De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes
Arthur Doyle




Arthur Conan Doyle

De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes





DE DOOD VAN SHERLOCK HOLMES





I.

De gebochelde


Op een zomeravond — ik was nog slechts weinige maanden gehuwd — zat ik alleen in mijn huiskamer. Ik rookte een pijpje en zat gebogen over een roman, want ik had een moeilijke dagtaak achter den rug en meer neiging tot droomen dan tot ingespannen arbeid. Mijn vrouw was al naar boven gegaan en het geluid van het sluiten der gangdeuren, een kwartiertje geleden, zeide mij, dat de dienstboden zich eveneens ter ruste hadden begeven. Ik was van mijn stoel opgestaan en had de asch uit mijn pijp geklopt, toen ik plotseling de deurschel hoorde overgaan.

Ik keek op de klok. Het was kwartier voor twaalf. Dat kon geen bezoek wezen op dit late uur. Waarschijnlijk een patiënt, mogelijk iemand, die mijn geheelen nacht in beslag zou nemen. Met een ontevreden gezicht ging ik in de gang en opende de deur. Tot mijn verbazing was het Sherlock Holmes, die daar nog op mijn stoep stond.

„Ha, Watson, ik hoopte, dat ik u nog op zou vinden,” zeide hij.

„Kom binnen, beste vriend, als ik je verzoeken mag.”

„Gij kijkt verbaasd en geen wonder! Opgewekt ook, geloof ik. Hum, gij rookt nog de Arcadia-tabak uit den tijd, toen ge nog vrijgezel waart. Ik kan mij niet vergissen; die asch daar op uw jas. Het is nog altijd gemakkelijk te zien, dat gij gewoon zijt geweest, Watson, een uniform te dragen; gij zult nooit voor een volbloed burger worden aangezien, zoolang gij uw zakdoek op die manier in uw mouw draagt. Maar, à propos, zou ik van nacht bij u kunnen logeeren?”

„Met genoegen.”

„Gij hebt mij gezegd, dat gij een kamer vrij hadt en ik zie, dat gij op 't oogenblik geen mannelijke bezoekers hebt: ik zie dat aan uw kapstok.”

„Het zal mij groot genoegen doen, als gij wilt blijven.”

„Dank je, ik zal dan maar een ledigen knop voor mijn hoed en jas in beslag nemen. Ik merk tot mijn spijt, dat gij ook werkvolk in huis hebt gehad. Toch geen lekkage wil ik hopen?”

„Neen, het gas.”

„Hé, ik zie, dat hij de sporen van twee ijzeren spijkers van zijn schoenen op uw linoleum heeft achtergelaten, juist daar, waar nu het licht op valt.”

„Hebt ge trek iets te eten?” vroeg ik Holmes.

„Neen, dank je, ik heb te Waterloo gesoupeerd, maar ik zal met pleizier een pijp met u rooken.”

Ik reikte hem mijn tabakszak toe. Hij ging tegenover mij zitten en rookte eenigen tijd rustig voort. Ik begreep wel, dat slechts een zeer gewichtige zaak hem op zulk een laat uur tot mij gevoerd kon hebben, en daarom wachtte ik geduldig, tot hij mij die zou mededeelen.

„Ik zie, dat gij het nu juist tamelijk druk hebt,” zeide hij, mij scherp aanziende.

„Ja, ik heb een zeer drukken dag gehad,” antwoordde ik. „Het moge u zeer dwaas toeschijnen,” voegde ik er bij, „maar ik weet heusch niet, hoe gij dit zoo weet.”

Holmes glimlachte vergenoegd.

„Ik bezit het voorrecht uw gewoonten te kennen, mijn waarde Watson,” zeide hij. „Als gij slechts weinig patiënten hebt, bezoekt gij hen te voet, doch hebt gij er vele, dan rijdt gij in een koetsje. Daar ik bemerkte, dat uw laarzen, ofschoon gij ze vandaag wel hebt gedragen, in 't geheel niet morsig zijn, dacht ik terstond, dat gij het de laatste dagen druk genoeg moet gehad hebben om van een koetsje gebruik te maken.”

„Uitmuntend!” riep ik uit.

„Zeer eenvoudig,” sprak hij. „Wij hebben hier te doen met een van die voorbeelden, waarbij de redeneerende persoon tot een conclusie komt, die zijn buurman verbaast, omdat de laatste een enkel, schijnbaar onbeduidend punt over 't hoofd ziet, dat den grondslag van de redeneering uitmaakt. Hetzelfde kan gezegd worden van het effect van enkele uwer kleine schetsen, welk effect evenwel slechts in schijn bestaat, daar het alleen afhangt van eenige factoren, die u bekend zijn en den lezer niet. Nu, op dit oogenblik verkeer ik in eenzelfde geval als die lezers, want ik heb in mijn hand eenige draden van een der vreemdste geheimen, voor welker oplossing ooit het verstand van een man zich inspande en ontbreken mij nog een of twee van die draden, om het geheel te ontsluieren. Maar ik zal ze hebben, Watson, ik zal ze hebben!” Zijn oogen schitterden en een lichte blos kleurde zijn wangen. Voor een oogenblik had hij zijn innerlijke natuur geopenbaard, doch ook slechts een oogenblik. Toen ik hem opnieuw aanzag, had zijn gelaat weer dat kalme, effen voorkomen, dat hem zoo dikwijls meer op een automaat dan op een gevoelig mensch deed gelijken.

„Het vraagstuk heeft een zeer belangwekkenden kant,” zeide hij, „ik durf zelfs zeggen, dat het in menig opzicht zeer merkwaardig is. Reeds heb ik een goeden blik op de zaak en ben zeer nabij de oplossing, naar ik meen. Indien gij mij bij den laatsten stap, dien ik moet doen, om tot een volkomen oplossing te geraken, wilt helpen, zoudt gij mij een grooten dienst bewijzen.”

„Ik zou het zeer aangenaam vinden.”

„Zoudt gij morgen met mij naar Aldershot kunnen gaan?”

„Ik denk wel, dat Jackson mijn praktijk zal willen waarnemen.”

„Zeer goed, ik moet met den trein van 11 uur 10 minuten van Waterloo-station.”

„In dat geval heb ik wel den tijd om een en ander te regelen.”

„Nu, dan zal ik u, als ge althans niet slaperig zijt, in 't kort mededeelen, wat er gebeurd is en wat ons nog te doen staat.”

„Voor uw komst was ik slaperig; nu ben ik volkomen wakker.”

„Ik zal zoo beknopt mogelijk in mijn verhaal zijn, zonder iets weg te laten, dat tot een goed begrip der zaak noodig is. Het kan wezen, dat gij reeds iets van de geschiedenis hebt gehoord, want ik heb een onderzoek op 't oog in den vermoedelijken moord, gepleegd op kolonel Barclay van de Royal Mallows te Aldershot.”

„Ik heb daarvan nog niets gehoord.”

„Dit voorval heeft, behalve in de naaste omgeving, nog weinig de aandacht getrokken. De feiten dateeren ook eerst van eergisteren. In 't kort is de zaak deze:

Zooals gij weet, zijn de Royal Mallows een van de beroemdste Iersche regimenten van het Engelsche leger. Het verrichtte indertijd wonderen van dapperheid in den Krimoorlog en heeft zich sedert bij elke gelegenheid onderscheiden. Tot Maandagavond j.l. stond dit regiment onder commando van James Barclay, een dapper veteraan, die zijn militaire loopbaan als gewoon soldaat begon, wegens zijn dapperheid tot den rang van officier opklom en eindelijk het opperbevel verkreeg over het regiment, waarin hij eens als gewoon soldaat had gediend.

Kolonel Barclay trouwde, toen hij nog sergeant was, en zijn vrouw, als meisje Miss Nancy Devoy geheeten, was een dochter van een officier uit hetzelfde regiment. Het is daarom best te begrijpen, dat de omgeving, waarin de jonggehuwden (want zij waren nog jong) verplaatst werden, hun eenigszins ongewoon voorkwam. Zij schijnen echter spoedig geleerd te hebben, zich in hun nieuwen maatschappelijken kring te bewegen en mevrouw Barclay heeft altijd, naar ik vernomen heb, evenzeer in vriendschap met de dames van het regiment geleefd als haar echtgenoot met zijn collega's, de officieren. Ik kan er bijvoegen, dat zij een zeer mooie vrouw was en zelfs, nu zij reeds meer dan 30 jaren getrouwd is, nog een innemende verschijning is.

Kolonel Barclay's huiselijk leven schijnt zeer gelukkig te zijn geweest. Majoor Murphy, van wien ik de meeste inlichtingen heb ontvangen, heeft mij verzekerd, dat hij nooit van eenig misverstand tusschen Barclay en zijn echtgenoote heeft gehoord. Alles saamgenomen, denkt hij, dat de genegenheid van Barclay voor zijn vrouw grooter was dan de hare voor den kolonel. Zelfs al was zij maar voor één dag van huis, gevoelde hij zich volstrekt niet op zijn gemak. Zij daarentegen, ofschoon een liefdevolle en getrouwe echtgenoote, was haar man minder genegen en in het regiment werden zij beschouwd als een modelpaar van twee menschen van middelbaren leeftijd. Er was inderdaad niets in de verhouding, waartoe zij tot elkaar stonden, volstrekt niets, dat een zoo treurige ontknooping, als nu gevolgd is, kon doen verwachten.

Kolonel Barclay zelf schijnt eenige vreemde trekken in zijn karakter gehad te hebben. Hij was een voortvarend, joviaal militair, als hij in zijn gewoon humeur was, maar bij sommige gelegenheden kon hij zich zeer driftig en wraakzuchtig toonen. Hij schijnt zich echter aan zijn vrouw nooit van die zijde te hebben doen kennen. Een ander feit, dat majoor Murphy en de meeste andere officieren, die ik gesproken heb, opviel, was de neerslachtigheid, waaraan de kolonel somwijlen leed. Zooals de majoor het uitdrukte, was het alsof hem soms de glimlach als door een onzichtbare hand werd weggeslagen. Dit en een zekere neiging tot bijgeloof waren de eenige ongewone trekken in zijn karakter, die door de overige officieren werden opgemerkt. De laatste eigenaardigheid openbaarde zich daarin, dat hij er een afkeer van had, alleen in het donker te zijn. Deze kinderachtige karaktertrek bij een overigens zeer mannelijke natuur heeft dikwijls aanleiding gegeven tot aanmerkingen en gissingen.

Het eerste bataljon van de Royal Mallows (het oude 117e regiment) ligt sedert eenige jaren te Aldershot in garnizoen. De gehuwde officieren wonen buiten de kazerne; de kolonel op een villa, Lachine genoemd, op een halve mijl afstands van het noordelijke kamp. Het huis ligt niet onmiddellijk aan den weg, maar de westelijke zijde is daarvan niet meer dan dertig el verwijderd. Een koetsier en twee dienstmeisjes vormen het personeel. Deze waren, met den heer en mevrouw Barclay, de eenige bewoners van de villa Lachine, want de Barclays hadden geen kinderen en gewoonlijk hadden zij ook geen logeergasten.

En nu zal ik u vertellen, wat ik weet van de gebeurtenissen op genoemde villa in den avond van Maandag jongstleden tusschen negen en tien ure.

Mevrouw Barclay behoort, naar het schijnt, tot de Roomsch-Katholieke kerk en stelde zeer veel belang in het gilde van St. George, dat in vereeniging met de Watt-Street-kapel was gesticht met het doel, de armen van afgedragen kleeren te voorzien. Dien avond om 8 uur hielden de leden van het gilde een vergadering en mevrouw Barclay haastte zich met eten, om op tijd tegenwoordig te wezen. Toen zij uitging, hoorde haar koetsier haar een paar woorden met haar echtgenoot spreken en hem verzekeren, dat zij niet lang zou uitblijven. Vervolgens bracht zij een bezoek aan Miss Morrison, die in de naaste villa woont en in gezelschap van deze dame ging zij naar de vergadering. Deze duurde slechts veertig minuten en om kwartier over negen keerde mevrouw Barclay naar huis terug, na van Miss Morrison bij haar woning afscheid genomen te hebben.

Op de villa Lachine is een kamer als ontvangkamer in gebruik. Dit vertrek ziet uit op den weg en heeft aan den kant van het grasperk openslaande glazen deuren. Het grasperk is dertig el in doorsnede en van den grooten weg gescheiden door een lagen muur met een ijzeren rasterwerk er boven op. In deze kamer ging mevrouw Barclay, toen zij weer thuis was gekomen. De jaloezieën waren niet neergelaten, want in den zomer werd het vertrek zelden gebruikt, maar mevrouw Barclay stak zelf de lamp op en schelde toen haar kamermeisje, Jane Stewart, wie zij verzocht haar een kop thee te brengen, iets dat geheel tegen haar gewoonte streed. De kolonel had den ganschen avond in de eetzaal gezeten, maar toen hij hoorde, dat zijn vrouw weer thuis was, kwam hij bij haar in de ontvangkamer. De koetsier zag hem in de gang en de kamer binnengaan. Het was de laatste maal, dat hij levend werd gezien.

Na verloop van een minuut of tien kwam het dienstmeisje met den kop thee, maar toen zij de deur der kamer naderde, hoorde zij tot haar verbazing haar meester en meesteres heftig met elkaar twisten. Zij tikte aan de deur, doch kreeg geen antwoord; toen draaide zij aan den deurknop, waarop zij bemerkte, dat de deur van binnen was gesloten. Heel natuurlijk liep zij toen naar beneden, om haar bevinding aan de keukenmeid mede te deelen, waarna de beide vrouwen en de koetsier de trap opklommen en in de gang luisterden naar den twist, die nog niet geëindigd was. Zij stemmen alle drie daarin overeen, dat er slechts twee stemmen werden gehoord, die van Barclay en van zijn vrouw. De stem van Barclay was onderworpen en zenuwachtig, zoodat de luisteraars er niets van verstonden. Zijn vrouw daarentegen sprak op luiden, verbitterden toon, en wanneer zij somwijlen haar stem verhief, konden haar woorden zeer duidelijk worden verstaan. „Gij, lafaard!” riep zij herhaaldelijk. „Wat moet er nu gedaan worden? Geef mij mijn leven terug! Ik wil niet meer dezelfde lucht inademen als gij. Gij, lafaard! Gij, lafaard!” In dergelijke uitingen en beschimpingen luchtte zij haar drift, tot haar man plotseling een vreeselijken kreet slaakte, onmiddellijk gevolgd door geraas en een doordringenden gil van de vrouw. Overtuigd, dat er een ongeluk was gebeurd, snelde de koetsier naar de deur en trachtte die met geweld te openen, terwijl van binnen nog voortdurend zich het gegil liet hooren. Het gelukte hem echter niet naar binnen te komen en de beide meiden waren te zeer van streek door den schrik, dan dat zij in staat waren hem te helpen. Plotseling echter schoot hem een gedachte te binnen en hij liep de gang door naar het grasperk, waarop de kamer uitzag. Een der vensters stond open, wat, geloof ik, in den zomer gewoonte was, en zonder moeite kwam hij in de kamer. Zijn meesteres had opgehouden te gillen en lag bewusteloos op een sofa uitgestrekt, terwijl de ongelukkige kolonel morsdood lag, te midden van een plas bloed, met zijn hoofd op den grond nabij den haard en zijn eenen voet over de leuning van een fauteuil.

De eerste gedachte van den koetsier, toen hij zag niets meer voor zijn meester te kunnen doen, was natuurlijk, de deur te openen. Maar hier deed zich een bijzondere en onverwachte moeilijkheid voor. De sleutel stak niet aan de binnenzijde in de deur en was ook nergens in de kamer te vinden. Hij begaf zich daarom weer door het raam naar buiten en keerde met een politiebeambte en een geneesheer terug. Mevrouw Barclay, op wie natuurlijk zware vermoedens rustten, werd in nog steeds bewusteloozen toestand naar haar kamer gebracht. Toen werd het lijk van den kolonel op een sofa geplaatst en in de kamer, waar het vreeselijk drama was voorgevallen, een nauwkeurig onderzoek ingesteld.

De wonde, waaraan de kolonel was bezweken, scheen een twee duim lange snede aan het achterhoofd te zijn, waarschijnlijk toegebracht door een hevigen slag met een stomp wapen. Ook was het volstrekt niet moeilijk te gissen, welk wapen dit was geweest. Op den vloer, dicht bij het lijk, lag een knots van hard hout, versierd met snijwerk en een beenen greep.

De kolonel bezat een rijke verzameling wapenen, medegebracht uit de verschillende landen, waarin hij had gestreden, en de politie vermoedt, dat deze knots tot die verzameling behoorde. De bedienden ontkennen die knots vroeger ooit gezien te hebben, maar onder de talrijke merkwaardige voorwerpen, die in het huis aanwezig zijn, is het mogelijk, dat zij deze knots hebben over 't hoofd gezien. Er werd overigens niets van gewicht door de politie in de kamer ontdekt; ook zij moest het onverklaarbare feit constateeren, dat noch op mevrouw Barclay, noch op het lijk of op eenige plaats in de kamer de vermiste deursleutel werd gevonden. De deur moest later door een slotenmaker van Aldershot worden opengestoken.

Zoo was de stand van zaken, Watson, toen ik Dinsdagmorgen op verzoek van majoor Murphy naar Aldershot reisde, om de politie in haar nasporingen te helpen. Gij zult het met mij eens zijn, dat de zaak reeds zeer belangwekkend was, maar mijn onderzoekingen brachten mij dra tot de overtuiging, dat de waarheid nog veel buitengewoner zou wezen, dan ze op het eerste gezicht schijnt.

Aleer de kamer te onderzoeken, onderwierp ik de bedienden aan een aantal kruisvragen, hetgeen geen andere feiten dan de reeds gemelde aan het licht bracht. Nog een bijzonderheid van belang werd door Jane Stewart, het kamermeisje, medegedeeld. Gij zult u herinneren, dat zij op het gerucht van den twist naar beneden ging en met de andere bedienden terugkeerde. Zij zegt, dat den eersten keer, toen zij haar meesteres hoorde, de stemmen zoo laag gedaald waren, dat zij ternauwernood iets hoorde en alleen uit den toon van spreken kon opmaken, dat er twist was. Toen ik haar evenwel nader ondervroeg, herinnerde zij zich ook twee keer het woord „David” uit den mond van mevrouw Barclay gehoord te hebben. Dit punt is van het hoogste gewicht voor het leeren kennen van de oorzaak van den twist. Zooals ge u wellicht zult herinneren, is des kolonels voornaam James.

In deze zaak was één feit, dat zoowel op de bedienden als op de politie den diepsten indruk maakte. Dit was de verwrongenheid van des kolonels gezicht. Volgens hun verhaal had dit gezicht een uitdrukking van schrik en angst zoo vreeselijk, als met mogelijkheid op een menschelijk gelaat kan te lezen staan. Het was duidelijk, dat hij zijn lot heeft voorzien en dat het hem den grootsten schrik heeft veroorzaakt. Dit kwam natuurlijk vrij wel overeen met de meening van de politie, dat de kolonel gezien kan hebben, dat zijn vrouw hem wilde vermoorden. Ook de omstandigheid, dat de doodelijke wond hem op het achterhoofd was toegebracht, behoefde daarmede niet in strijd te wezen, daar hij zich zeer goed kan hebben omgekeerd, om den slag te ontwijken. Van mevrouw Barclay zelf konden geen inlichtingen verkregen worden, daar zij tijdelijk ziek lag aan een hevigen aanval van zenuwkoortsen.

Van de politie vernam ik nog, dat Miss Morrison, die, zooals ik u reeds mededeelde, op den bewusten Maandagavond met mevrouw Barclay naar de vergadering ging, zegt, volstrekt niet te weten, wat de oorzaak was van het slechte humeur, waarin haar vriendin naar huis kwam.

Nadat ik aldus deze bijzonderheden had vernomen, Watson, rookte ik er verscheiden pijpen over, trachtende de feiten, die een gevolg waren van een vooraf beraamd plan, te scheiden van die, welke bloot toevallig waren. Voor mij was het meest kenmerkende en meest beteekenende punt in de gansche geschiedenis, de zonderlinge verdwijning van den deursleutel. Zelfs na het nauwkeurigste onderzoek werd hij niet in de kamer gevonden. Daarom mogen we aannemen, dat hij weggenomen is. Maar dit kan niet zijn door den kolonel, noch door zijn vrouw. Dat was volkomen duidelijk. Daarom moet er nog een derde persoon in de kamer zijn geweest. Gij kent mijn methode van onderzoek, Watson; niet eene, die ik bij deze gelegenheid verzuimde in praktijk te brengen. En ik kwam daardoor eenige zaken op 't spoor, die zeer veel verschillen van die, welke ik verwacht had. Er is behalve kolonel Barclay en zijn vrouw een man in de kamer geweest, die van den weg komende over het grasperk is geloopen. Ik heb vijf duidelijke indrukken van zijn voeten gezien — een op den weg zelf, bij het punt waar hij den lagen muur om het grasperk is overgeklommen, twee op het grasperk, en twee zeer onduidelijke op de geverfde vloerplanken onder het venster, waardoor hij naar binnen is gekomen.

Waarschijnlijk is hij snel over het grasperk geloopen, want de indrukken van zijn teenen waren dieper dan die van zijn hielen. — En toch, die persoon deed mij niet verbaasd staan, maar wel zijn metgezel.”

„Zijn metgezel?”

Holmes haalde een groot vel vloeipapier uit zijn zak en vouwde het voorzichtig op zijn knie open.

„Wat denkt gij hiervan?” vroeg hij.

Het papier was bedekt met teekeningen, voorstellende de voetsporen van een klein dier. Het had vijf duidelijk te onderscheiden teenen, het spoor wees bovendien op lange nagels en de geheele voetindruk was ongeveer zoo groot als een dessertlepel.

„Het is een hond,” zeide ik.

„Hebt gij ooit gehoord van een hond, die tegen een gordijn opliep? Verscheiden sporen bewijzen mij, dat het dier dit gedaan heeft.”

„Een aap dan?”

„Maar het is niet het spoor van een aap.”

„Wat kan het dan wezen?”

„Noch hond, noch kat, noch aap, noch ieder ander ons bekend dier. Ik heb getracht het uit de afmetingen te construeeren. Hier zijn vier afdrukken, waar het dier bewegingloos heeft gestaan. Gij ziet, dat het niet minder dan vijftien duim van den voor- naar den achterpoot groot is. Voeg daarbij de lengte van nek en kop en gij krijgt een dier van niet minder dan twee voet lengte — waarschijnlijk meer, als het ook een staart heeft. Maar let nu eens op een andere afmeting. Het dier heeft zich bewogen en wij hebben de lengte van zijn stap, die in geen enkel geval grooter dan drie duim is. Hierdoor hebben wij, zooals ge ziet, de aanwijzing, dat het een dier moet zijn met een betrekkelijk lang lichaam en zeer korte pooten. Het heeft niet zooveel attentie voor ons gehad om eenige van zijn haren achter te laten, maar het heeft over 't geheel een lichaamsvorm, zooals ik heb aangeduid, en het kan tegen een gordijn oploopen en is een vleeschetend dier.”

„Hoe weet gij dat?”

„Omdat het tegen het gordijn is opgeklommen. In het raam hing een kooi met een kanarie en nu schijnt het dier plan gehad te hebben den vogel te bemachtigen.”

„Wat was het dan voor een beest?”

„O, als ik dat wist, dan zouden we zeer nabij de oplossing zijn. Alles in aanmerking genomen, komt het mij waarschijnlijk voor, dat het een dier was, behoorende tot het geslacht der wezels; intusschen grooter dan eenig dier van dit geslacht, dat ik ooit gezien heb.”

„Maar wat heeft dit nu met de misdaad te maken?”

„Dat ligt nog in het duister. Maar wij weten nu reeds veel, zooals gij ziet. Wij weten, dat er op den weg een man stond, die naar den twist tusschen den heer Barclay en zijn vrouw keek, dat de jaloezieën opgetrokken waren en in de kamer licht brandde. Wij weten verder, dat hij over het grasperk liep, de kamer binnentrad met een vreemd dier bij zich en dat hij òf den kolonel den doodelijken slag toebracht, òf, wat evenzeer mogelijk is, dat de kolonel van louter schrik, toen hij hem zag, neerviel met zijn hoofd op den rand van den haard en daardoor zich wondde. Ten slotte staan we hier nog voor het merkwaardige feit, dat de binnengekomene bij zijn vertrek den deursleutel medenam.”

„Uw ontdekkingen maken mijns inziens de zaak nog duisterder, dan zij eerst was,” zeide ik.

„Juist opgemerkt, men kan er zeker uit opmaken, dat de zaak dieper ligt, dan men aanvankelijk zou oordeelen. Ik heb er over nagedacht en ben tot de slotsom gekomen, dat ik de zaak van een anderen kant moet beschouwen en trachten op te helderen. Maar ik geloof, Watson, dat ik u onnoodig ophoud, daar ik u het overige morgen even goed op onze reis naar Aldershot kan vertellen.”

„Dank u wel, gij zijt nu reeds te ver gegaan, om mij niet alles mede te deelen.”

„Ik was overtuigd, dat er, toen mevrouw Barclay 's avonds om half acht haar woning verliet, tusschen haar en haar man geenerlei twist was voorgevallen. Zij bezat nooit, zooals ik reeds gezegd heb, een hartstochtelijke genegenheid voor haar man, maar de koetsier hoorde toch, dat zij bij het heengaan op vriendschappelijken toon met den kolonel sprak. Nu was het eveneens zeker, dat zij onmiddellijk na haar thuiskomst zich naar de kamer begaf, waarin zij de minste kans had haar echtgenoot te ontmoeten, dat zij zenuwachtig om thee heeft gescheld en ten slotte, toen haar man binnenkwam, in hevige beschuldigingen tegen hem is uitgevaren. Er moet daarom tusschen half acht en negen uur iets zijn voorgevallen, dat haar gevoelens jegens haar echtgenoot geheel veranderd heeft. Maar dien geheelen tusschentijd is Miss Morrison in haar gezelschap geweest en ik was daarom, trots haar ontkenning, er volkomen van overtuigd, dat deze iets van de zaak moest afweten.

In 't eerst dacht ik, dat er mogelijk eenige betrekking tusschen genoemde jonge dame en den kolonel had bestaan, wat de eerste thans aan mevrouw Barclay bekend had. Daaruit ware dan de toorn van des kolonels vrouw bij haar terugkomst te verklaren en eveneens het feit, dat Miss Morrison ontkende, dat er iets was gebeurd. Ook zou dit geenszins ondenkbaar wezen met het oog op de woorden, gedurende den twist door de bedienden gehoord. Maar hoe was dit nu weer te rijmen met het in drift uitspreken van den naam „David” en de bekende genegenheid van den kolonel voor zijn vrouw, zonder nog te spreken van de tragische tusschenkomst van dien onbekenden man, welke natuurlijk nog niet behoeft samen te hangen met hetgeen even te voren was gebeurd. Alles samen genomen, was ik wel geneigd het denkbeeld te laten varen, dat er eenige betrekking tusschen den kolonel en Miss Morrison bestond, maar was ik meer dan ooit overtuigd, dat de jonge dame de oorzaak kende van de plotseling ontstane vijandschap tusschen mevrouw Barclay en haar echtgenoot. Ik nam daarom natuurlijk den maatregel, Miss Morrison een bezoek te brengen, waarbij ik haar verklaarde, dat ik volkomen overtuigd was, dat zij wist, wat er was voorgevallen en haar verzekerde, dat op haar vriendin, mevrouw Barclay, zware verdenking rustte, tenzij de zaak mocht worden opgehelderd.

Miss Morrison is een klein, tenger meisje met schuchteren oogopslag en blond haar, maar ze is geenszins ontbloot van schranderheid en gezond verstand. Nadat ik gesproken had, dacht zij eenigen tijd na, wendde zich toen met iets vastberadens in haar voorkomen tot mij en legde de volgende verklaring af, die ik u in 't kort zal mededeelen:

„Ik beloofde mijn vriendin, dat ik niet over de zaak zou spreken en een belofte moet men houden,” sprak zij. „Doch indien ik haar wezenlijk kan helpen, nu er zulk een zware beschuldiging tegen haar wordt ingebracht en haar eigen mond door ongesteldheid is gesloten, houd ik mij van mijn belofte ontheven en zal ik u precies vertellen, wat er Maandagavond is voorgevallen.

Wij kwamen ongeveer kwart voor negen uit Watt-Street en moesten op onzen weg naar huis door de Hudson-Street, een zeer stille straat. Er bevindt zich bovendien slechts één lantaarn, op de linkerzijde, en toen wij deze lantaarn naderden, zag ik een man met gebogen rug en een soort doos op den rug naar ons toe komen. Hij scheen mismaakt te zijn, want hij droeg het hoofd omlaag en liep met gekromde knieën. Juist toen wij hem voorbijliepen, hief hij het hoofd op, om in het licht, dat de straatlantaarn uitstraalde, ons aan te zien, doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij bleef staan en riep op vreeselijken toon: „Mijn God, het is Nancy!” Mevrouw Barclay werd zoo wit als een lijk en zou neergestort zijn, had die verschrikkelijk uitziende man haar niet ondersteund. Ik wilde de politie gaan halen, maar tot mijn verbazing sprak mijn vriendin zeer beleefd met den kerel.

„Ik heb nu dertig jaar gedacht, dat gij dood waart, Henry,” sprak zij met ontroerde stem.

„Dat was ik ook,” antwoordde hij: en vreeselijk was de toon, waarop hij deze woorden sprak. Hij had een donker, schrikwekkend gelaat en zulk een vreeselijke uitdrukking in zijn oogen, dat ik ze in mijn droom voor mij zag. Zijn haar en baard waren grijzend en zijn gezicht vol plooien en rimpels als een gedroogde appel.

„Wandel maar een eindje vooruit, lieve; ik moet een paar woorden met dezen man spreken; je behoeft nergens bang voor te wezen,” zeide mevrouw Barclay. Zij trachtte kalm te spreken, maar zij was nog doodsbleek en kon ternauwernood een woord uitbrengen.

Ik voldeed aan haar wensch en zij praatten een oogenblik met elkaar. Toen kwam mijn vriendin met fonkelende oogen de straat af en ik zag den gebrekkigen ellendeling bij den lantaarnpaal staan en zijn dichtgeknepen vuisten in de lucht schudden, alsof hij krankzinnig van woede was. Zij sprak geen woord, tot wij hier aan de deur kwamen; toen vatte zij mijn hand en smeekte mij, niemand iets te vertellen van hetgeen onderweg was gebeurd. „Het is een oude kennis van mij, wien het in de wereld is tegengeloopen,” sprak zij. Toen ik beloofde, dat ik zou zwijgen, kuste zij mij en sedert heb ik haar niet weergezien. Ik heb u nu de geheele waarheid gezegd en dat ik dit de politie niet heb medegedeeld, geschiedde, omdat ik toen nog niet wist, in welk gevaar mijn lieve vriendin zich bevond. Ik weet, dat het niet anders dan in haar voordeel kan zijn, als alles bekend is.”

Dat was haar verklaring, Watson, en gij kunt wel begrijpen, dat die voor mij was als een lichtbaken op een donkeren weg. Allerlei, tot dusverre voor mij op zich zelf staande feiten, vertoonden zich thans op hun ware plaats en ik begon reeds een vage voorstelling van de opeenvolging der gebeurtenissen te krijgen. In de eerste plaats moest ik natuurlijk den man trachten te vinden, wiens verschijning zulk een indruk op mevrouw Barclay had gemaakt. Als hij zich nog in Aldershot bevond, zou dit niet moeilijk zijn. In Aldershot zijn niet zoo heel veel burgers en een mismaakt man moest er de aandacht getrokken hebben. Ik besteedde een dag om hem te zoeken, en op een avond, dezen zelfden avond, Watson, vond ik hem. De man heet Henry Wood; hij woont op een kamer in de straat, waar de beide vrouwen hem ontmoetten. Hij was nog slechts vijf dagen in Aldershot geweest. Verkleed als ambtenaar van de belastingen, had ik een zeer belangwekkend onderhoud met zijn hospita. De man is van beroep goochelaar en kunstenmaker, die 's avonds de cantines rondgaat en in elk een kleine voorstelling geeft. In de doos, die hij op zijn rug draagt, voert hij een klein beestje mede, dat zijn hospita nog al angst schijnt aangejaagd te hebben, want zij had vroeger nooit zulk een dier gezien. Volgens haar zeggen gebruikt hij het dier in enkele kunstverrichtingen. Ook vernam ik nog van zijn hospita, dat het een wonder is, dat de man leeft, als men in aanmerking neemt, hoe gebrekkig hij is, en dat hij soms in een vreemd dialect spreekt en zij hem de laatste twee nachten op zijn bed heeft hooren steunen en schreien. Hij was goed bij kas, maar bij het geld, dat hij haar als waarborg heeft gegeven, was een muntstuk, dat valsch scheen te zijn. Zij liet het mij zien; het was een Indische ropy.

Zoo ziet gij, mijn beste vriend, hoe wij met de zaak staan en waarom ik u noodig heb. Het is duidelijk, dat de vreemde man de beide dames, nadat deze zich verwijderd hadden, op een afstand volgde, dat hij door het raam den twist tusschen den kolonel en zijn echtgenoote zag en naar binnen snelde, en dat het dier, hetwelk hij bij zich had, uit de doos ontsnapte. Dat staat alles zoo goed als vast. Maar hij is de eenige persoon ter wereld, die ons precies kan vertellen, wat er in de kamer gebeurd is.”

„En zijt gij van plan het hem te vragen?”

„Zeer zeker, maar in tegenwoordigheid van een getuige.”

„En ben ik die getuige?”

„Ja, als gij zoo goed wilt zijn. Kan hij de zaak ophelderen, dan is 't goed. Weigert hij, dan hebben wij geen andere keus dan tegenover hem gebruik te maken van een bevel tot inhechtenisneming.”

„Maar hoe weet gij, dat wij hem bij onze aankomst nog te Aldershot zullen vinden?”

„Gij kunt u verzekerd houden, dat ik eenige voorzorgen heb genomen. Ik heb een van mijn jongens uit Baker-Street gelast een wakend oog op hem te houden en ik ben overtuigd, dat die hem als een klit zal aanhangen en gaan zal, waar hij gaat. Morgen vroeg zullen wij hem in Hudson-Street vinden, Watson; en nu moesten we maar ter ruste gaan, want ik zou gelooven zelf een misdaad te plegen, als ik u nog langer uit bed hield.”

Den volgenden dag 's middags kwamen wij op de plaats van het treurspel aan en terstond begaven wij ons naar Hudson-Street. Hoe bekwaam mijn vriend Holmes ook was in het verbergen van zijn gemoedsbewegingen, kon ik toch gemakkelijk zien, hoeveel moeite hem dit kostte, terwijl ik zelf het opwekkend genoegen had, dat ik steeds ondervond, als ik mijn vriend in zijn nasporingen ter zijde stond.

„Dit is de straat,” zeide Holmes, toen hij een korte zijstraat insloeg aan weerszijden begrensd door een rij in baksteen opgetrokken huizen van twee verdiepingen. „Ha, hier is Simpson al om mij verslag te geven.”

„Het is alles met hem in orde, mijnheer Holmes,” riep een kleine straatjongen, op ons toe loopende.

„Goed, Simpson!” zei Holmes, hem op den schouder kloppend. „Hier heen, Watson, dit is het huis!” Hij gaf zijn kaartje af met de boodschap, dat hij kwam om over belangrijke zaken te spreken en een oogenblik later bevonden wij ons van aangezicht tot aangezicht met den man, om wien wij te Aldershot waren gekomen. Ofschoon het zeer warm was, zat hij bij een groot vuur en in de kamer was het heet, als in een oven. De man zat ineengedoken in zijn stoel en scheen zeer mismaakt, maar zijn gelaat, dat hij ons toekeerde en dat nu verweerd en verschrompeld was, toonde nog sporen van vroegere schoonheid. Hij zag ons met zijn met geel doorschoten oogen wantrouwend aan en zonder op te staan of een woord te spreken, gaf hij ons een wenk plaats te nemen.

„Wij hebben de eer, mijnheer Henry Wood te spreken, vroeger in Indië woonachtig, niet waar?” vroeg Sherlock Holmes. „Ik kom hier om u te spreken over den dood van mijnheer Barclay.”

„Wat zou ik u daarover kunnen mededeelen?”

„Dat is het juist, wat ik zou wenschen te weten. Gij begrijpt, zooals ik veronderstel, dat, tenzij de zaak opgehelderd mocht worden, mevrouw Barclay, die een oude vriendin van u is, van moord zal aangeklaagd worden.”

De man sprong verschrikt overeind.

„Ik weet niet, wie gij zijt,” riep hij, „noch hoe gij zijt te weten gekomen, wat gij weet; maar wilt gij zweren, dat gij mij de waarheid zegt?”

„Wel, men wacht slechts het oogenblik af, dat zij weer tot bewustzijn komt, om haar in hechtenis te nemen.”

„Mijn God! behoort gij zelf tot de politie?”

„Neen.”

„Wat hebt gij er dan mede te maken?”

„Het is ieders taak te zorgen, dat er recht geschiede.”

„Ik verzeker u plechtig, dat zij onschuldig is.”

„Zijt gij dan schuldig?”

„Neen, ik ben het niet.”

„Wie heeft kolonel James Barclay dan vermoord?”

„Het was een rechtvaardige Voorzienigheid, die hem doodde. Maar wees verzekerd, dat, indien ik hem zijn hersens had ingeslagen, zooals ik van plan was, hij niet meer dan zijn verdiende loon van mij gekregen zou hebben. Had zijn eigen schuldig geweten hem niet neergeveld, dan had ik mij waarschijnlijk nu zijn dood te wijten. Gij wenscht, dat ik u de geschiedenis zal vertellen? Nu, ik weet niet, waarom ik het niet zou doen, want er is geen enkele reden, waarom ik mij er voor zou schamen.

„De geschiedenis heeft zich als volgt toegedragen. Gij ziet mij nu gebocheld en geheel misvormd voor u; maar er was een tijd, dat korporaal Henry Wood de knapste kerel heette in het 177e regiment infanterie. Wij waren indertijd in Indië in garnizoen, als ik 't mij goed herinner in het plaatsje Burthee. Barclay, die nu gestorven is, was sergeant in dezelfde compagnie, waarin ik diende, en de schoone van het regiment, — het mooiste meisje, dat ooit bestaan heeft, — was Nancy Devoy, de dochter van den sergeant-majoor. Er waren twee mannen, die haar beminden en er was er een, dien zij liefhad; en gij zult glimlachen, als gij ziet naar dezen armen man, die hier in gekromde houding voor het vuur zit en hij u zegt, dat hij het was, wien haar liefde gold. —

„Doch ofschoon ik haar hart bezat, wilde haar vader, dat zij zou trouwen met Barclay. Ik was een lichtzinnige, roekelooze knaap, en Barclay had opvoeding genoten en betere vooruitzichten dan ik. Maar het meisje bleef mij trouw, en het scheen, dat ik haar ook zou krijgen, toen eensklaps de muiterij uitbrak en het geheele land in opstand kwam.

„Wij waren in Burthee opgesloten; ons regiment met een halve batterij artillerie, een compagnie Sikhs (Indische soldaten) en een menigte burgers en vrouwen. Wij werden belegerd door tien duizend rebellen. In de tweede week nadat wij ingesloten waren, kregen wij gebrek aan drinkwater en het was nu voor ons de vraag, of wij ons in verbinding konden stellen met de kolonne van generaal Neill. Dit was onze eenige kans op behoud, want wij mochten er niet op rekenen, dat wij ons met al de vrouwen en kinderen door den vijand zouden heenslaan, en daarom bood ik vrijwillig aan, mij buiten onze linie te begeven en generaal Neill in kennis te stellen van het gevaar, waarin wij ons bevonden. Mijn voorstel werd aangenomen en ik sprak er over met sergeant Barclay, die geacht werd de plaatselijke gesteldheid beter te kennen dan iemand anders en die den weg aangaf, waarlangs ik moest trachten door de vijandelijke liniën te komen. Nog denzelfden avond om tien uur begaf ik mij op weg. Er waren een duizend menschen te redden, doch toen ik dien nacht over den vestingmuur klom, dacht ik slechts aan het leven van één van die duizend.

„Mijn weg liep door een drogen waterloop, waardoor ik hoopte verborgen te blijven voor de blikken der vijandelijke schildwachten, doch bij een bocht van mijn pad liep ik een zestal van hen regelrecht tegemoet, die mij in de duisternis zaten af te wachten. In een oogwenk lag ik door een hevigen slag bedwelmd op den grond en werd aan handen en voeten gebonden. Doch niet aan mijn hoofd, maar in mijn hart gevoelde ik de meeste pijn, want toen ik tot bewustzijn kwam en luisterde naar hetgeen mijn vijanden onder elkaar spraken, vernam ik uit hetgeen ik van hun taal kon verstaan, dat mijn kameraad, dezelfde man, die gezegd had welken weg ik moest kiezen, verraad jegens mij had gepleegd en mij door middel van een inlandschen bediende in de handen van den vijand had overgeleverd.

„Het is niet noodig bij dit deel van mijn geschiedenis langer stil te staan. Gij weet nu, waartoe James Barclay in staat was. Den volgenden dag werd Burthee door generaal Neill ontzet, maar toen de opstandelingen terugtrokken, namen zij mij mede, en het duurde vele lange jaren, eer ik weer een blanke zag. Ik werd gepijnigd en trachtte te ontvluchten, werd opnieuw gevangen genomen en weer gepijnigd. Gij kunt zelf zien, in welken treurigen toestand zij mij brachten. Eenigen van de opstandelingen, die de wijk namen naar Nepaul, namen mij mede, doch later werden de rebellen, die mij gevangen hielden, door het bergvolk vermoord en ik geraakte in slavernij. Ik ontsnapte, doch in plaats van zuidwaarts te vluchten, begaf ik mij naar 't noorden, tot ik in Afghanistan kwam. In dit land trok ik verscheiden jaren rond en ten laatste kwam ik terug in de Pendjab, waar ik doorgaans onder de inboorlingen leefde en in mijn levensonderhoud voorzag door het vertoonen van goocheltoeren, die ik had geleerd. Waartoe zou het mij, arme kreupele, dienen naar Engeland terug te keeren, of mij zelf aan mijn vroegere kameraden bekend te maken? Zelfs mijn verlangen naar wraak kon mij daartoe niet bewegen. Ik had liever dat Nancy en mijn oude kameraden zouden denken, dat Henry Wood dood was, dan dat hij nog leefde en met behulp van een stok langs den grond kroop als een chimpansee. Zij hebben altijd gemeend, dat ik dood was en ik was voornemens hen steeds in dien waan te laten. Ik hoorde, dat Barclay met Nancy gehuwd was en snelle promotie in het regiment maakte, maar zelfs dat deed mij niet spreken.

„Doch als iemand oud wordt, verlangt hij naar huis. Jaren lang droomde ik van de mooie groene velden en de tuinen van Engeland, tot ik ten slotte besloot ze terug te zien, voor ik ging sterven. Ik bespaarde genoeg om den overtocht te kunnen betalen, en toen kwam ik hierheen, waar de soldaten zijn, want ik ken hun levenswijze en versta de kunst hen te vermaken en daarmee genoeg te verdienen om te kunnen leven.”

„Uw verhaal is zeker belangwekkend,” zeide Sherlock Holmes. „Ik heb reeds vernomen, dat gij mevrouw Barclay hebt ontmoet, en dat gij elkaar wederkeerig hebt herkend. Zooals ik vermoed, zijt gij haar toen naar huis gevolgd en hebt gij door het venster den twist gezien tusschen haar en haar echtgenoot, waarin zij hem zonder twijfel zijn gedrag jegens u verweet. Gij waart u zelf niet meester en zijt over het grasperk onverwachts de kamer binnengedrongen.”

„Zoo was het, mijnheer, en toen hij mij herkende, keek hij, zooals ik nooit te voren een man heb zien kijken, en hij viel met zijn hoofd op den rand van den vuurhaard. Maar hij was al dood, eer hij viel. Ik las den dood op zijn gezicht even gemakkelijk als ik die woorden daar boven den haard lees. Het gezicht van mij alleen was een kogel door zijn schuldig hart.”

„En toen?”

„Toen viel Nancy in zwijm en ik rukte haar den sleutel uit de hand, van plan de deur te ontsluiten en hulp te halen. Maar terwijl ik daarmede bezig was, kwam de gedachte bij mij op, dat het beter zou wezen te vertrekken, wijl er anders wel eens vermoedens tegen mij konden oprijzen en mijn geheim aan 't licht zou komen, als ik gearresteerd werd. In mijn haast stak ik den sleutel in den zak en liet den stok vallen, terwijl ik Teddy achterna joeg, die tegen het gordijn was opgeklommen. Toen ik hem weder in de doos had gestopt, waaruit hij was ontsnapt, maakte ik mij zoo snel ik kon uit de voeten.”

„Wie is Teddy?” vroeg Holmes.

De man boog zich voorover en trok de schuif op van een soort hok, dat in een hoek der kamer stond. Terstond kwam er een mooi, roodachtig bruin dier uit, tenger en lenig, met korte pooten en langen dunnen neus en twee van de mooiste roode oogen, die ik ooit in den kop van een dier gezien heb.

„'t Is een Mongoolsche kat!” riep ik.

„Sommigen noemen hem zoo. Ik noem hem slangendooder, en Teddy is verbazend tuk op cobra's. Ik heb er hier een, dien ik zijn gifttanden heb uitgebroken; en elken avond vangt Teddy hem om de soldaten in de cantine te vermaken. Wenscht gij nog meer inlichtingen, mijnheer?”

„Het kan wezen, dat wij u als getuige laten roepen, zoo mevrouw Barclay in ernstige moeilijkheden komt.”

„In dit geval zou ik natuurlijk komen.”

„Zoo dit echter niet noodig mocht zijn, zullen wij over die oude geschiedenis den doode maar geen schande aandoen, hoe schuldig hij ook moge wezen. Gij hebt althans de voldoening te weten, dat hij dertig jaren over zijn slechte daad gewetenswroeging had. Hé, daar aan de overzijde gaat majoor Murphy voorbij. Goeden morgen, mijnheer Wood; ik zou gaarne willen weten, of er sedert gisteren nog iets bijzonders is gebeurd.”

Wij konden den majoor nog inhalen, voor hij den hoek der straat omsloeg.

„Hé, Holmes, gij zult zeker al gehoord hebben, dat al de drukte op niets is uitgeloopen,” zeide hij.

„Hoezoo?”

„Het onderzoek is juist geëindigd. De geneeskundigen verklaren, dat de dood een gevolg is van een beroerte. Gij ziet, dat het bij slot van rekening een eenvoudige zaak was.”

„O, merkwaardig eenvoudig,” zei Holmes glimlachend. „Kom, Watson, ik geloof niet, dat men ons hier in Aldershot nog langer noodig heeft.”

„Eén ding is in deze geschiedenis opmerkelijk,” zeide ik, terwijl wij naar het station wandelden: „daar de voornaam van Barclay, James is, en die van den ander Henry, wat kan dan toch dat woord „David” beduid hebben?”

„Dat eene woord, mijn beste Watson, zou mij de gansche geschiedenis verteld hebben, indien ik de schranderheid bezat, die gij mij zoo gaarne toekent. Dat woord hield klaarblijkelijk een verwijt in.”

„Een verwijt?”

„Ja, David zondigde immers, zooals gij weet, op dezelfde wijze als sergeant James Barclay. Ge kent toch ook de geschiedenis van Uria en Bathseba. Ik ben niet zeer vast meer in mijn bijbelkennis, doch gij kunt het verhaal vinden in het eerste of tweede hoofdstuk van Samuel.”




II.

De afgesneden ooren


Het was een smoorheete dag in Augustus. Baker-Street geleek een oven en de schittering van het zonnelicht op de gele baksteenen muren deed de oogen pijnlijk aan. Men kon ternauwernood gelooven, dat dit dezelfde muren waren, die in den grijzen mist van den winter zoo loom en triestig in vage omtrekken schemerden. De jaloezieën van onze kamer waren ten halve neergelaten en Holmes lag met gekromde knieën op de canapé, een brief, dien hij met de ochtendpost had ontvangen, lezende en herlezende. Wat mij zelf betreft, mijn verblijf in Indië was oorzaak, dat ik beter tegen de hitte dan tegen de koude kon en een thermometerstand van 90 graden vond ik niets onaangenaams. Maar het ochtendblad behelsde niets, wat mij belang inboezemde. Het parlement was op reces. Iedereen was uit de stad en ik snakte naar het bosch of naar het strand van de zee.

Ten gevolge van een schrale kas had ik mijn vertrek uit de stad uitgesteld. Voor mijn vriend Holmes had het verblijf op het land of aan de zee niet de minste aantrekkelijkheid. Hij hield er van te midden van de vijf millioen bewoners van Londen te leven met zijn voelhorens uitgestrekt, lettende op het minst verdacht gerucht van een ongestraft gebleven misdaad.

Een oogenblik te voren hadden wij een gesprek gevoerd over de kunst van iemands gedachten te kunnen lezen. Holmes had mij bewezen, dat deze kunst onder zijn vele talenten behoorde. Onverwachts stoorde Holmes mij in mijn mijmering.

„Ik heb hier een vraagstuk, dat zal kunnen blijken moeilijker verstaanbaar te wezen dan de onbeduidende proeve, die ik u van mijn kunst van gedachten-lezen heb gegeven,” zeide hij. „Hebt gij in uw dagblad het bericht opgemerkt betreffende den merkwaardigen inhoud van een pakket, over de post gezonden aan Miss Susan Cushing, Cross-Street, Croydon?”

„Neen, ik zag niets.”

„Dan moet gij het over het hoofd hebben gezien; reik mij de krant eens toe. Hier staat het bericht onder de rubriek financieele berichten. Ge zult toch wel zoo goed willen zijn, mij het bericht voor te lezen.”

Ik nam de krant op, die hij mij had toegeworpen en las het volgende bericht:

„Een gruwelijk pakket. Miss Susan Cushing, wonende in Cross-Street, Croydon, is het slachtoffer van een daad, die als een afschuwwekkende grap beschouwd moet worden, tenzij nader aan 't licht mocht komen, dat daaraan een treuriger bedoeling ten grondslag ligt. Gisteren namiddag om twee uur werd haar door een postbeambte een in bruin papier gewikkeld pakket overhandigd. Binnen in zat een doos met grof zout. Bij het ledigen hiervan vond Miss Cushing tot haar schrik twee menschenooren, die oogenschijnlijk eerst pas geleden waren afgesneden. De doos was den vorigen morgen van Belfast verzonden. Men heeft niet de minste aanwijzing, om den afzender te ontdekken en de zaak lijkt te geheimzinniger, daar Miss Cushing, die een ongehuwde dame van vijftig jaar is, een zeer afgezonderd leven heeft geleid, zoo weinig kennissen heeft en zoo weinig briefwisseling houdt, dat het voor haar een buitengewone gebeurtenis is, iets over de post te ontvangen. Eenige jaren geleden evenwel, toen zij te Penge woonde, verhuurde zij kamers aan drie jonge studenten in de medicijnen, wien zij de huur opzegde wegens hun luidruchtig en ongeregeld leven. De politie is van meening, dat deze jongelieden, die een hekel aan Miss Cushing hadden, haar de genoemde beleediging kunnen hebben aangedaan, in de hoop haar schrik aan te jagen door de toezending van deze reliquieën uit de ontleedkamer. Er is eenige grond voor deze meening, omdat een der studenten uit het noorden van Ierland kwam en naar Miss Cushing gelooft, uit Belfast. Intusschen is een ijverig onderzoek in deze zaak in gang en is Mr. Lestrade, een van de knapste detectives, het onderzoek in dezen opgedragen.”

„Tot zoover de Daily Chronicle,” zeide Holmes, toen ik met lezen ophield, „doch nu iets van onzen vriend Lestrade. Ik ontving dezen morgen van hem een briefje, waarin hij zegt: „Ik denk, dat dit geval iets voor u is. Wij hebben alle hoop de zaak tot klaarheid te brengen, maar hebben eenige moeilijkheid iets te vinden als uitgangspunt voor ons handelen. Natuurlijk verzonden wij een telegram naar het postkantoor te Belfast om nadere inlichtingen te vragen; maar dien dag werden een groot aantal pakjes ter verzending aangeboden en de beambten kunnen zich den afzender van het bewuste pakket niet herinneren. De van karton gemaakte doos heeft gediend voor een half pond tabak en kan ons geenerlei aanwijzing verstrekken. De onderstelling, dat de afzender een student in de medicijnen is, komt mij nog altijd het waarschijnlijkst voor. Als gij een paar uurtjes den tijd hebt, zou ik u zeer gaarne spreken. Ik ben den geheelen dag tot uw dienst, thuis of op het politiebureau.”

„Nu, wat zegt ge er van, Watson? Ziet ge niet tegen de hitte op, om met mij naar Croydon te gaan en de kans te hebben, nog een spannend verhaal voor uw kroniek op te doen?” vroeg Holmes, na de voorlezing van dat briefje.

„Ik verlangde er naar iets te doen.”

„Dan zult gij het hebben; schel om onze laarzen en bestel een rijtuig. Ik ben terug, zoodra ik mij gekleed en mijn sigarenkoker gevuld heb.”

Terwijl wij in den trein zaten, regende het en de hitte was in Croydon veel minder drukkend dan in de stad. Holmes had een telegram gezonden, zoodat Lestrade, als altijd bij de hand en op onderzoek belust, ons reeds aan het station wachtte. Na een minuut of vijf wandelens kwamen wij in Cross-Street, waar Miss Cushing woonde.

Het was een zeer lange straat met huizen van gebakken steen, twee étages hoog, netjes en stijf, met witgeschuurde steenen stoepen en hier en daar een groepje vrouwen uit den werkmansstand, pratende aan de deuren. Toen wij de straat ongeveer half ten einde hadden geloopen, bleef Lestrade staan en klopte tegen een deur, die onmiddellijk door een klein dienstmeisje werd geopend. Miss Cushing zat in de voorkamer, waarin wij werden binnengelaten. Zij was een vrouw met een zachtzinnig gelaat en vriendelijke oogen, grijzend haar, dat in zachte golvingen over haar slapen was gekamd. Op haar schoot lag een antimacasser, waaraan zij bezig was te werken, en op een tabouret naast haar stond een mandje met gekleurde zijden garens.

„Die vreeselijke dingen zijn in het tuinhuis,” zeide zij, zoodra Lestrade binnentrad. „Ik wou maar, dat gij ze medenaamt.”

„Dat zal ik ook, Miss Cushing. Ik liet ze daar enkel, opdat mijn vriend Sherlock Holmes ze in uw tegenwoordigheid zou kunnen zien.”

„Waarom in mijn tegenwoordigheid, mijnheer?”

„Omdat het mogelijk is, dat hij u iets zou wenschen te vragen.”

„Waartoe zou het dienen, mij iets te vragen, als ik u zeg, dat ik er niets van weet?”

„Ge hebt gelijk, mevrouw,” zei Holmes, op gewonen toegevend vriendelijken toon. „Zonder twijfel heeft deze geschiedenis u al meer gehinderd dan u lief is.”

„Zoo is het inderdaad, mijnheer. Ik ben een stille vrouw en leef eenzaam. Het is voor mij iets ongewoons, mijn naam in de kranten vermeld en politie bij mij aan huis te zien. Ik wilde die dingen hier niet hebben, mijnheer Lestrade; als gij ze wilt zien, moet gij in het tuinhuis gaan.”

Het was een kleine loods in den niet grooten tuin achter het huis. Lestrade ging er binnen en kwam een oogenblik later naar buiten met een bordpapieren doos in een stuk papier gewikkeld en met koord dichtgebonden. Aan den kant van het tuinpad stond een bank en daarop gingen wij een poosje zitten, en bekeek Holmes een voor een de voorwerpen, die Lestrade hem had overhandigd.

„Het koord boezemt mij veel belang in,” zeide hij, het tegen het licht houdende en er aan ruikende. „Wat denkt gij van dit koord, Lestrade?”

„Het is geteerd.”

„Juist. Het is een stuk geteerd touw. Gij hebt eveneens zonder twijfel opgemerkt, dat Miss Cushing het met een schaar heeft doorgeknipt, zooals aan de uitrafeling aan beide einden gezien kan worden. Dit is van belang.”

„Ik zie hier het belang niet van in,” zei Lestrade.

„Het gewicht zit in het feit, dat de knoop onaangeroerd is gebleven en dat die knoop van een bijzonder soort is.”

„Het is zeer netjes gebonden. Ik had dit reeds opgeteekend,” antwoordde Lestrade.

„Tot zoover wat het koord betreft,” zei Holmes glimlachend, „en nu het papier, dat om de doos zit. Bruin papier met een duidelijken geur van koffie. Het adres geschreven in iets onregelmatig staande letters:

„Miss S. Cushing, Cross-Street, Croydon.” Geschreven met een breed gepunte pen, waarschijnlijk een J-pen en met zeer slechten inkt. Het woord Croydon is oorspronkelijk gespeld met i, die weer veranderd is in y. Het pakje is dus verzonden door een man — het schrift is bepaald dat van een man — van geringe opvoeding, die de stad Croydon niet kende. De doos is een gele halfponds tabaksdoos met niets bijzonders dan twee duimen als handelsmerk in den linkerhoek van den bodem. De doos is gevuld met grof zout, zooals men bezigt voor het bewaren van huiden. En daaronder verborgen liggen deze zonderlinge dingen.”

Bij de laatste woorden nam hij er beide ooren uit, en een plank op zijn knie leggende, bekeek hij ze nauwkeurig, terwijl Lestrade en ik naast hem gezeten naar het denkende, scherpe gelaat van Holmes keken. Ten slotte deed hij ze weer in de doos en zat een tijd in gedachten.

„Gij hebt natuurlijk opgemerkt,” zeide hij ten slotte, „dat de ooren geen paar zijn.”

„Ja, dat is mij niet ontgaan. Maar zoo dit een grap is van de studenten uit de ontleedkamer, moest het hun even gemakkelijk vallen, twee niet bij elkaar passende als een paar ooren te zenden.”

„Zoo is het. Maar we hebben hier niet met een grap te doen.”

„Zijt ge daar zeker van?”

„Het komt mij zeer onwaarschijnlijk voor. De lijken in de ontleedzaal worden bespoten met een vloeistof om ze voor bederf te bewaren. We kunnen niet zien, dat dit ook met deze ooren het geval is geweest. Daarbij zijn zij nog versch. Zij zijn met een stomp instrument afgesneden, dat zou niet gebeurd zijn, als een student het had gedaan. Bovendien, een student zou sterkwater of een ander voor bederf bewarende vloeistof en geen grof zout voor het verzenden gebezigd hebben. Ik herhaal, dat we hier niet met een grap te doen hebben, maar met een ernstige misdaad.”

Ik huiverde, toen ik deze woorden van mijn vriend hoorde en den grooten ernst op zijn gelaat zag. Deze voorafgaande brutale handeling scheen een afschuwelijke en onverklaarbare misdaad aan te kondigen. Lestrade schudde evenwel zijn hoofd als iemand, die nog maar half overtuigd is.

„Er is zonder twijfel iets in te brengen tegen de onderstelling, dat het hier slechts een grap geldt, maar tegen uw vermoedens is nog meer te zeggen,” sprak hij. „Wij weten, dat deze vrouw hier te Penge de laatste twintig jaar zeer teruggetrokken en fatsoenlijk heeft geleefd. Zij is al dien tijd hoogstens een dag van huis geweest. Wat in 's hemels naam zou iemand dan bewegen haar de bewijzen van zijn misdaad te zenden; vooral in aanmerking genomen — tenzij zij een volleerde tooneelspeelster is — dat zij even weinig van de zaak begrijpt als wij.”

„Dat is de zaak, die wij tot opheldering moeten brengen,” antwoordde Holmes, „en wat mij aangaat, ik zal mijn onderzoek beginnen met de onderstelling, dat mijn vermoeden juist is en dat er een dubbele moord is gepleegd. Een van deze ooren is dat van een vrouw, klein, fijn gevormd en voor een oorring doorboord. Het ander is dat van een man, met een door de zon gebruind gelaat; het is eveneens doorboord voor een oorring; deze twee menschen zijn vermoedelijk dood; anders zouden wij wel iets van hen vernomen hebben. Vandaag is het Vrijdag, het pakje is Donderdagmorgen op de post gedaan. Het treurspel is dus afgespeeld op Woensdag of Dinsdag l.l., misschien vroeger. Indien de beide menschen vermoord zijn, met welk doel zou de moordenaar dit bewijs van zijn misdadigen arbeid aan Miss Cushing gezonden hebben? Hij moet daarvoor zijn geldige reden gehad hebben. Doch welke reden? Hij moet het gedaan hebben, om haar te vertellen, dat de daad verricht is of misschien om haar te kwellen. Maar in dit geval weet zij, wie het is. Weet zij het? Ik betwijfel het. Indien zij het wist, waarom zou zij de hulp der politie inroepen? Zij kon de ooren hebben begraven en geen haan zou er naar gekraaid hebben. Zoo zou zij hebben gehandeld, indien het haar wensch was, de misdaad verborgen te houden. Maar als zij dit niet wenscht, zou zij haar naam noemen. Er is hier een raadsel, dat dient opgelost te worden.”

Holmes had dit alles luide en vlug gezegd, met vagen blik naar het tuinhek starende. Doch nu sprong hij vlug overeind en wandelde naar het huis.

„Ik heb Miss Cushing een paar dingen te vragen,” zeide hij.

„In dat geval moet ik u hier verlaten,” zei Lestrade, „want ik heb een ander zaakje aan de hand. Ik geloof, dat ik verder niets van Miss Cushing behoef te vernemen. Ge zult me op het politiebureau vinden.”

„Als wij naar den trein gaan, zullen wij even bij u aankomen,” zei Holmes. Een oogenblik later waren wij terug in de kamer, waar de dame nog rustig aan haar antimacasser werkte. Toen wij binnentraden, legde zij haar handwerk op haar schoot en zag ons aan met haar openhartige, onderzoekende blauwe oogen.

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zeide zij, „dat er hier een vergissing plaats had en dat het pakje niet voor mij was bestemd. Ik heb dit verscheiden keer aan dien heer van Scotland Yard gezegd, maar hij lachte om mijn opmerking. Zoover ik weet, heb ik geen enkelen vijand op de wereld, en waarom zou mij dan iemand die poets spelen?”

„Ik kom bijna tot dezelfde meening, Miss Cushing,” zeide Holmes, naast haar plaats nemende. „Ik denk zelfs, dat wat gij zegt meer dan waarschijnlijk is — ” hij zweeg even, en het was of hij met bijzonder veel belangstelling haar profiel beschouwde. Verbazing en voldoening waren voor een paar seconden op zijn gelaat te lezen, doch toen zij opzag, om de oorzaak van zijn zwijgen te kennen, waren zijn trekken effen als altijd. Ik zelf keek met aandacht naar haar plat liggend grijzend haar, mooie muts, kleine gouden ringen in haar ooren en naar haar kalm gelaat, doch ik zag niets, wat mij de verwondering van mijn vriend kon verklaren.

„Er doen zich hier twee vragen voor.”

„O, ik ben al vermoeid van al dat vragen!” riep Miss Cushing ongeduldig.

„Gij hebt twee zusters, geloof ik.”

„Hoe kunt gij dat weten?”

„Dadelijk, toen ik binnentrad, zag ik op den schoorsteenmantel een portretgroep van drie dames, waarvan een ongetwijfeld u zelf voorstelt, terwijl de beide anderen zoo op u gelijken, dat ik geen oogenblik twijfelde aan een nauwe verwantschap.”

„Ja, uw gissing is juist. Het zijn mijn zusters Sarah en Mary.”

„En hier naast mij staat een ander portret, te Liverpool genomen van een jongere zuster, in gezelschap van een man, die, naar zijn uniform te oordeelen, een hofmeester schijnt. Ik zie, dat zij destijds nog ongehuwd was.”

„Gij zijt een vlugge opmerker.”

„Dat is mijn beroep.”

„Ook deze gissing is juist. Doch een paar jaren geleden trouwde zij met Mr. Browner. Hij diende op de Zuid-Amerikaansche Stoomvaartlijn, toen dit portret werd genomen, maar hij hield zooveel van zijn jonge vrouw, dat hij er niet toe kon komen haar voor zoo langen tijd te verlaten en hij zocht daarom een betrekking op een boot tusschen Londen en Liverpool varende.”

„Op de Conqueror misschien?”

„Neen, op May Day, zooals ik onlangs vernam. Jim heeft mij hier één keer een bezoek gebracht. Dat was voor hij zijn belofte, om niet weer te drinken, verbrak: maar later dronk hij altijd te veel, als hij aan wal was en dan was hij half krankzinnig. Och, het was wel een ongelukkige dag, toen hij weer een glas in de hand nam. Eerst verbrak hij de vriendschap met mij; toen kreeg hij twist met Sarah en nu Mary heeft opgehouden met schrijven, weten wij niet, hoe het tegenwoordig met hen gaat.”

Het was duidelijk, dat Miss Cushing een onderwerp had aangeroerd, dat haar zeer ter harte ging. Als alle menschen, die een eenzaam leven leiden, was zij eerst terughoudend, maar toen het ijs eenmaal gebroken was, zeer mededeelzaam. Zij vertelde ons vele bijzonderheden aangaande haar schoonbroeder, den hofmeester, en sprak eveneens over haar vroegere bewoners, de studenten in de geneeskunde, van wier doen en laten zij een lang verhaal opdischte. Holmes luisterde aandachtig, er nu en dan een vraag tusschen werpende:

„Het verwondert mij, daar uw zuster Sarah ook nog ongetrouwd is, dat gij beiden niet samenwoont.”

„Als u Sarah's temperament kende, zou u dat niet meer verwonderen. Ik beproefde het, toen ik te Croydon kwam, en wij hielden het ongeveer twee maanden vol; daarna scheidden wij van elkaar. Ik wil geen woord ten nadeele van mijn eigen zuster zeggen; maar zij was altijd zeer bemoeiziek en moeilijk te voldoen.”

„Ge zeidet zooeven, dat zij ook twist had met uw familie te Liverpool.”

„Ja, en vroeger waren zij de beste vrienden. Zij ging zelfs in Liverpool wonen om dichter bij hen te wezen. En nu kan zij geen woord vinden, hard genoeg voor Jim Browner. Toen zij hier een maand of zes geleden voor het laatst was, sprak zij over niets anders dan over zijn drinken en zijn slecht gedrag. Hij had haar zeker laten merken, dat haar bemoeizucht hem niet beviel en dat was het begin.”

„Dank u, Miss Cushing,” zeide Holmes opstaande en beleefd buigende, „uw zuster woont, als ik u goed verstaan heb, te Wallington, niet waar? Het spijt mij, dat ik u zooveel moeite heb moeten berokkenen over een zaak, waarmede gij, zooals gij zegt, niets te maken hebt. Ik wensch u goeden morgen.”

Toen wij buiten waren, kwam er juist een cab voorbij. Holmes riep den koetsier.

„Hoever is het naar Wallington?” vroeg hij.

„Slechts ongeveer een mijl, mijnheer.”

„Zeer goed. Stap in, Watson. Men moet het ijzer smeden zoolang het heet is. Wij moeten regelrecht naar een telegraafkantoor, koetsier!”

Holmes verzond een kort telegram, en gedurende het verdere van den rit lag hij achterover in het rijtuig met den hoed over den neus gezonken. Ons rijtuig hield stil voor een huis, dat veel overeenkomst had met dat, hetwelk wij zooeven hadden verlaten. Mijn vriend gelastte den koetsier, op ons te wachten en had zijn hand op den klopper, toen de deur openging en een deftige jonge man met een erg glinsterenden hoed op 't hoofd op de stoep verscheen.

„Is Miss Sarah Cushing te huis?” vroeg Holmes.

„Miss Sarah Cushing is ernstig ongesteld,” was 't antwoord. „Sedert gisteren deden zich ernstige verschijnselen van een hersenziekte bij haar voor. Daar ik haar geneesheer ben, kan ik onmogelijk iemand tot haar toelaten en zou u daarom aanraden over een dag of tien terug te komen.”

Hij trok zijn handschoenen aan, deed de deur achter zich dicht en ging de straat op.

„Nu, als het niet kan, dan kan het niet,” zeide Holmes, goed gehumeurd.

„Misschien ook had ze u niet veel kunnen of willen vertellen.”

„Het was mijn verlangen niet, dat zij mij iets zou vertellen; ik wenschte haar alleen te zien. Mijns inziens weet ik nu alles, wat ik noodig heb te weten. Rijd ons naar een fatsoenlijk hotel, koetsier, waar wij een lunch kunnen gebruiken; daarna zullen wij vriend Lestrade aan zijn politiebureau opzoeken.”

Wij gebruikten een eenvoudig doch smakelijk maal; Holmes praatte onderwijl over niets anders dan over violen en vertelde met groote levendigheid, hoe hij zijn eigen stradivarius, die op zijn minst vijfhonderd pond waard was, aan een Joodschen handelaar voor vijf en vijftig shillings had verkocht. Dit bracht ons gesprek op Paganini en wij zaten een tijdlang gezellig onder een flesch wijn bij elkaar, terwijl hij mij de eene anecdote na de andere van dezen buitengewonen man vertelde. De namiddag was al voor een groot deel verstreken en de hitte had plaats gemaakt voor een meer aangename warmte, toen wij aan het politiebureau kwamen. Lestrade wachtte ons aan de deur.

„Er is een telegram voor u, mijnheer Holmes,” zeide hij.

„Ha, dat is het antwoord!” Hij scheurde de enveloppe open, zag het telegram door en stak het verkreukeld in zijn zak. „'t Is in orde,” zeide hij.

„Zijt gij al iets te weten gekomen?”

„Ik weet alles.”

„Wat! gij schertst!” sprak Lestrade, hem verbaasd aanziende.

„Ik spreek in vollen ernst. Er is een verschrikkelijke misdaad gepleegd en ik geloof, dat ik nu met alle bijzonderheden bekend ben.”

„En de misdadiger?”

Holmes schreef een paar woorden op den achterkant van zijn naamkaartje en reikte het toen aan Lestrade over.

„Die is het,” zeide hij. „Gij kunt niet voor morgen avond op zijn vroegst een arrestatie bewerkstelligen. Het zou mij lief zijn, dat gij mijn naam niet in verband met deze zaak noemt, daar ik er de voorkeur aan geef alleen bij misdaden genoemd te worden, aan wier ontdekking eenige moeilijkheid is verbonden. Kom, Watson!”

Wij wandelden naar het station, terwijl Lestrade achterbleef en met een verrukt gezicht op het kaartje bleef staren, dat Holmes hem had gegeven.

„Deze zaak,” zeide Holmes, toen wij dien avond in onze woning in Baker-Street een sigaar zaten te rooken, „is er een, die, om ze goed te verklaren, ons noodzaakt uit de gevolgen tot de oorzaken te komen. Ik heb Lestrade verzocht ons de bijzonderheden mede te deelen, die ons nu nog ontbreken en die hij eerst te weten zal komen, als hij den misdadiger in hechtenis heeft genomen. Dat kan hem veilig worden toevertrouwd, want ofschoon hij weinig schranderheid bezit, is hij zoo vasthoudend als een bulhond, als hij eenmaal weet, wat hij doen moet, en het is inderdaad deze taaie volharding, die hem tot de eerste en de beste van Scotland Yard heeft gemaakt.”

„Gij zijt dus niet volkomen op de hoogte?” vroeg ik.

„Wat het wezenlijke der zaak betreft, wel. Wij weten, wie de bedrijver van de afkeerwekkende misdaad is, ofschoon een van de slachtoffers ons nog niet bekend is. Natuurlijk hebt gij uw eigen gevolgtrekking gemaakt.”

„Ik vermoed, dat het die Jim Browner is, de hofmeester van een Liverpoolsche boot, dien gij verdenkt.”

„O, 't is meer dan verdenken.”

„En toch zie ik slechts enkele vage aanwijzingen.”

„Voor mij integendeel is alles volkomen helder. Laat mij u een overzicht geven van de hoofdfeiten. Zooals gij weet, hebben wij geheel onbevooroordeeld het onderzoek begonnen. Bij ons bestond nog niets, dat op een vooraf gevormde meening geleek en dit is in zulke gevallen altijd een voordeel. Wij kwamen eenvoudig om waar te nemen en uit onze waarnemingen gevolgtrekkingen te maken. Wat zagen wij het eerst? Een zeer zachtzinnige en deftige dame, die geheel onschuldig aan eenig geheim was; een portret, dat zij mij liet zien, leerde mij, dat zij twee zusters had. Het kwam mij onmiddellijk in de gedachte, dat de doos voor een van deze beiden bestemd was geweest. Toen gingen wij in den tuin, zooals gij u herinnert, en wij zagen den zonderlingen inhoud van de kleine gele doos.

Het koord was er een, zooals wordt gebezigd door de zeilmakers aan boord van een schip en ik begreep terstond, dat onze nasporingen zich ook tot de zee moesten uitstrekken. Toen ik zag, dat het koord was vastgemaakt met een zeemansknoop, dat het in een havenstad op de post was bezorgd en dat het mannenoor was doorboord voor een oorring, iets dat veel meer bij zeelieden voorkomt dan bij andere menschen, was ik zeker, dat al de personen uit het treurspel onder den zeemansstand te zoeken waren.

Toen ik het adres van het pakje nauwkeurig bekeek, zag ik, dat het was afgezonden aan Miss. S. Cushing. Ofschoon nu de voornaam van de oudste zuster met een S. begon, kon het pakje evengoed aan een van de andere zusters zijn afgezonden. In dat geval moesten wij onze nasporingen van een geheel nieuwe basis beginnen. Daarom ging ik in huis om dit punt tot klaarheid te brengen. Juist had ik Miss Cushing verzekerd, overtuigd te zijn dat er een vergissing had plaats gehad, toen ik, zooals gij u herinnert, plotseling ophield. Ik had onverwachts iets opgemerkt, dat mij in de hoogste mate verraste en het veld van ons onderzoek aanzienlijk beperkte.

Als medicus weet gij, Watson, dat er geen lichaamsdeel is, dat bij de veschillende menschen zooveel verscheidenheid aanbiedt als het menschelijk oor. Van geen twee menschen zijn de ooren precies gelijk. In het Anthropological Journal van het laatste jaar vindt gij over dit onderwerp twee korte opstellen van mijn hand. Ik had daarom de beide ooren in de doos met den blik van een deskundige bezien en hun anatomische bijzonderheden nauwkeurig opgeteekend. Stel u dus mijn verrassing voor, toen ik, Miss Cushing aanziende, opmerkte, dat haar oor nauwkeurig overeenkwam met het vrouwenoor, dat ik zooeven had bezichtigd. Daar was dezelfde kortheid van de pinna, dezelfde breedte van de bovenoorlel, dezelfde ronding van het binnenkraakbeen. In alle kenmerkende onderdeelen kwamen de ooren volkomen overeen.

Natuurlijk zag ik terstond het gewicht van deze waarneming in. Het slachtoffer is klaarblijkelijk en waarschijnlijk zelfs een zeer naaste bloedverwant. Ik begon met haar over haar familie te praten en gij zult u herinneren, dat zij ons opeens eenige zeer te waardeeren bijzonderheden meedeelde.

In de eerste plaats was de naam van haar zuster Sarah en was haar adres voor korten tijd hetzelfde geweest als het hare, zoodat het zeer goed te verklaren is, hoe de vergissing kon plaats hebben, en voor wie het pakket bestemd was. Vervolgens sprak zij over dien hofmeester, gehuwd met de derde zuster, en daarna vernamen wij, dat hij een tijdlang zoo goed bevriend met Sarah was geweest, dat deze zelfs naar Liverpool was gaan wonen, om meer in de nabijheid der Browners te wezen, doch later had een twist verwijdering tusschen hen doen ontstaan. Deze twist had zelfs voor eenige maanden alle briefwisseling doen ophouden, zoodat ingeval Browner een pakje aan Miss Sarah wilde afzenden, het zeer natuurlijk is, dat dit aan haar oude adres geschiedde.

En nu is de zaak zich vrijwel begonnen te ontwarren. Wij hoorden, dat Miss Cushing een hofmeester tot schoonbroeder heeft, een ondernemend, hartstochtelijk man. Wij hadden reden te gelooven, dat zijn vrouw vermoord is geworden en dat een man — vermoedelijk een zeeman — tegelijkertijd met haar is vermoord. Natuurlijk kwam onmiddellijk de gedachte bij mij op, dat jaloezie de beweegreden tot de misdaad was. En waarom zouden deze bewijzen van de daad aan Miss Sarah Cushing zijn gezonden? Waarschijnlijk omdat zij tijdens haar verblijf te Liverpool de feiten aanbracht, die tot het treurspel de aanleiding waren. Gij weet misschien, dat de stoomboot, waarop Browner vaart, Belfast, Dublin en Waterford aandoet, zoodat, aangenomen dat de hofmeester den moord heeft bedreven en dadelijk daarna met zijn boot, de May Day, is vertrokken, Belfast de eerste plaats zoude zijn, waar hij zijn gruwelijk pakket op de post kon doen.

Tot zoover in mijn gevolgtrekkingen gekomen, was nog een tweede oplossing mogelijk, en ofschoon ik die voor onwaarschijnlijk hield, was ik besloten, mij dienaangaande zekerheid te verschaffen, alvorens verder te gaan. Een ongelukkig minnaar kon Mr. en Mrs. Browner vermoord hebben en in dit geval zou het mannenoor dat van den hofmeester Browner zijn. Waarschijnlijk was dit niet: maar het bleef mogelijk. Daarom zond ik een telegram aan mijn vriend Algar van de Liverpoolsche politie, waarin ik hem verzocht te onderzoeken, of Mrs. Browner te huis was en of Browner met de May Day was vertrokken. Toen gingen wij naar Wallington om Miss Sarah te bezoeken.

Ik was in de eerste plaats nieuwsgierig te zien, in hoever zich de familietrek ook in haar ooren vertoonde. Verder zou zij ons natuurlijk zeer belangrijke inlichtingen kunnen verstrekken, doch ik maakte mij hiervan geen illusie. Zij moest den vorigen dag gehoord hebben van de vreeselijke geschiedenis, waar geheel Croydon over sprak en zij alleen kon weten, voor wie het pakket bestemd was. Ware zij van plan geweest de justitie op het spoor te helpen, dan zou zij zich reeds tot de politie gewend hebben. Het was evenwel onze plicht haar op te zoeken. Wij bevonden, dat het bericht van de ontvangst van het pakket — want haar ziekte dateerde van dat oogenblik — zulk een indruk op haar had gemaakt, dat een hersenziekte er het gevolg van was. Het was volkomen duidelijk, dat zij ten volle begreep, wat dat pakket beteekende, maar even duidelijk was het, dat wij eenigen tijd zouden moeten wachten, aleer zij ons bij onze nasporingen van dienst kon zijn.

Wij konden echter haar hulp geheel ontberen. Toen wij aan het politiebureau kwamen, lag daar reeds het antwoord van Algar. Niets kon meer beslissend zijn. Mrs. Browner's woning was al meer dan drie dagen gesloten; haar buren waren van meening, dat zij op reis was naar haar familie. Een verder onderzoek bracht aan 't licht, dat Browner aan boord van de May Day was vertrokken; morgen avond verwacht ik, dat de boot de Theems binnenkomt. Bij zijn aankomst wordt Browner opgewacht door den dommen maar vastberaden Lestrade en ik twijfel niet, of wij zullen dan bekend worden met alle bijzonderheden van deze afgrijselijke geschiedenis.”

Sherlock Holmes werd in zijn verwachtingen niet teleurgesteld. Twee dagen later ontving hij een groote enveloppe, die een kort briefje van den detective en een met een type-writer beschreven document van verscheidene bladzijden inhield.

„Lestrade heeft hem goed en wel gearresteerd,” zeide Holmes, mij aanziende. „Misschien stelt gij er belang in, te hooren wat hij mij schrijft.”

„Waarde Mr. Holmes. Overeenkomstig het plan, dat wij ontworpen hadden om de proef op onze onderstellingen te nemen — dat „wij” is nog al fijn, vindt ge niet, Watson? — ging ik gisteren morgen om zes uur naar het Albert-dok aan boord van de May Day van de Liverpool, Dublin en Londen Stoom-Pakketvaart-Maatschappij. Bij mijn onderzoek vond ik, dat zich een hofmeester met name James Browner aan boord bevond en dat deze zich gedurende de reis zoo zonderling had gedragen, dat de kapitein genoodzaakt was geweest hem van zijn werk te ontheffen. In zijn hut gekomen, vond ik hem op een kist zitten, het hoofd op de handen steunende en herhaaldelijk heen en weer schuddende. 't Is een groote, sterke man, glad geschoren en zeer donker. Toen hij hoorde, wat mijn beroep was, sprong hij overeind en ik bracht mijn fluitje aan de lippen, om een paar agenten van de rivier-politie te hulp te roepen; maar hij scheen geheel versuft en strekte zijn handen uit voor de boeien. Wij brachten hem naar de gevangenis en evenzoo zijn koffer, want wij dachten, dat zich daarin wel iets zou bevinden, dat op de misdaad betrekking had, maar behalve een groot scherp mes, zooals de meeste zeelieden hebben, vonden wij niets bijzonders. Wij gelooven evenwel geen bewijzen meer noodig te hebben, want toen hij voor den inspecteur op het politiebureau was gebracht, vroeg hij verlof een verklaring af te leggen, die natuurlijk onmiddellijk door een stenograaf werd opgeteekend. Wij lieten met de type-writer drie afschriften maken, waarvan ik u er een zend. De uitkomst bewijst, dat de zaak, zooals ik wel dacht, zeer eenvoudig was, maar ik ben u intusschen zeer dankbaar voor uw hulp bij mijn nasporing. Na vriendelijke groeten, uw toegenegen



    G. Lestrade.”

„Hum! Het onderzoek was inderdaad zeer eenvoudig, maar zoo dacht hij er niet over, toen hij onze hulp vroeg,” zei Holmes. „Laten wij evenwel eens zien, wat Jim Browner zelf heeft te zeggen. Dit is zijn verklaring, zooals die is afgelegd voor den inspecteur Monthomery aan het Shadwell-politiebureau en het heeft het voordeel woordelijk te zijn.

„Heb ik iets te zeggen? Ja, ik heb veel te zeggen. Ik moet mijn gemoed volkomen uitstorten. Gij moogt mij ophangen of mij gevangen zetten. Het kan mij niemendal schelen, wat gij met mij doet. Ik zeg u, dat ik nog geen minuut geslapen heb sinds ik het deed, en ik geloof niet, dat ik ooit weer slapen zal, tot ik sterf. Soms is het zijn gezicht, maar meesttijds is het dat van haar. Ik heb altijd een van beiden voor mij. Hij ziet mij aan met gefronste wenkbrauwen en donkere gelaatstrekken; maar zij heeft een soort verbazing op haar gelaat. Ach, het witte lam mocht wel verbaasd kijken, toen zij haar dood las op een gelaat, dat haar nooit anders dan met liefde had aangezien.

Maar het was de schuld van Sarah en moge de vloek van een gebroken man ongeluk over haar brengen en haar het bloed in de aderen doen verdrogen! Niet dat ik mij zelf wensch schoon te wasschen. Ik weet, dat ik weer aan mijn drankzucht begon toe te geven, beest dat ik was. Doch zij zou het mij vergeven hebben; zij zou mij op mijn weg hebben gestuit, als een touw een hijschblok, als die andere vrouw nooit onzen drempel had betreden. Want Sarah Cushing beminde mij — dat is de oorzaak van de geschiedenis; — zij beminde mij, tot haar liefde in giftigen haat verkeerde, toen zij wist, dat ik meer dacht aan den voetstap van mijn vrouw in het slijk, dan aan haar geheele lichaam en ziel.

Ze waren drie zusters. De oudste was een goedhartige oude vrouw, de tweede een duivelin en de derde een engel. Sarah was drie en dertig jaar en Mary negen en twintig, toen ik trouwde. Wij, Mary en ik, waren, toen wij onze huishouding opzetten, gelukkig met elkaar van den morgen tot den avond en in gansch Liverpool was er geen betere vrouw dan mijn Mary. En toen verzochten wij Sarah een week bij ons te komen; en die week werd een maand en zij bleef nog langer, totdat het scheen, alsof zij tot ons gezin behoorde.

Ik was in dien tijd vlijtig en oppassend en wij legden wat geld over en alles liet zich zoo mooi aanzien als een nieuwe munt. Mijn God, wie zou gedacht hebben, dat het zoover zou komen? Wie zou het hebben kunnen droomen?

Ik was dikwijls op 't eind van de week te huis en soms, als de boot wat lang moest blijven liggen, om lading in te nemen, was ik wel eens een geheele week te huis en zoo zag ik mijn schoonzuster Sarah ook veel. Zij was een mooie, groote vrouw, donker, vlug en hartstochtelijk, met trotsche houding en een schittering in haar oog als de vonk uit een vuursteen. Doch als de kleine Mary er was, dacht ik nooit aan haar, dat is zoo waar als ik op Gods genade hoop.

Het heeft mij soms toegeschenen, dat zij alleen met mij wenschte te zijn, of dat zij mij wenschte over te halen, een wandeling met haar te doen, maar het kwam mij nooit in de gedachte, zoo iets te doen. Doch op zekeren avond gingen mij de oogen open. Toen ik van de boot kwam, was mijn vrouw uit, maar Sarah te huis. „Waar is Mary?” vroeg ik. „O, die is uitgegaan, om eenige rekeningen te betalen.” Ik was onrustig en liep de kamer op en neer. „Kan je geen vijf minuten zonder Mary gelukkig zijn, Jim?” zeide zij. „Het is geen compliment voor mij, dat gij zelfs zoo'n korten tijd niet met mijn gezelschap tevreden kunt wezen.”

„Ik heb niets op je tegen, kindjelief,” zeide ik, haar vriendelijk mijn hand toestekende. Zij greep ze dadelijk met beide handen, die brandden, alsof zij de koorts had. Ik zag haar in de oogen en daarin las ik alles. Geen van ons beiden zei een woord. Ik fronste de wenkbrauwen en trok mijn hand terug. Toen stond zij zwijgend naast mij, stak haar hand omhoog en klopte mij op den schouder. „Standvastige, oude Jim!” zeide zij; en lachend, met een klank van teleurstelling, liep zij de kamer uit.

Van dat oogenblik haatte Sarah mij met haar gansche hart en ziel, en zij is een vrouw, die kan haten. Ik was een dwaas, dat ik toestond dat zij bij ons bleef, een groote dwaas; maar ik zei nooit iets tegen Mary, want ik wist, dat het haar zou grieven. De zaken gingen weer haar gewonen gang, maar na eenigen tijd begon ik op te merken, dat er bij Mary zelf een verandering plaats vond. Zij was altijd zoo vertrouwelijk en zoo vriendelijk-onschuldig geweest, maar nu werd zij argwanend en gedroeg zich vreemd tegenover mij; zij wilde telkens weten, waar ik was geweest en wat ik had gedaan en van wie ik brieven ontving en wat ik in mijn zakken had en meer van die dwaasheden. Zij werd bij den dag zonderlinger en driftiger en we hadden zonder oorzaak twist over de nietigste zaken. Ik werd er geheel door verbijsterd, Sarah meed mij nu, maar zij en Mary waren in dezen tijd onafscheidelijk. Nu eerst zie ik, hoe zij samenspande en mijn vrouw tegen mij opzette, maar destijds was ik zoo'n blinde tor, dat ik daar niets van begreep. Toen verbrak ik mijn belofte om niet meer te drinken en gaf mij weer aan misbruik van sterken drank over, doch ik geloof niet, dat ik dit gedaan zou hebben, als Mary dezelfde van vroeger voor mij was geweest. Zij had nu reden om boos op mij te wezen, en de klove werd met den dag wijder. En toen kwam Alex Fairbaim in het spel en werden de zaken duizendmaal erger.

Eerst bezocht hij ons alleen om Sarah te spreken, maar spoedig kwam hij om ons. Het was een innemend man, die zich vrienden verwierf, overal waar hij kwam. Hij was een snoever, schrander, iemand die de halve wereld had gezien. Het was een aangenaam man in gezelschap, dat wil ik niet ontkennen en voor een zeeman had hij wonderlijk beschaafde manieren, zoodat ik geloof, dat er een tijd was, dat hij meer van de kajuit dan van den bak wist. Een maand liep hij bij mij in en uit, en nooit kwam het mij in de gedachte, dat er uit zijn bezoeken iets kwaads kon voortkomen. Op 't laatst werd ik wantrouwend en van dat oogenblik was mijn rust verdwenen.

Het was evenwel slechts een nietige zaak. Ik kwam onverwacht de voorkamer binnen en in de deur komende zag ik een glans van tevredenheid op mijn vrouws gelaat. Doch toen zij zag, dat ik het was, die binnenkwam, verdween die glans en maakte plaats voor een blik van teleurstelling. Dat was mij genoeg. Niemand dan Alex Fairbaim was het, wiens stap zij gemeend had te hooren. Als ik hem toen had gezien, zou ik hem vermoord hebben, want ik was altijd een dolleman, als mijn drift was opgewekt. Mary zag het onheilspellend licht in mijn oogen en zij kwam op mij toe en legde haar hand op mijn arm:

„Niet doen, Jim,” zeide zij, „niet doen!” — „Waar is Sarah?” vroeg ik. — „In de keuken,” was het antwoord. — „Sarah,” zeide ik binnenkomende, „deze Fairbaim moet bij mij nooit weer over den drempel komen.” — „Waarom niet?” vroeg zij. — „Omdat ik het zoo wil.” — „Och, als mijn vrienden niet goed genoeg voor dit huis zijn, dan ben ik er ook niet goed genoeg voor,” zeide zij. — „Ge kunt doen wat ge verkiest,” gaf ik ten antwoord, „maar als Fairbaim zich hier weer vertoont, zal ik u een van zijn ooren als een aandenken zenden.” Mijn gezicht joeg haar, geloof ik, schrik aan, want zij gaf mij geen antwoord en nog dienzelfden avond verliet zij mijn huis.

Was het een duivelachtige trek in het karakter van deze vrouw of wilde zij mij tegen Mary opzetten, door haar tot een slecht gedrag te verleiden; wat hiervan moge zijn, zij huurde twee straten verder een huis en verhuurde daarvan kamers aan zeelieden. Fairbaim placht bij haar te vertoeven, als hij van zijn reizen terugkwam en Mary ging er heen om met haar zuster en hem te drinken. Hoe dikwijls zij er heen ging, weet ik niet, doch op zekeren dag volgde ik haar, en juist toen ik binnenkwam, ontsnapte Fairbaim over den tuinmuur, lafbek die hij was. Ik zwoer mijn vrouw, haar te zullen vermoorden, als ik haar weer in zijn gezelschap aantrof en nam haar mee naar huis, snikkende en bevende en wit als een stuk papier. Van dit oogenblik af was er geen zweem van liefde meer tusschen ons. Ik zag, dat zij mij haatte en vreesde en als de gedachte daaraan mij tot drinken dreef, verachtte zij mij.

Sarah vond het leven te Liverpool niet aangenaam meer en zij vertrok, naar ik dacht, om weer met haar zuster te Croydon samen te wonen en te huis sukkelden de zaken voort, als in den laatsten tijd. En toen kwam deze laatste week met al haar ellende en ongeluk.

Het gebeurde zoo. Wij waren met de May Day vertrokken voor een reis van zeven dagen, maar de boot had averij bekomen, zoodat wij in de haven moesten terugkeeren. Ik ging van boord naar huis, denkende, dat het voor mijn vrouw een heele verrassing zoude zijn en zij nog blijde zou wezen, nu ik zoo spoedig terugkwam; doch juist toen ik de straat insloeg, waar ik woonde, kwam daar een cab voorbij en daarin zat mijn vrouw naast Fairbaim en de twee praatten en lachten zonder een enkele gedachte aan mij en daar stond ik nu op den weg te kijken.

Van dat oogenblik was ik mij zelf geen meester meer en het komt mij alles als een verwarde droom voor, als ik er aan denk. Ik had ook kort geleden veel gedronken en deze beide zaken te zamen brachten mij geheel van streek. Ik voel nu een kloppen in mijn hoofd als van een smidshamer, maar op dien morgen was het een razen en bruisen in mijn hersenen als van de Niagara.

Een oogenblik stond ik besluiteloos; toen snelde ik de cab achterna. Ik had een zwaren eikenhouten stok in de hand. Zij stapten weldra uit aan het spoorwegstation. Daar stonden veel menschen voor het loket en zoo kon ik hen dicht naderen zonder door hen gezien te worden. Zij namen kaartjes voor New-Brighton. Ik deed eveneens en stapte in een spoorweg-coupé drie rijtuigen achter de hunne. Toen zij het doel van hun tocht hadden bereikt, wandelden zij langs de parade, en ik zorgde er voor nooit meer dan een honderd el van hen af te wezen. Ten laatste zag ik hen een boot huren om een roeitochtje te maken; want het was een zeer warme dag en zij dachten ongetwijfeld, dat het op het water koeler zou wezen.

Het was of zij in mijn handen waren overgeleverd. Er hing een lichte mist over het water, zoodat men maar een paar honderd el ver kon zien. Ik huurde een boot voor mij alleen en roeide hen achterna. Ik kon het zog van hun vaartuigje zien; maar zij voeren bijna even snel als ik en zij waren zeker wel een mijl van de kust, toen ik hen inhaalde. De mist was als een gordijn rondom ons en wij drieën bevonden ons in de ruimte door dat gordijn ingesloten. Mijn God, zal ik ooit de uitdrukking op hun gezicht vergeten, toen zij zagen wie er in de boot was, die op hen invoer?

Zij gaf een luiden gil. Hij vloekte als een dolle en stiet met een riem naar mij; hij las zijn doodvonnis in mijn oogen. Met mijn linkerhand greep ik den riem vast en met de andere hand bracht ik hem met mijn zwaren stok een slag op zijn hoofd toe, dat zijn schedel vermorzeld werd als een ei. Ik zou haar misschien gespaard hebben niettegenstaande mijn vreeselijke woede; maar zij sloeg haar armen rond zijn hals onder het luide uitroepen van zijn naam: Alex. Ik sloeg nog eens en zij lag dood naast hem. Toen was ik als een wild dier, dat bloed geproefd heeft. Was Sarah daar geweest, zij zou hetzelfde lot hebben ondergaan. Ik haalde mijn mes voor den dag en... ik heb genoeg gezegd, het gaf mij een woest genot, toen ik dacht, hoe Sarah, als zij zulke bewijzen van mijn daad ontving, zou gevoelen wat haar bemoeizucht had teweeggebracht. Toen bond ik de lijken in de boot, stiet een plank los en liet zoo de boei met de lijken er in zinken. Ik wist wel, dat de eigenaar van de boot zou denken, dat zij uit den koers geraakt en naar zee zouden zijn gedreven. Ik knapte mij wat op, ging weer aan land en kwam weer aan boord, zonder dat iemand ter wereld kon vermoeden, wat er had plaats gevonden. Dien nacht maakte ik het postpakket voor Sarah Cushing klaar en den volgenden dag verzond ik het van Belfast.

Daar hebt ge nu de geheele waarheid. Ge moogt mij ophangen of met mij doen, wat u goeddunkt, doch gij kunt me niet zoo zwaar straffen, als ik reeds gestraft ben. Ik kan mijn oogen niet sluiten of ik zie de twee gezichten mij aanstaren, zooals op het oogenblik, toen mijn boot op hen aanvoer. Ik vermoordde hen vlug, maar zij vermoorden mij nu langzaam en zoo ik nog den nacht beleef, zal ik toch voor morgen dood of krankzinnig zijn. Ge zult me toch niet alleen in een cel opsluiten, mijnheer? Doe het niet als ik u om medelijden mag smeeken, en moogt gij op den dag van uw doodsstrijd behandeld worden, zooals gij mij nu behandelt.”

„Wat zegt gij er van, Watson?” zei Holmes, toen hij het papier uit de hand legde. „Waartoe dient nu al deze ellende, dat geweld en die angst? De Voorzienigheid zal daarmee een doel willen bereiken, of anders zou de wereld geregeerd worden door een noodlot en dat mogen we niet aannemen. Maar welk doel? Hier staan we nu voor een raadsel, van welks oplossing het menschelijk verstand nog even ver verwijderd is als ooit te voren, en dat ons misschien nooit opgelost zal worden.”




III.

De klerk van den effectenhandelaar


Korten tijd na mijn huwelijk had ik een praktijk in het district Paddington gekocht. De oude Dr. Farquhar, van wien ik die overnam, had in zijn tijd een uitgebreide praktijk gehad, doch op gevorderden leeftijd was die zeer verminderd, hoofdzakelijk ten gevolge van een kwaal, waaraan hij leed, een soort St. Vitusdans. Het publiek denkt gewoonlijk, dat iemand, die eens anders kwalen wil genezen, zelf gezond moet zijn en het wantrouwt den geneesheer, die geen geneesmiddelen kent voor zijn eigen ziekte. Zoo was ook, naarmate mijn voorganger zwakker werd, het aantal zijner patiënten afgenomen, tot het in 't laatst geslonken was van ongeveer twaalfhonderd tot weinig meer dan driehonderd in 't jaar. Ik vertrouwde evenwel op mijn jeugd en geestkracht en was overtuigd in weinig jaren wel een bloeiende praktijk te kunnen krijgen.

Gedurende de eerste drie maanden, nadat ik mij in Paddington gevestigd had, zag ik weinig van mijn vriend Sherlock Holmes, want ik had het te druk, om hem in Baker-Street te bezoeken en hij zelf ging zelden anders uit dan waar zijn beroep hem riep. Ik was daarom verrast, op zekeren morgen in Juni, terwijl ik na het ontbijt het British Medical Journal zat te lezen, de deurschel te hooren overgaan en kort daarna de luide stem van mijn vriend in de gang te vernemen.

„Hé, mijn beste Watson,” zeide hij, de kamer binnenkomende, „het doet mij recht veel genoegen u te zien. Mevrouw Watson is zeker ook welvarend?”

„Dank u, we zijn beiden zeer wel,” zeide ik, hem met warmte de hand drukkend.

„En ik mag alzoo hopen,” vervolgde hij, nadat hij in den schommelstoel was gaan zitten, „dat de beslommeringen van uw geneeskundige praktijk de belangstelling, die gij vroeger in onze kleine problemen steldet, niet geheel uitgedoofd hebben.”

„Integendeel; nog gisteren avond zag ik mijn oude aanteekeningen in en was ik bezig enkele van onze laatste oplossingen te rangschikken,” gaf ik ten antwoord.

„Ik vertrouw, dat gij uw verzameling nog niet als gesloten beschouwt.”

„Volstrekt niet; niets zou ik liever wenschen, dan ze nog met een paar verhalen aan te vullen.”

„Vandaag bijvoorbeeld?”

„Ja, vandaag als ge wilt.”

„En zoudt ge er zelf voor naar Birmingham willen reizen?”

„Zeker, als ge het wenscht.”

„En uw praktijk?”

„Ik neem die van mijn buurman waar, als hij op reis is; hij is dus ook altijd bereid de mijne waar te nemen.”

„Beter kon het niet treffen,” zeide Holmes, in zijn stoel achterover leunende en mij van onder zijn halfgesloten oogleden scherp aanziende. „Ik merk, dat gij de laatste dagen ongesteld waart. Een verkoudheid in den zomer grijpt iemand altijd erg aan.”

„Ik moest de vorige week een paar dagen om een zeer erge verkoudheid te huis blijven; maar ik dacht, dat men nu niets meer aan mij kon zien.”

„Dat is zoo. Ge ziet er nu weer erg sterk uit.”

„Hoe wist gij het dan?”

„Mijn waarde vriend, gij kent mijn methode.”

„Gij leidt het dus af uit hetgeen gij ziet?”

„Zeker.”

„En waaruit dan?”

„Uit uw muilen.”

Ik keek naar de nieuwe patent lederen, die ik droeg.

„Hoe in 's hemels naam...?” begon ik; doch Holmes voorkwam mijn vraag.

„Uw muilen zijn nieuw,” zeide hij. „Gij kunt ze niet langer dan een paar weken gehad hebben. De zolen, die gij mij op dit oogenblik toekeert, zijn licht geschroeid. Een oogenblik dacht ik, dat ze nat geweest konden zijn en bij het drogen te dicht bij het vuur gehouden. Maar bij de wreef zit een klein rond papiertje met het merk van den winkelier er op. Vochtigheid zou dit papiertje natuurlijk hebben losgemaakt. Ge hebt dus met uw voeten naar het vuur uitgestrekt gezeten, wat een man zelfs in zulk een vochtige Junimaand, als wij nu hebben, niet zou doen, als hij volkomen gezond was.”

Als al de redeneeringen van Holmes, was de zaak, nu ze eerst verklaard werd, zeer eenvoudig. Hij las mijn gedachten op mijn gelaat en zijn glimlach was niet vrij van bitterheid.

„Ik ben bang, dat ik mij zelf bij dat verklaren een beetje weggooi,” zeide hij. „Gevolgen te noemen zonder oorzaken maakt veel meer indruk. Zijt gij gereed mee naar Birmingham te gaan?”

„Zekerlijk, wat is er aan de hand?”

„Gij zult alles in den trein hooren. Mijn cliënt wacht mij buiten in een rijtuig. Kunt gij terstond medegaan?”

„Wacht nog slechts een oogenblik.” Ik schreef een briefje aan mijn buurman, ging de trap op om mijn vrouw de zaak te vertellen en voegde mij op de stoep weer bij Holmes.

„Uw buurman is een dokter, niet waar?” zeide hij, op de koperen deurplaat wijzende.

„Ja. Hij nam de praktijk van een gevestigden geneesheer over, evenals ik.”

„Een oude zaak?”

„Even oud als die van mij; beide waren er gevestigd sedert de huizen gebouwd zijn.”

„Dan hebt gij de drukst beklante gekocht.”

„Dat geloof ik ook. Maar hoe weet gij dat?”

„Dat zie ik aan de stoeptreden, mijn vriend. De uwe zijn drie duim dieper uitgesleten. — Die heer daar in de cab is mijn cliënt, Mr. Hall Pycroft. Vergun mij u aan hem voor te stellen. — Leg de zweep er over, koetsier, want wij moeten ons haasten, willen we op tijd aan den trein wezen.”

De man, aan wien ik werd voorgesteld, was een gezonde, flink gebouwde jonge man met een eerlijk, open gelaat en een dunnen, gedraaiden rossen knevel. Hij droeg een glanzigen zijden hoed en een mooi, eenvoudig zwart costuum, hetgeen hem een voorkomen gaf van een jongen schranderen City-man, wat hij inderdaad was en wel behoorende tot hen, die met den naam Cockneys worden aangeduid. Dit neemt niet weg, dat zij onze voortreffelijkste vrijwilligers-regimenten vormen en de krachtigste jonge mannen en de beste sportlui van geheel Engeland zijn. Zijn rond, blozend gelaat had veel natuurlijke vriendelijkheid, doch de hoeken van zijn mond vertoonden een trek van droefgeestigheid. Eerst toen wij in onze coupé eerste klasse zaten en goed en wel op reis naar Birmingham waren, vernam ik om welke moeilijkheid hij de hulp van Sherlock Holmes had ingeroepen.

„Wij rijden nu een zeventig minuten aan een stuk door. Ge zoudt me dus een genoegen doen, met aan mijn vriend uw belangwekkende geschiedenis te vertellen,” zei Holmes. „Liefst even nauwkeurig als gij ze mij hebt verteld en zoo mogelijk nog meer in bijzonderheden. Het zal mij ook nuttig zijn, de verschillende feiten nog eens te hooren. Het is een geval, Watson, waarin veel kan zitten en dat eveneens niets kan beteekenen, doch in elk geval die ongewone trekken vertoont, waarvan gij evenveel houdt als ik.”

De jonge man zag mij aan met een onrustige flikkering in zijn oogen.

„Het ergste van de geschiedenis is,” zeide hij, „dat ik mij zeer dwaas heb gedragen. Natuurlijk kan alles nog goed afloopen en ik zie niet in, dat ik anders had kunnen handelen. Ik munt niet uit in de kunst van vertellen, mijnheer Watson, maar gij zult het daarmee zeker zoo nauw niet nemen.

Ik had een betrekking bij de firma Coxon and Woodhouse van Draper's Gardens, maar vroeg in het voorjaar gingen zij, zooals gij u ongetwijfeld herinnert, failliet. Ik was vijf jaar bij hen geweest en de oude Coxon gaf mij, toen de slag kwam, een goed getuigschrift; maar natuurlijk werden wij, klerken, zeven en twintig in getal, aan den dijk gezet. Ik probeerde hier en probeerde daar, maar tal van andere klerken meldden zich voor dezelfde betrekkingen aan en ik zat een langen tijd op zwart zaad. Op Coxon's kantoor had ik drie pond per week verdiend en er ongeveer zeventig bespaard, maar spoedig waren die opgeteerd. Ik wist op 't laatst geen raad meer en kon nauwelijks de postzegels betalen om op advertentiën te schrijven of de enveloppe, waarop ik ze moest plakken. Mijn schoenen had ik versleten door het vele opklimmen van kantoortrappen en ik scheen nog even ver van een betrekking als ooit.

Eindelijk hoorde ik, dat er een plaats vacant was op het kantoor van Mawson and Williams, de groote effectenmakelaars in Lombard-Street. Ik kan u zeggen, dat dit een der rijkste huizen in Londen is. De advertentie behoefde slechts met een brief beantwoord te worden. Ik zond mijn getuigschrift en sollicitatiebrief in, zonder evenwel de minste hoop te koesteren de betrekking te krijgen. Tot mijn verrassing echter ontving ik een antwoord, waarin mij werd gemeld, dat ik den volgenden Maandag in functie kon treden, zoo mijn voorkomen mocht bevallen. Niemand weet, hoe het met zulke dingen gaat. Sommige lieden zeggen, dat de directeur de hand in den hoop sollicitatiebrieven steekt en er maar een op goed geluk uitneemt. De getrokkene krijgt de betrekking. Maar wat hiervan moge zijn, ik had nu het buitenkansje en was zoo gelukkig als 't maar kon. De betrekking gaf mij nog een pond per week meer dan die ik had gehad en mijn werkzaamheden waren er dezelfde.

En nu kom ik tot het wonderlijkste gedeelte van de geschiedenis. Ik had mijn kamers in Hampstead No. 17. Potter's Terrace was het adres. Ik zat denzelfden avond, nadat mij de betrekking was beloofd, op mijn kamer te rooken, toen mijn hospita met een visitekaartje binnenkwam, waarop ik: „Arthur Pinner, financieel agent,” las. Ik had dien naam nooit te voren gehoord en kon mij niet voorstellen, wat de bezitter daarvan van mij kon wenschen; maar natuurlijk verzocht ik haar, hem boven te laten komen. Hij kwam binnen. Het was een man van middelmatige lengte, met donkere haren, donkere oogen en zwarten baard en iets glimmenden neus. Hij had levendige manieren en sprak vlug, als iemand, die de waarde van den tijd kent.

„Mijnheer Hall Pycroft, geloof ik?” zeide hij.

„Ja, mijnheer,” was mijn antwoord en ik schoof hem een stoel toe.

„Den laatsten tijd in betrekking bij de firma Coxon and Woodhouse, niet waar?”

„Ja, mijnheer.”

„En nu op de lijst van Mawson's personeel.”

„Precies.”

„Wel, ik moet u iets mededeelen. Men heeft mij eenige buitengewone staaltjes van uw bekwaamheid op financieel gebied verteld. Ge herinnert u zeker den heer Parker, die een tijdlang directeur bij de firma Coxon and Woodhouse was. Hij raakt nooit over u uitgepraat.”

Natuurlijk verheugde het mij dit te hooren. Ik was altijd nog al schrander in kantoorzaken geweest, maar had nooit gedroomd, dat men er in de City over zou spreken.

„Hebt gij een goed geheugen?” vroeg hij.

„Zoo tamelijk,” gaf ik nederig ten antwoord.

„Zijt gij eenigszins op de hoogte gebleven van de beurs, terwijl gij buiten betrekking waart?”

„Ja, ik lees elken morgen de effectenlijst.”

„Nu, dat bewijst, dat gij wezenlijk hart voor uw vak hebt. Dat is de weg om vooruit te komen. Gij zult mij niet kwalijk nemen, als ik u op de proef stel. Laten wij eens zien. Hoe staan de Ayrshire-aandeelen?”

„Honderd zes en een kwart tot honderd vijf en zeven achtste,” antwoordde ik.

„En de geconsolideerde Nieuw-Zeeland-obligatiën?”

„Honderd en vier.”

„Wonderlijk, wonderlijk,” riep hij uit, de handen in elkaar slaande. „Dat komt overeen met wat ik gehoord heb. Jongen, gij zijt veel te goed voor klerk op het kantoor van Mawson.”

Deze woorden verbaasden mij, zooals gij kunt denken.

„Andere lieden hebben niet zoo'n hoogen dunk van mij als gij, mijnheer Pinner. Ik had een harden kamp genoeg, deze betrekking te krijgen en ben wat blij, dat ik ze heb.”

„Wel, vriend, gij zijt daar te goed voor. Gij zijt niet in uw ware omgeving. Nu zal ik u zeggen, hoe de zaken staan. Wat ik u heb aan te bieden is weinig in vergelijking met uw groote bekwaamheden, maar vergeleken met de betrekking bij Mawson is het licht tegen donker. Laten we eens zien. Wanneer gaat ge naar Mawson?”

„Maandag.”

„Ha, ha, ik zou durven wedden, dat gij daar niet heen gaat.”

„Niet bij Mawson op 't kantoor gaan?”

„Neen, mijnheer. Want Maandag zult gij directeur wezen van de Franco-Midland-IJzerwaren-Maatschappij met haar honderd vier en dertig depôts in de steden en dorpen van Frankrijk, zonder nog die te Brussel en San Remo mede te rekenen.”

Ik stond geheel verbijsterd. „Ik heb nooit van die Maatschappij gehoord,” zeide ik.

„Zeer waarschijnlijk niet. Het is met de oprichting zeer stil in zijn werk gegaan; want voor het kapitaal was onderhands ingeteekend en de Maatschappij belooft te groote voordeelen, om het groote publiek er in te betrekken. Mijn broer Harry Pinner is President-commissaris en verbindt zich met den Raad van Beheer, nadat een besturend directeur is aangesteld. Hij wist, dat mijn weg hierheen voerde en verzocht mij een flinken man te zoeken, goedkoop en tevens jong, voortvarend en met veel handigheid. Parker sprak mij over u en daarom ben ik hier gekomen. Wij kunnen u slechts een poovere vijfhonderd pond aanbieden als een begin.”

„Vijfhonderd pond in 't jaar!” riep ik.

„Zooveel slechts om mee te beginnen, maar gij ontvangt bovendien nog een commissieloon van 1 pCt. van alle zaken, welke door uw agenten worden gedaan en gij kunt mij op mijn woord gelooven, dat dit nog meer bedraagt dan uw geheele salaris.”

„Maar ik heb in 't geheel geen verstand van ijzerwaren.”

„St! mijn jongen, ge hebt verstand van cijfers.”

Het gonsde in mijn hoofd; ik kon ternauwernood op mijn stoel zitten. Plotseling kwam er een kleine twijfel bij mij op.

„Ik wil openhartig met u spreken,” zeide ik. „Mawson betaalt mij slechts tweehonderd pond, maar Mawson is zeker. En omtrent uw Maatschappij weet ik zoo weinig, dat...”

„Ha, zeer schrander gesproken!” riep hij als in verrukking. „Gij zijt de rechte man voor ons. Gij laat u niet ompraten en hebt gelijk ook. Nu, ik heb een banknoot van honderd pond bij mij en als gij denkt, dat wij zaken kunnen doen, moogt ge die beschouwen als een voorschot op uw salaris.”

„Dat is heel mooi. Wanneer kan ik mijn nieuwe betrekking aanvaarden?” antwoordde ik.

„Kom morgen om één uur in Birmingham. Ik heb een briefje in mijn zak, dat gij voor mijn broer aldaar kunt medenemen. Gij zult hem vinden in de Corporation-Street 129 B, waar de kantoren van de Maatschappij tijdelijk zijn gevestigd. Natuurlijk moet hij uw aanstelling bekrachtigen, maar tusschen ons beiden is alles in orde.”

„Waarlijk, ik weet niet, hoe ik u mijn dankbaarheid zal betuigen, mijnheer Pinner,” zeide ik.

„Volstrekt onnoodig, mijn jongen. Gij krijgt enkel, wat gij verdient. Er zijn nog slechts een paar kleine zaakjes — bloote formaliteiten — die ik met u moet regelen. Gij hebt daar een stukje papier naast u liggen. Wees zoo vriendelijk daarop te schrijven: „Ik ben volkomen bereid, als directeur op te treden van de Franco-Midland-IJzerwaren-Maatschappij op een minimum-salaris van 500 pond sterling 's jaars.””

Ik deed, wat hij mij vroeg en hij stak het stukje papier in zijn zak.

„Nog iets. Wat zijt gij nu voornemens te doen in zake de betrekking bij Mawson?”

Ik had in mijn vreugde in 't geheel niet meer aan Mawson gedacht. „Ik zal schrijven, dat ik van de betrekking afzie,” gaf ik ten antwoord.

„Dat zou ik juist niet willen hebben. Ik heb twist over u gehad met den directeur van de firma Mawson. Ik had hem naar u gevraagd, hij was zeer beleedigend in zijn antwoorden en zei, dat het mij er om te doen was, u van hem weg te troggelen en meer dergelijke dingen. Ten laatste verloor ik mijn geduld. „Als gij knappe menschen in uw dienst wilt hebben, moet gij hen goed bezoldigen,” zeide ik. „Hij neemt liever een klein salaris aan van ons dan een groot van u,” antwoordde hij. „Ik wed met u, dat als hij ons aanbod aanneemt, gij nooit meer iets van hem zult hooren,” zei ik nu. „Aangenomen; wij raapten hem van de straat op en hij zal niet zoo ondankbaar zijn, ons terstond in den steek te laten,” antwoordde mijn concurrent. Dat waren zijn laatste woorden.”

„Die onbeschaamde vlegel,” bulderde ik nu. „Ik heb hem nooit in mijn leven gezien. Waarom zou ik hem ontzien? Zeer zeker zal ik hem niet schrijven, als gij dit liever hebt.”

„Goed. Ik houd mij aan die belofte,” zei mijn bezoeker, van zijn stoel opstaande. „Ik ben verrukt, zulk een flinken man voor mijn broer gevonden te hebben. Hier is uw voorschot van honderd pond en hier is de brief. Teeken het adres 129 B Corporation-Street op en onthoud goed, dat gij morgen om één uur verwacht wordt. En nu wensch ik u goeden avond, en al het geluk, dat gij verdient.”

Dat is, zoover ik mij bezin, alles wat er tusschen ons is voorgevallen. Ge kunt u voorstellen, Dr. Watson, hoe ik met zoo'n buitenkansje in mijn schik was. Den halven nacht zat ik overeind in mijn bed; want ik kon van blijdschap niet slapen en den volgenden dag vertrok ik naar Birmingham met een trein, die mij lang voor het vastgestelde uur aan het adres moest brengen. Ik bracht mijn reisvalies naar een hotel in New-Street en ging op weg naar het mij aangeduide adres.

Het was nog een kwartier voor den tijd, waarop ik werd verwacht. No. 129 B was een passage tusschen twee winkels, die leidde naar een steenen wenteltrap en waarin zich verscheidene kantoren van maatschappijen of particulieren bevonden. De namen waren op den muur geschilderd, maar den naam van Franco-Midland-IJzerwaren-Maatschappij las ik nergens. Een paar minuten stond ik geheel verslagen, terwijl ik mij zelf afvroeg, of de geheele geschiedenis geen bedrog was, toen een man de trap opkwam en mij toesprak. Hij zag er precies uit als de heer, dien ik den vorigen avond gesproken had, dezelfde gestalte en stem; maar hij was glad geschoren en had lichter haren.

„Zijt gij mijnheer Hall Pycroft?” vroeg hij.

„Ja, die ben ik,” gaf ik ten antwoord.

„Ha, ik wachtte u, maar gij zijt een beetje voor uw tijd. Ik ontving dezen morgen een brief van mijn broer, waarin hij u zeer prees.”

„Ik zocht juist het kantoor, toen u kwam.”

„Wij hebben onzen naam nog niet op den muur, want wij hebben ons pas de vorige week hier tijdelijk gevestigd. Ga met mij naar boven; dan zullen wij over de zaak spreken.”

Ik volgde hem naar een zeer hoog gelegen verdieping en daar onder de dakpannen waren een paar ledige donkere kamers zonder vloerkleed en zonder gordijnen. Ik keek wel wat vreemd op, toen ik hier werd binnengeleid, want ik had mij een ruim kantoor voorgesteld met glimmende tafels en rijen klerken, zooals ik gewend was, en ik durf zeggen, dat ik wel met een beetje verlegen gezicht naar de twee houten stoelen en een kleine tafel keek, die met een groot boek en een snippermand het overige ameublement uitmaakten.

„Laat u door het schamel uiterlijk van dit vertrek niet ontmoedigen, mijnheer Pycroft,” zei mijn nieuwe kennis. „Rome is niet in één dag gebouwd; wij worden door een hoop geld gesteund, ofschoon wij op onze kantoren nog niet veel doen. Ga alsjeblieft zitten en geef mij uw brief.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/doyle-arthur-conan-1/de-dood-van-sherlock-holmes-de-terugkeer-van-sherlock/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


