Oud en nieuw
Selma Lagerlöf




Selma Lagerlöf

Oud en nieuw



Het Algemeen Handelsblad:

Het is zoo spannend, zoo vol mooie en goede dingen, dit boek van sagen en wonderlijke verhalen. Het is een boek van een heerlijke, schitterende phantasie, waarin verteld wordt van veel slechts maar van meer goeds, van veel hardheid maar van meer teederheid, van veel misdadigs maar van meer berouw, van veel ongeluk, maar van meer, zij het ook duur gekocht, geluk. Het is een boek van echte poëzie, verteld op de manier die velen Scandinaviërs tegenwoordig eigen is, zonder beschouwingen over en beschrijvingen van hun personen, maar met korte, treffende aangeving van saillante trekken, pittig en prikkelend tegelijk.

Wie aan dit boek begint, zal er niet mee willen uitscheiden, vóór hij het geheel genoten heeft.

Het Vaderland:

Deze royaal uitgegeven en goed vertaalde roman is een bijzondere mengeling van het werkelijke en het fantastische, van waarheid en verdichting. Het is een vreemd boek, maar een dat den lezer niet loslaat en veel te denken geeft. De ons onbekende schrijfster is een bijzonder en oorspronkelijk talent; men zou zeggen, dat er in haar iets van Cervantes is gevaren. Daarmee is veel, niet te veel gezegd. „Gösta Berling” is een boek om tweemaal te lezen.

De Kerkelijke Courant:

Zelden kwam ons zonderlinger en daarbij echt mooier boek ter hand dan „Gösta Berling”. Zonderling. De geschiedenis van een afgezetten predikant en daarin oude sagen, legenden, allervreemdste toestanden en gewone menschen, alles met een moed door elkander gemengd, of men dat alles dagelijks ontmoet. Maar mooi! De Zweedsche schrijfster Selma Lagerlöf, die in Margaretha Meijboom een uitstekende vertaalster vond, is geen gewone vrouw. Er zit een talent van meedeelen in, zóó aantrekkelijk, dat men menige bladzijde om haar fijne opmerkingen en haar diepen ernst tweemalen overleest om te meer te genieten. Is dit, wat wij niet weten, haar eerste werk, dan bewonderen wij haar met vreeze. Het zal moeilijk zijn een tweede te schrijven, dat niet in de schaduw staat.




DE KERSTROOS


De rooversvrouw, die in 't roovershol boven in 't Göingebosch woonde, was op een dag gaan bedelen in 't dorp op de vlakte. De roover zelf was een vogelvrije en mocht niet uit het bosch komen. Hij lag maar op de loer om de reizigers op te vangen, die zich binnen den zoom van 't woud waagden. En in dien tijd, toen de roover en zijn vrouw in 't Göingebosch woonden, kwamen er niet veel reizigers in Noord-Skaane. Als het eens gebeurde, dat de roover weken aaneen geen beste vangst had, ging zijn vrouw op weg. Ze nam vijf kinderen mee, en allen hadden ze lompen van pelzen en schoenen van berkenbast aan, en droegen op den rug een zak, zoo groot als ze zelf waren. Als de rooversvrouw een deur binnenkwam, durfde niemand haar weigeren waar ze om vroeg, want ze was niet te goed om den volgenden nacht terug te komen en 't huis in brand te steken als ze niet goed ontvangen werd. De rooversvrouw en haar kinderen waren erger dan de wolven, en menigeen had lust gehad ze aan zijn speer te rijgen, maar dat gebeurde nooit, want men wist, dat de man daar in 't bosch zat en hij zou zich wel weten te wreken, als zijn vrouw of kinderen wat overkwam.

Toen nu de rooversvrouw van de eene hoeve naar de andere ging om te bedelen, kwam ze op een schoonen dag te Oved, dat in dien tijd een klooster was. Ze belde aan de kloosterpoort en vroeg om eten, en de portier deed een luikje in de poort open en reikte haar zes ronde brooden toe, één voor haar en één voor elk van de kinderen.

Maar terwijl de rooversvrouw aan de poort stond te wachten, liepen de kinderen rond. En nu kwam één van hen en trok haar aan den rok, ten teeken dat hij iets gevonden had, dat ze moest komen kijken. En de rooversvrouw ging snel met hem meê.

't Heele klooster was omgeven door een hoogen, sterken muur, maar 't kind had een kleine achterdeur ontdekt, die op een kier stond. Toen de rooversvrouw daar kwam, stootte ze dadelijk de deur open en ging binnen zonder verlof te vragen, zooals ze gewoonlijk deed.

Maar het klooster te Oved werd toen bestuurd door den abt Hans, die een plantkundige was. Hij had binnen den kloostermuur een kleinen plantentuin aangelegd, en daar was nu de rooversvrouw binnengedrongen.

In 't eerst was zij zoo verbaasd, dat ze onbeweeglijk staan bleef. 't Was midden in den zomer, en de tuin van den abt stond zóó vol bloemen, dat het voor de oogen schemerde van blauw en rood en geel, als men er in keek. Maar al gauw speelde een vergenoegd lachen over 't gezicht van de rooversvrouw en ze begon een smal pad op te loopen, dat door veel kleine bloembedjes liep.

In den tuin liep een leekebroeder, de tuinjongen, bezig met wieden. Hij had de deur in den muur opengelaten om melde en kweekgras op den mesthoop daar buiten te kunnen gooien. Toen hij de rooversvrouw met alle vijf haar kinderen den tuin in zag komen, liep hij dadelijk op hen toe en gebood hun heen te gaan. Maar de bedelaarster bleef doorloopen. Ze liet haar oogen over alles gaan, keek nu naar de stijve witte leliën, die zich over een bed uitspreidden, dan naar het muur, dat hoog tegen den kloosterwal op groeide en stoorde zich in het minst niet aan den leekebroeder. Hij meende, dat ze hem niet verstaan had. Hij wilde haar bij den arm grijpen om haar naar den uitgang te keeren, maar toen de rooversvrouw dat merkte, zag ze hem aan met een paar oogen, die hem achteruit deden deinzen. Ze had geloopen met den rug gebogen onder haar bedelzak, maar nu richtte zij zich in haar volle lengte op.

„Ik ben de rooversvrouw uit het Göingebosch,” zei ze, „en raak me nu eens aan als je durft.” En toen ze dat gezegd had scheen ze er even zeker van te zijn, dat ze rustig voort kon gaan, alsof ze gezegd had, dat ze Koningin van Denemarken was. Maar de leekebroeder waagde opnieuw haar te storen, hoewel hij, nu hij wist wie ze was, haar beleefd toesprak.

„Je moet weten, vrouw,” zei hij, „dat dit een monnikenklooster is en dat geen vrouw in 't land binnen deze muren komen mag. Als je nu niet weggaat, worden de monniken boos op mij, omdat ik vergeten heb de deur te sluiten en ze jagen me misschien uit het klooster en uit den tuin weg.”

Maar zulke woorden hadden geen vat op de rooversvrouw. Ze ging door naar 't rozenbed en keek naar de hysop, die met licht violette bloemen bloeide, en naar de kamperfoelie, die vol geelroode bloemtrossen stond.

Toen wist de leekebroeder niet beter te doen dan naar 't klooster te loopen om hulp te halen.

Hij kwam terug met twee stevige monniken, en de vrouw van den roover zag nu, dat het ernst werd. Ze ging met de voeten ver van elkaar in 't pad staan en begon met schelle stem uit te schreeuwen hoe vreeselijk zij zich op het klooster wreken zou, als ze niet in den tuin blijven mocht, zoolang ze wilde. Maar de monniken meenden, dat ze niet bang voor haar hoefden te wezen en dachten er alleen aan hoe ze haar weg zouden krijgen. Toen hief de rooversvrouw een schel geschreeuw aan, en ze wierp zich op hen en sloeg en beet; en dat deden de kinderen ook.

De drie mannen merkten gauw, dat ze haar niet aankonden. Ze konden niet anders doen dan naar het klooster gaan en versterking halen.

Toen ze door de gang stormden, die naar het klooster leidde, ontmoetten zij den abt Hans, die toe kwam loopen om te hooren, wat er toch voor een geraas in den tuin was. Toen moesten zij bekennen, dat de rooversvrouw van het Göingebosch in het klooster gekomen was en dat ze haar niet weg konden krijgen, maar hulp moesten gaan halen.

Maar de abt verweet hun, dat ze geweld gebruikt hadden en verbood hun hulp te halen. Hij zond de beide monniken terug naar hun werk, en schoon hij een oud, gebrekkig man was, nam hij alleen den leekebroeder meê naar den tuin.

Toen de abt daar kwam, liep de rooversvrouw als te voren rond tusschen de bloembedden. En hij was een en al verbazing over haar: hij wist zeker, dat de rooversvrouw nooit in haar leven een tuin had gezien. Maar ze liep heen en weer tusschen al die bedden, die elk met hun eigen soort vreemde en zeldzame bloemen beplant waren en bekeek ze, alsof ze oude kennissen waren. 't Was alsof ze hulst en salie en rozemarijn al meer gezien had. Soms glimlachte zij en soms schudde zij het hoofd.

De abt had zijn tuin meer lief dan alle andere aardsche en vergankelijke dingen. Hoe woest en vreeselijk de rooversvrouw er ook uitzag, hij kon niet anders dan waardeeren, dat ze met drie monniken gevochten had, om dien rustig te kunnen bekijken. Hij ging naar haar toe en vroeg haar zachtmoedig of zij den tuin mooi vond.

De rooversvrouw wendde zich heftig naar hem om, want ze verwachtte niet anders dan een hinderlaag of een aanval; maar toen zij zijn witte haren en gebogen rug zag, antwoordde ze heel rustig:

„Eerst toen ik hem zag, dacht ik, dat ik nooit een mooier tuin gezien had, maar nu weet ik, dat hij niet kan opwegen tegen een anderen, dien ik ken.”

De abt had stellig een ander antwoord verwacht. Toen hij hoorde, dat de rooversvrouw een lusthof kende, die mooier was dan de zijne, verspreidde een zwakke blos zich over zijn verschrompelde wangen.

De tuinjongen, die er bij stond, begon ook dadelijk de rooversvrouw te berispen.

„Dit is de abt Hans,” zeide hij, „die zelf met groote vlijt en moeite de bloemen voor zijn tuin van verre en nabij bijeengebracht heeft. Wij weten allemaal, dat er geen rijker lusthof is in 't heele land van Skaane, en het past jou niet, jij, die 't heele jaar door in 't woeste bosch leeft, om over zijn werk te oordeelen.”

„Ik wil zijn of jouw werk niet beoordeelen,” antwoordde de rooversvrouw, „ik zeg alleen maar, dat als jelui den lusthof zien kondt, waar ik aan denk, dan zou jelui elke bloem, die hier staat, uitrukken en als onkruid weggooien.”

Maar de tuinjongen was vooral niet minder trotsch op de bloemen, dan de abt zelf, en toen hij die woorden hoorde, begon hij hoonend te lachen.

„Ik begrijp wel, vrouw,” zei hij, „dat je zoo mooi praat om ons te plagen. Dat zal wel een mooie lusthof zijn, dien je hebt aangelegd, tusschen dennen en jeneverbesstruiken in 't Göingebosch. Ik zou er mijn ziel wel om durven verwedden, dat je vroeger nooit binnen de muren van een tuin geweest ben.”

De rooversvrouw werd rood van ergernis, omdat ze zoo gewantrouwd werd, en ze riep uit: „Dat kan wel zijn, dat ik nooit te voren binnen een tuinmuur geweest ben, maar jelui monniken, die heilige menschen zijt, moest toch weten, dat het groote Göingebosch zich iederen Kerstnacht in een lusthof verandert om het geboorteuur van onzen lieven Heer te vieren. Wij, die in 't bosch leven, hebben dat nu ieder jaar bijgewoond, en in dien lusthof heb ik zulke heerlijke bloemen gezien, dat ik 't niet gewaagd heb mijn hand op te heffen om ze te plukken.”

Nu lachte de leekebroeder nog harder: „Je kunt hier nu wel staan pochen op iets wat geen mensch ooit zien kan. Maar ik geloof, dat 't niet anders dan leugens zijn, dat 't bosch het geboorteuur van Christus vieren zou op een plaats, waar zulke goddelooze menschen wonen als jij en je man.”

„En toch is dat even waar,” zei de rooversvrouw, „als dat jij niet in den Kerstnacht naar 't bosch durft te komen om het te zien.”

De leekebroeder wilde haar weer antwoorden, maar de abt gaf hem een wenk te zwijgen. Want abt Hans had er al in zijn jeugd over hooren praten, dat het bosch zich in feestgewaad tooit in den Kerstnacht. Hij had er vaak naar verlangd het te zien, maar dat was hem nooit gelukt. Hij begon nu levendig en dringend aan de rooversvrouw te vragen, of hij met Kerstnacht naar het roovershol zou mogen komen. Als zij maar een van haar kinderen zou willen sturen om hem den weg te wijzen, dan zou hij daar alleen heenrijden en hij zou hen nooit verraden, maar integendeel hen beloonen zooveel maar in zijn macht was.

Eerst weigerde de rooversvrouw, want zij dacht aan haar man en het gevaar, dat hij liep, als zij Hans naar zijn hol reizen liet. Maar toen werd toch het verlangen hem te toonen, dat de lusthof, dien zij kende, schooner was dan de zijne, haar te machtig, zoodat ze toegaf.

„Maar meer dan één metgezel mag u niet meebrengen,” zei ze. „En u mag ons geen hinderlaag leggen of ons overvallen, zoo waarachtig als u een heilig man is.”

Dat beloofde de abt, en toen ging de rooversvrouw heen. Maar de abt gebood den leekebroeder, dat hij aan niemand zou verraden, wat ze overeengekomen waren. Hij vreesde, dat zijn monniken niet zouden toestaan, dat een oud man als hij naar het roovershol zou gaan, als zij iets van zijn plan ontdekten.

Zelf was hij ook niet voornemens zijn plan met iemand te bespreken. Maar toen gebeurde het, dat de aartsbisschop Absalom van Lund op zijn reis in die buurt kwam en een nacht te Oved overbleef.

Toen de abt Hans hem zijn huis liet zien, dacht hij weer aan het bezoek van de rooversvrouw, en de leekebroeder, die daar aan 't werk was, hoorde hoe de abt aan den aartsbisschop van den roover vertelde, die veel jaren daar vogelvrij in 't bosch geleefd had en om een vrijbrief voor hem vroeg, zoodat hij weer een eerlijk leven onder de menschen kon leiden.

„Zooals het nu gaat,” zei de abt, „groeien zijn kinderen tot erger misdadigers op dan hij zelf is, en u zult gauw met een heele rooversfamilie daar in 't bosch te doen krijgen.”

Maar de aartsbisschop Absalom antwoordde, dat hij dien boozen roover niet wilde loslaten onder de eerlijke menschen op de vlakte. 't Was voor allen het beste, dat hij maar in zijn bosch bleef.

De abt kwam toen in vuur en begon aan den aartsbisschop te vertellen, dat het Göingebosch elk jaar zich in Kerstgewaad tooide om het roovershol heen.

„Als deze roovers niet erger zijn, dan dat Gods heerlijkheid zich voor hen wil vertoonen,” zeide hij, „dan kunnen ze toch niet te slecht zijn om bij de menschen genade te vinden.”

Maar de aartsbisschop had wel een antwoord klaar voor den abt. „Zooveel wil ik wel beloven, abt Hans,” zei hij en glimlachte, „dat ik, op den dag, dat u mij een bloem zendt uit dien Kersttuin in 't Göingebosch, u een vrijbrief geef voor alle vogelvrijen, waarvoor u me dat vragen wilt.”

De leekebroeder begreep wel, dat bisschop Absalom evenmin als hij het verhaal van de rooversvrouw geloofde; maar de abt merkte er niets van. Hij dankte Absalom voor zijn goede belofte en zei, dat hij hem die bloem zeker zou zenden.

De abt zag zijn wensch vervuld en den volgenden Kerstavond zat hij niet thuis op Oved, maar hij was op weg naar het Göingebosch. Een van de woeste kinderen van den roover sprong voor hem uit en als metgezel had hij den jongen, die met de rooversvrouw in den tuin gesproken had.

De abt had den heelen herfst door zeer naar deze reis verlangd en was nu heel blij, dat het er toe gekomen was. Maar met den leekebroeder was het heel anders gesteld. Hij hield bizonder veel van den abt en hij zou niet graag aan een ander hebben overgelaten met hem meê te gaan en hem te beschermen; maar hij geloofde volstrekt niet, dat zij een Kersttuin te zien zouden krijgen. Hij dacht niet anders, dan dat dit alles een strik was, dien de rooversvrouw met groote sluwheid gespannen had voor den abt, opdat hij in de handen van haar man vallen zou.

Terwijl de abt naar 't noorden door de woudstreek reed, zag hij, dat er overal toebereidselen voor het Kerstfeest gemaakt werden. In ieder boerenplaatsje werd er vuur in de badkamer aangemaakt, opdat die warm zou zijn voor het baden tegen den middag. Uit de voorraadschuur werden massa's vleesch en brood naar de kamers gedragen en van den dorschvloer kwamen de knechts met groote bossen stroo, die over den vloer gestrooid moesten worden.

Toen hij voorbij de dorpskerkjes reed, zag hij hoe de predikant en de koster bezig waren die te versieren met de mooiste altaarkleeden, die zij maar konden krijgen; en toen hij op den zijweg kwam, die naar het klooster van Bosjö leidde, zag hij, dat de armen van het klooster met stapels groote brooden en lange kaarsen aankwamen, die zij aan de kloosterpoort gekregen hadden.

Toen de abt al die toebereidselen voor het feest zag, kreeg hij nog meer haast. Hij dacht eraan, dat hem een nog grootere hoogtij wachtte, dan een van de anderen zou mogen vieren.

Maar de jongen jammerde en klaagde, toen hij zag hoe men zich ook op de kleinste hoeve voorbereidde voor het feest. Hij werd steeds angstiger en smeekte en bezwoer den abt terug te keeren en zich niet vrijwillig aan de handen van den roover over te geven.

Maar de abt zette den tocht voort, zonder zich aan zijn gejammer te storen. Hij liet al spoedig de bebouwde vlakte achter zich en kwam in de eenzame, woeste woudstreken. Hier werd de weg slechter. Die werd steenachtig en met dennennaalden bezaaid en brug noch vonder hielp hen over stroomen of beken. Hoe verder ze kwamen, hoe kouder het werd, en diep in het bosch kwamen ze aan een veld, met sneeuw bedekt.

't Was een lange en moeilijke reis door het bosch. Ze sloegen steile en glibberige zijpaden in en trokken voort over moerassen en drassige velden, drongen door hoopen afgewaaid hout en kreupelbosch heen. Juist toen het donker begon te worden, leidde het rooverknaapje hen over een wei met hooge boomen omgeven, waaronder kale loofboomen en groene naaldboomen waren. Achter dat veld verhief zich een bergwand, en daarin zagen zij een deur van dikke planken.

Nu begreep de abt Hans, dat zij aan 't eind van hun tocht gekomen waren en steeg van zijn paard.

't Kind deed de zware deur voor hem open en hij keek in een schamele berggrot, met kale steenen wanden. De rooversvrouw zat bij een houtvuur, dat midden op den vloer brandde. Tegen den wand waren bedden van dennetakjes en mos gespreid en op een daarvan lag de roover te slapen.

„Kom binnen, jelui daarbuiten,” riep de rooversvrouw, zonder op te staan, „en neem de paarden meê in de kamer, zoodat ze niet doodgaan van de nachtkou.”

De abt ging moedig de grot binnen, en de leekebroeder volgde hem. 't Was er armoedig en er was niets gedaan om 't Kerstfeest te vieren. De rooversvrouw had gebakken noch gebrouwen, ze had geveegd noch geschuurd. Haar kinderen lagen op den grond om een ketel, waar ze uit aten, en er was niets in dan een waterachtige soep.

Maar de rooversvrouw was even trotsch en waardig als een gezeten boerenvrouw. „Ga nu hier zitten, abt Hans, en warm u,” zei ze. „En als u eten bij u hebt, eet dan wat. Want het eten, dat we hier in 't bosch klaarmaken, denk ik niet, dat u smaken zal. En als u moe is na de reis, moet u later op een van die bedden daar gaan slapen. U hoeft niet bang te zijn, dat u zich verslapen zult, want ik blijf hier bij 't vuur zitten waken, en ik zal u roepen, zoodat u alles zien zult, waarvoor u gekomen is.”

De abt gehoorzaamde de rooversvrouw en nam zijn knapzak. Maar hij was zoo moe na de reis, dat hij nauwelijks kon eten en zoodra hij zich op het bed had uitgestrekt, sliep hij in. Den leekebroeder werd ook een bed aangewezen om op te rusten, maar hij durfde niet slapen. Hij meende, dat hij den roover in het oog moest houden, zoodat hij niet opstond en den abt gevangennam. Maar langzamerhand overmande zelfs hem de vermoeidheid, zoodat hij insliep.

Toen hij wakker werd zag hij, dat de abt van het bed was opgestaan en nu bij het vuur met de rooversvrouw zat te praten. De roover zat bij hen. – 't Was een lange magere man – hij zag er moe en zwaarmoedig uit. Hij zat met den rug naar den abt gekeerd en het was alsof hij niet weten wilde, dat hij naar het gesprek luisterde.

De abt vertelde aan de rooversvrouw van alle toebereidselen voor het Kerstfeest, die hij onderweg gezien had en herinnerde haar aan 't Kerstmaal en de vroolijke Kerstspelen, waar ze zeker in haar jeugd aan had meêgedaan, toen ze in vrede onder de menschen leefde.

„'t Is jammer voor uw kinderen, dat ze nooit meê mogen doen, als de anderen verkleed op straat spelen en in 't Kerststroo rollen,” zei de abt.

De rooversvrouw had eerst kort en stug geantwoord; maar langzamerhand sprak ze zachter en luisterde met meer aandacht.

Opeens keerde de roover zich naar den abt, en hield hem de gebalde vuist voor het gezicht.

„Jou ellendige monnik! ben jij hier gekomen om mijn vrouw en kinderen van mij weg te lokken? Weet je niet, dat ik vogelvrij ben en het bosch niet uit mag komen?”

De abt zag hem rustig vlak in de oogen. „Mijn plan is u een vrijbrief te bezorgen van den aartsbisschop,” zei hij.

Nauwelijks had hij dat gezegd, of de roover en zijn vrouw begonnen luid te lachen. Zij wisten wel wat voor genade een boschroover te wachten had van bisschop Absalom! – „Ja, als ik een vrijbrief van Absalom krijg,” zei de roover, „dan beloof ik je, dat ik nooit weer stelen zal, – zelfs geen gans.”

De tuinjongen was verontwaardigd, dat de roovers durfden te lachen om den abt; maar deze zelf scheen heel vergenoegd.

De jongen had hem bijna niet zoo vriendelijk en tevreden gezien bij de monniken te Oved, als hij nu bij de woeste roovers was.

Maar opeens stond de rooversmoeder op. – „U zit hier zoo te praten, abt Hans,” zei ze, „dat we vergeten op het bosch te letten. Nu hoor ik zelfs hier in de grot hoe de Kerstklokken luiden.”

Nauwelijks had ze dat gezegd of allen sprongen op en vlogen naar buiten.

Maar in 't bosch vonden ze nog duistren nacht en kouden winter. Het eenige wat ze hoorden was een ver-verwijderd klokgelui, dat werd aangedragen door een zachten zuidenwind.

„Hoe zal nu dat klokgelui dat doode bosch kunnen wekken?” dacht de abt. Want nu hij midden in de duisternis van den winter stond, geloofde hij, nog vaster dan vroeger, dat het onmogelijk was, dat hier een lusthof zou opbloeien.

Maar toen de klokken een poosje geluid hadden, ging er plotseling een lichtschijn door het bosch. Onmiddellijk daarna werd het weer even duister, – maar toen kwam het licht terug. 't Worstelde zich voort als een lichtende nevel tusschen de donkere boomen. En zooveel werkte het uit, dat de duisternis een zwak morgengloren werd.

Toen zag de abt, dat de sneeuw van het veld verdween, alsof iemand een mat wegtrok en dat de grond groen begon te worden; – massa's slangen kwamen te voorschijn, in elkaar gerold, als groote krakelingen. De erica, die op de steenhoopen groeide en de wilde rozemarijn, die in 't mos wortelde, kleedden zich snel met nieuw groen. De mosheuveltjes zwollen op en werden hooger, en lentebloemen schoten op met zwellende knoppen, die al een zweempje kleur hadden.

't Hart van den abt sloeg hevig toen hij de eerste teekenen van 't ontwaken van 't bosch zag. „Zal ik, oude man, zulk een wonder mogen zien?” dacht hij en zijn oogen schoten vol tranen.

Toen werd het weer zoo donker, dat hij vreesde, dat de nachtelijke duisternis opnieuw de overmacht zou krijgen.

Maar dadelijk kwam weer een golf van licht doorbreken. Die bracht een bruisen van beken en ontdooide watervallen mee. Toen ontloken de bladen aan de loofboomen zoo snel, alsof 't groene vlinders waren, die waren komen aanvliegen en zich op de takken hadden neergezet. En niet alleen de boomen en planten werden wakker. De kruissnavel begon in de takken heen en weer te huppelen; de specht hamerde op de stammen, dat de splinters er af vlogen. Een vlucht spreeuwen, die 't land in moesten, streken op den top van een denneboom neer om te rusten. 't Waren prachtige spreeuwen, 't puntje van elke veer was helder rood, en als de vogels zich bewogen, schitterden ze als edelsteenen.

Alles bleef een poos stil, maar toen begon het opnieuw. Een sterke, warme zuidenwind kwam aan en zaaide over het veld in het bosch al die arme zaden uit het zuiden, die door vogels en schepen en stormen aan land gebracht waren, en doordat de grond zoo hard was, er nergens zouden kunnen bloeien; en ze schoten wortel en maakten, zoodra ze den grond raakten, takken en loten.

Toen de volgende lichtgolf aankwam, bloeiden blauwbes en erica. Grauwe ganzen en kraanvogels riepen hoog in de lucht, de bergvinken bouwden hun nest, en de jonge eekhorens begonnen in de boomtakken te spelen.

Alles begon nu zoo gauw te gaan, dat de abt geen tijd had er over te denken wat een wonder er gebeurde. Hij had enkel tijd om zijn ooren en oogen te gebruiken. De volgende lichtgolf, die aankwam, bracht den geur van pas-geploegde akkers meê. Heel in de verte hoorde men de veehoedsters de koeien lokken en 't gebengel van de schapenklokjes. Den en spar werden zoo dicht met roodgoude appels bezaaid, dat de boomen glansden als zijde. De jeneverstruik kreeg bessen, die elk oogenblik van kleur veranderden. En woudbloemen bedekten het veld, zoodat het heelemaal wit en blauw en goud werd.

De abt bukte en plukte een aardbeibloesem, en terwijl hij zich weer oprichtte rijpte de aardbei. De vossenmoeder kwam uit haar schuilplaats met een heelen stoet zwartpootige jongen, ging naar de rooversvrouw, krabde aan haar kleed en de rooversvrouw boog zich neer en prees haar jongen. De nachtuil, die juist aan zijn nachtjacht begonnen was, keerde naar huis terug, verbaasd over het licht, zocht zijn spleet weer op en ging zitten slapen. De koekoek riep en zijn wijfje sloop om de nesten van de kleine vogels heen met haar ei in den bek.

De kinderen van de rooversvrouw jubelden luid van vreugd. Zij verzadigden zich aan de boschbessen, die aan struiken hingen, zoo groot als dennenappels. Een van hen speelde met een troep jonge haasjes, een ander liep om het hardst met jonge kraaien, die uit het nest gesprongen waren, eer ze volwassen waren, de derde nam een adder op van 't veld en slingerde die om hals en armen. De roover stond op het mos en at bramen. Toen hij opkeek stond er een groot zwart dier naast hem. De roover brak een wilgetakje af, en tikte er den beer mee op den neus. „Houd jij je aan jouw kant,” zei hij, „dit is mijn struikje.” Toen ging de beer achteruit en liep een anderen kant uit.

Voortdurend kwamen er nieuwe golven warmte en licht aan, en nu brachten zij eendengesnater uit den woudplas mee. Geel stuifmeel van 't roggeveld stoof door de lucht. Vlinders kwamen aan, zoo groot, alsof ze vliegende lelies waren. 't Bijennest in een hollen eik was al zoo vol van honig, dat die langs den stam neerdroop. Nu gingen ook de bloemen open, waarvan het zaad uit vreemde landen gekomen was. Rozestruiken klommen langs den bergwand op naast de bramen. En uit het veld schoten bloemen op, zoo groot als menschengezichten. De abt dacht aan de bloem, die hij voor bisschop Absalom moest plukken, maar de een groeide nog heerlijker op dan de ander en hij wilde de allerschoonste voor hem kiezen.

De eene lichtgolf na de ander kwam aan, en nu was de lucht zóó vol licht, dat ze schitterde. En al de lust en de glans en de vreugde van den zomer lachte den abt toe. Hij meende, dat de aarde geen grooter vreugde geven kon dan die hem 't hart deed zwellen over het snelle aankomen van dit schoone jaargetij. En hij zei in zich zelf: „Nu weet ik niet wat de volgende lichtgolf nog meer aan heerlijkheid brengen kan.”

Maar het licht bleef toestroomen en nu scheen het den abt toe, dat het iets uit een oneindige verte meebracht. Hij voelde, dat bovenaardsche lucht hem omgaf en hij begon, bevend van aandoening, te verwachten, dat nu eerst de aardsche vreugde gekomen was, de vreugde des hemels in aantocht was.

De abt merkte op, dat alles stil werd: de vogels zwegen, de jonge vossen speelden niet meer, en de bloemen hielden met groeien op.

De zaligheid, die naderde, was zoo groot, dat het hart wilde stilstaan, de oogen schreiden, zonder dat men het wist, – de ziel verlangde weg te mogen vliegen, de eeuwigheid in. Heel, héél van verre klonken harptonen, en bovenaardsch gezang naderde als een suizend fluistren.

De abt vouwde de handen en zonk op de knieën. Zijn gelaat straalde van zaligheid. Nooit had hij gedacht, dat het hem zou vergund worden reeds in dit leven, de vreugde des hemels te genieten en de engelen Kerstliederen te hooren zingen.

Maar achter den abt stond de tuinjongen, die met hem meê gekomen was. Hij zag het rooverbosch vol groen en bloemen en hij werd inwendig boos, omdat hij zag, dat hij nooit zoo'n lusthof zou kunnen maken, al werkte hij nog zoo hard met schoffel en spa. En hij kon niet begrijpen, dat God zulke visioenen aan dat rooversvolk verspilde, die zijn gebod niet in eere hielden.

Duistere gedachten woelden in zijn hoofd. „Dat kan geen echt wonder zijn,” dacht hij, „dat zich hier voor die misdadigers vertoont. Dat kan niet van God komen, maar moet uit tooverij ontstaan. Dit is hier gezonden door de list des duivels. 't Is de macht van den Booze, die ons behekst en ons dwingt te zien wat niet bestaat.”

In de verte klonken de engelen-liederen, maar de leekebroeder meende, dat het de booze duivelsmachten waren, die naderden. „Ze willen ons verlokken en verleiden,” zuchtte hij. „Nooit komen we heelhuids hier van daan. We worden betooverd en aan den Booze verkocht.”

Nu waren de engelenscharen zoo nabij, dat de abt hun lichte gestalten zag schemeren tusschen de stammen in 't woud. En de leekebroeder zag hetzelfde als hij; maar hij dacht er alleen aan hoe afschuwelijk het toch was, dat de booze geesten zich met die kunsten bezighielden in den nacht, dat de Verlosser geboren was. Dat was immers alleen om des te beter de christenen te kunnen bedriegen.

Al dien tijd hadden vogels om 't hoofd van den abt gevlogen en hij had ze in de hand kunnen nemen. Maar de dieren waren bang voor den leekebroeder: geen vogel had zich op zijn schouder gezet en geen slang speelde aan zijn voeten. Maar nu was er een boschduifje, dat merkte, dat de engelen nabij waren; ze vatte moed, vloog op den schouder van den leekebroeder en vlijde haar kopje tegen zijn wang. Toen meende hij, dat het toovergedoe hem zoo nabij kwam om hem te verzoeken en te verleiden. Hij sloeg met de hand naar het duifje en riep zóó hard, dat het door 't bosch weerklonk: „Ga jij terug naar de hel, waar je vandaan gekomen bent!”

Juist toen waren de engelen zoo nabij, dat de abt hun groote vleugels hoorde ruischen, en hij had zich ter aarde gebogen om hen te begroeten. Maar toen de woorden van den leekebroeder weerklonken, werd hun gezang plotseling afgebroken en de hooge gasten keerden zich om en vluchtten. En evenzoo vluchtten het licht en de zachte warmte in onuitsprekelijken schrik voor de koude en de duisternis in een menschenhart. 't Duister zonk als een dekkleed over de aarde, de koude kwam terug, de planten op het veld krompen ineen, de dieren snelden weg, 't geruisch der watervallen verstomde, 't loof viel van de boomen, ritselend als regen.

De abt voelde hoe zijn hart, dat zooeven nog van zaligheid overvloeide, zich nu krampachtig samentrok in onlijdelijke smart. „Nooit zal ik dit kunnen overleven,” dacht hij, „dat de engelen mij zóó nabij waren en verdreven werden, dat zij Kerstliederen voor mij wilden zingen en op de vlucht werden gejaagd.”

Opeens dacht hij aan de bloem, die hij bisschop Absalom beloofd had, en hij boog zich naar den grond en tastte tusschen 't mos en 't loof om nog iets te vinden op 't laatste oogenblik. Maar hij voelde hoe de aarde bevroor onder zijn vingers en hij zag hoe de witte sneeuw kwam aanglijden over het veld.

Toen deed zijn hart nog meer pijn. Hij kon zich niet oprichten, maar bleef op het veld liggen.

Maar toen de rooversfamilie en de leekebroeder al tastend in de diepe duisternis naar de grot teruggekomen waren, misten zij abt Hans. Zij namen brandend hout uit het vuur en gingen hem zoeken. En zij vonden hem dood in de sneeuw liggen.

En de leekebroeder begon te jammeren en te schreien, want hij begreep, dat hìj den abt gedood had, doordat hij hem den beker der vreugde van de lippen gerukt had, waarnaar hij zoozeer had gedorst.

Maar toen de abt naar Oved gebracht was, zagen zij, die zorg droegen voor den doode, dat hij de rechterhand stijf gesloten hield om iets, dat hij in zijn stervensuur moest gegrepen hebben. Toen zij de hand eindelijk open kregen zagen zij, dat wat hij met zulk een kracht had vastgegrepen, een paar witte bolletjes waren, die hij uit het mos en 't loof gerukt had. En toen de leekebroeder, die den abt vergezeld had, de bolletjes zag, nam hij ze en zette ze in den grond, in den tuin van abt Hans.

Hij verzorgde ze en wachtte 't heele jaar of er ook bloemen uit zouden opkomen, maar hij wachtte te vergeefs lente, zomer en herfst. Toen eindelijk de winter gekomen was en alle bladen en bloemen dood waren, wachtte hij niet langer.

Maar toen de Kerstavond kwam, herinnerde alles zóó sterk aan abt Hans, dat hij naar den tuin ging om daar aan hem te denken. En zie, toen hij nu voorbij de plaats kwam, waar hij de kale bolletjes in den grond gelegd had, zag hij, dat daar welige groene stengels uit waren opgekomen, die fraaie bloemen met zilverwitte bladeren droegen.

Hij riep alle monniken van Oved bijeen, en toen zij zagen, dat dit plantje op Kerstavond bloeide, als alle andere bloemen dood zijn, begrepen zij, dat het werkelijk door abt Hans uit den Kerstlusthof in het Göingebosch was gehaald. Maar de leekebroeder zei tot de monniken, dat nu er zulk een groot wonder was gebeurd, ze een paar van de bloemen aan bisschop Absalom moesten zenden.

Toen de leekebroeder voor bisschop Absalom verscheen, reikte hij hem de bloemen toe en zeide: „Dit zendt abt Hans u. Dit zijn de bloemen, die hij beloofde voor u te plukken in den Kerstlusthof in het Göingebosch.”

Toen bisschop Absalom de bloemen zag, die in den winter uit de aarde waren opgekomen, en die woorden hoorde, werd hij zoo bleek, alsof hij een doode ontmoet had. Hij bleef een poos zwijgend zitten en toen sprak hij: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden. Nu zal ik ook het mijne houden.”

En hij liet een vrijbrief schrijven voor den wilden roover, die van zijn jeugd af vogelvrij door het bosch gezworven had. Hij gaf den brief aan den leekebroeder en deze trok naar 't bosch en vond zijn weg naar het roovershol. Toen hij daar op Kerstdag binnenkwam, ging de roover hem met opgeheven bijl te gemoet: „Ik zal jelui monniken neêrhouwen, zoo veel ik er maar krijgen kan,” zei hij. „Zeker is het om jelui, dat het Göingebosch zich vannacht niet met Kerstpracht heeft bekleed.”

„Dat is alleen mijn schuld,” antwoordde de leekebroeder, „en ik wil graag sterven, maar eerst moet ik u een boodschap van abt Hans brengen.”

En hij haalde den brief van den bisschop te voorschijn en sprak er met hem over, dat hij vrij was en toonde hem het zegel van Absalom, dat aan het perkament hing.

„Van nu af aan zult gij en uw kinderen in het Kerststroo spelen en Kerstfeest vieren onder de menschen, zooals abt Hans dat wenschte,” zeide hij.

Toen bleef de roover bleek en stom staan. Maar de rooversvrouw zeide uit zijn naam: „Abt Hans heeft trouw zijn woord gehouden, nu zal mijn man ook zijn woord houden.”

Maar toen de roover en zijn vrouw het roovershol verlieten, trok de leekebroeder daarin en woonde daar verder alleen in het bosch. En hij bad dagelijks, dat zijn hardheid hem vergeven mocht worden. En niemand mag een hard woord zeggen van een mensch, die berouw had en zich bekeerde, maar wel mag men wenschen, dat die booze woorden niet gesproken waren; want het Göingebosch heeft nooit meer het geboorteuur van den Verlosser gevierd, en van al die heerlijkheid bleef enkel het plantje over, dat abt Hans geplukt heeft. Dat werd „Kerstroos” genoemd en elk jaar zendt het zijn witte bloemen en groene stengels op uit de aarde tegen Kersttijd, alsof het nooit vergeten kan, dat het eens gegroeid is in den grooten Kerst-lusthof.




IN DE GERECHTSZAAL


We zijn in de gerechtszaal van een klein stadje. Aan de groene tafel achter in de kamer zit een oude rechter, een lang en krachtig gebouwd man met een breed en grof gezicht. Verscheidene uren reeds is hij bezig geweest met de eene zaak na de andere, en eindelijk is het, alsof een sombere tegenzin in zijn werk over hem gekomen is. Het is moeilijk uit te maken, of het de hitte en de benauwdheid in de zaal is, die hem kwellen, of dat hij ontstemd is door al die kleingeestige twisten, die alleen schijnen ontstaan te zijn om er van te getuigen, hoe twistziek en onbarmhartig en geldzuchtig de menschen zijn.

Hij is nu juist begonnen met een van de laatste zaken, die vandaag behandeld moeten worden. Het betreft een eisch van bijdrage voor het onderhoud van een onecht kind.

Deze zaak is al behandeld in de vorige zitting en de notulen daarvan worden voorgelezen. Daaruit verneemt men ten eerste, dat de eischeresse een arm dienstmeisje, en de beklaagde een getrouwd man is.

Verder blijkt het uit de notulen, dat de beklaagde verklaard heeft, dat de eischeresse ten onrechte en alleen uit geldzucht hem heeft aangewezen als de vader van haar kind. Hij erkent, dat de eischeresse eenigen tijd op zijn hoeve heeft gediend, maar hij heeft in dien tijd geen liefdesbetrekking met haar aangeknoopt, en zij heeft geen recht, hulp van hem te verlangen. De eischeresse heeft toch haar verklaring volgehouden, en nadat eenige getuigen gehoord zijn, is het den beklaagde opgelegd, zich te zuiveren door een eed, wanneer hij niet veroordeeld wil worden, de eischeresse ondersteuning te geven.

Beide partijen zijn verschenen en staan naast elkaar voor de groene tafel. De eischeresse is heel jong en ziet er verschrikt en ontdaan uit. Zij schreit van verlegenheid, en veegt met moeite haar tranen af met een opgerolden zakdoek, dien zij niet schijnt te kunnen losvouwen. Zij heeft zwarte kleeren aan, die er tamelijk nieuw en frisch uitzien, maar ze zitten zoo slecht, dat men er toe komt te vermoeden, dat zij ze geleend heeft om fatsoenlijk voor den rechter te kunnen verschijnen.

Wat den beklaagde betreft, men ziet dadelijk aan hem, dat hij een man in goeden doen is. Hij is zoowat veertig jaar oud en ziet er flink en vrijmoedig uit. Zooals hij daar voor den rechter staat, houdt hij zich heel goed, hij schijnt het nu juist geen bizonder genoegen te vinden, daar te staan, maar hij ziet er ook niet uit, of het hem ook maar in het minst bezwaart.

Zoodra de notulen gelezen zijn, wendt zich de rechter tot den beklaagde, en vraagt hem, of hij bij zijn ontkenning blijft en bereid is, den eed af te leggen.

Op die vragen antwoordt de beklaagde met een vrijmoedig „ja”. Hij begint te zoeken in zijn vestjeszakje en haalt een bewijs van den predikant voor den dag, dat hij de beteekenis en het gewicht van den eed kent, en niets hem verhindert om dien af te leggen.

Onder dit alles schreit de eischeresse voortdurend. Zij schijnt onoverkomelijk verlegen, en houdt voortdurend de oogen naar den grond gericht. Ze heeft ze nog niet zoover opgeslagen, dat zij den beklaagde in het aangezicht heeft kunnen zien.

Nu hij „ja” zegt, gaat haar een schok door de leden. Zij doet een paar stappen naar de tafel, alsof ze iets zeggen wilde, maar blijft dan weer staan. Het is toch niet mogelijk, schijnt ze in zichzelf te zeggen, hij kan niet: „ja” gezegd hebben, ik moet het verkeerd gehoord hebben.

Intusschen heeft de rechter het stuk aangenomen, en geeft een van de gerechtsdienaren een wenk. Deze gaat naar de tafel om den Bijbel te krijgen, en dien voor den beklaagde neer te leggen.

De eischeresse hoort, dat iemand haar voorbijgaat en wordt onrustig. Zij dwingt zichzelf, zoover op te zien, dat ze over de tafel kan kijken, en nu ontdekt ze, dat de gerechtsdienaar den Bijbel verschuift.

Weer schijnt het alsof ze iets zeggen wil, maar ze bedwingt zich opnieuw. Het is immers niet mogelijk, dat hij den eed afleggen mag; de rechter moet het hem immers beletten.

De rechter is zoo'n verstandig man en hij wist wel, wat de menschen denken en vinden in die streken. Hij weet wel, hoe streng alle menschen waren, zoodra er iets voorkwam, wat op het huwelijk betrekking had; ze wisten geen erger zonde, dan die zij begaan had. Zou zij nu ooit zoo iets van zichzelf bekend hebben, als het niet waar geweest was, de rechter wist toch wel wat een vreeselijke verachting ze daardoor over zich had gebracht. En niet alleen verachting, maar alle mogelijke ellende. Niemand wil haar in dienst nemen, niemand wil haar in het werk hebben. Haar eigen ouders dulden haar nauwelijks in hun hut, en spreken er elken dag over haar de deur uit te zetten. Neen, de rechter kon wel begrijpen, dat zij geen ondersteuning van een getrouwd man zou begeerd hebben, als zij daar geen recht toe had.

De rechter kon toch niet denken, dat ze in zulk een zaak liegen zou, dat ze zulk een vreeselijk ongeluk over zichzelf zou brengen, als ze iemand anders had gehad om aan te klagen, dan een getrouwd man.

Zij ziet hoe de rechter daar zit, en de verklaring van den predikant een paar keer overleest. Daarom begint ze te gelooven, dat hij van plan is in te grijpen.

Het is ook waar, dat de rechter er bedenkelijk uitziet. Hij kijkt een paar maal naar de eischeresse, maar daardoor wordt de uitdrukking van ontstemdheid en tegenzin, die op zijn gezicht ligt, nog meer merkbaar. Het schijnt alsof hij onvriendelijk tegen haar gestemd is. Zelfs al spreekt de eischeresse de waarheid, is ze toch een slecht mensch en de rechter kan geen belangstelling voor haar voelen.

Het gebeurt soms, dat de rechter in een rechtszaak ingrijpt als een goed en verstandig raadgever, en beide partijen helpt, door hun te beletten zich zelf geheel te gronde te richten. Maar dezen keer is hij moe en ontstemd, en hij denkt aan niets anders, dan dat het recht zijn loop moet hebben.

Hij legt het stuk neer, en zegt enkele woorden tegen den beklaagde: dat hij hoopt, dat deze nauwkeurig het gewicht der beteekenis van een valschen eed heeft overwogen.

De beklaagde hoort hem aan met dezelfde kalmte, die hij steeds door getoond heeft, en hij antwoordt eerbiedig en niet zonder waardigheid.

De eischeresse luistert naar dit alles met den grootsten schrik. Ze maakt een paar heftige gebaren en klemt de handen samen.

Nu wil ze voor de rechtbank spreken. Ze voert een vreeselijken strijd met haar verlegenheid en met de snikken, die haar de keel samensnoeren, maar het eind is toch, dat ze geen hoorbaar woord kan uitbrengen.

Nu zal het dan toch tot den eed komen. Hij zal dien mogen afleggen, niemand kan hem verhinderen zijn ziel te verliezen.

Tot op dit oogenblik heeft ze niet kunnen gelooven dat het gebeuren zou, maar nu grijpt haar de zekerheid aan, dat het binnenkort – dat het in het volgend oogenblik gebeuren zal. Een schrik, meer overweldigend dan ze ooit te voren gevoeld heeft, komt over haar. Ze is als volkomen versteend, ze kan niet eens meer schreien, de oogen verstijven haar in het hoofd.

Hij is dus van plan de eeuwige verdoemenis over zich te brengen.

Ze begrijpt wel, dat hij zich door dien eed schoon wil wasschen terwille van zijn vrouw. Maar zelfs al zou hij het moeilijk met haar krijgen, dan moest hij daarom toch niet zijn eeuwige zaligheid verspelen.

Er was geen vreeselijker zonde dan een meineed, er was iets geheimzinnigs en vreeselijks aan die zonde, daarvoor was geen genade en geen vergiffenis. De poorten van den afgrond openden zich vanzelf als de naam van een meineedige genoemd werd. Ze vreesde, dat als ze nu haar oogen naar zijn aangezicht ophief, ze het reeds gestempeld zou vinden met een teeken van verdoemenis, daar door Gods toorn op gedrukt.

Terwijl ze zich daar staat op te winden tot steeds grooter schrik, heeft de rechter den beklaagde gewezen hoe hij de vingers op den Bijbel moest leggen, en dan bladert de rechter in het wetboek, om het eedsformulier te vinden.

Nu ze hem de handen aan het boek ziet brengen, doet ze weer een stap naar de tafel, en het schijnt of ze zich voorover wil buigen en zijn hand wegstooten.

Maar nog wordt ze teruggehouden door een laatste hoop. Ze denkt, dat hij nu nog op het laatste oogenblik terug zal treden.

De rechter heeft in het wetboek de pagina gevonden die hij gezocht heeft, en nu begint hij den eed luid en duidelijk voor te zeggen. Dan houdt hij op, om den beklaagde gelegenheid te geven zijn woorden na te spreken. En de beklaagde begint ze werkelijk te herhalen, maar hij vergist zich en de rechter moet weer van voren af aan beginnen.

Maar nu heeft ze ook geen spoor van hoop meer, nu weet ze, dat hij van plan is een valschen eed te doen, dat hij Gods toorn op zich laden zal voor heel zijn volgend leven. Daar staat ze en wringt de handen in haar hulpeloosheid, het is alles haar schuld, omdat zij hem heeft aangeklaagd.

Maar ze was ook zonder werk, ze leed honger en kou, er was gevaar, dat haar kind sterven zou. Tot wien kon ze zich anders wenden om hulp te krijgen?

Nooit had ze ook geloofd, dat hij zoo'n vreeselijke zonde zou begaan.

Nu heeft de rechter opnieuw den eed voorgezegd. In een oogenblik zal de daad bedreven zijn, een daad, die nooit meer ongedaan te maken is, nooit meer goed te maken, nooit meer uit te wisschen.

Nu de aangeklaagde opnieuw den eed begint te herhalen, vliegt zij naar voren, slaat de hand, die hij heeft uitgestrekt, op zij en rukt den Bijbel naar zich toe. Het is haar vreeselijke angst, die haar eindelijk moed gegeven heeft. Hij zal zijn ziel niet verliezen door een valschen eed, dat zal hij niet.

De gerechtsdienaar loopt dadelijk op haar toe, om haar den Bijbel af te nemen en haar tot de orde te roepen. Zij heeft een onuitsprekelijken angst voor alles, wat met de rechtbank in verband staat, en ze is in haar ziel overtuigd, dat wat ze nu gedaan heeft, haar in de gevangenis zal brengen. Maar ze laat den Bijbel niet los. Wat het ook kosten moge, hij zal den eed niet afleggen. Hij, die zijn onschuld bezweren wil, springt ook naar voren, om haar het boek af te nemen, maar zij verzet zich ook tegen hem.

„Je zult den eed niet doen,” roept ze, „je zult het niet.”

Wat er gebeurt, wekt natuurlijk de grootste verwondering! Het publiek dringt naar voren, naar de groene tafel, de advocaten beginnen op te staan, de griffier springt op met den inktkoker in de hand, om te voorkomen, dat hij omgegooid wordt.

Daar roept de rechter luid en toornig: „Stilte”, en allen blijven onbeweeglijk staan.

„Wat bezielt je? Wat heb je met dien Bijbel te maken?” vraagt de rechter met dezelfde harde en strenge stem.

Sinds ze haar angst lucht heeft gegeven door een wanhopige daad, is haar verlegenheid verminderd, zoodat ze antwoorden kan.

„Hij zal den eed niet doen.”

„Zwijg stil, en leg dat boek op zijn plaats,” beveelt de rechter.

Maar zij gehoorzaamt niet, ze houdt het boek met beide handen vast. „Hij zal den eed niet doen,” roept ze met onbeteugelde heftigheid.

„Wil je dan met alle geweld de zaak winnen?” vraagt de rechter met steeds scherper stem.

„Ik wil de zaak niet verder voortzetten!” barst ze uit met een luide, snijdende stem. „Ik wil hem niet dwingen om te antwoorden.”

„Waarom schreeuw je zoo?” vraagt de rechter. „Heb je je verstand verloren?”

Ze snakt naar adem, en tracht zich te bezinnen. Ze hoort zelf hoe ze schreeuwt. De rechter moet wel denken, dat ze gek geworden is, als ze niet kalm kan zeggen wat ze wil. Ze spant nog eens al haar krachten in om haar stem meester te worden, en dezen keer gelukt het haar.

Ze zegt langzaam, ernstig, luid, terwijl ze den rechter strak aanziet: „Ik wil de zaak niet verder vervolgen. Hij is de vader van mijn kind, maar ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”

Zij staat rechtop en vast besloten midden voor de groene tafel, en blijft den rechter vlak in het strenge gezicht zien. Hij zit met beide handen op de tafel gesteund, en wendt een tijdlang de oogen niet van haar af.

Terwijl de rechter haar aanziet, verandert hij geheel en al.

Al het slappe en ontevredene, dat op zijn gezicht lag, verdwijnt, en zijn groot, grof gezicht wordt mooi, doordat hij zoo bewogen wordt.

Zie eens, denkt de rechter, zie eens, zoo is mijn volk. Ik zal er mij niet meer aan ergeren, nu er zooveel liefde en godsvrucht bij een van de geringsten te vinden is.

Opeens voelt de rechter, dat hem de oogen vol tranen schieten, en dan slaat hij ze bijna beschaamd neer. Hij werpt een snellen blik om zich heen. Nu ziet hij, dat de griffier en de leensman en heel de lange rij van advocaten zich voorover hebben gebogen, om het meisje aan te zien, dat daar voor de groene tafel staat met den Bijbel tegen zich aangedrukt En hij ziet, dat er een glans op al die gezichten ligt, alsof ze iets heel moois gezien hebben, dat hen blij heeft gemaakt tot diep in hun ziel.

En dan ziet de rechter naar het publiek, en het komt hem voor, dat alle menschen stil zitten, en diep ademhalen, alsof ze zoo juist gehoord hebben, waar ze het allermeest naar verlangden.

Het allerlaatst ziet de rechter naar den beklaagde. Nu staat hij met gebogen hoofd en neergeslagen oogen.

De rechter wendt zich opnieuw naar het arme meisje.

„We zullen doen wat je wilt,” zegt hij. „De zaak moet afgevoerd worden,” zegt hij tegen den griffier.

De beklaagde maakt een beweging, alsof hij er tegen op wil komen.

„Wat is dat nu?” roept de rechter hem toe. „Heb je er iets tegen?”

De beklaagde buigt het hoofd nog dieper, en zegt nauwelijks hoorbaar: „Ach neen, het is maar het beste, dat het zoo blijft.”

De rechter blijft nog een oogenblik zitten. Dan schuift hij langzaam zijn stoel achteruit, staat op en gaat om de tafel naar de eischeresse toe.

„Ik dank je, kind,” zegt hij, en reikt haar de hand.

Zij heeft den Bijbel neergelegd, en staat te schreien, en ze droogt haar tranen met den opgerolden zakdoek.

„Ik dank je, kind,” zegt de rechter nog eens, en hij neemt haar hand zoo zacht en voorzichtig, alsof die iets heel teers en kostbaars was.




HOE GROOTVADER GROOTMOEDER KREEG


Is dat niet wonderlijk? Toen Grootvader Grootmoeder vroeg, wilde ze hem volstrekt niet hebben.

Grootmoeder was toen jong: 's nachts zette ze papillotten in 't haar en overdag droeg ze groote, dikke krullen. Grootmoeder droeg lange, witte paarlen als oorbellen en Grootmoeder was heel mooi.

Grootmoeder had veel aanbidders om uit te kiezen. Ze liep er over te denken of ze met een jongen baron zou trouwen, die juist het bestuur over zijn vaderlijk landgoed had gekregen, of dat het misschien wijzer wezen zou haar neef te nemen, die op 't punt was in den gemeenteraad van Malmö benoemd te worden. Die twee waren knappe mannen, maar Grootvader was leelijk. Vooral zijn handen waren zoo leelijk als 't maar kon. In zijn kindsheid had hij als bedelaar langs de wegen gezworven. Hij had den heelen winter in de kou buiten geloopen, en het is vrij zeker, dat hij nooit wanten gebruikt had.

Grootvader werd knapper, toen hij ouder werd en grijs haar kreeg. Toen hij jong was zag hij er te wild en te somber uit met zijn dikken, zwarten haarbos. 't Was nooit zoo goed gegaan met Grootvader, als hij niet heel vroeg grijs haar en grijze wenkbrauwen gekregen had. Vroeger zag hij er uit als een roover en dat ging toch niet aan voor een predikant.

Grootmoeder vertelde dikwijls, dat toen Grootvader in de pastorie was aangesteld als kapelaan bij haar vader, den proost, en daar aan kwam zetten met bloote voeten en de schoenen over zijn rug hangend aan een stok, dien hij over den schouder droeg, scheelde het niet veel of haar moeder had hem voor een landlooper aangezien en hem weggejaagd, en ze was altijd een beetje bang voor haar zilver geweest, zoo dikwijls Grootvader in de eetzaal kwam. En de oude proost bleef zelf preeken de eerste Zondagen, omdat hij 't niet over zich verkrijgen kon, dien wilden roover op den preekstoel te laten.

Maar 't eerste wat Grootvader deed, toen hij in de pastorie kwam, was verliefd op Grootmoeder worden. Dat deed hij al zoodra hij aan tafel kwam. En wonderlijk was dat ook niet, want Grootmoeders haar was zacht en glanzend, haar oogen waren diep en zacht, en haar tint was blank en roze. De vorm van haar gezicht was buitengewoon mooi en in de wang had ze een kuiltje, dat nu nog te zien is, als ze lacht.

Grootmoeder schrikte geducht toen ze voor 't eerst merkte, dat Grootvader van haar hield. Ze durfde haast niet alleen in den tuin of op den weg te loopen. Iemand, die zulke oogen als Grootvader had, kon ze niet laten te verdenken van achter struiken en boomen op de loer te liggen om haar te schaken.

Grootmoeders vader schreef in stilte aan den bisschop en het consistorie om een anderen kapelaan. Die hem gezonden was, kon hij heelemaal niet gebruiken.

Hij kon 't niet verdragen Grootvader in zijn pastorie te hebben. Hij was een echte wilde. Hij zat aan tafel als een boer en lag met beide ellebogen op het tafellaken. Hij spuwde op den grond en liep op grove vetleeren laarzen, die haar sporen op 't tapijt achterlieten.

Vier heele weken liep Grootvader in de pastorie rond, zonder dat hij iets te doen had. De oude proost wilde hem evenmin in 't kerkeboek laten schrijven, als hij hem naar den preekstoel wilde zenden. Grootvader zweeg en beklaagde zich niet.

't Scheen wel of hij genoeg te doen had met Grootmoeder te volgen op al haar wegen. Grootmoeder zat gewoonlijk te weven op een klein kamertje in den gevel van 't huis. Grootvader ontdekte, dat hij, als hij een zolder opging en over den hooizolder klauterde en door een schuurzoldertje kroop, waar de grond uit losse latten bestond, aan een luik kwam, dat op het venster van het weefkamertje uitzag. En voor dat luik zat Grootvader in elkaar gehurkt uur aan uur, en zag naar Grootmoeder, die met bloote armen en de rozen op de wangen aan den weefstoel werkte.

't Duurde niet lang of Grootvader had ontdekt waar 't lievelingsplekje van Grootmoeder in den tuin was. De heele tuin was namelijk zóó met hagen omringd, dat men er even ingesloten zat, als in een kamer; maar er was een hekje, dat naar de akkers leidde en daar stond Grootmoeder graag. En terwijl zij daar stond met de ellebogen op het hekje geleund en ver over 't wijde veld keek, lag Grootvader daar verscholen in 't hooge koren en had de oogen niet van haar af.

Toen Grootvader vier weken in de pastorie geweest was, kreeg de oude proost een brief van den bisschop, dat zijn verzoek was toegestaan en dat hij Grootvader maar wegzenden moest. En hij was er zoo blij om, dat hij er geen oogenblik meê wilde wachten. Hij stak den brief van den bisschop in den zak en ging zelf naar de kamer van Grootvader om hem den inhoud van den brief meê te deelen.

Grootvader zat te schrijven toen de oude proost binnenkwam.

Hij schreef een preek, maar hij werd zoo verlegen, alsof hij een brief aan zijn meisje schreef. Hij kon nauwelijks spreken over wat hij deed, toen de proost hem vroeg wat hij daar in de la van zijn schrijftafel wegsloot.

De proost wist immers, dat hij nu van Grootvader afkomen zou, en daarom was hij vriendelijker tegenover hem gestemd dan vroeger. En voor 't eerst vroeg hij zich verwonderd af, hoe 't toch kwam, dat Grootvader was zooals hij was, en waarom zoo'n man predikant had willen worden.

Hij begon Grootvader uit te vragen en die vertelde hem alles. Hij had altijd zoo'n lust gehad om te preeken. Hij had voor de boomen langs den weg gepreekt, als hij met zijn moeder liep te bedelen. Hij wist niet hoe hij op de gedachte gekomen was, maar hij had altijd gewenscht predikant te worden om te mogen preeken naar hartelust.

De oude proost verbaasde er zich over, dat hij, die zoo arm geweest was, de school had kunnen doorloopen en Grootvader vertelde hoe dat gegaan was. En 't was alsof hij zijn heelen leertijd lang honger en kou geleden had. Maar onder alle moeilijkheden door had Grootvader zich getroost met aan dat uur te denken, wanneer hij zijn stem zou mogen verheffen en spreken in Gods huis.

Keer op keer stak de proost de hand in den zak om den brief van den bisschop er uit te halen, maar hij had er het hart niet toe. In plaats daarvan vroeg hij de preek te mogen lezen, die Grootvader bezig was te schrijven. Hij las die, schudde het hoofd en ging heen zonder een woord te zeggen. Maar den volgenden Zondag preekte Grootvader en deed dat lang niet slecht!

En van dat oogenblik af probeerde de oude proost Grootvader op te voeden. Hij leerde hem preeken en de kerkeboeken houden.

Maar hij zei dikwijls, dat hij geen grooter offer gebracht had, dan toen hij besloot Grootvader niet weg te zenden.

Maar als nu een oud, verstandig man zooveel moeite had zich met Grootvader te verzoenen, moest dat nog veel moeilijker wezen voor Grootmoeder, die nog maar even twintig jaar was.

Het was op een mooien Zondagmiddag midden in den zomer. De pastorie was vol gasten en ze waren allen uit rijden in 't groote bosch van 't naburige buiten. Grootmoeder was de eenige, die thuis was. Ze moest zeker op het huis passen, want de dienstboden hadden vrijaf, zoodat er geen knecht of meisje in de heele pastorie was.

Grootmoeder wist wel, dat Grootvader thuis was, maar ze wist ook, dat hij naar een naburige gemeente moest om te preeken. Zij had zeker niet alleen thuis durven blijven, als ze niet geweten had, dat hij genoodzaakt zou zijn heen te gaan.

Maar vóór Grootvader naar de kerk ging, wilde hij zich verfrisschen door een teug uit den zilveren beker, die altijd op de dientafel in de eetzaal stond. En toen hij in de kamer kwam en Grootmoeder daar alleen vond, vroeg hij haar ten huwelijk.

Grootmoeder zei gauw: „neen”, en Grootvader ging dadelijk heen zonder te smeeken of aan te dringen.

En Grootmoeder was heel blij, dat die verklaring achter den rug was.

Grootmoeder ging naar den grooten spiegel in de voorkamer en maakte een pirouette er voor. Toen ze zag hoe mooi en blond ze was, lachte ze om den zwarten kapelaan, die dacht dat hij haar krijgen zou.

Op 'tzelfde oogenblik kromp ze ineen van schrik. Ze meende, dat ze wat hoorde. Ze luisterde ademloos en gespannen. Daar was stellig iemand, die schreide in de aangrenzende kamer.

Ze dacht, dat een van de gasten was thuisgekomen en ze ging de eetzaal binnen om te zien, wie het wezen kon. Daarbinnen hoorde ze het schreien heel duidelijk, maar er was geen levend wezen in de kamer. De eetzaal was groot, maar er was geen plaats om zich te verstoppen. Toch zocht Grootmoeder onder de tafel en achter de bamboestoelen. Ze keek in 't hoekje van den haard, in de kast en achter de deuren. Neen, er was geen mensch in de kamer. Maar aldoor, terwijl Grootmoeder zocht, hoorde ze duidelijk, dat er iemand schreide. En 't schreien kwam van een plaats bij 't venster, ongeveer daar waar Grootvader gestaan had, toen hij haar gevraagd had.

Grootmoeder probeerde met zichzelf te beredeneeren, dat het louter verbeelding was. Ze zette de tanden vast op elkaar en naderde moedig de plaats, waar het schreien vandaan kwam, en dacht, dat het dan wel zou ophouden, maar het hield niet op; het zuchten en snikken hield aan.

't Was duidelijk, dat er iemand schreide op twee passen afstand van haar. Maar ze zag niemand.

't Was een schreien, alsof een mensch 't gezicht in de handen verborg en zich op den grond wierp en schreide, alsof zijn hart breken zou. Ten slotte werd Grootmoeder zóó bang, dat ze moest gaan zitten om niet neer te vallen. En zoo zat ze stil, een heel kwartier lang, terwijl de onzichtbare maar aldoor schreide. Grootmoeder kon geen vinger verroeren. Ze kon niet wegloopen en ook niet roepen. Ze zat daar doodsbleek, met krampachtig saamgevouwen handen en bij iederen snik rilde ze van ontzetting.

Maar éénmaal in al dien tijd verroerde ze zich. Opeens kwam ze op de gedachte, dat 't schreien van iemand kon komen, die buiten voor het venster zat. „Misschien zit daar iemand buiten het venster te schreien,” zei ze in zichzelf, „en ben ik hier bang voor niets.” En toen dwong ze zichzelf tot opstaan, 't venster open te doen en er uit te zien. Maar er was niemand, en opnieuw zonk ze neer in haar stoel.

Grootmoeder dacht, dat iemand, die zóó schreide, een verdriet moest hebben zóó groot, als ze niet wist, dat er in de wereld bestaan kon. 't Moest een ziel zijn, die in zoo'n angst verkeerde, dat de dood een verlichting wezen moest. 't Was alsof niets ter wereld hem zou kunnen troosten, die zóó schreide.

Voor 't eerst in haar leven begreep Grootmoeder wat lijden beteekende. Want die onzichtbare schreide zóó, dat Grootmoeder meê had moeten schreien, als ze niet zoo totaal van schrik verlamd was geweest.

Ze vond, dat dit een schreien was, alsof 't kwam van een verdoemde ziel, die uit den hemel verbannen werd.

En dat duurde een kwartier; toen hoorde Grootmoeder, dat de klokken van de kerk in de naburige gemeente begonnen te luiden. Ze dacht aan den kapelaan. Nu had de koster hem zien aankomen op den weg door het veld tusschen de akkers en nu begon hij te luiden. En ze dacht, dat ze nu blij geweest zou zijn, als hij thuis was. Ze zou zoo dankbaar geweest zijn, als ze iemand had kunnen roepen.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/lagerlof-selma/oud-en-nieuw/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


