Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam
Герберт Джордж Уэллс




H. G. Wells

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam





Boek I.

De ontdekking van het voedsel





Hoofdstuk I.

De ontdekking van het voedsel





I


In het midden der negentiende eeuw begon in onze vreemde wereld voor het eerst in grooten getale een klasse van menschen op te komen, die voor het meerendeel aanleg hadden om oudachtig te worden, en die genoemd worden en dit zeer terecht, hoewel zij zelf dezen titel buitengewoon onaangenaam vinden – „Scientisten.” Zij vinden dit woord zóó onaangenaam, dat het in de kolommen van „de Natuur,” hetwelk van het begin af hun uitsluitend en karakteristiek orgaan was, even zorgvuldig vermeden wordt alsof het dat andere woord ware, dat de basis van alle werkelijk-gemeene taal in dit land vormt. Doch het Groote Publiek, en zijn Pers weten dit wel beter, en „Scientisten” blijven zij, en als zij ook maar eenigszins algemeen bekend raken, noemen wij hen „beroemde scientisten,” en „eminente scheikundigen” en „alom-bekende natuurkundigen” op zijn minst.

Voorzeker verdiende de heer Bensington zoowel als Professor Redwood elk van deze termen ten volle, lang vóór zij de wondervolle ontdekking deden waar dit verhaal over handelt. De heer Bensington was Lid van het Koninklijk Genootschap, een voormalig Voorzitter van het Scheikundig Genootschap, en Professor Redwood was Professor in de Physiologie aan het College van de Londensche Universiteit in Bond-street en hij was herhaaldelijk door de anti-vivisectionisten in geschriften grof belasterd. En sedert hun prilste jeugd hadden zij levens geleid van academische onderscheiding.

Zij zagen er natuurlijk heel onberoemd uit, zooals inderdaad alle ware Scientisten. Er steekt meer persoonlijke distinctie in den gladst-gemanierden acteur dan in het geheele Koninklijke Genootschap.

De heer Bensington was kort van postuur, en erg, erg kaalhoofdig, en liep lichtelijk gebogen; hij droeg een gouden bril en linnen schoenen die erg laag uitgesneden waren om zijn talrijke likdoorns, en Professor Redwood had een doodgewoon voorkomen. Tot zij toevallig het Godenvoedsel vonden (ik sta er beslist op het zoo te noemen), leidden zij zulke eminente en obscure studie-levens, dat ik er den lezer moeilijk iets van zou kunnen vertellen.

De heer Bensington verdiende zijn sporen (als wij tenminste een dergelijke uitdrukking mogen bezigen met betrekking tot een heer met uitgesneden linnen schoenen) met zijne schitterende onderzoekingen op het gebied van de Meer Giftige Alkaloïden, en Professor Redwood werd beroemd – dat herinner ik me eigenlijk niet recht meer, hoe hij beroemd werd! Méér van hem weet ik niet dan dat hij erg beroemd was. Dergelijke dingen groeien. Ik zou denken dat hij er gekomen was door een dik werk over den Duur der Reactie-bewegingen, met talrijke platen van sphygmographische opteekeningen (ik schrijf dit natuurlijk onderhevig aan verbetering) en een bewonderenswaardige nieuwe terminologie.

Het groote publiek kreeg weinig of niets van deze beide heeren te zien. Nu en dan, op plaatsen als het Koninklijk Instituut en de Maatschappij van Wetenschappen, kreeg het eens iets te zien van den heer Bensington, tenminste zijn blozende kaalheid en een stukje van zijn kraag en jas, en hoorde fragmenten van een lezing of een verhandeling, die hij zich verbeeldde goed verstaanbaar voor te dragen. En ééns herinner ik me hem gehoord te hebben – ’t was op een middag in het grauwe verleden – toen het Britsche Genootschap te Dover vergaderde, en ik inviel bij afdeeling C. of D. of een dergelijke letter welke haar kwartier had opgeslagen in een herberg, en ik uit louter nieuwsgierigheid twee ernstig-kijkende dames met bruinpapieren pakjes gevolgd was door eene deur waarop „Billard” en „Potspel” te lezen stond, een schandelijke duisternis in, die slechts gebroken werd door een tooverlantaarn-lichtkring van Redwood’s diagrammen.

Ik sloeg het inzetten en weder uithalen van de platen gade en luisterde naar een stem (ik ben vergeten wat de stem zeide) die naar ik meen de stem van Professor Redwood was, en er kwam een gesis uit de lantaarn en nog een ander geluid dat mij daar vasthield, zuiver uit nieuwsgierigheid, totdat de lichten plotseling opgedraaid werden. En toen bemerkte ik dat dit geluid niets anders was dan het geluid van het mummelen op krentenbroodjes en sandwiches en dergelijke dingen, waarvoor de leden van het Genootschap hierheen gekomen waren om op te eten onder bedekking van de duisternis der toover-lantaarn.

En ik herinner mij dat Redwood al maar doorpraatte zoolang de lichten op waren, en stond aan te wijzen op de plaats waar zijn diagram op het scherm zichtbaar behoorde geweest te zijn – en dit was het dan ook weder zoodra het weer duister werd. Ik herinner mij hem bij die gelegenheid als een doodgewonen donkeren man, die er een beetje zenuwachtig uitzag, met een air als of hij met iets anders bezig was en doende wat hij in die oogenblikken deed door een onverklaarbaar plichtsgevoel.

Ook Bensington heb ik eenmaal gehoord – in de dagen van ouds – op een opvoedkundige samenkomst in Bloomsbury. Zooals de meeste eminente Natuurkundigen en Botanici beschouwde Bensington zich ook als een groote autoriteit in opvoedkunde, – al was ik zeker dat een middelmatige klasse van een gemeenteschool hem binnen een half uur totaal van de wijs zou gebracht hebben – en zoo ver als ik het mij nù nog herinneren kan, stelde hij een verbetering van professor Armstrong’s Heuristische methode voor, waardoor, met drie of vierhonderd pond kosten aan toestellen, met algeheele verwaarloozing van alle andere studievakken, en de onverdeelde aandacht van een buitengewoon begaafd onderwijzer, een middelmatig kind met een bizonderen vorm van stompzinnige degelijkheid in den loop van tien of twaalf jaren bijna evenveel chemie kon leeren als men kon halen uit een van die oppervlakkige twee-kwartjes-boeken, die toen zoo algemeen gebruikt werden…

Ge ziet wel dat beiden doodgewone menschen waren, buiten hun wetenschappelijke sfeer. En nog wel aan den onpractischen kant van het gewone. En gij zult bevinden dat dit laatste het geval is, de geheele wereld over, met „scientisten” als klasse. Wat er groots aan hen is, is een kwelling voor hun medenatuurkundigen en een mysterie voor het groote publiek; en wat niet groot is, is duidelijk genoeg.

Er bestaat inderdaad geen twijfel omtrent wat niet groot is, want geen andere menschen-categorie heeft zulke in het oog vallende kleinheden als zij. Zij leven in een erg begrensd wereldje zoover het hun omgang met menschen betreft; hun navorschingen vergen een oneindige aandacht, en een bijna kloosterachtige afzondering; en wat er overblijft, is niet erg veel. Als men den een of anderen eigenaardigen, blooden, misvormden, grijsharigen, opgeblazen kleinen uitvinder van groote uitvindingen ziet, op belachelijke wijze getooid met het breede lint van de een of andere ridderorde, en receptie houdend voor zijne medemenschen; of den angst van „De Natuur” leest, bij het „verwaarloozen der Wetenschap,” als de engel der geboortedag-eerelinten het Koninklijk Genootschap voorbijgaat; of luistert naar den onvermoeiden mosplantkundige die een verhandeling houdt over het werk van een ander onvermoeid mosplantkundige, komt men tot de onvermijdelijke ervaring van de onveranderlijke menschelijke kleinheid.

En toch is het rif der wetenschap, dat deze kleine „natuurkundigen” bouwden en nòg bezig zijn te bouwen zoo wondervol, zoo gewichtig, zoo vol geheimzinnige, nog half-gevormde beloften voor de groote toekomst van den mensch! Zij schijnen zelf de dingen die zij doen niet te beseffen! Zonder twijfel had de heer Bensington, toen hij lang geleden dit beroep koos, toen hij zijn leven wijdde aan de alkaloïden en hunne verwante samenstellingen, een vaag begrip van het visioen – méér dan een vaag begrip waarschijnlijk. Want welke jonge man zou zonder een inspiratie, voor zoo weinig glorie en positie als een gewoon „natuurkundige” verwachten kan, zijn leven gegeven hebben aan zulk werk? Neen zij moèten den roem er van gezien hebben, zij moeten dit visioen gehad hebben, doch van zóó dichtbij, dat het hen verblind heeft. De heerlijkheid ervan heeft hen verblind, (en dat is gelukkig), zoodat zij voor het overige van hun leven de fakkel der kennis hoog kunnen houden zonder berouw opdat wij kunnen zien.

En misschien wordt Redwood’s afgetrokkenheid verklaard door het feit dat hij (en daar bestaat nu geen twijfel meer aan) van zijne makkers verschilde; en wel hièrin, dat er in zijn oogen nog iets van het visioen schitterde.




II


Ik noem het ’t Voedsel der Goden, deze zelfstandigheid die de heer Bensington en professor Redwood samen maakten; en in aanmerking nemend wat het reeds gewrocht heeft, en alles wat het voorzeker nog zal doen, is de naam beslist niet overdreven. En derhalve zal ik het zoo blijven noemen mijn geheele verhaal door.

Doch mijnheer Bensington zou het evenmin zóó in koelen bloede hebben durven noemen, als zijne kamers in Sloane-street te verlaten, gehuld in koninklijk purper en met een lauwerkrans op. Deze benaming was niets anders dan een eerste kreet van verbazing die hem ontsnapte. Hij noemde het ’t Voedsel der Goden, in zijn enthousiasme, en dit wel een uur lang achter elkaar. Daarna kwam hij tot de conclusie dat het dwaas was. Toen hij het eerst over de zaak nadacht, had hij als het ware een uitzicht op enòrme mogelijkheden – eenvoudig enorme mogelijkheden, doch na één blik van verbazing, sloot hij resoluut de oogen voor dit verblindende uitzicht, zooals een conscientieus „natuurkundige” dit behoort te doen. Hierna klonk „Het Voedsel der Goden” hem zóó snoeverig toe, dat hij het bijna onbehoorlijk ging vinden. Hij was er verwonderd over dat hij deze uitdrukking gebezigd had. Maar niettegenstaande dit, was er tòch nog iets van dat helder-geziene oogenblik in hem blijven hangen, en kwam telkens weder voor den dag…

„Waarachtig,” zei hij, zich in de handen wrijvend en zenuwachtig lachend, „het is van meer dan theoretisch belang.”

„Bijvoorbeeld,” deelde hij den professor in vertrouwen mede, zijn gezicht dicht bij dat van den geleerde brengend en zachter sprekend, „het zou misschien te verkóópen zijn, als het goed aangelegd werd.”

„Precies als een voedingsstof,” zei hij, een eindje wegloopend. „Of ten minste als een voedingsbestanddeel. Natuurlijk aannemend dat het smakelijk is. Iets wat we niet kunnen zeggen vóor we het bereid hebben.”

Hij wendde zich om op het haardkleed en bestudeerde aandachtig de zorgvuldig afgewerkte spleetjes in zijn linnen schoenen.

„De naam?” zei hij, opkijkend, als antwoord op een vraag. „Wat mij betreft hel ik over naar de goede oude klassieke zinspeling. Het – ’t maakt de wetenschap respectabel – geeft er een tikje ouderwetsche waardigheid aan. Ik dacht zoo… Ik weet niet of je ’t zot van me zult vinden… een beetje verbeelding is nu en dan toch zeker wel veroorloofd… Herakleophorbia. He? Het voedsel van een mogelijke Hercules? Het zou best kùnnen, niet waar… Natuurlijk als jij denkt dat het nièt…”

Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren.

„Geloof je dat die naam gaan zou?”

Redwood’s hoofd bewoog zich ernstig.

„We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel… of lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje tè…”

„Neen.”

„Ha, daar ben ik blij om.”

En aldus noemden zij het Herakleophorbia, zoolang hunne onderzoekingen duurden; en in hun rapport, – het rapport dat nooit uitgegeven werd, door de onverwachte gebeurtenissen die al hun schikkingen in de war brachten, – wordt het ook voortdurend aldus genoemd. Er werden drie verwante zelfstandigheden bereid voor ze dàt tot uitkomst kregen, wat hunne berekeningen hun voorspeld hadden, en van deze drie substantie’s spraken zij als Herakleophorbia I, Herakleophorbia II en Herakleophorbia III.

En – vasthoudend aan den oorspronkelijken naam dien Bensington het gaf – noem ik hier Herakleophorbia IV het Voedsel der Goden.




III


Het was een idee van den heer Bensington. Doch daar het hem aan de hand gedaan werd door een van Professor Redwood’s stukken in de „Philosophische Verhandelingen,” waaraan deze medewerkte, ging hij dezen heer er behoorlijk over raadplegen vóor hij het verder uitwerkte. Bovendien was het zoo goed een physiologisch als een scheikundig onderzoek.

Professor Redwood was een van die mannen der wetenschap, die verslaafd zijn aan diagrammen en kromme lijnen. Gij weet wel – als ge tenminste ook maar eenigszins tot het soort lezers behoort waar ik van houd – welk soort van wetenschappelijk artikel ik bedoel. Het is een verhandeling waar ge geen touw aan kunt vastknoopen, en aan het einde komen er vijf of zes lange opgevouwen figuren, die men ontvouwen kan en eigenaardige zigzag-lijnen, overdreven bliksemflitsen, of onverklaarbare kronkelende dingen doen zien, die „vlakke lijnen” worden genoemd, getrokken op ordinaten en wortelend in abscissae – en dergelijke dingen. Ge zit een heelen tijd te gissen, en eindigt met een vaag vermoeden dat niet alleen gìj het niet begrijpt, maar dat de schrijver zelf dit evenmin doet. Maar zonder gekheid, verscheidene van deze mannen der wetenschap begrijpen hun eigen schrifturen heel goed: het is eenvoudig een gebrek aan duidelijk uitdrukken dat deze hinderpaal tusschen hen en ons opwerpt.

Ik voor mij geloof dat Redwood in rechte en kromme lijnen dacht. En na zijn monumentaal werk over den Duur der Reactie-beweging (den onwetenschappelijken lezer verzoek ik zich hier nog een beetje meer in te werken, dan zal alles hem zoo helder zijn als klaarlichte dag) begon Redwood voor den dag te komen met vlakke gebogen lijnen en sphygmographeriën over Groei, en het was een van zijn stukken over „de Groei,” dat den heer Bensington op het denkbeeld bracht.

Redwood, moet ge weten, had allerlei groeiende dingen opgemeten, zooals jonge katten, jonge honden, zonnebloemen, paddestoelen, boonstengels en (tot zijn vrouw er een stokje voor stak) zijn eigen baby, en hij toonde aan, dat de groei zich voortzette, niet gelijkmatig of zooals hij het aanduidde:








maar met plotselinge zetten en tusschenpoozen, ongeveer als volgt:








en dat, voor zoover hij kon uitmaken, nièts regelmatig en staag kòn doorgroeien; het leek alsof ieder levend wezen kracht moest opgaren om te groeien, slechts voor eenigen tijd krachtig groeide, en dan weder een zekeren tijd moest wachten vóor het met groeien kon voortgaan. En in de bedekte en uitermate technische taal van den werkelijk voorzichtigen „natuurkundige,” opperde Redwood, dat het groeiproces waarschijnlijk de aanwezigheid van de een of andere substantie in het bloed noodzakelijk maakte, dat slechts zeer langzaam gevormd werd, en dat als deze substantie door den groei verbruikt was, zij slechts zeer langzaam weder aangevuld kon worden, en het organisme onderwijl tijd moest gelaten worden. Hij vergeleek zijn onbekende substantie bij olie in een machine. Een groeiend dier had werkelijk veel gemeen met een machine, die zich een zekeren afstand kon voortbewegen, en dan geölied moet worden voor zij verder loopen kan. („Doch waarom zou men de machine niet van bùìten-af van olie voorzien?” zei de heer Bensington, toen hij het stuk las). „En dit alles,” zei Redwood met het heerlijke zenuwachtige over-tusschenliggende-gedachten-heenspringen van zijn klasse, „zou waarschijnlijk licht kunnen werpen op het mysterie van enkele der niet-geleidende klieren.” Alsof dìe er iets mee uit te staan hadden!

In een volgende verhandeling ging Redwood reeds verder. Hij gaf een waar „Brock’s Benefit”[1 - Brock is dè vuurwerkmaker in Engeland en bij Brock’s Benefiet, eenmaal per jaar in het „Crystal Palace”, wordt een eindeloos getal rakketten enz. opgelaten.(Noot van Vertaler.)] van diagrammen – die precies leken op de banen van vuurpijlen; en de clou ervan – voor zoover het eenige clou bevatte – was, dat het bloed van jonge honden en katten, en het sap van zonnebloemen en het sap van paddestoelen, als deze waren in wat hij noemde „het groei-stadium,” verschilde in de aanwezig-zijnde proporties van zekere deelen van het bloed en sap, op de dagen dat zij niet bijzonder sterk groeiden.

En toen Bensington, na de figuren op hun kant en onderstboven gehouden te hebben, begon te zien wat dit verschil was, werd hij uitermate verbaasd. Omdat, ziet ge, het verschil mogelijk veroorzaakt werd door de aanwezigheid juist van diè substantie, welke hij kort te voren getracht had te isoleeren bij zijn onderzoek van diè alkaloïden, welke het zeerst het zenuwstelsel stimuleeren. Hij legde Redwood’s verhandeling op den gepatenteerden lessenaar, die ongemakkelijk weg-draaide van zijn leunstoel, nam zijn gouden bril af, ademde erop, en wreef hem zeer zorgvuldig af.

„Allemachtig!” zei de heer Bensington.

Toen hij zijn bril weder had opgezet, wendde hij zich weder naar den lessenaar, die, zoodra zijn elboog er tegen stootte, een coquet gepiep liet hooren, en de verhandeling met al haar figuren op den grond deed belanden, verfrommeld en verspreid.

„Groote hemel!” zei mijnheer Bensington, zijn buik over den leunstoel rekkend met een geduldige minachting voor de gewoonten van dit gemakkelijk meubelstuk, en toen, bevindend dat de brochure nog buiten zijn bereik lag, liet hij zich op de handen vallen, om de stukken bijeen te garen. Op den grond viel het denkbeeld hem eigenlijk in, het „’t Voedsel der Goden” te noemen…

Want ziet ge, als hij het bij het rechte eind had, en Redwood eveneens, zou hij, door deze nieuwe substantie in te spuiten of door ander voedsel te mengen de rustpoos geheel buiten rekening kunnen laten, en in plaats dat de groei aldus ging:








zou hij (als ge mij volgen kunt) aldùs gaan:









IV


Bensington deed den nacht na zijn gesprek met Redwood haast geen oog dicht. Eens meende hij in den dommel te raken, doch dit was slechts voor een oogenblik en toen droomde hij dat hij een diep gat in de aarde gegraven had, en daarin tonnen vol Godenvoedsel wierp en de aarde zette al meer en meer uit, en al de grenzen der verschillende landen scheurden, en het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap was als één man aan het werk, als één gróót kleermakersgilde, om den equator ùit te leggen…

Het was natuurlijk een belachelijke droom, doch het toont veel beter dan één der dingen, die hij zeide of deed als hij wakker en op zijn hoede was, den staat van geestelijke opwinding aan, waarin hij verkeerde. Anders zou ik er geen melding van gemaakt hebben, daar ik over het algemeen het elkaar-droomen-vertellen volkomen onbelangrijk vind.

Door een vreemde toevalligheid droomde Redwood dien nacht eveneens, en wat hij droomde was het volgende:








Het was een figuur dat vurig stond afgedrukt op een lange rol, die zich tot in het oneindige verlengde. En hij (Redwood) stond op een planeet voor een soort van zwart podium; en hij hield een lezing over den nieuwen groei die nu mogelijk was, voor het Meer dan Koninklijk Instituut van Oorspronkelijke Krachten, – krachten die tot dan toe, zelfs bij den groei der rassen, keizerrijken, sterrenstelsels en werelden steeds aldus gewerkt hadden:








En in sommige gevallen zelfs zoo:








En hij was bezig heel helder en vol overtuiging uit te leggen dat deze langzame, achteruitgaande methoden weldra geheel uit de mode zouden zijn door zijne ontdekking.

Belachelijk natuurlijk. Doch ook dit toont aan – Dat elk van deze beide droomen moet beschouwd worden als ook maar eenigermate meer beteekenisvol of profetisch dan ik categorisch gezegd heb, zou ik geen oogenblik durven opperen.




Hoofdstuk II.

De Proef-Hoeve





I


Bensington nam zich oorspronkelijk voor, met zijn goedje proeven te nemen op jonge donderpadden, zoodra hij het werkelijk kon produceeren. Dergelijke dingen worden altijd het eerst geprobeerd op donderpadden; want daar zijn kikkers toch voor! – En zij kwamen overeen dat hij en niet Redwood de proefnemingen zou doen, omdat Redwood’s laboratorium in beslag genomen werd door den projectiel-snelheidsmeter en de dieren, die noodig waren voor een onderzoek naar de Dagelijksche Afwijking in het aantal horenstooten per dag van den Jongen Stier, een onderzoek dat kromme lijnen van abnormale en zeer verwarrende soort opleverde, en de aanwezigheid van glazen bollen met donderpadjes erin was bijzonder ongewenscht, zoolang bovengenoemd onderzoek juist in vollen gang was.

Doch toen de heer Bensington zijn nicht Jane iets toevertrouwde van wat hij in het hoofd had, sprak zij onmiddellijk haar veto uit over den invoer van donderpadden of dergelijke wezens om op te experimenteeren, in hun verdiepingwoning. Zij had niet het minste bezwaar dat hij een der vertrekken van hun verdieping gebruikte voor dingen zooals scheikunde waar geen ontploffingen bij te pas kwamen, en die geen nadeelige gevolgen had wat haar zelve betrof; zij had geen bezwaar dat hij een gas-fornuis en een gootsteen en een stof-vrije kast er op nahield, die veilig bleven voor den wekelijkschen storm der schoonmaak dien zij op andere plaatsen duchtig liet woeden. En daar zij lieden gekend had die aan den drank verslaafd waren, beschouwde zij zijn haken naar onderscheiding in geleerde genootschappen als een uitmuntende plaatsvervanger voor den groveren vorm van verdorvenheid. Doch massa’s levende dingen, die zoo „kronkelerig” waren als ze leefden en „stinkerig” als ze dood waren, dat kon en wilde ze niet dulden. Zij zei, dat dergelijke dingen beslist ongezond moesten zijn, en dat Bensington een man was die erg moest oppassen – en dat het onzin zou zijn als hij wilde beweren dat dit niet zoo was.

En toen Bensington probeerde haar het enorme gewicht van deze mogelijke ontdekking te doen zien, zeide ze dat ’t allemaal goed en wel was, maar dat, als zij hem toestond alles in huis akelig en ongezond te maken (en daar kwam ’t toch maar allemaal op neer), hij de eerste zou zijn om zich te beklagen.

En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was, dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was geweest, dat ze geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken, als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon of wilde als er zoo’n „luchtje” aan was – en toen – niettegenstaande de klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft – verloor hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos, maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.

Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een „Proef-Hoeve.”

En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken, hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen, zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het volkomen met hem eens.

Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd, van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven, door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen, die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof, zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland – enz.

Daar Redwood’s jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen, en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in verscheidene dagbladen en in „de Natuur,” om een verantwoordelijk paar (gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten bunder op zich te nemen.

Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei, omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie van echo’s.

De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor wetenschappelijk onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders kon bergen.

Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze schikkingen meer dan te rechtvaardigen.

Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria’s.

Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna uitsluitend te zijn – neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij (voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus, terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging in zijn toilet aan het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven, en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.

„Ziet u,” zeide juffrouw Skinner, „de leerlingen, die brenge de cente in.”

Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan, die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington’s zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking: „U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. ’t Komt alleth op ’t zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!”

Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. „’t Ith niet zoo’n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith haastht niet de moeite waard,” zeide hij, „thoodat, als ’t u beter thchikt, wij dadelijk…”

En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een systematisch gesprek over den heer Bensington.

„Ik heb hem nog niet veel gethien,” zeide de heer Skinner. „Maar voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een stomme ouwe dwaath.”

„Ik dacht wel dat er een van z’n vijf op den loop was,” zei de timmerman van Hickleybrow.

„Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth,” zeide de heer Skinner. „Heerem’ntijd! Als je ’m hoorde, zou je denken dat niemand wat van hoenderth wisht dan hij.”

„’IJ ziet er zelf uit as een ’en,” zeide de timmerman van Hickleybrow; „misschien door z’n bril.”

De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek kwaadaardig. „Moete èlke dag gemete worde, – iedere kip, thegt ie. Om te thien of the goed groeie. Nou theg, – he? Iedere kip, thowerachtig, iedere dag.”

En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog op – en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had, herhaalde hij met een doordringend gefluister: „gemète!”

„’IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as ’t niet waar is,” zei de timmerman van Hickleybrow.




II


Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten erover in de „Philosophische Verhandelingen” zijn misschien nòg vervelender) en het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht, en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven – hij was steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had hij nooit een baard – en naar den heer Bensington te kijken met één oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: „O, natuurlijk, meneer – als ’t u ernst ith…!”

Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.

„Het nieuwe Broeisel is uit,” schreef de heer Skinner, „en ik kan niet zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op – heelemaal niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens, maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. ’t Zijn ware Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe want nooit heb je kuikens zóó zien ete’. Grooter dan Bantams. Als ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben kunnen zweren dat ik ’em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten, en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,

Hoogachtend,

Alfred Newton Skinner.

De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was, met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.

Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden, voldoende voor alle kuikens in Kent.

Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde zich wat brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.

Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is, en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn gelukkigste dag was aangebroken.

Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen, alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.

„Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d’er zulle uitzien as ze volwasse benne,” zei de heer Skinner.

„Groot als een paard,” zei de heer Bensington.

„Thal niet veel thchelen,” zei Skinner.

„Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één vleugel!” zeide de heer Bensington. „Zij zouden aan stukken te snijden zijn als rundvleesch.”

„The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien,” zeide Skinner.

„Niet?” zei de heer Bensington.

„Nee,” zei de heer Skinner. „Ik ken dit thoort. Thij beginne geil, maar the thcheijen er gauw mee uit!”

Er volgde een oogenblik stilte.

„’t Ith nikth anderth dan de behandeling, die ’t em doet,” zeide de heer Skinner bescheiden.

De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.

„We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee,” zeide meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje loskomend; „ik en m’n vrouw.”

Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier – hier droeg het Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het leek hem alles tè mooi – tè mooi. De uitgestelde verwachting die het dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet langer zijn deel zijn!

Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.

„Laat ik eens kijken,” zeide hij. „Ze zijn nu tien dagen oud. En ik zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of zeven maal zoo groot zijn…”

„’t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage,” zeide Skinner tot zijne vrouw. „Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de tweede ren tho ver gekrege hebbe, – zoo lekker ath wat.”

Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.

„’IJ denkt dat ’t dat goedje van ’em ith,” zeide hij achter zijn hand, en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte…

De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden, toen deze hem in vertrouwen mededeelde, „dat ’t ’n hond of een foth of ietsth dergelijkth wath dat ’t dee.”

Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.

„Dat is ie ook niet, meneer,” zei juffrouw Skinner met over elkaar geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. „’t Is as of we geen tijd gehad hebbe, om ’em schoon te make sints we hier zijn…”

Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner een val wilde hebben – zeer zeker waren ze enorm groot – en ontdekte dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als bontwerker wilde beproeven. („The kunne mìjn niet veel meer leere van bont en tho,” zeide Skinner).

De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor deze wanorde, doch hij maakte geen noodeloos kabaal, en zelfs toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan de lucht bloot te stellen.

En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het hoofd gezeten had: „ik geloof, Skinner – dat ik maar een van de kuikens zal slachten, – eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we ’t vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik ’t mee naar Londen.”

Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn bril af om die schoon te wrijven.

„Ik zou graag,” zeide hij, „ik zou erg graag een reliquie – een aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag – hebben.”

„Tusschen twee haakjes,” zei hij, „je geeft die kuikens toch geen vleesch?”

„O, nee, meneer,” zei Skinner, „dàt kan ik je verthekere, meneer, dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook, om thóó ietsth te doen.”

„Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt in – ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den versten hoek van de ren – ”

Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.




III


„Dàt is geen kuiken,” zei Bensington’s nicht Jane. „Denk je dat ik geen kuiken ken,” zei Bensington’s nicht Jane heftig. „’t Is véél te groot voor een kuiken, en bovendien, je kunt héél goed zien, dat ’t geen kuiken is. Het lijkt meer op een trapgans dan op een kuiken.”

„Ik moet zeggen,” zei Redwood, aarzelend, Bensington noode toestaand hem in het dispuut te betrekken, „ik moet bekennen, dat, de bewijzen in aanmerking genomen – ”

„O, als u dát doet,” zei nicht Jane, „in plaats van uw oogen te gebruiken als een verstandig man – ”

„Nee maar, heusch, juffrouw Bensington – !”

„Och, loop heen!” zei nicht Jane. „Jullie mannen zijn allemaal ’t zelfde.”

„De bewijzen in aanmerking nemend, valt dit dier toch zeker onder dit soort – ongetwijfeld is het abnormaal, en overvoed, maar tòch – vooral daar het gekomen is uit het ei van een normale kip – geloof ik toch, juffrouw Bensington, te moeten toegeven, dat dit, voor zoover men het ièts kon noemen, een kuiken is.”

„Dus u denkt dat dit een kuiken is?” zei nicht Jane.

„Ik gelóóf dat dit een kuiken is,” zei de heer Redwood.

„Wat een onzin!” zei Bensington’s nicht Jane, en „och,” (dit gericht tegen Redwood’s hoofd) „jullie met je onzin,” en toen keerde zij zich plotseling om, ging de kamer uit en sloeg de deur achter zich dicht.

„En ’t is een heele opluchting, ook voor mij, het te zien, Bensington,” zei Redwood, toen de nagalm van het dichtslaan der deur weggestorven was. „Al moet ik zeggen dat ’t erg groot is.”

Zonder dat Bensington hem hiertoe behoefde uit te nooden, ging hij in den lagen leunstoel bij het vuur zitten en bekende dingen bedreven te hebben, die zelfs voor een leek ongepast zouden zijn geweest.

„Je zult het wel wat overhaast van me vinden, Bensington,” zei hij, „maar de quaestie is, dat ik een klein beetje – niet erg veel – maar toch, een beetje – in de flesch van baby gedaan heb, nu zoowat een week geleden!”

„Maar als nu – !” riep Bensington uit.

„Jawel, dat weet ik,” zeide Redwood, en keek naar het reuzenkuiken op den schotel op tafel.

„’t Is gelukkig goed afgeloopen,” en hij zocht in zijn zak naar zijne cigaretten.

Bij stukjes en beetjes gaf hij de bijzonderheden:

„Arme kleine kerel, kwam maar niet vooruit in gewicht… vreeselijk ongerust. Winkles, een vent van niks… vroegere leerling van me… deê niks… m’n vrouw, onbeperkt vertrouwen in Winkles… Je weet wel, een man met een optreden als een rots… overdonderend… Niets geen vertrouwen in mìj, natuurlijk… Gaf Winkles les… mocht nauwelijks in de kinderkamer komen… moest toch ìets gedaan worden… sloop naar binnen toen de zuster zat te ontbijten… en kreeg de flesch in handen.”

„Maar dan zal het aan ’t groeien gaan,” zei de heer Bensington.

„Het gróéit al. Zevenentwintig ons verleden week… Nu moet je Winkles ’es hooren. „Ligt alleen aan de behandeling,” zei hij.

„Wel allemachtig! precies ’t zelfde zei Skinner!”

Redwood keek nog eens naar het kuiken. „’t Moeilijke van de zaak is, om het aan den gang te houden. Ze vertrouwen mij niet meer alleen in de kinderkamer, omdat ik probeerde een groei-lijn van Georgina Phyllis te krijgen – en hoe moet ik em nu een tweede dosis geven – ”

„Is ’t noodig?”

„Hij schreit al twee dagen – hoe dan ook, met zijn gewone voedsel kàn hij niet doorgaan. Moet nu méér hebben.”

„Zeg ’t aan Winkles.”

„Winkles kan naar den duivel loopen!” zei Redwood.

„Je kondt Winkles in den arm nemen, en hem poeders geven om aan het kind te geven – ”

„Ja, daar zal wel niets anders op zitten,” zeide Redwood, zijn kin op zijn vuist latend rusten en in het vuur kijkend.

Bensington stond een oogenblik het dons op de borst van het kuiken glad te strijken. „’t Zullen reusachtig groote hoenders worden,” zei hij.

„Dàt zullen ze,” zei Redwood nog steeds in den gloed starend.

„Zoo groot als paarden,” zei Bensington.

„Gróóter,” zei Redwood. „Wat ik je zeg, hoor!”

Bensington wendde zich van het exemplaar af.

„Redwood,” zei hij, „deze hoenders zullen fureur maken.”

Redwood knikte tegen het vuur.

„En waarachtig!” zei Bensington plotseling naderbij tredend met schitterende brilleglazen, „je kleine jongen óók!”

„Daar denk ik net aan,” zei Redwood.

Hij liet zich achterover in zijn stoel vallen, zuchtte, wierp de nog-niet-opgerookte cigarette in het vuur, en stak zijn handen diep in zijne broekzakken. „Daar dacht ik juist over. Dit Herakleophorbia zal raar goedje worden om mee om te gaan. Denk toch es hoe hard dat kuiken gegroeid moet zijn – ”

„Een kleine jongen, die zóó hard groeit,” zei de heer Bensington langzaam, en keek naar het kuiken terwijl hij het zeide.

„Zeg!” zei Bensington, „wat een kerel zal dàt worden.”

„Ik zal hem steeds kleiner wordende doses geven,” zei Redwood. „Of liever gezegd, Winkles zal dit doen.”

„’t Experiment is tè sterk.”

„Jawel.”

„Maar toch, weet je, moet ik zeggen – …Te een of andere tijd zal de een of andere baby ’t tòch moeten slikken.”

„O, zeker, we zullen er beslist proeven mee nemen op de een of andere baby. – ”

„Precies,” zei Bensington, kwam op het haardkleed staan en zette zijn bril af om hem schoon te maken.

„Ik geloof niet, Redwood, dat, vóór ik deze kuikens zag, ik begòn te beseffen – ook maar iets – van de mogelijkheid die er lag in wat wij gemaakt hadden. En zelfs nu begint het pas tot mij door te dringen… de mogelijke gevolgen…”

En zelfs op dat oogenblik had Bensington nog geen vaag besef van de mijn, die dat lontje zou doen springen.




IV


Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige, doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging…

En toen begonnen de wespen hun loopbaan.

Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood werd. Het bericht ervan verscheen in verscheidene bladen, maar ik weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in alles op de Proef-Hoeve heerschte.

Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam – en misschien nòg werkzamer – bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger den rijpen leeftijd dan een kip – en inderdaad waren van al de wezens die – door de gulle achteloosheid der Skinners – deelden in de geneugten waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde – de wespen de eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.

Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen, die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick, en hij droeg zijn geweer – gelukkig voor hem een dubbelloops – over zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam, zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien, en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren „als een automobiel.” Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog moet de vlucht en in het bijzonder het nevelige gedwarrel der vleugels iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte, toen, zooals hij zegt, hij „het schot er aftrok.”

Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken; het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig „Wzzzz,” dat het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op, terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg, en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.

Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel, op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af, vóor hij er zich dichtbij waagde.

Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim – wat ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.

Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars over den weg kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting van Westerham.

Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af – hij beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed – en ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge dien dag…

Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los, als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.

Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was het eerste van hun tweeën dood…

De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die op het plein vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond – er ontstond een paniek onder de lezers – vond eindelijk een raam en verdween plotseling in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.

Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable, voor de oogen van zijn meesteres…

De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen, de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters uitsluitend aan de „Reusachtige Wespen in Kent!” Opgewonden hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en brulden allerlei over „wespen.” En Professor Redwood, die uit zijn college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad, opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen wilde in een bakje naar Bensington’s kamers.




V


De verdieping werd in beslag genomen, leek het hem toe – met buitensluiting van alle andere voelende dingen – door meneer Skinner en zijn stem, zoo ge tenminste een van beiden een voelend iets kunt noemen!

De stem was héél hoog, baggerend in de angsttonen.

„We kunne onmogelijk blijve, meneer, we thijn d’r gebleve in de hoop dat ’t beter thou worden, en ’t wordt hoe langer hoe erger, meneer. ’t Thijn niet alleen de wethpen, meneer – d’r thijn groote oorwormen, meneer, thóó groot, meneer.” (Hij stak zijn geheele hand en nog ongeveer drie duim vette, smerige pols uit). „M’n vrouw krijgt er haatht een beroerte van angtht van, meneer. En de brandnetelth bij de kippenloopen, meneer, diè groeie ook al, meneer, en het kanariekruid, meneer, dat we bij de thinkput thaaiden, meneer – dat sthak z’n ranke door het raam ’th nachts, meneer, en greep m’n vrouw bijna bij d’r beene, meneer. Dat komt door dat voeder van u, meneer. Overal waar we wat gemortht hebbe, meneer, ith alles wèliger an ’t groeie gegaan, meneer, dan ik dacht dat mogelijk wath. ’t Ith onmogelijk, meneer, om nog ’n maand te blijve, meneer. We thoue d’r niet levend van daan komme, meneer. Al stheke de wespen onth niet, dan thulle we gethmoord worde door de thlingerplant, meneer. Je kunt je d’r geen denkbeeld van make, meneer – alth je thelf niet komt kijke, meneer – ”

Hij richtte zijn verheven oog naar de kroonlijst boven Redwood’s hoofd. „Wie thal thegge, meneer, of de ratte ’t ook al niet te pakke hebbe, meneer! En daar ben ik ’t bangthste voor, meneer. Tot nog toe heb ik geen groote rat gethien, meneer, maar wie thal ’t thegge, meneer? We thijn dage lang in de war geweetht van thchrik toen we die oorwurme thage – alth kreefte, meneer – twee, meneer – en dan dat kanariekruid; en tho gauw toen ik de wethpen hoorde, meneer, thnapte ik ’t. Ik wachtte geen oogenblik langer, dan om ’n knoop antethette die ’k verlore had, en toen ben ik maar gauw hierheengekomme. En nou ben ik half buite methelf van angst over m’n vrouw, meneer. Dat kanariekruid kruipt over de heele plaatth alth een thlang, meneer – terwijl je d’r naar kijk, meneer! en dan die oorwurme, die hoe langer hoe grooter worde, en de wepthe – ze heeft thelfths geen thakjethblauw[2 - Reckitt’s zakjes-blauw wordt geacht uitstekend te helpen als men door een wesp etc. gestoken is, en dit op de oploopende plaats legt.], meneer, – alth d’r wat overkwam, meneer!”

„Maar de kippen,” zeide de heer Bensington; „hoe gaat het met de kippen?”

„We hebbe the tot githtere gevoederd, ’t ith waar,” zei de heer Skinner, „maar vanmorge dòrthte’ we niet meer, meneer. ’t Lawaai dat de wethpe’ maakte’ – vreethelijk, meneer. The vloge net uit – dothijne. Tho groot ath kippe. Ik theg tege d’r „naai me eve ’n paar knoope’ aan,” theg ik, „want ik kon toch thò niet naar Londen,” theg ik, „en dan ga ik naar meneer Benthington,” zeg ik, „om ’em alleth te vertelle. En jij blijf in dethe kamer tot ik terugkom,” theg ik, „en hou de rame’ tho dicht alth je maar kan,” theg ik.”

„Als jelui niet zoo vervloekt slordig waart geweest” – begon Redwood.

„O, theg dàt niet, meneer!” zeide Skinner. „Noù niet meneer, nou dat ik tho in angthst thit over m’n vrouw, meneer! Athjeblìéft, meneer. Ik kan nou nikth tegenthegge. Waarachtig, meneer, ’t gaat niet! Ik moet al maar an die ratte denke – wie weet of the m’n vrouw al niet beet hebbe, terwijl ik hier ben?”

„En heb je dan niet één enkele opmeting van al die heerlijke groei-lijnen!” zeide Redwood.

„’k Ben te veel in de war geweetht, meneer,” zeide meneer Skinner. „Alth je witht, wat wij doorgethtaan hebbe – ik en m’n vrouw. We withte niet wat er van te denke, meneer. Doordat die kippe tho groeiden, en de oorwurme, en het kanarie-kruid…”

„Ja, ja, dat heb je nou allemaal al verteld,” zeide Redwood. „Maar wat moeten we aanvangen, Bensington?”

„Wát moeten wij aanvange?” vroeg meneer Skinner.

„Jij zult natuurlijk terug moeten naar je vrouw,” zeide Redwood. „Je kunt haar daar niet alleen laten den geheelen nacht.”

„Maar alléén ga ’k nièt, meneer, al ware d’r ’n dothijn juffrouwen Thkinner. ’t Ith meneer Benthington – ”

„Onzin,” zeide Redwood, „’s Avonds zijn d’r geen wespen, en de oorwurmen gaan je wel uit den weg – ”

„Maar de ratten dan?”

„Er zìjn geen ratten,” zeide Redwood.




VI


De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.

Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar zou zijn. En ook, dat ’t was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam, door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de slaapkamerdeur open doen en luisterde… Alles scheen rustig, en aldus haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had, begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten, doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV, die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij was wel eerlijk, ’t goeie mensch, – maar zij was toch ook grootmoeder en haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen op een troep van die verwenschte kuikens.)

En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op, deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben, opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden huiverigen moed, die haarzelf vervulde.

De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van vastberadenheid. Nu had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.

Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter zich dicht.

Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.

Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen van ’s morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen, doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef weder staan. „Ach!” zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch natuurlijk veel breeder van lijf – heelemaal veel grooter. Het waren allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige houdingen zag staan. „Arme sukkels!” zeide zij, en legde haar pak neer; „ze ’ebbe’ geen water. En ze ’ebbe’ in vierentwintig uur geen ete’ gehad! En dan met zoo’n eetlust!” Zij bracht een magere vinger aan hare lippen en ging met zichzelve te rade.

En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin, stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.

Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.

Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.

Toen weder vastberaden voorwaarts…

Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort van op-de-achterste-pooten-loopende mier, zich voortreppend langs het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden, onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die ’m vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek tusschen haarzelf en Skinner.

En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld, steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.




VII


Zoover als ik kan nagaan, kwamen de kuikens in Hickleybrow ’s middags tegen drie uur. Hun komst schijnt heel wat levendigheid meegebracht te hebben, hoewel er toevallig niemand op straat was om ze te zien aankomen. Het geweldige gekrijsch van den kleinen Skelmersdale schijnt de eerste aanduiding te zijn geweest dat er iets niet in den haak was. Juffrouw Durgon van het postkantoor stond als gewoonlijk voor het raam, en zag de kip, die het ongelukkige kind beetgepakt had, met groote passen de straat afrennen met haar slachtoffer, dicht op de hielen gezeten door twee anderen. Ge kent wel die waggelende groote passen van het geïmproviseerde athletische kuiken van heden ten dage! Gij kent wel het vinnige vasthouden van de hongerige kip! Er zat bloed van Plymouth Rocks in deze kippen, heb ik hooren zeggen, en zelfs zonder Herakleophorbia, is dit een mager, hardloopend ras.

Het is mogelijk dat juffrouw Durgon niet zoo heel erg verrast was. Niettegenstaande het aandringen van den heer Bensington op geheimhouding, liep er toch reeds sinds eenige weken in het dorp een gerucht rond omtrent het groote kuiken, dat Skinner aan het opfokken was. „Goeie hemel!” riep zij uit, „net wat ik dacht.”

Zij schijnt zich met groote tegenwoordigheid van geest gedragen te hebben. Zij greep den verzegelden zak met brieven, die lag te wachten om door te gaan naar Urshot, op, en rende hiermede onmiddellijk de deur uit. Bijna op hetzelfde oogenblik verscheen de heer Skelmersdale, een gieter krampachtig bij de tuit houdend, en erg bleek. En het spreekt vanzelf, dat binnen een minimum van tijd iedereen in het dorp naar de deur of het venster holde.

Het schouwspel dat juffrouw Durgon aanbood, den weg afhollend, met de geheele correspondentie van dien dag in de hand, bracht het kuiken, dat in bezit was van den jongenheer Skelmersdale, tot nadenken. Het bleef één oogenblik besluiteloos staan, en wendde zich toen naar het open hek van de plaats van Fulcher. Dit oogenblik was noodlottig. Het tweede kuiken kwam gezwind aanloopen, kreeg het kind te pakken door een goedgerichte pik, en vloog over den muur in den tuin van den dominé.

„Charawk, chawk, chawk, chawk, chawk, chawk!” riep de achterste hen, netjes geraakt door den gieter van den heer Skelmersdale, en fladderde in wilde haast over het landhuis van mevrouw Glue, en zoo op het terrein van den dokter, terwijl de overige van die Gargantuaansche vogels dwars over het grasveld der pastorie het kuiken achtervolgden, dat op dàt oogenblik in bezit was van het kind.

„Goeie hemel!” riep de hulpprediker uit (zooals enkelen beweren, zei hij iets veel manlijkers) en liep toe, zijn crocket-hamer zwaaiend en schreeuwend om de jacht te keeren.

„Halt, schurk!” riep de hulpprediker, alsof reuzen-kippen doodgewone dingen waren.

En toen, bevindende dat hij het met geen mogelijkheid kon tegenhouden, wierp hij zijn hamer met alle macht het dier achterna, en in een sierlijken boog vloog hij rakelings langs het hoofd van jongenheer Skelmersdale en door de glazen lantaarn van de broeikas. Krak! De nieuwe broeikas! De prachtige nieuwe broeikas van de domineesche!

De kip schrok er van. Iederéén zou er van geschrokken zijn. Zij liet haar slachtoffer vallen in een Portugeeschen laurierstruik, (waaruit het een oogenblik later te voorschijn gehaald werd, gehavend doch heelshuids, op zijn minder fijne kleêren na), sprong fladderend naar het dak van Fulcher’s stal, zakte met den poot door een zwakke plaats in de pannen, en daalde, om het zoo maar eens uit te drukken, uit de oneindige ruimte, in de contemplatieve rust van den heer Bumps, de lamme, die – en het is nu boven allen twijfel verheven door de bewijzen die voorhanden zijn – bij deze speciale gelegenheid in zijn leven, de geheele lengte van zijn tuin afliep, en zoo naar binnen zonder eenige hulp, de deur achter zich grendelde en toen zich onmiddellijk weder overgaf aan Christelijke berusting en algeheele afhankelijkheid van zijn vrouw…

De overige kuikens werden tegengehouden door andere crocketspelers, en gingen door den moestuin van den predikant het veld van den dokter in, waar de vijfde zich ook bij hen voegde, mistroostig klokkend na een mislukte poging om over de komkommerkassen te loopen in den tuin van meneer Witherspoon. Ze schijnen daar bij elkaar gestaan te hebben, zooals kippen dat doen kunnen, en een beetje gekrabd en peinzend geklokt te hebben, en toen pikte er een naar een bijenkorf van den dokter en wierp hem omver, en hierop gingen ze aan den haal met een zotten, hortenden, onregelmatigen gang, dwars de velden door in de richting van Urshot, en de straat te Hickleybrow zag ze niet weder. Bij Urshot schijnen ze werkelijk aan hun vraatzucht geëvenredigd voedsel gevonden te hebben in een veld koolrapen, en pikten hier een tijd met smaak aan, tot hun roem hen achterhaalde.

De voornaamste onmiddellijke reactie op dezen verbazingwekkenden inval van reuzen-hoenders op den menschelijken geest was het plotseling ontwaken van een eigenaardige onweerstaanbare neiging om te schreeuwen en hard te draven en met allerlei dingen te gooien, en in een bijzonder korten tijd was nagenoeg de geheele beschikbare mannelijke bevolking van Hickleybrow en verscheidene dames, er op uit met een merkwaardige verzameling van ratelende en klapperende dingen in de hand – om het verdrijven der reuzenkippen aan te vangen. Ze dreven ze Urshot binnen, waar een Landelijk Feest gehouden werd, en Urshot beschouwde ze als de kroon op een gelukkigen dag. Men begon op ze te schieten dicht bij Findon Beeches, doch in het begin slechts met een vogelroer. Natuurlijk kunnen vogels van deze grootte een onbeperkte hoeveelheid kleine hagel in zich opnemen zonder eenige nadeelige gevolgen. Zij raakten dicht bij Sevenoaks van elkaar en bij Tonbridge liep er een, al klokkend, een tijdlang buitengewoon opgewonden, naast den namiddagboot-express, en een eindje er voor uit, – tot groote verbazing van alle passagiers.

En tegen half vijf werden er twee zeer handig gevangen door een circuseigenaar te Tunbridge Wells, die ze in een kooi, welke leegstond door den dood van een tot weduwe geworden drommedaris, lokte, door koekjes en brood te strooien…




VIII


Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat – doch niet buitensporig laat – wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook „iets” gebeurd was.

„Wat bedòel je?” zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.

„Met die wethpen en dat tuig.”

„We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke,” zei de chef vriendelijk. „We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,” en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.

„Je hebt toch nikth ge’oord van juffrouw Thkinner?” vroeg Skinner, tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen door…

„Ben je nou heelemaal!” zeide de chef – alsof zelfs hij de grens trok op het gebied van dingen-weten.

„Dan moet ’k er toch eth naar gaan onderthoeke,” zeide meneer Skinner, zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te zwaar te voeden, waarmede de chef besloot…

Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn kippen zocht.

„Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m’n vrouw?” vroeg hij.

De kalkbrander – wàt hij precies zeide gaat ons niet aan – gaf te kennen dat hij méér belang stelde in kippen…

Het was reeds donker – zoo donker als een nacht in de maand Juni in Engeland tenminste zijn kan – toen Skinner – of zijn hoofd liever gezegd – om de deur van „de Vroolijke Drijvers” kwam kijken, en zeide: „Ello! je ’ebt toch nikth ge’oord van die gesthchiedenith met mijn kippe, hè?”

„Zoo!” zeide Fulcher. „Nou, een gedeelte van die geschiedenis is door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft een gat gestooten in de broeibak van de domineesche – neem me niet kwalijk – Broeikàst.”

Skinner trad binnen. „Ik wil een troothtertje hebbe,” zei hij „warme jenever met water, athjeblieft,” en iedereen begon hem te vertellen omtrent de kuikens.

„Goeie god!” zeide Skinner. „Je ’ebt toch nikth ge’oord van juffrouw Thkinner?” vroeg hij toen het even stil was.

„Nee, dat niet!” zeide Witherspoon. „An haar hebbe we niet gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor.”

„Ben je vandaag dan niet thuis geweest?” vroeg Fulcher, over zijn bierpul heen.

„As een van je verwenschte vogels d’r gepikt heeft,” begon Witherspoon, en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan hun hulpelooze verbeelding over…

Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van dit moment.

„D’r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die groote wepthen?” vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.

„Veels te druk geweest met je kippe,” zei Fulcher.

„Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?” zei Skinner.

„Wat – de kippe?”

„Ik dacht an de wepthe,” zei Skinner.

En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel der woorden die hij zeide, vroeg hij, „níémand ’ééft toch ge’óórd van andere groote dingen, wel? Groote ’onde’ of katte’ of thóó ietsth? Ik thou thegge dat as d’r groote kippe en wepthe’ thijn, dat – ”

Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar wat zei.

Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.

„’n Kat, die past bij die kippe’ – ” zei Fulcher.

„Net zoo!” zei Witherspoon, „’n Kat die past bij diè kippe’.”

„Dat zou ’n tijger zijn,” zei Fulcher.

„Nog erger dan ’n tijger,” zei Witherspoon.

Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.

Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht – want zoover volgde de publieke belangstelling hem – en weder afdalen in den nacht, in een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij verdween – in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.

Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden, had de nacht hem geheel verzwolgen.

De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne oogen onttrok.

„’t Zal wel in orde zijn,” zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen verbrekend.

„Ik zie geen lichten,” zei Witherspoon.

„’t Is dampig,” zei de oudste van de Fulchers.

Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.

„Hij zou wel teruggekomme zijn as d’r iets niet in den haak was.” zei de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend, dat een oogenblik later de oude Fulcher zei „kom,” en zij alle drie naar huis en te bed gingen – ik moet toegeven, wel wat nadenkend…

Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster’s boerderij, hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood, halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden…

Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare overblijfselen van Skinner gevonden werden!

Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche, dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.

En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.

Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is, – en zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van glas was – dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.

En waar waren Skinner’s schoenen dan wel, bijvoorbeeld?

Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen, tanden en laarzen?

Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen, – zooals een ex-zeeman die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde, mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden, niet ongewoon in die streken – die tòch eenmaal „naar de haaien gaan,” en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was „om een vuur het licht uit te blazen.”

Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft, nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg appetijtelijk daglicht.

Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken, en zoo het onbekende in.

En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals, is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den huidigen dag…




Hoofdstuk III.

De Reuzen-Ratten





I


Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was, reed hij slaperig naar huis.

Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen – want zijn koetsier lag ziek te bed – en er was aan weerszijden van den weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan het getrappel van zijn paard en de scherpe echo’s die door de heg weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde…

Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel, dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling weder opschrikken.

„Klep, klep, klep.”

„Wat was dat?”

Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. ’t Zou ’t verwijderde geblaf van een vos wel zijn, – of misschien een jong konijn dat door een fret gepakt was.

„Rikke-tikke-e-tik-tik-tik…”

„Wat was dat dan toch?”

Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde, doch hoorde niets meer.

„Of zou het niets geweest zijn?”

Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen, maar zag niets.

„Onzin,” zei hij.

Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep, sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij, dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.

Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter zich aan, op den weg.

Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk, waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed, den gekromden rug van – het een of ander groot dier, hij kon niet bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.

Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen – het beest leek zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.

Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling als een bliksemstraal de ratten op hem toe!

Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister, en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter gaf. Alles ging plotseling snel.

„Rrr-klr-pats – .”

Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder zijn slag – wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het dier – bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het haar gehaald had, duidelijk zichtbaar – en hij sloeg telkens weder, onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag veld won.

Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem achtervolgend…

Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken en sprongen te gaan…

Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.

Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht – hoewel hij gebeten was en erg ook – een lange snede, als de snee van een dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van zijn linker schouder gerukt had.

Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde, haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd door indrukken.

Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden van den strijd.

Dit was het eerste wat de metselaar zag.

Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en – hoewel de dokter zich hier niets van herinnert – het wilde geschreeuw dat de dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten opschieten door het half-opgehaalde gordijn. „’t Was nog helderder dan de dag,” zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg, die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster kwaadaardig. Een derde – niets meer dan één brok vreeselijke duisternis met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen – klemde zich onvast aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.

Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar – die nog meer dan half sliep.

Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop van zijn zweep…

De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.

Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb leeren kennen.

De dokter gilde en hamerde op de deur…

De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk openging.

„Grendel,” zei de dokter, „grendel” – hij kon niet zeggen „grendel de deur.” Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de klok zitten voor hij den trap kon opkomen…

„Ik weet niet wàt ’t zijn!” herhaalde hij verscheidene malen. „Ik weet niet wat het zijn,” – en zijn stem ging de hoogte in, telkens als hij aan „zijn” kwam.

De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.

Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar boven te gaan…

En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs toèn durfde nog niemand hen storen.




II


Redwood liep den volgenden morgen tegen elf uur bij Bensington aan, met de „tweede edities” van drie avondbladen in de hand.

Bensington, die in moedeloos gepeins verzonken zat boven de vergeten bladzijden van den meest afleidenden roman, dien de boekhandelaar op den Bromptonweg voor hem had kunnen vinden, keek op. „Iets nieuws?” vroeg hij.

„Twee menschen gestoken bij Chatham.”

„Zij moesten ons dat nest laten uitrooken. ’t Is hun eigen schuld.”

„Zeker is ’t hun eigen schuld,” zei Redwood.

„Heb je ook iets gehoord – omtrent den aankoop van de boerderij?”

„De huizen-makelaar,” zei Redwood, „is een wezen met een grooten mond en gemaakt van ondoordringbaar hout. Het wezen geeft voor, dat er een ander zin in het huis heeft – dat is zoo z’n vaste taktiek, snap je – en wil maar niet begrijpen dat er haast bij is. „Maar dit is een kwestie van leven of dood,” zeide ik, „begrijpt u dat dan niet?” Het wezen sloot zijn oogen half en zeide: „waarom is u dan niet genegen die overige tweehonderd pond er bij te geven?”

„Ik moet zeggen dat ik liever in een wereld van reuzenwespen leef, dan dat steenen-metselende brok stomheid zijn zin te geven. Ik – ”

Hij zweeg even, voelend dat een dergelijke zin licht bedorven kon worden door zijn samenhang.

„’t Is te veel om te durven hopen,” zei Bensington, „dat er een van die wespen – ”

„De wesp heeft niet meer idee van algemeen nut dan een – dan een makelaar in huizen,” zei Redwood.

Hij praatte nog een poosje door over huizen-makelaars en advocaten en dergelijke menschen, op de onrechtvaardige, onredelijke manier die zoovele lieden aannemen als ze over deze zaken-factotums aan het praten raken – (van al de zotte dingen in deze zotte wereld, lijkt het mij ’t zotst van alles, dat, terwijl wij eer, moed, bekwaamheid van een doctor of een krijgsman verwachten als iets dat vanzelf spreekt, wij procureurs of makelaars in huizen niet alleen vergunnen, maar zelfs van hen verwachten, een schraperige, vettige, in-den-weg-staande, afzetterige stomheid ten toon te spreiden – enz.) – en ging toen, erg opgelucht, naar het venster en keek wat naar het verkeer in Sloane-street.

Bensington had den roman op het tafeltje gelegd dat zijn electrischen standaard droeg. Hij bracht de vingers van zijne beide handen zeer voorzichtig tegen elkaar en keek er naar. „Redwood,” zei hij, „wordt er veel over òns gepraat?”

„Niet zooveel als ik dacht.”

„Maar veroordeelen ze ons heelemaal niet?”

„Nee, heelemaal niet. Maar daarentegen bevorderen ze ook heelemaal niet wat ik aangetoond heb dat moèt gedaan worden. Ik heb naar de „Times” geschreven, moet je weten, en heb alles uitgelegd – ”

„Wij lezen de „Daily Chronicle”,” zei Bensington.

„En de „Times” heeft een lang hoofdartikel over het onderwerp – een erg goed doorwerkt, goed geschreven hoofdartikel met drie stukken „Times”-Latijn – status quo is er een van – en het laat zich lezen als de stem van Iemand die zijn naam niet noemt, van grooten invloed en die lijdt aan Influenza-Hoofdpijn en die door vellen en vellen viltpapier heenpraat zonder er baat bij te vinden. Als je tusschen de regels dóór leest, merk je tamelijk duidelijk dat de „Times” het noodeloos vindt er doekjes om te winden, en dat er iets (natuurlijk wordt er niet gezegd wàt) moet gedaan worden en dat wel onmiddellijk. Anders steeds meer ongewenschte gevolgen, „Times”-Engelsch, snap je, voor nòg méér wespen en steken. Een door en door diplomatisch artikel!”

„En onder de hand verspreidt zich deze Grootheid al meer en meer op allerlei leelijke manieren.”

„Precies.”

„Ik wou wel eens weten of Skinner gelijk had omtrent die groote ratten – ”

„Kom! Dàt zou tè erg zijn,” zei Redwood.

Hij kwam naast Bensington’s stoel staan.

„Tusschen twee haakjes,” zei hij, terwijl hij zijn stem iets liet dalen, „hoe vat zìj – ?”

Hij wees naar de gesloten deur.

„Nicht Jane? Zij weet er nog niets van. Brengt ons er niet mee in verband, en wil de artikelen niet lezen. „Reuzenwespen!” zegt ze, „ik zou nog net zoo lief, als die kranten te lezen.”

„Dat is heel gelukkig,” zei Redwood.

„Ik hoop toch niet, dat – mevrouw Redwood – ?”

„Nee,” zeide Redwood, „’t wordt net gevoed – ze tobt verschrikkelijk over het kind. ’t Gaat àl maar door, moet je weten.”

„’t Groeien?”

„Ja. Is in tien dagen een-en-veertig ons aangekomen. Weegt nu bijna tachtig pond. En nog maar zes maanden! Natuurlijk een beetje onrustbarend.”

„Is ie goed in orde?”

„Puik. Zijn kindermeid vertrekt omdat hij zoo van zich af trapt. En natuurlijk is hij overal totaal uitgegroeid. We hebben alles nieuw voor hem moeten laten maken, kleeren en al ’t overige. Van de kinderwagen – ’n licht ding – brak een rad, en het ventje moest naar huis gebracht worden op de handkar van den melkboer. Ja. Een heele menigte er achteraan… En we hebben Georgina Phyllis in zijn bed moeten laten slapen en hem in het bed van Georgina Phyllis. Zijn moeder – natuurlijk wat geschrokken. Eerst vol trots en geneigd Winkles te prijzen. Nu niet meer. Voelt dat zoo iets niet gezond kàn zijn. Begrijp je natuurlijk.”

„Ik dacht dat je hem kleinere doses zou geven.”

„Heb ’t geprobeerd.”

„Werkte ’t niet?”

„Gegil. In gewone gevallen is het geschreeuw van een kind al luid en hinderlijk; ’t is goed voor de soort dàt dit zoo is, – maar sints hij gevoed wordt met Herakleophorbia – ”

„Hm” – zei Bensington, met meer gelatenheid naar zijn vingers kijkend dan tot nu toe het geval was geweest.

„’t Ligt voor de hand dat de zaak moèt uitkomen. De menschen zullen van dit kind hooren, het in verband brengen met onze kippen en ’t andere spul, en m’n vrouw zal de heele zaak te weten komen… Ik heb geen vaag idee hoe ze ’t zal opvatten.”

„’t Is stellig moeilijk,” zei Bensington, „om eenig plan te maken – ”

Hij zette zijn bril af, en veegde hem zorgvuldig schoon.

„’t Is alweer een voorbeeld van wat er voortdurend geschiedt. Wij – als ik het tenminste zoo eens mag uitdrukken – wij, mannen der wetenschap – wij werken natuurlijk altijd om een theoretisch resultaat te bereiken – ’n zuiver theoretisch resultaat. Doch, zonder dat wij het zelf willen – brengen wij soms krachten in werking – nìèuwe krachten. Wij mógen die niet beheerschen – en niemand anders kàn het. Feitelijk hebben wij de quaestie niet langer in onze macht, Redwood. Wij verschaffen het materiaal – ”

„En zij” zei Redwood, zich naar het raam wendend, „ondervinden de gevolgen.”

„Voor zoover het die plaag in Kent betreft, zal ik mij er niet verder moeilijk over maken.”

„Als ze het òns tenminste niet moeilijk gaan maken.”

„Precies. En als ze willen komen aanzeuren met procureurs en beunhazen in de rechten en wettelijke belemmeringen en allerlei wichtige bezwaren van het nonsensicale soort, tot ze een aantal nieuwe soorten reuzen-ongedierten in de wereld geschopt hebben – De zaken zijn altijd in de war geweest, Redwood.”

Redwood trok een kromme ineengestrengelde lijn in de lucht.

„En het belang dat wij bij de zaak hebben, zetelt feitelijk op dit oogenblik alleen bij jouw jongen.”

Redwood wendde zich om, kwam naderbij en keek zijn medewerker scherp aan.

„Wat is jouw idee omtrent hem, Bensington? Jij kunt de zaak onbevooroordeelder bekijken dan ik. Wat moet ik met hem aanvangen??”

„Doorgaan met hem te voeden.”

„Met Herakleophorbia?”

„Met Herakleophorbia.”

„En dan groeit hij dóór.”

„Hij zal opgroeien, voor zoover ik het kan berekenen naar de kippen en wespen, tot een lengte van ongeveer vijf en dertig voet – met alles daaraan geëvenredigd – ”

„En wat zal hij dan aanvangen?”

„Dat,” zei Bensington, „maakt de geheele quaestie juist zoo interessant.”

„Maar goeie hemel, kerel, denk es aan zijn kleêren! En als hij volwassen is,” zei Redwood, „zal hij een eenzame Gulliver zijn temidden van een Lilliputter-wereld.”

De oogen van den heer Bensington keken veelbeteekenend over zijn bril.

„Waarom eenzaam?” zeide hij, en herhaalde nog somberder: „waarom eenzaam?”

„Maar je wilt toch niet zeggen – ?”

„Ik zeide,” zei de heer Bensington, met de zelfvoldoening van iemand die een goed beteekenisvol iets gezegd heeft, „waarom eenzaam.”

„Bedoel je dat we nog meer van dergelijke kinderen zouden kunnen grootbrengen – ?”

„Neen, ik bedoel niets meer dan wat ik vroeg.”

Redwood begon de kamer op en neer te loopen.

„Natuurlijk,” zeide hij, „dat zou kunnen. – Maar toch! Wat zou het einde ervan zijn?”

Bensington schepte blijkbaar behagen in zijn eigen hooge gedachtenvlucht.

„Wat mij het meeste belangstelling inboezemt, Redwood, is de gedachte dat zijn brein daar hoog in de lucht, als mijn redeneering tenminste juist is, óók vijfendertig voet of zoo verheven zal zijn boven ons niveau… Wat is er?”

Redwood stond voor het venster en keek verbaasd naar een plakkaat op een wagen van een courantenbureau, die de straat kwam afratelen.

„Wat is er aan de hand?” herhaalde Bensington, opstaand.

Redwood slaakte een luiden kreet.

„Wat is er dan toch?” zei Bensington.

„Haal even een courant,” zei Redwood, naar de deur gaand.

„Waarom?”

„Haal een courant. – Ik heb ’t niet heelemaal – Reusachtige ratten – !”

„Ratten?”

„Ja, ratten. Skinner had bij slot van rekening toch gelijk!”

„Wat bedoel je?”

„Hoe kan ik dat zeggen vóór ik een krant heb? Groote Ratten. Goeie God. Als ze hem maar niet opgegeten hebben!”

Hij keek rond naar zijn hoed en besloot dan maar zonder hoed te gaan.

Terwijl hij den trap afrende, twee treden tegelijk, kon hij op straat het geweldige gebrul der Hooligan-couranten-verkoopers hooren, dat nu eens nader kwam, en zich dan weder verwijderde. De kerels sloegen er een aardig slaatje uit.

„Vraiselijke gebeurtenis in Kent – vraiselijke gebeurtenis in Kent. Dokter … opgevreten door ratte. Vraiselijke gebeurtenis – ratte, – opgevreite door reusachtige ratte – ”




III


Cossar, de welbekende civiel-ingenieur, vond hen beiden staan in de groote deur der bovenwoningen, terwijl Redwood de nog vochtige, rose courant op armslengte hield en Bensington op de teenen stond, over zijn arm heen lezend. Cossar was een groote man met magere onbehouwen ledematen, die toevallig op geschikte hoeken van zijn lichaam geplaatst waren en een gezicht als een houtsnee, die in begin-stadium reeds onafgewerkt was gelaten, al tè weinig belovend om ze te voltooien. Zijn neus was vierkant gelaten en zijn onderkaak stak verder uit dan de bovenkaak. Hij ademde hoorbaar. Weinig lieden vonden hem knap. Zijn haar was volkomen tangentiaal en zijn stem, die hij niet te veel deed hooren, was hoog en meestal klonk er een bitter protest in door. Hij droeg bij alle gelegenheden een grijs linnen jacket-costuum en een zijden hoed. Hij peilde een onmetelijken zak met een groote roode hand, betaalde zijn koetsier en kwam hijgend en resoluut den trap op, een exemplaar van de rose courant in het midden vastklemmend als een bliksemstraal van Jupiter.

„Skinner?” zei Bensington, niet lettend op Cossar’s nadering.

„Staat niks over hem in,” zei Redwood. „Is beslist opgegeten. Allebei. ’t Is te vreeselijk!.. Hallo, Cossar!”

„Is dat dat goedje van jullie?” vroeg Cossar, met de courant wuivend. „Waarom maak je er geen eind aan?” vroeg hij.

„De plaats koopen?” riep hij uit. „Wat een onzin! Brand ’em tegen den grond. Ik wist wel dat lui als jelui d’r ’n rommel van zoudt maken. Wat je moet aanvangen? Wel – wat ik je zeg.”

„Jij? Doen? Natuurlijk de straat opgaan naar den wapenhandelaar. Waaròm? Om geweren. Ja – er is maar één winkel. Haal acht geweren! Met getrokken loop. Geen olifant-roeren – nee! Te groot. Geen infanteriegeweren ook – te klein. Zeg dat ’t is om ’n stier dood te schieten. Zeg dat ze zijn om buffels te schieten! Zie je? Hè? Ratten? Nee! Hoe kunnen ze dàt begrijpen, voor den duivel?.. Acht? Omdat we er acht nóódig hebben. Zorg voor een hoop ammunitie. Koop geen geweren zonder ammunitie – nee! Neem ’t heele zaakje mee in een vigelante naar – waarheen ook weer? Urshot? Dan moet je Charing-Cross station hebben. Er gaat een trein om – enfin, de eerste de beste trein na tweeën. Denk je dat je ’t doen kunt? Goed zoo. Vergunning? Haal er acht aan een postkantoor, natuurlijk. Vergunning voor ’t dragen van geweren, snap je. Geen jachtakte. Waarom? Omdat ’t ratten zijn, man.”

„Jij – Bensington! Heb je ’n telephoon? Ja. Ik zal vijf van m’n mannetjes uit Ealing opbellen. Waarom vijf? Omdat dat ’t juiste getal is. – Waar ga jij heen, Redwood? Een hoed zoeken! Onzin. Hier heb je den mijne. Geweren heb je noodig, man – geen hoeden. Heb je geld? Genoeg? Goed zoo. Vooruit dan maar. Waar is die telephoon, Bensington?”

Bensington keerde zich gehoorzaam om en ging voor. Cossar gebruikte de telephoon en belde af. „Dan heb je die wespen nog,” zei hij. „Daar zijn zwavel en salpeter goed voor. Natuurlijk. Gips. Jij bent scheikundige. Waar kan ik zwavel bij de ton krijgen in zakken die niet te groot zijn. Waarvoor? Wel, m’n goeie god! – om dat nest uit te rooken, natuurlijk! Moet toch zwavel zijn, niet waar? Jij bent scheikundige. Zwavel het beste, he?”

„Ja, ik gelóóf wel dat zwavel ’t beste is.”

„Niets beters? Goed, dat is jouw werk. Zie zooveel zwavel te krijgen als je kunt – en salpeter om het te doen branden. Sturen? Charing Cross. Dàdelijk. Zorg ervoor dat ze ’t doen ook. Loop zèlf mee. Nog iets?”

Hij dacht een oogenblik na.

„Portland cement – alle cement is goed – nest blokkeeren – gaten, snap je? Dàt zal ìk wel halen.”

„Hoeveel?”

„Hoeveel wat?”

„Zwavel.”

„Ton. Begrepen?”

Bensington kneep zijn bril wat vaster met een hand die beefde van vastberadenheid. „In orde,” zei hij, zeer kortaf.

„Geld in je zak?” vroeg Cossar. „Loop naar den duivel met cheques. Gereed geld betalen. Natuurlijk. Waar is je bank? Goed. Stap onder weg uit en haal veertig pond – bankbiljetten en goud.”

Weer even nadenken. „Als we dit zaakje aan de ambtenaren overlaten dan gaat heel Kent aan flarden,” zei Cossar. „Is er nog iets – ? Neen. Hìèr!”

Hij stak een enorme hand op naar een vigelante die gretig aan-hotste om hem te bedienen. „Rijtuig, meneer?” zei de aapjes-man. „Nog al vanzelf,” zeide Cossar en Bensington, nog steeds zonder hoed, pagaaide den trap af, en maakte zich gereed in te stappen.

„Ik vind,” zei hij, met zijn hand op het zeil der vigelante, en met een schichtigen blik naar de vensters zijner verdieping, „ik geloof dat ik het eerst nog even aan nicht Jeanne ga vertellen. – ”

„Meer tijd om te vertellen als je terugkomt,” zei Cossar, hem erin duwend met een enorme hand die zijn rug ongeveer besloeg… „Knappe kerels,” merkte Cossar op, „maar geen zier initiatief. Jawel, nicht Jeanne. Ik ken ’er. Snert, al die nichten Jeanne! – ’t land is er mee verpest. Ik wed dat ’t me den geheelen nacht zal bezighouden om ervoor te zorgen dat ze doen wat ze aldoor geweten hebben dat ze moèsten doen. Ik wou wel es weten of ’t dat napluizen of nicht Jeanne of iets anders is, dat ze zoo maakt?”

Hij liet dit ondoorgrondelijke probleem voor wat het was, staarde een poosje in gedachten op zijn horloge en bevond dat er nog juist tijd genoeg zou zijn om een restaurant binnen te vallen en koffie te drinken vóór hij op het portland-cement uitging en het naar Charing Cross vervoerde. De trein vertrok om vijf minuten over drieën, en hij kwam te Charing-Cross aan om kwart vóór drie, en vond daar Bensington buiten het station in heet dispuut met twee politie-agenten en zijn wagenvoerder buiten het station en Redwood in het goederenbureau, in een technische moeilijkheid gewikkeld omtrent zijne ammunitie. Iedereen gaf voor, niets te weten of geen macht te hebben, op de manier waarvan de beambten op de Zuid-Ooster-lijn zooveel houden als ze zien, dat ge haast hebt.

„Jammer dat ze al die beambten niet kunnen neerschieten en een nieuw stel nemen,” merkte Cossar zuchtend op. Doch de tijd was te kort om lang te redekavelen en deshalve schoof hij al deze kleinere hinderpalen op zij, en dook uit de een of andere obscure schuilplaats een wezen op, dat de station-chef kan geweest zijn – maar het ook even goed niet kan geweest zijn – liep heen en weer, hem stevig vasthoudend, gaf orders in zijn naam, en was het station uit met alles en iedereen veilig aan boord, vóór die beambte den vollen omvang begreep van de inbreuk die er gemaakt was op den meest heiligen gang van zaken en voorschriften. „Wie wàs dat?” vroeg de hooge beambte, den arm betastend, dien Cossar beet had gehad, en glimlachend met gefronste wenkbrauwen.

„Hoe of wat dan ook meneer,” zei een kruier, „maar ’t was een meneer. ’IJ en allemaal die bij ’em waren, reisden eerste klas.”

„Nu, we hebben hèm en zijn goedje aardig vlug de baan uitgestuurd – wie hij dan ook was”, zeide de hooge beambte, zijn arm wrijvend met iets dat naar voldoening zweemde.

En terwijl hij langzaam terugwandelde, knipoogend in het daglicht waaraan hij zoo weinig gewoon was, naar die deftige plaats van afzondering waarin de hoogere beambten te Charing Cross hun toevlucht zoeken tegen den overlast van het plebs, liep hij nog steeds te glimlachen om zijn ongewone energie. Het geval gaf hem een zeer veel voldoening gevenden blik op zijn eigen handigheid, niettegenstaande zijn stijven arm. Hij wenschte dat enkelen van die verwenschte critici, die in een gemakkelijken stoel het bestuur der spoorwegen liggen af te kammen, hem eens hadden kunnen zien.

Tegen vijven had die niet genoeg te bewonderen Cossar zonder eenigen schijn van overhaasting, al zijn materiaal voor zijn strijd tegen deze losgebroken Grootheid Urshot reeds uit, en was hij op weg naar Hickleybrow. Twee vaten petroleum en een vracht droge rijzen had hij in Urshot gekocht; een meer dan voldoend aantal zakken zwavel, acht geweren voor groot wild en ammunitie, drie lichte achterladers, met fijne-hagel-patronen voor de wespen, een bijl, twee kapmessen, een houweel en drie spaden, twee streng touw, wat flesschen bier, soda en whiskey, een gros pakjes rattenkruid en koude proviand voor drie dagen, waren uit Londen mee gekomen. Dit alles had hij op zeer zakelijke manier in een kolenlorrie en een hooiwagen vooruit gezonden; behalve de geweren en de ammunitie, die geborgen werden onder de bank van het wagentje uit den Rooden Leeuw, dat bestemd was om Redwood en de keurbende van vijf man die op Cossar’s bevel uit Ealing gekomen was, te vervoeren.

Cossar leidde al deze werkzaamheden met een air, alsof het de meest doodgewone zaak ter wereld was; hoewel er in Urshot een ware paniek heerschte over de ratten, en alle wagenbestuurders moesten extra betaald worden. Alle winkels in het plaatsje waren gesloten, en men zag bijna niemand op straat, en als hij op een deur klopte, ging niet de deur, maar het raam open. Hij scheen het zaken-drijven vanuit open vensters een volkomen gewettigd en voor de hand liggend iets te vinden. Eindelijk kregen hij en Bensington den sjees uit den Rooden Leeuw, en gingen op weg met net karretje, om zich bij de bagage te voegen die reeds een eind vooruit was. Dit deden zij een eindje voorbij de kruiswegen, en kwamen zoodoende het eerst te Hickleybrow aan.

Bensington, met een geweer tusschen de knieën, naast Cossar zittend in de sjees, voelde een reeds lang in zich groeiende verbazing tot rijpheid komen. Al wat zij nu deden, was, zooals Cossar volhield, zonder twijfel het meest voor de hand liggende om te doen, maar – ! In Engeland doet men zelden wat voor de hand ligt. Hij keek van de voeten van zijn buurman, naar de forsch gespierde handen op de teugels. Cossar had blijkbaar nooit gemend, en reed maar recht uit recht aan over het midden van den weg, volgens een zonder twijfel voor de hand liggende, doch zeer zeker ongewone eigen methode.

„Waarom doen wij toch niet allemaal wat voor de hand ligt? dacht Bensington. Wat ’n goeie wereld zou ’t dan worden als iedereen dat deed! Waarom doe ik bijvoorbeeld zoo’n massa dingen niet, terwijl ik weet dat ’t goed zou zijn ze te doen – dingen die ik graag doen zou! Is iederéén dan zóó, of ligt ’t alleen aan mij!” Hij verzonk in sombere overpeinzingen over den wil. Hij dacht na over de ingewikkelde, ingeroeste beuzelachtigheden van het dagelijksch leven, en in tegenstelling hiermede, over de eenvoudige en voor de hand liggende dingen die men behoorde te doen, de aangename en mooie daden, die eigenaardige invloeden ons nooit veroorloven te volbrengen. Nicht Jeanne? Hij bemerkte dat nicht Jeanne op de een of andere listige en moeilijk-na-te-gane manier een belangrijke factor in deze quaestie was. Waarom moeten wij, bij slot van rekening, eten, drinken, slapen, ongetrouwd blijven, híerheen gaan, dáár nièt heen gaan, en dit alles uit consideratie voor nicht Jeanne?

Zij werd symbolisch zonder op te houden ondoorgrondelijk te zijn!..

Een overstap, en een pad dwars door de velden trokken zijn aandacht en deden hem denken aan dien vroolijken helderen dag, nog zoo kort geleden wat tijd betrof, terwijl de emoties ervan reeds zoo ver achter hem lagen, toen hij van Urshot naar de Proef-Hoeve liep om naar de reuzen-kuikens te gaan kijken…

Het lot speelt met ons.

„Tchek, tchek,” zeide Cossar, „sta op.”

Het was een zeer warme middag, er was geen zuchtje en het stof lag dik op de wegen. Menschen waren er niet veel te zien, doch de herten achter de omheining van het park graasden vreedzaam.

Zij zagen een paar van de groote wespen een kruisbessenstruik leegplunderen even buiten Hickleybrow, en er kroop er een op en neer voor het kleine kruideniers-winkeltje in de dorpstraat, trachtend ergens een ingang te vinden. De kruidenier was nog zichtbaar binnen, met een oud vogelroer in de hand en de pogingen van het dier aandachtig volgend. De koetsier van het karretje hield stil voor „de Vroolijke Koejongens,” en deelde Redwood mede, dat zijn deel van de overeenkomst hiermede afliep. Hierbij sloten zich een oogenblik later ook de voerlieden van den hooiwagen en de kolenlorrie aan. Zij hielden deze bewering niet alleen staande, doch weigerden pertinent om de paarden verder mee te laten gaan.

„Die groote ratten zijn dol op paarden”, herhaalde de kolentremmer telkens.

Cossar keek het getwist een oogenblik aan.

„Haal de spullen uit het wagentje”, zeide hij, en een van zijne mannen, een lange, blonde, smerige werktuigkundige, gehoorzaamde.

„Geef me dat jachtgeweer es an”, zeide Cossar.

Hij ging tusschen de voerlui staan. „Wij verlangen niet van jelui dat je rijden zult,” zeide hij.

„En nu kun je verder zeggen wat je wilt,” gaf hij toe – „maar wij moeten die paarden hebben.”

Zij begonnen over en weer te praten, maar hij ging voort: „Als jelui het hart hebt om een hand naar ons uit te steken, schiet ik je uit zelfverdediging in je beenen. Maar de paarden gaan mee verder.” – Hij beschouwde de zaak hiermede als afgedaan.

„Klim op dien wagen, Flack,” zei hij tot een breedgeschouderden, taaien, kleinen man. „Boon, jij neemt den kolenwagen.”

Twee wagenvoerders begonnen tegen Redwood te tieren.

„Jelui hebt je plicht gedaan jegens jelui werkgevers”, zeide Redwood. „Jelui blijven in dit dorp tot wij terugkomen. Niemand zal je de schuld geven, als ze zien dat wij geweren hebben. Wij willen niets onrechtvaardigs of gewelddadigs doen, maar de quaestie is dringend. Ik betaal als er iets met de paarden gebeurt, dus stel je op dat punt maar gerust.”

„Goed zoo,” zeide Cossar, die zelden beloften deed.

Zij lieten de sjees achter, en de mannen, die menden, gingen te voet. Over elken schouder bungelde een geweer. Het was een allervreemdste kleine expeditie voor een Engelschen landweg. Het geleek meer op een Yankee-troep, die bezig was westwaarts te trekken in de goede oude dagen der Indianen.

Zij volgden den weg, totdat zij op den top van den heuvel, bij den overstap, de Proef-Hoeve in het zicht kregen.

Zij vonden boven op den heuvel een klein troepje mannen met een geweer – de beide Fulchers waren er onder anderen ook bij – en een man, een vreemde uit Maidstone, stond een paar pas vóór de anderen en nam het terrein op door een tooneelkijker.

Deze mannen wendden zich om en keken verbaasd naar Redwood’s troep.

„Iets nieuws?” zeide Cossar.

„De wespen vliegen af en an,” zei de oude Fulcher.

„Kan niet zien of ze wat meebrengen.”

„Het kanariekruid is nou al tusschen de pijnboomen,” zeide de man met den tooneelkijker. „Van morgen was het daar nog niet. Je kunt het zien groeien terwijl je er naar staat te kijken.”

Hij haalde een zakdoek uit zijn zak en wreef de glazen van den tooneelkijker doodbedaard zorgvuldig af.

„Jelui gaan zeker naar beneden, he?” waagde Skelmersdale te zeggen.

„Ga je mee?” vroeg Cossar.

Skelmersdale scheen te aarzelen.

„Duurt den geheelen nacht.”

Skelmersdale besloot, als dat zoo was, maar liever niet mee te gaan.

„Ook ratten op de vlakte?” vroeg Cossar.

„D’r zat er een tusschen de dennen van morgen. Ik vertrouw dat ie op konijnen uit was.”

Cossar sjokte weer voort om de anderen in te halen. Bensington, die van onder zijn hand naar de Proef-Hoeve tuurde, kreeg voor het eerst eenigermate een denkbeeld van de kracht van het voedsel. Zijn eerste indruk was, dat het huis kleiner was dan hij gedacht had – véél kleiner zelfs; zijn tweede indruk was, dat de geheele plantengroei tusschen het huis en het pijnbosch ontzettend groot was geworden. Het dak boven den put keek nog maar even uit van tusschen acht voet hooge graspluimen en het kanariekruid had zich om den schoorsteen geslingerd en gesticuleerde met stijve ranken in de lucht. Zijn bloemen waren helder-gele vlekken, die wel een mijl ver duidelijk zichtbaar waren als afzonderlijke, gele, spikkels.

Een groote, groene kabel had zich dwars door het ijzergaas van den looper der reuzen-kuikens gewrongen en had zijn bladerstelen geslingerd om twee aan den buitenkant staande pijnboomen. Bijna half zoo hoog was ook het boschje brandnetels, dat om de karreschuur was opgeschoten. De geheele aanblik deed, hoe meer zij naderden, denken aan een aanval van dwergen op een poppenhuis dat in een vergeten hoekje van den een of ander grooten tuin is blijven staan.

Zij zagen dat de wespen voortdurend ijverig af en aan vlogen. Een zwerm zwarte gedaanten vloog door elkaar in de lucht boven de verweerde heuvelhelling achter het pijnbosch en telkens schoot een van deze gedaanten op in de lucht, met ongelooflijke snelheid, en zweefde heen naar een verwijderd doel. Hun gegons was reeds hoorbaar op meer dan een halve mijl van de Proef-Hoeve.

Eenmaal kwam een geel-gestreept monster hun kant uit schieten, zweefde een tijdlang vóór hen, naar hen kijkend met zijn groote facettenoogen, doch op een mislukt schot uit Cossar’s jachtgeweer, vloog het weder heen. Rechts in een hoek van het veld, kropen er verscheidene over eenige afgekloven beenderen, die waarschijnlijk de overblijfselen waren van het lam dat de ratten hierheen gesleept hadden van Huxter’s boerderij. De paarden begonnen onrustig te worden, toen zij deze wezens naderden. Geen van het gezelschap was een goed menner, en zij moesten ieder paard bij den teugel leiden en het aanmoedigen met hun stem.

Zij zagen geen enkel spoor van de ratten, toen zij het huis naderden, en alles scheen volmaakt rustig, behalve het nu eens duidelijker, dan weer minder duidelijk aanzwellende whoozzzzzzZZZ, whoooooozoo – oe uit het wespen-nest.

Zij leidden de paarden het erf op en een van Cossar’s mannen die de deur zag openstaan – het geheele middengedeelte ervan was weggeknaagd – ging naar binnen. Niemand miste hem den eersten tijd, daar de anderen bezig waren met de vaten petroleum, en zij bemerkten eerst dat hij niet bij hen was, toen zij het knallen van zijn geweer en het fluiten van zijn kogel hoorden. „Pang, pang,” allebei de loopen, en zijn eerste kogel ging, schijnt het, door het vat zwavel, rukte er een duig aan den anderen kant uit, en vervulde de lucht met geel poeder. Redwood had zijn geweer in de hand gehouden en trok het schot er af op iets grijs’ dat hem voorbij rende. Hij zag nog even het breede achtergedeelte, den langen schubachtigen staart en lange zolen der achterpooten van een rat, en ledigde zijn tweeden loop. Hij zag Bensington neervallen op het oogenblik, dat het beest om den hoek verdween.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/gerbert-uells/het-voedsel-der-goden-en-hoe-het-op-aarde-kwam/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Brock is dè vuurwerkmaker in Engeland en bij Brock’s Benefiet, eenmaal per jaar in het „Crystal Palace”, wordt een eindeloos getal rakketten enz. opgelaten.

(Noot van Vertaler.)




2


Reckitt’s zakjes-blauw wordt geacht uitstekend te helpen als men door een wesp etc. gestoken is, en dit op de oploopende plaats legt.


