Goethe: Een Levensbeschrijving Elias D'Oliveira E. D'Oliveira Goethe: Een Levensbeschrijving Aan den invloed van Goethe dank ik, dat ik spoedig den weg tot mij zelve heb gevonden, nadat ik had gedwaald in de mooie oppervlakkigheid en de doodsche diepzinnigheid, die de voornaamste geestesstroomingen in ons land mij boden. Dit boek nu is ontstaan uit het verlangen: den mensch Goethe te naderen en rustig te aanschouwen. Het is een werk waaraan scheppende intuïtie en historiekennis, critische speurzin en beeldend begrip gelijkelijk aandeel hadden; zooals betamelijk is voor een werk dat niet met den verfkwast maar met den Geest werd voortgebracht. Het beantwoordt – naar mij dunkt – aan de eischen die ik in een tienjarig oplettend verkeer met Goethe aan een levensbeschrijving heb leeren stellen; deze eischen vindt men in De Ploeg (3e Jaargang, No. 7) nader uiteengezet. Ik weet natuurlijk dat mijn boek min of meer uitdrukkelijk partij kiest tegen de meeningen van vermaarde Goethe-kenners en critici. In de verwachting dat het velen moge voorlichten die – den bloei van onze literatuur niet waardeerend – zoekend zijn zooals ik het ben geweest, vind ik hiervoor een heerlijken troost!     d'Oliveira. EERSTE BOEK De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 28 Augustus 1749 tot September 1765 I Bezems worden altijd stomp geveegd. En jongens altijd – geboren. Aan de uiterste grens van het schemer-grijze Frankfort, leefde kleine Wolfgang opgesloten in een hol ouwerwetsch huis, met geheimzinnige wenteltrappen en getraliede venstertjes; zijn vader had hem vroeg geleerd, dat hij zich moest verzetten tegen het sprookachtige angstgevoel, dat hem beving in de half duistere schuilhoeken van zijn woning. Hij kwam niet dikwijls buiten: de menschen toen hielden niet van frissche lucht. En graag klom hij naar "de tuinkamer", die zoo genoemd werd omdat men er … buurmans tuin kon zien. Zijn droomerige blikken gingen dan over de stadswallen en de vruchtbare Mainvlakten tot aan het wazige Taunusgebergte. Hij staarde op de aandrijvende onweerswolken of naar de ondergaande zon, – maar als hij dichtbij kinderen van zijn leeftijd zag spelen, werd hij weemoedig. Hij wist dat hij niet een gewoon kind was. Toen zijn moeder hem eens vertelde, dat hij door zijn kaarsrechte houding en zijn gebiedende manieren erg afstak bij zijn kameraadjes, zei hij ernstig: Dat is het begin, moeder; later zal ik mij door nog veel meer onderscheiden. Ik ben onder een gelukkig gesternte geboren. – Maar andere kinderen denken toch niet aan zulke dingen! – Moeder, waar een ander zich mee te vreden stelt, dat is voor mij niet voldoende. Geheimraad Goethe vervolgde zijn zoon van den ochtend tot den nacht met zijn pedante, ouwbakken-schoolsche geleerdheid. Hij wilde zooiets als een wonderkind van hem maken, en stelde hem van begin af zijn uitvoerig opvoedingsplan voor oogen; wat ten gevolge had dat kleine Wolfgang vaker dan noodig nadacht over zijn eigen karakter. Meer geluk dan wijsheid dat hij ten slotte nog iets werd: een kind van zwakker aanleg ware onder Caspars opvoed-systeem gek geworden of bezweken. Johann Caspar Goethe was een eerzuchtig, leergierig, koppig, soms grillig sinjeur. Zijn vader, een kleermakers-gezel, na veel omzwervingen in Frankfort terecht gekomen, had daar een logementhoudster tot tweede vrouw gekregen en fortuin gemaakt; maar hoogmoed krenkte zijn geest. Hij zelf had ijverig gestudeerd en daarna een reis gedaan door Italië, Frankrijk en Holland. Als bekwaam rechtskundige thuis gekomen, had hij, na een korte stage aan het opperste gerechtshof te Wetzlar, van zijn geboortestad een klein ambt gevraagd, dat hij onbezoldigd op zich wilde nemen, mits men hem niet blootstelde aan de toen gebruikelijke ballotage. Deze voorwaarde werd natuurlijk niet aanvaard, en hij legde in woede de gelofte af, nooit meer een gemeentebetrekking, welke dan ook, te zullen bekleeden. Om zich den weg daartoe voor goed af te sluiten, nam hij twee maatregelen: Hij verwierf den titel van Geheimraad, waardoor hij in rang gelijk kwam te staan met den eersten burger van Frankfort, den schout; en vervolgens dong hij naar de hand van diens dochter Elisabeth, een en twintig jaar jonger dan hij. Het meisje, een kind nog bijna, was onder de hoede van een jonge, eenvoudig-brave moeder opgegroeid; had weinig geleerd, maar was echt natuurlijk gebleven; hield van vroolijke gezichten en zocht instinctmatig de keerzij van ieder verdriet. Zij was in stilte verliefd geweest op den schoonen maar ongelukkigen keizer Karel VII. Die reed vaak voorbij met herauten en gevolg en als hij toevallig opkeek naar haar venster, meende ze in zijn oogen wederliefde te vinden. Maar de keizer stierf en wekenlang bamden de klokken over de stad, iederen dag twee uur. Toen voelde mooie, bruingelokte Elisabeth in het aanzoek van den geleerden, vermogenden Caspar Goethe den vinger Gods. En zij volgde den Geheimraad, die haar vader had kunnen zijn, in het duistere heerenhuis, dat hij met zijn moeder alleen bewoonde; ze was toen zeventien. Ze had hem niet lief: ze achtte hem en vertrouwde dat hij het goed met haar meende. Hij, van zijn kant, oordeelde zich verplicht, haar zang- en clavierles te geven, zelfs schrijfles. De goeie man had niets omhanden en als "Vrouw Raad" maar wat leerzamer ware geweest, hadd' hij haar met alle genoegen Italiaansch bijgebracht. Zij troostte zich met het humoristisch geloof, dat dit een uiting moest zijn van hoog-rustige, verstandige genegenheid. Doch ze leerde nu ook levensomstandigheden kennen waar geen zonnetje in scheen: het werd haar een gewoonte, voor zulke omstandigheden eenvoudig het oog te sluiten. Ze ontweek overbodige emoties; ze negeerde, als ze kon, ongeluk of verdriet totdat ze er mede was verzoend. Later zou ze haar bedienden uitdrukkelijk last geven, haar iedere nare tijding zoolang mogelijk te verzwijgen. Toen haar jeugdzoon Wolfgang kwam – aanvankelijk een broos popje! – was ze tegen de onderwijswoede van haar echtgenoot beveiligd. Dichter dan bij hem stond ze bij haar kind. En niet alleen in leeftijd: de kleine werd haar vriend; hij hield haar jong. Hij kreeg veel van haar gelukkige karaktereigenaardigheden: In de eerste plaats de gave, waarvan hij later zou verklaren, dat noch de kunstenaar, noch de man van de daad ze kan missen; dat ook het beste verstand ze niet vervangt; de gave die hij kortweg "hart" noemde. Dan zijn onwrikbaar vertrouwen op den God "die hem in 't geheim zegende". Ook zijn weeke vatbaarheid voor indrukken. Maar – en hier treedt wellicht een gemoedstrek van den vader te voorschijn – zijn geest was heel snel verzadigd en wilde bijna terstond weer nieuwe indrukken tot zich nemen en verwerken. Van zijn gewone omgeving had hij dra genoeg; hij streefde hartstochtelijk naar afwisseling. Het best kon hij denken als hij liep, of worstelde met storm en ontij. Ook het sterke bewustzijn van eigenwaarde had hij van zijn vader; en dan de neiging om anderen van zijn ideeën te doen genieten; liefde voor détails die bijna pedanterie werd; stipt plichtsgevoel; drang naar zelfvolmaking. Maar dit alles zat bij hem veel dieper: hij had een vrouwelijk-teere inborst, die door een manlijken wil werd bestuurd. Caspar Goethe bespeurde vroeg de wonderlijke begaafdheid van zijn zoon. In het byzonder zijn vlug verstand. Hij besloot hem zoo op te voeden, dat het kind op de wereld zou veroveren, wat de wereld den vader had onthouden: een staatsmans-carrière, waar hij zich dan door eerlijkheid en kunde naar voren moest dringen; zoodat hij – uit een werkmansgeslacht gesproten – zou gaan behooren tot de besturende kaste in de vrije stad Frankfort, waar de standen zoo scherp van elkander waren gescheiden. Hij wilde Wolfgang verre houden van de lichtzinnigheid en de brooddronkenheid die, volgens hem, tot in de school waren doorgedrongen. Hij wilde hem zelf onderwijzen. In de eentonige stilte van zijn schaduwrijke huizing, in de stijve tucht van zijn vroom gezin, zelf als een burchtheer geëerbiedigd, wilde hij hem wapenen tegen de vijandige wereld. Met zijn moedertje en zijn jongere zus Cornelia vormde Wolfgang van begin af een sentimenteel verbond tegen de rechtzinnigheid des vaders. Deze drie schuilden bijeen, als zochten ze warmte en vastheid tegen een ijzigen storm. Maar de vader trok zijn jongen toch òok aan: de overeenstemming in karakter verloochende zich niet. Wolfgang wilde leeren, rusteloos. En zelfs in hun vrijen tijd moesten de kinderen nuttig werk doen, de stinkende zijdewormen van hun vader voederen, zijn kopergravures bleeken in de zon, met taai geduld; of zij moesten bestellingen overbrengen aan leveranciers, of, toen zij ouder waren, rapporten opmaken over belangrijke gebeurtenissen in de stad. Lezen leerden zij al heel vroeg; vóor zijn achtste jaar schreef Wolf niet alleen zijn moedertaal maar ook Fransch, Grieksch en Latijn. Italiaansch had hij spelenderwijs opgepikt, terwijl zijn vader het zusje in die taal les gaf; het leek hem een grappig soort van Latijn. Een reizend onderwijzer, die aanbood de kinderen in vier weken Engelsch eigen te maken, werd gretig ontvangen; de Geheimraad blokte ijverig mee. Wat afwisseling kwam er, toen voor de oude talen een leeraar werd geëngageerd en wel twintig kinderen van vrienden en bekenden verlof kregen, diens voordrachten bij te wonen. Ook, toen de heer Goethe begon, zijn kweekelingen al wandelend de geschiedenis van hun geboortestad te demonstreeren, aan de vele oude gebouwen die zij voorbij kwamen: die gebouwen, vestingen binnen de veste, herinnerden aan veelbewogen tijden… En het werd bijna vroolijk, als de stijve ouwe Frankforter dansles gaf, zijn kleintjes met effen gelaat en starre ruggegraat tot een menuet schaarde en hun pasjes begeleidde op een dwarsfluit. Hij hield wel van muziek en hij was ook zoo barsch niet als hij scheen; maar hij wilde zijn jongen niet teerhartig maken en achtte zich verplicht zijn weekere gevoelens stelselmatig te verhullen. Al wat hij zei berustte op nauwkeurig overleg; bij al wat ze deden moesten de kinderen zich afvragen: Wat is de consequentie hiervan? waar loopt dit op uit? – en als er in het duistere huis een of ander werk was aangepakt, dan moest het ook onvoorwaardelijk afgemaakt. Caspar kreeg het plan, ook de avonden nuttig met de zijnen door te brengen: hij las aan vrouw en kinders de Geschiedenis der Pausen van Bower voor – van welk werk toen reeds vijf kwarto deelen waren verschenen. En hij wilde daarmee niet ophouden, al begon hij ook zelf telkenmale het eerst van narigheid te geeuwen. Slechts oogluikend liet hij toe, dat het moedertje nu en dan ter ontspanning een van haar sprookjes vertelde, die zij onder 't vertellen phantaseerde. Dan verslond kleine Wolf (dit zijn haar eigen woorden) haar al gauw met zijn groote zwarte oogen. Als het een van zijn lievelingen niet voor den wind ging, dan zag zij de driftaders op zijn voorhoofd zwellen en merkte dat hij zijn tranen verbeet. – Terloops zij gezegd, dat haar jongen geen zwarte oogen had, doch bruine; zijn pupillen waren echter zoo groot en zoo schitterend, dat men de iris niet zag. – Tusschen "Vrouw Raad" en de oude grootmoeder (die 't huishouden bestierde) heerschte een eigenaardige diplomatische afspraak. Moesten de kinders naar bed voordat een sprookje was uitverteld, dan vertelde dat sprookje zich zelf ten einde in Wolfgangs roerige verbeelding. En hoe het dan afliep met zijn helden vertrouwde hij aan het frissche witgekleede vrouwtje toe… Die bracht het stillekens aan de moeder over. Den volgenden avond werd dan de ontknooping ingericht, zooals hij die graag had; opgewonden luisterde hij naar de vervulling van zijn wenschen, en "men kon zijn hartje onder zijn kanten kraag zien bonzen". Groot genoegen vond hij ook in het poppenspel, de vertooningen van "David en Goliath" die de grootmoeder gaf met Kerstmis. Maar hij rustte niet eer hij wist hoe dit alles in zijn werk ging en hij het tekstboekje ter inzage kreeg. Toen moest hij natuurlijk ook zelf voorstellingen geven. Weldra had hij van de poppen genoeg en vormde uit de buurt-kinderen een tooneelgezelschap. Geheimraad Goethe paste wel op dat zulk vermaak niet te ver ging, of te veel tijd in beslag nam. De oude boeken die hij zelf had doorgeblokt werden uit de stoffigheid opgediept: Romeinsche antiquiteiten en Grieksche fabelleer, een bijbel met prenten en een aardrijkskundeboek op rijm. Ook allerlei langvergeten Duitsche dichters, waarvan Wolf beweerde dat hij er "veel meer uit leerde lezen dan dat hij ze las"; en reisbeschrijvingen, die men thans te realistiesch zou vinden. De toen moderne poëten, als de "Messias" – zanger Klopstock, werden zorgvuldig verbannen wijl zij rijmlooze verzen schreven; en hiervan moest de conservatieve Geheimraad (die zoo veel van Italiaansch hield, dat hij in die taal het relaas van zijn reis stelde) heelemaal niets hebben! Zijn vrouw las nu Klopstock in het geheim met haar kleintjes, die spoedig aangrijpende passages van buiten kenden en declameerden. In al die wetenschap hield Wolfgang een helderen kop; en toen hij er een beetje in thuis geraakte en tijd vrij kreeg, werden nieuwe vakken bij het onderwijs getrokken. In wiskunde bracht hij het niet ver. Teekenen naar de natuur was zijn liefhebberij; en een van zijn meesters vond het jammer dat hij geen schilder mocht worden. Deze meester heeft niet een goed inzicht gehad in zijn talenten. Want ofschoon Wolfgang zich later onder de bekwaamste mannen van zijn tijd met groote volharding in het schilderen oefende, hij bracht het nooit boven middelmatigheid. Hij zag alles met schildersoogen; doch de kracht om binnen hem levende en kleurende beelden op doek te leggen bleef hem ontbreken, al gaf hij de studie nooit geheel op. – Muziek, clavier- en fluitspel leerde hij vroegtijdig, beoefende hij langdurig; werd hij ondanks al zijn liefde nooit dragelijk meester. Doch het heimwee naar tastbare beelden en snel wisselende kleuren en ontroerende melodieën zou uit zijn streven spoedig blijken… Hij werd een echte baas in paardrijden en schermen; de vele lichaamsoefening gaf hem een houding als van een prins: hij ging grooter lijken dan hij werkelijk was. Godsdienstonderwijs kreeg hij aanvankelijk alleen van zijn innig vrome moeder. "Vrouw Raad" die bij iederen tegenspoed naar haren bijbel greep, doch niet zoo orthodox was als zij wel meende, las met haar kinderen het Oude Testament. De Heilige Schrift met haar hartstochtelijke, diepbewogen taal, met hare helden, zinnebeelden en idyllen, met haar warme gebeden en hare trillende liefdesliederen, werd den veel-wetenden, immer zoekenden knaap in waarheid het Boek der boeken; zij hielp hem zijn verstrooide geleerdheid ordenen. Zijn latere bedrevenheid in natuurwetenschappen kon zijn eerbied voor naïef-onwaarschijnlijke wonderverhalen nooit schokken. Maar de tijding van de aardbeving in Lissabon, waarbij, naar men zeide, zestigduizend menschen het leven hadden verloren, greep den zesjarigen knaap smartelijk aan. Wat! riep hij uit (en de toen tienmaal zoo oude Voltaire riep het zelfde) onze God die aarde en hemel heeft geschapen en in stand houdt; God, die volgens ons eerste geloofsartikel zoo wijs en goedertieren is; is God onvaderlijk genoeg om brave en slechte menschen in éen slag te vernielen? Dat kan ik niet gelooven. – En dagen lang trachtte hij zijn twijfel te overwinnen. Zijn vader, die hem liefst rechtzinnig hield, pakte hem mee naar de kerk, waar een bekend dominee naar aanleiding van de ramp een preek gaf. Nu, zei de kleuter bij het thuis komen, ik heb er nog eens over nagedacht, maar de zaak is toch eenvoudiger dan dominee zegt: God zal nu toch ook wel weten, dat onsterfelijke zielen niet vernietigd kunnen worden door aardsche gebeurtenissen. Natuurlijk moest ieder blijk van oprechte kinderlijkheid in haar al te ernstigen Wolf de moeder diep treffen, vooral wijl hij zijn beste gevoelens binnenhield als men hem die niet ontlokte. Toen hij in zijn negende jaar zijn jonger broertje verloor, huilde hij niet, want Broer was bij God in den hemel. – Maar hield je dan niet van 'm, dat je zoo makkelijk zonder hem kunt? – Of ik van hem hield…? Wolf snelde naar zijn dakkamertje en haalde van onder zijn bed een pak papieren. Lessen, oefeningen, eigengemaakte verhalen: Kijk, dat heb ik allemaal voor 'm bewaard, zei hij eenvoudig; dan kon hij er later plezier van hebben. Na den dood van de grootmoeder liet Geheimraad Goethe zijn huis – tot dan toe ongeschonden bewaard – verbouwen en gezelliger inrichten. Geleidelijk, en stelselmatig, opdat de kinderen overal van konden leeren. Zóo geleidelijk, dat de bewoners in hun bedden nat regenden. Kleine Wolfgang, als metselaar gekleed, legde den eersten steen; en hoe toen de meesterknecht een redevoering wilde houden, doch middenin bleef steken, vinden wij in een van zijn Latijnsche opstellen verhaald. Nu moesten de kinderen den heer des huizes helpen: zijn rijke mineralen-verzameling, zijn collectie Venetiaansche glazen, zijn oude wapenen, zijn talrijke boeken moesten gerangschikt: gangen en zalen werden met gravures van Italiaansche landschappen, met schilderijen behangen; overbodige meubels en erfstukken werden van de hand gezet; Wolf moest op kunstvoorwerpen bieden in veilingen, en maakte van de gelegenheid gebruik om zich zelf een en ander aan te schaffen. Nu kwamen allerlei werklieden en fijnschilders in huis; die moesten hem hun procédés en handgrepen uitleggen; hij keek ze op hun vingers, en trachtte de wisselwerking tusschen karakter en beroepskeus in hen na te speuren. Te midden van al die drokte vond hij zich zelf, daar de vader hem niet zoo streng op de hielen kon zitten. Zijn aanleg tornde op tegen Caspars stelselmatige grondigheid: Hij schreef oude en nieuwe talen, hij schreef ze correct, en wist toch weinig van spraakkunst. Hij was niet in staat, zijn weten langzamerhand en uit kleine onderdeeltjes op te bouwen. Het was hem allereerst te doen om den dràad; hij wilde de zaken ineens, van uit hun kern doorzien. Nu deze taal beoefenen en over een uur weer een andere, dat stond hem niet aan. Hij zon op middelen om al zijn kennis tegelijkertijd te beheerschen en uit te breiden. Zoo schreef hij een veeltaligen roman in brieven: Een half dozijn broers en zusters, over heel de aarde verspreid, vertelden elkander hun wederwaardigheden, in lange epistels, zooals die destijds vaak van hand tot hand gingen. De een had het in deftig Duitsch over zijn reizen, waarop een zuster in zoogenaamd "vrouwenduitsch", met korte gebrokkelde zinnetjes, antwoordde. De theologische student van het troepje bediende zich van 't Latijn en maakte Grieksche na-schriften; twee kantoorbedienden schreven Fransch en Engelsch, een musicus Italiaansch, en een die thuis was gebleven, in zijn geboortestad had opgelet, schreef Jodenduitsch. – Een dergelijke poging tot samenvatten is te vinden in de "Ochtendgelukwenschen", die hij in zijn geboortemaand Augustus aan zijn "dierbaarsten vader" opdroeg. Tot den 14en schreef hij ze in 't Duitsch, daarna in Latijn en Duitsch, vervolgens in 't Grieksch. Hij was nog heel jong, toen hij werd aangegrepen door een formeele "vers- en rijmwoede", nog aangewakkerd door de wedstrijden in het dichten en improviseeren, die een huisvriend de kinderen uit zijn omgeving deed houden. Op elk onderwerp dat men hem voorlegde wist hij vlam te vatten, in alle genres beproefde hij zijn geluk; boertige dingskens zoowel als geestelijke zangen bracht hij voort. En ieder jaar bood hij zijn gevleiden vader een bundel "Verzamelde Gedichten" van vijfhonderd kwarto bladzijden aan als verjaarsgeschenk; – waardoor hij zich hoopte te vrijwaren van de doodsche oefeningen in het schoonschrijven. Om zich in zijn Latijnsche-taalwerk een beetje zelfstandigheid te veroveren, stelde hij zijn Latijnsche gesprekken op, tusschen "De Vader" en "De zoon"; hij behandelde daarin onderwerpen uit zijn eigen leven. Zoo, een bezoek aan den welgevulden wijnkelder, dien de familie Goethe uit grootvaders logement had geërfd; en een woordenwisseling met zijn gestrengen heer en vader, die te weinig eerbied koesterde voor zijn boetseerwerk in was. Met uitbundige scherpzinnigheid, met onvertaalbare woordspelingen en ouwelijke grappen treedt "De zoon" zijn knorrigen belager tegemoet. In kernachtigen dialoog wordt "De vader" schaakmat gezet, en ten leste, bij wijze van genadeslag, verbluft met een vraag aangaande de grondbeginselen van de schoonheidsleer. Acht jaar is de schrijver van deze gesprekken. En: "Labores Juveniles" – "Jeugdwerk" – zet hij er boven. Die titel zegt veel! Daar brak oorlog uit tusschen Pruisen en Oostenrijk. Zijn grootvader de schout, en met dien het grootste deel van de familie, stond aan de zijde van den keizer; hij en zijn vader kozen partij voor den grooten Fritz, den manmoedigen Pruisenkoning. Hij had altijd veel van zijn aanzienlijken grootvader gehouden, maar van toen af kon hij des Zondags aan diens tafel, waar allerlei kwaad werd gesproken van zijn held, niet meer aarden; de brokken bleven hem in de keel, en voor het eerst kreeg hij het gevoel van minachting voor de meeningen van de groote massa, dat hem later zoo eigen zou worden. Zijn verbeelding gloeide, toen daar uit den toren de nadering van troepen werd aangekondigd, toen de Fransche bondgenooten des Keizers de wacht listiglijk overweldigden en de stad bezetten. De heer Goethe beschuldigde zijn schoonvader van verraad: de twee stonden met getrokken degen tegenover elkaar. Caspar verweet den schout dat hij de vrije stad had verkocht aan den vijand; en dat hij een mooie gouden keten had aanvaard van de keizerin… Hij was een lang poos doorloopend uit zijn humeur, zoo dat hij het leeraren er aan gaf. Wolfgang werd naar school gezonden. Daar kreeg hij aanleiding, te getuigen van zijn grooten eerbied voor tucht en orde: Drie apen-van-jongens sarden hem gedurende de afwezigheid van den meester; hij liet ze begaan, want vechten was verboden. De leeraar bleef weg en ze prikten hem in zijn beenen tot het bloed er langs liep; hij bleef roerloos zitten. Maar toen het uur voorbij was, rammelde hij de kwelgeesten met de koppen tegen elkander, dat de buren er aan te pas kwamen. In de juist verbouwde woning van den ouden Goethe werd een "luitenant des konings", de Franschman Thoranc ingekwartierd. Een kunstlievend, wellevend man, tactvol genoeg. Hij had den overval van Frankfort voorbereid en was thans met de rechtspraak belast. De heer des huizes kon hem niet luchten of zien en moest aanhoudend door zijn vrouw gesust worden. Maar eens – de Pruisen waren nabij Frankfort geslagen – gaf hij toe aan een dolle woede jegens zijn gast; en werd met moeite voor gevangenschap behoed. De gast nam eenige kunstschilders in dienst, om groote doeken voor hem te vervaardigen, die op zijn kasteel als wandversiering zouden dienen. Wolfgangs dakkamer werd het atelier. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om de techniek van het schilderen af te neuzen en fungeerde ook gaarne als model. Van zijn grootvader kreeg hij een vrijbiljet voor den Franschen schouwburg. Nu zijn vader niet meer zoo voortdurend op hem lette, kon hij daar vaak rondzwerven; en hij keek scherp uit zijn oogen. Hij maakte kennis met een jong Fransch acteur, zekeren Dérone, een echten snoever, die alle critische wijsheid van die dagen in pacht scheen te hebben, en beweerde, dat hij de directie tamelijk wel naar zijn hand zette. Nu kreeg jonge Wolfgang achter de coulissen – er was maar één kleedkamer! – heel veel ongegeneerdheid te zien. Hij werd vroeg ingewijd. Maar zijn moeder overschatte hem niet, toen ze vertrouwen stelde in zijn reeds gevormd karakter: inderdaad nam hij aan de lichtzinnige tooneelisten geen aanstoot; natùurlijk hadden acteurs noch actrices twee costuums op elkander aan! Hij ontmoette ook de zuster van zijn nieuwen vriend en hij kwistte dit dametje allerlei romantische galanterieën, die met tanteachtige gelijkmoedigheid in ontvangst werden genomen. Doch geen verdere gevolgen hadden. Het Fransche treurspel prikkelde hem nu tot navolging. Hij had inzicht in de tooneeltechniek, de rimram der Alexandrijnen dreunde hem door 't hoofd. Hij schreef een "classieke tragedie", welke hij aan het deskundig oordeel van het jongemensch, dat de directie naar zijn hand zette, onderwierp. "Zeer geslaagd", meende de criticus; "ik zal een goed woordje voor je doen en meteen hier en daar een kleinigheid voor je veranderen". – Maar tot Wolfs ontsteltenis bleef er na de correctie van het heele drama niets meer over; en de revisor overdonderde hem met de machtspreuk, dat "Het drama" eenheid van plaats, van tijd, van handeling eischte. Hij bestudeerde toen ernstig wat Corneille en Racine daarover hadden geschreven. Dat hij er niet in slaagde, de Fransche meesters te bewonderen, het zal den lezer later blijken. Al bereikte hij nog niet een toonbaar resultaat, in zijn onbewuste wezen had zich reeds smaak voor het tooneel gevormd. Hij had zich en zijn huisgenooten meermalen vermaakt, door in de van grootmoeder geërfde poppenkast voorvallen uit het dagelijksch leven, uit den bijbel, achter het voetlicht te brengen: de Bühne (#litres_trial_promo)[A] (#Footnote_A_1) werd dan in de deuropening van zijn kamertje opgesteld. Hij kreeg een voorproeve van den strijd dien hij zijn leven lang met zich zelf op dit gebied zou voeren, toen hij zijn geestelijk spel "Jerusalem Verlost" gaf; en daarbij eensklaps bleef haperen, uit den dialoogvorm in den verhaaltoon overging, wijl hij de zielsbewegingen van zijn helden niet langer door aaneensluitende daden of gesprekken wist uit te beelden. Het publiek lachte en begreep niet, hoezeer deze principiëele mislukking hem verdroot. En hij bleef altijd pogen, bekende verhalen te "dramatiseeren". Bij de geschiedenisles ging hij pas goed luisteren, als er personen werden behandeld, wier wezen hij zàg, wier woorden hij rechtstreeks hoorde. Hij had dit van zijn moeder, die in haar zelfverzonnen sprookjes aan natuurkrachten en beesten en hemellichamen menschelijke vormen gaf en menschelijke stemmen. Eerst later jaren zou hij zich bewust worden van de taak: zijn talent, dat op beschrijven en op analyseeren was aangewezen, te verzoenen met zijn phantasie, die hem het plastische, tooneelmatige voorspiegelde. [A] (#FNanchor_A_1) De vertaling van in dit werk gebezigde Duitsche woorden, uitdrukkingen etc. vindt men in de Bijlage; ook enkele niet Duitsche maar toch vreemde woorden zijn daar verklaard. Als kind organiseerde hij een eigen troep, die door vaders vindingrijken huisknecht van costuums en requisiten werd voorzien en welks voorstellingen meestal uitliepen op een ranselpartij: Wolfgang verwachtte dat zijn medespelertjes bij intuïtie hun rollen zouden kennen in de stukken, die hij hun kort te voren in hoofdtrekken had verteld. — Tot groote verlichting van den Geheimraad trokken de Franschen eindelijk, na zeven jaren, af. Nu werd de bovenwoning verhuurd, zoodat er voor het gezin weinig, voor inkwartiering heelemaal geen plaats meer bleef. Het was met Wolfgangs vrijheid gedaan: zijn vader zette hem weer aan 't werk. Hij kende nu genoeg Latijn om de lessen aan een academie te volgen, maar hij was nog veel te jong. Daarom wijdde de Geheimraad zelf hem in in het Romeinsch recht en liet hem ook kennis maken met de elegantere jurisprudentie van latere tijden. De oude heer moet wel verrast zijn geweest, toen het zoontje verzocht, hem nu ook een Hebreeuwschen meester te geven: zijn afkeer van het uitverkoren volk had hij allang overwonnen en hij had eerbied voor de eigenzinnigheid, waarmede de Joden aan hun gebruiken hingen; bij het voorbereiden van zijn veeltaligen roman hadden sommige vreemde woorden zijn nieuwsgierigheid geprikkeld. De rector van het gymnasium onderwees hem nu in het Hebreeuwsch, probeerde hem den bijbel in den grondtekst verstaanbaar te maken; hij bracht den man in verlegenheid door zijn bemoeizuchtige vragen, waaruit duidelijk genoeg bleek, dat hij liever met zijn twijfel pronkte dan dat hij een antwoord vond. Hij ondernam nu tochten door het Ghetto, kreeg in de "Judengasse (#litres_trial_promo)" aldra kennissen, bezocht de synagoge, verdiepte zich in ritueele plechtigheden, wisselde glimlachen en knipoogen met mooie donkere Jodinnetjes, als die Zaterdags wandelden op een veld bij de stad, wijl de groote pleinen haar waren ontzegd. Zoo deed hij heel wat menschenkennis op, maar een kind bleef hij, en dit maakte hem zoo aantrekkelijk voor sommige vrienden van zijn vader, ouwe gesloten bullebakken, die hem aan hun tafel noodden en zich in zijn levenswijsheid verlustigden; misschien wel met de bijgedachte, hem voor hun ideeën te winnen. Geboren Frankforters hadden in dien tijd een hoogen dunk van zichzelf; daar nu echter niet alle burgers in den Gemeenteraad konden zitten, werd Frankfort de stad van de "miskenden". Een er van hoopte een diplomaat uit hem te vormen, omdat diplomaten het best nog door de wereld rollen. Een ander, een geleerde eenzame menschenhater met éen oog en een pokdalig gezicht, die de rechtspractijk niet mocht uitoefenen omdat hij gereformeerd was, trachtte hem aan het verstand te brengen dat hij advocaat moest worden; om have en goed te kunnen verdedigen tegen het altijd loerende menschgespuis, of van tijd tot tijd (als je er de moeite voor over hadt) een of anderen schurk in de doos te draaien… Op zijn Zondags uitgedost: 't haar gefriseerd en bepoederd, een slepend lint aan het degengevest, groote zilveren gespels op zijn schoenen; met witte kousen, zijden gilet en zwarten rok (die uit het trouwpak van zijn vader was gesneden)… zóó legde hij naarstig bezoeken af bij oude en jonge vrienden. Hij had van moedertje geleerd, in ieder het goede te zoeken, niemand te "bemoraliseeren". En hij gaf klagers en mopperaars ten volste zijne aandacht, maakte voorzichtige, diepzinnige opmerkingen (in Frankforter trant met kernwoorden gekruid), vermeed gezegden die tot botsing konden leiden: en ontwikkelde dus zijn ingeschapen vaardigheid, van tegenstanders te leeren. Zijn speelmakkers beheerschte hij, wat die zich gaarne lieten welgevallen, als hij maar een van de sprookjes verhaalde, waarin hij zelf als held optrad: dan waren ze zijn "lakeien". Eens, toen hij er zich naar gewoonte op liet voorstaan, dat de schout van de vrije stad Frankfort zijn grootvader was, wierp een kwaadaardig joch hem tegen, dat zijn papa de natuurlijke zoon was van een adellijk heer. Wolfgang vond het echter zoo prettig, te zijn zooals hij was, dat het er voor hem verder niet op aan kwam hòe hij het was geworden. Overigens toonde hij zich niet gekrenkt maar gevleid. Op alle portretten van edellui, die hij onder het oog kreeg, zocht hij naar gelijkenis met vaders trekken. Dat hij wel eergevoel bezat bewijst het duel-op-den-degen, dat hij met Monsieur Dérone voerde, waarna een plechtige verzoening werd gevierd, onder het genot van een ferm glas – amandelmelk. Vreemde jongen! Op zijn zevende jaar besloot hij, de theologische disputen met zijn catechiseermeester beu, "naar eerwaardig bijbelsgebruik God rechtstreeks, d.i. in Zijn werken te eeren". In zijn dakkamertje stapelde hij tegen een muziekhouder een pyramidevormig altaar van steenen en schelpen die hij uit de bekende mineralen-verzameling had ontvreemd; en als de eerste stralen van de morgenzon door zijn venster streken, werden zij in een brandglas saamgetrokken en ontstaken een welriekend dankoffer. De opstijgende rook beduidde het verlangen van zijn ziel naar den schepper der natuur. Wolfgang kreeg bedenkelijk veel vrijheid, toen in Frankfort, na afloop van den oorlog, de kroning van Keizer Joseph II plaats had. Hij moest, nadat hij het détail van vroegere kroningen vaak tot diep in den nacht had bestudeerd, zijn vader over alle belangrijke gebeurtenissen rapport uitbrengen. Kort te voren had hij kennis gemaakt met een aantal jongens "uit lagere standen", die hem gelegenheidsgedichten lieten schrijven en de opbrengst daarvan verbrasten. Bij een hunner ontmoette hij Gretchen, een "beeldschoone" maagd, op wie hij, als vanzelf spreekt, verliefd werd, al was zij een paar jaar ouder dan hij. Vermomd, aan Gretchens arm, begaf hij zich in het gedrang van de kroningsfeesten, en toen hij eens zijn huissleutel had vergeten, bracht hij met haar en haar gezellen den nacht door; 't kopje tegen zijn schouder viel zij in slaap. Bij het afscheidnemen drukte zij haar eersten kus op zijn voorhoofd. Zóo was hij van haar vervuld, dat hij zich de opoffering van herhaalde kerkgangen getroostte, wijl hij haar in de kerk uren lang kon zien… Deze historie nam een leelijke wending, toen een van zijn nieuwe kennissen, dien hij aan een stadsbetrekking had geholpen, valschheid in geschrifte pleegde. Hij werd nu, verdacht van medeplichtigheid, aan een streng verhoor onderworpen. Hij bekende al zijn avonturen, maar zwoer dat hij zich een ongeluk zou aandoen, als zijn eigenlijke vriend, als Gretchen, straf moest oploopen door zijn schuld. Hij weigerde alle voedsel, verliet zijn zolderkamertje niet meer, dacht niet aan de groote sinjeurs die daar buiten galoppeerden door de straten. Maar het pijnlijke genot van deze zelfkwelling werd gebroken, toen de te hulp geroepen "paedagoog" hem na eenige voorbereiding vertelde, dat ook Gretchen in verhoor was genomen: zij had getuigd, dat zij den kleinen Wolfgang van beginne af had beschouwd als een kind, en zich alleen maar had beijverd hem van malle streken terug te houden… Hemel! voor zoo een, voor een die hem niet beminde dus, had hij gehuild tot zijn keel was ontstoken! voor zoo een wilde hij zich in het ongeluk storten? – En hij vluchtte het huis uit en de stad uit; in de vrije natuur, bij bosch en beek, bij zonneschijn of storm streed hij met zijn drift: en er kwam een heroïsche kalmte over hem. Zijn geest kon eerst in een andere omgeving tot hernieuwde werkzaamheid zich spannen. Reizen en trekken werd nu en in later tijd zijn redding, als hij een verdriet, een aarzeling, een onbegrijpelijkheid moest overwinnen. — Met zijn nieuwen onderwijzer, – die schrander genoeg was, om hem in de vrije natuur vaak aan zijn gevoelens over te laten – doorliep hij de geschiedenis van de oude wijsbegeerte. Hij maakte het den man lastig met vragen, "die deze later wel eens zou beantwoorden". Vurig verdedigde hij de bewering dat een afzonderlijke wetenschap van het denken overbodig was. Neen! een boek als de bijbel, waarin kernachtige wijsheid met geloof en poëzie was vermengd, daar had de wereld behoefte aan; en aan mannen als de Stoïcijnen die zich in hun ziel wapenden tegen moeilijkheden des levens!.. Hij had de tastbare werkelijkheid te zeer lief om zich met ijle gedachten te vergenoegen; doch hij bezat een te fijnen geest en te veel neiging om in alles éénheid te zoeken, om in een enkele kunstuiting – hetzij beeldende kunst of lyriek – bevrediging te verwachten. Het was hem niet te doen om de gedachte-zelf, want die leefde voor hem geen afzonderlijk leven; doch om de innerlijke beteekenis van wat hij zag en ondervond. Zijn verswoede werd langzamerhand een virtuositeit, die van toen af op zich zelf geen doel kon hebben. Het ontbrak hem echter aan stof en hij was blij als iemand hem iets voorlegde dat hij "bezingen" kon: zoo zijn zijn "Poëtische gedachten over Christus' hellevaart" blijkens hun ondertitel "op verlangen ontworpen". Zijn vaardigheid in het spelen met woorden en rijmen was sneller gegroeid dan zijn levensinzicht, en zoo moest zijn beeldspraak, waar hij eigen meeningen wilde aanduiden, wel tamelijk los, en ineengedrongen duister zijn, – hoe cordaat ook neergeschreven. Een kenmerkend voorbeeld hiervan geeft het dichtje, dat hij op zijn zestienden verjaardag in het album van een vriend stelde. Zonder naderen uitleg maar "in allen ernst" vergelijkt hij daar de wereld "die men voor de beste houdt" beurtelings bij een moordenaarshol – een studente-kamer – een operagebouw – een professorsdrinkgelag – met poëetkoppen, schoone rariteiten, afgesleten geldstukken. "Een die zich op de schoone wetenschappen toelegt", aldus teekende hij het gedicht. En verried daarmee meer dan hij wilde zeggen: Terwijl hij zich door zijn vader liet africhten tot de rechtsstudie; terwijl hij, de kamer op en neer marcheerend, zijn invallen dicteerde aan een schrijfknecht; terwijl hij doolde op jaarmarkten en missen, waar bizar gekleede vreemdelingen dooreenwoelden – rees in hem het voornemen, zèlf zijn loopbaan te kiezen, professor te worden in de kunstgeschiedenis of in de classieke letteren. Zijn algemeene kennis ontwikkelde hij nog verder door in eenige encyclopedieën, o.a. in de bekende "Dictionnaire historique et critique" van Pierre Bayle (#litres_trial_promo), te snuffelen; en meer en meer teekende zich de weg, die hem door zijn geestesbehoeften was aangewezen. Maar alleen zijn zus Cornelia wist er van: zij begreep hem zoo volkomen, dat hij haar man zou willen worden indien hij haar broer niet was. Hij heeft zich eens in enkele verzen afgevraagd, wat er nu toch eigenlijk voor oorspronkelijks in hem zat. Van mijn vader, zoo dichtte hij: Vom Vater hab' ich die Statur, (#litres_trial_promo) Des Lebens ernstes Führen; Von Mütterchen die Frohnatur, Die Lust zu fabulieren… en als de deelen het geheel vormen, wat heeft het wicht ten slotte dan van zich zelf!? Het oorspronkelijke in zijn persoonlijkheid was hem nog niet helder bewust, toen hij als 17-jarig jongeling naar de Leipziger hoogeschool vertrok; toch zou hij zich nooit losmaken van zijn jeugd-indrukken, dat is te zeggen: van de wijze waarop zijn kiemende geest zich met zijn eerste ervaringen verstond; toch zal den lezer blijken, dat deze kinderdroomen in den gerijpten man nog uitwerken. Nog, of liever: pas, want kinderen grijpen ver. Maar wel wist hij, dat hij anders was als degenen die hem met zooveel zorg hadden opgevoed: De teruggetrokkenheid waarin zijn vader leefde maakte hem bang; en hevig verlangde hij ontslagen te worden van de geestestucht, die men hem had opgelegd; daar onder de balkrijke zolderingen van het sombere ouderhuis. De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van September 1765 tot September 1768 II Verpflanze den schönen Baum, (#litres_trial_promo) Gärtner! er jammert mich.     ODE aan BEHRISCH. Hij voelde zich niet bepaald treurig, toen hij de poorten van zijn geboorteplaats achter zich had: voortaan zou hij zelf zijn leven regelen, met frisch gestel en sterken geest zich op de schoone wetenschappen werpen, rechtstreeks aansturend op het hoogleeraarsambt! Maar toen hij Leipzig binnenreed had hij den eersten klap al te pakken: de postwagen was onderweg in de modder vastgeraakt, Wolfgang wilde natuurlijk met uitbundig krachtsbetoon een handje helpen en verrekte een paar borstspieren. Gedurende heel zijn studietijd zou telkens een knagende pijn zijn zenuwen overprikkelen. Hij vond dat hij, om op slag te komen, zich eens flink moest vertreden en de academie-stad beviel hem wel bij eerste kennismaking. Deftige gebouwen met mooie gaarden; straten breeder dan in Frankfort en ook lichter, doordien de hooger gelegen étages der huizen de verdiepingen gelijkvloers niet overschaduwden; interessante omstreken met overvloed van gezellige roomtuinen; boekenstalletjes huis aan huis, en gewoel van vreemd-gedoste buitenlanders; een Fransche kolonie, – die als een leerschool van smaakvolle wellevendheid werd beschouwd en aan Leipzig wijd en zijd den roep gaf van "een galante stad", een "klein Parijs"; waar men er zich bovendien op liet voorstaan, je "feinste Teutsch" (#litres_trial_promo) te spreken. Het was juist mistijd: drinkgelagen en banketten en rijjolen gingen niet van de lucht en de goudstukken schoten den onervaren studiosus tusschen de vingeren door, snel als waren het guldens. Maar hij genoot, en in zijn naïeve verbazing vond hij 't gewenscht, zijn zuster de zeer byzondere spijzen op te sommen, die de Fransche keuken hem van dag tot dag gaf te savoureeren. Toen de teleurstelling: de Frankforter patriciërszoon, het dichterlijke wonderkind, stond hier maar matig in tel. Zijn uitspraak klonk boersch en men glimlachte als hij zijn taal doorspekte met spreekwoorden, bijbelsche beelden, krachtige oud-Duitsche uitdrukkingen, die hij uit kronyken had opgediept.. Zijn kleeren, waarvan hij hoogen dunk had, bleken van verouderden snit en ze zaten nogal slof. Geen wonder: de huisknecht, die niet mocht leegloopen, had ze uit vaders onverslijtbare plunje gemaakt. En nu gebeurde het dat een komiekeling in een derderangs theater de menschen deed proesten, enkel en alleen door in juist zulke kleeren op te treden. Jonge Wolfgang, tot tranen geërgerd, was blij dat hij er in slaagde, zijn rijkvoorziene garderobe, met bijbetaling van ettelijke goudstukken, te ruilen tegen een paar moderne pakjes. Hij ging zijn aanbevelingsbrief overhandigen aan den rector van de universiteit, hofraad Böhme. Deze verbood hem, de studie van de rechtswetenschap, waarvoor hij bestemd was, zonder verlof van zijn vader op te geven, teneinde voor zijn lievelingsvakken tijd te winnen. Dit ontnuchterde hem: doch Böhme, practiesch man, met weinig ontzag voor geleerdheid die door anderen werd onderwezen – overtuigde hem dat hij, als bewonderaar van de classieken, niet beter kon doen dan zich wijden aan de studie van het Romeinsche Recht. Deze raad, gevoegd bij de overweging dat zijn moeder en Cornelia het zouden ontgelden als papa Goethe tot de ontdekking kwam dat zijn plannen werden gedwarsboomd, maakte hem aanvankelijk tot een stipt en ijverige collegehengst. Maar Böhme had hem over het Recht en over de geschiedenis der staatsinstellingen niet veel nieuws te vertellen. En hij verdreef zijn verveling door in zijn dictaten caricaturen te teekenen van de rechterlijke ambtenaren die de lessen verduidelijkten. Mevrouw Böhme interesseerde zich voor hem; ze trachtte met veel tact hem te beschaven, leerde hem kaartspelen en de nieuwste dansen, als middel om zich in gezelschap te kunnen bewegen. Ze won zijn vertrouwen. Toen droeg hij haar de verzen voor die hem hadden ontroerd, ook verzen van hem zelf, zonder de namen van de dichters te verraden. Zij keurde af, hij verdedigde. Maar toen zij haar oordeel motiveerde en de groote vraag aanroerde: Hoe onderscheidt men mooi van leelijk? – ging hij zwijgend naar huis. Hij had tot dan toe in alle mogelijke "genres" gewerkt, omdat en zooals "men" het mooi vond; zijn onderwerpen werden hem, door vader of door zijn onderwijzers opgegeven. Juist doordat geen diepwortelende voorkeur hem aan een bepaalden stijl bond, juist doordat hij zich zoo vrij gevoelde tegenover zijn materiaal – het woord – juist daardoor kon hij als jongen verregaand bedreven zijn in vers-techniek. Hij wist wel te onderscheiden juiste verzen van foute verzen, maar niet schoone verzen van valsche verzen. Hij wist dat de vraag naar de normen van het Schoone hem eens zou verontrusten. Maar, alles wat hij onder vaders leiding deed als voorloopig en voorbijgaand beschouwend, had hij ze uitgesteld tot later. De vermaningen van deze hoofsche dame, denkelijk zoo zwaarwichtig niet bedoeld, betroffen de kern van zijn talent. Eensklaps besefte hij ten volle dat hij leege dichtstukjes had voortgebracht, vormen, wier correctheid doelloos was, omdat poëtische inhoud ontbrak; woordenpraal die onder het niveau bleef, waarop men zich om mooi of leelijk bekreunt. In hem hadden kunde en leven elkander nog niet bereikt… En op een goeden dag smeet hij heel het pak dichtoefeningen dat hij van huis had meegebracht in den vlammenden keukenhaard. Hij mòest echter zingen en hij zocht naar een inhoud, maar wie zou hem helpen. Zijn professoren in de letterkunde hadden geen begrip van aangeboren, niet aangeléérde, poëzie. In hun colleges werden de namen die hem lief waren nooit genoemd. Gottsched was een geslacht te oud, en voelde meer voor jeugdige vrouwen dan voor jeugdige dichters; Gellert vroeg hem teemend of hij wel trouw ter kerke ging, en wie zijn biechtvader was? Clodius was een rijmelaar, die kans zag in het kleinste gedichtje een tiental Grieksche goden en godinnen te huisvesten, doch dit van zijn leerlingen niet duldde; zonder te verklaren waarom. Wolfgang schreef meestal in verzen de hartstochtelijke gedeelten van zijn brieven en zijn opstellen – en dit waren zijn slechtste verzen niet – maar zijn leeraar verbood hem zulke ruwheid. Op het "Collegium philosophicum et mathematicum", dat alle studenten verplicht waren te volgen, werd de geest "duchtig gedresseerd en in Spaansche laarzen geregen". De meening van den jongen Goethe, dat een afzonderlijke wijsbegeerte niet noodig was, vond hier verdere bevestiging. De werkingen die ieders brein van jongsaf onbewust doch juist volbracht, zoo natuurlijk als eten en drinken, werden hier blijkbaar willekeurig ontleed; wat vroeger in eenen ging werd nu in drieën geprutst; Philosophie en levende Gedachte gingen hier elkander uit den weg. – Eens bleef Wolfgang uit de gehoorzaal teneinde bij een koekenbakker in de buurt de flensjes, die juist op het lesuur dampend en geurend uit de pan kwamen, te gaan nuttigen. Het beviel hem zoo goed dat hij voor zulke flensjes in 't vervolg zijn aanspraken op wijsheid liet varen. Tegen 't einde van het eerste leerjaar trok hij zich volkomen ontnuchterd uit het academieleven terug. Mevrouw Böhme stierf en haar echtgenoot, die Wolfgangs caricaturen had ontdekt, wilde niets meer van hem weten; de overige hoogleeraren van middelmatige geleerdheid ook niet. Het gezellig verkeer smaakte hem niet. Zijn manieren, aangeleerd evenals zijn dichtkunst, gingen hem niet vlot af. In de comedie gaapten de menschen als hij bewonderde, en ze juichten toe wat hem tegenstond. Hij voelde dat de brieven, die Cornelia hem schreef, bijna geheel door den ouwen heer waren voorgekauwd of ingegeven, en hij dorst haar niet schrijven wat hem beklemde, sinds zijn vader hem zijn epistels, gecorrigeerd met rooden inkt en van taal-, stijl-, en schriftkundige aanmerkingen voorzien, terugzond. Hij kreeg het eenzaam. Geen mensch begreep hem. En als iemand hem kon helpen, dan hij zelf. "De laurier die den dichter siert" – hij had ze voor zijn vertrek uit Frankfort zeer nabij geacht – was uit zijn gezichtskring geweken. In hem was ruime leegte, en een benauwend-vaag bewustzijn van eigen genialiteit, een nooit gekend plichtsbesef, dat hem dreef tot zoeken, mijmeren en alleen-zijn. Hij dineerde met een stelletje studenten in de medicijnen en de natuurwetenschappen: hun gesprekken kon hij verdragen, hun kennis had tenminste tastbare werkelijkheid tot inhoud; en met het algemeene er van raakte hij langzamerhand vertrouwd. Maar het gebeurde dat hij dagen achtereen van tafel bleef. Dan lag hij ergens in een bosch bij een beekje te peinzen en te neuriën, kon zich geheel vergeten in de beschouwing van boom en plant, dacht terug aan het ouderhuis, aan zijn vrienden en de lieve meisjes die hij in Frankfort had gekend, aan den rustigen jongenstijd dien hij had doorleefd… Maar plots herinnert hij zich dat dit alles niet terugkeert. Dan scheurt een schel wit licht de wazige woud-atmospheer vaneen, de golfjes van 't beekje gaan hem plagen, jagen hem voort. Hij kan zich niet wennen aan het idee dat hij verder moet, maar de twijfel maakt zijn bestaan van nu onhoudbaar. In dezen tijd gebeurt hem voor het eerst wat hij later als een noodzakelijkheid zal leeren doorzien: Hij heeft gezocht een vaag ideaal en hij vindt – een vrouw die hem weergeeft aan het leven. Hij heeft kennis gemaakt met den Frankforter advocaat Schlosser, een kalm en kundig man, die waarschijnlijk van den ouden Goethe opdracht had, bij gelegenheid een oogje te houden op den vreemddoenden zoon. Schlosser woont in bij den pensionhouder en wijnkooper Schönkopf, en Wolf gebruikt daar voortaan met hem het middagmaal, in gezelschap van enkele beschaafde, literair aangelegde heeren. Daar wordt dikwijls lang nagetafeld, en met de verdraagzaamheid, die een rustige spijsvertering teweeg brengt, onder het genot van de glaasjes wijn, door de aardige dochter des huizes geschonken, hooren die heeren onverstoorbaar elkanders meeningen aan en trachten zelfs het met elkaar eens te worden. In dezen kring, en niet 't minst door de ernstige toespraken van Schlosser, met wien hij nu dagelijks een paar uur verkeert, wordt mosjé (d. i. monsieur) Wolfgang dra de oude. Fransche en Duitsche, Italiaansche en Engelsche brieven vloeien weer uit zijn pen, zijn vrienden ontvangen weer ontboezemingen in welgemeten Fransche alexandrijnen, koddig en opgeschroefd nabrouwsel van Racine. Als Schlosser is vertrokken, kan hij van deze middagtafel niet scheiden: niet zoozeer om de spijzen als wel om de wijnschenkster. Want hij heeft zich binnen een week smoorlijk in haar verliefd. Anna Catharina Schönkopf – hij noemt haar Antje, Annette of Kaatje – was drie jaar ouder dan hij. Aardig figuurtje, niet groot, maar flink ontwikkeld, open rond gezichtje; verstandig zonder geleerd te zijn, natuurlijk in haar manieren, altijd opgewekt, altijd gereed om een lastige aanbidder op zijn vingers te tikken; spotziek maar goedhartig, – zoo beschrijven haar Goethes vrienden. Hij zelf vond haar natuurlijk volmaakt, een engel; en ze had (meende hij) maar één gebrek, nl. dat ze hem beminde. Immers hij wist dat hij haar nooit zou trouwen. Niet omdat het verschil in stand hem hinderde, ook niet omdat hij vreesde zijn vader te weerstaan. De reden lag dieper: Onophoudelijk drukte hem de plicht, zijn geestesaanleg ten volle uit te leven. Hij wist zich onvoltooid maar voor iets groots bestemd. Hij voorzag niet wat er uit hem zou worden, maar hij besefte dat hij niet mocht rusten, nergens wortel mocht schieten, voordat de leegte in hem was vervuld, voordat de scheppingsdrang in hem doel had gevonden. – Toch kon hij geen afstand van haar doen. Zijn jeugd-krachtige hartstocht joeg hem telkens weer tot haar. Op hun liefhebberijtooneel speelden zij samen de verliefde rollen, en ze zongen samen, en zij begeleidde zijn fluitspel op het clavecimbel. En hij kon haar niet zien, of in zijn reeds overgevoelig gemoed ging de wroeging woeden; liet hij zijn verliefdheid gaan, dan bedacht hij daarbij dat hij een onvervulbare hoop in haar sterkte. En hij laat zijn verliefdheid gaan. Om ongestoord met haar te kunnen samen zijn, neemt hij list te baat. Hij maakt het hof aan een uiterst coquette maar leelijke juffer, schijnt zich aan de grillen van die juffer geheel te onderwerpen: kleedt zich overdreven modieus, stapt met afgemeten passen en uitgestreken tronie door Leipzig, begroet zijn vrienden met zoo comedianterigen praat, dat zij het geen kwartier met hem kunnen uithouden. En zoo vermoedt niemand iets kwaads als hij met Antje babbelt. Maar hij voelt het kwaad. Hij zou haar zoo gaarne gelukkig zien en neemt zich in goede oogenblikken voor, nooit haar ontrouw te worden, als hij haar niet eerst in de armen van een ander heeft aangetroffen. IJdele gelofte! In zijn ziel heeft hij haar reeds verlaten. Hij is overspannen genoeg om de reden daarvan in haar te zoeken: Hij bestookt het meisje met fijn-gesponnen jaloezie, verlangt van het meisje onweerlegbare bewijzen dat hij "de eenige" is. Weer alleen op zijn kamer zet hij zich tot diep in den nacht durende zelfkwelling; hij kent geen genot of hij misgunt het zich, ontleedt het totdat er niets van blijft. Maar zij weet dit niet en zou het niet hebben begrepen. Zij raakt in de war en lijdt; ze moet toch altijd vriendelijk doen tegen de gasten. En als ten tweede male over hun grillige liefde het voorjaar strijkt, vlucht hij de stad uit en vindt zich weêr onder de linde, waarin hij te voren haar initialen heeft gesneden boven de zijne. Ziet: de levenssappen van den boom zijn naar buiten gebroken en lekken als tranen door haar naam over zijn naam. Nauwelijks heeft hij dit beeld doordacht of hij snelt naar huis en smeekt haar om vergiffenis. Te laat. Zij heeft in stilte hare liefde weggeschreid… Aan Schönkopfs tafel verschijnt geregeld een zekere Behrisch: lange, magere sinjeur met scherpe trekken en wel-verzorgde kleedij; gouverneur van een paar jeugdige graven, die te Leipzig studeeren. Het waarlijk-geniale in Wolfgangs optreden, dat zijn gelijken in ouderdom ontsnapt of door hen als aanstellerij wordt beschouwd, trekt de aandacht van dezen kern-echten zwijger, die de gewoonte heeft, zijn wereldwijsheid onder vormelijke manieren en langgerekte grappen te verhullen. Een biechtvader, zooals mosjé Wolf er een noodig heeft. Met cynischen spot verhaast hij het zuiveringsproces in den ontluikenden dichter. Valsche verzen die Wolfgang hem voorlegt neemt hij zoo bedrijvig onderhanden, dat dezen alle eigenliefde vergaat. Daarentegen is aan liederen die genade bij hem vinden een byzondere gunst beschoren. Naar den drukker mogen ze niet; maar hij copiëert ze zorgvuldig en geduldig met ravenvederen en oostindischen inkt, met sierlijke letters en uitvoerige vignetten, op zwaar papier. Men zegt dat hij die afschriften mee heeft genomen in 't graf… Intusschen: Behrisch houdt van uitgaan en genieten; hij brengt Wolfgang bij meisjes die – als wij hem mogen gelooven – beter zijn dan haar faam; de romantische jongeling, balsturig om zijn vermoorde liefde, fuift mee en ontziet zijn lichaam niet meer. En als hij zich slap voelt, onderwerpt hij zich aan streng dieet en koudwaterbehandeling, zooals Rousseau ze in de mode heeft gebracht. Terwijl hij aldus "terugkeert naar de natuur" vernielt hij zijn gestel; zijn prikkelbaarheid neemt toe. Spoedig moest hij Behrisch missen. Hij had in een oolijke bui een lofdicht op een in de studentenwereld beroemden koekbakker geschreven; een vriend had er een verlengstuk aan gehecht, zoodat het een parodiëerend hekeldicht leek op Prof. Clodius, en zoo circuleerde het onder de studenten. Dit bracht den vriendenkring in opspraak. De vader van de jonge graafjes kwam te weten in welk gezelschap zijn zoons verkeerden en ontsloeg Behrisch op staanden voet. Wolfgangs verontwaardiging uitte zich in drie "Oden", die vooral merkwaardig zijn om de huiveringwekkende beelden, waarmede de ongezonde atmosfeer van het gekunstelde en lasterende Leipzig wordt geteekend. Maar nù kon de eenzaamheid hem drijven tot studie en arbeid. Hij verdiepte zich in Molière's tooneeltechniek en begon diens "Menteur" (#litres_trial_promo) te vertalen. Uit Dodds "Beauties of Shakespeare" (#litres_trial_promo) schitterde een nieuwe schoonheid hem tegen, en dit noopte hem nader kennis te maken met den Engelschen dichter, mede aan de hand van Wielands "verduitschingen" die toen juist verschenen. Hij waardeerde Shakespeare, zonder hem te begrijpen, en noemde hem zijn meester, wijl hij, voelend dat hij met een held in aanraking kwam, meer vertrouwen kreeg in zijn eigen begaafdheid. Hij keerde al meer tot zichzelf in, en schatte zijn eigen persoonlijkheid het ware en schoone tegenover de onware buitenwereld. Om hem heen vond hij niets dat zich liet bezingen, en, daar hij toch zingen moest, "koos" hij – als had hij daar vrij zeggen over! – de rustigste momenten die zijn ziel doorleefde tot onderwerp voor zijn liederen. Zijn ervaringen, vooral zijn liefde-ervaringen, werden in de eenzaamheid lang overdacht en, van alle toevalligheid gezuiverd, neergeschreven. Maar als dan zoo'n ervaring, in korte, scherp gestelde verzen te boek stond, liet ze hem tot klaarheid met zich zelf komen, hielp ze hem de tegenstelling tusschen zijn Ik en de onware buitenwereld overbruggen met verstandelijke overwegingen. Zoo kregen zijn liederen een eigen, doelmatigen stijl, waarin 's dichters overleg tot ongemengde uiting kwam: Beginnend met de aanduiding van een tegenstelling, eindigen zij plots met een korten, scherp afgepunten zet, belichamend aldus de luchtige, eenigszins koude wereldwijsheid, waarmede Wolfgang zich verstandelijk troostte. Liet hij hier en daar – bijvoorbeeld in "Brautnacht" (#litres_trial_promo)– zijn schoon verbeelden hartstocht ook dòorleven, deze heeft voor het eind van 't lied zijn toppunt bereikt en een veelbeteekenende grap toont dat Goethe zijn eigen warmte voornaam en rustig heeft doorstaan. Men zegt dat deze liederen aan Fransche en Italiaansche voorbeelden herinneren, maar verzuimt te verklaren, waarom Goethe – die al zijn vroegere gedichten, naar bepaalde voorbeelden vervaardigd, eenvoudig in het vuur wierp – deze liederen ook in de latere uitgaven van zijn werk liet herdrukken: Vast staat dat déze vorm juist paste bij zijn blik op de dingen; hij hadd' hem dus, rusteloos zoekend, ook geheel op eigen initiatief gevonden, indien het buitenlandsche voorbeeld hem niet in dezen tijd had gevoerd tot de ontdekking van zijn stijl. Hier bereikte hij van beginne af het meesterschap. Van uitgave tot uitgave opgetoetst en ontdaan van persoonlijke elementen vinden deze liedjes ook voor zijn geoefenden smaak van later jaren genade. Hun eigenaardige, in hoofdzaak telkens weerkeerende opbouw, de geleidelijke vervloeiing van hun geestesspanning, die maakt dat de lezer, eenmaal aan het einde gekomen, nooit aan 's dichters zelfbeheersching wanhoopt, de groote effecten, die met weinig middelen worden bereikt, het samenvallen van intellectueel en melodieus zwaartepunt – dit alles heeft in den loop der tijden verschillende componisten, waaronder Beethoven, aangetrokken: Muziek, heeft Goethe later gezegd, is het ware element waaruit alle poëzie ontspringt, en waarheen ze terugkeert. Kort na hun ontstaan reeds werden twintig liederen getoonzet door zijn vriend Breitkopf, een zoon van den Breitkopf die de noten-typographie uitdacht. Zij verschenen in 1769 onder den titel: Neue Lieder. Goethes naam is op het titelblad niet gemeld. Zijn oude liefhebberij voor beeldende kunst meldde zich weer aan en hij ging de lessen volgen van Oeser, den directeur van de teeken-academie; een man die niet bestemd was om roem als schilder te verwerven, maar die als kunst-criticus en als onderwijzer uitmuntte. Aan hem had de vermaarde Winckelmann, de geleerde "hernieuwer" van de classieke kunst, zijn vruchtbaarste ideeën te danken. Hij kon Wolfgang, die geen eigenlijk teekentalent bezat, niet tot kunstenaar vormen, maar wel leerde hij hem: zijn oogen gebruiken. Zijn critiek, hoe grondig ook, ontmoedigde nooit. Hij bracht meer inzicht dan vaardigheid. Met geestdrift onthulde hij zijn genialen leerling het wezen der Grieksche schoonheid als "edele eenvoud en stille grootschheid". Toen begreep Wolfgang dat geen jongeling een meester kan zijn en hij vermoedde – wat hij pas later eigenlijk begreep – dat men in de werkplaats van een kunstenaar meer kans heeft wijsheid op te doen, dan in de gehoorzaal van den philosoof. Dus niet alleen de dampende flensjes hielden hem van zijn studie! Geheel in deze geestesrichting pasten Lessings leeringen: vooral de strenge besprekingen over de grenzen tusschen Poëzie en Schilderkunst, die Lessing aan beschouwing van de classieke beeldgroep Laokoon vastknoopte, maakten op Goethe, als op bijna iederen nakomeling, een verkwikkenden en verlossenden indruk. Toen als thans waren de preekende schilders en de schilderende dichters in zwang; en nu toonde Lessing aan dat de dichter, wegens de geaardheid van zijn materiaal, het woord, niet moet schilderen doch verhalen en breede schilderingen slechts langs een omweg behoort te geven; dat de schilder zich moet houden binnen de grenzen van het schoone, niet moet vertellen of beweren, doch zijn figuren moet te doek stellen in rustende houding: Beweging het element van den dichter, schoone rust het element van den beeldenden kunstenaar; en wilde de laatste een handeling na-scheppen of een gedachte aanduiden, dan moest hij grijpen naar het zoogenaamde "vruchtbare moment" – zijn figuren een houding geven, waaruit viel af te leiden wat zij het volgend oogenblik zouden doen. Lessing bewees dan in zijn bescheiden boekje dat al wat wij in de Ouden, speciaal in Homeros, bewonderen volgens deze principes was opgezet. In dien tijd beving Wolfgang onweerstaanbaar het verlangen, antieke beeldkunst aan zijn nieuwe inzichten te toetsen, en, zonder iemand van zijn omgeving te waarschuwen, reisde hij stilletjes naar Dresden, om daar het bekende schilderijen-museum te bezoeken. Hij had zijn naar voorbeeld gemaakte verzen voor niemand geheim gehouden, schreef zelfs vaak om zijn vrienden te bekoren. Maar zoodra er iets in hem omging dat de kern van zijn aanleg betrof, verborg hij het zelfs zijn besten vriend; daar hij zich dan helder bewust was, iets te veroveren dat nog niet had bestaan en de stoornis van hun overbodigen raad duchtte. Daarom ging hij nu ook in stilte naar Dresden. Twaalf dagen lang zwierf hij er tusschen schilderijen, en de portier, die 's morgens het museum opende, vond hem geregeld voor de poort op wacht. De Hollanders en de Vlamingen, realistische uitbeelders van forsche menschvormen, en ook de landschapschilders boeiden hem. Het gebeurde dat hij, de werkplaats betredend van den kernachtigen schoenmaker bij wien hij intrek had genomen, alles in donkerbruine kleurtonen zag, als stond hij voor een doek van Ostade. Maar hier ondervond hij de waarheid van zijn uitspraak, dat hij als jongeling nog geen meester kòn zijn: de schoonheid van de oud-Italiaansche stukken en de antieke beelden begreep hij wel, maar hij kon ze niet navoelen; hij nam ze aan op gezag. Zijn verstandelijke ontwikkeling was de ontwikkeling van zijn ziel vooruit. Vandaar ook, dat scherpe critiek hem wel een oogenblik van de wijs kon brengen, maar niet blijvend. Zijn ziel werd er op den duur niet door gemoeid. En hij kénde het middel om de oppervlakkige evenwichts-storingen in zijn intellect te herstellen: Hij ging nu werken aan een aanklacht tegen – zich zelf, tegen den pluizenden, grilligen, vroeg-ouden menschhater, die de liefde van de frissche en goede Antje niet had gewaardeerd, en meer zekerheid had geëischt totdat hij alles had verloren, en begreep hoe dierbaar de vroegere "onzekerheid" hem was geweest. Hij had als kind een herdersspel gemaakt, zooals de Franschen die toentertijd in verre navolging van Tasso bij groote hoeveelheden fabriceerden; een spel zonder actie, waarin herders en herderinnen, zacht gekleurd en gloedglansend als porceleinen popjes, elkander zoetelijke papieren gedachtetjes over jaloezie, liefde en onschuld zeiden. Nù was hem de mogelijkheid gerezen, aan het spel een levenden inhoud te geven; en na diepgaande omwerking, waarover hij al weer het stilzwijgen bewaarde, kreeg het ongeveer den vorm waarin wij Die Laune des Verliebten (#litres_trial_promo) thans kennen: – Twee minnende paartjes zijn op het tooneel tegenover elkander geplaatst, kransen vlechtend. Eridon en Amine lieven elkander hartstochtelijk, maar Eridon's naijverige grillen verstoren de vreugd al te vaak. De min van Lamon en Eglé is kalmer en niet zoo veeleischend, daardoor gelukkiger. Amine's danslust leidt tot gekibbel met haar prikkelbaren herder; vergeefs tracht Eglé haar weenende vriendin tot opstand aan te zetten. Dan besluit ze Amine door list te helpen: als deze naar bal is, lokt ze Eridon in haar armen, en bewijst daardoor metterdaad, hoe weinig hij het recht heeft, zijn trouwe herderinne door verwijten het leven te vergallen. Wolfgang schreef zijn zuster dat dit stuk naar de werkelijkheid gecopiëerd was en zeker doen de goedige Amine en de grillige Eridon aan twee, den lezer reeds bekende, personages denken. Maar de typeering van Eridon, hoe scherp ook, is vergeleken bij deze werkelijkheid, niet compleet. De vraag dringt zich op, wat Amine eigenlijk aan hem ziet? Kaatje verdroeg Wolfs grillen zoo geduldig wijl ze bekoord werd door diens genialen overmoed; en deze juist ontbreekt Eridon. Dit verwijst naar een grondtoon van Goethes dichterschap: zijn streven naar het universeele, d.i. het algemeen toepasselijke. Ongetwijfeld, al zijn werken, sedert zijn studententijd ontstaan, zijn "brokstukken van een groote biecht"; en zijn helden dragers van d'een of andere zijde van zijn eigen karakter. Maar – en dit zegt meer – de teekening van zulke karaktereigenschappen werd gaandeweg gezuiverd van alle individueele bijmengselen; zoodat ieder, hoe overigens zijn levensomstandigheden ook waren, mits zijn persoonlijkheid maar dezen trek bezat, er zich in kon weervinden. In Die Laune des Verliebten is het hem niet te doen om den student Wolfgang, doch om den – hem onuitstaanbaar dunkenden – ziekelijk-jaloerschen jongeling in het algemeen. En aangezien men niet bepaald geniaal behoeft te zijn om zijn meisje te plagen, werd de betooverende wildheid van het model weggelaten: Er zijn veel jaloersche jongelingen, doch er is maar éen prikkelbare Goethe. – In deze beschouwing ligt opgesloten, dat in het herdersspel de liefde van Amine ongemotiveerd is, en dat dus het heele stuk op losse schroeven staat. Maar hier is tevens een onderscheiding gemaakt, die de lezer wèl zal doen tot goed begrip van Goethes later leven in het oog te houden: Goethe wil twee karakters naast elkaar plaatsen, op elkander laten inwerken: hoe ze tot elkaar komen, – daarover bekreunt hij zich allerminst! Eenmaal aan het werk, ontwierp Wolfgang plannen voor een aantal stukken, waarin sommige levenservaringen, misschien zelfs reeds sommige bespiegelingen naar aanleiding van ervaringen, op soortgelijke wijze moesten verbeeld. Maar deze concepten werden niet uitgewerkt – omdat ze alle tragiesch eindigden. Dit beduidt niet dat Wolfgang het leven, zooals het zich nu eenmaal aan hem had voorgedaan, niet wilde zien; maar wel, dat zijn geest altijd uit was op herstel van een verstoord geestelijk evenwicht, en voor iedere ramp instinctief een door diep inzicht gemotiveerden troostgrond zocht. Eerst als hij, al werkend, voor een bepaalde groep zielsverschijnselen zulk een troostgrond had gevonden, voelde hij zich er tegen opgewassen, kon hij als een verder ziend God zweven boven de werkelijkheid; eerst dan was het stuk "realiteit" rijp voor bewerking. Hij besteedde een groot deel van zijn leven aan de verovering van de hier aangeduide neiging, die hij van zijn moeder had geërfd. – Eén stof nu, hoewel vol treurnis, leek hem geschikt om eenigszins schertsend te worden opgevat, en hij maakte ze tot onderwerp van zijn blijspel in verzen Die Mitschuldigen (#litres_trial_promo). Gelijk men bespeuren zal, kon deze samenloop van omstandigheden voornamelijk hierom onschuldig worden voorgesteld, omdat hij in een luchtig-"verdraagzame" moraal een oplossing schijnt te vinden, voordat de tragiek, die er eigenlijk uit voortvloeit, hem heeft achterhaald. De opmerking is gewettigd, dat in het dagelijksch leven een hoeveelheid zedelijk bederf, als hier met wat uiterlijke grappen overgoten wordt aangevoerd, op iets hevigers moet uitmonden. Maar het doek valt, voordat dit hevige kan beginnen. Dit stuk is te rekenen tot de eerste periode van Goethes ontwikkeling als dramaturg, nl. tot de periode van het gewrongen, of juister: van het voorkomen slot. Ziehier het geraamte van dit blijspel, waarin Goethe allerlei wantoestanden objectiveert, die hij als wijsneuzig knaapje heeft aanschouwd: – De vierentwintigjarige herbergiersdochter Sophie (het wachten moede) heeft een slampamper gehuwd, met name Söller, die zich ook in den echtelijken staat maar niet betert. Door een speelgenoot om geld gemaand, wil hij een logé, Alcest, dien hij op een feestje gelooft, bestelen. Doch op het oogenblik dat hij diens kamer binnensluipt, heeft Sophie daar een rendez-vous met Alcest, haar vroegeren minnaar; die gaarne zou doen als berouwvolle minnaars meestal doen. Op het oogenblik dat Söller wil stelen, drijft de verschijning van den waard, zijn schoonvader, hem in het alcoof, waar hij gedwongen wordt een warm liefdesonderhoud tusschen Alcest en Sophie bij te wonen, dat duurt totdat Alcest al te vurig zich betoont. Den ochtend daarop beklaagt Alcest zich over den diefstal. Hij belooft den nieuwsgierigen waard dat deze den brief mag lezen, dien hij in den afgeloopen nacht vergeefs heeft gezocht, en de waard verraadt nu zijn dochter; hij meent nl. dat Sophie het geld heeft gestolen. Alcest, met deze wetenschap toegerust, hoopt dat Sophie hem nu meer ter wille zal zijn; maar zìj beschuldigt haar vader. Söller laat nu voorzichtig los dat hij de dief is, maar ook dat hij weet wat er tusschen den logé en zijn vrouw is voorgevallen, zoodat Alcest het wel uit zijn lijf zal laten hem aan te klagen. – Geen van vieren volkomen onschuldig zijnde, schenken deze "medeplichtigen" elkaar vergiffenis en "niemand wordt gehangen". De critiek heeft den twintigjarigen dramaturg tot op den huidigen dag kwalijk genomen dat de verhoudingen in De Medeplichtigen niet alleen hoogst onzedelijk, maar ook gewrongen zijn. Wij van onzen kant achten het gepast, zulk bezwaar tegen dit beginnerswerk van den man, die op ruim tachtigjarigen leeftijd nòg schreef, niet breed uit te meten; liever gaan wij na, of in de fouten van den jongeling misschien de kiem schuilt van eigenschappen die wij in den man prijzen. Wij hebben, dus doende, op bovengenoemde critici dit voor, dat wij trachten in Goethes drama's een ontwikkelingsgang op te sporen, volgens een methode die hij zelf met zooveel liefde op natuur- en beschavingsverschijnselen heeft toegepast. En de lezer zal, voordat hij deze bladzijden ten einde is, ontwaren, dat Goethe deze onderzoeksmethode vond langs den weg der zelfbeschouwing, zelfontdékking. Hiermede is gezegd dat wij aan zijnen geest geen vreemde bestanddeelen opdringen, wanneer wij trachten een ontwikkelingsgang op te sporen in zijn dramatischen arbeid. Nader bekeken, komt bedoeld bezwaar (de "gewrongenheid") hierop neer, dat de bewegingsmotieven, (die tot taak hebben: de voorvallen van de eene scène naar de andere te drijven) gemeten naar den maatstaf van het dagelijksch leven, te zwak zijn voor den arbeid dien ze hebben te verrichten en – met hulp van den dichter – ten slotte tòch verrichten. Een voorbeeld: Goethe wil den waard op Alcests kamer hebben, opdat hij vermoedens opvatt' tegen zijn daar aanwezige dochter. Hoe krijgt hij hem op die kamer? Hij laat hem 's nachts binnensluipen… goed, maar waarom doet die man dat?.. uit nieuwsgierigheid naar een brief. Tegenwerping: dat doet een overigens rustig man niet! – Deze tegenwerping zou vernietigend zijn, indien het in Goethes bedoeling lag, een brok leven (in werkelijkheid of in phantasie waargenomen) met de daarin aangetroffen tendenzen zoo getrouw mogelijk weer te geven. Doch verre van dien: hij zocht naar de belichaming van een gedachte die zijn ervaring hem ingaf, naar een dramatiesch opvoerbaar beeld van zijn levensblik. Dit beeld kon bij den twintigjarigen idealist zoo schril worden, wijl zijn werkelijkheid niet als werkelijkheid zonder meer was bedoeld, maar als belichaamde geest. Daarbij deed zich echter een moeilijkheid voor: door het vertrouwen, dat hij ouderen weet in te boezemen, is hij in de gelegenheid gekomen veel te zien van "het leven"; ja, maar zonder het eigenlijk te ondervinden. Hij ziet verder dan hij kan begrijpen. Hij heeft een algemeen oordeel over de ervaringen van anderen, zonder er heelemaal in te zijn en de détails er van te kennen, daar deze hem, werkeloozen toeschouwer, ontgaan. Dit spiegelt zich af in zijn werk. Als de groote lijnen maar goed loopen, laat het hem koud, op welke stoffelijke grondslagen die groote lijnen rusten. Wie zijn stuk wil begrijpen, gelijk hij zelf het begreep, die vatte het niet op als zwak, foutief realisme, maar als onontwikkelde "moraliteit" (min of meer in middeleeuwschen zin). Dus als een pleidooi voor verdraagzaamheid? Dit meenen sommige critici. Wie echter het stuk kent, zal toegeven dat verdraagzaamheid in dit verband beteekent: een afgestompt zedelijk oordeel. Iemand is verdraagzaam als hij zijn medemenschen hun zonden vergeeft, overwegend dat in een speciaal geval de verleiding overmatig sterk is geweest, of wijl hij in het algemeen overweegt hoe zwak de mensch staat tegenover verleiding; maar niet als hij, gelijk Söller, een belager diens schuld kwijt scheldt, vreezend dat anders van hem een boekje zal worden opengedaan; en vervolgens zijn onmacht tot wraak met opgeblazen profeten-zwier bemantelt. Tegenover een medeplichtige staat men zwak; – ziehier de moraal van het stuk. En hierop zij nadruk gelegd, om te verhinderen dat bij den lezer postvatte de meening, dat jonge Wolfgang zoo afgesjouwd was, dat hij de levenshouding van Söller en consorten kalmpjes opnam. Dit deed hij niet; integendeel, hij bespotte ze fijntjes. — Door zijn verkeer met de Breitkopfs kwam hij in kennis met den etser Stock, die een zolderverdieping van hun huis bewoonde. Natuurlijk ging hij bij dien man in de leer, en tot op den huidigen dag zijn enkele etsen van zijn hand bewaard gebleven, opgedragen "aan den heer Caspar Goethe, werkelijken Geheimraad, door zijn zeer gehoorzamen zoon". De zuivere techniek, waarvan bij het etsen zooveel afhangt, boeide hem, en dit is kenschetsend. Hij bracht menig rustig uurtje door in het zeer ordelijke doch in bekrompen omstandigheden levende gezin van Stock. Zijn neiging, zich in kleinigheden van anderer leven te verdiepen, verloochende zich hier niet. Hij vertelde den kinderen sprookjes, ging den catechiseermeester te lijf toen deze de meisjes uit het oude testament onstichtelijkheden voorlas, hielp de kleintjes bij hun werk; en de vrouw des huizes gaf hem daartoe verlof, onder voorwaarde dat ze zijn lange bruine lokken, die hij wel wat verwaarloosde, van tijd tot tijd mocht uitkammen. Maar zij nam mosjé Goethe kwalijk, dat hij haar man, als het te donker werd om dòòr het (vergroot)glas te kijken, wel eens dieper ìn het glaasje deed kijken dan een huisvader betaamt. De drie jaren, die hij te Leipzig zou doorbrengen, waren nog niet geheel ten einde, toen hij een nacht door een bloedspuwing werd overvallen. Hij had nauwelijks kracht genoeg om zijn kamerbuur te waarschuwen. Hoewel geneeskundige hulp spoedig werd verleend, verkeerde hij dagenlang in doodsgevaar. Weldadige verwondering beving hem, daar hij merkte dat zijn vrienden en leeraars, waarbij er niet een was of hij had hem door zijn nerveuze grillen getergd, hem met warme liefde beurt om beurt verpleegden. Zij konden, als Kaatje, veel van hem verdragen… Hij was toch "een goeie jongen!" Deze crisis moest komen. Zijn overgevoeligheid en zijn ongeregelde studie, zijn koudwaterkuren en zijn braspartijen en zijn zwaarmoedige zelfkwelling, waarbij nog kwamen de gevolgen van het ongeval dat hem op weg naar Leipzig had getroffen en een val van zijn paard, moesten hem vroeg of laat neerslaan. En terwijl hij nu langen tijd geduldig in bed lag, en de liefde van zijn vrienden de ziekenkamer vervulde; kwam zijn geest tot rust, bracht orde in de warrige ervaringen, die zijn gedichten niet hadden bemeesterd. Behrisch' opvolger, die den veelgesmaden Goethe geenszins meed, las hem veel voor uit den bijbel en trachtte hem een wetenschappelijk houdbaar bewijs voor de geopenbaardheid van het christelijk geloof te geven. III Ich sagte immer in meiner Jugend (#litres_trial_promo) zu mir, da so viel tausend Empfindungen das schwankende Ding bestürmten: was nur das Schicksal mit mir will, dass es mich durch alle die Schulen gehen lässt? — Den gebroken jongen wachtte nu de geduldige, niet-vragende zorgzaamheid van moeder en zuster, waaraan hij zooveel behoefte had: nu hij eenzaam was naar den geest. Het vertrouwelijk verkeer tusschen hem en Cornelia zette terstond in. Ze had hem veel te biechten: van haar ontbloeien tot vrouw, en van den haat dien zij ouden Goethe toedroeg, nu hij drie jaar lang zijn pedanterieën op haar alleen had losgelaten; terwijl zij, haar toestand scherpcritiesch doorziend, angstig overwoog dat wel nooit een flinke man zich zou verlieven in haar afstootend gelaat met den onvrouwelijk-vasten mond, den zwaren, sterk gebogen neus en het bolle kindervoorhoofd. De arme zachte moeder probeerde vergeefs echtgenoot en dochter tot elkaar te brengen. Ook Wolfgangs terugkomst maakte het thuis niet gezelliger: hij kon Cornelia niet altijd gelijk geven; en spoedig genoeg liet de oude wel merken, dat pijnlijk de groote verwachtingen, die zoontjes leerzaamheid in hem hadden gewekt, waren teleurgesteld. Hij bespeurde niet hoe veel de jonge zoeker in die drie jaren ten koste van zijn gezondheid had geleerd. Zijn bedekte verwijten deden Wolfgang wanhopig naar herstel verlangen, zweepten hem bij het minste vleugje van beterschap weer aan het werk. De geneesheeren, die het niet eens waren over zijn ziekte, hadden hem volstrekte rust bevolen; doch de vader oordeelde dat hij zijn rechtsstudie moest bijhouden. En als zijn hoofd daar niet naar stond, verdreef hij op zijn zolderkamer den tijd met lezen, teekenen en etsen; hij teekende personen uit zijn omgeving en stadsgezichten, die men hem opgaf. Hij was zonder phantasie; een beangstigend doffe werkeloosheid, door geen enkele zielsbeweging onderbroken. Met een onbegrepen ziekte, die hem vaak benauwende pijnen bracht, zat hij een jaar lang opgesloten. Bij de lichte, breede straten van Leipzig vergeleek hij de schemerige straten die hij vanuit zijn venster kon zien; de meisjes die voorbijkuierden leken hem log en stijf: in zijn herinnering leefde een kleiner, vlugger, ranker soort. Als hij zich overgaf aan den indruk van het oogenblik, kon hij gelooven tot zijn jongenstijd te zijn weergekeerd; met de verdrietende bijgedachte dat hij zijn wilden scheppingsdrang nu kwijt was. Hij dorst niet plannen maken; stervensnood leek nabij… En wàs nabij. Een crisis: – twee dagen lang lag hij in doodsgevaar op zijn bed, half verstikt, met verwrongen gelaat. Cornelia kon het niet aanzien en vluchtte. De moeder kon het ook niet aanzien en zonderde zich af met haren bijbel. Toen hij weer òp zat docht zijn kwijnen hem schooner dan de duistere diepten die hij had doorduizeld, zooveel schooner, dat hij, zelf ziek, langen tijd in staat was de morrende, treurende menschen om hem heen met zijn opgewektheid te troosten. Doch nauwelijks hadden eenige vrienden van den huize zijn herstel met een feestmaal gevierd, of hij stortte weer in. En dwars door het op- en afgaan van zijn lichaamskrachten slingerden de verleidelijkheden en de teleurstellingen van zijn weer opvlammende liefde voor Annette; wier beeld hij sterk idealiseerde nu hij niet alleen zoo verre was, maar ook zoo behoefte had aan weeke toegevendheid. Een poos lang wisselden de twee schijnbaar onschuldige brieven, als ware er niets tusschen hen voorgevallen. Hij perste luchtige grappen uit zijn doorploegd gemoed en hij stuurde haar geschenkjes: een beschilderden waaier en bewerkt leder voor muilen. Hij verzweeg hoe hij uit het feit dàt ze hem antwoordde opmaakte dat ze hem opnieuw hoop gaf, dat hij plannetjes ineenspon om naar Leipzig te reizen en haar, alles trotseerend, te huwen. Zij verzweeg dat ze – naïef genoeg – letterlijk geloofde zijn verzekering, dat hij zich nu had overwonnen. Ze begreep niet dat hij twijfelde tusschen de grootste vroolijkheid en de zwaarste smart, als hij trachtte die twee woordjes "lieve vriend", waarmee ze hem aansprak in haar brieven, te doorvroeden. Het bericht van haar verloving met Dr. Kanne – een man dien hij zelf in haar huis had gevoerd – schokte zijn zwak gestel, zoo dat hij zijn verdriet voor de huisgenooten niet langer kon verbergen. Annette, in haar wreede argeloosheid, verzocht hem een bruiloftslied voor haar te dichten. En de ironie, waarmee hij haar meldde dat hij nu niet in de rechte stemming was voor zulk een schoone taak, trof hem dieper dan ze haar kon treffen… En toch kreeg hij weer hoop, toen hij hoorde dat het huwelijk korten tijd was uitgesteld; hij bad haar, hem niet te schrijven, verwachtend dat ze het daarom juist zou doen. En zoo nauw volgde hij haar met zijn door 't kwijnen broos geworden ziel, dat hij bijna op tijd droomde dat ze werkelijk was getrouwd; hij schreef haar een zonderling lichten brief, zooals alleen kan uitgaan van een die sombere levenservaringen heeft verwerkt, tot een veel jongere, die hem onbewustelijk heeft gekweld. Hij had waarlijk reeds geboet dus voor de vinnige maar kleine plagerijen die hij haar goed bedoelend had aangedaan, toen in September 1769, kort na haar huwelijk, verschenen zijn getoonzette "Nieuwe Liederen", die essentiëele verbeeldingen van zijn eerste liefde, wier wereldwijze spotternij hem machteloos was gebleken; wijl zijn ziel in ontwikkeling bij zijn intellect ten achter stond. Hij kon nu in "de meisjes" geen vertrouwen meer hebben, en als hij uitgelaten vroolijk wel eens stoeide met Cornelia's vriendinnen, dan was dit een vroolijkheid des bloeds, die zijn ziel bijna niet beroerde. Intusschen had hij voortdurend maagkramp en de geneeslieden ontdekten nu wel dat het hem in de maag zat, maar ze wisten niet hoe het er uit te krijgen. Eens was de pijn zoo hevig, dat de moeder ten einde raad de hulp inriep van een doctor, die haar vriendin Klettenberg met een geheimzinnig wonderpoeder, welks samenstelling hem alleen bekend was, had genezen. Dit magische zout, slechts bij uitzondering gebruikt, werd nu aan Wolfgang toegediend, en ziet, hij genas. Zoodoende kwam hij geregeld overhuis bij dien doctor, een vroom beoefenaar van de alchemie, de wetenschap die hem de openbaring van goddelijke mysteriën scheen te beloven. Onder diens invloed groeide in hem het besluit, langs den weg der ervaring naar den innerlijken samenhang der dingen te zoeken. En zijn vader was zoo knorrig en zoo ongeduldig niet, of hij moest hem de noodige gelden verschaffen om zijn zolderkamer in te richten tot laboratorium; een werkplaats in middeleeuwschen trant, waar blaasoven en vuurtangen, kolven en retorten met lange dunne halzen zulk mystiek waas spreidden als hij later over vele scènes van zijn Faust zou weven. Gedurende de lange winteravonden las hij zijn moeder en haar vriendin voor uit de boeken van Welling en van den ultra-wijzen, vrijpostig-paradoxalen Theophrastus Paracelsus. Hun tamelijk onvatbare voorschriften nauwkeurig volgend, trachtte hij in zijn tooverhol de zoogenaamde "maagdelijke aarde", waaruit dan alle dingen zouden zijn saam te stellen, te fabriceeren; hopend dat hem zou lukken wat eeuwen lang aan de geduldigste zoekers was onthouden. Van de alchemie kwam hij weldra tot de wetenschappelijke scheikunde en ook tot de geneeskunde; vooral Boerhave's "Compendium" en diens wijdvermaarde "Aphorismes" trokken hem. Later, zich op rijpen leeftijd aan stelselmatig natuuronderzoek wijdend, zou hij bespeuren, dat hij in zijn zolderkamer veel feitenkennis en handigheid had opgedaan. Juffrouw Klettenberg was een zachtmoedig menschje, "een schoone ziel" zou hij haar later noemen, dat de groote wereld kende, niet schuwde, en met haar waarlijk godvruchtigen aanleg in de geloofsbelijdenis der Hernhutters rust had gevonden; kracht om afmattend lichamelijk lijden geduldig te doorstaan. En "het arme vosje" – zooals Goethe zich in dien tijd gaarne betitelde – haar geloof niet deelend, doch gemoedsrust als de hare voor zich begeerend, sprak met haar uit over zijn zoeken naar vrede. Dat komt doordat ge u niet geheel tot God hebt gekeerd! was dan altijd de kern van haar antwoord. Wolfgang moest haar gelijk geven mits hij in plaats van haar bijbelschen God dat vage, ondoorgrondelijke, alomvattende dacht, waarvan hij ten duidelijkste voelde dat 't hem door zijn leven stuwde. Maar dan, tot spot gestemd bij de overweging dat dit geweldige werd saamgevat in eene lettergreep, die ook kon worden gezegd door menschen die niet hadden geleden, sprak hij met trillende lippen glimlachend, dat hij God toch ook nog wel wat te vergeven had; waarna zij met een veelzeggend "gek van een jongen" afscheid nam. Op het oogenblik dat hij iets doorgrondde, zou het bewustzijn dat hij dieper voelde dan een ander hem onverdraaglijk hebben gemaakt, indien hij er niet altijd bij deed weten, dat hij "toch een goeie jongen" was. Als men tweemaal heeft gestaan voor "de groote zee-engte, waar alles door moet", dan keert men daar niet van terug zonder veel gezien te hebben, dat iemand van robuste, onschokbare gezondheid misschien pas op het eind van zijn leven bevroedt. Zoo had Wolfgang niet veel wetenschappelijke redeneering noodig om zich bestand te weten tegen de vrijgeesterij, het zoogenaamd-natuurwetenschappelijk atheïsme, dat juist in zijn dagen vooral in Frankrijk begon te tieren. Hij knutselde nu een eigen religie, een mystiek Christendom met een scheppingsverhaal vol grillige beelden, dat God niet buiten doch ìn de wereld, in ieder verschijnsel plaatste. Dit schreef hij neer en hij vond er rust in; nam met vroom gemoed aan het heilig avondmaal deel. Juffrouw Klettenberg kon echter niet verzwijgen dat ze hem den waren broeder niet geloofde. Want een persoonlijk God kende hij niet en hij hechtte waarde aan 's menschen ijdele kracht. Zijn langzamerhand tot orde gerakende geest ging zich nu tegenover de wereld stellen, trof daar een orde van zaken aan, waarop zijn eigen maat niet paste, en moest nu de wereld streng beoordeelen. Goethes meening over zijn tijdgenooten, op het oogenblik dat hij gereedstond te midden van hen plaats te kiezen, vinden wij in de drukke briefwisseling die hij gedurende de laatste periode van zijn ziekte met zijn Leipziger vrienden, vooral met Oeser, onderhield. Reeds in zijn eerste studentenjaren had hij het dichterlijk werk van de toenmalige grooten bij een steeds stijgenden zondvloed vergeleken. Hij wist naderhand zijn indruk van dien tijd niet beter te karakteriseeren dan met de mededeeling: Ik hoop dat ik mijn lezers nu totaal in de war heb gebracht. Er was iets nieuws op komst: de dichters die zich niet vermeiden in critiek of kunstlooze satyre, wilden terug naar het oeroude, en zongen barden-poëzie, waarin de ha's en de ho's het gebrek aan pathos moesten verhelen. De jonge Goethe, wiens eerste stappen ook eenigszins dien koers uit zouden gaan, kwam toch daartegen in verzet. En: Laat mij voelen wat ik nooit te voren gevoeld heb, doe mij denken wat ik nooit gedacht heb! eischte hij van den dichter; een eisch, waaraan hij zelf pas veel later zou voldoen. Kunst, zoo peinsde hij, is de schemering die waar en onwaar vereenigt. De waarheid is eenvoudig, niet in dien zin dat zij voor een ieder toegankelijk is, doch in dezen, dat de waarheid is een enkel gezichtspunt, van waaruit al het bestaande zich laat begrijpen. Dit zijn de machtspreuken die Goethes leiders-carrière in het geestelijk leven van zijn tijd teekenen. Wolfgang kreeg behoefte, het wetenswaardige dat hij van dag tot dag opschommelde in klein bestek met zich mee te dragen, de snel aanlichtende en dan weer verzinkende apercu's die bij het lezen zich in hem vormden, door enkele woorden vast te houden. En terwijl geestelijk en lichamelijk zijn herstel intrad, begon hij een aanteekenboek, onder den titel: Ephemeriden, was men treibt, heute dies und morgen das (#litres_trial_promo), 1770. Korte opmerkingen, boektitels, Latijnsche en Fransche opstelletjes, aanhalingen, gegevens over de historie van muziek en van beeldende kunsten. Met wreede eerlijkheid ging hij nu zijn papieren schiften. Allerlei gedichtjes die hem niet echt leken werden verbrand; alleen de Nieuwe Liederen, het copieboek van Behrisch, de twee tooneelwerkjes waarop hij nog steeds trotsch was, bleven gespaard. De vader maakte àl plannen voor Wolfgangs verderen studietijd en de verstandhouding werd steeds slechter. Toen zoonlief eens onvoorzichtig oordeelde over verbouwingen aan het Goethehuis, die zijn "Leipziger smaak" niet bevredigden, ontstond er een hatelijke twist, die de moeder niet kon bijleggen. Daar Wolfgang er nu bovendien op gesteld was, heel ver van Annette te wonen, liet hij zich, nog niet heelemaal genezen, gaarne door zijn vader naar Straatsburg loozen. Hij ging dus naar het buitenland: de Elzas hoorde toen bij Frankrijk; en de Franschen trachtten deze provincie te beschaven met een heir van ambtenaars, friseurs, dansmeesters, modistjes. Hier zou hij Duitscher worden. De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van Maart 1770 tot einde Augustus 1771 IV "Als wij in staat zijn een groot man te waardeeren, dan dragen wij een vonk van zijn grootheid in ons om."     Uit Goethes "GEDENKREDE"     op den Shakespeare-dag. — Ternauwernood hersteld van zijn ziekte, nog prikkelbaar, nog treurend om het verlies van Annette en wanhopend aan de gunst der Muzen – die hem lang aan zijn lot hadden overgelaten – zoo stapt hij af in zijn nieuwe woonplaats en vermoedt weinig dat juist nu zijn levensloop een definitieven keer gaat nemen. De stad en de menschen die hij ontmoet lijken hem middelmatig – als alles! Over heel zijn doen hangt een doffe stemming van onderworpenheid en herhaaldelijk zoekt hij troost in het dierbaar-godzalige dat Fräulein (#litres_trial_promo) Klettenberg hem heeft ingeprent. Hij is nu anders, heel anders geworden (dus verklaart een zijner in de tale Kanaäns gestelde brieven) en daarvoor dankt hij zijnen Heiland. De hemeldoctor heeft het vuur des Levens in zijn lichaam weer aangeblazen, moed en vreugd huizen er weder. De liefde is een onrijpe beweging des harten, een dwaas, die ons bij den neus rondleidt. Overdenkingen zijn eigenlijk heel licht in 't gewicht: één enkele beweging des harten in naam van hetgeen wij den Heere noemen, in afwachting van het tijdstip, dat wij het ònze Heere kunnen heeten, overstroomt ons daarentegen met ontelbare weldaden. Zijn lieve vriendin Klettenberg moet op zijn verjaardag voor hem bidden, opdat alles moge worden gelijk het worden moet… Toch blijft hij de kunst-minnende vriend Wolf, want, bestoft van de reis, gunt hij zich rust noch verfrissching, en gaat naar de gothische cathedraal, de Münster, kijken; die hij als grootsch bouwwerk heeft hooren roemen en als smaakloos wangedrocht heeft hooren bespotten. Gedurende de eerste weken van zijn verblijf te Straatsburg doet hij moeite om te verkeeren met de geesteloos-vrome en bejaarde lieden, in wier zorg Fräulein Klettenberg hem heeft aanbevolen; doch zij vervelen hem naarmate zijn gezondheid terugkeert. Aantrekkelijker gezelschap heeft hij intusschen reeds gevonden aan zijn middagtafel, waar een twaalftal kranige, opgewekte mannen, meest medici, elkander dagelijks ontmoeten. Als Wolfgang voor het eerst in de eetzaal treedt, leggen de aanzittenden mes en vork neer, blijven hem een moment aanstaren: Dit moet een buitengewoon man zijn! denken ze. Hoewel van niet meer dan middelmatige lengte, imponeert zijn slanke, trotsch opgerichte gestalte; zijn groote, donkerbruine kijkers fonkelen onder weekvloeiende wenkbrauwbogen; zijn krachtig gelijnde neus geeft met zijn besliste kin flinkheid aan het nog bleeke, beweeglijke gelaat, welks trekken een voortdurend bezig-zijn met edele gedachten uitdrukken. Zonder dit te zoeken is hij van beginne af leider der conversatie. Hij raakt bevriend met dr. Salzmann, den nestor van het groepje; een deftig, rustig heertje van ongeveer vijftig, een verstandig rechtsgeleerde, die als secretaris van den Voogdijraad veel levenservaring en onuitputtelijke welwillendheid had opgedaan. Hij ontvangt Wolfgang in zijn studeervertrek en geeft hem, bij zijn sierlijken haard gezeten, menigen nuttigen wenk. De juridische faculteit van Straatsburg had toen geen wijd-en-zijd beroemde professoren; men kreeg er geen diepzinnige, theoretische opleiding, doch deed er de rechtskennis op, die men voor de practijk strikt noodig had. Salzmann nu zegt den jongen Goethe hoe hij – daar de kennis die hij te Leipzig heeft opgedaan nogal meevalt – zich met hulp van een repetitor en een paar geleende dictaten in korten tijd kan klaar maken voor zijn eerste examen. Hij introduceert hem in zijn "Vereeniging voor schoone wetenschappen" en de muzenzoon neemt er levendig deel aan de wekelijksche discussies over zooeven verschenen Fransche en Duitsche boeken. Hij stelt hem voor aan vele deftige families, waar Wolfgang spoedig zeer gezien is; vooral daar zijn oudere vriend hem heeft weten te overtuigen, dat men in de wereld kalme, wel-overdachte manieren dient te toonen. Wolfgang, wiens lokken door den Frankforter kapper verknipt zijn, draagt – hoewel 't hem moeite kost – een valschen toer en poedert zijn haar totdat het voldoende is bijgegroeid om naar de nieuwste mode te worden gefatsoeneerd. Hij hanteert 't rapier, stijgt dagelijks te paard, leert cello spelen. En voortaan verschijnt hij in gezelschap met den driekant-hoed onder den arm, in wijde betreste jas, in kniebroek, zijden kousen, lage schoenen – hoewel hij liefst slappe, hooge laarzen draagt. Bij groote gulven keert zijn levenskracht weer. Hij neemt krachtige beweging in de open lucht, bezoekt de landelijk-schoone omgeving van Straatsburg. Daar is veel dansgelegenheid. Als de mooie Elsasser vrouwen, die nog mooier lijken in hun nationale dracht: – kleurig keurs, lange vlechten, korte rokjes – als de Elsasser vrouwen vroolijk zijn, dan moeten ze dansen. Wolfgang echter heeft van zijn vader alleen de statige dansen geleerd en nu gaat hij haastig les nemen bij den vermaarden Sauveur, droog, vlug Franschmannetje van den ouden stempel. Als diens beide dochters zich gelijktijdig in hem verlieven, als de donkere Lucinda, na hem hartstochtelijk gezoend te hebben, een wreeden vloek roept over de vrouw die na haar zijn lippen zal beroeren, dàn leert Wolfgang zijn aantrekkingskracht kennen, en hoedt zich langen tijd een meisje te kussen, – wat hij overigens gaarne doet. Vaak wil men hem, bij het pandverbeuren, er toe dwingen; en manmoedig doet hij zijn uiterste best om 't kussen te ontgaan en toch niet saai te schijnen. Thans getuigen zijn Ephemeriden ook weer van zijn weetdorst; hij tracht de overleveringen der alchimisten aan de moderne scheikunde te toetsen, begint belang te stellen in kleurenleer en electriciteit. Salzmann heeft hem aan de studie van de, vroeger verachte, wijsbegeerte gezet. Hij verdiept zich in Thomas à Kempis' middeleeuwsche mystiek, in Voltaire's spotternijen, in Rousseau's zedencitiek. Den oud-Italiaanschen vrijdenker Giordano Bruno kent hij slechts fragmentariesch uit Bayles Dictionnaire, doch hij meent diens natuurlievend pantheïsme diep genoeg te doorgronden om Bayle oppervlakkige uiteenzetting er van te verwijten. Het weinige dat hij van Spinoza weet is tamelijk vreemd aan de volgende, in 't Latijn gestelde aanteekening: "God afgescheiden van de Natuur te bespreken is moeilijk en gevaarlijk; het is alsof wij ons ziel en lichaam afzonderlijk dachten. Wij kennen de ziel slechts door bemiddeling van het lichaam en God bespeuren wij slechts vanuit de natuur; vandaar dat het mij ongerijmd schijnt, van ongerijmdheid te beschuldigen degenen die philosophisch God en de natuur vereenigd begrijpen." — Op een tocht door den Elzas bezoekt hij ijzer- en aluinmijnen, glas- en metaalfabrieken en wordt hij geboeid door Romeinsche overblijfselen; "een wonderlijke antieke stemming" overvalt hem; hij zal die later uitwerken in zijn gedicht Der Wanderer, dat rustige gesprek tusschen "den voetreiziger", en de jonge moeder, die te midden van de ruïnes met man en borstkind huist. Zijn belangstelling in mijnwezen en nijverheid heeft zich ontwikkeld uit de belangstelling die hij als kind voelde voor den ambachtsman, diens procédés en maatschappelijke positie; zij zal hem op zijn lateren loopbaan ten nutte komen. Nù lijkt zijn leven een sledevaart, schitterend en klingelend, zoo weinig biedend aan het hart als het oogen en ooren veel is. De afwisseling doet vriend Wolf zoo waar besluiten, zijn vakstudie interessant te vinden. Hij legt weldra candidaats-examen af, behoeft nu geen colleges meer te volgen, en gelooft dat hij naarstig aan zijn proefschrift zal gaan werken; – wat geen gemakkelijke taak is, daar de veeleischende vader hem steeds als censor voor oogen staat. Maar het blokken is al weer ten einde. Want de tijd begint te komen, dat hij in het zoeken en het streven van zijn tijd een rol zal spelen. Kon hij te Leipzig de literaire meeningen van het gevestigde en het opgroeiende geslacht slechts een zondvloed, een waterstroom, een hopelooze warboel heeten, nu – met zichzelf tot klaarheid gerakend – gaat hij inzien dat zijn tijdgenooten drijven naar het doel dat hij zich heeft gesteld in stilte: Eeuwen lang hadden de Duitsche dichters gewerkt naar Fransche voorbeelden en zich gevoegd naar een stel wetten en regelen die noch uit hun gemoed, noch uit den aard des volks ontsproten. Maar daar was Lessing opgestaan en had met zijn kalm snijdende critiek de onnatuur van het Fransche drama blootgelegd; zijn Minna von Barnhelm was het eerste typiesch-Duitsche tooneelspel. Klopstock voltooide geleidelijk zijn Messias en toonde daarmede, hoe ver de zuivere phantasie van een vroom gemoed reikt. Daar was de eigenaardige Hamann "de magiër van het noorden" (als verre voorlooper van den zaaienden Multatuli uit de "Ideeën" te karakteriseeren) die zijn bezwaren tegen den geest des tijds niet als voltooid systeem tot uiting bracht, doch als "brokjes, kruimpjes, grillen", als vele pittige zaden, die op goedvoorbereiden bodem welig moesten tieren. De poëzie – dus beweerde hij in allerlei toonaard – is de moedertaal der menschheid geweest; zij zoekt haar kracht niet in het zorgvuldig volgen van een voorbeeld, maar wortelt in den dichter aangeboren neigingen: "het oorspronkelijk genie". En heel uit de hoogte sprak de geleerde Kant het woord dat het wetenschappelijk denken bevrijdde uit den dwang eener pedante, formalistische logica. Hij maakte het levende denken weer tot maatstaf van de waarheid; hij leerde dat de aangeboren grondbegrippen van het Ik de natuur eigenlijk maken tot wat zij ons toeschijnt te zijn; hij rukte het gebiedende "Du sollst" – Gij moet! – naar voren, het onontkoombare plichtsgevoel; en hij vestigde aldus – naar men meende – hetgeen de jongeren "de rechten van het Ik" noemden, tegenover de bemoeizucht van overgeleverde kunst- en zedewetten. Nu groeit echter jong Duitschland op in een maatschappij welke bureaucratische sleur boven persoonlijk initiatief stelt. In zulk een maatschappij kan de mensch wel zijn broodwinning zoeken, als het moet, maar geenszins de bevrediging van zijn hoogere ideëele behoeften. Men richt daarom zijn energie niet hoofdzakelijk op het practische leven, doch op een kunststreven dat deze behoeften moet bevredigen en het gemis aan actie moet vergoeden. Zooals het meer gaat, wanneer het lang achtereen vrede is geweest en geen gemeenschappelijk gevaar de noodzakelijkheid van den staatsdwang doet voelen: een bijna ziekelijk verlangen naar "de vrijheid", d. i. de individueele vrijheid, maakt zich meester van de daadlooze jongelingschap. Alle maatschappelijke instellingen – van de huwelijkswetten tot de spellingsregelen – worden scherpzinnig overdacht en eigenmachtig verkracht. Doch – in weerwil van al zijn idealen geldt het individu slechts een onbeteekenend, onopgemerkt deeltje van een muffe samenleving! Welaan, het trachtte zich voor deze vernedering schadeloos te stellen met het verregaande meegevoel van gelijkgestemde zielen, die zich in deugd- en boetebonden vereenigen. De vriendschap, de "echt van twee geesten", verklaart men heilig. En dan: staat men niet door zijn "oorspronkelijk genie" in verbinding met de grootsche natuur, die een openbaring is van het Goddelijke? Terug dus naar de Natuur, klinkt de strijdkreet; en: Dichtung ist Action (#litres_trial_promo)! Waar nuchtere systeem-wetenschap te kort schiet, daar ontsluit het oorspronkelijk genie het rijk van het geweldige, het ongrijpbare, het half-duistere, het sombere, het maanlicht-sentimenteele, "dat geen verstand bereiken kan". De kunstenaar moet dit echt-Duitsche Ahnungsvolle (#litres_trial_promo) absoluut onbevangen weergeven; en dus doende voert hij oppositie tegen de maatschappij en de philisters. Men weet wel dat de kunstregels hun nut hebben, en dat hij die ze eerbiedigt nooit iets onverdragelijks, onbeholpens zal voortbrengen; doch men vreest dat ze het natuurgevoel zullen verstikken, en daarom: Weg met de regels! De stem des dichters klinke niet als een nuchter gesprek en ook niet als het hinkelend ratelen van een gezwollen Franschman, die een Grieksch tragedist poogt na te bootsen. Neen, hij die het Geweldige wil zeggen, hij zoeke zijn glorie in een "geestdriftig stamelen"… Terug naar de natuur! Nu eens wordt het in aanbidding gefluisterd door een teeder jongeling; dan weer wordt het bachantiesch uitgebruld bij heete drinkgelagen. Maar: "Niets kan rijpen zonder gisting" pleit Klinger, de auteur van het onbeteekenende drama dat den veelzeggenden titel "Wirwarr" draagt, welke titel later veranderd werd in "Sturm und Drang" (#litres_trial_promo), een naam die jong Duitschland zich gaarne toeëigent. De 26-jarige Herder – in wien de systeemhaat van zijn leermeester Hamann en diens liefde voor het profetische, donkere, diepe een harmoniesch geheel vormen met een critischen zin als die van Lessing, en de zwierigheid van een Klopstock – is de voorganger van de revolutionaire beweging. Nauwelijks worden zijn eerste boeken bekend, of een goedgeleide laster-campagne noopt hem zijn eigen werk te verloochenen; hij neemt zich voor, niets meer te schrijven of het moet den gedachtenschat van de menschheid verrijken. Na een tijdlang in het ondermijnde Frankrijk te hebben gezworven, richt hij zich naar Straatsburg om er een oogoperatie te ondergaan. Hij komt er juist op een tijdstip dat de jonge Goethe kan profiteeren van zijn rijper inzicht; om hem voorbij te streven en ongewild hem te verdringen uit het leiderschap. Dit is in Goethes carrière een van die wonderlijke toevalligheden, die hem doen spreken van zijn verbond met God. Hij hoort fluisteren dat Herder in Straatsburg is en als hij een vreemd geestelijke met een mantel, waarvan de beide punten in zijn broekzakken steken, de trap naar de herberg "Zum Geisten" ziet opgaan, denkt hij: Dit moet Herder zijn! en begint een gesprek. Hij maakt door zijn beleefde openhartigheid op den aanvoerder van jong Duitschland een prettigen indruk en hij zal behooren tot de weinigen, die hem gedurende zijn ziekte dagelijks gezelschap houden. Wolfgang heeft zooveel medische kennis opgedaan, dat hij de operatie kan bijwonen en als verpleger goede diensten bewijst. De lijder staat op het punt te trouwen: hij is week gestemd en vol verwachting, hij toont zich van de goedmoedige zijde en luistert geduldig naar de voorlezing van "Die Mitschuldigen", op welk blijspel vriend Wolf nog steeds trotsch is. Hij neemt als gast deel aan de discussies in Salzmanns literaire club. Zijn besliste, wel-overdachte uitingen grijpen den ontvankelijken Goethe zoo aan, dat hij onwillekeurig Herders handschrift nabootst. Intusschen, niet alleen Herder houdt hem van zijn vakstudie. Hij is pas 22 jaar geworden als een tafelgenoot, de medicus Weyland, hem binnenleidt bij de familie Brion te Sesenheim, – een dorpje dat hij al in de verte, door blauwigen ether overstroomd, had zien liggen, toen hij vanaf den Munstertoren zijn blik liet gaan over de bloeiende Elsasser laagvlakte. Dominee Brion – stijl in de leer, maar overigens goedhartig en gastvrij genoeg – ontvangt den ietwat schunnigen theologischen student (als zoodanig heeft Wolf zich vermomd) onder het bemoste dak van zijn schilderachtig-vervallen boerenhuizing. En terwijl dominee en Weyland over familieaangelegenheden babbelen, houdt de schalk zich bezig met de dochters, die ongeduldig zeggen te wachten op haar zuster Rieck. Ze is een apartje, denkt Wolfgang, en de lieveling van de familie… Daar verschijnt dan eindelijk de 19-jarige Friederike – in een waas van verkwikkenden blauwigen ether. Ze is gekleed als landmeisje in nationaal costuum: wit, voetvrij rokje, rood gezoomd, met kleurig, laag uitgesneden rijgkeurs en een schortje van glanzig zwarte stof. Haar breedgerande tuinhoed hangt aan een lint over haar arm. Ze heeft zonnig-blauwe oogen met een zweempje weemoed; en een levenslustig stompneusje. Het smalle gezichtje en het poesle blanke halsje lijken bijna te zwak om de zware, donkerblonde vlechten te torsen. Ze kijkt of er geen verdriet op de Wereld kan bestaan. En ze is zoo slank en zoo licht dat ze Wolfgang pas echt dunkt, als ze, zwevend, onvermoeibaar huppelt over 't grasveld. Hij kan niet gelooven dat ze een zwakke borst heeft en dat hij haar moet sparen; hij gelooft dit nog minder als zij met krachtige stem haar Zwitsersche liederen over de beemden joedelt. Eensklaps bemerkt hij dat zijn gemoed van de jarenlange ziekte hersteld is en weer tot vertrouwende overgave bekwaam. En in zijn neiging: kunst en leven dooreen te doen vloeien, vergelijkt hij weldra Brions gezin met het gezin van den landgeestelijke in den roman van Goldsmith, dien Herder hem doet kennen; en niet hìj rekent zich tot degenen die "in deze eeuw van overvloed en verfijning belust zijn op "High-life" en verachtelijk den rug toekeeren aan dezen landelijken haard." Een wandeling in den maneschijn besluit den dag. Haar stemmetje verandert de donkerte der bosschages in klaar licht. Onder een priëel (dat aan Goldsmiths jasmijn-priëel herinnert) vertelt hij haar zijn sprookje van De Nieuwe Melusine, en nu begint zijn vermomming hem te verdrieten, ofschoon deze hem niet belet, de heele familie voor zich in te nemen. Bij het slapengaan verneemt hij van zijn makker dat Friederike nog niet verloofd is. En – in Straatsburg terug – voelt hij zich gedrongen, zijn "lieve, lieve vriendin" te schrijven (maar hij weet niet wàt) al ware 't slechts om de zoete pijn van de scheiding levendig te houden, daar het harde rumoer van de drokke stad dreigt ze hem te ontnemen. Tegen Kerstmis bezoekt hij de Brions weer en kondigt zich aan met verzen, waaruit blijkt, hoe innig hij den naïeven natuurtoon heeft beluisterd, die aan zijn bewondering voor Friederike verwant is: "Ich komme bald (#litres_trial_promo), ihr goldnen Kinder, Vergebens sperret uns der Winter In unsre warmen Stuben ein. Wir wollen uns zum Feuer setzen Und tausendfaltig uns ergötzen, Uns lieben wie die Engelein. Wir wollen kleine Kränzchen winden, Wir wollen kleine Sträuschen binden Und wie die kleinen Kinder sein. -" Het gebeurt, dat aan de middagtafel een nieuwe gast om zijn oud-modischen ronden paruik bespot wordt, en dat Wolfgang in een vaardig beheerschte opwelling van ergernis den grappenmaker het zwijgen oplegt. De nieuweling wordt zijn vriend. Het is de 30-jarige Jung, genaamd Stilling, die in de medicijnen komt studeeren nadat hij kolenbrander, kleermaker, schoolmeester en oogarts (volgens een hem schriftelijk overgeleverde methode) is geweest. Wolfgang tracht zijn diepgewortelde vroomheid te doorvorschen en zijn kinderlijk vertrouwen, dat hem bij elken tegenspoed doet zeggen: God zal zorgen! Hij kan het niet van zich verkrijgen, zijn vrienden ooit alleen een nieuw veld van kennis of gewaarwording te laten betreden, en zoo neemt hij dan nu het ontleedmes ter hand, volgt Jung naar de klinieken en naar de voorlezingen over verloskunde, hoewel deze liefhebberij hem een flink deel van zijn zakgeld kost. Nu blijkt, dat de operaties die Herder achtereenvolgens heeft ondergaan jammerlijk mislukt zijn. De zieke ontlast al zijn wrevel op Goethe. Maar deze verdraagt dit zonder morren; hij wijkt niet van de ziekekamer, waar hij onder Herders leiding meer en meer bevrediging gaat vinden in het streven van de Sturm- und Drangbeweging. Hij leert hoe in den loop van de Wereldgeschiedenis de echt natuurlijke poëzie der volkeren door klimaat, omgeving, regeeringsvorm wordt beïnvloed; leert den bijbel, de boeken Mozes', de psalmen waardeeren als poëzie van oorspronkelijke genieën. Poëzie blijkt hem het product van een nationalen geest, niet het privilege van een paar bevoorrechte enkelingen. Hij maakt kennis met den zacht schreienden weemoed van Ossians Schotsche zangen, met de sterke, omnevelde helden van de Noordsche mythologie, met Swifts brandenden spot, Homeros' onverstoorbaren lach… Nu eerst leert hij dezen Griekschen volksdichter goed lezen en hij gaat diens helden in zijn gewone spreektaal te pas brengen. – Herder vertrouwt hem toe dat hij meedingt in een prijsvraag naar den oorsprong van het Woord. God, aldus zijn opinie, was niet de spreekmeester van het paradijs, maar hij heeft den mensen een aanleg geschonken, die tot het ontstaan van de Taal mòest leiden. – Een uitroep van bewondering voor het talent en de kunde waarmede dit thema is uitgewerkt, haalt hem een berisping van den auteur op den hals. Zwijgt hij eerbiedig, terwijl Herder hem rustig en gevoelvol een vertaling van Goldsmiths "Vicar (#litres_trial_promo) of Wakefield" voordraagt, dan wordt hem toegevoegd dat hij het natuurlijk niet heeft gesnapt. Hij mort niet. En het volgend oogenblik omarmt Herder hem voor 't beeld van Shakespeare, "dien grootsten dichter der Noordelijke menschheid". Hij heeft nu eenige stukken van Shakespeare ernstig gelezen en hij durft niet voort, want hij vreest dat de geestdrift hem te machtig zal worden. Want dit is geen menschenwerk! Wolfgang gelooft dat de reusachtige boeken van het Noodlot zich voor hem openen. Het wezenlijke in dezen geweldigen, aan geen enkele kunstwet zich bindenden dramabouwer, datgene wat er van hem overeind blijft nà de vertaling, stelt hij tegenover de onnatuurlijke Fransche tragedieën: "Fransoosje, wat wou jij in die Grieksche wapenrusting uitvoeren? ze is je toch immers veel te groot en veels te zwaar!" Reeds vroeger heeft Wolfgang Shakespeare zijn meester genoemd (in een brief aan Oeser), maar nu pas dringt hij in hem door. Een nieuwe wereld – zoo zal hij het weldra in een Gedenkrede zeggen – gaat voor hem open, en blijft voortbestaan naast de wereld die woelt om hem henen. Door Shakespeares voorbeeld voelt hij zijn scheppingskracht van alle opgelegde mooidoenerij bevrijd en nu pas durft hij "springen". Natuur, natuur! niets zoo natuurlijk als Williams menschen! – wil hij verkondigen. Maar hij ziet op 't zelfde oogenblik dat die menschen niet natuurlijk zijn. Want ze handelen als waren ze horologies met kast en cijferplaat van crystal; die wijzen, gelijk het hun betaamt, den loop der uren aan, doch men kan tegelijkertijd de raderen en de veeren onderscheiden, waardoor ze worden gedreven. Zóó ontwaart men de motieven die Shakespeares menschen regeeren. Met dat heldere inzicht in de mysteriën van ziel en karakter, dat goed en kwaad als tegenoverliggende polen begrijpt; met zwaar pathos of met woesten humor of met padvindend vernuft toont de Engelsche profeet hem: hoe de eigenaardigheden van ons Ik zich te pletter botsen tegen het groote, ondoorgrondelijke Geheel. En in dat Straatsburg, waar de primitieve Duitsche volksaard door de binnendringende Fransche beschaving wordt gekruisd, leert Wolfgang beseffen dat zijn innerlijke strijd verknocht is aan den nationalen strijd: dat hij, zoo goed als heel de Duitsche literatuur, zich volstrektelijk los moet maken van het Fransche voorbeeld. Hij gaat de eens zoo gezochte Franschen minachten; hij heeft gemerkt dat zij, in conversatie met een vreemdeling, zich bepalen tot een angstvallig-beleefd corrigeeren van diens taalfoutjes; hun holle overmoed mishaagt hem; en Herder, die te Nantes en te Parijs heeft gewoond en daar enkele Fransche grooten heeft gekend, sterkt hem in zijn overtuiging. Zijn groote grief is, dat de Fransche geest bejaard is en aftakelt, en toch de mannen die vernieuwing kunnen brengen weert. Is het wonder dat een staat die een dapperen denker als Rousseau doodarm door de straten van zijn hoofdstad laat zwerven – en Rousseau is de eenige niet – aan verval en velerlei misbruik ten gronde gaat? Het jongste werk van Franschen geest, de vermaarde "Encyclopedie", lijkt Goethe een groote fabriek, vol rammelende weefspoelen. En het dunkt hem teekenend voor het Fransche onverstand, dat men het "Système de la nature", (#litres_trial_promo) dien bijbel der materialisten, in allen ernst gevaarlijk acht. Daar het werk klaarblijkelijk op afstootelijke onderstellingen en allerminst op feiten berust, oordeelt hij het hoogst onschuldig. Baron Holbach, de schrijver, kondigt zich aan als afgeleefd grijsaard, die op den rand des grafs der afgeleefde menschheid de waarheid wil openbaren. Wel zeker, spot Wolfgang, die dit niet als een aanbeveling kan opvatten: Oude kerken hebben troebele ruiten. Wat weet die ouweman van de natuur? Hoe beziën en kersen smaken vrage men liever aan spreeuwen en aan kinderen. Boven de wuftheid, de overspanning, de verfijning der Franschen gaat Wolfgang hier in Straatsburg de waarheid, en de kracht, en den eenvoud van den Duitschen volksaard hoog schatten; en hij getuigt luidruchtig van zijn bevindingen. Om hem groepeeren zich de "biedere (#litres_trial_promo)" jonge Germanen die zich in het openbaar zoo ruw, d. i. zoo ònfransch mogelijk gedragen, op straat en aan tafel, als gold het een betooging; zeer hoorbaar Duitsch spreken, en elkander geenszins onderschatten. Hij zelf verdient door zijn buitensporige ongeliktheid eernamen als "de Beer", "de Wolf", "de Westindiër". Hij heeft nu een onvergelijkelijk sprekend voorbeeld van Duitsche kunst ontdekt in de gothische cathedraal, die hij van begin af had bewonderd, zonder zich van het waarom rekenschap te geven. Gothische kunst zal voortaan Duitsche kunst heeten, en wordt ze thans nog onregelmatig genoemd en vormloos, hij zal betoogen dat de gothische bouwselen, bevallig maar toch sterk, zwaar maar toch rijzig, en dat speciaal Erwin von Steinbachs woud-schemerachtige Munster, dat natuurwerk, dat schoone kristal met zijn ver-doorgevoerde overeenstemming tusschen hoofdlijn en détail, getrouw afspiegelen het Duitsche karakter. En menigmaal bestijgt hij met zijn bent den toren, houdt toespraken op het platvorm, waarna de Sturmers en de Drängers met gevulde roemers de rood-ondergaande zonne groeten. Eens zijn de vrienden voor het gebouw vergaderd en een van hen maakt de opmerking: Jammer toch, dat er maar éen toren van voltooid is. – Wolfgang, met zijn gewone levendigheid, beweert dat die toren niet is voltooid: er behooren nog vier slanke pinakels (#litres_trial_promo) bij, op iederen hoek éen. – Hoe weet u dat? vraagt hem een omstander. – Ik heb, antwoordt Goethe, de Münster zoo lang en met zooveel liefde bekeken, dat ze mij dit geheim heeft toevertrouwd! – De vreemde begeleidt hem naar 't archief en laat zien dat de oorspronkelijke teekening hem in 't gelijk stelt. Dankbaar trekt Wolf die teekening over op een blad oliepapier. Nu hij, Herders leiding snel ontgroeid, een persoon en een aanvoerder wordt, kan een botsing tusschen zijn karakter en dat van zijn leermeester niet uitblijven. Herder is door en door theoreticus en datgene in de menschen dat aan zijn algemeene begrippen niet beantwoordt, hun eigen individualiteit, bespot hij met ruw en onvermoeid sarcasme. Wolfgang houdt al zijn zwakheden: zijn alchimistische studiën, zijn zoeken naar mystiek, zijn dichtproeven waaruit verliefdheid blijkt, zorgvuldig voor hem geheim. Doch Herder voelt in hem den toekomstigen leider, en terwijl hij in brieven aan zijn verloofde met gekunstelde onderschatting van "den jongeman" spreekt, vervolgt hij hem met critiek, en bedilt zelfs zijn naam, waarvan hij zich afvraagt of die op verwantschap met Goden, Gothen of Kothe (d. i. modder) duidt. Dit pijnigt Wolfgang, die meent dat een naam maar geen manteltje is, dat men afwerpt als het hindert. Maar hij weet zich te bedwingen. Hij is bezig volkomen zelfbeheersching te leeren: Om zijne nerveuze vatbaarheid voor geluid te overwinnen, gaat hij 's avonds bij de taptoe naast de rommelende trommen loopen, hoewel aanvankelijk zijn ingewanden meetrillen. Wetend dat het uitzicht van een hoogte af hem doet duizelen, klautert hij herhaaldelijk tot in het nokje van den Munstertoren, en blijft daar een kwartier lang op een vlak van nog geen el in 't vierkant staan. Zijn medische liefhebberij went hem aan lijken en aan afzichtelijke zieken. 's Nachts op het kerkhof tracht hij zijn geheimzinnig beven te bedwingen, en hij slaagt daarin zoo goed, dat hij dit angstgevoel later, zelfs met groote moeite, niet geheel terugvindt. En ook de uitvallen van grimmigen Herder wil hij verdragen. Hij vermijdt gesprekken over onderwerpen die den zieke ergeren, hij weet altijd een terrein van gemeenschappelijke sympathie te vinden. Voortaan kan hij ook bevriend zijn met iemand die totaal anders denkt als hij. En zoo blijkt zijn samenzijn met den rijperen Herder niet toeval alleen: door een machtige zelftucht heeft hij zich diens leeringen waardig gemaakt, toen hij voelde dat hij er behoefte aan had. En nadat hij Herder met geleend geld – waarvoor hij later met een hekeldicht zal worden bedankt – heeft voortgeholpen, bespeurt hij hoeveel hij heeft gewonnen. Er zijn zooveel plannen in hem ontstaan, dat hij niet weet, welk plan het eerst aan te pakken. Hij leest de auto-biographie die de laatste ridder, Götz von Berlichingen, tot zijn verdediging heeft opgesteld: en hij wil de nagedachtenis van dezen braven, ruwen, waarheidlievenden zelfhelper uit den middeleeuwschen vrijbuiterstijd, de nagedachtenis van dien echten Duitscher redden, door hem in dramatischen vorm te doen herleven. – Zijn geestverwantschap met den zoekenden Faust uit het oude poppenspel, die evenals hij in menigerlei weten den samenhang der dingen tracht te bevroeden, en daarna zich in het Leven werpt, gaat zich openbaren. Hij vergast zich in stilte aan de dus ontstane scheppingsmogelijkheid, zonder iets neer te schrijven van wat binnen hem tot hevig leven is ontbloeid. – Hij stelt belang in Elsasser antiquiteiten, wier kennis hem den volksaard gemakkelijker laat naderen. Hij luistert ouwe moederkens op het land haar naïeve taal en haar eenvoudige liedjes af, en zijn eigen lied wint daardoor aan natuurlijkheid en volheid van klank. Wilkommen (#litres_trial_promo) und Abschied Mailied, Kleine Blumen en bovenal Heideroslein en Ein zärtlich jugendlicher Kummer heeft hij in dit opzicht nadien maar zelden overtroffen. – En dan verdiept hij zich al meer in Shakespeares kleurige weireld. Hij doorziet hoe aan elkeen, al naar zijn aard, een levenslot is toebedeeld, en wordt nu den lust gewaar: met zijn eigen lot te strijden in de wisselende kansen van het werkelijke Leven. Herder wil Catherina II gaan dienen en, gebruik makend van haar macht, haar land en daarna heel Europa hervormen. Goethe, nog niet wetend hoe, hoopt eens met breede daden het lot van een volk te leiden, en weldra gaat hij de hervormingsplannen van Möser, Wielands Gouden spiegel, Machiavelli's Vorstenboek bestudeeren, teneinde gereed te zijn, indien ooit de begeerde taak hem wordt aangewezen. In het Leven, niet in collegezaal of in laboratorium, hoopt hij nu God te vinden. Want het groote Leven is, wel doorgrond, een openbaring Gods, voor hem die het als geheel op zich laat inwerken. En in welken vorm zal hij nu het echte Leven ontmoeten? De Paaschvacantie is begonnen. Snel te paard en naar Sesenheim. Hij komt er laatavond aan, maar Friederike heeft 't voorspeld en is nog op. Hij heeft haar hart gewonnen: in een warm oogenblik komen de eerste kussen. En reeds voelt hij dat hij ze niet verdient. Hoe ze tegen hem opziet, de maagd die hem moed tot nieuwe liederen heeft gegeven! O, moge hun liefde geen kortstondig rozenleven hebben! Ze kijkt hem met vochte oogen na, als hij terug naar Straatsburg draaft. Daar krijgt hij zijn vriend Jung, genaamd Stilling, te troosten, die pas een literaire miskenning heeft ondergaan, en wiens verloofde zwaar ziek ligt. Jung gaat haar verplegen en als zijn vrouw brengt hij haar terug. God zal zorgen. – Zoodra Wolfgang dit van hem verneemt, mept hij hem op zijn schouder en roept dat hij een excellente kerel is! Want hij moet denken aan zijn Rieckchen. Ze staat verre boven Annette, want ze is geheel natuur. Maar voor Annette heeft hij gekropen, nadat ze hem had verstooten, en nu hij als gerijpt man en meester over zijn grillen voor dit naïeve kind staat, het kind dat van hem heeft geleerd wat liefde is, nu… Gelijk de edele Helena in Fausts armen tot woedende furie vergroeit, zoo wordt onschuldige Friederike door haar liefde hem een kwelgeest. Een smartelijke geestesverwarring jaagt hem de koorts op 't lijf. Hij weet niet meer: zijn brein is als een windvaan. Hij ervaart dat zijn hartstocht haar al kwaad genoeg heeft berokkend. Haar borstziekte verergert. Hij snelt naar Sesenheim en, zelf zwak, blijft hij vier weken aan haar sponde, verwijt zich onophoudelijk, dat hij aanspraken in haar heeft gewekt die hij nooit zal vervullen. Hij weet goed dat ze 't liefdegeluk – zoo ooit – slechts van hem zal aannemen, dat hij gaat terugrooven wat hij haar een oogenblik heeft geschonken. Maar, na de zelfkastijding tot bezonnenheid gekomen, neemt hij voor beiden het besluit hun liefde op te offeren; dit is het eerste groote offer dat hij brengt aan zijn genie. Hij heeft Friederike eens bijgewoond toen zij bij een deftige stadsfamilie logeerde, en weet dat zij, landmeisje, in burgerlijke omgeving niet past. Zijn vader zal haar noode als schoondochter dulden. Doch dit weerhoudt hem niet en evenmin de angst die hem bekruipt als hij denkt aan de mogelijkheid, zijns vaders plannen opnieuw te dwarsboomen. In ieder geval zal zijn practijk als rechtskundige hem bijzaak blijven, zijn dichterschap hoofdzaak, zelfs al huwt hij Friederike niet. Maar hij besluit zijn harte-geluk op te geven om zijn geestesontwikkeling te redden. Hij weet dat een huwelijk een al te lange rustpoos voor zijn innerlijken strijd zal beduiden, ja, dien strijd misschien voor goed zal afsluiten – terwijl hij voelt dat hij nog vele geestestoppen voorbij moet, voorbij kàn. Zal hij op den duur sterk genoeg zijn om zijn arme vrouwtje niet te verwijten, dat hij haar eenvoudig bestaantje is gaan deelen: op het oogenblik dat zijn aanleg hem drong naar het groote Leven? Nu krijgt het sprookje van De Nieuwe Melusine, dat hij haar, geen kwaad vermoedend, in 't priëel heeft verteld, een schrikkelijke beteekenis voor zijn levenslot. Hij vereenzelvigt zich met den man, die aan een schoone dwergprinses is getrouwd, nadat een tooverring zijn lichaam heeft doen krimpen. Hij heeft dien man de volgende woorden in den mond gelegd: "Ik werd in mij gewaar een maatstaf van mijn vroegere grootte, die mij ongerust en ongelukkig maakte. Nu begreep ik voor het eerst, wat de wijsgeeren bedoelden met hun Idealen, die de menschen zoo konden kwellen. Ik had een Ideaal van mij zelf, en in mijn droomen verscheen ik mij dikwijls als reus. Kortom, de vrouw, de ring, mijn dwerg-gestalte en nog vele andere banden maakten mij totaal ongelukkig en ik begon in ernst na te denken over mijn kansen op ontsnapping". – Hij vreest dat het hem zelf eens zoo zal vergaan, als de kleine Friederike zijn vrouw zal zijn. Maar hij blijft bij haar, en tuchtigt zich met haar tegenwoordigheid. Hij leest haar voor uit zijn werk, hij is met haar in den blauwen ether die Friederike overal omzweeft: dit zal hij nu verliezen. O de wereld is zoo schoon, zoo schoon – voor hem die haar genieten kan. Nu zijn de droomen van zijn kindsheid vervuld. Wandelt hij niet door de toovergaarden uit zijn droomen? Ja, ze zijn 't, ze zijn 't, maar hij is geen grein gelukkiger, al heeft hij gekregen wat hij wenschte. Want in iedere gelukzaligheid mengt het noodlot een toegift, en er behoort veel moed toe, hier op aarde niet te vertwijfelen. Hij spreekt haar van zijn aanstaande promotie, maar hij spreekt haar niet van trouwen. En ze begrijpt. Haar liefde is grooter dan de zijne was. Wolfgang is haar alles geweest: nu heeft hij haar jonge leven gebroken. Hij voelt dat deze schuld altijd op zijn geweten moet drukken. Hij zal zijn boetedoening weldra aanvangen. Eerst in de figuur van den laffen minnaar Weislingen; vervolgens in Clavigo, die zijn liefde offert voor zijn literair welslagen; eindelijk in Faust, die met àl zijn Idealen enkel maar vergeet wat hij aan Gretchen verplicht is (maar zij vergeet hem niet en bidt voor hem), zal hij zijn wandaad zich voor oogen stellen. Met de Marie's uit de drama's Götz von Berlichingen en Clavigo, maar vooral met de ontroerend-fijn geteekende Gretchen, zal hij toonen wèl te weten wat hij heeft vergooid. En als het waar is dat de dichter meeleeft met zijn werk, dan heeft Goethe ruimschoots voor zijn schuld geboet. Toen hij aan Salzmann een exemplaar van zijn Götz voor Friederike zond, zei hij in een begeleidend schrijven: "De arme Friederike zal zich eenigszins getroost bevinden, als ze ziet dat de trouwelooze (Weislingen) is vergiftigd". En een eeuw later trok zijn werk de eerste pelgrims naar Sesenheim, naar de plekjes die van hun rozenliefde getuige waren. Zijn vrienden roepen hem en streng vermaant hem zijn vader aan zijn studie een eind te maken. Hij keert naar Straatsburg terug en legt de laatste hand aan zijn proefschrift. Natuurlijk heeft zijn onderwerp met de rechtspractijk heel weinig te maken. Onder den invloed van Rousseau's "Contrat Social" behandelt hij de stelling: "De staat is niet alleen gerechtigd maar ook verplicht, een eeredienst vast te stellen, waaraan noch geestelijkheid, noch leekendom zich kan onttrekken. Overigens worde niet onderzocht, wat ieder burger denkt en gevoelt". Op deze wijze, meent hij, wordt den staatsburger de grootst mogelijke vrijheid gewaarborgd. – Vader Goethe is verheugd met dit in goed Latijn gestelde tractaat. De hooge faculteit minder: zij laat alle recht wedervaren aan de kennis en de scherpzinnigheid van den schrijver, maar geeft hem, bij monde van haren deken, in kiesche bewoordingen te kennen, dat zij de publicatie van zijn betoog moet ontraden, daar het den godsdienst, ongeacht het leerstuk van de Openbaring, als een soort uitvinding schijnt te beschouwen ten nutte van den staat; en dit, aldus de faculteit, is strijdig met het… publiek belang. Wolfgang, die sinds hij Behrisch heeft gekend, niet gaarne iets laat drukken, is het tegen alle verwachting in geheel eens met de hooge faculteit. Geholpen door zijn repetitor flanst hij in alle haast 56 stellingen bijeen, sommige vol grilligen overmoed, andere, bijvoorbeeld: De schoonste studie is de studie van de rechten, – ietwat gewoontjes. Hij zal ze in het openbaar verdedigen. Zijn bentgenoot Lerse, die eigenlijk theoloog is, behoort tot de opponenten; hij weet het hem, den jurist, zoo warm te maken, dat vriend Wolf naar zijn degen grijpt, eensklaps zijn Latijnschen woordenvloed onderbreekt en hem in goed Duitsch toevoegt: Ik geloof, broedertje, dat je aan mij een Hector wilt worden![A] (#Footnote_A_2)– Hij wordt bevorderd tot licentiaat, wat hem in Duitschland recht geeft op den doctorstitel. Een vroolijke maaltijd bezegelt de promotie, en dan volgt een dolle rit door den Elzas, waarbij potsierlijke hymnen worden gezongen die aan Ceres gewijd zijn, maar onderwijl ook het vraagstuk van den vrijhandel oplossen. Thuiskomend vindt Doctor Goethe een bitter gestemden brief van Herder, die hem herinnert aan het vele dat hij nog heeft te leeren en te ondervinden. [A] (#FNanchor_A_2) Hector werd, naar o.a. de Ilias van Homeros verhaalt, door Achilles neergeveld. Hij heeft te Straatsburg geen gunstige reputatie gevestigd. Men vindt hem wel geniaal doch ook onverdraaglijk ingebeeld; men noemt hem een waanwijzen half-geleerde, een krankzinnigen godsdienst-verachter. Aan den anderen kant pogen de Professoren Koch en Oeberlin hem voor den Franschen staatsdienst te winnen en beloven hem officieus een leerstoel voor geschiedenis, staatsrecht en welsprekendheid. Maar hij wil er niets van weten. Zoo gaat het met jongelings-idealen! Onmiddellijk voor zijn vertrek brengt hij een afscheidsbezoek aan Friederike. Afscheidnemen ligt anders niet in zijn aard: hij is, evenals zijn moeder, uiterst bang voor scènes. Friederike ontroert hem door haar stil gedragen leed. Ze verwijt hem niets. Maar op den terugweg heeft hij een wonderlijk visioen: Niet met de oogen des geestes, neen, met zijn lijfelijke oogen, ziet hij een ruiter in een vreemd grijs-met-goud costuum hem tegemoet draven: hij is het zelf! Acht jaar later, als hij Friederike nogmaals zijn hulde gaat brengen, zal hij met hevigen schrik zich dit visioen herinneren, en opmerken, dat hij toevallig het vreemde grijs-met-gouden costuum draagt! Het drama Götz von Berlichingen verscheen – midden 1773 — V "Als jouw Wolfgang naar Mainz gaat, brengt hij meer kennis mee dan anderen die van Parijs of Londen terugkomen."     Frl. KLETTENBERG aan moeder Goethe. Hij liet zich te Frankfort dadelijk als advocaat beëedigen. Zijn vader was blij, weer eens in acten en proces-stukken te kunnen snuffelen, en hij nam hem een deel van de zaken uit handen. Ook bracht hij orde in de vele ontwerpen, vertalingen, reisbeschrijvingen die de zoon onder zijn papieren had; hij hoopte hem tot voltooien en uitgeven van zijn werk te noopen. Doch bij Wolfgang waren de oude plannen reeds door nieuwe verdrongen: zijn levendige geest wilde voortdurend afwisseling en de dingen die hij eenmaal had neergeschreven boeiden hem niet meer. Slechts één onderwerp hield hem voortdurend bezig: de geschiedenis van den "edelen Duitscher" Götz von Berlichingen, die hij wilde dramatiseeren, gelijk hij als jongen sprookjes had gedramatiseerd voor het poppenspel. Götz' levensloop, zooals zijn kronyk die met droog-eerlijke woorden vermeldde, had zich in zijn phantasie vervlochten met voorvallen uit zijn eigen leven. De bedoelingen van den trouwhartigen, eenvoudigen, ruwen, moedigen ridder schenen hem verwant aan de bedoelingen van jong Duitschland: hij wilde aan zijn zwakke tijdgenooten hém tot voorbeeld stellen. En allerlei personen die hij had ontmoet (zijn vriend Lerse) of geschapen (de verleidster Adelheid) leken hem geschikt om, in middeleeuwsche kleedij gehuld, het lot van zijn held te beïnvloeden. Hij sprak er zijn zus Cornelia over en declameerde haar heele tafereelen voor. Zij vroeg hem of hij nu eindelijk er ook eens wat van beliefde op te schrijven? Toen hij haar de eerste scènes toonde, betwijfelde zij dat hij het drama ooit op die manier zou afmaken. Daardoor geprikkeld ging hij dapper aan het werk en zes weken later – December 1771 – verzond hij van uit zijn dakkamer afschriften aan zijn oudere vrienden. Reeds waren nieuwe helden in hem opgestaan: hij wilde nu ook de geschiedenis van Socrates, die van Mahomet, die van Julius Caesar dramatiseeren. De leidende gedachte van deze Skizzi en ook van den Götz was deze: Doen blijken hoe de rechtschapenheid, de wijsheid, het talent, kortom "het oorspronkelijk genie" zich in deze domme wereld niet kan uitleven, maar in botsing met de gemeene alledaagschheid ten ondergaat of zelf gemeen wordt. Tot uitwerken kwam het niet. Zijn overstelpende gedachten-rijkdom mengde zich met wroeging over zijn wangedrag jegens Friederike (die zich intusschen met den mallotigen dichter Lenz had getroost) en joeg hem van zijn werktafel naar de vrije natuur. Hij ondernam lange wandeltochten en als hij door storm en slagregen zijn woeste liederen zong, dan vormde zich in hem het vertrouwen, dat zijn genie den strijd tegen de gemeenheid zou volstrijden. Een dezer verwarde, vonk-doorgloeide zangen is ons bewaard gebleven als Wanderers Sturmlied. In dien tijd maakte hij kennis met iemand die hem van veel ballast zou bevrijden en die hem daardoor rust tot werken gaf. Het was Johann Heinrich Merck, weldra door vriend Wolf Mephistofeles Merck geheeten, – een fijngevoelig, veelzijdig man, in allerlei kunsten en wetenschappen zeer te huis; krijgsbetaalmeester van professie en verbolgen tegen de wereld, wijl hij geen ambt kon vinden dat met zijn aanleg en bekwaamheid strookte. Hebben wij een pretje – aldus Herders verloofde – al is het ook een mager pretje, wat doet het er toe? hij weet er altijd iets zurigs door te mengen. Hij stond met verschillende groote mannen van zijn tijd in vertrouwelijk briefverkeer en stelde aan zijn vrienden hooge eischen, die hij meestal negatief formuleerde, namelijk in den vorm van onbekommerd-scherpe critiek of killen spot. In dit opzicht was hij de opvolger van Behrisch – de jonge Goethe had behoefte aan een ouderen biechtvader en aan lieve biechtmoedertjes. Hij stond echter veel hooger en was te bezadigd om, als Behrisch, tot uitersten over te slaan. Hij was zoo weinig "de geest die steeds verneent" (dien wij later in Faust zullen ontmoeten) dat hij gedichten, satyres, kunst- en natuur-historische geschriften in het licht gaf. Hoe toegevend hij – de verstandsmensch – was, zelfs jegens overdreven gevoeligheden van anderen, blijkt wel uit de geaardheid van het gezelschap waar men hem hoogschatte en ook Wolfgang, dien hij introduceerde, gaarne ontving. Dit gezelschap groepeerde zich om den galanten, sentimenteelen Leuchsenring, oprichter van het Genootschap des Gevoels; een heertje dat alle groote emoties schuwde, voortdurend dreef op zoete, uitgezocht-liefelijke gedachtetjes, en – als vriend Wolf het in Pater Brey uitdrukte – berg en dal gelijk wou maken, elke ruwheid met pleister en kalk glad wou strijken. Hij ging liefst met weeke, etherische freules, die zich kinderen en herderinnen waanden, en zich poëtische of romantische naampjes als Urania of Psychê toeëigenden en in rozenpriëelen dineerden van water-en-wind onder toezicht van blank-gewasschen lammekens, en de maan vereerden, en feest- of vastendagen hielden bij aankomst of vertrek van vrienden. Zij waren de apostelen van den "Heilige" Leuchsenring, die heur brieven en linten in keurige portefeuilles met zich droeg en hier en daar met een allerkeurigste toespraak vertoonde. De schepseltjes doorzagen niet, dat de leege "Heilige" haar hartegeheimpjes ontlokte om zijn intrigezucht te bevredigen. In dit kringetje werd Goethe – schoone, poëtische jongeling, die pas een ongelukkige liefde had meegemaakt – als een door den hemel gezonden vriend op de knietjes aangebeden. Hij dichtte oden op de empfindsame (#litres_trial_promo) freules. Als hij – die pelgrim, die bode, die zwerveling! – zijn voettocht van Darmstadt naar Frankfort begon, begeleidden de satijngeschoeide feeën, als fladderende kapelletjes, hem een eindweegs… Nu, als Merck wezenlijk den roep van duivelsgezant verdiende, dan hadd' men hem in dezen kring niet geduld. Zijn nuchtere wereldkijk belette hem niet, onder Herders invloed met zijn sympathieën aan de zijde van de Sturm-und-Drängers te staan. Toen een bevriend uitgever hem de leiding opdroeg van een reeds gevestigd journaal, de Frankfurter Gelehrten Anzeigen, met den wenk het een beetje te verjongen, werd dit het orgaan van jong Duitschland. Herder en Merck, Goethe en Schlosser – weldra verloofd met Cornelia – redigeerden het blad. Het verscheen twee maal in de week en was gevuld met levendig gestelde boekbesprekingen. De hoofdlijnen hiervan werden na onderling overleg vastgesteld: wie een bepaald boek het eerst had gelezen opende ter redactie-vergadering de discussies. Wolfgang, die vaak als rapporteur optrad, kreeg verlof nu en dan eigen beschouwingen in zijn verslagen te vlechten. Van dit verlof maakte hij ruim gebruik. Het was weliswaar nog schemer in hem, en hij streefde vooruit, zonder precies te weten waarheen, maar hij had toch een ingeschapen besef van het Ware, "een tooverroede die hem aanduidde waar goud lag". Hij ging "de pruiken", en met een zekere voorliefde de theologische pruiken, overmoedig te lijf; en wijdde meermalen uit over zijn gemoedsstemmingen, ook wanneer die slechts in de verte verband hielden met zijn onderwerp. Botsingen met de geestelijkheid konden niet uitblijven, daar het journaal den bijbel als het werk van vele menschen beschouwde (wat ongehoord scheen in dien tijd) en den godsdienst opvatte als een natuurverschijnsel. Hoewel de medewerkers gaarne streden, lieten zij Wolfgang de een na den ander in den steek, toen de uitgever, zonder hen er in te kennen, artikelen van vreemden opnam. Spoedig ging de redactie in professorale handen over en had van toen af niet meer een scherp uitgesproken richting. In een droog sarcastiesch stukje deelde Goethe het publiek mede dat de "ongezeggelijkste recensenten" waren uitgetreden. Doch vóor dit tijdstip valt zijn kortstondig verblijf te Wetzlar, in welk stadje hij op verlangen van zijn vader een poos als "praktikant (#litres_trial_promo)" zou werken aan den Hoogen Raad teneinde er wat routine op te doen en wat kijk op den procesgang. Zijn eerste groote werk: "Götz von Berlichingen met de ijzeren Hand", had hij toen in portefeuille. Het droeg tot motto: "Het ongeluk is geschied, het hart des volks is in het slijk vertreden en tot geen edele begeerte meer bekwaam". En in een brief aan Merck verklaarde hij dat hij met dit drama alle betweters, apen en pruikmakers uit hun tent hoopte te lokken, maar dat ze hem… konden likken. OVERZICHT VAN "GÖTZ VON BERLICHINGEN" Tweede lezing EERSTE BEDRIJF: 1. Kroeg. Enkele boeren, Berlichingen goed gezind, zoeken twist met twee ruiters van den bisschop van Bamberg; waard scheidt vechtenden; twee lansknechten van Berlichingen treden binnen, begrijpen uit een en ander dat Weislingen, de vijand van hun meester, bij bisschop logeert, verwijderen zich terstond om dit Götz te gaan melden. 2. Herberg in 't Woud. Götz loert op Weislingen, zijn afvalligen vriend; Georg, zoon van herbergier, heeft spelenderwijs harnas van Götz' knecht aangegespt, krijgt de belofte dat hij volgend maal mee mag op avontuur; voorbijreizend monnik Martin (Luther?) drinkt een glas met den vereerden Götz, wil diens ijzeren kunst-hand kussen; de twee lansknechten komen zeggen dat Weislingen in de nabijheid is; Götz en de zijnen werpen zich te paard. 3. Jaxthausen, Berlichingens burcht. Elisabeth (zijn Gade), Maria (zijn zuster) en Carl (zijn ietwat verwijfd zoontje) beiden zijn terugkeer; Götz verschijnt met den terneergeslagen Weislingen als gevangene; tracht, door hem te herinneren aan de jaren, toen zij beide page waren aan 't hof van den markgraaf, hem op te vroolijken, wat langzamerhand gelukt; hij betreurt dat Weislingen zich verlaagt tot werktuig van den bisschop, terwijl een ridder toch slechts God en zijn keizer heeft te gehoorzamen; verzoening, maaltijd. 4. Bisschoppelijk hof op Bamberg. Een drinkgelag wordt gestoord door het bericht van Weislingens gevangenschap. 5. Jaxthausen. De strenge, zedige Maria verloofd met Weislingen; diens page komt melden, dat bisschop weigert Götz' schildknaap tegen Weislingen uit te wisselen; Götz geeft niettemin zijn aanstaanden zwager de vrijheid weer, onder voorwaarde dat hij den bisschop niet meer zal dienen; page maakt Weislingens belangstelling gaande voor de buitengewoon schoone weduw Adelheid, die aan 't bisschoppelijk hof vertoeft. TWEEDE BEDRIJF: 1. Bamberg. De sluwe Liebetraut belooft den bisschop, Weislingen weer in zijn burcht te voeren, als Adelheid hare medewerking niet weigert. 2. Jaxthausen. Götz heeft den Nürnbergers oorlog verklaard: zij hebben zijn schildknaap verraden. 3. Bamberg. Weislingen komt werkelijk. 4. Spessart. Götz, ridder met één hand, en Selbitz, ridder met één been, liggen op den loer naar Nürnberger kooplui: Georg komt zeggen dat Weislingen weer bij bisschop is. Götz gelooft het niet, draagt Georg op zich te vermommen en te verspieden wat Weislingen op Bamberg uitvoert. 5. Bamberg. Vergeefs tracht bisschop door listige verwijten Weislingen aan gelofte te onttrekken. 6. Adelheids vertrek. Maar Adelheid brengt hem in verwarring en stoot hem terug als hij goed verliefd is. 7. Adelheids antichambre. Weislingen besluit te blijven. 8. Spessart. Georg brengt nu zoo stellige berichten van Weislingens afval, dat Götz hem moet gelooven. 9. Bamberg. Adelheid heeft Weislingen in haar macht; brengt hem in den waan dat ze zijn vrouw zal worden, als hij den keizer tegen Götz weet op te zetten. 10. Boerenbruiloft. De afpersingen die de Justitie den rechtzoekende doet ondergaan, versterken Götz in de meening, dat hij zich zelf recht mag verschaffen. Hij trekt op de Nürnbergers af. DERDE BEDRIJF: 1. 's Keizers tuin te Augsburg. Twee Nürnberger kooplieden beklagen zich bij keizer Maximiliaan over Götz' roofzucht; Keizer, toch al slecht geluimd, is vertoornd om deze nieuwe "zaak"; Weislingen bewerkt dat Maximiliaan tegen Berlichingen en diens vrienden zal optreden. 2. Jaxthausen. Ridder Sickingen komt om de hand van verlaten Maria vragen. 3. Kamp van Staatsleger. De officieren moeten Götz, wiens burcht zij belegeren, zoo mogelijk levend vangen; beteekenen hem den banbrief. 4. Jaxthausen. Maria wijst Sickingen niet direct af; deze zal twintig ruiters zenden en daarna de vrouwen afhalen. 5. Bamberg. Terwijl Weislingen tegen zijn vroegeren vriend op het oorlogspad is, versmaadt Adelheid de warme lippen van zijn page geenszins. 6. Jaxthausen. Franz Lerse (wiens dapperheid en kracht Götz vroeger aan den lijve gevoeld heeft) biedt zijn diensten aan; den vijand wordt een gevoelig verlies toegebracht. 7. Woud. Twee rijksknechten: de een, die voor zijn officieren wijn en brood moest halen, klimt in een boom, als Berlichingens troep nadert; de ander, die aan buikloop lijdt, komt in het moeras om. 8. Kamp. Een jongen aanvoerder, door Götz van zijn paard gereden, draagt men binnen. 9. Jaxthausen. Selbitz komt den belegerden te hulp en verzekert dat de heele aanslag op aanstichten van Weislingen is begonnen. 10. Kamp. Het rijksleger, dat reeds honderd man heeft verloren, bereidt een wanhopigen aanval voor. 11. Gebergte en woud. Götz deelt zijn strijdmacht in. 12. Heide. Botsing van de twee legers. 13. Hoogte met wachttoren. Een knecht vertelt den gewonden Selbitz den loop van het gevecht: Götz stoot aanvoerder van rijkstroepen van paard en verovert vaandel; Georg redt zijn meester het leven; overwinning. 14. Kamp. Bevelhebber scheldt op zijn soldaten, die bang zijn voor één man. 15. Jaxthausen. Götz gunt zijn dienaars, nadat zij een glaasje hebben gedronken, geen rust; Sickingen belooft Maria, haar broer ter zijde te staan; Götz heeft een pater besteld en zij worden een paar, met dood voor oogen. 16. Kamp. Van de 400 rijksknechten zijn 150 over: zij richten zich nu rechtstreeks tegen den burcht. 17. Jaxthausen. Als Götz van Georg verneemt, dat de aanrukkende hulptroepen totaal verstrooid zijn, jaagt hij de jonggetrouwden op reis, roerend afscheid: Selbitz zal Maria's bed niet bestijgen voordat hij Götz gered weet. Deze weigert zich over te geven en behandelt den parlementair onwelvoeglijk. 18. Keuken. Vrouwe Elisabeth zegt haren heer dat het slecht staat met voedsel. 19. Zaal. Georg en Lerse gieten kogels uit dakgoot en venstersponningen; Lerse beweegt den vijand, Götz en de zijnen vrijen aftocht toe te staan. 20. Eetzaal. De verdedigers van Jaxthausen brengen een laatsten heildronk uit op keizer en Vrijheid! 21. Slot-plein. Georg zadelt de paarden, zingt een deuntje. 22. Wapenzaal. Twee knechten, die buksen halen voor den aftocht, zien uit venster, dat de vijand den vooruitrijdenden Götz verraderlijk overweldigt… VIERDE BEDRIJF. 1. Herberg te Heilbronn. Elisabeth bereidt haren heer voor op komst van gerechtsdienaars. 2. Raadhuis. Een aantal sterke dappere burgers heeft zich op keizerlijk bevel verdekt opgesteld, om Berlichingen gedurende terechtzitting te overvallen. Götz verschijnt voor gerecht en staat den raadsheeren met zijn gewone vrijmoedigheid te woord; hij wijst de keizerlijke genade af, als hij moet bekennen een rebel te zijn, als men weigert hem te zeggen, wat er van zijn vrienden is geworden. Nu op wenk van raadsheer de gewapende burgers binnenstormen, rammelt hij ze dooreen, ontneemt een hunner zijn zwaard. Op hetzelfde moment bericht torenwachter dat Sickingen stad nadert om zijn zwager te bevrijden. 3. Groote zaal op Raadhuis. Als Berlichingen met kracht van wapens is verlost, wil hij zich weer in gevangenschap stellen. Sickingen vermaant hem, nu ook vrijheid voor zijn knechten te eischen. 4. Adelheids vertrek. Adelheid neemt Weislingen (met wien zij intusschen is gehuwd) kwalijk, dat Götz verlof heeft gekregen, op ridderlijk woord van eer in zijn burcht te wonen. Zij troost zich met de hoop, dat bij nieuwe keizers-keus de krachtige Karel (V) den troon zal bestijgen. Weislingen voelt (terecht) dat Karel hem reeds uit heur hart heeft verdrongen. Ook de liefde van zijn page houdt ze aan: ze mocht dien armen jongen eens noodig hebben! 5. Jaxthausen. In zijn ridderlijke ballingschap zoekt Götz vergeefs afleiding door het schrijven van zijn levensgeschiedenis. Georg en Lerse stellen zich door jacht schadeloos voor gedwongen rust. Zij brengen het bericht van den boerenopstand. VIJFDE BEDRIJF: 1. Plundering van een dorp. Vluchtelingen. Terwijl bloeddorstige boeren het dorp uitmoorden en – branden, blijkt dat ze behoefte gevoelen aan een krachtigen aanvoerder. 2. Veld. Götz, door dreigementen gedrongen, belooft vier weken hun bevelhebber te zijn, mits ze zich ordelijk gedragen; hij wordt heimelijk bewaakt. 3. Berg en dal: Weislingen en andere ridders spannen samen tegen de boeren. 4. Jaxthausen: Elisabeth beseft dat Götz' vijanden hem nu zullen beschuldigen, zijn ban te hebben verbroken. 5. Bij een dorp. De boeren storen zich niet aan hun belofte, zetten hun gruweldaden voort. Een onbekende waarschuwt Götz, dat de boeren van plan zijn hem uit den weg te ruimen. Een afdeeling plunderaars door bondstroepen gevangen. Als Götz de boeren ter verantwoording roept voor hun woordbreuk, ontstaat ruzie, waarbij hij een van de belhamels een geweldigen klap geeft. In gevecht met bondstroepen wordt Götz gewond. Weislingen hoopt hem nu te vernietigen. 6. Nacht in 't woeste woud. Zigeunerkamp. Götz, bloedend binnengereden, wordt gastvrij ontvangen. 7. Tent van het opperhoofd. Terwijl de Zigeuners Götz verbinden, overvallen staatsche troepen het kamp; dooden het opperhoofd en nemen Götz gevangen. 8. Adelheids slaapvertrek. De page, door Weislingen uitgezonden om op zijn vrouw het oog te houden, wordt 's nachts binnengelaten, en belooft, door Adelheid geliefkoosd, vergif in Weislingens drinken te doen. 9. Heilbronn, voor den toren (waar Götz gevangen zit). Elisabeth, beangst voor wreedheid van de overwinnaars, zendt Maria naar Weislingen, om voor Götz genade af te smeeken. 10. Weislingens slot. Weislingen, reeds onder invloed van het gif, beeft voor den ter dood veroordeelden Berlichingen. Op Maria's smeekbeden verscheurt hij het vonnis. Page, door wroeging gekweld, bekent, hem op last van zijn overspelige Adelheid te hebben vergiftigd, en springt door het venster in den Main; Maria bidt voor ziel van stervenden Weislingen. 11. In een duister eng gewelf. Veemgericht veroordeelt Adelheid tot dubbele straf van koord en zwaard. 12. Binnenplaats van een herberg. Maria heeft geen rust, voordat ze haar broer heeft weergezien. 13. In den toren. Götz, door vernedering ontzenuwd, mag een half uur in het tuintje van den cipier. 14. Tuintje. Maria meldt dat het doodvonnis is vernietigd. Als Götz echter verneemt dat zijn dappere knaap Georg, dien hij als een zoon bemint, is gesneuveld, voelt hij, dat hij zich heeft overleefd; sterft met het woord "Vrijheid" op de lippen. Als Herder, wien hij een afschrift van dit werk heeft gezonden, hem met zijn gewone bittere pedanterie toevoegt, dat hij zich door Shakespeare heeft laten bederven, en dat alles maar gedacht en niet geschàpen is, antwoordt hij dat hij zelf het maar als een eerste poging beschouwt, van plan is het om te smelten en met nieuwe, edele stof aan te vullen. Wèl mag hij zeggen, dat zijn Engelsche meester hem heeft leeren "springen". Niet alleen de ontembare veelheid van personen en voorvallen die hij kreeg te boeken, maar ook het bewustzijn dat hij – als partijleider – het eerste schoone werk van de school moet voortbrengen, heeft hem gedwongen, den door zijn tijdgenooten als wet gehuldigden grondvorm van het classiek-Fransche drama te verbreken. Een rijke, natuurlijk levende stof – meent hij – wordt vermoord als men haar wil concentreeren, zoodat zij zich afspeelt als éene handeling, op éene plaats, in enkele uren. Hij heeft, naar het voorbeeld van Shakespeare, zijn lezers of toeschouwers willen voeren van stad naar stad, door een bonte wisseling van gebeurtenissen, die zich over jaren uitstrekken. Maar hij heeft dit zoo overdreven, dat zijn werk er onoverzichtelijk, dus duister door wordt en de bijpersonen den Held overstemmen. Het streven naar woeste grootheid is uitgeloopen op vormeloosheid. De wetlooze vrijheid van den kunstenaar is omgeslagen in gril. Zoo volgt op het zich-laten-gaan, dat een eisch van Goethes periode is, met onafwijsbare noodzakelijkheid een poging tot zelfbeperking. Zoo wordt de uitvoerige natuurlijke waarheid in het kunstwerk ondergeschikt gemaakt aan het hoogere belang van de rustige klaarheid. En binnen korten termijn gaat nu vriend Wolf van enkel-genialen Sturm-und-Dränger zich ontwikkelen tot den zelfbewusten Goethe. Hij heeft – daar een wereld, geheel vervuld met de louter-manlijke heldendaden van den "laatsten ridder" hem onnatuurlijk, dus innerlijk-onwaar lijkt, een vrouwelijke drijfkracht behoeft – de figuur van de duivelachtig-verleidelijke Adelheid in het historiesch gegeven gemengd. Maar al schrijvende heeft hij zelf zich in die vrouw verliefd, en, zijn oorspronkelijke bedoelingen vergetend, heeft hij haar zoo breeduit geteekend, heeft hij zooveel mannen voor haar doen buigen, dat zij tenslotte de Götz-figuur beschaduwt. Nu – van Wetzlar terug – gaat hij aan het over-werken; want hij kan niet van zich verkrijgen in het manuscript te schrappen. Ruwe uitdrukkingen – als men Zola een aschkarreman mag noemen, dan weten wij niet, welken titel voor den jongen Goethe te kiezen – worden door zachtere vervangen: het stuk kan thans onder de "Weiblein (#litres_trial_promo)" komen. Adelheid (en haar wankelmoedige aanbidder Weislingen, in wien de schrijver zich eigen ontrouw voor oogen stelt) worden tot juistere proporties met het geheel teruggebracht. Maar nu moeten (gelijk van zelf spreekt) juist de scènes, die voor het schoonheidsgevoel van Sturm-und-Drang het hoogst staan, verdwijnen. Zoo het phantastische waarzegsters-tooneel, waarin bij het vlammen der wachtvuren en het warrelen der sneeuwvlokken de jonge Zigeuner met de betuiging van zijn wulpschheid angst aanjaagt. Goethe offert die scènes op (later heeft hij er een ballet van gemaakt, dat bij Weimar in een bosch werd vertoond). Maar hij is nog niet voldaan. Doch nu weet "Mephistofeles" Merck hem te overtuigen dat ook aan het overschrijven een eind moet komen, daar anders de aanvangs-inspiratie verloren gaat. En als, ten slotte, Wolfgang meent, dat hij dit werk, waaraan hij met zijn innigste persoonlijkheid heeft gecomponeerd, toch niet aan het philister-oordeel van den een of anderen uitgever kan onderwerpen, zegt de vreemdsoortige duivelsgezant: Dan geven wij het samen uit; er zijn schatten mee te verdienen! Gij betaalt het papier, ik betaal den drukker. Zoo geschiedde. In Mei 1773 werd overgegaan tot de verzending van het anonyme stuk, dat was "grootsch en onregelmatig als het Duitsche rijk" (Herder), het gewrocht "waarin alle drie de eenheden op z'n gruwelijkst werden mishandeld, dat was blij- noch treurspel en toch het schoonste en interessantste monster, waartegen men honderd comiesch-huilerige comedies zou willen inruilen". ("Teutsche Mercur") Vele groote schrijvers ontvingen het niet; wel de vrienden links en rechts. Het is geen drama. Het toont ons niet de rechtstreeks nawijsbare, logiesch onafwendbare, ontknooping van een scherp gestelde verwikkeling, die om één aandachts-centrum zich groepeert. Het is, zooals op het titelblad van de eerste bewerking vermeld stond, een gedramatiseerde (d. i. in dialoog omgezette, tot aanschouwlijke voorstelling zich leenende) kronyk. Gedramatiseerd, om haar zoo sprekend mogelijk te maken. Het is geen afgerond verhaal, doch een reeks episodes, welke grootendeels veroorzaakt worden door toevallige en van elkander vrijwel onafhankelijke omstandigheden; die met het karakter van den held slechts dit te maken hebben, dat de schrijver ze er mede in relatie brengt. Geen der te voorschijn geroepen botsingen wordt er psychologiesch geheel ten einde gevoerd. Telkens wordt de zooeven opgenomen verhaaldraad losgelaten, en wordt een nieuw moment ingevoegd, dat even spoedig vervalt. Doet, oppervlakkig bekeken, de drukke en op de planken onuitvoerbare wisseling van decoratief, binnen een en het zelfde bedrijf, aan Shakespeare denken, – in wezen is de Götz allerminst Shakespeariaansch (als geestdriftige bewonderaars het wel genoemd hebben). Indien men het – gelijk in Shakespeares tijd gebruikelijk – zou vertoonen op een kaal tooneel, waar opschriften het decoratief vervangen, en met spaarzaam gecostumeerde spelers: dan zou blijken dat bij den jongen Goethe de inkleeding bezwaarlijker is te ontberen dan bij zijn Engelschen meester. M.a.w. dat hij minder diep zijn karakters heeft ontleed, niet het universeele, door de eeuwen heen blijvende in de menschenziel heeft bereikt. De menschen van Shakespeare doorziet de ontwikkelde toeschouwer ondanks hun (vaak foutieve) "antieke" costumeeringen en zeden. Maar Goethes figuren staan of vallen met hun historische inkleeding, welke slechts door min of meer geleerd publiek volkomen wordt gevat. Terwijl bij Shakespeares menschen uitspraken en handelingen duiden op de laatste en geheimste gronden hunner karakters, – zoodat hun dieper wortelende verwantschap blijkt en een veelzeggende eenheid in de schijnbare tegenstrijdigheid hunner gedragingen zich openbaart – liggen de motieven van Goethes figuren in het duister; en vaak moet de uiting van hun gevoelens slechts dienen om een aan het oppervlak liggende situatie of enscèneering beknopt aan te wijzen. Kortom: Shakespeares menschen lijken natuurlijk doordat zij gedachtelijk-waar zijn; Goethes personages daarentegen zijn slechts natuurlijk. Men leert ze wel iets, maar niet véél beter kennen, dan men leert kennen een buurman, in wiens huishouden nu en dan een enkele blik gegund wordt, doordien zijn gordijnen toevallig openstaan. Men krijgt – Götz von Berlichingen genietend – het spijtige gevoel van hem wien in zijn droom schoone en wijze menschen werden voorgetooverd: hij zou ze zoo gaarne vasthouden om ze nader te bekijken, om ze te ondervragen naar de beteekenis hunner woorden … maar ze hooren niet, ze schieten voorbij, plaats latend voor evenzeer teleurstellende volgers. Maar schòon is de droom; en overweldigend schoon is ook dit werk van den 23-jarigen Goethe. Hij was de eerste Duitscher, die zijn tooneelfiguren echt-menschelijke taal deed spreken. Maar deze taal is toch zoo bondig, zoo kleurrijk, zoo lakoniek, zwaar van beteekenis, dat men ze eerst bij tweede of derde lezing in al haar rijkdom doorgrondt. Ze staat verre boven de taal van het eerste Duitsche blijspel, de Minna von Barnhelm van Lessing. In het uitbeelden van ingewikkelde gebeurelijkheden met een minimum van effectmiddelen is Goethe reeds aanstonds een meester en overtreft hij Shakespeare; wellicht wordt hij in dit opzicht door Maeterlinck eenigszins geëvenaard. Enkele uitroepen – een warnet van intrige wordt ons bewust. Een paar halve regels dialoog – een veldslag staat ons voor oogen; schielijk, als ware hij geschetst, en toch met de uitvoerigheid van een schilderij. Doch voor Goethe zonk de artistieke waarde van het werk – mits de vorm maar absoluut ongebonden bleef – in het niet bij de beteekenis die hij hechtte aan de zaak: Hij wilde een Duitscher ten tooneele voeren, uitmuntend niet door kunstmatige bevoorrechting maar door eigen kracht, en waarvan de eensklaps ontwakende toeschouwers moesten getuigen: Dàt is een kerel! en hij wilde dien man doen òndergaan, zoo dat de herboren toeschouwers met zijn trouwen lansknecht moesten uitroepen: Wee het nageslacht dat hem miskent! Hij is hierin geslaagd. Zijn stuk werd – zij het ook gebrekkig – door heel Duitschland gespeeld en uitbundig toegejuicht. Doch het karakteristieke van den Götz ligt juist in zijn onopvoerbaarheid. Hiermede immers toonde Goethe, evenals zijn bentgenooten te streven naar omvatting van "Het Geweldige". En vooral in boekvorm maakte het stuk opgang. De bewonderaars vroegen elkander af, wie toch de ongenoemde schrijver mocht zijn, opdat zij hem hun hulde persoonlijk konden gaan zeggen. Diefachtige uitgevers – drie te gelijk – drukten den Götz na, zoodat de schrijver en zijn vriend geen financiëel voordeel hadden van het succes, en Wolfgang zich het probleem stelde: Hoe zal ik het papier betalen, door middel waarvan ik de wereld met mijn talent heb bekend gemaakt? Er was ook een uitgever die hem een vorstelijk honorarium bood voor een dozijn dergelijke stukken. Maar hij had ze zoo niet meer kunnen maken. Niet alleen wijl hij heel sterk naar afwisseling zocht, maar vooral: omdat zijn geest al weer verder was. Mogen wij Wilhelm Meister gelooven (en hij is gewoonlijk goed op de hoogte!), dan heeft Goethe spoedig begrepen dat men vooral door de schitterende harnassen, de vlammende wachtvuren, de zwaarden, de gewelven was bekoord. De Götz verwees Walter Scott naar de kleur-wazige middeleeuwen; hij maakte in Duitschland de aandacht gaande voor den tijd, toen de menschen weer als menschen wilden leven, den tijd van hervorming en humanisme en onbegrensd vertrouwen in de vrije menschelijke kracht. Zoo kon hij richtsnoer worden voor een nieuwe dichter-generatie, die, rondom slechts laffe middelmatigheid vindend, haar voorbeeldige helden zocht in het verleden. Maar Goethe had, al schrijvend, deze geestesrichting eens voor al gepeild en overwonnen. Zoo moest zijn volgend werk – voor hem een triumph – zijn navolgers verschrikken en teleurstellen. Spoedig zou zich hem bewaarheiden het wijze woord: Als men voor de wereld een liefdedaad heeft verricht, dan weet zij er wel voor te zorgen dat men het niet voor de tweede maal doet! De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen – van midden Mei tot 11 September 1772 — VI Mijn idealen groeien dagelijks in schoonheid en grootte… Ik laat mijn vader maar begaan; hij zoekt mij van dag tot dag meer in de burgerlijke zaken van onze gemeente te spinnen. Zoo lang mijn kracht nog in mij is, één ruk en de zevendubbele boeien zijn gebroken. Wolfgang was – toen hij juist zijn eerste drama op papier had geworpen, de gedachten van zijn tijd en zijn eigen idealen met verbluffende phantasie had gekoppeld aan een gloeiend gekleurde ridderhistorie – niet in de beste stemming om zich tot stipt, spitsvondig, zakelijk pleitbezorger te bekwamen. Dit lag ook niet in zijn bedoeling, maar hij gunde zijn vader bereidwillig de illuzie. Doch de toestanden, die hij aan het opperste Duitsche gerechtshof leerde kennen, verijdelden zijn laatste brave voornemens ten aanzien van zijn broodwetenschap, verwoestten het laatste restje van zijn eerbied voor hooge staatscolleges. Ongeveer zestienduizend processen wachtten te Wetzlar op berechting, sommige reeds honderd jaar en langer. Men kon er jaarlijks wel zestig afdoen, doch er kwamen veel meer bij. Wie binnen een eeuw beslissing in zijn zaak wenschte uit te lokken, moest de raadsheeren door prijzige geschenken beïnvloeden of een bevriend autoriteit te hulp roepen. Er hing een zoo bedorven geestes-atmosfeer in de zalen van dezen Hoogen Raad, dat een na lang aarzelen benoemde commissie van onderzoek, die begonnen was met drie rechters, wegens gebleken omkoopbaarheid, achter slot en grendel te zetten, ten slotte zelf werd aangestoken en uittertreure mee knoeide. Geen verstandig rechtsgeleerde dan ook die het van zich kon verkrijgen, in den warwinkel te Wetzlar zijn energie te gaan verspillen. En zeker niet de enthousiaste, dat is: van Goden vervulde Wolfgang, die van zijn prilste jeugd af streefde naar zelfontwikkeling. Zijn Götz werd een revolutionair pamflet door de minachting voor de publieke rechtspraak, die er in is neergelegd. Zoo sloot het stuk zich aan bij de tijdsstrooming, die vorsten en overheidspersonen gaarne als boeven op het tooneel zag. Hij maakte het zich dan ook niet druk in zijn ambtsbediening. Door "het jaargetijde der jeugd", de heerlijke lente, liet hij zich gaarne uit zijn bureel lokken of uit de zonlooze straat waar hij kamers had. In den omtrek van Wetzlar, in het mooie Lahndal, ontdekte hij allerlei plekjes die hem lievelingsplekjes werden; Homeros zong er zijn vurig gemoed te ruste en hij verdiepte er zich in de aanschouwing van de kleine natuur: van de plechtige mossen, van de wriemelende wormpjes en insecten; totdat de behoefte aan overgaaf in hem heerschte en hij wenschte een meikever te zijn om heen end weer te kunnen zweven in de goede geuren: totdat de natuur geheel rustte in zijn ziel, zooals de gestalte eener bruid… Uren bleef hij geboeid bij een bron, waar de dorpsmeisjes kwamen water putten; hij zag in die meisjes oud-testamentische koningsdochters en leende haar "zonder plichtplegingen" zijn sterken arm, om haar de volle emmers op het hoofd te beuren. Op het kerkplein van Garbenheim, geheel omsloten door donkertonige huisjes en schuren, boeiden hem een paar oeroude linden; dikwijls liet hij zich uit de nabijzijnde herberg stoel en tafel brengen en hij bracht er heele dagen door met teekenen, mijmeren en lezen. Hij koutte met de eenvoudige natuurlijke dorpsmenschen, hij kookte zelf zijn potje, hij deelde zijn klontjes, zijn brood en zijn zure melk met de kinderen, die geregeld bij hem terug kwamen, en iedere week hun Zondagscenten van hem kregen; was hij na kerktijd nog niet gekomen, dan had de waardin order tot uitbetalen. In zijn hart stonden de kinderen hem het naast: hij zag alle deugden en ondeugden – maar die nog onschuldig! – in hen kiemen, en begreep het gulden woord van den Heiland: Zoo gij niet wordt als een van dezen… In het eethuis, waar "De Kroonprins" uithing, hadden enkele jonge ambtenaars en wat geduldige rechtzoekenden, om zich na hun Jobsarbeid wat te verstrooien, een riddergenootschap in middeleeuwschen trant gesticht. Bij het middagmaal zat de heirmeester aan het hoofd van de tafel: aan zijn rechterhand zetelde de kanselier en naast dien waren naar ancienneteit opgesteld de andere ridders, die namen droegen als Lubomirsky de Strijdbare, of St. Eustacius de Voorzichtige. Wolfgang werd met ridderslag en gewichtige potsierlijkheid in den kring toegelaten; hij heette er Gottfried von Berlichingen de Treffelijke. Een van de ridderen, Goué, heeft het groepje later in een tooneelstuk nageteekend. Ook de gezantschapssecretarissen Jerusalem en Kestner, wier invloed diep door Goethes leven zou grijpen, behoorden er toe, maar ze verschenen zelden, daar zij buitengewoon ernstig waren, en drukke bezigheden hadden. Johann Christian Kestner was acht jaren ouder dan Wolfgang: een ijverig, verstandig man, edel van inborst en met steeds duidelijke bedoelingen, hoewel ietwat droog in het spreken. Hij maakte kennis met Doctor Goethe – in wien hij aanstonds een niet onbelangrijk persoon zag – terwijl deze onder een boom, op zijn rug uitgestrekt, goed geluimd met eenige omstanders babbelde over zwaarwichtige zaken. Spoedig genoeg begreep Kestner met wien hij in aanraking was gekomen. "Hij heeft – dus oordeelt hij met zijn gewone fijne nauwkeurigheid in een brief – hij heeft vele talenten, is een waar genie en een man van karakter. Hij bezit een buitengewoon levendige verbeeldingskracht, zoodat hij zich meestal in beelden en gelijkenissen uitdrukt. Hij pleegt zelf ook te zeggen dat hij zich altijd oneigenlijk uitdrukt en zich nooit eigenlijk kàn uitdrukken; maar als hij ouder wordt, hoopt hij de gedachten-zelf, gelijk ze zijn, te denken en te zeggen. Hij is in al zijn gemoedsaandoeningen hevig, doch heeft vaak veel zelfbeheersching. Zijn denkrichting is edel. Vrij van vooroordeelen, handelt hij al naar 't hem invalt, zonder er zich over te bekreunen, of dit anderen mishaagt, of het mode is, of de wellevendheid het gedoogt. Allen dwang haat hij. – Hij houdt van kinderen en kan druk met hen bezig zijn. Hij is bizar, heeft in zijne gedragingen, in zijn uiterlijk, allerlei dingen die hem onaangenaam zouden kunnen maken; maar bij kinderen, bij dames en vele anderen staat hij toch goed aangeschreven. Voor het vrouwelijk geslacht heeft hij zeer veel hoogachting… Over zekere onderwerpen spreekt hij met slechts weinig menschen uit, hij stoort anderen niet gaarne in de rust hunner voorstellingen. Toch haat hij het scepticisme, streeft hij naar waarheid en bepaaldheid in sommige hoofdzaken en gelooft dat hij over de voornaamste reeds een bepaalde meening heeft; voor zoover ik heb kunnen nagaan is dit niet zoo. Hij gaat niet naar de kerk ook niet naar het avondmaal en bidden doet hij zelden; want, zegt hij, daarvoor kan ik niet goed genoeg liegen. Soms is hij op zekere punten erg gerust, soms echter alles behalve dat. Voor de Christelijke religie – echter niet in den vorm waarin onze theologen ze ons voorstellen – heeft hij hoogachting. Hij gelooft in een toekomstig leven, in een beteren staat. Hij streeft naar waarheid, hij geeft echter meer om het gevoel dan om het betoog van de waarheid. Hij heeft reeds veel gewerkt, bezit veel kennis, belezenheid; maar toch nog meer gedacht en geraisonneerd." – Wel zelden werd een zoo treffende karakteristiek van een jeugdig tijdgenoot neergeschreven. Toch zag Kestner zich genoodzaakt, er in een kantteekening aan toe te voegen: "Ik wilde hem schilderen, maar het zou mij te ver voeren; want zeer veel laat zich over hem zeggen. Hij is, in éen woord, een zeer merkwaardig man." Begin Juni moest Wolfgang met zijn twee nichten, die in zijn straat woonden, naar een landelijk bal; onderweg zou hij haar vriendin, Charlotte Buff afhalen, wier cavalier pas laatavond kon verschijnen. Hij trof dit 19-jarige blonde meisje aan, terwijl ze, subtiel gekapt, in witte baljapon, brood sneed voor een zwerm broertjes en zusjes. Haar leest was er niet minder sierlijk, de uitdrukking van haar blozend aangezicht was er niet minder vroolijk, haar gesprekken waren er niet minder interessant om, en haar blauwe kijkers niet minder spottend. In het rijtuig en bij den dans bemoeide Wolfgang zich slechts met haar; hij vernam hoe zij, sedert het overlijden van hare moeder, voor een zestal kinderen had te zorgen en hoe goed dit haar lukte. Hij schroefde zich, al bewonderend, tot een luidruchtige uitgelatenheid op, blijkbaar zeer ten genoege van… Kestner, haar inmiddels verschenen cavalier. Toen hij met haar had gewalst, nam hij zich heilig voor, liever te sterven dan te gedoogen dat ooit een meisje op wie hij eenige aanspraak mocht hebben met een vreemde walste… Lotte verzweeg Wolfgang dat zij reeds vier jaren met Kestner was verloofd: geen buitenstaander zou hebben vermoed dat deze twee een paar vormden. Ook Kestner sprak er niet van: hij wist dat zijn meisje haar aanbidders steeds stelde voor den tweesprong: Mijn vriend worden of uit mijn oogen! en hij had onbeperkt vertrouwen in haar. Van de verloving hoorde Wolfgang eerst, toen hij bij de familie Buff vriend van den huize was geworden, toen Lotte's vader hem als een zoon beminde en de kinderen, met wie hij stoeide en smulde, hem een heerlijk kameraad achtten. Reeds was Lottchen in zijn oogen een schoonheid geworden, en terwijl hij, aan haar voeten zittend, de kleintjes over zijn knieën liet klauteren en boontjes voor haar sneed, terwijl hij vruchten voor haar plukte, in keuken of moestuin optrad als haar dienaar, liet hij zijn verliefdheid rustig ontbloeien. Hij bezocht haar vaker dan haar verloofde, die door drukke ambtsbezigheden werd teruggehouden; die wel bespeurde dat zij voor den mooien Goethe niet blind was, wèl zich afvroeg of hij – eenvoudig-braaf man – haar ooit zoo gelukkig zou kunnen maken als zijn begaafde vriend, maar te kiesch was om door eenig blijk van ongeduld Wolfgangs warme, doch onschuldige en poëtische liefde tot iets dubbelzinnigs te stempelen. De drie deden samen menig uitstapje, hielden menig ernstig gesprek. Steeds toonde Lotte zooveel tact, dat ze in de achting van de beide mannen steeg en ook in hunne liefde, – zoodat juist tengevolge van haar welbewuste reinheid de verhouding zich ging toespitsen. Goethe, door een vriend gevraagd, waarop dat moet uitloopen, antwoordt dat hij stellig is besloten, het eerste oogenblik dat Lotte zich als een gewoon coquet meisje doet kennen, het eerste oogenblik dat haar nòg nader tot hem voere, het laatste moment van hun omgang te doen zijn. Maar – op haar vertrouwend – laat hij zijn phantasie onbedwongen om hun liefde spelen, vervult hij zijn brieven, zelfs zijn recensies, met toespelingen op hun liefde. Kestner spaart hem, maar hij gaat in stilte meenen, dat iemand van Goethes geestkracht en zielefierheid zich nu toch eindelijk moet terug trekken. En zoo kan hij kleine botsingen niet altijd verhoeden. Конец ознакомительного фрагмента. Текст предоставлен ООО «ЛитРес». Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/d-oliveira-elias/goethe-een-levensbeschrijving/) на ЛитРес. Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.