De Koopman van Venetië
Уильям Шекспир




William Shakespeare

De Koopman van Venetië





Personen:


• De Doge van Venetië.

• De Prins van Marocco, }

• De Prins van Arragon,}} dingende naar Portia’s hand.

• Antonio, de koopman van Venetië.

• Bassanio, zijn vriend.

• Solanio, }

• Salarino,}} vrienden van Antonio en Bassanio.

• Gratiano, }

• Lorenzo, minnaar van Jessica.

• Shylock, een rijke Jood.

• Tubal, een Jood, zijn vriend.

• Lancelot Gobbo, Shylocks knecht.

• De oude Gobbo, vader van Lancelot.

• Leonardo, bediende van Bassanio.

• Balthazar, }

• Stefano,}} bedienden van Portia.

• Portia, een rijke erfgename.

• Nerissa, haar kamerjuffer.

• Jessica, dochter van Shylock.

• Senatoren van Venetië, Beambten van het gerechtshof, een Gevangenbewaker, Bedienden en verder Gevolg.

Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië, gedeeltelijk te Belmont, het landgoed van Portia.




Eerste Bedrijf





Eerste Tooneel




Venetië. Een straat.

Antonio, Salarino en Solanio komen op.



Antonio

		’k Weet waarlijk niet, hoe ik zoo somber ben;
		Ik ben het moe; gij zegt, dat zijt gij ook;
		Maar hoe ’t mij aanwoei, hoe ik er aan kwam,
		Van welken aard het is, en hoe ontstaan,
		Dat is me een raadsel;
		Die somberheid maakt mij tot zulk een zwakhoofd,
		Dat ik te nauwernood mijzelf herken.


Salarino

		Uw geest wordt op den oceaan geslingerd,
		Waar uw galjoenen, fier het zeil in top,
		Als eed’len en grootburgers van de zee,
		Door statigheid hun hoogen rang verkonden
		En neerzien op de kleine handelsluî,
		Die needrig buigend hem begroeten, als
		Zij langs hen vliegen met geweven vleug’len.


Solanio

		Geloof mij, stond voor mij zoo veel op ’t spel,
		Het beste deel van mijn gedachten waar’
		Ginds met mijn hoop aan ’t dwalen. Telkens zou ik
		Gras plukken om de windstreek na te gaan,
		Op kaarten zien naar reeden, havens, hoofden;
		En alles, wat mij onheil kon doen duchten
		Voor schepen of voor lading, zou gewis
		Mij somber maken.


Salarino

		Mijn blazen, dat mijn soep bekoelde, joeg
		Me een koude koorts op ’t lijf, als ik bedacht,
		Wat schade op zee een sterke wind kan doen.
		Ik zag het zand niet loopen in het uurglas,
		Of dacht ook reeds aan ondiepten en banken,
		En zag mijn rijken Andries omgeslagen,
		Den masttop lager dan de zijde in ’t zand,
		Als om zijn graf te kussen. Ging ik op
		Ter kerke, zou het heilig steengevaart’
		Mij fluks niet denken doen aan booze rotsen,
		Die, raken zij mijn ranke kiel slechts aan,
		Haar specerijen op den vloed verstrooien,
		Mijn zijde als mantels spreiden over ’t diep,
		Kortom, wat pas nog schatten waard was, plotsling
		Als niets doen zijn? Is ’t denkbaar, dat mijn geest
		Dit denken zou, en dan niet zou gaan denken
		Hoe zulk een ongeval mij leed zou doen?
		Neen, zeg maar niets; ik weet, Antonio
		Is somber, wijl hij aan zijn zaken denkt.


Antonio

		Geloof mij, neen, want, dank zij mijn geluk,
		Ik heb mijn goed niet aan één schip vertrouwd,
		Niet aan één plaats, en mijn vermogen hangt
		Niet af van ’t slagen in een enkel jaar;
		Daarom, ’t is niet mijn handel, die me ontstemt.


Salarino

		Nu, dan zijt gij verliefd.


Antonio

		Nu, dan zijt gij verliefd. Foei, foei!


Salarino

		Ook niet verliefd? Nu, dan, dan zijt ge treurig,
		Wijl gij niet vroolijk zijt, en zóó kondt gij
		Ook lachen, springen, zeggend: „ik ben vroolijk,
		Wijl ik niet treurig ben.” Bij Janus’ dubb’len kop,
		Natuur brengt soms toch rare snuiters voort:
		Die knijpt voortdurend de oogen toe van ’t lachen,
		Als bij een doedelzak een papegaai;
		En de ander heeft zoo’n uitzicht van azijn,
		Dat hij door lachen nooit zijn tanden toont,
		Al deed een grap ook de’ ouden Nestor schaat’ren.



(Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.)



Solanio

		Ziedaar Bassanio, uw eed’len neef,
		Gratiano en Lorenzo; vaar nu wel;
		Wij laten u in ’t best gezelschap achter.


Salarino

		’k Had willen blijven, tot ge monter waart,
		Maar thans, nu beter komt, moog’ minder wijken.


Antonio

		Geloof me, heeren, ik waardeer u hoog,
		Maar reken, dat uw zaken thans u roepen,
		En gij nu vrijheid vindt om heen te gaan.


Salarino

		Vaartwel dan, eed’le heeren.


Bassanio

		Vaartwel dan, eed’le heeren. Vrienden, zegt,
		Wanneer weer eens een prettig samenzijn?
		Wij zien elkaar zoo weinig; waartoe dit?


Salarino

		Als ’t u gelegen komt, wij zijn bereid.



(Salarino en Solanio af.)



Lorenzo

		Daar gij Antonio nu gevonden hebt,
		Bassanio, willen wij u thans verlaten;
		Maar denk op ’t etensuur present te zijn.


Bassanio

		Daar kunt gij vast op reeknen.


Gratiano

		Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
		Gij trekt te veel u ’s werelds zaken aan;
		Wie daar zijn hart op zet, verliest zijn rust.
		Geloof me, uw uitzicht is geheel veranderd.


Antonio

		Ik acht de wereld, vriend, zooals zij is,
		Een speeltooneel, waar elk zijn rol op speelt;
		De mijne is somber.


Gratiano

		De mijne is somber. Ik speel dan den Nar.
		’k Wacht dartlend, lachend, rimplige’ ouderdom,
		En laat, al drinkend, eer mijn lever schudden,
		Dan dat, door ach en wee, mijn hart verkilt.
		Waarom, als ’t warme bloed nog stroomt, te zitten
		Als grootvaârs marm’ren beeld? waartoe te slapen,
		Als ’t wakenstijd is? en de geelzucht zich
		Op ’t lijf te kniezen? Neen, Antonio, hoor,
		Ik heb u lief en zoo spreekt nu mijn liefde:
		Er is een slag van lieden, wier gelaat
		Steeds ondoorschijnend is als stilstaand water,
		Die eigenzinnig zwijgen altijd door,
		Met doel om zich een dunk en roep te geven
		Van wijsheid, waardigheid en diepen zin,
		Als zeiden zij: „Ik ben ’t orakel zelf,
		En open ik den mond, dan blaff’ geen hond”;
		Die daarom slechts den naam van wijzen dragen,
		Omdat zij nooit iets zeiden, doch voorwaar
		Hun hoorders, als zij spraken, strafbaar maakten,
		Wijl deez’ hun broeders „dwazen” zouden noemen.
		Doch meer hiervan een ander maal; gij, hengel
		Dus niet met uw droefgeestigheid als aas
		Naar narren-katvisch, dezen wijsheidsschijn.
		Kom mee, Lorenzo. – Houd zoolang u goed;
		Na ’t eten krijgt gij ’t einde van mijn toespraak.


Lorenzo

		Ja, wij verlaten u tot na den noen;
		Ik moet nu wel zoo’n wijze zwijger zijn,
		Want Gratiano laat mij nooit aan ’t woord.


Gratiano

		Ja, klamp u vast aan mij twee jaren lang,
		Dan kent gij zelfs uw eigen stem niet meer.


Antonio

		Vaarwel; op uw vermaan word ik een prater.


Gratiano

		Zeer goed, want weet, dat zwijgen nooit behaagt,
		Dan van gerookte tong en van een schuchtre maagd.



(Gratiano en Lorenzo af.)



Antonio

		Heeft hij daar nu iets ter wereld gezegd?


Bassanio

Gratiano praat oneindig veel, dat niets is, meer dan eenig mensch in geheel Venetië. Zijn verstandige gedachten zijn als twee tarwekorrels in twee schepels kaf; gij kunt er den geheelen dag naar zoeken, eer gij ze vindt; en als gij ze hebt, zijn ze de moeite van ’t zoeken niet waard.


Antonio

		Hoe ’t zij, vertel mij nu, naar welke jonkvrouw
		Gij in ’t geheim die beêvaart zwoert te doen,
		Waarvan gij mij vandaag vertellen zoudt?


Bassanio

		Antonio, ’t is u al te wel bekend,
		Hoe zeer ik mijn vermogen heb verspild,
		Door vrij wat weidscher, rijker staat te voeren,
		Dan mijn gering fortuin verduren kon.
		Maar ’k roep geen ach en wee, dat ik moet afzien
		Van zulk een glans; mijn groote zorg is nu
		Met eer die groote schulden af te doen,
		Waarin mijn jeugd, die al te spilziek was,
		Mij heeft verstrikt; Antonio, ’k ben aan u
		Het meeste schuldig, geld niet slechts, maar liefde;
		Diezelfde liefde is mij een borg, dat ik
		U oop’ning doen mag van mijn plan, om al
		Die schulden, die mij drukken, af te werpen.


Antonio

		Ik bid u, vriend Bassanio, deel het mee,
		En kan het, even als gijzelf steeds doet,
		Voor ’t oog der eer bestaan, wees dan verzekerd,
		Ikzelf, mijn beurs en al wat ik vermag,
		’t Is alles ’t uwe, voor uw dienst gereed.


Bassanio

		Verloor ik in mijn schooltijd soms een pijl,
		Dan schoot ik hem een tweeden van die soort,
		Denzelfden weg uit, na, gaf beter acht,
		Tot waar hij vloog, en, beide wagend, vond ik
		Ze beide vaak. Dit kindervoorbeeld past,
		Omdat wat volgt, ook louter onschuld is.
		Gij gaaft mij veel, en, als een wilde knaap,
		Verloor ik wat gij gaaft, maar waagt gij ’t nu,
		Een tweeden pijl denzelfden weg te schieten,
		Den eersten achterna, ik maak mij sterk,
		Daar ik zijn vlucht bespiê, ze beî te vinden,
		Of breng, wat gij het laatste waagdet, weêr,
		En blijf uw dankb’re schuldnaar voor het eerste.


Antonio

		Gij kent mij toch; wat spilt gij dan uw tijd,
		En neemt een kronklende’ omweg tot uw vriend;
		Gij grieft mij waarlijk dieper, als ge twijfelt,
		Of ik voor u het uiterst wel zou doen,
		Dan als gij heel mijn have hadt verspild.
		Deel dus mij mee, wat gij van mij verlangt,
		Wat gij vermeent, dat ik vermag te doen;
		Ik ben bereid en daad’lijk; zeg het dus.


Bassanio

		In Belmont woont een jonkvrouw, rijk in goedren,
		In schoonheid rijk, en, rijker nog dan dit,
		Ook rijk in deugden; uit haar oogen ving ik
		Reeds vroeger lieve stomme tijding op.
		Haar naam is Portia; ze is wedergâ
		Van Cato’s dochter, Brutus’ Portia.
		De wereld door is reeds haar roem verbreid;
		Van ’t uiterste eind der aard, van iedre kust,
		Brengt iedre wind, om naar haar hand te dingen,
		De bloem der jonglingschap. Haar zonnig haar
		Golft om haar slapen als een gulden vlies;
		En Belmont is een tweede Colchisch strand,
		En menig Jason komt om haar te erlangen.
		Antonio, vriend, o, had ik slechts de midd’len,
		Om waardig mij met een van hen te meten,
		Dan mocht ik, – onbedrieglijk spelt mij dit
		Mijn hart, mijn ziel, – het hoogste heil verwachten.


Antonio

		Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
		Ik heb geen geld en ook geen koopmansgoedren,
		Die ik verpanden kan; maar ga, beproef,
		Wat in Venetië mijn krediet vermag;
		Ik verg er ’t uiterst van, om u naar eisch
		Voor Portia, naar Belmont, uit te rusten,
		Vraag na, waar geld beschikbaar is; ook ik
		Doe ’tzelfde, en ben geen oogenblik bezorgd,
		Dat men niet gaarne, en op mijn woord, mij borgt.



(Beiden af.)





Tweede Tooneel




Belmonte. Een kamer in Portia’s huis.

Portia en Nerissa komen op.



Portia

Op mijn woord, Nerissa, mijn klein persoontje heeft van deze groote wereld meer dan genoeg.


Nerissa

Dat mocht zoo wezen, lieve jonkvrouw, als uw ellende evenzoo bovenmatig was als thans uw geluk. Maar voor zoover ik zie, zijn zij, die zich overladen met te veel, al even ziek, als zij, die aan alles gebrek hebben. Het is daarom geen middelmatig geluk juist in de middelmaat te zijn; overvloed krijgt vroeger grijze haren, maar juist van pas leeft langer.


Portia

Goede spreuken, en goed voorgedragen.


Nerissa

Nog beter zouden zij wezen, als zij goed werden opgevolgd.


Portia

Als doen even gemakkelijk was, als weten, wat goed is te doen, dan waren kapelletjes kerken, dagloonerswoningen vorstenpaleizen geworden. Het is een goed geestelijke, die zijn eigen voorschriften opvolgt; ik kan gemakkelijker aan twintig menschen leeren, wat zij moeten doen om goed te doen, dan een van de twintig zijn en mijn eigen lessen opvolgen. Het brein kan wel wetten voor het gestel uitdenken, maar een vurig bloed springt over een koel voorschrift heen; zulk een haas is de jongeling Onverstand, dat hij heenwipt over het net van Goeden Raad, den kreupele. Maar dit redeneeren helpt mij volstrekt niet bij het kiezen van een man. – O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet kiezen, dien ik zou willen, en niet afwijzen dien ik niet mag lijden; en zoo is de wil van een levende dochter aan banden gelegd door den wil van een dooden vader. – Is het niet hard, Nerissa, dat ik niemand kiezen mag, en ook niemand afwijzen?


Nerissa

Uw vader was een braaf man, en vrome menschen hebben bij hun dood goede ingevingen. Daarom zal bij de loterij, die hij uitgedacht heeft van die drie kastjes van goud, zilver en lood, (waardoor hij, die in zijn geest kiest, u kiest,) zonder eenigen twijfel door niemand de echte keus gedaan worden dan door een, die u echte liefde toedraagt. Maar hoe staat het met de warmte van uw genegenheid jegens een van de vorstelijke aanbidders, die alreeds gekomen zijn?


Portia

O, wees zoo goed en noem ze op; als gij ze noemt, zal ik ze u beschrijven; en naar mijn beschrijving moogt ge mijn genegenheid afmeten.


Nerissa

Vooreerst dan, de Napelsche prins.


Portia

O, die is inderdaad een veulen, want hij doet niets dan van zijn paard spreken; en hij vindt het een belangrijk toevoegsel aan zijn begaafdheden, dat hij het zelf beslaan kan; ik vrees inderdaad, dat mevrouw zijn moeder valsch spel speelde met een hoefsmid.


Nerissa

Dan verder de paltsgraaf.


Portia

Die zet altijd een zuur gezicht, alsof hij zeggen wou: „Ben ik voor u niet goed genoeg, geen nood”. Hij hoort vroolijke kwinkslagen en vertrekt geen spier; ik vrees, dat, als hij oud wordt, hij de weenende philosoof zal wezen in eigen persoon, daar hij nu in zijn jeugd al zoo onhebbelijk somber is. Ik was liever getrouwd met een doodshoofd, zoo met twee gekruiste knoken er onder, dan met een van die beiden. God beware mij voor alle twee!


Nerissa

Wat zegt gij dan van den Franschen heer, Monsieur Le Bon?


Portia

God schiep hem, laat hem daarom voor een man doorgaan. Ik weet, dat het zonde is een spotter te zijn, maar hij! Hij heeft een paard, beter dan de Napolitaan, een beter slechte gewoonte van zuurkijken dan de paltsgraaf; hij is iedereen en niemand; als een lijster zingt, begint hij dadelijk kapriolen te maken; hij zou kunnen vechten met zijn eigen schaduw. Als ik hèm nam, nam ik vijftig mannen te gelijk. Als hij mij versmaadde, zou ik het hem vergeven; want al had hij mij lief tot razend wordens toe, ik zou niets van hem willen weten.


Nerissa

Wat hebt ge dan te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen Engelschen baron?


Portia

Ge weet, ik zeg niets tegen hem, want hij verstaat mij niet en ik hem ook niet; hij kent geen Latijn of Fransch noch Italiaansch, en wat mijn Engelsch betreft, gij kunt gerust voor het gerecht een eed gaan doen, dat het geen armzaligen duit waard is. Hij is het afbeeldsel van een knap man, maar, ik bid u, wie kan omgaan met een stom beeld? En hoe bespottelijk kleedt hij zich! Ik geloof, dat hij zijn kamizool in Italië, zijn pof broek in Frankrijk, zijn muts in Duitschland en zijn manieren overal heeft opgedaan.


Nerissa

Wat denkt ge van zijn buurman, den Schotschen lord?


Portia

Dat hij wezenlijk wel christelijke liefde tot zijn naaste bezit, want hij borgde laatst een oorveeg van den Engelschman, en zwoer, dat hij hem dien terug zou betalen, zoodra hij in de gelegenheid zou wezen; ik denk, dat de Franschman zijn borg werd en voor den ander onderteekende.


Nerissa

Hoe bevalt u de jonge Duitscher, de neef van den hertog van Saksen?


Portia

Afschuwelijk in den morgen, als hij nuchter is, en allerafschuwelijkst in den middag, als hij beschonken is; als hij op zijn best is, is hij toch nog altijd iets minder dan een mensch, en als hij op zijn slechtst is, is hij nauwlijks meer dan een dier; als het ergste mocht gebeuren, dat gebeuren kan, hoop ik toch, dat ik wel een uitvlucht zal vinden om hem vrij te loopen.


Nerissa

Als hij zich mocht aanmelden om te kiezen en het rechte kastje koos, dan zoudt ge toch weigeren uws vaders uitersten wil te volbrengen, als gij weigerdet hem te nemen.


Portia

Daarom bid ik u, om het ergste te voorkomen, zet een flinken roemer Rijnwijn op het verkeerde kastje; want als de duivel er in was en deze verzoeking van buiten er bij, dan weet ik, dat hij het zou kiezen. Alles liever, Nerissa, dan met een spons te moeten trouwen.


Nerissa

Gij behoeft niet beducht te wezen, mejonkvrouw, dat gij een van deze heeren zult krijgen, want zij hebben mij hun besluit meegedeeld, en dat is, waarlijk, naar huis te gaan en u niet verder met hun aanzoek lastig te vallen, tenzij gij op een andere wijze te winnen waart, dan door de bepaling van uw vader, ten opzichte van de kastjes.


Portia

Al word ik zoo oud als Sibylla, wil ik toch zoo kuisch als Diana sterven, tenzij ik gewonnen word op de wijze van mijns vaders uitersten wil. Ik ben blij, dat dit partijtje vrijers zoo verstandig is, want er is er niet één bij of ik smacht naar zijn afzijn, en ik bid God, hun een voorspoedige heenreis te verleenen.


Nerissa

Herinnert gij u niet, mejonkvrouw, uit den tijd dat uw vader nog leefde, een Venetiaan, die man van studie en krijgsman te gelijk was, en die hierheen kwam als metgezel van den markies van Montferrat?


Portia

Ja, ja; het was Bassanio; – ik geloof ten minste, dat hij zoo heette.


Nerissa

Juist, mejonkvrouw. Van alle mannen, die mijn dwaze oogen ooit gezien hebben, was hij wel het meest een schoone vrouw waard.


Portia

Hij staat mij nog goed voor, en naar mijn herinnering is uw lof niet onverdiend. – Wel, wat is er?



(Een Bediende, komt op.)



Bediende

Mejonkvrouw, de vreemde heeren vragen naar u om afscheid te nemen; en zoo even komt daar een voorrijder van een nieuwen, den prins van Marocco, die het bericht brengt, dat de prins, zijn meester, nog van avond hier zal zijn.


Portia

Als ik dien nieuwen zoo van ganscher harte welkom kon heeten, als ik de anderen vaarwel zeg, zou ik verheugd wezen over zijn aankomst, als hij het binnenste heeft van een heilige en de huidkleur van een duivel,

		Dan groette ik liever hem als boetgezant,
		Dan dat ik hem mijn hand verpand.

		Kom, Nerissa. – Knaap, ga voor, maak voort. —

		Gaat één vrijer uit de poort,
		Dan wordt weer de stap van een ander, die nadert, gehoord.



(Allen af.)





Derde Tooneel




Venetië. Een plein.

Bassanio en Shylock komen op.



Shylock

Drieduizend dukaten, – goed!


Bassanio

Voor drie maanden, Shylock.


Shylock

Voor drie maanden – goed!


Bassanio

En, zooals ik zeide, Antonio zal er borg voor zijn.


Shylock

Antonio zal er borg voor zijn, – goed!


Bassanio

Kunt gij mij helpen? Wilt ge mij het genoegen doen? Mag ik uw antwoord weten?


Shylock

Drieduizend dukaten, voor drie maanden, en Antonio borg.


Bassanio

En uw antwoord – ?


Shylock

Antonio is een goed man.


Bassanio

Hebt gij ooit eenigszins het tegendeel van hem gehoord?


Shylock

O, neen, neen, neen, neen; – maar ik meende, toen ik zeide, dat hij een goed man is, zooals ge wel begrijpt, dat hij er goed voor is, – hoewel van zijn goed kan men eigenlijk maar bij onderstelling spreken; hij heeft een galjoen op weg naar Tripoli, een ander naar Indië, en hij heeft, zooals ik op den Rialto vernam, een derde naar Mexico, een vierde naar Engeland – en hij heeft nog meer varende have, – overal verspreid. Maar schepen zijn maar planken en matrozen zijn maar menschen, en er zijn landratten en waterratten, landdieven en waterdieven, ik bedoel zeeroovers; en dan heb je nog het gevaar van water en wind en klippen; maar toch, de man is er wel goed voor; drieduizend dukaten; – mij dunkt, ik zou zijn borgtocht wel kunnen aannemen.


Bassanio

Daar kunt ge zeker van zijn.


Shylock

Ik wil er zeker van zijn; en om er zeker van te zijn, wil ik er mij op bedenken; – zou ik Antonio eens kunnen spreken? 32


Bassanio

Als ge lust hebt, met ons te eten, —


Shylock

Nah, om varkensvleesch te ruiken, om te eten van de woning, waar uw profeet, de Nazarener, den duivel in verbannen heeft? ik wil met u handelen en wandelen, gaan en staan, koopen en verkoopen, en zoo voort; maar ik wil niet eten met u, niet drinken met u, niet bidden met u. Wat nieuws is er op den Rialto? – Wie komt daar aan?


Bassanio

Het is signore Antonio.



(Antonio komt op.)



Shylock

		(ter zijde). Hoe lijkt hij een deemoedig tollenaar!
		Ik haat hem reeds, dewijl hij Christen is,
		En meer nog, wijl, in lage onnoozelheid,
		Hij gratis geld leent en de rente drukt,
		Die we anders in Venetië konden maken.
		Gelukt het me eens, hem bij de heup te pakken,
		Dan vier ik de’ ouden wrok, dien ’k heb, toch bot;
		Hij haat ons heilig volk, en vloekt, juist daar,
		Waar alle kooplui plegen saam te komen,
		Op mij, mijn zaken en mijn eerlijk winstje;
		Dat noemt hij woeker. Zij mijn stam vervloekt,
		Als ik ’t vergeef!


Bassanio

		Als ik ’t vergeef! Hé, Shylock, wilt gij hooren?


Shylock

		Ik rekende uit, hoeveel ik wel in kas heb;
		Zoo ver ik uit het hoofd het ramen kan,
		Kan ik die volle somma van drieduizend
		Dukaten zelf niet leev’ren. Maar wat doet dit?
		Tubal, een rijk Hebreër van mijn stam,
		Zal mij wel helpen. – Maar voor hoeveel maanden
		Verlangt gij ’t geld? – (Tot Antonio.) Signore, welkom hier;
		Wij spraken juist daar van uw edelheid.


Antonio

		Shylock, hoewel ik, als ik gelden voorschiet
		Of opneem, nimmer winsten neem noch geef,
		Wil ik, om thans mijn vriend in nood te helpen,
		Met die gewoonte breken. – (Tot Bassanio.) Weet hij reeds,
		Hoeveel gij wenscht?


Shylock

		Hoeveel gij wenscht? Drieduizend, ja, dukaten.


Antonio

		En voor drie maanden.


Shylock

		O, dat vergat ik, – voor drie maanden, ja.
		En gij zijt borg, ja goed, – maar hoorde ik wel
		Gij neemt of geeft geen intrest, als ge gelden
		Voorschiet of opneemt, zegt ge?


Antonio

		Voorschiet of opneemt, zegt ge? ’k Doe het nooit.


Shylock

		Toen Jakob nog de schapen Labans weidde, —
		Hij was van onzen vader Abram af
		(Door ’t schrander overleg van zijne moeder)
		De derde patriarch, – jawel, de derde, —


Antonio

		Wat wilt ge zeggen? leende hij op intrest?


Shylock

		Neen, neen; hij nam geen interest, niet wat gij
		Zoo intrest noemt; merk op, wat Jakob deed.
		Toen tusschen hem en Laban de afspraak was,
		Dat al ’t geplekte en zwarte van de lamm’ren
		Als Jakobs loon zou gelden, en de herfsttijd
		Weer de ooien met de rammen samenbracht
		En ’t wolvee welig aan het paren ging,
		Toen nam de ervaren herder popelroeden
		En schilde ze met strepen en hij lei ze,
		Wanneer de dieren paarden, op de drinkplaats,
		Voor de oogen van de ritsige ooien neer,
		Die, zoo ontvangend, in den lammertijd
		Geplekte jongen wierpen, Jakobs deel.
		Zoo nam hij toe in welstand, werd gezegend;
		Want winst is zegen, als men ’t maar niet steelt.


Antonio

		Dan diende Jakob, man, op goed geluk;
		Het stond niet in zijn macht dit te bewerken;
		Des hemels hand bestuurde en schikte ’t zoo.
		Meldt dit de schrift om woeker te rechtvaardigen,
		Of is uw goud en zilver, ooi en ram?


Shylock

		’k Weet niet, ik laat het even snel vermeerdren; —
		Maar hoor, Signore.


Antonio

		Maar hoor, Signore. Merk dit op, Bassanio;
		De duivel zelf beroept zich op de schrift.
		Een boos gemoed, dat heil’ge woorden spreekt,
		Is als een fielt met liefelijken lach;
		Een schijnschoone appel, maar in ’t hart verrot;
		O, glanzend schoon is ’t uiterlijk der valschheid!


Shylock

		Drieduizend – ’t is een goede ronde som!
		Drie maand, een verreljaars, laat zien dat maakt —


Antonio

		Nu, Shylock, kunnen we op u reeknen, zeg?


Shylock

		Signore Antonio, meermalen, vaak,
		Hebt gij me op den Rialto doorgehaald
		Ter zake van mijn leenen en mijn rente;
		Ik zeide niets, maar trok de schouders op,
		Want dulden is het erfdeel van ons volk.
		Gij scholdt mij voor een onbekeerde, een bloedhond,
		Gij spuwdet op mijn tabbaard – en dat alles,
		Omdat ik weet te hand’len met wat mijn is.
		Welnu, thans blijkt het, dat ge mij behoeft,
		Zoo is ’t; thans komt ge tot mij, en gij zegt:
		„Shylock, wij wenschen geld”; en dat zegt gij,
		Gij, die mijn baard bespuwdet, met den voet
		Mij stiet, zooals ge een vreemden hond zoudt schoppen
		Van uwen drempel, thans verlangt gij geld!
		Wat moet ik tot u zeggen? moet ik zeggen:
		„Heeft een hond geld? Is ’t mooglijk, dat een bloedhond
		Drieduizend stukken gouds u leent?” Of moet ik
		Ten grond toe buigen, en gelijk een schuldnaar
		Met fluisterstem, waar needrigheid in suist,
		Dus spreken:
		„Uw edelheid heeft Woensdag mij bespuwd,
		Op dien dag weggeschopt, een ander maal
		Mij hond genoemd; voor zooveel vriendelijkheid
		Leen ik u zooveel geld?”


Antonio

		Ik was in staat u weder zoo te noemen,
		U weer te spuwen, met den voet te stooten.
		Wilt gij dit geld ons leenen, leen het niet
		Als aan uw vrienden, – vriendschap zou geen vrucht
		Van dood metaal ooit eischen van zijn vriend, —
		Maar leen ’t veeleer uw vijand uit, want blijft
		Die in gebreke, des te scherper kunt gij
		Het uiterste eischen.


Shylock

		Het uiterste eischen. Zie toch, welk een drift!
		Ik wilde uw vriend zijn, vriendlijkheid u toonen,
		Den smaad vergeten, dien ’k verduren moest,
		Het noodige u verschaffen, en voor rente
		Geen duit zelfs eischen, maar gij hoort niet eens;
		Mijn aanbod is toch vriendlijk.


Antonio

		’t Zou vriendlijk zijn.


Shylock

		’t Zou vriendlijk zijn. Ik doe die vriendlijkheid. —
		Ga mee naar den notaris, teeken daar
		Uw schuldbrief op uw naam; uit louter scherts,
		Opdat gij ziet, dat ik geen winst verlang,
		Als gij mij niet op den bepaalden dag,
		En daar of daar, die som of die, zooals
		Uw schuldbekentnis luiden zal, betaalt,
		Zij deze boete vastgesteld, dat ik
		Een zuiver pond mag snijden van uw vleesch,
		Uit welk deel van uw lichaam ik verkies.


Antonio

		Het zij zoo; op mijn woord; ik teeken ’t stuk,
		En zeg: ook bij een jood is vriendlijkheid.


Bassanio

		Neen, teeken zulk een borgtocht niet voor mij;
		Veel liever blijf ik nog in mijn ellend’.


Antonio

		Kom, vriend, geen angst; want ik betaal op tijd.
		In minder dan twee maanden, dus een maand
		Vóór ik ’t behoef, verwacht ik schepen binnen,
		In waarde tien-, ja, twintigmaal deez’ som.


Shylock

		O vader Abram! hoe de christnen toch,
		Omdat zij zelf hardvochtig zijn, van andren
		Hetzelfde denken! – ’k Bid u, zeg, zou mij,
		Als hij eens in gebreke bleef, het innen
		Der afgesproken boete voordeel zijn?
		Een pondje menschenvleesch, gesneden van
		Een man, is niet zoo goed, niet te verhandlen
		Als vleesch van rund of schaap. Ik zeide, ik wensch
		Zijn gunst, en bied mijn diensten. Neemt hij
		Die aan, zeer gaarne; weigert hij, ’t zij uit;
		Maar smaad mij niet, ik bid u, om mijn goedheid.


Antonio

		Shylock, ik ben bereid het stuk te teek’nen.


Shylock

		Gij ziet mij daadlijk weer, bij den notaris;
		Geef gij hem op, wat hij te stellen heeft,
		Met onze scherts er bij; ik zorg voor ’t geld
		En pak het in, en ’k moet ook naar mijn huis,
		Waarop een dienaar past, die niet te best
		Betrouwbaar is, maar spoedig ben ik bij u.



(Shylock af.)



Antonio

		Zoo haast u, goede jood. – Zie, deez’ Hebreër
		Wordt waarlijk nog een christen; hij wordt goed.


Bassanio

		’k Vertrouw geen goedheid van een boos gemoed.


Antonio

		Geen zorg; ik heb geen roekloosheid begaan;
		Mijn schepen zijn een maand vooruit wel aan.



(Beiden af.)





Tweede Bedrijf





Eerste Tooneel




Belmont. Een vertrek in Portia’s woning.

Trompetgeschal. De Prins van Marocco met zijn Stoet, Portia, Nerissa en anderen van haar Gevolg komen op.



Marocco

		Versmaad mij om mijn kleur niet; ’t is de donkre
		Livrei der helle zon, in wier nabijheid
		Ik ben geboren en mijn zetel heb.
		Maar koom’ de blankste jongling van het noorden,
		Waar Febus’ gloed de ijskegels nauwlijks smelt,
		En om uw min verwond’ zich elk van ons,
		Tot proef, wiens bloed het roodst is, ’t zijn of ’t mijn.
		’k Verklaar u, jonkvrouw, dit gelaat deed zelfs
		Den stoutste sidd’ren; ’k zweer u bij mijn min,
		Dat het de fierste maagden van het zuid
		Bekoren kon; en ’k ruilde niet mijn kleur,
		Dan om, mijn koningin, uw hart te stelen.


Portia

		Mijn keuze, prins, wordt niet alleen geleid
		Door wat een ijdel meisjeshart begeert;
		De loterij, waaraan mijn toekomst hangt,
		Ontneemt mij zelfs het recht van eigen keus;
		Maar had mijn vader in zijn wijsheid mij
		Niet zoo beperkt, en mij niet opgelegd
		Slechts hem als echtgenoot te aanvaarden, die
		Mij op de wijze wint, die ik u noemde,
		Dan ware uw uitzicht, wijdvermaarde prins,
		Wel even schoon als dat van eenig ander,
		Die vóór u naar mij dong.


Marocco

		Die vóór u naar mij dong. Reeds hiervoor dank.
		Ik bid u dus, geleid mij tot de kastjes,
		Om mijn geluk te toetsen. Bij deez’ kling, —
		Die aan den Sophi, en een Perzisch prins,
		Voor wien de Sultan Soliman driemaal
		Het veld moest ruimen, ’t leven nam, – ik zou
		Den fiersten blik der aard nog overfonklen,
		Het kloekste hart der aard nog overtrotsen,
		Aan de berin haar zuiglingwelpen nemen,
		Den leeuw beschimpen, brullende om een prooi,
		Voor uw bezit, signora. Maar helaas!
		Als Hercules en Lichas met den teerling
		Uitmaken wie het dapperst is, dan doet
		Wellicht de zwakste hand den hoogsten worp,
		En moet Alcides voor zijn schildknaap wijken;
		En zoo kan mij, als blind geluk beslist,
		Ontgaan, wat aan een mindren man ten deel valt,
		Zoodat ik sterf van smarte.


Portia

		Zoodat ik sterf van smarte. Zoo is ’t lot!
		Beslis dus, dat gij afziet van de keus,
		Of zweer vooraf, dat, als gij aav’rechts kiest,
		Gij u verbindt om nimmermeer een vrouw
		Ten echt te vragen. Overweeg dus wel.


Marocco

		Ik zweer het, nimmer! Kom, de keus gewaagd!


Portia

		Neen, eerst uw eed voor ’t altaar. Na den noen
		Beproeft ge uw lot.


Marocco

		Beproeft ge uw lot. Gelukstèr, toon uw macht,
		Nu ’t zaligst heil of diepste ellend’ mij wacht!



(Trompetgeschal. Allen af.)





Tweede Tooneel




Venetië. Een straat.

Lancelot Gobbo komt op.



Lancelot

Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood, mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij, en zegt: „Gobbo, Lancelot Gobbo”, of „goede Gobbo”, of „goede Lancelot Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg”. Mijn geweten zegt: „neen; pas op, brave Lancelot”, of, zooals daareven, „brave Lancelot Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft van dat wegloopen”. Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan, mij weg te pakken, en zegt: „Loop” zegt de booze, „voort!” zegt de booze, „in ’s hemels naam; heb een hart in ’t lijf”, zegt de booze, „en loop weg”. Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn hart en zegt op wijzen toon tot mij: „mijn brave vriend Lancelot, gij zoon van een braaf man”, – of liever van een brave vrouw, want, inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan, hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in – , nu, mijn geweten dan zegt: „Lancelot, blijf”, „blijf niet” zegt de booze; „blijf”, zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik, uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep, zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten, dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan.



(De oude Gobbo komt op, met een mand.)



Gobbo

Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?


Lancelot

(ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en kent mij niet. – Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen.


Gobbo

Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?


Lancelot

Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht af naar het huis van den jood.


Gobbo

Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient of niet?


Lancelot

Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot? – (Ter zijde). Nu opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen. – Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?


Gobbo

Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij dank, heel welvarend.


Lancelot

Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van den jongen mosjeu Lancelot.


Gobbo

Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer.


Lancelot

Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?


Gobbo

Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer.


Lancelot

Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot, vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter – hemel gevaren.


Gobbo

Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn ouderdom, mijn eenige steunpilaar.


Lancelot

(ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal, een staf of een pilaar? – Ken je mij niet, vader?


Gobbo

Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me, is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood?


Lancelot

Ken je mij niet, vader?


Gobbo

Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet.


Lancelot

Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; ’t is een wijs vader, die zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit.


Gobbo

Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot, mijn jongen, niet zijt.


Lancelot

Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat wezen zal.


Gobbo

Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt.


Lancelot

Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet, je vrouw, is mijn moeder.


Gobbo

Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar, bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn staart heeft.


Lancelot

Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb.


Gobbo

Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig met elkaar?


Lancelot

Zóó, zóó, – ; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd; je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader, ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem reikt. – O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan; – naar hem toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf.



(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.)



Bassanio

Zoo kun je het wel doen; – maar je moet er zoo veel spoed achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis.



(Een Bediende gaat heen.)



Lancelot

Nu naar hem toe, vader.


Gobbo

God zegene uwe edelheid.


Bassanio

Dank je zeer; wou je iets van mij hebben?


Gobbo

Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen.


Lancelot

Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren —


Gobbo

Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om bij u —


Lancelot

Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader zal spezivizeeren —


Gobbo

Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo wat als kat en hond, —


Lancelot

Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik hoop een oud man is, u fructivizeeren zal —


Gobbo

Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch te vereeren, en mijn verzoek is, —


Lancelot

Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man, die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn vader is.


Bassanio

Niet beiden te gelijk; – wat wil je? spreek!


Lancelot

Bij u in dienst komen, heer.


Gobbo

Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer.


Bassanio

		Ik ken u wel; ’t verzoek is toegestaan;
		Shylock, uw heer, beval vandaag u aan
		Voor deez’ bevordring, zoo ’t bevordring is,
		Uit zulk een dienst als van een rijken jood,
		Te komen bij een armen edelman.


Lancelot

Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft vele goederen.


Bassanio

		(tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader met uw zoon, —
		Neem afscheid van uw vroeg’ren heer en kom
		Dan aan mijn huis. – (Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei,
		Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop.


Lancelot

Kom, vader. – Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen, ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst. – Nu, (Hij bekijkt de binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo’n mooie handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal hebben! – Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; ’t is me daar een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets: elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast te verliezen aan den rand van een veerenbed; – dat noem ik er genadig afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt opzicht een goeie meid. – Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar wezen met dat afscheidnemen van den jood.



(Lancelot en de oude Gobbo af.)



Bassanio

		Ik bid u, Leonardo, denk hieraan;
		En kom, is dit gekocht en alles klaar,
		Terstond terug, want al mijn goede vrienden
		Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga.


Leonardo

		Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn.



(Gratiano komt op.)



Gratiano

		Waar is uw meester?


Leonardo

		Waar is uw meester? Heer, daar gaat hij juist.



(Leonardo af.)



Gratiano

		Signor Bassanio! —


Bassanio

		Signor Bassanio! – Gratiano!


Gratiano

		Ik wensch een gunst van u!


Bassanio

		Ik wensch een gunst van u! Ze is toegestaan.


Gratiano

		Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont.


Bassanio

		Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano,
		Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem;
		’t Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout
		In oogen zooals de onze; maar het wordt,
		Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij,
		Te dol gevonden; – temper, zoo gij kunt,
		Met enkle koude drupp’len stemmigheid
		Uw dart’len geest; opdat ik, door uw woestheid,
		Niet word’ miskend, en wat ik wensch en hoop
		Niet derven moog’.


Gratiano

		Niet derven moog’. Gerust maar, vriend Bassanio;
		Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid,
		Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan,
		En is mijn blik niet zedig, draag ik niet
		Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet
		Mijn hoed voor de oogen bij ’t gebed, en zucht
		Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig „amen”,
		Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht,
		Als een, die om de gunst van grootmama




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/uilyam-shekspir/de-koopman-van-venetie-25450252/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


