t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.”

Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven de sprekers stond, riep:

„O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als een Griek van Laurium of van Edapteon!”




Derde hoofdstuk

Verlichting en verduistering


Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had hij zich door de steeg Mondétour begeven.

De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden afgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren ’s morgens zou een regiment, „dat men bewerkt had” omkeeren; des middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.

Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.

Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een zwerm bijen gelijkende.

Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide hij:

„Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik heb de schako’s van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten.”

Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.

Dat oogenblik was kort.

Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:

„Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet verlaten.”

Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met daverenden bijval werden zij toegejuicht.

Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; ’t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.

Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6


 Juni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: „Men moge ons te hulp komen of niet, ’t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man.”

Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.




Vierde hoofdstuk

Vijf minder, een meer


Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon zegevierend was:

„Leve de dood! Blijven wij allen hier!”

„Waarom allen?” vroeg Enjolras.

„Allen! Allen!”

Enjolras hernam:

„De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn voldoende. Waarom er veertig geofferd?”

Zij antwoordden:

„Wijl niemand zal willen heengaan.”

„Burgers!” riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, „de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals iedere andere.”

Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die almacht mocht zijn, men morde echter.

Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:

„Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken.”

Het gemor vermeerderde.

„’t Is overigens,” merkte een stem in een groep aan, „gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld.”

„Niet aan den kant der Hallen,” zei Enjolras. „De straat Mondétour is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents bereiken.”

„En dáár,” hernam een andere stem in de groep, „zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten.”

Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en beiden gingen in het benedenvertrek.

Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako’s.

„Met deze uniformen,” zei Enjolras, „mengt men zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier.”

En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.

Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam het woord.

„Welaan,” zeide hij, „men moet een weinig medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil ’t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdieping heeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou ’t zelfde wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! ’t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; ’t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. ’t Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve gezonde kind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had altijd honger. ’t Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en ’t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, de moeders, de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn.”

Allen lieten treurig het hoofd zinken.

Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der anderen en vergat de zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was „zelfzuchtig!”

Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.

Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.

Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.

Hij verhief de stem en sprak:

„Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!”

Niemand verroerde zich.

„De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit het gelid!” herhaalde Marius.

Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, maar Marius was er de redder van.

„Ik beveel het,” riep Enjolras.

„Ik verzoek het,” zei Marius.

Toen, door Combeferre’s woorden verteederd, door ’t bevel van Enjolras geschokt en door Marius’ bede bewogen, begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden. „Inderdaad,” zei een jongeling tot een bejaard man, „gij zijt huisvader. Ga” – „Ga gij veeleer,” antwoordde de man, „gij hebt twee zusters te onderhouden.” – En een wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.

„Haasten wij ons,” zei Courfeyrac, „binnen een kwartier zal het te laat zijn.”

„Burgers,” hernam Enjolras, „’t is hier de republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten.”

Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.

„Er zijn vijf man!” riep Marius.

Er waren slechts vier uniformen.

„Welnu,” zeiden de vijf, „dan moet er één blijven.”

En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.

„Gij hebt een vrouw, die u bemint.” – „Gij hebt een oude moeder.” – „Gij hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?” – „Gij zijt vader van vijf kinderen.” – „Gij hebt recht te leven; ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven.”

Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen verwonderden zich volstrekt niet over elkander.

„Haast u!” herhaalde Courfeyrac.

Uit de groepen riep men tot Marius:

„Wijs gij dengene aan, die blijven moet.”

„Ja,” zeiden de vijf, „kies gij. Wij zullen u gehoorzamen.”

Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog bleeker had kunnen worden.

Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen ziet, riep hem toe:

„Mij! mij! mij!”

En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij zijn blik op de vier uniformen.

In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op de vier andere.

De vijfde man was gered.

Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.

Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.

Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.

Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk kunnen doorkomen.

De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: ’t is waarschijnlijk versterking, en in ’t ergste geval een gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.

Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem opgemerkt, want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.

De opschudding was onbeschrijfelijk.

„Wie is deze man?” vroeg Bossuet.

„’t Is,” antwoordde Combeferre, „een man, die anderen redt.”

Marius voegde er met ernstige stem bij:

„Ik ken hem.”

Deze waarborg was voor allen voldoende.

Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:

„Wees welkom, burger.”

En hij voegde er bij:

„Gij weet dat men hier sterven moet.”

Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform aantrekken.




Vijfde hoofdstuk

Welken horizont men van de kruin der barricade ziet


De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten top gevoerd.

Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is samengevat.

Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig is, hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:

„Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer. – Het wezenlijke door het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids gezien. De amphyctionen hadden jaarlijks twee vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn schoot. ’t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, ’t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, ’t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van ’t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, ’t is hier de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan.”

Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van het verstand het geritsel der bladeren.




Zesde hoofdstuk

Marius verwilderd, Javert lakonisch


Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.

Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden slechts met de oogen van een doode.

Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.

Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.

Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: „ik ken hem.”

Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang geleden, dat hij hem niet gezien had, ’t geen, wegens den bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.

De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de achterblijvenden.

Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.

„Hebt ge aan iets behoefte?” vroeg hem Enjolras.

Javert antwoordde:

„Wanneer zult ge mij dooden?”

„Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig.”

„Geef mij dan iets te drinken,” zei Javert.

Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden was hielp hij hem drinken.

„Is dat alles?” vroeg Enjolras.

„Ik bevind mij slecht aan dezen paal,” antwoordde Javert. „’t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals ’t u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.”

En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.

Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel ledig was.

Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond om zijn beenen een sterk, dun touw ’t welk hem veroorloofde korte schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men hem stevig gebonden neerlegde.

Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.

Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen neder en zeide bij zich zelven niets dan: „’t is zeer natuurlijk.”




Zevende hoofdstuk

De toestand wordt erger


Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende zich. ’t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers een akelige stilte aan. De straat St. Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche straten.

Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.

De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek der vijf personen, had men haar nog verhoogd.

Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar geen uitgang. „’t Is een vesting,” zei Courfeyrac glimlachend, „maar tevens een muizenval.”

Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.

Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.

Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.

Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.

Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, loopt in één punt samen en verandert zich in afwachting van den aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.

Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich bij een soort van schietgat geplaatst had, ’t welk hij zich had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs den straatsteenen muur. ’t Waren de hanen der geweren, die werden overgehaald.

Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt dan een reddingsplank.

Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.

Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen, dreunden.

De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde der straat.

Een kanonstuk verscheen.

Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.

„Vuur!” riep Enjolras.

De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.

Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop richt.

„Bravo, kanonniers!” riep Bossuet.

En de geheele barricade klapte in de handen.

Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de barricade.

„Nu aan ’t werk!” riep Courfeyrac. „Ziedaar den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt.”

„’t Is een achtponder, nieuw model en van brons,” voegde Combeferre er bij. „Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen om het stuk leggen.”

„In de zestiende eeuw,” merkte Bossuet op, „had men gegleufde kanonnen.”

„Ja,” antwoordde Combeferre, „dit vermeerdert wel de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus op Napoleon.”

„Laadt opnieuw,” zei Enjolras.

Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.

De angst was groot in de barricade.

Het schot ging af en donderde.

„Present!” riep een vroolijke stem.

Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, sprong Gavroche er in.

Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.

Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.

De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, ’t geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.

„Gaat zoo voort,” riep Bossuet tot de artilleristen.




Achtste hoofdstuk

De artilleristen nemen het ernstig op


Men omringde Gavroche.

Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend ter zijde en vroeg:

„Wat komt ge hier doen?”

„Wel,” hernam de knaap. „En gij dan?”

En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.

Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.

Op strengen toon hernam Marius:

„Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief bezorgd?”

Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen onderscheiden. ’t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.

„Burger,” zeide hij, „ik heb den brief aan den portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben.”

Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.

Hij moest zich met de helft van ’t geen hij wilde tevreden stellen.

De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den heer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent en vroeg:

„Kent ge dien man?”

„Neen,” zei Gavroche.

Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts in de duisternis gezien.

De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.

Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en riep: „mijn geweer!”

Courfeyrac deed het hem teruggeven.

Gavroche verwittigde „de kameraden,” zooals hij hen noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.

Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:

„Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.”

Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.

De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van hun kanonschot, hadden het niet herhaald.

Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.

Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.

„Bukt! Bij den muur!” riep Enjolras, „allen op de knieën langs de barricade!”

De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden dooreen naar de barricade; maar vóór dat Enjolras’ bevel volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. ’t Was werkelijk een schrootschot.

Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.

Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het schroot kwam er in.

Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.

„Laat ons ten minste het tweede schot beletten,” zei Enjolras.

Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.

Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen eigen, ’t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den oorlog zal dooden.

Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.

„Hoe jammer!” zei Combeferre. „Dit bloedvergieten is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat ’t een innemend jongeling is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.”

„Hij is ’t,” zei Enjolras.

„Ja,” hernam Combeferre, „ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet.”

„Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.”

En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.

Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.

Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige minuten gewonnen.




Negende hoofdstuk

Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is geweest


De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een kwartieruurs uithouden. ’t Was een volstrekte noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.

Enjolras gaf bevel:

„Er moet daar een matras gelegd worden.”

„Men heeft er geene,” zei Combeferre. „De gekwetsten liggen er op.”

Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan ’t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: „Ziedaar een geweer, dat niets uitricht.”

Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.

Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, om zich tegen de kogels te beveiligen. ’t Was een dakvenster van een huis met zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan spijkers in ’t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen duidelijk, maar fijn als een draad.

„Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?” zei Jean Valjean.

Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.

Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.

Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing nu nog slechts aan één touw.

Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee droogstokken en viel op de straat.

De barricade juichte.

Alle stemmen riepen:

„Wij hebben de matras!”

„Ja,” zei Combeferre, „maar wie zal ze halen?”

De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen de belegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, ’t welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat terug.

Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam in de barricade terug.

Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.

Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet lang uit.

Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was verkregen. De barricade was behoed.

„Burger,” zei Enjolras tot Jean Valjean, „de republiek dankt u.”

Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:

„’t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. ’t Is de zegepraal van ’t geen buigt op ’t geen woedt. Om ’t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos maakt!”




Tiende hoofdstuk

De dageraad


Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.

Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, op de achterplaats van het huis uitziende. Cosette wist niets van ’t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had: „Er schijnt iets gaande te zijn.” Cosette had niet lang, maar goed geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, ’t geen misschien een weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.

Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij ondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd. – Sinds drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te komen. – En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen. – Het was klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.

Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd aangenomen; alles was zeker en gewis. ’t Was reeds erg genoeg, drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, ’t was verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst tegen een onbekende, die zij zelve is. ’t Is voor haar zeer natuurlijk, gelukkig te zijn. ’t Is alsof zij hoop inademt.

Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.

Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat men laat vallen, zich verbergt, en hoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: ’t is gedaan; zij zijn verloren; ’t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had gesproken.

Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel en het lichaam, haar gebed en haar toilet.

Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag ’t geheel niet.

’t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in de schaduw; ’t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat zich ontbloot, deze hemelsche halve naaktheid, die zich zelve schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, ’t betaamt niet, dit alles te beschrijven; ’t is reeds te veel het aan te duiden.

Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing ontheiliging.

Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes ontwaking mededeelen.

Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.

Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, ’t geen destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar zou komen.

Eensklaps begon zij te schreien. ’t Was geen aandoenlijkheid van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; ’t was haar toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zij zeide bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.

Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God vertrouwde.

Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was bepaald onmogelijk.

Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij zeide: ’t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en dicht slaat. ’t Waren de kanonschoten tegen de barricade.

Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: „vermenigvuldigt u” lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een maagd verwekt.




Elfde hoofdstuk

Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt


Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van Corinthe leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten verwijderen. ’t Is overigens een tactiek bij den aanval van barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde niet.

Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van de hoogste verachting.

„Goed,” zeide hij, „scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig.”

Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide tot het kanon:

„Ge begint te beuzelen, goede man.”

Men intrigueert in een gevecht als op een bal.

’t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn blik viel lijnrecht in de barricade.

„Dat is een lastige toeschouwer,” zei Enjolras.

Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij had zijn geweer.

Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.

Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.

„Waarom hebt ge den man niet gedood?” vroeg Bossuet aan Jean Valjean.

Jean Valjean antwoordde niet.




Twaalfde hoofdstuk

De wanorde als handlanger der orde


Bossuet fluisterde Combeferre in ’t oor:

„Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.”

„’t Is een man, die goed doet met geweerschoten,” zei Combeferre.

Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van het vaderland.

’t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. ’t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.

Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene kapitein ging op eigen gezag in ’t vuur; deze of gene nationale garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren echte guerillero’s, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van de pen als Henry Fonfrède.

De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde haar, naar zijn zienswijze; en de eerste de beste nam de taak op zich de maatschappij te redden.

De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk een geïmproviseerde rechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het recht geeft een andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: „’t Is ook een St. Simonist!” en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het woord „Saint-Simon,” gelezen en geroepen: „Doodt hem!”

Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, „den opstand in zijn vet lieten gaar koken.” Maar hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl ’t geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.

Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, „razenden,” zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men ’t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst volbracht, kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de orde.

Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras. – De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onze ammunitie voor niets verspillen.

Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook zijn ’t gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het quid divinum lost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.




Dertiende hoofdstuk

Voorbijgaande flikkeringen


In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal tusschenpoozen van hoop.

Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der Chanvreriestraat.

„Hoort,” riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; „mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.”

’t Is stellig, dat in den morgen van den 6


 Juni de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: „Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer zal doen.” Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: „Wij zijn verloren, zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.”

Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men haastte zich, deze beginselen van brand uit te dooven. Men wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, ’t welk aan een botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:

„Deze gekwetsten komen niet van ons.”

De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een half uur was de hemel donker; ’t was als een bliksem zonder donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten hardnekkigen treft.

De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier barricaden wijden, die nog stand hielden.

De zon rees aan den horizon.

Een opstandeling zeide tot Enjolras:

„Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten te hebben?”

Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.




Veertiende hoofdstuk

Waarin men den naam van Enjolras’ geliefde lezen zal


Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een spottend woord voor.

„Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe oude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, ’t is maar hoesten.”

En men lachte rondom hem.

Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.

„Ik bewonder Enjolras,” zei Bossuet. „Zijn onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, ’t geen hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggen dapper, maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; ’t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken te zijn. ’t Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.”

Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: „Patria.”

Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:

„Iets nieuws!”

En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij er bij:

„Ik heet achtponder.”

Inderdaad, een nieuw personage was op ’t tooneel verschenen. ’t Was een tweede stuk geschut.

De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij bij het eerste.

Dit bespoedigde de ontknooping.

Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.

Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier kanonnen vormden een akelige echo.

De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.

Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat beukten, schoot het eene schroot, het andere kogels.

Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.

Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.

Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.

„Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,” zei Enjolras en hij riep: „Vuur op de artilleristen!”

Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.

„’t Gaat goed,” zei Bossuet tot Enjolras. „Wij slagen.”

Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:

„Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden geen tien patronen meer zijn.”

Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.




Vijftiende hoofdstuk

Gavroche buiten


Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.

Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.

„Wat doet ge daar?” vroeg Courfeyrac.

Gavroche zag even op en zeide:

„Ik vul mijn mand, burger.”

„Ziet ge dan het schroot niet?”

Gavroche antwoordde:

„Welnu, het regent. Wat zou dat?”

Courfeyrac riep:

„Ga binnen!”

„Aanstonds,” zei Gavroche.

En met een sprong was hij verder in de straat.

Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij een rij lijken had achtergelaten.

Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat verspreid. ’t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; een voorraad patronen voor de barricade.

De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.

Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor Gavroche.

Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.

Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot opent.

Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.

Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.

„Voor den dorst,” zeide hij den hoorn in den zak stekende.

Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat zich in den kruitdamp bewoog.

Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag, van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.

„Verduiveld!” zei Gavroche. „Nu gaat men mijn dooden dooden.”

Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem springen. Een derde wierp zijn mand om.

Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der voorstad kwam.

Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht en hij zong:

		On est laid à Nanterre,
		C’est la faute à Voltaire,
		Et bête à Palaiseau.
		C’est la faute à Rousseau.[1 - Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.]

Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door een geweerkogel getroffen.

Gavroche zong:

		Je ne suis pas notaire,
		C’est la faute à Voltaire,
		Je suis petit oiseau,
		C’est la faute à Rousseau.[2 - Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.]

Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet te ontlokken.

		Joie est mon caractère,
		C’est la faute à Voltaire,
		Misère est mon trousseau.
		C’est la faute à Rousseau.[3 - Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.]

Dit ging eenigen tijd zoo voort.

’t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een couplet. Men mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd. De nationale garden en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij zong. ’t Was geen kind, ’t was geen man; ’t was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.

Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:

		Je suis tombé par terre,
		C’est la faute à Voltaire,
		Le nez dans le ruisseau,
		C’est la faute à…[4 - Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van…]

Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.




Zestiende hoofdstuk

Hoe men van broeder vader wordt


In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg, – want de blik van het drama moet overal zijn. – twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden ’t voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: „Ik heb grooten honger.”

De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.

Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.

Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek der barrière d’Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest: invenerunt parvulum pannis involutum[5 - Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.], de tent van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.

Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.

Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.

Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der „verlaten kinderen,” welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten van Parijs vindt.

Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als kinderen recht op bloemen hebben.

Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en hadden de beide overtreders niet gezien.

Het had den vorigen avond geregend en ook ’s morgens nog een weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als ’t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles druipnat, des namiddags is alles stof.

Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en door de zon gedroogd is; ’t is een warme frischheid. De tuinen en weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te oefenen.

Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des hemels aanschouwende, zeggen: ’t is genoeg! droomers, die, in het wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartig tevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor hen voldoende. Het eindige, ’t welk de omvatting toelaat, deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De mensch lijdt, ’t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun ziel. ’t Is een familie van tevens kleine en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.

’t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster in het midden van het voorhoofd.

De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?

Maar wien kan men dan vertrouwen? Solem quis dicere falsum audeat?[6 - Wie zou de zon verkeerd durven noemen?] Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verheven menschen, sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.

Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren ’s morgens het Luxembourg, eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken van dezen gloed.

Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een kinderhandje dat men kust.

De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en schenen te dartelen.

Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.

Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich gewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. ’t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en zeide: „De lente houdt parade in groot tenue.”

De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; ’t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel een weinig, ’t geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.

De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te verbergen. ’t Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.

Nu en dan hoorde men bij ’t draaien van den wind onduidelijke kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de verte.

Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde nu en dan zacht: „Ik heb honger.”

Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een grooten koek in de hand.

Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de bewoners gebruik maakten, wanneer de hekken gesloten waren; welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit een dier huizen.

De twee arme kinderen zagen den „heer” naderen en verscholen zich nog meer. ’t Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven „van alle uitspattingen te vermijden.” Hij had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.

Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne was.

In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, ’t geen hun hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.

Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:

„De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over.”

Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en het gerucht luider.

„Wat is dat?” vroeg het knaapje.

De vader antwoordde:

„’t Zijn Saturnaliën.”

Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter het groene hok der zwanen stonden.

„Dat is het begin,” zeide hij.

Na eenig zwijgen voegde hij er bij:

„De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.”

Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en begon te schreien.

„Waarom schreit ge?” vroeg de vader.

„Ik heb geen honger meer,” antwoordde het knaapje.

De glimlach des vaders kwam meer uit.

„Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.”

„Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.”

„Ge wilt hem niet?”

„Neen.”

De vader wees hem de zwanen.

„Werp hem den zwanen toe.”

De knaap aarzelde. ’t Is nog geen reden zijn koek weg te geven, wanneer men niet meer lust.

De vader hernam:

„Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben.”

En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.

De koek viel dicht aan den kant van ’t water.

De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.

De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich trok.

Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren betaamt.

„De zwanen begrijpen de seinen,” zei de burger, die zich verheugde, zoo schrander te zijn geweest.

In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad toe. ’t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk over de zon.

De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.

„Keeren wij naar huis,” zei de vader. „Men bestormt de Tuilerieën.”

Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:

„Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het zal geweerschoten regenen.”

Hij zag naar de wolk.

„Misschien zal ’t ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis.”

„Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,” zei het knaapje.

De vader antwoordde:

„’t Zou onvoorzichtig zijn.”

En hij voerde zijn kleinen burger mede.

De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien voor hem verborg.

Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.

Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.

Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.

Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in ’t water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:

„Ziedaar, stop dit in uw maag.”




Zeventiende hoofdstuk

De doode vader wacht den stervenden zoon.[7 - Mortuus pater filium moriturum expectat.]


Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde terug met de mand patronen; Marius met den knaap.

„Helaas!” dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.

Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.

Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.

Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius’ hoofd mede.

Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den grijsaard en den knaap.

Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had medegebracht.

Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.

Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde hij het hoofd.

„Een rare zonderling,” zei Combeferre zacht tot Enjolras. „’t Is hem mogelijk in deze barricade niet te vechten!”

„’t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,” antwoordde Enjolras.

„Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,” hernam Combeferre.

En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:

„Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.”

Het verdient opmerking, dat het vuur, ’t welk de barricade teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden van het schrootvuur tot hem zeggen: „Wij zijn hier als aan een ontbijt van jongelieden.” Zooals wij zeiden, scheen de barricade der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard aan den somberen genius Epidotas wijdende.

Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet zeide tot Feuilly: „Wij zullen spoedig per diligence naar de andere planeet vertrekken.” Courfeyrac legde en rangschikte op eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een geheel arsenaal: zijn stokdegen, zijn geweer, twee ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op ’t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.




Achttiende hoofdstuk

De gier prooi geworden


Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden eigen is. Niets van ’t geen dezen merkwaardigen straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.

Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn slechts een visioen.

In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom gehad te hebben.

Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; ’t is meer en ’t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, waarop bloed kleefde; ’t was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende diepten aanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.

Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.

Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het slaan eener klok.

„’t Is middag,” zei Combeferre.

Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte der barricade met donderende stem:

„Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de vensterbanken. De helft der manschappen in ’t geweer, de andere helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.”

Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in slagorde aan het einde der straat. ’t Kon niet anders dan de spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren ze te bestormen.

Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de Clermont-Tonnerre, in 1822, den „halsstrik” noemde.

Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.

Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.

„Wie zal ze drinken?” vroeg Bossuet.

„Zij,” antwoordde Enjolras.

Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te sluiten.

De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de slottoren.

Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde der barricade.

Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; daarop volgt de donder.

Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun dood een meesterstuk moest zijn.

Hij zeide tot Marius: „Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op.”

Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.

Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:

„De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.”

Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.

„Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te vernielen. Heeft men ze?”

„Ja,” zeide Feuilly.

„Hoeveel?”

„Twee bijlen en een houweel!”

„Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren zijn er?”

„Vier-en-dertig.”

„Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben.”

Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en zeide tot hem:

„Ik vergeet u niet.”

En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:

„De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den kop jagen.”

„Hier?” vroeg een stem.

„Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren en fusilleeren.”

Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was Javert.

Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:

„Zijt gij de kommandant?”

„Ja.”

„Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.”

„In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius Pontmercy en u.”

„Meent ge, dat ik een belooning verdien?”

„Zekerlijk.”

„Welnu, dan verzoek ik ze.”

„Welke?”

„Dat ik dezen man doodschiet.”

Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare beweging, en zeide:

„Juist zoo.”

Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag rondom zich.

„Heeft niemand er iets tegen?”

Toen zich tot Jean Valjean wendende:

„Neem den spion.”

Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.

Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.

„Geeft acht!” riep Marius van den top der barricade.

Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:

„Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.”

„Allen naar buiten!” riep Enjolras.

De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun rug zeggen:

„Tot straks!”




Negentiende hoofdstuk

Jean Valjean wreekt zich


Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.

Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine passen doen.

Jean Valjean had het pistool in de hand.

Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar hen gekeerd.

Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.

Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg Mondétour overklimmen.

Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen lijken een gruwzamen hoop.

Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. ’t Was Eponine.

Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste bedaardheid:

„Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.”

Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.

Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:

„Javert, ik ben het.”

Javert antwoordde:

„Neem nu uw wraak.”

Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.

„Een mes!” riep Javert. „Gij hebt gelijk. Dat past u beter.”

Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:

„Ge zijt vrij.”

Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij stond onbewegelijk, met open mond.

Jean Valjean hernam:

„Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van Fauchelevent, in de straat de l’Homme-Armé No. 7 woon.”

Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, en tusschen de tanden mompelde hij:

„Pas op!”

„Ga,” zei Jean Valjean.

Javert hernam:

„Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l’Homme-Armé?”

„Nommer zeven.”

Javert herhaalde halfluid: „nommer zeven.”

Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean Valjean toe:

„Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!”

Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot hem sprak.

„Ga heen,” zei Jean Valjean.

Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den hoek der Predikersstraat om.

Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:

„’t Is verricht.”

Inmiddels was het volgende gebeurd:

Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion niet nauwkeurig opgemerkt.

Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich den politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.

Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich zelven de vraag: „Is dit niet die inspecteur van politie, die mij zeide, dat hij Javert heette?”

’t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of ’t werkelijk deze Javert was.

Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade geplaatst had:

„Enjolras!”

„Wat?”

„Hoe heet die man?”

„Wie?”

„De politieagent. Kent ge zijn naam?”

„Ja. Hij heeft hem ons gezegd.”

„Hoe heet hij?”

„Javert.”

Marius richtte zich op.

Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.

Jean Valjean kwam terug en riep: „’t Is geschied.”

Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.




Twintigste hoofdstuk

De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk


De doodsstrijd der barricade zou beginnen.

Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijn en wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.

Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.

In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren – dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.

Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!

De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt. – Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des te erger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet. – En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.

Wien moet men beschuldigen?

Niemand en iedereen.

De onvolkomen tijden, welke wij beleven.

’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.

Maar is het wel ondankbaarheid?

Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.

Neen, uit dat van het individu.

De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.

God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.

Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende toeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.

Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.

Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.

Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede. – Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.

Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood – iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft met het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.

Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.

Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.

Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.

Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.

Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.

Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaan zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/viktor-gugo/de-ellendigen-deel-5-van-5/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.




2


Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.




3


Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.




4


Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van…




5


Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.




6


Wie zou de zon verkeerd durven noemen?




7


Mortuus pater filium moriturum expectat.


