Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken
Wopke Eekhoff




W. Eekhoff

Beknopte Geschiedenis van Friesland in Hoofdtrekken





„Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de Nederlanders zich zoo vaak op de Batavieren beroepen, als op hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en meest beroemde bewoners van een voornaam gedeelte des lands, maar onze eigenlijke voorvaderen waren zij niet. – De Batavieren verdwenen uit de Geschiedenis. – Zoodanig was het niet met de Friezen. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, Nederlanders, daarom de Friezen eigenlijk onze vaderen; dat heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen ontmoeten wij reeds vóór onze Christelijke tijdrekening, en hun nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende, heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een’ Bato, wiens nakroost verdween.”

    Prof. H. J. Royaards.




VOORREDE


Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken. Verscheidene redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis op zich zelve en in verband met die des vaderlands, – het gemis van een bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp, – de wensch van velen om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te bezitten, – de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle kennis en kunst, welke tot Friesland in betrekking staan, – ziet daar de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde eene korte Geschiedenis van Friesland te bewerken, heb ik gedurende dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen. Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld.

Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En waar deze met winsemius in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van Friesland, benevenseene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer provincie zou kunnen beantwoorden.

Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen. Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want, daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot de Hoofdtrekken onzer geschiedenis, of tot die voornaamste gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk. Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de belangstelling voor dit onderwerp op te wekken.

Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen, als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis van Nederland. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluitingbepalen tot de historie van de aanzienlijkste provincie Holland. Die naam komt evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo de geschiedenis van Friesland, aangezien de Batavieren reeds vroeg en spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het grondstuk is, waarop de geschiedenis van Holland of wel van geheel Nederland moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. van asch van wijck en den Hoogl. royaards, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb tegenover den titel te moeten mededeelen.

Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene heldere en duidelĳke voorstelling te geven van datgene, wat ons duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, zoo bevattelijk mogelijk geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de Aanteekeningen meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij, en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in het licht te geven.

Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreideberigten en vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen.

Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. a. van halmael Jr. (wiens dood wij nu reeds betreuren), j. van leeuwen, Dr. j. g. ottema, Jhr. Mr. h. b. van sminia en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden deskundige: „Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van Friesland te leveren.”

En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner landgenooten aan.



    Mei 1851.W. EEKHOFF.




EERSTE NAAMLIJST

VAN

INTEEKENAREN



ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p


ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p


ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p

• J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht.

• E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd.

• C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden.

• Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden.

• Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen.

• Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden. g. p.

• K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum.

• Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen.

• A. Alma, Notaris te Bergum.

• J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum.

• J. C. & W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex.

• M. C. Amoraal, te Leeuwarden.

• L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden.

• Mr. J. H. Beucker Andreæ, Advocaat te Leeuwarden.

• A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum.

• M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried.

• P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum.

• T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd.

• Het Provinciaal Archief van Friesland.

• E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en Noordwolde te Koudum. g. p.

• H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden.

• J. van Assen, te Leeuwarden.

• R. Attama, Secretaris der stad Stavoren.

• E. J. Attema, Notaris te Dragten.

• J. van Baalen & Zn., Boekh. te Rotterdam.

• B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens.

• C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep.

• Jan F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek.

• S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum.

• W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum.

• L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum.

• J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker.

• J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen.

• Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar.

• S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en Domeinen in Friesland te Leeuwarden.

• Dr. E. M. Beima, Conservator aan ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden.

• H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe.

• A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden.

• J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden.

• P. Berg, Bakker te Ee.

• Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard.

• E. H. Bergsma, 1


 Luit. Ingenieur te Amsterdam.

• H. van Berkum, Predikant te Stiens.

• J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum.

• W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam.

• Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp.

• Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum.

• Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland en Advocaat te Joure.

• Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van Franekeradeel te Zweins.

• W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden.

• A. Bleeker, Boekh. te Sneek.

• J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden.

• J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te Dragten.

• J. G. van Blom, voor het 5


 Schooldistrict in Friesland.

• G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga.

• Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden.

• J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum.

• J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens.

• K. J. Boersma, te Kubaard.

• Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem.

• A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden.

• Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw.

• W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex.

• J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie.

• J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum.

• R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum.

• Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden.

• Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend.

• IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum.

• J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog.

• Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te Heerenveen.

• Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der Directe Belastingen te Haarlem. g. p.

• R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te ’s Hage.

• J. H. Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam.

• B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken.

• G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex.

• G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.

• Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden.

• A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden.

• K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum.

• D. D. Büchler, te Amsterdam.

• P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer.

• B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen.

• J. Buma, Onderwijzer te Kollum.

• Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum.

• Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.

• F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker.

• Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden.

• Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk.

• E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de provincie Zuid-Holl. te ’s Hage. g. p.

• J. Camminga, Ondermeester te Franeker.

• J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex.

• G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden.

• S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek.

• Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden.

• Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g. p.

• P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en Penning-Kabinet te Leiden.

• R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp.

• H. Coster & Zn., Boekhandelaar te Alkmaar.

• P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek.

• K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie.

• S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden.

• D. J. Couvée, Boekh. te Leiden.

• F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp.

• H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel.

• Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden te ’s Hage.

• G. H. M. Delprat, te Rotterdam.

• Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te Utrecht.

• Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te Leeuwarden.

• J. Dirks, te Balk.

• J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex.

• De stad Dockum.

• Erven Doorman, Boekhandelaar te ’s Hage. 3 ex.

• Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der stad Leeuwarden. g. p.

• M. R. Douma, Landbouwer te Ee.

• J. F. van Druten, Boekh. te Sneek.

• van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex.

• K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag.

• F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op Ameland.

• F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken.

• F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g. p.

• T. R. Dijkstra, te Leeuwarden.

• Waling Dijkstra, te Spannum.

• O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.

• Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht.

• J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd.

• S. F. Elgersma, te Lollum.

• Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en Advocaat te Leeuwarden.

• W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4


 kl., Secretaris van Utingeradeel en Notaris te Oldeboorn. g. p.

• Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te Leeuwarden.

• Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden.

• Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex.

• K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden.

• J. M. Baart de la Faille, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.

• A. R. Falck, te Utrecht. g. p.

• Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden.

• P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne.

• P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex.

• T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.

• D. Feikema, Wethouder der stad Franeker.

• Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen.

• H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga.

• Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens.

• E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex.

• E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts.

• H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam.

• I. Garcin, te Amsterdam.

• P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum.

• Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden. g. p.

• P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum.

• C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex.

• Het Provinciaal Geregtshof van Friesland.

• J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen.

• L. Gescher, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.

• M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.

• Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van Friesland, Ontvanger van ’s Rijks Belastingen te Bergum.

• H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen.

• O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum.

• Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g. p.

• Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Groningen.

• J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden.

• E. de Haan, Onderwijzer te Wirdum.

• W. van Haarst, op Schoonoord bij Oirschot.

• H. Haga, Doopsgezind Leeraar te Oldeboorn.

• H. Haisma, Lid der Provinciale Staten van Friesland en Landbouwer te Bergum.

• F. A. van Hall, Minister van Staat te Amsterdam.

• H. C. van Hall, Hoogleeraar te Groningen.

• T. van Halteren, Boekhandelaar te Wildervank.

• J. W. Hannema, Landbouwer te Hantum.

• Mr. D. J. A. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.

• M. P. D. Baron van Harinxma Thoe Slooten te Beetsterzwaag.

• Mr. P. A. V. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Kantonregter te Holwerd.

• H. J. van Hasinga, Adjunct Onderwijzer te Oosterzee.

• D. J. Haspels, Boekh. te Nijmegen.

• Sjoerd Jans Heeg, te Oosterend.

• A. T. R. Sixma Baron van Heemstra, Grietman van Kollumerland te Veenklooster. g. p.

• C. S. Sixma Baron van Heemstra, te Zwolle.

• D. A. Sixma Baron van Heemstra, Jur. Student te Groningen.

• Mr. F. J. J. Baron van Heemstra, Grietman van Rauwerderhem te Irnsum. g. p.

• A. van der Heide, Onderwijzer te Leeuwarden.

• Douwe van der Heide, Landbouwer te Ezumazijl.

• H. A. van Helden, Boekhandelaar te Amsterdam. 2 ex.

• Mr. E. van Heloma, te Zwolle.

• Mr. M. van Heloma, Lid der Provinciale Staten van Friesland te Heerenveen.

• H. Hemkes Hzn., Onderwijzer te Voorburg.

• P. H. Hendriks, te Groningen.

• S. Gille Heringa, Directeur van het Postkantoor te Tilburg.

• H. Klugkist Hesse, Lid der Staten van Friesland te Kollum. g. p.

• F. Hessel, Boekh. te Heerenveen.

• J. G. Heuveldop, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te Leeuwarden.

• P. H. van den Heuvell, Boekh. te Leiden.

• van Heiningen & Post Uiterweer, Boekhandelaars te Utrecht.

• J. Hilarius, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.

• C. C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leiden.

• W. van der Hof, Schipper te Bakhuizen.

• F. Holtkamp, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.

• Jhr. Hooft van Woudenberg van Geerestein te Amsterdam. g. p.

• J. W. van Hopbergen, 1


 Luit. Adjudant, voor het Leesgez. van Officieren van het 2


 & 4


 Bat. 3


 Reg. Infant. te Leeuwarden.

• W. Ter Horst, Fabrijkant te Leeuwarden.

• J. van Hout, te Wognum.

• J. O. van Houten, Boekhandelaar te Assen.

• J. Ernst van Houtrijve, te Leeuwarden.

• H. Höveker, Boekhandelaar te Amsterdam.

• S. Hoijtema Pzn. Assessor van Utingeradeel te Akkrum.

• Mr. U. H. Wielinga Huber, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof van Friesland te Kornjum. 2 ex.

• Mr. H. U. Huguenin, te Sneek, voor het 8


 Schooldistrict in Friesland.

• J. T. H. Huguenin, Predikant te Zuidwolde.

• A. A. Hulshoff, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.

• K. van Hulst, Boekh. te Kampen.

• P. P. Hylarides, Landbouwer te Witmarsum.

• J. W. Idsardi, Landbouwer te Ee.

• P. D. Idsinga, Landbouwer te Hantum.

• Mr. G. W. H. Baron van Imhoff, Burgemeester der stad Groningen.

• H. D. Jager, Grietenij-Ontvanger van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.

• K. Jansma, Onderwijzer te Rottevalle.

• Dr. L. J. F. Janssen, Conservator bij het Museum van Oudheden te Leiden.

• J. H. Jappé, Ingenieur-Verificateur van het Kadaster te Groningen.

• A. de Jong, te Leeuwarden.

• A. de Jong Wzn., Koopman te Leeuwarden.

• S. D. de Jong, Lid van den Grietenijraad van Idaarderadeel te Warrega.

• T. Joustra, Fabrijkant te Sneek.

• Mej. J. C. Kapteijn, Hoofd-Onderwijzeres der Stedelijke Meisjesschool te Leeuwarden.

• P. N. van Kampen, Boekhandelaar te Amsterdam.

• Abe J. Kat, Aannemer van publieke werken te Hindeloopen.

• Jhr. Mr. O. R. van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden. g. p.

• Jhr. T. A. M. A. van Andringa de Kempenaer, Lid van de 1


 Kamer der Staten-Generaal en Grietman van het Bildt te St. Anna-Parochie.

• Jhr. W. van Andringa de Kempenaer, Grietman van Lemsterland te Lemmer.

• J. J. Kiestra, Geneesheer te Ee. g. p.

• S. Kiestra, Onderwijzer te Sexbierum.

• J. Kingma, Lid der Staten van Friesland en Olieslager te Makkum.

• M. Kingma Hzn., Lid der Gedep. Staten van Friesland te Makkum.

• E. S. van Kleffens, Kweekeling te Ee.

• A. M. Klijnsma, Lid van den Grietenijraad van Lemsterland te Lemmer.

• S. T. Klijnsma, Luitenant-Kolonel Ingenieur te Arnhem.

• B. Knierim, Logementhouder te Leeuwarden.

• Mr. H. J. Koenen, Wethouder der stad Amsterdam. g. p.

• Mr. H. van der Kooi, Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.

• J. Koopmans, Koopman te Gorredijk.

• K. Koopmans, Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.

• M. H. Koopmans, Veenbaas te Echten.

• U. Koopmans, Grutter te Holwerd.

• P. A. Koppius, Litt. Hum. Doct. en Predikant te Rottevalle.

• N. D. Kroese, Onderwijzer te Hindeloopen.

• A. P. H. Kuipers, Apotheker te Leeuwarden. g. p.

• D. Kuipers, te Buitenpost.

• H. Kuipers, te Amsterdam. g. p.

• Mr. A. van der Laan, Griffier der Prov. Staten van Friesland te Leeuwarden.

• H. M. Labberté, te Tilburg.

• H. J. Ladenius, te Leeuwarden.

• Dr. C. Leemans, Directeur van ’s Rijks Museum van Oudheden te Leiden.

• Bibliotheek der stad Leeuwarden.

• Leesgezelschap te Slooten.

• J. van Leeuwen, Griffier van het Prov. Geregtshof en Archivarius der Provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.

• J. van Leeuwen Jr., Secretaris van Lemsterland te Lemmer.

• W. Lemke, V. D. M. voor het Leesgez. te Warrega.

• Mr. W. van Nauta Lemke, Advocaat te Leeuwarden.

• Mr. J. van Lennep, Rijks-Advocaat te Amsterdam.

• A. N. Lentz, Koopman te Franek.

• R. A. Lentz, Schilder te Franeker.

• D. H. van der Leij, te Dronrijp.

• B. Lolcama, Lid van den Raad der stad Franeker.

• R. Lonneman, Medic. en Artis Obst. Doct. te Franeker.

• J. B. van Loghem Jr. Boekh. te Haarlem.

• H. van Loo, Verwer te Leeuw.

• J. van Loon Jzn. Fabrijkant te Huins.

• Erven Loosjes, Boekh. te Haarlem.

• Dr. E. J. Diest Lorgion, Predikant te Groningen.

• Jhr. F. I. Lycklama à Nijeholt Lid der Ridderschap van Friesland te Midlaren.

• Jhr. Mr. G. W. F. Lycklama à Nijeholt, Grietman van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.

• Jhr. J. A. Lycklama à Nijeholt, Lid der Provinc. Staten van Friesland te Beetsterzwaag.

• Jhr. W. H. Lycklama à Nijeholt, Grietman van Utingeradeel te Oldeboorn.

• R. Baron van Lijnden te Beetsterzwaag.

• W. H. Maas, Predikant te Idsegahuizen.

• E. van der Maaten, Stedelijk Ontvanger te Elburg.

• Maatsch. tot Nut van ’t Algemeen: Depart. Roordahuizum.

• Mr. G. E. Le Maire, Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.

• H. Mantingh, Ontvanger te Oostermeer.

• Mr. C. van Marle, Inspecteur-Generaal van het Middel van Waarborg te Utrecht.

• J. E. Martens, Stucadoor te Leeuwarden.

• J. G. Arentsma Martin, Assessor van Ferwerderadeel, te Hallum.

• J. E. Mebius, Boekhandelaar te Kollum. 3 ex.

• T. E. Mebius, Boekhandelaar te St. Jacobi-Parochie. 6 ex.

• van der Meer en Verbruggen, Boekhandelaars te Rotterdam.

• H. van der Meer, Kweekeling te Roordahuizum.

• G. Mees Azn. Regter in de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam. g. p.

• A. Meeter Pzn. Onderwijzer te Arum.

• J. Meeth Czn. Bode by de Staten van Friesland te Leeuwarden.

• H. Meetsma, te ’s Hage. g. p.

• Mr. M. Meinesz, te Slooten.

• A. H. R. Metelerkamp, Rijks-Ontvanger te Rottevalle.

• T. G. van der Meulen, Boekh. te Bergum. 5 ex.

• V. Meursinge, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.

• L. L. F. Mispelblom Beijer, Directeur van het Postkantoor te Heerenveen.

• G. J. Molengraaff, te Nijmegen.

• S. Mollema, te Amsterdam.

• J. Mulder, Wethouder der stad Franeker.

• P. B. Mulder, Linnenbleeker te Leeuwarden.

• E. Mulders, Onderwijzer te Rottevalle.

• Mr. G. N. Mulier, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.

• P. Mulier, te Bolsward.

• Gebr. Muller, Boekhandelaars te ’s Bosch. 2 ex.

• Mr. G. A. Munster Jordens, voor het Leesgez. te Deventer.

• W. Muurling, Hoogleeraar te Groningen. g. p.

• T. Hoog van Nes, Geëmploijeerde aan het Postkantoor te Rotterd.

• P. H. Noordendorp, Boekhandelaar te ’s Hage. 2 ex.

• S. Noteboom, Boekhandelaar te Franeker.

• D. T. Notten, voor de Bibl. der Maats. tot Nut van ’t Algem. te Echten.

• A. Nugteren, Particulier te Rotterdam.

• C. Star Numan, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdh. te Groningen.

• Is. An. Nijhoff, Boekhandelaar te Arnhem. 2 ex.

• O. B. Oeberius, Notaris te St. Anna-Parochie.

• Het Onderwijzers Gezelschap te Grouw.

• U. Oosterbaan, Cand. Notaris in de Schrans, bij Leeuwarden.

• J. H. Oosterdijk, Emeritus Predikant van Lunteren, op Gelders-spijker bij Arnhem.

• P. van Os, Instituteur te Sneek.

• J. G. Ottema, Præceptor aan het Gymn. te Leeuwarden. g. p.

• Mr. J. Pan, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Drenthe te Assen.

• Jhr. Mr. J. E. van Panhuijs, Commissaris des Konings in de provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.

• H. Pasma Fzn., Landbouwer te Haskerdijken.

• J. W. Petræus, Bankhouder te Harlingen.

• Mr. I. H. Philipse, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid te Groningen.

• G. Piekema, Ondermeester te Pingjum.

• M. van der Plaats, Boekhandelaar te Harlingen. 8 ex.

• F. Plantenga, te ’s Hage.

• F. W. van der Ploeg, Landbouwer te Ee.

• J. Ploegsma, Onderwijzer te Rauwerd.

• B. Poppes, Assessor van Lemsterland te Lemmer.

• J. Poppes, Assessor van Gaasterland te Balk.

• J. Post, Med. Doct. te Arnhem.

• C. van der Post, Jr., Boekhandelaar te Utrecht. 5 ex.

• Het Postkantoor te Harderwijk. 2 ex.

• Het Postkantoor te Meppel.

• F. Poutsma, te Slooten.

• P. J. Prinsen, Directeur van ’s Rijks Kweekschool voor Onderwijzers te Haarlem.

• M. Pruim, Instituteur te Dokkum.

• U. Proost, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.

• Mr. A. Quæstius, Plaatsverv. Kantonregter te Dronrijp.

• H. Raadsma, Timmerman te Ee.

• K. Radersma, Onderwijzer te Wierum, voor het Onderwijzers-Gezelschap West Dongeradeel.

• Jhr. Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, Staatsraad, Directeur van ’t Kabinet des Konings, te ’s Hage.

• Jhr. F. A. Ridder van Rappard, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Oorlog, te ’s Hage.

• R. A. Rauwerda, Landbouwer te Roodkerk.

• J. H. Reddingius, Predikant te Morra en Lioessens.

• Mr. R. A. B. Reddingius, Kantonregter te Sneek.

• R. Reitsma, Onderwijzer te Scharnegoutum.

• Mej. M. P. Reneman, te Leeuwarden.

• L. H. W. Baron van Aylva Rengers, Luit. – Kolonel by het 7


 Regiment Infanterie te Utrecht.

• L. R. v. Welderen Baron Rengers, Jur. Student te Groningen.

• R. H. S. G. Juckema van Burmania Baron Rengers te Leeuwarden. g. p.

• S. van Welderen Baron Rengers, Grietman van Wymbritseradeel en Lid der Provinciale Staten te Ysbrechtum.

• W. F. L. Baron Rengers te Utrecht.

• W. J. van Welderen Baron Rengers te Leeuwarden.

• Dr. H. Riedel, Conrector te Groningen.

• P. Risselada, Apotheker te Leeuwarden.

• W. de Rivecourt, Gepensioneerd Kapitein te Zutphen.

• A. J. Rodenhuis, Lid der Staten van Friesland en Wethouder der stad Harlingen. g. p.

• IJ. Rodenhuis Pzn. Zeehandelaar te Harlingen. g. p.

• H. R. Roelfsema, Boekhandelaar te Groningen.

• G. Roker, voor het Leesgezelschap te Tjallebert.

• Th. Romein, Stads Architect te Leeuwarden.

• D. T. Roorda te Wijtgaard.

• H. L. Roorda, Boer te Kimswerd. g. p.

• S. O. Roosjen te Hindeloopen.

• H. J. Royaards, Hoogleeraar te Utrecht.

• T. J. Rudolphi, Lid van den Raad en Landbouwer te Jutrijp.

• Joh. W. Ruitinga, Apotheker te Harlingen.

• J. de Ruijter, Boekhandelaar te Amsterdam.

• E. P. Rijpma, Landbouwer te Ooster-Nijkerk.

• Mr. L. R. Salverda, Secretaris van Opsterland te Beetsterzwaag.

• R. Bloembergen Santée, 1


 Deurwaarder bij de Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.

• A. Schaafsma, Aannemer te Harlingen.

• A. Schaafsma, Boekhandelaar te Dokkum. 14 ex.

• Schalekamp, van de Grampel & Bakker, Boekhandelaars te Amsterdam.

• H. Scheltema, Ontvanger der Belastingen te Harderwijk. 2 ex.

• Mr. H. W. de Blocq van Scheltinga, te Oranjewoud, g. p.

• H. C. Schetsberg, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.

• L. Schierbeek, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.

• R. J. Schierbeek, Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.

• P. Wierdsma Schik te Leeuwarden.

• A. L. Scholtens, Boekhandelaar te Groningen.

• J. Kuiper van Schouwenburg, Lid van den Raad der stad Harlingen. g. p.

• B. Schuring, Boekh. te Weesp.

• S. S. Schuurmans, Lid van den Grietenijraad van Rauwerderhem te Rauwerd.

• G. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Menaldumadeel te Beetgum.

• G. W. C. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Haskerland te Joure.

• U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Surnumerair bij de Directe Belastingen te Leeuwarden. g. p.

• W. H. T. Camstra Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Lid der Prov. Staten van Friesland te Hichtum.

• W. J. J. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Doniawerstal te Langweer.

• H. M. Scrinerius, Geneesheer te Witmarsum.

• W. J. A. Seijffardt, Boekh. te Amsterdam.

• Jhr. Mr. J. Hora Siccama van de Harkstede te Groningen.

• S. G. Siedzesz, Burgemeester der stad Stavoren.

• S. Sinnema, Contrôleur der Directe Belastingen te Dokkum.

• J. E. Simon, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.

• L. van Sisseren, te Leeuwarden.

• H. D. van Sloterdijck, te Leeuwarden.

• Jhr. Mr. H. B. van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel te Bergum. 1 ord. en 1 g. p.

• Mevr. C. van Sminia, geb. Coehoorn van Scheltinga, te Oudkerk.

• Jhr. H. van Sminia, Jur. Student te Groningen.

• J. Molanus Smith, Onderwijzer te Hiaure.

• De stad Sneek. g. p.

• Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, President van het Provinciaal Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.

• Jhr. S. Speelman, te Leeuwarden.

• J. A. Spree, te Leeuwarden.

• M. van Staveren, Theol. Doct. en Predikant te Leeuwarden.

• C. van der Sterr, te Helder.

• Mr. B. S. Stienstra, Procureur te Sneek.

• Wed. Mr. J. Stinstra, geb. Banga, te Franeker.

• Simon Stinstra, Lid van den Raad van Harlingen.

• W. P. van Stockum, Boekhandelaar te ’s Hage. 3 ex.

• Mr. G. N. de Stoppelaar, Advocaat te Middelburg.

• G. Acker Stratingh, Math. Phil. Nat. et Med. Doct. te Groningen.

• H. Stroband, te Franeker. g. p.

• G. T. N. Suringar, Boekhandelaar te Leeuwarden.

• T. Sybenga, Landbouwer te Nijkerk.

• S. Sybrandi, Boekh. te Haarlem.

• S. K. Sybrandi, Rustend Leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem.

• H. R. Tacoma, Landbouwer te Pingjum.

• S. Talsma, Onderwijzer te Roordahuizum.

• W. Talsma, te Oenkerk.

• T. Telenga, Boekhandelaar te Franeker. 20 ex.

• Mr. A. Telting, Kantonregter te Franeker.

• J. G. van Terveen en Zn., Boekhandelaars te Utrecht.

• Mr. S. van Teijens, Grietman van Opsterland en Lid der Staten van Friesland te Beetsterzwaag.

• J. F. Thieme, Boekh. te Nijmegen.

• J. Tichelaar Jzn. te Amsterdam, g. p.

• H. Tiddens, Jur. Student te Groningen.

• C. J. Tjessinga, Assessor van Barradeel te Minnertsga. g. p.

• J. Lunsingh Tonckens, Med. Doctor te Beetsterzwaag.

• Mr. G. M. Baron du Tour van Bellinchave, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.

• S. S. Tromp, Rustend Predikant te Britsum.

• W. Tromp, Notaris te Bergum.

• S. Tulp, Koopman te Leeuwarden. g. p.

• Erven J. J. Tijl, Boekhandelaars te Zwolle. 2 ex.

• R. J. Uilkema, Landbouwer te Scharnegoutum. g. p.

• L. Valk, Rustend Predikant te Leeuwarden, voor het Leesgez.

• D. A. van Valkenburg, Hoofd-Commies, belast met het Toesigt der Bibliotheek van het Depart. van Oorlog te ’s Hage.

• P. Valter, Particulier te Deventer. g. p.

• Dr. D. J. Veegens, Rector aan het Gymnasium te Amsterdam, g. p.

• H. G. van der Veen, te Driezum.

• Jan H. Veenbaas, Kastelein te Knijpe.

• J. Veenland, Stud. Litt. Hum. te Rottevalle. g. p.

• Jhr. Mr. P. B. J. Vegilin van Claerbergen, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te Joure. 1 ord. en 1 g. p.

• H. W. van de Velde, Lid van den Grietenijraad van Utingeradeel te Terhorne.

• S. K. Thoden van Velzen, Predikant te Leeuwarden.

• Gebr. Vermande, Boekh. te Hoorn

• N. Burhoven Viëtor, Oud-Artill. Officier, Maire, Schout, Lid der Prov. Staten van Friesland; Assessor van Menaldumadeel, Gepens. Ontvanger der Directe Belastingen, op den huize Oorbijt te Dronrijp.

• D. Vas Visser, te Amsterdam, g. p.

• J. Visser, Onderwijzer te Sneek.

• J. H. Visser, Bakker te Witmarsum.

• J. A. Visser, Jr., te Heeg.

• P. A. Visser, Onderw. te Pingjum

• S. W. Visser, Lid van den Raad van Lemsterland, te Lemmer.

• J. P. van Visvliet, Archivarius der prov. Zeeland, te Middelburg.

• G. W. Vreede, Hoogleeraar te Utrecht.

• Dr. A. de Vries, Rustend Predikant te Haarlem.

• F. Draisma de Vries, Lid van den Raad van Franekeradeel te Achlum.

• M. de Vries, Hoogl. te Groningen.

• O. de Vries, Commissionair te Leeuwarden.

• K. de Waard, Boekhandelaar te Groningen.

• Mr. J. G. van Wageningen, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.

• Mr. J. H. J. van Wageningen, Secretaris van Baarderadeel te Weidum.

• M. S. de Wal, Secretaris der stad Leeuwarden.

• O. P. Waller, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.

• W. C. Wansleven, Boekhandelaar te Zutphen.

• Mr. C. C. C. Warmolts, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.

• R. A. Wartena, Assessor van Rauwerderhem, te Rauwerd.

• B. A. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.

• A. Wassenbergh, Predikant te St. Anna-Parochie.

• I. Wentholt, Arrondissements Betaalmeester te Alkmaar.

• Mr. P. ten Behm Wentholt, Regter te Heerenveen.

• Mr. T. M. Wentholt, Griffier van het Kantongeregt te Harlingen.

• J. P. van der Werf, Onderwijzer te Peins.

• H. S. Westerbaan, Bakker te Arum.

• S. H. Wiarda, Lid van den Raad van Baarderadeel te Bozum.

• P. van Wicheren Hz., Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.

• Mr. C. Wichers Wierdsma, Grietman van Hennaarderadeel te Wommels.

• J. H. Wierenga, Onderwijzer te Burum.

• Mr. A. G. van Velsen Wiersma, Secretaris der stad Harlingen.

• Harmen K. Wiersma, Landbouwer te Hichtum.

• H. Wilhelmij, Landeigenaar te Bergum.

• F. Wilkens, Boekhandelaar te Groningen.

• N. van Willes, 1


 Luit. – Adjudant bij het 3


 Regiment Infanterie te Arnhem, voor de Officiers-Bibliotheek. g. p.

• T. R. Winia, Lid van den Raad van Baarderadeel te Huins.

• T. S. van de Wint, Houthandelaar te Franeker.

• Jhr. Mr. J. M. van Haersma de With, Grietman van Oost-Dongeradeel te Metslawier. g. p.

• H. G. Wittebol, te Leeuwarden.

• F. J. Witteveen, Medic. Doctor en Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.

• J. N. Witteveen, Lid van den Raad van Oost-Dongeradeel te Metslawier.

• J. A. van Woestenberg, Boekhandelaar te Utrecht.

• I. Wouters, Lid der Staten van Friesland te Sneek.

• C. Wouda, Stucadoor en Meubelfabrijkant te Leeuwarden.

• H. C. Wouda, Wethouder der stad Sneek.

• Mr. C. Wijbenga, Secretaris van Franekeradeel te Franeker.

• J. Wijma Jzn. te Leeuwarden.

• M. Wijt & Zn. Boekhandelaars te Rotterdam.

• Dr. N. Ypeij, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.

• S. Ypeij, Jur. Student te Groningen.

• J. H. van IJssel, V. D. M. te Hempens, voor het Leesgezelschap.

• Jan S. IJzenbeek, Koopman te Harlingen.

• A. K. Zandstra, Landbouwer te Langweer.

• D. H. Zandstra, Landbouwer te Langweer.

• Dirk Zeper, Wethouder der stad Leeuwarden.

• H. Zeper, te Leeuwarden.

• J. Zeven, Onderwijzer te Tjummarum.

• J. G. de Waldkirch Ziepprecht, te Leiden.

• J. Zuidema, Onderw. te Oostrum.

• J. J. Zuidhoff, Onderwijzer te Ee.

• F. F. van der Zwaag op het Huis ter Noord onder Oudwoude. g. p.

• W. C. van der Zwaag, Predikant te Dronrijp.

• P. H. van der Zijl, Landbouwer te Goënga. g. p.

• Mr. P. Adama Zijlstra, Burgemeester der stad Harlingen. g. p.




TWEEDE NAAMLIJST

VAN

INTEEKENAREN



HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p

• J. H. Akkeringa, Doopsgezind Predikant te Workum.

• S. Algera, Onderwijzer te Spannum.

• T. Alma, Notaris te Menaldum.

• E. J. Alta, Secretaris van Barradeel te Sexbierum.

• Mr. J. P. Amersfoordt, Advokaat te Amsterdam.

• A. Andreæ, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Beetsterzwaag.

• Mr. A. J. Andreæ, Oud-Directeur der Registratie en Domeinen te Leeuwarden.

• Mr. J. H. Beucker Andreæ, te Leeuwarden, voor de Onderwijzers-gezelschappen in het 7


 School-district van Friesland.

• J. A. Anema, te Arum.

• D. Apon, Koopman te Amsterdam.

• P. van Asperen, Koopman te Warrega.

• Mr. C. J. van Assen, Hoogleeraar te Leiden.

• P. S. Attema, te Leeuwarden.

• J. van der Baan, Onderwijzer te Zaamslag.

• M. A. J. Bakhuijzen, te ’s Gravenhage.

• J. Barends, Arrondissements-Betaalmeester te Heerenveen.

• J. B. H. Bax, te Rotterdam, g. p.

• C. H. Beekhuis, Notaris te Buitenpost.

• Helm. Beekhuis, Predikant te Austerhaule.

• H. Beekkerk, Ontvanger der Registratie te Oldeberkoop.

• J. H. Behrns, te Franeker.

• E. A. Bekius, te Lieve Vrouwe-Parochie.

• J. M. Benteijn, Ridder der Militaire W. O. 4


 kl., Ontvanger der Registratie enz. te Leeuwarden.

• Mr. P. J. Teding van Berkhout, te Amsterdam.

• Bibliotheek der H.H. Officieren van het Instructie-Bataillon te Kampen.

• Bibliotheek der stad Leeuwarden.

• Bibliotheek der stad Arnhem.

• Bibliotheek der Officieren van het 5


 Regiment Infanterie te Vlissingen.

• J. F. Blaauw, Predikant te Rotterdam.

• J. J. de Blécourt, Notaris te Wildervank.

• G. P. Bleeksma, Timmerman te Roordahuizum.

• Mr. J. T. Bodel Nijenhuis, te Leiden.

• Mr. F. A. van Boelens, Kantonregter te Beetsterzwaag.

• J. B. de Boer, Predikant te Marrum.

• M. L. de Boer, Predikant te Berlikum.

• B. K. Bokma, Gemeente-Ontvanger van Idaarderadeel, te Grouw.

• A. Bolman, Wijnhandelaar te Warrega.

• C. J. Bolten, Ingenieur der 1


 klasse van den Waterstaat te Leeuwarden.

• D. W. Bosch Dzn. te Amsterdam.

• E. F. van den Bosch Pz. Rijks Veearts te St. Anna-Parochie.

• J. Bosscha, Hoogleeraar te Amsterdam.

• Mr. P. Bosscha, Hoogleeraar te Deventer.

• H. T. Bosma, Landbouwer te Smalle-Ee onder Boornbergum.

• Sake J. Bosma, Mr. Timmerman te Follega.

• L. G. Bouricius, Arrond. – Directeur van ’s Rijks Directe Belastingen, R. N. L. te Utrecht.

• D. D. Breuning, Lid der Staten van Friesland en Geneesh. te Wolvega.

• Jhr. J. A. van Brienen van Ramerus, Kapitein, 1


 aanw. Ingenieur te Nijmegen.

• H. Brouwer, Predikant te Oudkerk.

• S. Brouwer, Geneesheer te Bergum.

• E. P. Brunger, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Lieve Vrouwe-Parochie.

• G. Brunia, Ondermeester te Sexbierum.

• J. J. Buwalda, Med. Doctor te Franeker.

• Jhr. V. V. van Cammingha, Burgemeester van Leeuwarderadeel te Huizum.

• H. G. Cannegieter, Med. Doctor te Hallum.

• de Crane d’Heijsselaer, Borgemeester, op ’t Hof de Buerstede te Aertselaer, bij Antwerpen.

• D. A. Deinema, Gepensioneerd Kapitein van ’t O. Ind. Leger, te Arnhem.

• H. W. van Doesburg, Surnumerair bij ’s Rijks Belastingen te Amsterdam.

• L. J. Dooper, Landbouwer te Hommerts.

• Mr. H. I. Baron van Doorn van Westcapelle, Opper-Hofmaarschalk van het Huis des Konings enz. te ’s Hage.

• P. H. Douma, te Hardegarijp.

• J. Douwes, Predikant te Leens.

• J. ab Utrecht Dresselhuis, Predikant te Wolfaartsdijk.

• O. J. Dijkstra, Olieslager te Leeuwarden.

• J. Ebbos, te Amsterdam.

• P. Epkema, Doctor in de Letteren, te Amsterdam.

• L. van Essen, Onderwijzer te Wijnjeterp, voor het Leesgezelschap: Behoudt het goede.

• J. L. Faber, Ondermeester te Bolsward.

• Jhr. A. L. C. Fabricius van Heukelom, Lid der Ridderschap van N. – Holland, te Amsterdam.

• D. P. Farret, Rustend Predikant te Harlingen.

• Bauke Feenstra, Opperwachtmeester by ’t Regiment Rijdende Artillerie, te Amersfoort.

• A. Feickens, te Leeuwarden.

• W. Feikema, Heelmeester te Oosterwolde.

• A. Feima, Onderwijzer te Leeuwarden.

• J. A. Feith, Kapitein-Ingenieur te Utrecht.

• S. W. Fennema, te Bergum.

• Mr. A. Ferf, Advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van Friesland, Ambtenaar bij het O. M., Kanton Bergum en Secretaris der Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum.

• P. Fiers, Onderwijzer te Winsum.

• J. Folkertsma, Predikant te Koudum.

• D. Fontein Azn. Steenfabrijkant te Franeker.

• Dirk Fontein Fz. Zeehandelaar te Harlingen.

• Mr. J. A. Fontein, Kantonregter te Oudeberkoop.

• Reiner Fontein, te Franeker.

• G. R. Fopma, te Mantgum.

• I. Fredriks, te Wolvega.

• Willem F. Galema, Notariële klerk en Zaakwaarnemer te Marrum. g. p.

• J. H. van der Goot, Ontvanger te Oosterend.

• S. H. van der Goot, Doopsgezind Predikant te Berlikum.

• B. P. Gorter, Wethouder van de gemeente Haskerland te Joure.

• J. J. Gouma, te Wolvega.

• A. Gratama, Kassier te Leeuwarden.

• K. van Someren Gréve, Mr. Steen- en Beeldhouwer te Sneek.

• P. A. Guldenarm, te Franeker.

• P. C. G. Guijot, te ’s Hage.

• W. Haamstra, Onderwijzer te Oosterwierum.

• H. B. van der Haer, Lid der Gedep. Staten van Friesland, te Leeuwarden.

• K. J. R. v. Harderwijk, te Noordwijk-binnen.

• E. R. Harkema, te Leeuwarden.

• Cornelis Harmens, Zeehandelaar te Harlingen.

• N. T. Haverschmidt, Lid van den Gemeente-raad en Apotheker te Leeuwarden.

• K. Sipkes Heep, Candidaat-Notaris te Holwerd.

• D. Hekker Jr., Onderwijzer te Amsterdam.

• G. A. van Hemert, Onderwijzer te Harlingen.

• J. C. Hemsing, Med. Doctor te Blija.

• Mr. W. J. Hemsing, Notaris en Secretaris van Gaasterland te Balk.

• J. A. Hibma, Lid van den Raad van Barradeel te Sexbierum.

• J. R. Hiddinga, Assessor van Barradeel te Wijnaldum.

• A. M. Hiemstra, Lid van den Raad van Barradeel, te Klooster Lidlum.

• L. G. Hilbida, Assessor, waarnemend Grietman van Barradeel, te Tjummarum.

• J. Hingst, te Amsterdam.

• J. Hingst, Predikant te Sijbrandaburen.

• G. T. Hoekstra, te Deinum.

• S. W. Hoekstra, Candidaat-Notaris te Wommels.

• Abr. des Amorie van der Hoeven, Theol. Doct. en Professor, Commandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid en vaste Secretaris der 2


 kl. van het Koninkl. Nederl. Instituut, te Amsterdam.

• W. J. Hofdijk, te Beverwijk.

• T. Hofkamp, voor de Bibliotheek voor Onderwijzers van het 1


 en 2


 Distrikt der prov. Groningen.

• P. J. de Hoop, te Nieuwland.

• J. E. F. Huguenin, te Franeker.

• Huydecoper van Nichtevegt, Jur. Cand. te Utrecht.

• K. G. Jensma, Landb. te Hallum.

• T. Jentink, Pred. te Nieuwland.

• Simon B. de Jong, te Leeuwarden.

• K. J. Kalma, Lid der Prov. Staten van Friesland te Boxum.

• O. van Kammen, Koopman te Leeuwarden.

• H. F. Kamphuijzen, Onderwijzer bij de Kath. Armenschool te Utrecht.

• Otto Keer, Assuradeur te Amsterdam.

• Mr. J. M. de Kempenaer, Advokaat te Arnhem.

• Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Advokaat-Gener. bij ’t Geregtshof te Amsterdam.

• C. J. Kingma, Koopman te Leer. g. p.

• I. Klein, Onderwijzer te Nijmegen.

• C. C. Knoll, te Amsterdam.

• A. T. Knoop, 1


 Luit. bij het 1


 Regiment Vesting-Artillerie te Grave.

• C. Koopmans, Ontvanger van Opsterland, te Beetsterzwaag.

• H. M. Koopmans, te Lemmer.

• S. A. Koopmans, Ondermeester te Oldeboorn.

• T. A. Koopmans, te Beetsterzwaag.

• S. R. Kuipers, Kastelein te Akkrum.

• M. Th. Laurman, Predikant te Winsum.

• P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend.

• Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer.

• Leesgezelschap te Arum.

• Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden.

• Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek.

• Leesgezelschap te Folsgare.

• Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle.

• A. van der Leeuw, te Delft.

• T. Leistra, te Bergum.

• Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athenæum Illustre te Amsterdam.

• A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden.

• W. Lomars, Bakker te Tjum.

• J. D. Lont, Landbouwer te Hallum.

• S. Lycklama à Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward.

• D. G. Mackay, Predikant te Stavoren.

• W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie.

• Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en Secretaris te Harderwijk.

• Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk.

• H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.

• O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel.

• D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer te Oostrum.

• F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen.

• H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen.

• Mr. L. Metman, Advokaat te ’s Gravenhage.

• J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega.

• A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker.

• Dr. P. A. van Meurs, Docent aan ’t Gymnasium te Deventer.

• J. F. Meijer, Ontvanger van ’s Rijks belastingen te Witmarsum.

• A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden.

• H. Mohrman, voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te Amsterdam.

• Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward.

• Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum.

• Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te Giekerk.

• Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond. – Regtbank te Heerenveen.

• Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen.

• A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie.

• Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden.

• G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde.

• C. H. Nijdam, te Haskerdijken.

• H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen.

• U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a.

• J. S. Olivier, Secondant te Groningen.

• A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam.

• M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg.

• S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden.

• J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt.

• P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten.

• de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem.

• R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden.

• Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam.

• T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw.

• G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap.

• Mr. J. Pols, Referendaris te ’s Hage.

• J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp.

• B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf te Oosterwolde.

• A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank.

• Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van Smallingerland.

• A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden.

• Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden.

• Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te ’s Hage.

• J. K. van Riesen, Koopman te Grouw.

• P. R. Römer, Geneesheer te Warrega.

• E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum.

• J. A. Schaaff, Notaris te Stiens.

• J. Schaafsma, te Harlingen.

• P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie Noord-Holland.

• Mr. G. Schot, Notaris te Franeker.

• J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te Leiden.

• J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam.

• Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam.

• J. Schuijten Hzn., te Dordrecht.

• N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden.

• G. D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te Leeuwarden.

• J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden.

• M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam.

• N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden.

• E. J. Sjoukes, te Lutkewierum.

• J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam.

• Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward.

• S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden.

• Dr. Th. Spree, te Veenwouden.

• K. Stapensea, Geëmploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te Menaldum.

• Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van Rijnland te ’s Hage.

• A. W. Storm van ’s Gravesande, te Enschedé.

• Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk.

• C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht.

• Mr. Æ. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden.

• W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden.

• A. H. Swerms, Beëedigd Klerk te Franeker.

• J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam.

• M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden.

• H. Taconis, te Grouw.

• J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam.

• A. Tak, te Middelburg.

• Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels.

• Mr. Rein Terpstra, te Cleve.

• H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam.

• H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen.

• P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum.

• A. H. Tromp, te Woudsend.

• A. M. Tromp, te Balk.

• Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.

• D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen.

• E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden.

• B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude.

• Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland, te Leeuwarden.

• Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland, te Leeuwarden. g. p.

• Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland, te Blesse.

• S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum.

• A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier.

• Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht.

• W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer.

• Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet.

• J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht.

• H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap.

• Mr. R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden.

• Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned. Instituut te Amsterdam.

• J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum.

• B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.

• Mej. L. P. Wentholt, te Franeker.

• J. A. van Weperen, te Oosterwolde.

• H. van der Werf, Koopman te Bolsward.

• A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te Rhijnsburg. g. p.

• Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, te Warffum.

• C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum.

• Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende Artillerie te Amersfoort.

• J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem.

• P. Wiarda, te Leeuwarden.

• J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum.

• D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam.

• Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in Zeeland, te Middelburg.

• R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te Harlingen.

• Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost.

• J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen.

• H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens.

• Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden.

• C. Zijlstra, Secondant te Barneveld.




VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING


Eerste Tijdvak. (#pgepubid00004)Het Oude Friesland. Van de vroegste tijden of de komst der Romeinen in Friesland tot op het einde van den strijd der Friezen en Franken onder Keizer karel den groote. Van 11 jaren vóór christus tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.

Tweede Tijdvak. (#pgepubid00015)Het Vrije Friesland. Van karel den groote of de invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der onafhankelijkheid onder Hertog albert van Saksen. Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.

Derde Tijdvak. (#litres_trial_promo)Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten. Van de aanneming van Hertog albert van Saksen tot Erfpotestaat van Friesland tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.

Vierde Tijdvak. (#litres_trial_promo)Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het Huis van Nassau. Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.

Vijfde Tijdvak. (#litres_trial_promo)Friesland tijdens de Fransche overheersching. Van de Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de herstelling van Nederland en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot 1813.

Zesde Tijdvak. (#litres_trial_promo)Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering. Van 1813 tot 1850.




Inleiding


Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten wat de oorsprong is van hun vaderland, welke merkwaardige gebeurtenissen daarin zijn voorgevallen, en hoe het in den loop der eeuwen tot zijnen tegenwoordigen toestand is gekomen.

Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt, als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen; als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren de voorvaderen al hebben doorgestaan, om dit erf te behouden en te verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht zijne eer en zijnen roem stelt.

Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen; – als zij ons aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener bestemming hebben dan het gedierte des velds.

Weinige volken van Europa kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst en roemrijker geschiedenis bogen dan de Friezen. Zeldzaam en merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd —de Friezen handhaven hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden omringt, – moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten behalen. Op lage en moerassige landen en dorre heiden gevestigd, mogt het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der sieraden is van Nederland.

Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met bemoedigende gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde des dichters:

		In ’t verleden ligt het heden,
		In het nu wat worden zal.

Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.

Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van Friesland bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit uitgestrekte veld, door de hoofdtrekken dier geschiedenis of de voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk Friesland moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der geschiedenis vormen.




EERSTE TIJDVAK




HET OUDE FRIESLAND


VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE


Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus



Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder vertelt zult vinden.

Cornelis van Grebber, van Egmond.

(1198)[1 - Vermeld in de Aantt. op hofdijk’s Jonker van Brederode, Amst. 1849, bl. 208.]





1. De Afkomst der Friezen


De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden, uit Scandinavië of Zweden en Noorwegen afstammen, wordt evenzeer beweerd, als dat zij uit Azië of het oosten afkomstig en dóór Germanië getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen genoemd) in een gedeelte van Friesland, het hooggelegene Drenthe, de stichters waren van de reusachtige Hunebedden of opeengestapelde steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering zijn geweest[2 - Uitvoerig handelt daarover Dr. g. acker stratingh in zijne Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderl. Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het Vriesch Charterboek; ypeij, Geschiedenis van de Ned. Taal, Gron. 1812, I 126, 150, II 106; foeke sjoerds, Beschrijving van Friesl., Leeuw. 1765, I 277; Oudheden en Gestichten, I 1, 38, II 337; Dr. l. j. f. janssen, Drenthsche Oudheden, 17, 167.]. Ook in Gaasterland is in 1849 een dergelijk Hunebed, steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen, urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het gebruik van de metalen nog niet kenden[3 - Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr. l. j. f. janssen daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in de Vrije Fries, 1850, V 338.].

Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat friso, eens Konings zoon uit Indië, na den dood van alexander den groote uit zijn vaderland verdreven, zich met zijne broeders saxo en bruno en vele anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met eene vloot in Friesland zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor den stichter van Stavoren, voor den bevolker van dit land en alzoo voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden ontvangen hebben.

Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins friso in het bestuur van Friesland zouden opgevolgd zijn[4 - Zie het Tijdrekenkundig Overzigt (#litres_trial_promo) van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz., en de daar vóór geplaatste inleiding, achter de Aanteekeningen als Tweede Bijlage medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging, duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.]. Bestendig is dit verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die het bestreden en verdedigd hebben. De dichter willem van haren heeft het zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5 - Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten, Amst. 1741, 8


. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4


. De mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. j. h. halbertsma uitvoerig aangetoond in zijne Fragmenten over het geslacht der van Harens, bl. 100, 137.].

Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den naams-oorsprong[6 - Zie de opsomming daarvan in van leeuwen’s Aantt. op It aade Friesche terp, Leeuw. 1834, 291; van rijn’s Aantt. en Nabericht op de Oudheden en Gestichten van Vriesland, Leiden 1723, I 88, II 357; ypeij, Gesch. v. d. Ned. taal, I 150; de Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, Leeuw. 1846, bl. II; acker stratingh, II 108 en bij vele anderen.]. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat er weinige trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte Duitschland of Germanië. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11 jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste bronnen der geschiedenis van Nederland, maken melding van hen. Hoe lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook nimmer na te sporen.




2. De omvang en toestand van het Oude Friesland


Het gansche noordelijk gedeelte van Nederland, hetwelk thans de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe, benevens een deel van Overijssel, Noord-Holland en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang van onze tijdrekening, het land der Friezen. De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij Alkmaar), aan de zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7 - Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde Schets en Aanteekening 1 (#litres_trial_promo). Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.” Zie daarover vooral huydecoper op melis stoke, I 515; van den bergh, de Nederl. Wateren, in nijhoff’s Bijdragen, VII 208; acker stratingh, I 197 en ottema, in de Vrije Fries, IV 110; w. j. hofdijk noemt in zijn Kennemerland, 1850, 33: „het Reeker-wed, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die zich van beneden Koedijk tot aan de Syper golf uitstrekte: alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen West-Friesland en ’t noordelijkst einde van Kennemerland.” Zie ook het Jaarboekje: Holland, 1851, bl. 175.]. Daar tusschen bevond zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.

De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van Friesland levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren. Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in Friesland binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8 - Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van Sneek, door den Heer j. f. bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek, onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch Genootschap.].




3. De Oude Friezen


Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door de Friezen, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan de Groote Friezen ten oosten en de Kleine Friezen ten westen van den Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen[9 - Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de vermelde Schetskaart.]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van Gaasterland, Opsterland, de Stellingwerven en Drenthe op te zoeken, ten einde daar te overwinteren.

Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of terpen op, welke nog in Friesland, Groningen en elders onze bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen hunner afgestorvenen begroeven[10 - Zie Oude Friesche Wetten in de Aantt. van p. wierdsma, 95, en verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, waar meerdere bijzonderheden en bronnen zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.], sloegen zij hunne woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld. Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner dankbaarheid toebragten.

Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.




4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren voor- en 28 na Christus.)


Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten overwonnen- en ook Gallië (Frankrijk), België, de Batavieren en andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk Germanië ten onder brengen. Het was hun veldheer drusus, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.

Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, waarover hunne vlooten daarna vele malen door Friesland stevenden. Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, olennius, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte, – toen stonden de Friezen tegen de Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de sterkte Flevum, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, apronius, met eene talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, Baduhenna geheeten, 900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den dood vonden.

Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer tiberius ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: Sinds dien tijd werd de Friesche naam vermaard onder de Germanen. (Zie Aant. 2 (#litres_trial_promo).)

Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam twintig jaren daarna hun veldheer corbulo hier op nieuw, om eene bezetting in Friesland te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer claudius bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te trekken.

Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het schoone gezegde van onzen Frieschen dichter willem van haren:

		O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
		Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon. —
		Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
		Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
		Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan![11 - Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht Friso.]




5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen


Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is het zoo belangrijk de gevolgen na te gaan van elke groote gebeurtenis en ook van deze.

Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften behoorden.

Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit Brittannië werd gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond. De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen. (Aanteekening 3 (#litres_trial_promo).)

De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:

		Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
		Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
		En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
		Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen.




6. Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)


Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.

Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De bevelhebber van Neder-Germanië beval hun echter deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de Romeinen verritus en malorix genoemd, ten jare 59, tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer nero voor te dragen. Zij reisden naar Rome; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bragt men hen in den schouwburg van pompejus. De eenvoudige Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw,” antwoordden verritus en malorix, en, hunne plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer nero duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12 - Tacitus, Jaarboeken, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch gerrit en murk waren, zoo als ypeij, I 161, wil, is waarschijnlijker dan de meening van winsemius, 24, dat ze van het geslacht hermana en cammingha zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn aangenomen.].




7. Uitbreiding van Friesland. (240-455)


Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten. Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in den toestand veler volken van Europa gaf eerlang aanleiding, om die zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om Rome tegenstand te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk. Meer andere stammen trachtten zich allengs van Rome los te scheuren; bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten gevolge.

Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van een aantal volken, tusschen den Rĳn, de Noordzee, de Elbe en de Main woonachtig. Onder den naam van Franken of Vrijen was hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral in het meer vruchtbare Gallië. Dit doel gelukte hun na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige Frankrijk, dat zij veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.

Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene groote uitgestrektheid heeft uitgezet”[13 - Ypeij, Geschiedenis der Nederl. Taal, I 150.]. Zuidwaarts breidden zij zich alzoo over den Rĳn en de Maas tot aan het Zwin of het Sincfal, een zeeboezem in West-Vlaanderen, uit[14 - Het Zwin, oudtijds het Sincfal en later het Hazegat geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige grens van Friesland voor. Het is de eertijds breedere inham en haven der stad Sluis benoorden Brugge, welke nog de grensscheiding tusschen Nederland en België, of tusschen het vaste land van Zeeland en West-Vlaanderen uitmaakt. Blommaert in zijne Aloude Geschiedenis der Belgen, Gent 1849, 20, en van den bergh in nijhoff’s Bijdragen, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die zich tot Damme uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste havens niet slechts dezer landen, maar van gansch Midden-Europa was. Zie ook acker stratingh, I 114 en de kaart; dresselhuis, de Provincie Zeeland, 76 enz.], en oostwaarts over de Eems tot den Wezer of zelfs verder, welke laatste streken door de Cauchen en andere stammen waren verlaten[15 - Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: „tot over de Elve en dus tot op de grenzen van Denemarken.” Zie joh. a leidis Chronicon, lib. II cap. 15; van loon, Aloude Regeeringwijs van Holland, I 106, enz.]. Evenzoo deden de Saksers, welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der Noordzee, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige Vlaanderen, Zeeland, Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen, Drenthe, Oost-Friesland, Oldenburg enz., met de landen, later door de Zuiderzee ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van Europa drie magtige vrije volken gevestigd: de Franken, de Friezen en de Saksers. (Aanteek. 4 (#litres_trial_promo).)




8. Der Friezen togt naar Brittannië. (449)


Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke bewoners van Brittannië of het tegenwoordige Engeland, zeer ontrust door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de Neder-Saksers, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de Anglen en Warners, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd hadden en de Friezen, die het verdere kustland bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.

Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden, hengist en hors geheeten, en boden der Britten Koning vortigern hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.

Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen namen de vlugt, en hengist, weldra bezitter van geheel Kent, werd tot Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de gebergten van Wallis, deels in het tegenwoordige Brétagne in Frankrijk, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in Engeland ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt in het midden der vijfde eeuw. (Zie Aanteekening 5 (#litres_trial_promo).)




9. De strijd der Friezen tegen de Franken


Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het Westersche keizerrijk waren de in Gallië gevestigde Franken magtig geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning klovis de Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.

Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls geduchte legers wederstonden – dit blijkt uit de langdurigheid van dien krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog grooten roem bij andere volken verwierven.

»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des Christendoms en de kracht van karel den groote, maar niet tot oneer der overwonnenen, – die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven.”[16 - De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door Jhr. Mr. b. j. l. de geer, Utrecht 1850, bl. 6.]

De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij de vermelding van




10. De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke Godsdienst in Friesland. (630-800)


In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne zelfstandigheid te bewaren.

Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de 6


 eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden met hunne naburen, – totdat de aanvallen der Franken hen opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning dagobert I, die ten jare 630 te Wiltenburg of Utrecht eene eerste Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.

De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van Europa door de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den ijverigen prediker eligius herwaarts, om onder de heidensche Friezen het evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den vreedzamen Koning der Friezen adgild I, die zelfs den bisschop wilfried, op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst ebroin, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van de Franken.

Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger radboud I. Den Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van dagobert gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en Utrecht weder te bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).

Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter pepyn van Herstal met een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, na hardnekkigen tegenstand, radboud eene nederlaag toebragt bij Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede, toenmaals de stapelplaats van den Frieschen handel (692). Hij dwong radboud, zich te onderwerpen en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger willebrord, in Engeland geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne taal bekend[17 - De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit Engeland, waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook Aanteekening 5 (#litres_trial_promo).]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te planten. Daarom werd hij in 696 te Rome tot Aartsbisschop der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van radboud andermaal door pepyn was overwonnen (697), gelukte het willebrord, te Utrecht op nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van Vlaardingen af tot Heilo toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij bleven echter meest tot den omtrek van Utrecht bepaald, dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van Friesland de algemeene verbreiding moeijelijker maakte.

Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de onverzettelijke radboud het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks was pepyn in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij trekt voort tot Utrecht en verjaagt daar willebrord en zijne geestelijken, die de vlugt nemen naar Trier. Ook Dorestad valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom naar Keulen op te varen, waar plectrude, pepyn’s weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische leger onder karel martel eene volkomene overwinning, verwoest de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk terug.

»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den Frieschen landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd? Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?”[18 - J. bosscha, Neêrl. Heldendaden te land, Leeuw. 1834, I 22.] En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.

Reeds in het volgende jaar (717) kwam karel herwaarts, om over de geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd, aan den Rijn bij Utrecht, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning te behalen op radboud, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de Bisschop wulfram hem daartoe te Medemblik, zijn zetel, den doop plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en onafhankelijkheid.

Zijn opvolger adgild II was even vredelievend als de eerste vorst van dien naam. Terwijl willebrord de Utrechtsche kerk in luister herstelde en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen, dat in het noorden of het hart van Friesland, waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam karel martel in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer poppo sneuvelde, terwijl Koning adgild van hartzeer daarover stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu in Oostergoo en Westergoo het heidendom te verdelgen, en door prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer, waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen radboud II, een even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken als zijn voorzaat van dien naam. Of deze radboud een Fries was, dan wel een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop bonifacius, die reeds zoo lang in Friesland en Duitschland het evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide Christenen. Bij Dokkum gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.

Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De eigenlĳke Friezen, de kern van den ouden volksstam, woonden in het midden, tusschen de rivieren de Reker of Kinhem en de Eems. Alle landstreken bezuiden de Reker (den vroeger vermelden Rijnmond bij Petten, benoorden Alkmaar), welke de Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt reeds ten gevolge der veroveringen van pepyn van Herstal in 692 en 697, of van karel martel in 715.

De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier de Eems (Oost-Friesland, Oldenburg enz.), weêrstonden het langst de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van dezen deelden.

De oorspronkelĳke Friezen, tusschen de Reker en de Eems (een gedeelte van Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe enz. bewonende), waarover radboud II regeerde, stonden dus op zich zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen Bisschop bonifacius, zagen velen hunner in, dat alle tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van bonifacius, zoo men wil op aanstoken van radboud geschied, bragt echter weldra eene groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En toen radboud, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van witikind, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen hier gruwelijk vervolgden, – toen werden de Friezen zóó afkeerig van hunnen Koning, dat zij de bescherming inriepen van den Koning der Franken, op wiens komst radboud naar Denemarken vlugtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).

Die Koning der Franken was karel, eerlang de groote bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader pepyn de korte (768) en van zijn broeder karloman (771) was hij meester geworden van geheel Frankrijk, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een gedeelte van Spanje, Beijeren enz. vergrootte. Gaarne verleende hij zijne bescherming aan een volk, dat zijne achting had verworven wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als Beschermheer van dit volk aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij overwon of veroverde, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19 - De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken van scharlensis, 1597, winsemius, 1622 en schotanus, 1658, alsmede foeke sjoerds, Friesche Jaarboeken, 1768, I; Tegenw. Staat van Friesland, 1785, I; wagenaar, Vad. Historie, 1749, I; cerisier, Gesch. der Ned., 1781, I, 24, 29, 82-136; gaillard, Geschied. van karel den grooten, 1785, I 225, II 32 enz.; westendorp, Jaarboek, Gron. 1829, 1-97; van leeuwen’s Kronyk der vrije Friezen, 1834, 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men Aanteekening 6 (#litres_trial_promo).]. (Zie ook bl. 47 (#Page_47).)

De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen heerschen, – toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.




TWEEDE TIJDVAK




HET VRIJE FRIESLAND


VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN


Van omstreeks het jaar 800 tot 1498




11. De Friezen tijdens Karel den groote


Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw, veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart onder de naburen verspreid werden. Utrecht, Duurstede, Tiel, Stavoren, Dokkum en andere plaatsen, aan den uitloop van onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van Europa gunstig gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij handel met Keulen, en hadden zich mede te Ments gevestigd, Zelfs waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden, nog Fries genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen verzonden werden. Door Keizer karel werden op hooge feesten zulke Friesche Mantels als kostbare geschenken uitgedeeld. (Aanteekening 7 (#litres_trial_promo).)

Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke Friezen, wonende tusschen de Reker en de Eems, het voorregt smaken, hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit voorregt, waardoor zij zich Vrije Friezen noemden, genoten zij boven hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze laatste waren door karel overwonnen, en stonden, naar het regt des oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de instellingen der Leenregering volgde toch overal, waar de Franken zich vestigden. Zwaar heeft dat Leenstelsel gedurende vele eeuwen op de meeste volken van Europa gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan verstoken waren. Zij eerbiedigden den Keizer van het Duitsche Rijk wel als Beschermheer, doch zij gehoorzaamden hem niet als gebieder, die het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken; terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd. Met regt kon dus helmers hen noemen:

		De Friezen, waardig ’t bloed, waaruit zij zijn gesproten,
		Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten.

Karel de groote verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In het tegenwoordige Friesland ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen Oostergoo, Westergoo, Stavoren en een deel van Islegoo. Ook hier voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was, doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden, regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz. De volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in Spanje (778), tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau (791), en vooral op den togt ter verovering van Rome (809), tot herstel van Paus leo in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (Aanteek. 8 (#litres_trial_promo).)

Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen voegde Keizer karel ter goeder ure de invoering, vestiging en bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in Friesland het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd. De kerk van Utrecht werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag, rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar theodard, een Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid gesteld; gelijk aan wijho, ludger en hildegrim, uit Frieschen stam, ter belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door karel bisdommen in Saksen werden opgedragen.




12. Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom


Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis verkreeg. Niet slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral menschelĳkheid werd door het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid, – toch was het de eerste schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed verkregen.

Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in elkanders behoeften, handwerken en handel, – dat alles droeg bij ter vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk Europa reeds was doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen, dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen; alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele karel de groote toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem overwonnene volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke, verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen. Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden daarom ook de Friezen karel steeds als een weldoener, als een zegenrijk middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke instellingen en wetten ontvangen te hebben[20 - Zie dit in Aanteekening 9 (#litres_trial_promo) nog in een stuk van 1430 vermeld.]. Daarom bleef hij in hun volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat Friesland onder der Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe inrigting aan Friesland gaf en de zegepraal aan het Christendom verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des volks.”

»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin was. Vandaar dien strijd tegen de graven van Holland, zoo hardnekkig gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop van Utrecht. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen melis stoke b. v. in zijn klooster te Egmond bezielde; vandaar die eigenaardige ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands.”

»Wij zien het, niet waren het de Franken, die Friesland overwonnen, maar het Christendom baande er den weg aan karel den groote, en aan hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het Friesche volkslied van karel zingen, dat hij geliefd en goed was, en trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar niet tot oneer der overwonnenen”[21 - Prof. de geer, de strijd der Friezen en Franken, Utrecht 1850, 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid denken.].

Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg en belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding, ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis, godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk Europa uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt der wereldlijke regering.

Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van Vrije Friezen bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van Europa drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.

Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht – door strijd en lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken van het westelijk Europa, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun moed en vaderlandsliefde sterken – het verbond en het verkeer met die vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder van hunne gemeenschap voordeel trokken.

Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.




13. De invallen der Denen en Noormannen.(Van omstreeks 520-1010.)


Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het noordwestelijk Europa zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten, en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.

Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de Noormannen, dan die woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het Kanaal. Want niet alleen Friesland, maar ook Frankrijk en Engeland verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de Deensche Koning heriold met zijne broeders roruk en hemming het zuidelijk deel van Friesland jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats Dorestad gevestigd hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning radboud II gehouden voor een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester gemaakt.

De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op. Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.

Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de mannen uit het noorden”[22 - Zie van leeuwen’s schets dezer togten voor de Herinnering aan het geslacht Sirtema van Grovestins, in de Vrije Fries, V 232, en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer invallen.]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.

Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene reden, waarom zij Friesland aan de Franken zoo lang en zoo hevig betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne kust vestigden (Normandië).

Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in 885 gansche drommen van dezen schrik der wateren Engeland, Frankrijk, Vlaanderen en de Nederlanden overstroomden, en aan de oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch, hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer arnold, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu Leuven ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden.”

Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in elkander, en waarbij Friesland aan Frankrijk ten voormuur verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken hadden bij het bezit van Friesland, en evenzeer welk belang onze vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij karel den groote als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van Europa, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen. Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen, – toen verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel ophielden.

De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden, terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren aanvoerder, den Potestaat reinder cammingha, te betreuren hadden[23 - De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het belangrijke werk van Dr. j. h. van bolhuis, de Noormannen in Nederland, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve onze Kronyken op vele plaatsen, molhuijsen, in nijhoff’s Bijdragen, VII 182; bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 22; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 224 enz.].

Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van den dichter Mr. j. van lennep[24 - De Roem van twintig eeuwen, 1831.]:

		Nooren, Finnen, fiere Deenen,
		Die hun overmacht vereenen,
		Landen op de Friesche kust.
		Meer nog dan de woeste dieren,
		Dan de wolven, raven, gieren,
		Die hun krijgsstandaarden cieren,
		Zijn ze op roof en buit belust.

		Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,
		Maar geen plonderzieke scharen,
		Zullen immer sidd’ring baren
		In der Friezen fier gemoed.
		De ijz’ren knods blinkt in hun handen:
		Wie hen driftig aan durft randen,
		Heeft zijn stoutheid ras geboet.

		Alle volkren op deze aard
		Zien wij eens hun naam verliezen;
		Maar de grootsche naam van Friezen
		Blijft in eeuwigheid vermaard.




14. Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden


De opvolgers van karel den groote en van zijn zoon lodewijk den vrome, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om de drie jaren in Friesland kwamen, om in buitengewone zaken regt te spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.

Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk, tusschen het Sincfal en de Reker, dat eerlang door de Graven van Holland en Zeeland, de Bisschoppen van Utrecht en andere Heeren als eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte of het eigenlijk Friesland, tusschen de Reker en de Eems, genoot eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, Oost-Friesland, tusschen de Eems en den Wezer, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de Saksers later veroverd was, had reeds van karel’s zoon, lodewijk den vrome, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den Wezer en de Elbe, en van daar tot den Eider (de Noord- of Strand-Friezen), sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan afgetrokken.

Hierdoor ontstond de staat der Zeven Vrije Friesche Zeelanden of aan zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van elkander waren afgescheiden. Het eerste Zeeland lag tusschen de Reker en het Flie en was het latere West-Friesland of een groot deel van Noord-Holland.

Het tweede Zeeland, tusschen het Flie en de Middelzee of het Boorndiep, bevatte Westergoo, Stavoren, Gaasterland en Doniawerstal, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig Friesland.

Het derde Zeeland, tusschen de Middelzee en de Lauwers, maakte een groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap Oostergoo met Opsterland, Utingeradeel, Haskerland en Ængwirden uit.

De zuidoostelijke streken van dit gewest, als Schoterland, Lemsterland en de Stellingwerven, vormden met het noordelijk gedeelte van Overijssel en geheel Drenthe, die te zamen vermoedelijk het Graafschap Islegoo uitmaakten, het vierde Zeeland.

De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie Groningen is zamengesteld, als: het Gooregt, Hunsego, Fivelgo, het Oldampt, Westerwolde en het Wester-kwartier, benevens Reiderland, tusschen de Lauwers en de Eems, maakten het vijfde Zeeland uit.

Het zesde en zevende Zeeland bevatte de landstreken, waaruit Oost-Friesland enz. bestaat, en strekte zich van de Eems tot den Wezer uit, terwijl de Jade de grens tusschen deze beide deelen was.

Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om, in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden, en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den Opstalsboom, een beplante heuvel in de nabijheid der stad Aurik in Oost-Friesland, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde. Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard bleven[25 - Naar aanleiding van wiarda’s werkje over de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, gaf de Heer Mr. a. telting daarvan in de Leeuw. Cour. 1831, N


. 79 eene Herinnering, welke voor een groot gedeelte is overgenomen in van leeuwen’s Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 399. Zie ook schotanus, 170 en tabl. 16.].

In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen aard.

In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere standen des volks in meest alle overheerde landen van Europa met lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen lang, zelfs tot in de 15


 eeuw[26 - Het verbond van 1430, in het Vriesch Charterboek, I 494, schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie Aant. 9 (#litres_trial_promo).], heeft dat verbond bestaan, en eene vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf willem II in 1248 en door Keizer rudolf in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd, zoodat zij een wettig gezag bezaten[27 - Zie Vriesch Charterb. I 94; foeke sjoerds, Jaarb. III 120.]. Zuivere vrijheidsmin en hechte volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht. »Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt”[28 - Zie royaards, Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christend. 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.].

De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in bandeloosheid: – toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de vergaderingen van den Opstalsboom werden verlegd naar het in magt sterk toenemende Groningen. Doch te vergeefs. Het had zijne verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, West-Friesland, bezweek, na zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt der Graven van Holland. Oost-Friesland werd een buit van trotsche Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan de Bisschoppen van Bremen en Munster nog sommige gedeelten van dat land moesten afstaan. In Overijssel (het Over-sticht) en Drenthe vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag, gelijk hij reeds lang deed in de stad Groningen en het Gooregt, welke hij door Stedevoogden liet besturen[29 - Ypeij en feith, Oudheden van het Gooregt en Groningen, 1836, I, 37 env.; diest lorgion, Geschiedkundige Beschrijving van Groningen, 1849, 18 env.; driessen, Monum. Gron. 857.]. Alléén het tegenwoordige Friesland, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij, dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15


 eeuw, waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het tweede en derde (Oostergoo en Westergoo), zijn tot nog toe vrij en anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks. Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van den grooten Koning karel, waartoe zij vele zware strijden hebben geslagen tegen de Graven van Holland, om hunne landen te beschermen. Ook Stellingwerf en Schoterland zijn nog vrij, doch hebben zware aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van Utrecht, die het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (Kuinder, Giethoorn, Vollenhove, Steenwijk en Drenthe) hebben bedwongen”[30 - Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in schotanus, Kronyk, tablinum, 19, en, met de vertaling, in foeke sjoerds, Beschrijving, I 55. Vergelijk verder Aanteekening 9 (#litres_trial_promo).].

Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan Hertog albert van Saksen, die hen tot eendragt en rust, tot orde en regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een groot deel der onafhankelijkheid.




15. Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland.Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz


Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen op hunne kust bestendig te bestrijden in de Noordzee. Wel had de natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze, zoo men wil in de 7


 eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en waterkeeringen aan te leggen: – in gewone gevallen bood dit alles genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.

		Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
		En randde de kusten des Vaderlands aan,
		Wat waarde had dan nog het leven?
		Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
		Verwijderde staag het bedwingende strand,
		Deed honderden, duizenden sneven.

		En huizen, en hoven, en menschen, en vee
		Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
		En naakt en berooid moest hij vlugten
		De landman; – ’t verlies van zijn have getroost,
		Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
		Wier dood er zoo velen deed zuchten.

		En groende zijn weide als de lente verscheen?
		Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
		Die zee, ach die zee wou niet wijken!
		En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
		De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
		Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31 - Mr. a. van halmael jr., Lied, Kaspar Robles door den Frieschen Landman toegezongen, geplaatst in de Aantt. op de Hulde aan H. J. Groen, door Mr. robidé van der aa, Leeuw. 1825, 18.].

Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade, welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg. Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee – zee werd in land herschapen. – Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten aanzien van het tegenwoordige Friesland willen wij de voornaamste bijzonderheden daarvan mededeelen.

De laaggelegene noordwesthoek van Nederland stond natuurlijk het meest bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting van het boezemwater des lands. De IJssel, door het Marsdiep uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der wateren van den Rijn werd belast. Het Flie, dat door de Vecht, het Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren uit het zuidelijk Friesland, waar langs het vroeger een deel zijner krachten had afgezet naar de Middelzee of het Boorndiep. De aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de 7


 eeuw, tusschen Terschelling en Ameland had bekomen, waardoor zij de Boorn en vele wateren van Oostergoo en Westergoo gemakkelijker afvoerde. Verder was het de Lauwers, welke, vereenigd met de Ee, de Hunse en de Aa, zich tusschen Ameland en Schiermonnikoog met een breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd, verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven, en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen Friesland en Noord-Holland weggeslagen en met het oude meer Flevo vereenigd werd, waardoor de Zuiderzee is ontstaan[32 - Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. ottema’s Kaart van de Zuiderzee, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in de Vrije Fries, IV 183, in Aanteekening 10 (#litres_trial_promo) nader vermeld.].

Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen Medemblik en Flieland weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw, bekwam die kom bezuiden Flieland, omstreeks 1237, nog grootere uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden, welke Friesland drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige landen bewesten de Friesche kust, van Harlingen tot voorbij Hindeloopen, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden de Lemmer nog grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo verdubbeld.

Nadat in 1277 beoosten Groningen eene groote uitgestrektheid aan den mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd verspreid, dat geheel Friesland verzwolgen was. Het getal der daarbij omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de Westerzee weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de landstreek tusschen Harlingen en Terschelling; terwijl de overige landen bezuiden dit eiland en Ameland, een groot gedeelte der tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de landstreek tusschen Medemblik, Enkhuizen en Stavoren verzwolgen, waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de Zuiderzee nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33 - Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.]. (Zie Aanteekening 10 (#litres_trial_promo).)

Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen, wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te beschermen tegen meerdere verliezen.

		Natuur! van wie de stervelingen
		Een eigen Vaderland ontfingen,
		Wat heeft ons met uw haat belaân,
		Dat wij alleen van alle volken
		Voor ’t brijzelend geweld der diepe waterkolken
		Aan alle kant ten doelwit staan?

		Doch dat we ons niet van haar beklagen!
		In weervergelding dezer plagen
		Schonk ze ons een onverschrokken moed,
		Om stout ten golven uit te stijgen,
		Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
		Ten prijz’ van eigen zweet en bloed[34 - Bilderdijk, de ware Liefde tot het Vaderland.].

Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van Oostergoo en den oostoever van Westergoo opgeworpen ter breideling van den breeden zeeboezem de Middelzee of het Boorndiep. Ook had men Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat, gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de Middelzee van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13


 en 14


 eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de Oudeschouw voorbij Sneek en Ylst tot Bolsward, en was de Hem- en Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den tegenwoordigen Slagtedijk, van Bolsward, over Bozum, Weidum en Berlikum naar Dijkshoek, omzoomde haar aan de noord- en westzijde; terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de Oudeschouw over Leeuwarden en verder voorbij Stiens tot onder Hallum, haar ter oostzijde bedwongen.

Toen nu, ten gevolge der verwijding van den Fliestroom, de toevoer van water uit het zuiden naar de Middelzee verminderde, bewaarde deze stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van Rauwerd in zuidwestelijke rigting langs Scharnegoutum, Tirns en Folsgare tot nabij Bolsward. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond reeds in 1277 de kerk van het dorp Nieuwland gesticht werd. De uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de 13


 en 14


 eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van het Bildt vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid Nieuwland, welke in 1505 door de bedijking van het Bildt werd afgesloten, eene belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten de Friesche kust.

Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante verkregen. Leeuwarden, Sneek, Ylst en Bolsward, welke als Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en daardoor geheel andere belangen toegedaan. Harlingen, Workum en Hindeloopen daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen; Stavoren echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd opgenomen, —Stavoren had, ten gevolge van al die zeeveroveringen en de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292 tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten, en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368 door verbonden met de Koningen van Denemarken en Zweden bevestigd en uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk zijn toegenomen[35 - Zie Charterboek I 72, 124, 227, 232 enz. Westerman, Beschrijving van Stavoren, van 1613, achter zijne Zeepostille. Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van Stavoren de eerste geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de Koning van Denemarken hun het voorregt verleende van bij het doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.].

Ofschoon later nog een aantal watervloeden Friesland overstroomden en vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen vloed der zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis, indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren geweest; – indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te behouden zorg en inspanning kostten, – zij zouden geene zoo grootsche overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de woedende Noordzee.

Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht bewonderen – hier, in dit gedeelte van het oude Friesland, zijn de talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer volksdichters na:

		Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
		Oeralde ljeawe Friesce groun!
		Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
		Dy Friesen oen hjar lôan forboen.

		Trochloftich folk fen disse alde namme!
		Weas jimmer op dy alders great.
		Bljou iwich fen dy grise hege stamme
		Ien grien, ien kreftich doerjend leat[36 - Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 226.].




16. Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land. 1096-1270


In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel Europa in beweging bragt. Palestina of het Heilige land, waar de stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de Christenen aandeden, wekten in Europa den godsdienstijver van vorsten en volken op tot het doen van een kruistogt, om Palestina weder in de magt der Christenen te brengen.

De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het gelukte echter deze kruisvaarders de steden Nicéa, Antiochië, Cesaréa en Jeruzalem te veroveren, en het koningrijk Jeruzalem te stichten, waarvan godfried van bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen, tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.

’t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook na karel den groote hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig bijstand geboden, en bekend is het, dat de burmania’s, cammingha’s, roorda’s en anderen in de 11


 eeuw met roem overladen terugkeerden uit het leger van Keizer hendrik III, dien zij op zijne oorlogstogten in Boheme, Hongarije en elders gevolgd waren[37 - Dit vermeldt bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 34.]. In bijna al de kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt uittrokken, als de leden der geslachten: liauckama, botnia, hermana, galama, forteman en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door dapperheid eelko liauckama en feiko botnia, waarom zij tot bevelhebbers over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van Jeruzalem, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders geslagen. Bij de belegering van Nicéa sneuvelde de laatste afstammeling der fortemans met sicko liauckama en epo hartman op het bed van eer (1097).

Onderscheidene andere edelen, als homme homminga, goffe roorda, sicko cammingha en tjalling ockinga voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van dapperheid, waarom boudewijn, de tweede Koning van Jeruzalem, en andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar Jaffa, vanwaar zij zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in Friesland terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt werden ontvangen (1106).

Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119, 1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217 ondernomen. De Priester olivier van Keulen was naar Friesland gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te Dokkum en elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze vloot zich met die van Graaf willem I van Holland. Na zich lang in Portugal te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der Italiaansche stad Corneto, waar zij van Paus honorius III vele gunstbewijzen ontvingen.

In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke Egyptische stad Damiate, aan een der monden van den Nijl en de Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen ongehinderd konden opslaan.

Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij Damiate te komen, moest er een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren belegeren. Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend gestreden. Een jong ridder uit Luik beklom het eerst den toren. Hem volgde een zeer jonge Fries, haijo, van Wolvega, die, met een dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij bij de belegering van Damiate, dat in het laatst van 1219 overging. De Patriarch van Jeruzalem en olivier gaven de Friezen bij hunnen aftogt loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van Dokkum, in welke zeeplaats vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende, alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald.”

De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door het opperhoofd der kerk, Paus honorius III, dankbaar erkend, bij gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer, also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie ’t Heylige oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor ’t aertsche Jerusalem, het eeuwige sullen bekomen.”[38 - Zie Vriesch Charterboek, I 93; van mieris, Charterb. 1 200; winsemius, 161.]

Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch edelman uit het geslacht van roorda, van Genum, kon niet dulden, dat zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen. Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt roorda hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij, dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen. Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog eeuwen lang na hem hebben gedaan.

Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden van Europa van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten kruistogt van 1147 in Portugal geland, was het mede door hunne hulp, dat de magtige stad Lissabon, na een lang en hevig beleg, aan de magt der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held, poptatus, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven zal zijn[39 - Mr. simon van der aa heeft dezen togt naar Lissabon in dichtmaat voorgesteld in den Friesche Volks-Almanak voor 1845, 140.]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25 schepen, de Portugesche stad Santa Maria op de Saracenen veroveren. In 1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te Suse gevestigd hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken priester, gerlacus, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40 - Zie bij schotanus, Kronyk, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.].

Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der voornaamste vorsten van Europa. Twee martena’s stonden bij Keizer frederik barbarossa (Roodbaard) om hunne kloekmoedigheid in hooge gunst. De een sneuvelde in Italië; de andere was ’s Keizers lotgenoot in den dood op zijnen togt naar Palestina (1199). In den noodlottigen kruistogt van lodewijk IX, tegen Tunis, waren het de Friezen, die althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer rudolf bewees de Friesche edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich watse joulsma als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was juw dekama, die Koning eduard I, bij de verovering van Schotland belangrijke diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond, met een der beyma’s, den dood in Italië, waar zij te Pisa begraven werden op last van Keizer hendrik VII, wien zij met hunne landgenooten aylva, hettinga en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312). Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te doen wedervaren[41 - Dus spreekt de Hoogleeraar bosscha, Heldendaden, I 34, 35, die deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.].

Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun beleid, bij de belegering van de stad Aken, in 1248. De Hollandsche Graaf willem II, door den invloed van den Paus tot Keizer van Duitschland verkozen, moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren Koning koenraad hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban gedanen Keizer frederik II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt naar Palestina te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, indien zij zich naar Aken wilden begeven, om deze stad voor Koning willem in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.

Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, tjaard dotinga, in het leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat, door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich eindelijk overgaf, en Koning willem zijne luisterrijke intrede in Aken deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.

Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de eerste verordening, welke Koning willem, na zijne krooning, als aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de Friezen bezaten, als door Keizer karel den groote hun gegund, bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van Aken”[42 - Zie dezen Giftbrief in het Charterboek, I 94; winsemius, 168; schotanus, Kronyk, 130, tabl. 10; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 27; dirks, de Friezen voor Aken, in de Vrije Fries, V 53.]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden. Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.

Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning lodewijk IX en den Engelschen Prins eduard, nog eene poging te doen om het te herwinnen, waartoe ook de Paus in de Nederlanden het kruis deed prediken. In alle deelen van Friesland betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269 inscheepten. Na eenigen tijd in Vlaanderen vertoefd te hebben, vertrokken zij naar Marseille, waar het kruisleger zich zou verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche kust, om Tunis te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met veel onverschrokkenheid den Graaf van Vlaanderen eene overwinning op de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar Ptolemaïs en Tyrus, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het bezit der Saracenen moesten laten. (Zie Aanteekening 11 (#litres_trial_promo).)

Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.




17. Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten


De Kruistogten naar Palestina zijn op zich zelve een merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door hunne gevolgen, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in eenige hoofdtrekken willen schetsen.

Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van karel den groote, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden, doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en de steun te worden van den staat.

De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook tot volgende geslachten uitgestrekt.

Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool, welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en gereedschappen van andere volken, – dit alles schonk aan de terugkeerende kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar Engeland, de Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land te bevorderen?[43 - Stijl, Opkomst en bloei der Nederlanden, 1778, 28.] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de stand der Burgers ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot Steden werden verheven.

In Friesland was die overgang echter niet zoo groot als in andere landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44 - Dat er ook slaven en lijfeigenen in Friesland zouden geweest zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na karel den groote, van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin vielen. Zoo denkt ook halbertsma in zijne Letterkundige Naoogst, 1840, I 135, 138.]. Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen, waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der 13


 eeuw en dus in den zelfden tijd, dat Oostergoo en Westergoo, tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden en Hemrikken geheeten[45 - Zie Oude Friesche Wetten en de Aantt. van p. wierdsma, bl. 23, 42, 70, 294, 304.], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte, wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner bescherming aan het hoofd der regering stelden[46 - Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 8, 33, 274, 298 enz. en de daarbij aangehaalde schrijvers.].

Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12


 en 13


 eeuw in Friesland, tusschen het Flie en de Lauwers, elf Steden zijn ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63 (#Page_63)) hebben wij gesproken over de oudste dier steden, over Stavoren, en evenzeer gewaagd van hare gunstige ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is geraakt. Dokkum, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg door den marteldood van bonifacius algemeen bekend, wordt naar den ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was Leeuwarden aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan; eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van Nijehove, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne leerschool beroemde dorp Oldehove, waarmede zij aan de westzijde, gelijk met het dorp Hoek aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was herschapen. Dit zelfde was het geval met Bolsward, Sneek en Ylst, oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de Zuiderzee, verplaatsten naar Harlingen, Workum en Hindeloopen, die zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het verval van Stavoren. De opkomst en uitbreiding van Franeker, waar reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen van Westergoo zich daar vestigde, en te midden der woningen van de nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de zeeplaatsen Ezonstad aan de Lauwerszee, Uitgong aan den mond der Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp Berlikum ontsproot, en Grind, thans eene zandplaat N. W. van Harlingen. Het is echter zeer twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige streek, afgelegene Wartena, eertijds stedelijke regten hebben bezeten: want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad, hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst in de 14


 en 15


 eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen, zijn versterkt geworden; terwijl Ylst, Workum en Hindeloopen zelfs geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.

In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en beschaving hebben tegengehouden.

Groot waren alzoo de veranderingen, welke Friesland, vooral gedurende de 13


 eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47 - Oude Friesche Wetten, afgedrukt in schotanus, Beschrijvinge van Frieslandt, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met belangrijke aanteekeningen uitgegeven door p. wierdsma, Kampen en Leeuwarden, 1782; richthofen, Friesische Rechtsquellen, enz.], werden, bij jaarlijksche beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf, den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het volk verkozene regters geschiedde[48 - Zie over die wijze van regtspleging, behalve de O. F. W., ook het voortreffelijke werk van halsema, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in Aanteekening 9 (#litres_trial_promo) breeder vermeld.]. Toen werden de regtdagen of weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later in of aan de kerken, gehouden, waarvan de Wonser-, Midlumer- en Donia-weerstallen of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als de Warkeamers nog aan sommige kerken worden gevonden[49 - Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 40, 106, 179, 197.]. De straffen voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In Oostergoo hielden deze, althans in de 15


 eeuw, de landsdagen op de stins Barrahuis onder Wirdum, in Westergoo te Hartwerd en later te Franeker, en in de Zevenwouden (eerst in het begin der 15


 eeuw tot een geheel verbonden) te Rottum[50 - Zie worp van thabor, Kronyk, IV 2.].

Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters in onze geschiedenis[51 - Aanteekening op de Oude Friesche Wetten, 118.]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden als van sommige edelen[52 - Zie over het vermelde van loon, Aloude Regeringswijs van Holland, IV 175; foeke sjoerds, Beschrijv. I 423; Tegenw. Staat, I 128; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, VII.]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, die haar uitdelgden. De inwoners van Friesland, niet tevreden dat zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond, aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden, namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de 16


 eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des Volks”[53 - Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen, Amsterdam 1784, I 80, met aanhaling van het Charterboek, I 124, 131, en van idsinga, Staats-recht der Nederlanden, 363.].

Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet minder gevreesde regtbank, die der Geestelijkheid, wier invloed destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te geven.




18. De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de middeleeuwen


In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden, als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden) behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft leeren kennen.

Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders. Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde redenen (zie bl. 75 (#pgepubid00022)), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke uitgestrektheid in Europa bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene overdrijving als wij zeggen, dat er in Friesland nagenoeg zoo vele Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het aanzienlijk getal torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van hunnen ijver voor Christendom en Kerk.

Vermits karel de groote bepaald had, dat de ingezetenen van ieder kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo werden er in dit gedeelte van Friesland bij de invoering van de Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt. Doch in de 11


, 12


 en 13


 eeuw, toen het bouwen met steen werd ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54 - Ook halsema getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in Friesland door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren en het beheer van die goederen. Zie mede wiersma’s Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 257, en scharlensis, 33


.]. Daarvoor waren verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen, waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid, gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal kerken en parochiën deden vermeerderen[55 - De Heer eyck tot zuylichem te Utrecht heeft in de Vrije Fries, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude Kerken in Friesland gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting, van niet later dan de 11


 of 12


 eeuw. Opmerkelijk is het, dat de gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee brandgevels, hier even algemeen is als in Denemarken, en slechts zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en gevaar.].

Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal Kloosters; van die gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde, ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het St. Bonifaas-klooster te Dokkum en dat van St. Odulphus te Stavoren worden hier voor de oudste gehouden. In Oostergoo waren verder de voornaamste: de Abtdijen van Mariëngaard en Klaarkamp onder Hallum en Rinsumageest, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het Smallen-eester-, Gerkes- en Foswerder-klooster; terwijl er alleen in en bij de stad Leeuwarden vier zulke gestichten verrezen, waaronder het Dominikaner-Klooster der Predikheeren (1245) (waarvan de nog bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest gerekend werd. In Westergoo bekwamen de Abtdijen van Lidlum bij Tjummarum (1182), Oldeklooster bij Hartwerd (1191), Ludingakerk onder Achlum (1157), benevens de kloosters Thabor onder Tirns (1406) en Groendijk bij Sneek, Monnikebaaijum onder Winsum (1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de kloosters der Zevenwouden de Aalsumer-, Nesser-, Hasker- en Schoter-konventen het meest vermaard waren[56 - Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer van leeuwen in de Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 440.].

Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in Friesland bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest. Want, vermits kloosters als Lidlum in 1293, zoo men wil, 600 en Mariëngaard 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke, ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd, waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het leggen van sluizen enz.; – zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter- en kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo belangrijk werden.

Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.

Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57 - De Beneficiaal-boeken van Friesl. (Leeuw. 1850) bevatten eene lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle Parochiën, zoo als die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk bedrag van de goederen der Kloosters zal wel niet minder geweest zijn. Bekend is het, dat Graaf willem III reeds in 1328 allen Kloosteren en Geestelijken in Holland, Zeeland en Friesland verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, Charterb. I 183. Wij betwijfelen het echter, dat zij in Friesland ooit, en veelminder destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo als cerisier, Tafereel der Nederl. Geschiedenis, Utrecht 1781, I 411 en Tegenwoordige Staat, I 477 melden.]; alsmede, dat de meeste dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak, waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen, om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid, onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, ’t welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang, uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk, om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in Europa slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan”[58 - Zoo oordeelt macaulay, in zijne voortreffelijke Geschiedenis van Engeland, ’s Hage 1850, I 9.].

Reeds bij de invoering van het Christendom was Friesland tusschen het Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van Utrecht gesteld, met uitzondering van de grietenij Achtkarspelen, welke, met Groningen en verdere oostelijke landstreken, onder den Bisschop van Munster kwam[59 - Deze opmerkelijke uitzondering schrijft schotanus, Beschrijv. end Chronyck, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker ludger van Wierum, later Bisschop van Munster, het Christelijk geloof in Achtkarspelen had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.]. Het land was in de 13


 eeuw verdeeld in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche kerk, welke Aarts Diakens in Friesland waren. De Dekens met hunne Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt of Syndriucht geheeten[60 - Behalve bij schotanus, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van wierdsma, afgedrukt in het 2


 st. der Oude Friesche Wetten, 201, 207.]. Alle drie of vier jaren kwam er een Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61 - Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten vinden in: schotanus, Beschrijvinge end Chron. 298; Oudheden en Gestichten, I 24 en verv.; foeke sjoerds, Beschrijving, I 64, 635; Tegenwoordige Staat, I 32, 251, 434; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, XV, en de Lijst der Kloosters achter het Stamboek van den Frieschen Adel; van leeuwen, Aantt. op it aade Friesche terp, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht en behandeld mag worden.].

Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de volken van Europa uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden, wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel Friesland”[62 - ypeij en dermout, Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1819, I 410, Aantt. 185; ypeij, Geschied. der Syst. Godgeleerdh., Haarlem 1793, I 180; buma, Het regt der Friesche Floreenpligtigen, Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in het belangrijke werk van v. idsinga, Staats-recht der Nederl. Leeuw. 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder halsema, 475, en niet minder wierdsma in de O. F. W. 257.].




19. De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van omstreeks 1300-1498.)


		Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:
		De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,
		Verkleefd aan d’ eigen haard en d’ ouderlijken grond,
		Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,
		Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,
		De vrijheid voor zich-zelve en ’t oord door hen bewoond.
		God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,
		Ziedaar alleen ’t gezag, de Heeren die ze erkennen,
		En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;
		Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;
		Geen keten waar’ zoo licht, die hem verdraaglijk viel.
		Geen vreemde inzonderheid beproeve ’t hem te dwingen,
		Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,
		Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,
		En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet. —
		Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;
		Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63 - Van halmael, Ats Bonninga, Treurspel, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalve scharlensis, winsemius en schotanus, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel: It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen van j. van leeuwen, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts ƒ1,30 algemeen te bekomen.].

Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn, wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van vrijheid, orde en welvaart, in vrede en eensgezindheid had mogen smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt, en als ieder burger van zijn persoonlĳk belang iets wil afstaan, om het algemeen belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt, hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed, vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke wraakzucht, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der 12


 eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den —Burgeroorlog.

		Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,
		Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,
		Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,
		En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;
		Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,
		En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.
		Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,
		Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,
		Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.
		Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,
		En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,
		Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.
		Verblinden![64 - Van halmael, Ats Bonninga, 4. Zie verder scharlensis, 33; winsemius, 183; schotanus, 164; sjoerds, Jaarboeken, III 129 enz.]

Ja, Vetkoopers en Schieringers waren de namen en leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig de Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland en de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen strijd – niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen zich zelve, – niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten. Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het graauw genoemd, welk woord met schier verwant is en aan de grijze kleur der kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het vette der aarde genoten. ’t Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel gehad – het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest kiezen.

Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in Friesland, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de voornaamste steden de geslachten: cammingha, unia en auckama te Leeuwarden, jongama te Bolsward, sjaerdama te Franeker, heemstra en riemersma te Dokkum, gerbranda en gratinga te Harlingen, harinxma te Sneek en Slooten enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden – dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het ongelukkige volk. (Zie Aanteek. 12 (#litres_trial_promo).)

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor Friesland, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid door veroveraars belaagd werd[65 - „Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden,” zegt worp van thabor, Kronyk, IV 5.]. En hoe dikwijls was dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en een volk om de vrijheid te zien kampen.




20. Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland


In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker in Noord-Holland) hadden de Duitsche keizers een groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop van Utrecht en de Graven van Holland en Zeeland. De eersten, die het geestelijk gezag over het bijna geheel Friesland uitoefenden, trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden (de stad Groningen met Drenthe en het noorden van Overijssel) van het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de Bisschop otto II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de Stellingwerven te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop guy van Henegouwen er daarom in 1309 eene sterkte bouwen – eer deze voltooid was, wierpen de Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot Vollenhove, dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden. Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te sluiten (1313)[66 - Zie wagenaar, Vaderlandsche Historie, III 194; sjoerds, Jaarboeken, III 236; van kampen, Geschiedenis der Nederlanden, I 126; Charterboek I 138, 151.]. – Ook later deden de Bisschoppen herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als frederik van blankenheim, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar de Stellingwerven, verbrandde Peperga, Blesdijk en andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalk adolf van swieten met volk naar Lemsterland, waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67 - Charterboek, 379; schotanus, Beschrijv. end Chron. 175; worp van thabor, Kron. IV 10, 21; Tegenwoordige Staat, I 590.].

De Hollandsche Graven hadden van de slappe regering van Keizer karel den kale en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt. Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo waterrijke Noord-Holland tegenover de in den krijg geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken, – toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen

		Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen
		Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang.[68 - Mr. j. van lennep, Verontschuldiging, 1850, 22. Zie ook eikelenberg, West Friesland, 24, 44, aangeh. in hofdijk, Jonker van Brederode, 1849, Aanteekening 198.]

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit ondervond reeds in 1004 Graaf arnoud in den bloedigen slag bij het dorp Winkel, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf floris III met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf willem II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt- en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die zelfde Graaf willem II, op het punt om Keizer van Duitschland te worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij Hoogwoud door het ijs zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene bezwaren, ondervond Graaf floris V, brandende van verlangen, om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf jan van Avennes bragt met vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden, en West-Friesland, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de overwinnaars[69 - Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij wagenaar, Vaderlandsche Historie, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.; Tegenwoordige Staat, I 429; sjoerds, Jaarboeken, II 169 env.; bosscha, Heldendaden, I 23 enz.].

Doch ook tot het bezit van Friesland tusschen het Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der Duitsche Keizers[70 - Ofschoon Graaf arnoud in de geslachtlijst der Graven van Gent, bij van loon, Aloude Hollandsche Histori, 1734, II 236, reeds Heer over geheel Friesland genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bij schriverius, hiervan gewagen, zoo heeft reeds ubbo emmius, Hist. Fris. lib. V, te kennen gegeven: „datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.” Zie schriverius, Levens der Graven, ’s Hage 1667, 34.]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken zij Oostergoo, Westergoo of Stavoren nu aan de Bisschoppen van Utrecht, dan aan de Graven van Holland of aan die van Gelder en later weder aan den Markgraaf van Brunswijk en anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van schuld of wel om andere redenen[71 - Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken. Schotanus heeft in zijne Beschrijv. end Chron. 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: Vande verschenckingen deses Landts. Zie ook halsema, Verh. 306, en Mr. j. dirks, Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland, in de Vrije Fries, III 28, 37 enz.]. De Friezen lieten hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.

		Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,
		In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;
		De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,
		Ontzag zich geen van hen haar d’ ouderen te ontschaken[72 - Van halmael, de Schieringers en de Vetkoopers, 142.].

Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde Graaf floris V ook Friesland te bemagtigen. In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén te vestigen in de koopstad Stavoren, welke zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van Friesland te bemagtigen[73 - Zie Charterb. I 124, 126, 131 env.; schotanus, tabl. 13; winsemius, 179; wagenaar, III 46; sjoerds, III 142, 149, 181.].

Ofschoon Stavoren in 1299 Graaf jan II op gelijke wijze huldigde en de bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, naauwelijks was Graaf willem III, die eerlang den bijnaam van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met 1500 man een togt naar Friesland, en landde in Gaasterland, met oogmerk om Stavoren van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen boden, onder hunnen Potestaat hessel martena, hem zoo dapperen tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner een togt naar Noord-Holland, en bragten de ingezetenen van Enkhuizen en omstreken met rooven en branden groote schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in Friesland, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men van hier nogmaals naar Enkhuizen over, verbrandde wel vijf-en-twintig huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster te Stavoren bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74 - Winsemius, 187; schotanus, 165; wagenaar, III 225; Tegenwoordige Staat, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.]. – Met zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten elkander in die dagen! En tot welk doel?

Graaf willem had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. In 1310 sloeg hij eene verzoening met Stavoren voor, welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid zelfs Westergoo bewoog, hem, bij een verdrag, nabij Alkmaar gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het magtiger Oostergoo, dat zich tegen de aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch Koning lodewijk, die zelfs Oostergoo en Westergoo beide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen verschillen met Harderwijk en Kampen zeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten die van Stavoren in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in Gaasterland, doch ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in West-Friesland wederkeerig te plunderen.

Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde werd gemaakt door een zoen, welke te Haarlem door den Graaf met Stavoren en Westergoo werd gemaakt, schijnt hij in Friesland weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door Oostergoo erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in Friesland geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende Stavoren zijn zoon en opvolger Graaf willem IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch Westergoo volgde dit voorbeeld evenmin als Oostergoo[75 - Zie over het medegedeelde omtrent Graaf willem den goede, Charterb. 149-199; schotanus, 168; winsemius, 190 env.; wagenaar, III 224; sjoerds, Jaarboeken, III 228; Teg. Staat, I 454.].

Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te Stavoren voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en onbesuisden Graaf willem IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan te wenden, om gansch Friesland aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de Zuiderzee en landde in de nabijheid van Stavoren. Een krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende Utrecht had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende Strijdlied in hunnen mond voegde:

		Wierne de alde Friesen fry,
		Friesce soannen binne wy.
		De alde moed is net forroen:
		O, wy stjerre foar ues groun!

		Stoarm in wetter haww’ wy hôan
		Oer ues ljeawe Friesce lôan;
		’t Folk, dat foar nin weagen swicht,
		Fait it oarlochsswird eak licht.

		Jane wy den eak nin keap
		Foar ien wylde stropers heap!
		Frydom, koft troch eigen moed,
		Is ues meer as goed in bloed.

		’t Gleaune scerpe krigersswird
		Loeke wy foar hoes in hird,
		In wy binne eang of bang,
		As foar frjemde keunings twang.

		Broes’ nou ’t alde Friesce bloed!
		Kom wer, frye Friesce moed!
		Frydom, frydom is ues noft
		As de foegels yn de loft.

		De alde Friesen wierne fry,
		Foar de frydom fjochte wy;
		In ien echte frye Fries
		Het fen frjemde twang ien grys[76 - Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 259.].

De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door jan van Henegouwen aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van Holland, Zeeland en Henegouwen, wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.

»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage,” zegt een Hollandsch geschiedschrijver[77 - Wagenaar, III 261. Zie verder schotanus, 180; winsemius, 202; foeke sjoerds, III 384; Tegenwoordige Staat, I 492.]. Wie billijkt niet die smart? en niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?” Maar wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne goederen in Holland allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het klooster Mariënhof op het eiland Marken, door de Hallumer Abtdij Mariëngaarde met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede, ’t gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in de Zuiderzee smeet”[78 - Wagenaar, III 261. Indien willem’s weduwe, johanna, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster, margareet, gemalin van Keizer lodewijk van Beijeren (zoo als schotanus en winsemius willen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.].

Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?

Maar nog geen wraak genoeg. Graaf willem V trachtte den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen – niet met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen van Holland, Zeeland en West-Friesland; – een verdrag, waarbij de voorwaarden geheel in het belang van Oostergoo en Westergoo gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen van Friesland niet zouden overschrijden, dan in geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel tot de drie marktplaatsen Harich, Kornwerd en Holwerd moesten bepalen[79 - Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het Charterboek, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. j. c. de jonge, achter zijne Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten. Jhr. w. van swinderen gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in ’t Mengelwerk der Leeuwarder Courant van 1832, N


. 61. De eerste deelde de Heer van leeuwen ook mede in zijne Aanteekeningen op it aade Friesche terp, 418.]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid, om in Noord-Holland handel te drijven en de markt te Haarlem te bezoeken[80 - Charterboek; I 208; Tegenwoordige Staat, I 501.].

Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon Stavoren kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche koopsteden begunstigd waren; – ofschoon Keizer karel IV Oostergoo en Westergoo beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen (1362)[81 - Charterboek, 208, 209, 210, 226, 227.], – werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82 - Charterboek, 233-255.]. Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf van Holland, Hertog albrecht van Beijeren, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van Friesland geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn oudste zoon, Graaf willem van Oostervant, naar Frankrijk gevlugt was. Dáár werd deze echter aan ’s Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn oudoom Graaf willem IV, die in ’s vijands land verslagen en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had gewroken[83 - Tien dagen na den slag tusschen Stavoren en Warns in 1345 was ’s Graven lijk gevonden geworden door marten, kommandeur der St. Jansheeren te Haarlem, die het liet begraven in het Klooster Bloemkamp bij Bolsward, van waar het later door albrecht naar Valenciennes is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.].

Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen, om Friesland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog albrecht, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten ’s land te varen, geprest tot den togt naar Friesland. Eene verbazende magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte. – En zulk eene vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat Friesland met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.

Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaat juw juwinga of jongama van Bolsward, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!” den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren eendragtelijk tegen te staan.”

Hertog albrecht van Beijeren, die in het opperbevel door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te Enkhuizen verzameld, stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen de Lemmer en de Kuinder. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, het Oostzingerland of Oosterzee-ingerland geheeten, bij Schoterzijl, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84 - In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.].

Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaakten albrecht het overschot van zijn leger nog vóór den winter terug te voeren naar Enkhuizen, waar het ontbonden werd. In Stavoren, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te Hindeloopen meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat zij met groot verlies naar hunne schepen en naar Holland terugkeerden. Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd dezer kaperschepen[85 - Zie deze Brieven in het Vriesch Charterboek, I 260-269.].

De verpletterende ramp, welke Friesland bedreigd en als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het hoofd weder opgebeurd. ’t Was echter, alsof het Hertog albrecht krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij dat weerbarstige Friesland veroveren, bedwingen en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt naar Friesland. Evenzoo de steden van Holland, en Zeeland, waarvan enkel Dordrecht moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, 10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk te maken[86 - Dit is waarschijnlijker dan idsinga’s meening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.]; terwijl de getallen dier handwerkslieden blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in Noord-Holland was geschied, waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op onse vyanden die Oistvriesen.” Bovendien moesten de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stad Zierikzee, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in Engeland had aangeworven, te halen en naar Vlissingen te brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit Zeeland, Utrecht, Zalland, het land van Altena enz.; terwijl de Heer van Hensberg hem met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk Haarlem met 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning van Frankrijk en andere vreemde Vorsten, en besloten de Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met de talrijke vloot te Enkhuizen verzameld, alsof het de verovering van het Heilige land zou gelden[87 - Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 „Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers,” 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast „te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.” Voorts „Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.” – „Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor ’t gemeen volck te backen, drie bruyn ende ’t vierde witt.” Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.].

Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel van Graaf willem van Oostervant, over de Zuiderzee, en landde tusschen de Lemmer en Takozijl. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat het in den vorigen jare 1397 bij Dronrijp tot een veldslag was gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van Holland over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat juwinga, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te versterken[88 - Zie dit omtrent Leeuwarden in de Geschiedk. Beschrijv. I 55, 372.]. Het leger trok alzoo onverhinderd door Gaasterland, doch vond niet ver van Hindeloopen vele Friezen verzameld, die eene poging wilden doen om Stavoren te beschermen. Zij werden echter na een hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar Stavoren, waarin zich eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de aanzienlijkste edelen van Oostergoo en Westergoo met willem van Oostervant in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten ’s lands zouden verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89 - Zie dit Verdrag in het Charterb. 281; sjoerds, Jaarb. IV 127.]

Eerlang werd nu Hertog albrecht van Beijeren




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/eekhoff-wopke/beknopte-geschiedenis-van-friesland-in-hoofdtrekken/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Vermeld in de Aantt. op hofdijk’s Jonker van Brederode, Amst. 1849, bl. 208.




2


Uitvoerig handelt daarover Dr. g. acker stratingh in zijne Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderl. Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het Vriesch Charterboek; ypeij, Geschiedenis van de Ned. Taal, Gron. 1812, I 126, 150, II 106; foeke sjoerds, Beschrijving van Friesl., Leeuw. 1765, I 277; Oudheden en Gestichten, I 1, 38, II 337; Dr. l. j. f. janssen, Drenthsche Oudheden, 17, 167.




3


Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr. l. j. f. janssen daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in de Vrije Fries, 1850, V 338.




4


Zie het Tijdrekenkundig Overzigt (#litres_trial_promo) van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz., en de daar vóór geplaatste inleiding, achter de Aanteekeningen als Tweede Bijlage medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging, duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.




5


Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten, Amst. 1741, 8


. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4


. De mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. j. h. halbertsma uitvoerig aangetoond in zijne Fragmenten over het geslacht der van Harens, bl. 100, 137.




6


Zie de opsomming daarvan in van leeuwen’s Aantt. op It aade Friesche terp, Leeuw. 1834, 291; van rijn’s Aantt. en Nabericht op de Oudheden en Gestichten van Vriesland, Leiden 1723, I 88, II 357; ypeij, Gesch. v. d. Ned. taal, I 150; de Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, Leeuw. 1846, bl. II; acker stratingh, II 108 en bij vele anderen.




7


Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde Schets en Aanteekening 1 (#litres_trial_promo). Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.” Zie daarover vooral huydecoper op melis stoke, I 515; van den bergh, de Nederl. Wateren, in nijhoff’s Bijdragen, VII 208; acker stratingh, I 197 en ottema, in de Vrije Fries, IV 110; w. j. hofdijk noemt in zijn Kennemerland, 1850, 33: „het Reeker-wed, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die zich van beneden Koedijk tot aan de Syper golf uitstrekte: alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen West-Friesland en ’t noordelijkst einde van Kennemerland.” Zie ook het Jaarboekje: Holland, 1851, bl. 175.




8


Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van Sneek, door den Heer j. f. bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek, onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch Genootschap.




9


Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de vermelde Schetskaart.




10


Zie Oude Friesche Wetten in de Aantt. van p. wierdsma, 95, en verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, waar meerdere bijzonderheden en bronnen zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.




11


Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht Friso.




12


Tacitus, Jaarboeken, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch gerrit en murk waren, zoo als ypeij, I 161, wil, is waarschijnlijker dan de meening van winsemius, 24, dat ze van het geslacht hermana en cammingha zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn aangenomen.




13


Ypeij, Geschiedenis der Nederl. Taal, I 150.




14


Het Zwin, oudtijds het Sincfal en later het Hazegat geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige grens van Friesland voor. Het is de eertijds breedere inham en haven der stad Sluis benoorden Brugge, welke nog de grensscheiding tusschen Nederland en België, of tusschen het vaste land van Zeeland en West-Vlaanderen uitmaakt. Blommaert in zijne Aloude Geschiedenis der Belgen, Gent 1849, 20, en van den bergh in nijhoff’s Bijdragen, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die zich tot Damme uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste havens niet slechts dezer landen, maar van gansch Midden-Europa was. Zie ook acker stratingh, I 114 en de kaart; dresselhuis, de Provincie Zeeland, 76 enz.




15


Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: „tot over de Elve en dus tot op de grenzen van Denemarken.” Zie joh. a leidis Chronicon, lib. II cap. 15; van loon, Aloude Regeeringwijs van Holland, I 106, enz.




16


De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door Jhr. Mr. b. j. l. de geer, Utrecht 1850, bl. 6.




17


De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit Engeland, waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook Aanteekening 5 (#litres_trial_promo).




18


J. bosscha, Neêrl. Heldendaden te land, Leeuw. 1834, I 22.




19


De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken van scharlensis, 1597, winsemius, 1622 en schotanus, 1658, alsmede foeke sjoerds, Friesche Jaarboeken, 1768, I; Tegenw. Staat van Friesland, 1785, I; wagenaar, Vad. Historie, 1749, I; cerisier, Gesch. der Ned., 1781, I, 24, 29, 82-136; gaillard, Geschied. van karel den grooten, 1785, I 225, II 32 enz.; westendorp, Jaarboek, Gron. 1829, 1-97; van leeuwen’s Kronyk der vrije Friezen, 1834, 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men Aanteekening 6 (#litres_trial_promo).




20


Zie dit in Aanteekening 9 (#litres_trial_promo) nog in een stuk van 1430 vermeld.




21


Prof. de geer, de strijd der Friezen en Franken, Utrecht 1850, 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid denken.




22


Zie van leeuwen’s schets dezer togten voor de Herinnering aan het geslacht Sirtema van Grovestins, in de Vrije Fries, V 232, en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer invallen.




23


De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het belangrijke werk van Dr. j. h. van bolhuis, de Noormannen in Nederland, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve onze Kronyken op vele plaatsen, molhuijsen, in nijhoff’s Bijdragen, VII 182; bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 22; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 224 enz.




24


De Roem van twintig eeuwen, 1831.




25


Naar aanleiding van wiarda’s werkje over de Landdagen der Friezen bij Upstalboom, gaf de Heer Mr. a. telting daarvan in de Leeuw. Cour. 1831, N


. 79 eene Herinnering, welke voor een groot gedeelte is overgenomen in van leeuwen’s Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 399. Zie ook schotanus, 170 en tabl. 16.




26


Het verbond van 1430, in het Vriesch Charterboek, I 494, schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie Aant. 9 (#litres_trial_promo).




27


Zie Vriesch Charterb. I 94; foeke sjoerds, Jaarb. III 120.




28


Zie royaards, Geschiedenis der invoering en vestiging van het Christend. 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.




29


Ypeij en feith, Oudheden van het Gooregt en Groningen, 1836, I, 37 env.; diest lorgion, Geschiedkundige Beschrijving van Groningen, 1849, 18 env.; driessen, Monum. Gron. 857.




30


Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in schotanus, Kronyk, tablinum, 19, en, met de vertaling, in foeke sjoerds, Beschrijving, I 55. Vergelijk verder Aanteekening 9 (#litres_trial_promo).




31


Mr. a. van halmael jr., Lied, Kaspar Robles door den Frieschen Landman toegezongen, geplaatst in de Aantt. op de Hulde aan H. J. Groen, door Mr. robidé van der aa, Leeuw. 1825, 18.




32


Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. ottema’s Kaart van de Zuiderzee, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in de Vrije Fries, IV 183, in Aanteekening 10 (#litres_trial_promo) nader vermeld.




33


Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.




34


Bilderdijk, de ware Liefde tot het Vaderland.




35


Zie Charterboek I 72, 124, 227, 232 enz. Westerman, Beschrijving van Stavoren, van 1613, achter zijne Zeepostille. Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van Stavoren de eerste geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de Koning van Denemarken hun het voorregt verleende van bij het doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.




36


Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 226.




37


Dit vermeldt bosscha, Neêrlands Heldendaden, I 34.




38


Zie Vriesch Charterboek, I 93; van mieris, Charterb. 1 200; winsemius, 161.




39


Mr. simon van der aa heeft dezen togt naar Lissabon in dichtmaat voorgesteld in den Friesche Volks-Almanak voor 1845, 140.




40


Zie bij schotanus, Kronyk, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.




41


Dus spreekt de Hoogleeraar bosscha, Heldendaden, I 34, 35, die deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.




42


Zie dezen Giftbrief in het Charterboek, I 94; winsemius, 168; schotanus, Kronyk, 130, tabl. 10; foeke sjoerds, Jaarboeken, III 27; dirks, de Friezen voor Aken, in de Vrije Fries, V 53.




43


Stijl, Opkomst en bloei der Nederlanden, 1778, 28.




44


Dat er ook slaven en lijfeigenen in Friesland zouden geweest zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na karel den groote, van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin vielen. Zoo denkt ook halbertsma in zijne Letterkundige Naoogst, 1840, I 135, 138.




45


Zie Oude Friesche Wetten en de Aantt. van p. wierdsma, bl. 23, 42, 70, 294, 304.




46


Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 8, 33, 274, 298 enz. en de daarbij aangehaalde schrijvers.




47


Oude Friesche Wetten, afgedrukt in schotanus, Beschrijvinge van Frieslandt, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met belangrijke aanteekeningen uitgegeven door p. wierdsma, Kampen en Leeuwarden, 1782; richthofen, Friesische Rechtsquellen, enz.




48


Zie over die wijze van regtspleging, behalve de O. F. W., ook het voortreffelijke werk van halsema, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in Aanteekening 9 (#litres_trial_promo) breeder vermeld.




49


Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 40, 106, 179, 197.




50


Zie worp van thabor, Kronyk, IV 2.




51


Aanteekening op de Oude Friesche Wetten, 118.




52


Zie over het vermelde van loon, Aloude Regeringswijs van Holland, IV 175; foeke sjoerds, Beschrijv. I 423; Tegenw. Staat, I 128; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, VII.




53


Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen, Amsterdam 1784, I 80, met aanhaling van het Charterboek, I 124, 131, en van idsinga, Staats-recht der Nederlanden, 363.




54


Ook halsema getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in Friesland door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren en het beheer van die goederen. Zie mede wiersma’s Aanteekeningen op de Oude Friesche Wetten, 257, en scharlensis, 33


.




55


De Heer eyck tot zuylichem te Utrecht heeft in de Vrije Fries, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude Kerken in Friesland gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting, van niet later dan de 11


 of 12


 eeuw. Opmerkelijk is het, dat de gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee brandgevels, hier even algemeen is als in Denemarken, en slechts zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en gevaar.




56


Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer van leeuwen in de Aantt. op it aade Friesche terp, bl. 440.




57


De Beneficiaal-boeken van Friesl. (Leeuw. 1850) bevatten eene lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle Parochiën, zoo als die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk bedrag van de goederen der Kloosters zal wel niet minder geweest zijn. Bekend is het, dat Graaf willem III reeds in 1328 allen Kloosteren en Geestelijken in Holland, Zeeland en Friesland verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, Charterb. I 183. Wij betwijfelen het echter, dat zij in Friesland ooit, en veelminder destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo als cerisier, Tafereel der Nederl. Geschiedenis, Utrecht 1781, I 411 en Tegenwoordige Staat, I 477 melden.




58


Zoo oordeelt macaulay, in zijne voortreffelijke Geschiedenis van Engeland, ’s Hage 1850, I 9.




59


Deze opmerkelijke uitzondering schrijft schotanus, Beschrijv. end Chronyck, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker ludger van Wierum, later Bisschop van Munster, het Christelijk geloof in Achtkarspelen had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.




60


Behalve bij schotanus, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van wierdsma, afgedrukt in het 2


 st. der Oude Friesche Wetten, 201, 207.




61


Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten vinden in: schotanus, Beschrijvinge end Chron. 298; Oudheden en Gestichten, I 24 en verv.; foeke sjoerds, Beschrijving, I 64, 635; Tegenwoordige Staat, I 32, 251, 434; van halmael, in het Friesch Jierboeckjen foar 1834, XV, en de Lijst der Kloosters achter het Stamboek van den Frieschen Adel; van leeuwen, Aantt. op it aade Friesche terp, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht en behandeld mag worden.




62


ypeij en dermout, Geschied. der Ned. Herv. Kerk, Breda 1819, I 410, Aantt. 185; ypeij, Geschied. der Syst. Godgeleerdh., Haarlem 1793, I 180; buma, Het regt der Friesche Floreenpligtigen, Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in het belangrijke werk van v. idsinga, Staats-recht der Nederl. Leeuw. 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder halsema, 475, en niet minder wierdsma in de O. F. W. 257.




63


Van halmael, Ats Bonninga, Treurspel, Leeuw. 1830, 2. Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, behalve scharlensis, winsemius en schotanus, voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel: It aade Friesche Terp of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en Aanteekeningen van j. van leeuwen, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans voor slechts ƒ1,30 algemeen te bekomen.




64


Van halmael, Ats Bonninga, 4. Zie verder scharlensis, 33; winsemius, 183; schotanus, 164; sjoerds, Jaarboeken, III 129 enz.




65


„Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden teghen stonden,” zegt worp van thabor, Kronyk, IV 5.




66


Zie wagenaar, Vaderlandsche Historie, III 194; sjoerds, Jaarboeken, III 236; van kampen, Geschiedenis der Nederlanden, I 126; Charterboek I 138, 151.




67


Charterboek, 379; schotanus, Beschrijv. end Chron. 175; worp van thabor, Kron. IV 10, 21; Tegenwoordige Staat, I 590.




68


Mr. j. van lennep, Verontschuldiging, 1850, 22. Zie ook eikelenberg, West Friesland, 24, 44, aangeh. in hofdijk, Jonker van Brederode, 1849, Aanteekening 198.




69


Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij wagenaar, Vaderlandsche Historie, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.; Tegenwoordige Staat, I 429; sjoerds, Jaarboeken, II 169 env.; bosscha, Heldendaden, I 23 enz.




70


Ofschoon Graaf arnoud in de geslachtlijst der Graven van Gent, bij van loon, Aloude Hollandsche Histori, 1734, II 236, reeds Heer over geheel Friesland genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens der eerste Graven, bij schriverius, hiervan gewagen, zoo heeft reeds ubbo emmius, Hist. Fris. lib. V, te kennen gegeven: „datter van de Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.” Zie schriverius, Levens der Graven, ’s Hage 1667, 34.




71


Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de Hollandsche en Friesche Charterboeken. Schotanus heeft in zijne Beschrijv. end Chron. 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: Vande verschenckingen deses Landts. Zie ook halsema, Verh. 306, en Mr. j. dirks, Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland, in de Vrije Fries, III 28, 37 enz.




72


Van halmael, de Schieringers en de Vetkoopers, 142.




73


Zie Charterb. I 124, 126, 131 env.; schotanus, tabl. 13; winsemius, 179; wagenaar, III 46; sjoerds, III 142, 149, 181.




74


Winsemius, 187; schotanus, 165; wagenaar, III 225; Tegenwoordige Staat, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten plaats.




75


Zie over het medegedeelde omtrent Graaf willem den goede, Charterb. 149-199; schotanus, 168; winsemius, 190 env.; wagenaar, III 224; sjoerds, Jaarboeken, III 228; Teg. Staat, I 454.




76


Dr. e. halbertsma in de Lapekoer fen Gabe Scroar, 1834, 259.




77


Wagenaar, III 261. Zie verder schotanus, 180; winsemius, 202; foeke sjoerds, III 384; Tegenwoordige Staat, I 492.




78


Wagenaar, III 261. Indien willem’s weduwe, johanna, dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster, margareet, gemalin van Keizer lodewijk van Beijeren (zoo als schotanus en winsemius willen), dan is het nog schandelijker, dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.




79


Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het Charterboek, I 208, is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. j. c. de jonge, achter zijne Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten. Jhr. w. van swinderen gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in ’t Mengelwerk der Leeuwarder Courant van 1832, N


. 61. De eerste deelde de Heer van leeuwen ook mede in zijne Aanteekeningen op it aade Friesche terp, 418.




80


Charterboek; I 208; Tegenwoordige Staat, I 501.




81


Charterboek, 208, 209, 210, 226, 227.




82


Charterboek, 233-255.




83


Tien dagen na den slag tusschen Stavoren en Warns in 1345 was ’s Graven lijk gevonden geworden door marten, kommandeur der St. Jansheeren te Haarlem, die het liet begraven in het Klooster Bloemkamp bij Bolsward, van waar het later door albrecht naar Valenciennes is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk graf bijgezet.




84


In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het uitzigt op een wissen dood.




85


Zie deze Brieven in het Vriesch Charterboek, I 260-269.




86


Dit is waarschijnlijker dan idsinga’s meening van planken, tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.




87


Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 „Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt besorgers,” 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast „te coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.” Voorts „Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.” – „Item, sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om daer brood voor ’t gemeen volck te backen, drie bruyn ende ’t vierde witt.” Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen spoor vermeld.




88


Zie dit omtrent Leeuwarden in de Geschiedk. Beschrijv. I 55, 372.




89


Zie dit Verdrag in het Charterb. 281; sjoerds, Jaarb. IV 127.


