De Ellendigen (Deel 3 van 5)
Victor Hugo




Victor Hugo

De Ellendigen (Deel 3 van 5)





Boek I.

Parijs in zijn atomen bestudeerd





Eerste hoofdstuk.

Parvulus


Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch; het kind heet gamin (straatjongen).

Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking; Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou Plautus zeggen.

Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo ’t hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd aan ’t lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd, hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes, maar heeft niets kwaads in ’t hart. Want zijn ziel bezit een parel, de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij.

Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden: ’t Is mijn kind.




Tweede hoofdstuk.

Eenige zijner bijzondere kenteekenen


De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin.

Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd, maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en ’t is hem lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen, zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood zijn, noemt hij „paardebloemen bij den wortel opeten.” Zijn beroepen zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat leggen, ’t geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben; hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, „de duivel,” een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis, met puisten op den rug – niet de pad – een monster, dat in oude kalkovens en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit monster „de doove.” Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. ’t Is ook een vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de slooten van het Champ-de-Mars.

De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid, die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk van het treurspel tot de klucht af.

Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich een geneesheer. – Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen de geneesheeren zelven hun werk thuis?

Een andere jongen is in ’t gedrang. Een deftig man met een bril en horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt den arm mijner vrouw genomen. – Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken.




Derde hoofdstuk.

Hij is behagelijk


Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen, nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. ’t Is genoeg, dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge, bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim den naam van „paradijs” (engelenbak) te geven.

Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge hebt den straatjongen.

De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche.

Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel, trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw, lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis, vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak in is.

Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem verscheen zou de straatjongen: „Ha! Ziedaar blauwbaard!” roepen.




Vierde hoofdstuk.

Hij kan nuttig zijn


Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper; de geheele anarchie in den straatjongen.

Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich onverschillig, hij is ’t niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed; maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel, Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme, Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet – hoed u voor den straatjongen.

Deze kleine zal groot worden.

Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen pottenbakker, van de kruik een amphora.




Vijfde hoofdstuk.

Zijn grenzen


De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator, gelijk Flaccus.

Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels, einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone belangstelling.

Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger met den naam van „treurig” worden bestempeld.

De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet, dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten, waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven, de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden – dit alles trok hem aan.

Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in ’t geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke eigenaardigheden komen er te voorschijn.

Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen, omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken, onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd, zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende, dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben, dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste bekoorlijkheden der omstreken van Parijs.

Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes – zijn ’t hun zusjes? – schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en klaprozen in ’t haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen zich in zijn mijmeringen.

Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de voorsteden eindigt voor hen de wereld.




Zesde hoofdstuk.

Een weinig geschiedenis


Op het tijdstip – ’t welk nog tot onzen tijd behoort – dat de gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats, die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg, in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft „de zwaluwen der brug van Arcola” voortgebracht. ’t Is overigens het rampzaligste der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man met het zwerven van het kind een aanvang nemen.

Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil van ’t geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in iedere andere groote stad een zwervend kind, als ’t man is geworden, verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is de straatjongen van Parijs, – wij moeten hierop drukken – hoe gehavend en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. ’t Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is, veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel.

Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: „Op de straat geworpen te zijn.”

’t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe „halve verlichting?” Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg van het onwetende kind.

Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de straat.

Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig, dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde, zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw.

Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen – wie? de politieagenten? Neen, de vaders.




Zevende hoofdstuk.

De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie der Indiën


De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.

Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in de boekentaal in 1834. ’t Was in een werkje, getiteld Claude Gueux dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord bleef in gebruik.

De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl hij een soldaat „kende” dien een burger bijna het oog had uitgeslagen.

Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: „Mijn hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde verdieping zien vallen.”

Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: „Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om den dokter gezonden?” – „Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden sterven vanzelf.” Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept: Hij praat met den paap, o de fielt!

Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. ’t Geeft aanzien als hij vrijgeest is.

Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken, klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès, deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen, den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden, waarin een toekomst ligt besloten: „Ik benijdde hem.” De straatjongen kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart hij „staatkundigen” met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere twistte met zijn moeder. „Verwijt elkander toch niets!” riep een straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen. – „Laat mij gerust klimmen, mijnheer de gendarm,” zegt de jongen, „ik zal niet vallen.” – „’t Is mij onverschillig of ge valt,” was het antwoord.

In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich „tot op het been” gesneden heeft.

De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen het liefst zegt is: „Ik verzeker u, dat ik sterk ben.” Links te zijn is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht.




Achtste hoofdstuk.

Een vriendelijk woord van den laatsten koning


Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners, en men vindt er het oude Evohé in: „Hei Titi! O hee!” zoo begint hij en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken.

Deze mug – zoo noemt hij zich – kan lezen; soms kan hij ook schrijven, altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een louisd’or aan den knaap, zeggende: „Zie, daar staat ook een peer op.” De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt hem. Hij verfoeit „de pastoors.” Op een dag teekende een dier jonge snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. „Waarom teekent ge dit op deze deur?” vroeg hem een voorbijganger. De jongen antwoordde: „Er woont een pastoor.” Inderdaad, de pauselijke nuntius woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij, zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is ’t mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en zijn broek gelapt te krijgen.

Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz.




Negende hoofdstuk.

De oude geest van Gallië


In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze, gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld, om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven.

De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand; zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs; hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus.

Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra.

Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is.




Tiende hoofdstuk.

Ecce Paris, ecce Homo


Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van Parijs is heden, gelijk eertijds de grœculus van Rome, ’t is het volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd.

De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting.

Het licht maakt gezond.

Het licht verheldert.

Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen vlammen, of dwaallichten in de duisternis.

De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die der wereld.

Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus, de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon, het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens, een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het ’t belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs.

Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain; en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee Oumoumié te Damaskus.

Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort.

Hoewel Plutarchus zegt: „de tyran wordt niet oud”, onderwerpt zich toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid den stormmarsch slaat en de stormklok luidt.

Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in ’t geen Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid, wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing; wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij, deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig, dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De „barrière du combat” is geen Colyseum, maar men is er toch wreed alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht, David d’Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem, en Sileen doet er zijn intrede op een ezel.

Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris, Jeruzalem, Pantin. ’t Is het kort begrip van alle beschaving, evenals van alle barbaarschheden. ’t Zou Parijs leed doen zoo ’t geen guillotine had.

Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval laat vallen.




Elfde hoofdstuk.

Schertsen en heerschen


Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk bracht. „U te behagen, o Atheniensers!” riep Alexander. Parijs maakt meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs kan, als ’t wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde; maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het, wrijft zich de oogen uit, zegt: „Wat ben ik dom!” en lacht in ’t aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad; ’t is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen, zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare 14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington, Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown, Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston in 1779, op ’t eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in 1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd; het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche op de wereld uit; ’t is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre; zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen, letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie, dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept, teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en schrijft „Credeville dief” op de pyramiden.

Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het.

Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der wereld. ’t Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een zedelijk wezen. ’t Is meer dan groot, ’t is onmetelijk. Waarom? Wijl het durft.

Durven is de prijs van den vooruitgang.

Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der stoutmoedigheid. ’t Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt, dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen.

De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt den mensch in ’t schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden, zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld, dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als uit Cambronnes stompje.




Twaalfde hoofdstuk.

De in het volk besloten toekomst


Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij den adelaar in de musch bestudeerd.

’t Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare drommen onbekende wezens, en ’t wemelt er van de zonderlingste typen, van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met volharding. Licht! licht! – Wie weet, of deze duisternis zich niet zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat, wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet, verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen, deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid ontdekken. Dat men het gemeene zand, ’t welk men onder den voet treedt, in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden, en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken.




Dertiende hoofdstuk.

De kleine Gavroche


Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem niet. ’t Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen, die ouders hebben en toch weezen zijn.

Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder.

Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig zijn weg gegaan.

’t Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde, morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur, geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was.

Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen.

Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde ’t soms echter om de twee of drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière, en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50–52, dat de lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau.

Op dit tijdstip was dit oude huis 50–52, dat gewoonlijk ledig stond en met het bordje: „kamers te huur,” prijkte – zeldzamerwijs – bewoond door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt, tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt, en den voddenraper.

De „hoofdhuurderes,” tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd heeft: „Aan oude vrouwen is nooit gebrek.”

Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen over haar hart geregeerd hadden.

De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds gesproken hebben.

Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd, dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was, welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der „hoofdhuurderes” te bezigen, een „verhuizing van niets” geleek, had Jondrette aan deze vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was en de trap veegde: – „Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken… deze ben ik.”

Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij binnenkwam, vroeg men hem: – „Van waar komt ge?” – Hij antwoordde: – „Van de straat.” – Wanneer hij heen ging, vroeg men hem: – „Waar gaat ge heen?” en hij antwoordde: „Naar de straat.” Zijn moeder vroeg hem: „Wat komt ge hier doen?”

Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe een vader en een moeder zijn moesten.

Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters.

Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette.

Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een instinct te zijn.

De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde, was de laatste aan het einde van de gang.

De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die mijnheer Marius werd genoemd.

Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was.




Boek II.

De groote burger





Eerste hoofdstuk.

Negentig jaren en twee-en-dertig tanden


In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen, die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen, ’t welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft; een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht.

De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed, at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben te arm; ware ik niet geruïneerd… O! – Hij bezat inderdaad slechts een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig, driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op, meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op, en sloeg de menschen als in de „groote eeuw.” Hij had een ongehuwde dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen, noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte, wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette.

De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide onder anderen: „Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt.” De woorden, die hij ’t meest gebruikte, waren: „de gevoelige mensch” en „de natuur.” Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard. – De natuur, zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze uit. Ofwel – die tooveressen! – zij veranderen ze in oesters en slikken ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen; wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen.




Tweede hoofdstuk.

Zoo de man, zoo de woning


Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du Calvaire No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping, tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der stoelen in ’t klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen, die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den heer de Vivonne, die ’t zijne minnares wilde geven, op de galeien van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd, die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; ’t was het kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls met gezag: „De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten.”




Derde hoofdstuk.

Zijn doopnamen


Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden, beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. „O!” riep hij vaak, „hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag, met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen, nieuwmodisch kleed en mof!” – In zijn jongelingsjaren had hij een buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen sprak. – „Ik was als een Turk uit de Levant gekleed,” zeide hij dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem, toen hij twintig jaar oud was: „een allerliefste dwaas.” Hij ergerde zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag, en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde ze in lachen uitbarstend de „nieuwe papieren.” „Wie zijn toch deze lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!” vroeg hij dan, „zijn zij ministers? Wat zou ’t grappig zijn, zoo ik eens in de courant las: mijnheer de minister Gillenormand. – Nu, zij zijn dom genoeg om zoo iets te doen!” Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam, zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen en kalmen toon uit, alsof ’t zoo behoorde.

Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk, dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest).




Vierde hoofdstuk.

Een aspirant naar de honderd jaar


In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde, bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan die bekroning kunnen uitwisschen. De „hertog van Nevers” was voor hem de groote figuur der eeuw. „Welk een goed, groot heer was hij, en hoe fraai stond hem het blauwe lint,” dus sprak hij dikwijls. In zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in vuur. „Het goud-elixer,” riep hij dan, „de gele tinctuur van Bestuchef, de droppels van generaal Lamotte, – het was in de negentiende eeuw, voor een louisd’or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond er tweehonderd flesschen van aan den paus.” – Men zou hem vertoornd en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn, dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig jaren zeide hij: „Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig jaren zal beleven.” Een andermaal echter gaf hij weer te kennen, dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden.




Vijfde hoofdstuk.

Basque en Nicolette


Hij had theorieën. Eene er van was: „Zoo een man de vrouwen hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen, desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in ’t geld tellen, dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na, raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt, belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde, bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt, heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren.” Deze theorie had mijnheer Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms „nationaal eigendom” konden worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in het grootboek geen crediet. – Dat alles was „straat Quincampoix,” zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat „des filles du Calvaire” hem behoorde. Hij had twee dienstboden, „een mannelijke en een vrouwelijke.” Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan.

„Hoeveel loon begeert ge ’s maands?” vroeg mijnheer Gillenormand.

„Dertig francs.”

„Hoe heet ge?”

„Olympia.”

„Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten.”




Zesde hoofdstuk.

Magnon met haar twee kinderen


Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. „Wien zou die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid, welk een schandelijke laster!” Maar mijnheer Gillenormand was er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: „Welnu, wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen, die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was, met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye, broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux, verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem verzorgen. ’t Is zijn schuld niet.” – Zijn handelwijze was waarlijk goedaardig.

Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij: „Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd zal ik ze bezoeken.” En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij, dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven, maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover ’t hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken.

Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze: „Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen bestolen. Silvæ sint consule dignæ.” – Hij had, zooals wij zeiden, twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk.




Zevende hoofdstuk.

Regel: ontvang alleen des avonds bezoek


Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig.

Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot.

In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde Gillenormand, destijds nog jong – hij was niet ouder dan vier-en-zeventig jaar – in de voorstad Saint-Germain, in de straat Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten ommuurd. De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags zijn deur gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware, anders dan des avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan zijn deur open. ’t Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van afzien. – „De dag is schelmachtig,” zeide hij, „en verdient niets dan gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen laten hun geest lichten als het luchtruim zijn sterren ontsteekt.” – En dus bleef hij voor ieder, zelfs voor den koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid van zijn tijd.




Achtste hoofdstuk.

Twee maken geen paar


Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben wij reeds gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In haar jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als karakter betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste wendde haar bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met bloemen, verzen en muziek bezig, kon zich met etherische geestvervoering in hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar kindsheid af aan het ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de oudste had haar droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken leverancier, een van domheid schitterend echtgenoot, een mensch geworden millioen, of wel een prefect; terwijl de receptiën in ’s prefects huis, de boden in de voorkamer met een keten om den hals, de officiëele bals, de aanspraken in de mairie en het denkbeeld: de vrouw van een prefect te zijn, in haar verbeelding dooreen dwarrelden. Beide zusters hadden alzoo ieder haar wenschen, toen zij jong waren. Beide hadden vleugelen: de eene als van een engel, de andere als van een gans.

Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. De jongere zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De oudste was niet getrouwd.

Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid was ’t voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit haar voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij ’t van een Engelsche dame zelfs gewonnen hebben. ’t Was de beschaamdheid tot het uiterste gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar één schrikkelijke herinnering; eens toch had een man haar kousenband gezien.

En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet, naarmate de vesting minder wordt bedreigd.

Toch liet zij zich – wie er in staat toe is verklare deze oude verborgenheid der onschuld – niet ongaarne door een officier der lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette.

In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de benaming van „preutsch”, welke wij haar gegeven hebben, toch volkomen toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van schemeringsziel. De preutschheid is half deugd, half ondeugd.

Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg op sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden, vereerde het „heilige bloed” en „het heilige hart”, kon uren lang aandachtig voor een kakelbont opgeschikt jezuïetisch altaar in een afzonderlijke, voor ’t geloovig gemeen gesloten kapel blijven liggen, en liet daar haar ziel omhoog stijgen naar marmeren wolkjes en groote vergulde houten stralen.

Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij zeer dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand het geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en de Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand.

Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest, hetgeen betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken, en had de tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid, waarvan zij de oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich de verbazing over een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend.

Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden, die elkander steunen.

Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand dat kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok toe. – „Hier, domoor, deugniet, kom nader! – Antwoord, schelm! – Zoo ge mij weder onder de oogen durft komen!” enz. enz. enz. Toch aanbad hij het kind.

Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden.




Boek III.

De grootvader en de kleinzoon





Eerste hoofdstuk.

Een voormalig salon


Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.

Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij mevrouw de barones de T… die in zijne buurt, in de straat Ferou, woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T… die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T… had welstaanshalve deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een „zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.

Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste vrouwen zelfs, geraakten er in verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:

		Renfoncez dans vos culottes
		Le bout d’ chemise qui vous pend.
		Qu’on n’ dis pas qu’ les patriotes
		Ont arboré l’ drapeau blanc![1 - Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.]

Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.

		Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,
		Il faut changer de sol et de serre et de case[2 - Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.]

Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.

Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den zin van het ça ira om en zong:

		Ah! ça ira! ça ira! ça ira!
		Les buonapartist’ à la lanterne!

Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts variatiën.

In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès „buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad.

Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T… twee weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer.”

Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.

In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. Hoewel? neen, omdat hij dit was. Du Barry, peet van la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een god was.

De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.

Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid „in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.

Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.

Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit goed. – „Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op zekeren dag vroeg men in zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van den Courier Français veroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand op[3 - Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen).], dat sus hier te veel was. Woorden als deze geven iemand vermaardheid.

Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons het Te Deum werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de Booze.”

Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem – „arme jongen” – wijl hij een „bandiet van de Loire” tot vader had.

Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek zijner familie genoemd had.




Tweede hoofdstuk.

Een der roode spoken van dien tijd


Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren, hoven, en zoo zij kleiner waren, bloemruikers konden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.

Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij was vindingrijk en Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van de Loire.

Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, den Moniteur en de bulletins van het groote leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in 1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, die met Joubert den Colde-Tende verdedigden. Joubert werd hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan de spuigaten volgeladen was.

In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9


 reg. dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische garde een bataljon van het 4e linieregiment in de pan hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, welke levend dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.

Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het kantonnement der Loire voort te sleepen.

De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan om zich kolonel baron Pontmercy te teekenen. Hij had slechts één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen dezer decoratie zou vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik u niet begrijp.” – Vervolgens ging hij acht dagen achtereen met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof als zijn keizer gemaakt.

Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal’s ziel in zich hadden. – Op zekeren ochtend toen hij den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn litteeken drage?”

Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.

Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te verbeiden en Austerlitz te gedenken.

Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met „zijn baronie” te spotten. Men was nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.

De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, langzamerhand in zich opnam, – slechts met schaamte en een beklemd hart aan zijn vader denken kon.

Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.

Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt Mabeuf, ontstaan.

Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.

Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de geheele geschiedenis bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; een ander verschil is er niet.

Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.




Derde hoofdstuk.

Requiescant


De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.

Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de markies de Sass… secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de markgraaf de Val… die onder het pseudoniem van „Charles Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf… die hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de markies de C… de E… de man die het best van geheel Frankrijk de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M… een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.

Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer Larose, zijn medearbeider aan la Foudre zeide: Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal, merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen, postulatore di Sancti, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C… T… Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later de eer zou hebben in den Conservateur naast Chateaubriand zijn artikels te teekenen. Mgr. de C… T… was aartsbisschop van Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef den markies de T… die minister van marine en van oorlog is geweest. De kardinaal de C… T… was een kleine, vroolijke grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op zomeravonden de M… straat doorgingen, waar het hôtel van Cl… T… gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, monseigneur Cottret, bisschop inpartibus van Carysta het: „Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de C… T… was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T… voorgesteld. Mgr. de Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T… waaraan vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib… de markies de Tal… de markies d’Herb… de vicomte Damb… en de hertog de Val… niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val… hoewel prins van Non… dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” Overigens – want in deze eeuw moet de revolutie wel overal zijn – gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.

Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige bekeerden toegelaten. De graaf Burg… werd er ontvangen om zich te beteren.

De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, bij toen vergeleken.

Vermits het gezelschap van mevrouw T… uitgelezen was, heerschte er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon begraven, nog leefde.

Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouw mevrouw de generaalse. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de kolonelse zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich mevrouw de kolonelse.

Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de koning” in den derden persoon en nooit „uwe majesteit” te zeggen, daar deze titel door den „overweldiger bezoedeld was.”

Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.

Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien ouderwetsch. De meesters werden er bediend door dienstboden, even verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.

Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne dienstboden.”

Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er ultra.

Ultra te zijn, – het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit verklaren.

Ultra zijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; ’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!

De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.

Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef; – niets gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst; – het was er een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, die over alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel den groote vergezelden en de kameraden van Napoleon verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!

Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.

Die salons hadden een eigen literatuur en politiek. Men geloofde er aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den tijdgeest deed.

Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige doctrinaires op, als een onrustbarend verschijnsel. Dezen waren koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der doctrinaires was, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid een afbrekend liberalisme tegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! Het revolutionaire Frankrijk heeft geen eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk bemind?”

Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.

In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.

Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.

Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid ontaarde.




Vierde hoofdstuk.

De bandiet sterft


Het einde van Marius’ klassieke studie viel samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T… en betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben gesproken.

In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.

„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen moet ge naar Vernon vertrekken.”

„Waarom?” vroeg Marius.

„Om uw vader te bezoeken.”

Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen verdriet, maar een last.

Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl hij hem anders niet verlaten en aan anderen overgegeven zou hebben. Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger naar hij dacht.

Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. Deze hernam:

„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien.”

En hij voegde er na eenig zwijgen bij:

„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, dat er haast bij is.”

Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.

Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader evenmin als baron of kolonel.

Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje in de hand opende de deur.

„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.

De vrouw bleef onbewegelijk.

„Ben ik terecht?” vroeg Marius.

De vrouw knikte bevestigend.

„Zou ik hem dan kunnen spreken?”

De vrouw schudde ontkennend het hoofd.

„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht mij.”

„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.

Toen zag hij, dat zij weende.

Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij trad binnen.

In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.

De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.

De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernon had de kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: „Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!” – Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.

Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.

De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.

Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.

Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was om het uitblijven van zijn zoon gestort.

Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en nu was gestorven, en hij bleef koel.

Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen doode gevoeld zou hebben.

Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.

Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast te houden.

Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste en verachtte hij zich zelven om die daad.

Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!

De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had er op geschreven:

„Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: „In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”

Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.

Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten verwilderden en verstierven.

Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen was hij vergeten.

Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.




Vijfde hoofdstuk.

Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen


Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op welks rug: de heer Mabeuf, kerkmeester geschilderd stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:

„Mijnheer, dit is mijn plaats.”

Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik nam.

Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:

„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u verklaring geven.”

„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.

„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie of Montpercy… Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!”

„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.

„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”

„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn vader.”

De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!”

Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:

„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”

„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en vermaak u.”

En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:

„Zeker een liefdesgeschiedenis.”




Zesde hoofdstuk.

Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet


Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.

Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzamelde Moniteurs.

Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn vader volkomen.

Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: „Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!” – Soms voegde de grijsaard er bij: – „Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te zijn.”

En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief te hebben.

Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen en aan te wijzen.

De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.

De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, Vergniaud, Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.

Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t geen volgen zal; gaan wij nu voort.

Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.

Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.

Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook die van Napoleon gevolgd.

Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.

Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers – van wat vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe – te voorschijn treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius’ geest had, nopens dezen man, – zooals men hem noemde – nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.

Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent Bonaparte als al het overige bedrogen had.

Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende trappen der geestvervoering.

Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren fonkelen; – ’t is een ontzettend grootsch gezicht!

Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/viktor-gugo/de-ellendigen-deel-3-van-5/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.




2


Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.




3


Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen).


