De Ellendigen (Deel 2 van 5)
Victor Hugo




Victor Hugo

De Ellendigen (Deel 2 van 5)





Boek I.

Waterloo





Eerste hoofdstuk.

Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt


Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond: Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.

Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.

Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.

De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.

De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.

Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.

„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.

En zij voegde er bij:

„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”

„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.

„Hougomont,” zei de boerin.

De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.

Hij was op het slagveld van Waterloo.




Tweede hoofdstuk.

Hougomont


Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.

’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.

De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.

De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.

De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.

De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.

De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.

De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.

Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.

De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.

Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.

In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.

De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.

Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.

Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.

De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.

Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.

Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.

Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.

De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.

Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.

Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.

De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riep bom bom.”

Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.

Deze boomgaard is verschrikkelijk.

Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen, en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.

In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1


 regiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.

Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.

De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.

Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien viooltjes.

Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand; – en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”




Derde hoofdstuk.

De 18 Juni 1815


Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.

Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.

De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.

Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.

Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.

Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.

In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij – wat voor een veldheer hoogst noodlottig is – ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?

Wij gelooven het niet.

Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.

’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.




Vierde hoofdstuk.

A


Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.

De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.

Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.

Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.

Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.

De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.

’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo, – deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.

Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.

Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt – de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.




Vijfde hoofdstuk.

Het „duistere iets” der veldslagen


Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.

Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.

Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.

Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.

De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.

De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.

Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.

Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.

In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.

In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.

Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.




Zesde hoofdstuk.

Des namiddags te vier uren


Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandel van het 105


 linie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.

Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.

Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.

’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95


, met buksen gewapend, in het hooge koren.

Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.

Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.

Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.

De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.

Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees: – Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen? – „Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.” – De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”

Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug. – Het begin van den aftocht! riep Napoleon.




Zevende hoofdstuk.

Napoleon in goede luim


De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.

Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.

Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.

Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1


 Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington. – „Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.

Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte. – „Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”

Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”

Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wij hebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide: „Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de Zephir de brik l’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.

Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!

Van negen tot half elf ure had het geheele leger – ’t geen schier ongelooflijk schijnt – positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.

Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer, – toen hij de drie batterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen, – Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”

Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”

Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden. Scabrâ rubigine. Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide: – „Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.

De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aarde af te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.

Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode: Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekening van het ongeluk, fevrier 1637[1 - Het opschrift luidt aldus:D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637] te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.

Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.




Achtste hoofdstuk.

De keizer doet den gids Lacoste een vraag


Napoleon was dus in den morgen van den slag bij Waterloo tevreden.

Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd hebben, was inderdaad bewonderenswaardig.

De slag was begonnen; zijn zeer verschillende afwisselingen, – de verdediging van Hougomont, de hardnekkige weerstand van la Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht gesteld, de onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken had, de noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch springbussen noch kruitzakken had; het in de modder zinken der batterijen, de vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in een hollen weg werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in de Engelsche liniën vielen, zich in den door den regen doorweekten grond boorden, en slechts uitbarstingen van slijk veroorzaakten, zoodat het schroot in modderspatten veranderde; de vruchteloosheid van Piré’s demonstratie tegen Braine-l’Alleud; vijftien escadrons cavalerie schier geheel vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter vleugel, de zwakke aanval van den linker; het zonderling misverstand van Ney die, in plaats van ze te echelonneeren, de vier divisiën van het eerste corps opeenhoopte, zoodat massa’s van zevenentwintig gelederen, en fronten van tweehonderd man op deze wijze aan het schroot waren overgeleverd; de verschrikkelijke openingen, welke de kanonkogels in deze drommen maakten; de aanvalskolonnen gescheiden, de schuinsche vernielende batterij, die plotseling tegen hun flank werd geopend; Bourgeois, Donzelot en Durutte in nood, Quiot teruggedreven, de luitenant Vieux, deze herkules uit de polytechnische school, gekwetst, juist toen hij met bijlslagen, onder het verdelgend vuur der Engelsche barricade, die de kromming van den weg van Genappe naar Brussel versperde, de poort van la Haie-Sainte openbrak; de divisie Marcognet tusschen de infanterie en cavalerie ingesloten, door Best en Pake met het geweer op de borst in ’t koren gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld; zijn batterij van zeven stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar, die, niettegenstaande den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain bezet en in zijn macht hield; het vaandel van het 105


 en van het 45


 regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door de veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers, die tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende zaken, welke deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de vijftienhonderd man, die in minder dan een uur in den boomgaard van Hougomont gedood werden; de achttienhonderd man, die in nog korter tijd om la Haie-Sainte vielen, – al deze stormachtige tusschentooneelen, die evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in de oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden naar getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts tot algemeene uitkomst hadden – de overwinning; hij bekommerde er zich niet om, zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en bezitter van het einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan, dat omtrent den uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het noodlot als zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen: gij durft niet anders.

Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene verstandhouding, men zou schier kunnen zeggen een deelgenootschap, met de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid der ouden overeenkwam.

Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter zich heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar.

Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps zag hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen.

Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk, ’t was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De man van Marengo wischte Azincourt uit.

De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van omlaag tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij dacht; hij beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht met zijn blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij scheen ieder kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken blik op de Engelsche barricaden der beide groote wegen, twee breede dammen van opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe boven la Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het Engelsche leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en de andere op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der brigade-Chassé glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de oude met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den dwarsweg naar Braine l’Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid tot den gids Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd, waarschijnlijk met een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en dacht na.

Wellington was teruggetrokken.

Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te voltooien.

Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs, om er te berichten dat de slag gewonnen was.

Napoleon was een dier genieën, welke bliksems schieten.

Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden.

Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van Mont-Saint-Jean te bemachtigen.




Negende hoofdstuk.

Het onverwachte


Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun front strekte zich een kwartier ver uit. ’t Waren mannen als reuzen, op kolossale paarden. ’t Waren zes-en-twintig escadrons; en achter zich hadden zij, om hen te ondersteunen, de divisie van Lefèbvre Desnouettes, de keurbende van zeshonderd gendarmes, de jagers der garde, sterk elfhonderd zeven-en-negentig man, en de lanciers der garde, sterk achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den helm zonder paardenstaart en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in de holsters en een langen rechten pallas. Des ochtends had het geheele leger hen bewonderd, toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en ’t spelen der muziekkorpsen van Veillons au salut de l’Empire, in dichte colonnes, met een hunner batterijen in de flank en een andere in hun centrum, aanrukten, en zich in twee gelederen op den weg tusschen Genappe en Frischemont schaarden en plaats namen in de tweede slaglinie, zoo schrander door Napoleon samengesteld, daar ze aan haar linkereinde de kurassiers van Kellerman en aan haar rechtereinde de kurassiers van Milhaud, om zoo te spreken, als twee ijzeren vleugels had.

De adjudant Bernard bracht hun ’s keizers bevel. Ney trok den degen en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten in beweging.

Nu zag men een grootsch schouwspel.

Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende vaandels en schallende trompetten, in colonnes van een divisie, gelijktijdig en als één man, met de juistheid van een ijzeren stormram die een bres maakt, van de hoogte van Belle-Alliance, drong in de geduchte diepte, waar reeds zoo velen gevallen waren, verdween er in den kruitdamp, en weder uit die duisternis komende, verscheen zij opnieuw aan de andere zijde van het dal, steeds dicht inééngedrongen, en rende in vollen draf, te midden der schrootwolken, die boven haar losbarstten, tegen de vreeselijke slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean op. Ernstig, dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van het geweer- en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar er twee divisiën waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier ter rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren slangen te zien, die zich naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden door den slag.

Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute aan de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney bevond er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware geworden en slechts één ziel had. Ieder escadron golfde en verhief zich als de ring van een polyp. Men zag hen door de reten van een dichten rooksluier. ’t Was een baaierd van helmen, kreten, sabels, woeste paardensprongen, kanongebulder en trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring, en daarboven de kurassen als de schubben op de hydra.

Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets, dat hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die van manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen; vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk!

Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons wachtten deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte, in de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie, bestaande uit dertien carré’s, ieder carré van twee bataljons, en in twee liniën, de eerste van zes, de tweede van zeven carré’s, met aangelegde geweren op ’t geen komen zou, rustig, zwijgend en bewegingloos. Zij zag de kurassiers niet, de kurassiers konden haar niet zien. Zij hoorde ’t gedreun van opstijgende menschen. Zij hoorde den nog sterker donder van drie duizend paarden, den dravenden hoefslag, het ritselen der kurassen, het kletteren der sabels en iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke stilte ontstond, toen verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven armen met zwaaiende sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten en standaarden, en drie duizend hoofden met grijze knevels, uitroepende: leve de keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte. ’t Was als ’t begin van een aardbeving.

Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om zich in de carré’s en op de kanonnen te storten, tusschen zich en de Engelschen een groeve, een diepte. ’t Was de holle weg van Ohain!

’t Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag dáár twee vademen diep, tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden; het tweede gelid drong het eerste er in, en het derde het tweede; de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den rug met de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun ruiters af; ’t was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne was slechts één werptuig, en de ingespannen kracht om de Engelschen te verpletteren, verplette de Franschen; de ontzettende laagte kon eerst overgetrokken worden toen ze gevuld was; ruiters en paarden stortten er hals over kop in, vermorzelden elkander en vormden in dezen kolk slechts één vleeschklomp; toen deze kuil vol levende menschen was, vertrad men ze, en de rest ging er over. Schier een derde der brigade Dubois stortte in dien afgrond.

Hier begon het verlies van den veldslag.

Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg van Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al de andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel geworpen werden.

Vóór dat Napoleon deze charge der kurassiers van Milhaud beval, had hij het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet kunnen zien, die op het plateau van den heuvel zelfs geen streep vertoonde. Evenwel door de kleine witte kapel, op den hoek van den weg van Nivelles oplettend gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene mogelijke hindernis, die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids had ontkennend geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit hoofdschudden van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt heeft.

Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij voegen.

Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden: neen! Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van Blücher? neen. Uithoofde van God.

Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in de wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade wil der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard.

’t Was tijd dat deze sterke man viel.

Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot, verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van één mensch overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo zulks lang duurde. Het oogenblik was gekomen, dat de onverzettelijke hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. ’t Is mogelijk, dat de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze het evenwicht in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld teweegbrengen, zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken, schreiende moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan eenig overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis, dat door den afgrond gehoord wordt.

Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was besloten.

Hij hinderde God.

Waterloo is geen veldslag; ’t is een omkeering van ’t gelaat der wereld.




Tiende hoofdstuk.

Het bergvlak van Mont-Saint-Jean


Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij zich vertoond.

Zestig kanonnen en de dertien carré’s verpletterden de kurassiers om zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De onverschrokken generaal Delord maakte voor de Engelsche batterij den militairen groet.

De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop in de carré’s begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd niet, een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. ’t Waren mannen die, bij vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd aangekomen.

De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carré’s. Spoorslags, met lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen in de vuist vielen zij aan.

In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen zoodanig verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het vleesch slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een woedende wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand.

’t Was een vreeselijk moment.

Alle fronten der Engelsche carré’s werden tegelijkertijd aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De koele infanterie bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met gebogen knie de kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op hen; achter het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het front van het carré opende zich, liet een uitbarsting van schroot door en sloot zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door zich op de carré’s te werpen. De zware paarden steigerden, braken door de gelederen, sprongen over de bajonetten en vielen als gevaarten in ’t midden dier vier levende muren. De kogels maakten openingen in de kurassiers, de kurassiers maakten bressen in de carré’s. Geheele rijen menschen werden vermorzeld onder de paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer centauren. Hierdoor ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men misschien nimmer elders gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie verminkte carré’s, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun schroot was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht van dat gevecht was gruwelijk. De carré’s waren geen bataljons meer, ’t waren kraters; de kurassiers waren geen cavalerie meer, ’t was een orkaan. Ieder carré was een vulkaan, door een wolk bestormd; de lava streed tegen den bliksem.

De uiterste rechtercarré die het meest van alle was blootgesteld, werd bij den eersten schok schier geheel vernield. Het bestond uit het 75e regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in ’t midden van het carré op een trom gezeten, in diepe onoplettendheid, zijn droefgeestige oogen neergeslagen, die vol van de herinnering aan zijn wouden en meren waren, speelde met de pibroch onder den arm de liederen van zijn bergen, terwijl men rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten stierven, terwijl ze aan Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met de gedachte aan Argos stierven. De pallas van een kurassier hieuw den arm af die den pibroch vasthield, en deed de muziek zwijgen door den muzikant te dooden.

De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door de ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het geheele Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter daar ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige misslag.

Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré’s, achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie, moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon ’t hun schelen – zij waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk.

Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen op deze wijze was ’t mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst werden. Een hunner kurassen, bij ’t linker schouderblad door een kogel doorboord, bevindt zich bij de verzameling in ’t museum van Waterloo.

Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen vereischt.

’t Was geen gevecht meer, ’t was een schaduw, een razernij, een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller, hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze gansche ontzaglijke massa’s grepen en hielden elkander zonder dat de een den ander losliet. De carré’s stonden immer pal. Zij werden twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren.

Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel, of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington, die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held, en zeide halfluid: splendid! (prachtig).

De kurassiers vernietigden zeven carré’s van de dertien, namen of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.

Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds, steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie van beiden zal het eerst vallen?

De worsteling op het bergplat werd voortgezet.

Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard, beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.

Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.

De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre ’t hun niet gelukt was het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden, was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte in allen geval in ’t bezit der Engelschen was gebleven. Wellington had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem vastgeworteld te zijn.

De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg Kempt versterking. – „Ik heb ze niet,” antwoordde Wellington; „dat hij bezwijke!” – Schier in dezelfde minuut vroeg Ney – een zonderlinge samenloop, die de uitputting der beide legers schetst – infanterie aan Napoleon, en Napoleon riep: „Infanterie! Van waar zou ik ze halen? Meent hij dat ik ze kan maken?”

Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd; de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l’Héritier, Colbert, Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren, Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren, van het 79


 Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst, achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel Hacke aan ’t hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel, was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean, was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs, dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man was ingekrompen. De „ijzeren hertog” bleef kalm, maar zijn lippen waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden, hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: „Blücher, of de nacht!”

’t Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde.

Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama.




Elfde hoofdstuk.

Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor Bulow


Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven.

Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij, en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet meer hebben kunnen staande houden; „de slag ware verloren geweest.”

Men ziet, ’t was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.

Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.

Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had gezegd: – Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert? – De maarschalk, na zijn kijker te hebben gericht, had geantwoord: – Vier of vijf duizend man, Sire. Zeker Grouchy. – Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen „wolk” bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: ’t Zijn colonnes, die halt houden. De meesten hadden gezegd: ’t Zijn boomen, ’t Was waar, dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden.

Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen, te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: „Wij moeten het Engelsche leger lucht geven.”

Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te regenen, die achter Napoleon in reserve stond.




Twaalfde hoofdstuk.

De garde


Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden, Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd, Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende, verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart.

Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik.

De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op ditzelfde oogenblik, ’t was acht uren ’s avonds, scheidden zich de wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had men haar zien opgaan.

Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet, Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: „Staat, garden, en mikt juist!” Het roode regiment der Engelsche garde, dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde; allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke garde voelde in de schaduw, dat het leger ’t welk haar omgaf, week en het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het „vlucht! redt u!” dat het „leve de Keizer!” vervangen had; en met de vlucht achter zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.

Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen, met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk, met den stomp van een degen in de hand, riep hij: „Ziet hoe een maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!” Maar te vergeefs; hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet d’Erlon de vraag toe: „Zijt gij bang u te laten dooden?” Te midden van al dat geschut, ’t welk een handvol menschen verpletterde, riep hij: „Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche kogels mij doorboorden!” Ongelukkige, gij werdt behouden, om door Fransche kogels te sterven!




Dertiende hoofdstuk.

De catastrophe


De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk.

Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt, stoot en verdringt zich. ’t Is een reusachtige ontbinding. Ney leent een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das, zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De soldaten ontwijken hem, roepende: „leve de maarschalk Ney!” Twee regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt, van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht; vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian, Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden, spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden, die des morgens, „Leve de Keizer” riepen, gapen hem aan; nauwelijks kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe, vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen, de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw, wanhoop; ransels en geweren in ’t koren geworpen; met den degen zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren, geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig was deze vlucht.

Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe, woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen tot staan. Helaas! en wie was ’t, die zoo vluchtte? het groote leger.

Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. ’t Is de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk, er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest.

In ’t vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo terugging. ’t Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan – de groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!




Veertiende hoofdstuk.

Het laatste carré


Eenige carré’s der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam, en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere gescheiden en niet meer aan ’t leger verbonden, dat aan alle zijden gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme, andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen, hadden deze sombere carré’s nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm, Wagram, Jena, Friedland stierven in hen.

In de schemering, tegen negen uur ’s avonds, bleef er op de vlakte van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken, dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem, even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker wordend geknetter te hooren.

Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie verpoosde en zweeg. ’t Was een soort van rust. Deze strijders waren omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, ’t welk de helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren, dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep een Engelsch generaal – volgens sommigen Colville, volgens anderen Maitland – in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen, geeft u over! – Cambronne antwoordde: Merde!




Vijftiende hoofdstuk.

Cambronne


Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste woord, ’t welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet herhaald worden. ’t Is verboden het verhevene in de geschiedenis te vermelden.

Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.

Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.

Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want te willen sterven is sterven, en ’t is de schuld van dezen man niet, dat hij het schrootvuur overleefd heeft.

De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende Napoleon; ’t is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te vijf uren wanhopend is; ’t is niet Blücher, die niet gestreden heeft; de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne.

Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is overwinnen.

Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher; in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord, dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan zijn zijde te hebben – dit is verheven – ontzaggelijk.

’t Is den bliksem hoonen. ’t Bereikt de verhevenheid van Eschylus.

Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is ’t Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is ’t Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is – dubbel grievend; en op ’t oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze bespotting – het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár, al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over; niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen ’t, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn.

De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de l’Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het keizerrijk, Europa toe, ’t zou weinig zijn; hij werpt het, in naam der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne de ziel der oude reuzen. ’t Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.

Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken; alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche, te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles, te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende, voorbij rijdt.




Zestiende hoofdstuk.

Quot Libras in Duce?


De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is ’t een paniek[2 - „Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden dag verzekerd – alles ging door een oogenblik van panischen schrik verloren.”(Napoleon, „Handschrift van Sint-Helena.”)]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij, heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van deze worsteling van ’t menschelijk genie met de beschikking des Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die, tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept, de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog.

De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.

Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken breiden zich plotseling na een overwinning uit. ’t Is de vluchtige zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in ’t menschelijk geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers, welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt, de rede neemt het woord. ’t Is het spel „die wint verliest.” Laat ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij.

Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.

’t Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. ’t Zijn geen vijanden, ’t zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint, heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid, wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode, een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten, de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik, iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft; een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.

Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington verwachtte Blücher: deze kwam.

Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen, zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte, Mantua, Marengo, Arcola: „Waterloo.” Zege der middelmatigheid, die de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.

Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington’s haar grijs te maken.

Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van den tweeden rang gewonnen.

Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland, de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als ik ’t zeggen mag, zich zelf. ’t Is niet zijn veldheer, ’t is zijn leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan lord Bathurst, dat zijn leger, ’t welk den 18 Juni 1815 gestreden heeft, een „afschuwelijk leger” was. Wat zegt hiervan de donkere ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?

Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten, die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden, – ziedaar wat grootsch is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste; wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger, het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.

Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet, dat een sergeant, die naar ’t schijnt, in den slag van Inkermann het leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport melding te maken van een held beneden den rang van officier.

Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon, Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen, al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd.

In ’t algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen: te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent; Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen, zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen, dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen, zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders; zestigduizend dooden.

Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde, als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op alle vlakten.

Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook, verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels, het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers; deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon; dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte, Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen.




Zeventiende hoofdstuk.

Moet men Waterloo goedvinden?


Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht.

Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. ’t Is Europa tegen Frankrijk, ’t is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs, ’t is het status-quo tegen het initiatief, ’t is de 14 Juli 1789 door den 20 Maart 1815 aangevallen: ’t is de wapenkreet der monarchieën tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen, dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns, Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het „bij de gratie Gods” aan ’t hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking, gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit Waterloo is voortgekomen. ’t Is omdat de revolutie werkelijk niet verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden; hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar „vooruitgang”; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is, noem hem „morgen.” „Morgen” verricht onweerstaanbaar zijn werk, en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw, welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven.

Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa, daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den datum „18 Juni 1815” heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. ’t Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: „Verbrokkeling” mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien, en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter.

Laat ons in Waterloo niets zien dan ’t geen in Waterloo is. Van vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre te paard uit den zadel gelicht.




Achttiende hoofdstuk.

Uitbreiding van het „Goddelijk recht.”


Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in.

Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht, had de uitwerking eener eclips.

Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8 Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren, Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen, als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt; het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga hierheen en niet daarheen!

Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde zich met 1789, het „goddelijk recht” vermomde zich onder een charter, fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het liberalisme. Verandering van vel bij de slang.

De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat kanonnenvleesch, ’t welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo. – „Hij dood!” riep de soldaat, „dan kent gij hem niet!” De geesten mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door de verdwijning van Napoleon.

De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo reeds vooraf gezegd.

In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst, door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd deze ster, „Vrijheid.” De vurige oogen der jonge geslachten richtten zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst, Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen, met de rots van St. Helena aan den horizon.

Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.

Dit is nu Waterloo!

Maar wat doet het aan ’t oneindige? deze orkaan, deze wolk, deze oorlog en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik het oneindig oog voor ’t welk de worm, die van de eene grasspriet op de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt.




Negentiende hoofdstuk.

Het slagveld des nachts


Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren.

’t Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden, leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie over, en was in ’t moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.

Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean verlaten.

De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op te stellen.

Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is ’t onbetwistbaar op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half uur van ’t slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand, la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen, en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al de eer van.

Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben; hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt steeds naakte lijken.

Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken zijn, die den roem verworven hebben. ’t Zijn dezelfden, zeggen zij, geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij gelooven dit echter niet. ’t Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen.

Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen tijd niet.

Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle soort van gespuis, ’t welk uit de duisternis geboren wordt, die men oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken; verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers – dit alles sleepten eertijds – wij spreken niet van den tegenwoordigen tijd – de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze de „nakomers” (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een dezer ellendelingen, een Spaansch „nakomer” die Fransch sprak, werd de markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid, hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd, op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke grondstelling: „Van den vijand leven” bracht dezen kanker voort, die slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen „nakomers;” Wellington, wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig.

Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen in den anderen doodschoot.

De maan scheen akelig op de vlakte.

Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen weg van Ohain. ’t Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken, welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman, noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond, richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding, zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische legenden spreken.

Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de moerassen.

Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l’Alleud kruist, een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw, op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking tusschen dit karretje en dien strooper.

’t Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.

In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en rondes van het Engelsche legerkamp.

Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in ’t westen, het ander in ’t oosten, twee groote vlammen, waaraan zich, als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden, de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring op de heuvelen in de verte verspreid waren.

Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt.

Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn, hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen, een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien, en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren, verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien, zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos, mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de beenderen door ’t spartelen van een paard in de duisternis gebroken, de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten zeggen: zooeven leefde ik nog.

Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer, de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven, een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18 Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich, dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden, ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan, was de hoop lijken dunner.

De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.

Eensklaps stond hij stil.

Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.

Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring.

De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte was aan de hand geen ring meer.

Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden, terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.

Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op ’t zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde, dat men hem van achter vasthield.

Hij keerde zich om; ’t was de open hand, die zich gesloten en den slip van zijn kapotjas gegrepen had.

Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.

„O,” zeide hij, „’t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook dan met een gendarm te doen.”

Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort in het graf.

„Ha,” hernam de strooper, „is deze doode levend? Laat ons zien.”

Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde, greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. ’t Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn; de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij ’t zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd, die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht.

Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer.

De strooper rukte dit kruis af, ’t welk in een der holen verdween, die hij onder zijn kapotjas had.

Daarna betastte hij ’t horlogezakje van den officier, voelde een horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs en stak ze in zijn zak.

Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende bracht, opende de officier de oogen.

„Ik dank u,” zeide hij flauw.

De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem uit zijn verdooving gewekt.

De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende patrouille.

De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:

„Wie heeft den slag gewonnen?”

„De Engelschen,” antwoordde de strooper.

De officier hernam:

„Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem ze.”

Dit was reeds geschied.

De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:

„Er is niets.”

„Dan heeft men mij bestolen.” hernam de officier, „’t spijt mij. ’t Zou voor u zijn geweest.”

De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.

„Men nadert,” zei de strooper, de beweging makende van zich te verwijderen.

De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.

„Gij hebt mij ’t leven gered. Wie zijt ge?”

De strooper antwoordde haastig en zacht:

„Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het leven gered. Help nu u zelven.”

„Welken rang hebt ge?”

„Sergeant.”

„Hoe heet ge?”

„Thénardier.”

„Ik zal dien naam niet vergeten,” zei de officier. „En onthoud gij den mijnen. Ik heet Pont-mercy.”




Boek II.

Het schip de Orion





Eerste hoofdstuk.

Nommer 24601 wordt nommer 9430


Jean Valjean was weder gevat.

Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.

Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond.

Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de dagteekening van 25 Juli 1823.

„ – Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement, Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens, zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen, toen hij in het bagno van Toulon terugkwam.”

Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de Paris van dezelfde dagteekening:

„ – Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van Var verschenen. Dezen booswicht was ’t gelukt, aan de waakzaamheid der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen, dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek, en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd, als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen, die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt:

		„ – de Savoie arrivent tous les ans
		„Et dont la main légèrement essuie
		„Ces longs canaux engorgés par la suie.[3 - Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.]

„Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. ’t Is door het bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen, dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven van ’t zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond naar het bagno van Toulon overgebracht.”

Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen, onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf voor als het werk der priesterpartij.

Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430.

Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was, was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten; de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in ’t klein, in plaats van in ’t groot, gedreven; voor ’t eigen voordeel, in plaats van voor ’t algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer; overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter, het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde, het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen bleef niets meer. Alles verdween.

Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises, dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle deze opmerking in de Kamer.




Tweede hoofdstuk.

Waarin men twee dichtregels zal lezen, die misschien van den duivel zijn


Voor wij verder gaan is ’t noodig, eenigszins omstandig een zonderling feit te verhalen, ’t welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het openbaar ministerie.

In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst, door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is, dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt, en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork, die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien, uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan: dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den „schat” er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is, den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/viktor-gugo/de-ellendigen-deel-2-van-5/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Het opschrift luidt aldus:


D O M


CY A ETE ECRASE


PAR MALHEUR


SOUS UN CHARIOT


MONSIEUR BERNARD


DE BRYE MARCHAND


A BRUXELLE LE (onleesbaar)


FEBVRIER 1637




2


„Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden dag verzekerd – alles ging door een oogenblik van panischen schrik verloren.”

(Napoleon, „Handschrift van Sint-Helena.”)




3


Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.


