De Wonderen van den Antichrist
Selma Lagerlöf




Selma Lagerlöf

De Wonderen van den Antichrist



Als de Antichrist komt, zal hij volkomen op Christus gelijken.

Daar zal groote nood heerschen en de Antichrist zal van land tot land gaan en den armen brood geven.

En hij zal vele aanhangers verkrijgen.

    Siciliaansche Volkssage.






Inleiding



		Als de Antichrist komt, zal hij
		volkomen op Christus gelijken.







I.

Het visioen van den keizer


In den tijd, toen Augustus keizer in Rome was, en Herodes als koning over Jeruzalem heerschte, geschiedde het eenmaal dat een zeer stille en heilige nacht op de aarde neerdaalde. Het was de donkerste nacht, welken iemand ooit aanschouwd had; men zou geloofd kunnen hebben, dat de gansche aarde onder een keldergewelf geraakt was.

’t Was onmogelijk water van land te onderscheiden, en men verdwaalde op den meest bekenden weg. En dat kon niets anders zijn, want van den hemel kwam geen enkele lichtstraal.

Alle sterren waren thuis gebleven en de lieflijke maan hield haar aangezicht afgewend.

En even diep als de duisternis, was de stilte en de rust. De rivieren hadden haar loop gestaakt, de wind verroerde zich niet, en zelfs het espeblad had opgehouden te trillen. En waart ge langs de zee gegaan, dan hadt ge gezien, dat de golven niet meer tegen het strand sloegen, en waart ge in de woestijn gegaan, dan hadde het zand niet onder uwe voeten geknarst.

Alles was versteend en roerloos om den heiligen nacht niet te verstoren. ’t Gras mocht niet groeien, de dauw niet vallen, en de bloemen waagden het niet haar geuren uit te ademen.

Gedurende dezen nacht jaagde geen roofdier, noch beten de slangen of blaften de honden. En wat nog heerlijker was, geen enkel der levenlooze dingen zou de heiligheid van den nacht hebben willen verstoren door zich te leenen tot een slechte daad. Geen breekijzer hadde een slot kunnen openen en geen mes ware in staat geweest bloed te vergieten.

In dezen nacht verliet een kleine schaar menschen ’s keizers woning op den Palatijnschen heuvel te Rome, en sloeg den weg in over het Forum naar het Kapitool. Den vorigen dag hadden namelijk de raadsheeren den keizer gevraagd of hij er iets tegen had, dat zij hem een tempel oprichtten op Rome’s heiligen berg. Maar Augustus had niet dadelijk zijn bijval aan dit plan geschonken. Hij wist niet of het den goden welgevallig was, dat hij een tempel naast den hunne zou bezitten en hij had geantwoord dat hij eerst door een nachtelijk offer aan zijn genius hun wil in deze zaak wilde uitvorschen.

En hij was het, die nu, gevolgd door eenige getrouwen, dit offer ging brengen.

Augustus liet zich in zijn draagstoel voeren, want hij was oud en het beklimmen der hooge trappen van het Kapitool viel hem moeilijk. Zelf droeg hij de kooi met de duiven, die hij wilde offeren. Geen priesters, soldaten of raadsheeren vergezelden hem; slechts zijn naaste vrienden. Fakkeldragers liepen voor hem uit, als om een weg te banen in de duisternis van den nacht, en achter hem kwamen slaven, die het drievoetige altaar, de kolen, messen, het heilige vuur en al het andere droegen, dat voor het offeren noodig was.

Onderweg sprak de keizer vroolijk met zijn getrouwen, daardoor merkte geen van hen de oneindige stilte en rust van den nacht. Eerst toen zij op de kruin van den berg de plaats bereikt hadden, die bestemd was voor den nieuwen tempel, werd hun geopenbaard, dat iets ongewoons plaats greep.

Dit kon geen nacht, zooals alle andere zijn, want daar boven op de rotskruin zagen ze de wonderbaarlijkste gestalte. Ze dachten eerst, dat het een oude vergroeide olijfboom was, later geloofden zij, dat een oeroud steenen beeld uit den tempel van Jupiter op de rots verdwaald was. Ten slotte meenden ze, dat het niemand anders kon zijn dan de oude sibylle.

Iets zoo ouds, zoo verweerds, zoo reusachtigs hadden ze nog nooit gezien. Indien de keizer er niet geweest was, zouden ze allen naar huis gevlucht zijn.

„Dat is zij,” fluisterden ze, „die zoo vele jaren telt als er zandkorrels gevonden worden op de kusten van haar vaderland. Waarom is zij juist vannacht uit haar hol gekomen? Wat voorspelt zij den keizer en het rijk, zij, die haar profetieën op de blaren der boomen schrijft en weet, dat de wind het orakelwoord tot dengene voert, die het noodig heeft?”

Ze waren zoo ontsteld, dat zij zich allen op de knieën geworpen zouden hebben met het voorhoofd tegen den grond, indien de sibylle slechts één beweging gemaakt had. Maar ze zat zoo onbeweeglijk alsof ze levenloos was. Ze zat neergehurkt op den uitersten rand van de rotshelling, en beschutte haar oogen met de hand, terwijl zij in den duisteren nacht tuurde.

Ze zat daar, alsof ze den berg beklommen had om beter iets te zien dat ergens ver weg geschiedde.

Zij kon dus iets zien, zij! In zulk een nacht!

Op hetzelfde oogenblik bemerkten de keizer en allen van zijn gevolg hoe diep de duisternis was. Geen van hen kon een handbreed voor zich uitzien. En welk een stilte! welk een rust!

Zelfs niet het doffe murmelen van den Tiber konden zij hooren.

Maar ’t was alsof de lucht hen wilde verstikken, het koude zweet parelde hun op het voorhoofd en hun handen waren verstijfd en machteloos. Zij dachten dat er iets ontzettends moest gebeuren.

Geen van hen wilde echter toonen, dat hij bang was, maar ze zeiden tegen den keizer, dat het een goed voorteeken was: de heele natuur hield den adem in om een nieuwen god te begroeten.

Ze spoorden den keizer aan zich te haasten met het offeren en zeiden, dat de oude sibylle waarschijnlijk uit haar hol was gestegen om zijn genius te begroeten.

Maar de waarheid was, dat de oude sybille geboeid was door een visioen. Zij wist niet eens, dat Augustus op het Kapitool gekomen was. In den geest vertoefde zij in een ver land, en daar meende zij over een groote vlakte te schrijden. In de duisternis stiet ze onophoudelijk met den voet tegen iets, dat ze dacht, dat aardheuveltjes waren.

Zij boog zich voorover en voelde met de hand. Neen, het waren geen aardheuveltjes maar schapen. Ze schreed tusschen groote, slapende kudden. Nu bemerkte zij het vuur der herders. Dat brandde midden op het veld, zij trachtte het te naderen. De herders sliepen bij het vuur en naast hen lagen de lange, spitse herdersstaven, waarmee ze de kudden tegen de wilde dieren plachten te beschermen.

Maar die kleine dieren met hun glinsterende oogen en groote staarten, die naar het vuur slopen, waren dat geen jakhalzen?

En toch wierpen de herders hun staf niet naar hen, de honden bleven doorslapen, de kudde vluchtte niet weg en de wilde dieren vlijden zich naast de menschen neder.

Dat zag de sibylle, maar zij wist niets van hetgeen achter haar op den berg plaats greep. Ze wist niet, dat men daar een altaar oprichtte, kolen deed gloeien, wierook verspreidde, en dat de keizer één der beide duiven uit de kooi nam om haar te offeren.

Maar zijn handen waren zoo krachteloos, dat hij den vogel niet kon vasthouden. Met een enkelen slag van den vleugel bevrijdde de duif zich en verdween in de duisternis van den nacht.

Toen dit geschiedde, blikten de hovelingen achterdochtig naar de oude sibylle. Ze geloofden dat zij het was, die het ongeluk veroorzaakte.

Konden zij weten, dat de sibylle nog steeds bij het herdersvuur dacht te staan, terwijl zij luisterde naar een zwak geluid, dat in den doodstillen nacht begon te trillen?

Zij luisterde lang daarna, vóórdat zij bemerkte, dat het niet van de aarde, maar uit de wolken kwam. Eindelijk hief zij het hoofd op en toen zag zij lichte stralende gestalten in de duisternis voortglijden.

Het waren kleine engelenscharen, die lieflijk zingend en als zoekende, heen en weer vlogen over de groote vlakte. En terwijl de sibylle naar den engelenzang luisterde, maakte de keizer zich gereed tot een nieuw offer. Hij waschte zijn handen, reinigde het altaar en liet zich de tweede duif aanreiken, maar ofschoon hij nu zijn uiterste krachten inspande om deze vast te houden, gleed het slanke lichaam der duif uit zijn hand, en de vogel verdween in den ondoordringbaren nacht.

De keizer werd bevreesd. Hij viel op de knieën voor het leege altaar en bad tot zijn genius. Hij smeekte zijn beschermgeest hem de kracht te verleenen om de ongelukken af te wenden, die deze nacht scheen te voorspellen.

Ook daarvan had de sibylle niets gemerkt. Ze luisterde met heel haar ziel naar den engelenzang die al sterker en sterker werd. Op het laatst was deze zoo luid, dat de herders ontwaakten. Ze leunden op hun ellebogen en zagen lichte scharen zilverwitte engelen in lange fladderende lijnen, trekvogels gelijk, in de duisternis voortzweven.

Sommigen hadden luiten en violen in de hand, anderen speelden op citers en harpen, en hun gezang klonk zoo blijde als kindergelach en zoo jubelend als het lied van den leeuwerik. Toen de herders dit hoorden, togen ze opwaarts om naar de bergstad te gaan, waar ze thuis behoorden, om het wonder te verhalen.

Zij gingen langs een smal, slingerend paadje en de oude sibylle volgde hen. Opeens werd het helder licht boven den berg. Een groote, stralende ster schitterde juist daarboven, en de stad op den bergtop blonk als zilver in het licht der ster.

Alle zwevende engelenscharen spoedden zich jubelend daarheen en de herders verhaastten hun schreden, zoo dat zij bijna sprongen. Toen ze de stad bereikt hadden, zagen ze, dat de engelen zich boven een lagen stal in de nabijheid van de stadspoort verzameld hadden. Het was een ellendig huis met een dak van stroo en de naakte rots tot muur.

Daarboven straalde de ster en daar verzamelden zich al meer en meer engelen. Sommigen lieten zich neder op het stroodak of streken neer op de steile berghelling achter het huis, anderen bleven met fladderende vleugels daarboven zweven.

Hoog, hoog was de lucht licht van flikkerende vleugels.

Op hetzelfde oogenblik, dat de ster boven de bergstad ontstoken werd, ontwaakte de gansche natuur, de mannen die op de hoogte van het Kapitool stonden, moesten dat wel merken. Ze voelden hoe frissche, streelende winden het luchtruim doorzweefden, heerlijke geuren stegen op uit de aarde, de boomen ruischten, de Tiber begon te murmelen, de sterren straalden en de maan stond opeens hoog aan den hemel en verlichtte de wereld. En uit de wolken kwamen de twee duiven aangevlogen en namen plaats op den schouder van den keizer.

Toen dit wonder geschiedde, richtte keizer Augustus zich op in trotsche vreugde, maar zijn vrienden en slaven wierpen zich op hun knieën. „Ave Cesar,” riepen zij. „Uw genius heeft u geantwoord. Gij zijt de god, die op de hoogte van het Kapitool moet worden aangebeden.”

En de hulde, die de geestdriftige mannen den keizer toejubelden, was zoo luidruchtig, dat de oude sibylle het hoorde. Dit deed haar uit haar visioenen ontwaken. Ze verliet haar plaats op de rotshelling en begaf zich tusschen de menschen. ’t Was alsof een donkere wolk uit den afgrond opsteeg en neerstortte op de hoogte. Zij was vreeselijk om aan te zien in haar ouderdom. Ruig haar hing in dunne vlokken rondom haar hoofd, de gewrichten der ledematen waren gezwollen en de donkere huid omkleedde het lichaam, hard als boomschors, met rimpel naast rimpel. Maar geweldig en waardig schreed ze den keizer tegemoet.

Met de eene hand greep zij hem bij de pols, met de andere wees ze naar het verre Oosten.

„Zie,” beval zij hem, en de keizer hief zijn blik op naar den hemel en zag. Het luchtruim opende zich voor zijn blikken en deze drongen door tot het verre Oosterland. En hij zag een armoedigen stal onder een steilen rotswand en in de geopende deur eenige knielende herders. In den stal zag hij een jonge moeder gekield liggen voor een klein kind, dat op een stroobos op den grond lag.

En de groote, knokige vingers der sibylle wezen naar dat arme kind.

„Ave Cesar,” zei de sibylle, terwijl zij hoonend lachte. „Daar is de god, die op de hoogte van het Kapitool zal worden aangebeden.”

Toen deinsde Augustus terug als voor een waanzinnige. Maar de machtige geest der profetie werd vaardig over haar, de oogen begonnen te branden, haar handen wezen hemelwaarts, haar stem veranderde, zoo dat die niet meer de hare scheen te zijn, maar zulk een klank en kracht bezat, dat die over de gansche wereld gehoord kon worden. En zij sprak woorden, die ze in den hemel tusschen de sterren, scheen te lezen:

„Op de hoogte van het Kapitool zal de wereldverlosser worden aangebeden, Christus of Antichrist, maar geen sterflijke menschen.”

Toen ze dit gezegd had, schreed ze tusschen de door schrik bevangen mannen, daalde langzaam van den berg en verdween.

Maar Augustus liet den volgenden dag het volk streng verbieden hem een tempel op het Kapitool op te richten.

In plaats daarvan liet hij een kapel voor het pasgeboren Godskind bouwen en noemde dat het altaar des hemels, Aracoeli.




II.

Rome’s heilig kind


Op den heuvel van het Kapitool verhief zich een klooster dat bewoond werd door Franciscaner monniken. Maar men kon het nauwelijks als een klooster beschouwen, veeleer als een vesting. Het was gelijk een wachttoren aan de zeekust, waar men naar een naderenden vijand tuurt en staart.

Naast het klooster stond de prachtige basiliek Santa Maria in Aracoeli. De basiliek was gebouwd als herinnering aan het bezoek der sibylle, die keizer Augustus hier Christus had doen aanschouwen.

Maar het klooster was opgericht, omdat men vreesde voor de vervulling van de profetie der sibylle, dat de Antichrist op het Kapitool zou worden aangebeden.

En de monniken voelden zich als krijgers. Als ze naar de kerk gingen om te zingen en te bidden, meenden zij op vestingwallen te loopen en wolken van pijlen neer te zenden op den aanstormenden Antichrist.

Ze leefden altijd denkende aan den Antichrist, en hun gansche godsdienst was één strijd om hem ver van het Kapitool te houden.

Ze trokken hun hoeden diep in het gelaat, om hun oogen te beschutten, en tuurden in de wereld.

Hun blikken werden koortsachtig van het staren, en voortdurend meenden ze den Antichrist te ontdekken.

„Hij is hier, hij is daar,” riepen ze. En ze fladderden in hun bruine pijen rond en maakten zich gereed tot den strijd, gelijk kraaien, die op een rotspunt verzameld zijn en een adelaar in het gezicht krijgen.

Maar sommigen zeiden: Wat baten gebeden en boetedoeningen? De sibylle heeft het gezegd. De Antichrist moet komen.

Toen zeiden anderen: God kan een wonder verrichten. Indien het kampen niet baatte, zou Hij ons niet hebben laten waarschuwen door de sibylle.

Jaar na jaar verdedigden de Franciscanen het Kapitool door boetedoening, werken van barmhartigheid en de verkondiging van Gods woord.

Zij beschermden het eeuw na eeuw, maar naarmate de tijden verstreken, werden de menschen krachteloozer en zwakker.

De monniken zeiden:

„Spoedig kan het rijk van dezen tijd niet langer bestaan. Er moet een wereldherschepper komen zooals ten tijde van Augustus.”

Ze rukten hun haren uit en geeselden zich, want ze wisten, dat de wereldverlosser de Antichrist moest zijn, en dat het een rijk van geweld en kracht zou worden.

Gelijk zieken door hun kwalen gepijnigd worden, zoo werden zij gekweld door de gedachte aan den Antichrist. En zij zagen hem voor zich. Hij was even rijk als Christus arm, even slecht als Christus goed, even geëerd als Christus vernederd was. Hij voerde scherpe wapens en reed aan de spits van bloeddorstige woestelingen. Hij wierp kerken omver, vermoordde priesters en wapende de menschen tot den strijd, zóó dat broeder tegen broeder worstelde en de eene mensch den anderen vreesde en nergens vrede te vinden was.

En telkens als een mensch van geweld en kracht zijn weg over de zee der tijden nam, werd er van den wachttoren op het Kapitool geroepen: „De Antichrist, de Antichrist!”

En voor elken geweldenaar, die verdween en ten onder ging, riepen de monniken hosanna en zongen ze een Te-Deum.

En ze zeiden: „Het is door de kracht onzer gebeden, dat de slechten vielen, vóórdat ze het Kapitool konden bereiken.”

Het was een harde straf voor het schoone klooster, dat zijn monniken nooit rust konden vinden. Hun nachten waren nog zwaarder dan hun dagen. Dan zagen ze hoe wilde dieren hun cellen binnendrongen en zich naast hun brits uitstrekten. En elk wild dier was de Antichrist. Maar sommige monniken zagen hem als een draak, en andere als een griffioen, en weer andere als een sfinx. En als ze uit hun droomen ontwaakten, waren ze mat als na een zware ziekte.

De eenige troost, dien deze arme monniken bezaten, was het wonderdoende Christusbeeld, dat in de basiliek te Aracoeli bewaard werd. Wanneer een monnik tot vertwijfeling gedreven was, ging hij naar de kerk om daar troost te zoeken. Hij liep dan de geheele basiliek door naar een afgesloten kapel naast het hoofdaltaar. Daarin ontstak hij gewijde waskaarsen en deed een gebed, vóórdat hij de altaarkast opende, die deuren van ijzer met dubbele sloten had. En hij lag op zijn knieën, zoo lang hij het beeld aanschouwde.

Het beeld stelde een klein kind voor, het had een gouden kroon op het hoofd, gouden schoentjes aan de voeten, en zijn kleertjes schitterden van sieraden, die het beeld geschonken waren door lijdenden, die het hadden aangeroepen om hulp. En de wanden der kapel waren bedekt met schilderijen, die deden zien hoe velen het uit brand- en zeegevaar gered had, hoe het zieken genezen en ongelukkigen geholpen had. En als de monnik dit zag, jubelde hij en zei tot zich zelf:

„God zij geprezen! Nog is het Christus, die op het Kapitool wordt aangebeden.”

De monnik merkte op, hoe het beeld in mystieke, zelfbewuste macht tegen hem glimlachte en zijn geest verhief zich tot de heilige sferen der vertroosting. „Wat kan U doen neerstorten, Gij machtige?” zei hij. „Wie kan U doen vallen? Voor U buigt de eeuwige stad haar knieën. Gij zijt Rome’s heilig kind. Gij zijt de gekroonde, dien het volk aanbidt. Gij zijt de machtige, die hulp, troost en kracht verleent. Gij alleen zult op het Kapitool worden aangebeden.”

Hij zag hoe de kroon van het beeld veranderde in een aureool, die stralen over de gansche aarde zond. En in welke richting hij ook den loop der stralen volgde, overal zag hij hoe de wereld vol kerken was, waar Christus werd aangebeden. Het was alsof een machtige heerscher hem al de vestingen en burchten getoond had, die zijn rijk beschermden.

„Het is zeker, dat Gij niet kunt vallen,” zei de monnik. „Uw rijk moet blijven bestaan.”

En elke monnik, die het beeld zag, genoot een paar uur van vertroosting en vrede, totdat de vrees zich opnieuw van hem meester maakte. Maar indien zij dit beeld niet bezeten hadden, zouden hun zielen geen oogenblik rust gevonden hebben.

Zoo hadden Aracoeli’s monniken zich onder gebed en strijd door de tijden geworsteld, en nooit had het aan wachters ontbroken, want zoodra een van hen uitgeput was door angst, haastten anderen zich zijn plaats in te nemen.

En ofschoon de meesten, die in het klooster gingen, door waanzin of een te vroegen dood getroffen werden, nooit slonk de rij der monniken, want het werd als een groote eer beschouwd te Aracoeli voor God te strijden.

Zoo gebeurde het, dat deze strijd nog vóór zestig jaar in vollen gang was, en wegens de verdorvenheid der tijden streden de monniken met grooter ijver dan ooit en verwachtten den Antichrist zoo stellig als nooit te voren.

In dien tijd kwam er een rijke Engelsche vrouw te Rome. Ze ging naar Aracoeli en zag het beeld, en zij was daardoor zóó getroffen, dat ze dacht niet te kunnen leven, indien het niet in haar bezit kwam. Zij ging telkens terug naar Aracoeli om het beeld te zien en ten slotte smeekte zij de monniken het van hen te mogen koopen.

Maar indien ze den ganschen mozaïekvloer in de groote basiliek met gouden munten bedekt had, dan nog hadden de monniken haar dit beeld, dat hun eenige troost was, niet willen afstaan.

Doch de Engelsche was in die mate in vervoering over het beeld, dat zij zonder dit vreugde noch vrede kon vinden.

En daar ze op geen andere wijze haar verlangen kon bevredigen, besloot ze het beeld te stelen.

Zij dacht niet aan de zonde, die ze beging, maar voelde slechts een onweerstaanbaren drang en brandenden dorst en liever wilde zij haar ziel wagen dan haar hart het geluk weigeren het vurig begeerde beeld te bezitten. En om haar doel te bereiken, liet ze een beeld vervaardigen, dat volkomen gelijk was aan dat te Aracoeli.

’t Beeld van Aracoeli is van olijvenhout uit Getsemane’s olijvenberg gesneden, maar de Engelsche waagde het een beeld van olmhout te laten snijden, dat volkomen daarop geleek.

’t Beeld te Aracoeli is niet door menschenhanden beschilderd.

Toen de monnik, die het sneed, penseel en verf genomen had, sluimerde hij in over zijn arbeid. En toen hij ontwaakte, was het beeld geschilderd. Het had zich zelf voltooid, als teeken, dat God het beminde. Maar de Engelsche was zoo vermetel een aardschen schilder haar houten beeld zóó te laten schilderen, dat het volkomen gelijk aan het heilige beeld werd.

Het nagemaakte beeld kocht ze een kroon en schoentjes, maar die waren niet van goud; het was slechts zink en verguldsel. Ze bestelde sieraden, ze kocht ringen en halskettingen, armbanden en juweelen sterren – maar dat alles was van koper en glas – en zij kleedde het, zooals de hulpzoekenden het ware en echte beeld gekleed hadden.

Toen het beeld klaar was, nam ze een naald en grifte in de kroon: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

’t Was alsof ze vreesde, dat ze zelf niet meer beeld van beeld kon onderscheiden. En ’t was alsof ze haar geweten had willen geruststellen. „Ik heb immers niet een valsch Christusbeeld willen maken. Ik heb toch in zijn kroon geschreven: Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

Daarop wierp zij een wijden mantel om, verborg het beeld daaronder en ging naar Aracoeli. Daar verzocht ze, haar devotie te mogen doen vóór het Christusbeeld.

Toen zij nu stond in het heiligdom, en de kaarsen aangestoken, de ijzeren deuren geopend waren, en het beeld zich aan haar blikken vertoonde, begon ze te trillen en te beven en ’t scheen alsof ze bezwijmen zou.

De monnik, die haar vergezelde, haastte zich naar de sacristij om water te halen en zij bleef alleen in de kapel.

En toen hij terugkwam, had zij de heiligschennis gepleegd.

Zij had het heilige, wonderdoende beeld genomen en het valsche en machtelooze daarvoor in de plaats gezet.

De monnik bemerkte niets van den ruil. Hij sloot het valsche beeld achter ijzeren deuren met dubbele sloten en de Engelsche ging huiswaarts met Aracoeli’s schat. Zij plaatste het in haar paleis op een voetstuk van marmer en was zoo gelukkig als ze nog nimmer geweest was.

In Aracoeli, waar men niets wist van de schade, die men geleden had, aanbad men het onechte Christusbeeld gelijk men het echte had aangebeden. En toen het Kerstfeest aanbrak, bouwde men het, zooals gebruikelijk was, een der schoonste grotten in de kerk.

Daar lag hij stralend als een edelgesteente, in Maria’s schoot en rondom hem stonden herders, engelen en wijze mannen. En zoo lang de grot daar was, kwamen er kinderen van Rome en van de Campagne en werden in een kleinen preekstoel in Aracoeli’s basiliek geheven. Dan predikten ze de lieflijkheid, zoetheid, macht en heiligheid van het kleine Christuskind.

Maar de Engelsche leefde in grooten angst, dat iemand ontdekken zou, dat zij Aracoeli’s Christusbeeld gestolen had. Daarom bekende zij voor niemand, dat het beeld hetwelk zij bezat, het echte was.

„Dit is een nagemaakt beeld,” zei ze, „het is zoo gelijk aan het echte als het slechts zijn kan, maar het is nagemaakt.”

Nu had zij een klein Italiaansch meisje in haar dienst. Op een dag toen deze door het vertrek ging, bleef ze voor het beeld staan en sprak:

„Gij, arm Christuskind, dat eigenlijk geen Christuskind zijt, indien gij wist hoe het ware kind in al zijn heerlijkheid in de grot te Aracoeli ligt, en hoe Maria en San Giuseppe en de herders voor hem geknield liggen! En indien ge slechts wist hoe de kinderen op een kleinen preekstoel tegenover hem staan, en hoe ze buigen, en hem kushandjes toewerpen en hoe ze prediken voor hem, zoo schoon als zij slechts kunnen!”

Eenige dagen later kwam het kleine dienstmeisje weer en sprak tot het beeld:

„Arm Christuskind, gij, die geen Christus zijt, weet gij, dat ik vandaag in Aracoeli geweest ben en gezien heb hoe het ware kind in processie rondgedragen werd? Ze hielden een troonhemel boven hem, en alle menschen zonken voor hem op de knieën, en zongen en speelden voor hem.

„Nooit zult gij zoo iets heerlijks beleven!”

En hoor nu, wat het dienstmeisje voor de derde maal tot het beeld sprak:

„Weet gij, Christuskind, dat geen echt Christuskind zijt, dat het beter voor u is te staan, waar gij staat? Want het ware kind wordt bij de zieken geroepen, en het rijdt in zijn gouden wagen daar heen, maar het kan hen niet helpen, en ze sterven in vertwijfeling. En men begint te zeggen, dat het heilige kind van Aracoeli de kracht om goed te doen verloren heeft, en dat gebeden en tranen hem niet meer roeren. Het is beter voor u, dat ge staat waar ge staat, dan dat ge aangeroepen wordt en niet kunt helpen.”

Maar den volgenden nacht geschiedde er een wonder. Tegen middernacht werd er hevig aan de kloosterpoort te Aracoeli geluid. En toen de poortwachter zich niet genoeg haastte om te openen, werd er op de poort geklopt. Dat kloppen klonk zoo luid alsof het met klinkend metaal geschiedde, en het werd door het gansche klooster gehoord. Alle monniken rezen tegelijk op van hun bedden. Allen die gepijnigd werden door vreeselijke droomen, vlogen plotseling op en dachten, dat de Antichrist gekomen was.

Maar toen men de poort opende – toen men de poort opende!

Het was het kleine Christusbeeld, dat op den drempel stond. ’t Was zijn kleine hand die aan het klokketouw getrokken had, het was zijn kleine goudgeschoeide voet, die tegen de poort geschopt had.

De poortwachter nam het heilige kind haastig in zijn armen. Toen zag hij, dat het tranen in de oogen had.

Ach, het arme heilige kind had in den nacht door de stad geloopen! Wat had het niet moeten zien!

Zoo veel armoede en zoo veel ellende en zoo veel ondeugd en zoo veel misdaden! Het was verschrikkelijk te denken wat het al niet had moeten ondervinden!

De poortwachter ging naar den prior en toonde hem het beeld. En zij waren verbaasd dat het ’s nachts buiten was gekomen.

Maar de prior liet de kerkklok luiden en den monniken tot een godsdienstoefening bijeenroepen. En al de monniken van Aracoeli trokken naar de groote schemerachtige basiliek om in alle plechtigheid het beeld weer op zijn plaats te zetten.

Uitgeput en lijdend liepen ze te rillen in hun zware duffel monnikspijen. Velen van hen weenden alsof ze aan een levensgevaar ontsnapt waren.

„Hoe zou het ons gegaan zijn,” zeiden ze, „indien onze eenige troost van ons was genomen? Is het niet de Antichrist, die Rome’s heilig kind uit het beschermende heiligdom gelokt heeft?”

Maar toen ze het Christusbeeld in de altaarkast wilden plaatsen, vonden ze daarin het valsche kind, dat op zijn kroon het inschrift droeg: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

En nu ze het beeld nader onderzochten, vonden ze het inschrift.

Toen wendde de prior zich tot de monniken en sprak tot hen:

„Broeders, we zullen een Te-Deum zingen, de zuilen onzer kerk met zijde omwinden en alle waskaarsen en lampen aansteken en we zullen een groot feest vieren.

„Zoo lang het klooster bestaan heeft, is het een huis van vervloeking geweest, maar om den wille van al het lijden dergenen, die hier geleefd hebben, heeft God genade geschonken. En nu is alle gevaar geweken.

„God heeft den strijd met zege bekroond en wat gij gezien hebt, is het teeken, dat de Antichrist niet op het Kapitool zal worden aangebeden.

„Want opdat de woorden der sibylle niet onvervuld zouden blijven, heeft God dit valsche beeld van Christus gezonden, dat de woorden van den Antichrist in zijn kroon voert, en Hij heeft het ons laten aanbidden en vereeren, alsof hij de groote Zaligmaker ware.

„Maar nu kunnen wij vol vreugde en blijdschap rusten, want de duistere profetie der sibylle is vervuld, en de Antichrist is hier aangebeden.

„Groot is God, de Almachtige, die den verterenden angst van ons nam en Zijn wil geschieden liet, zonder dat de wereld het valsche beeld van Gods Zoon behoefde te aanschouwen.

„Gelukkig is Aracoeli’s klooster, dat in Gods genade staat, Zijn wil volvoert en gezegend is door Zijn oneindige genade.”

Toen de prior dit gezegd had, nam hij het valsche beeld in zijn handen, schreed de kerk door en opende de groote hoofddeur. Daar trad hij op het terras. Beneden hem lag de hooge, breede trap met honderd negentien marmeren treden, die van het Kapitool als naar een afgrond leidt. En hij hief het beeld boven zijn hoofd en riep luid: „Anatema Antichristo” en slingerde het beeld van de hoogte van ’t Kapitool naar beneden in de wereld.




III.

Op de barricade


Toen de rijke Engelsche ’s morgens ontwaakte, miste zij het beeld en wist niet waar zij het moest zoeken. Zij geloofde dat niemand anders dan Aracoeli’s monniken het weggenomen konden hebben. En haastig ging ze naar het Kapitool om het daar te zoeken. Zoo kwam ze bij de groote marmeren trap, die naar Aracoeli’s basiliek voert. En haar hart klopte onstuimig van vreugde, want op de onderste trede lag hetgeen zij zocht.

Zij greep het beeld, verborg het onder haar mantel en spoedde zich huiswaarts. En weer plaatste zij het in haar feestzaal.

Maar toen zij zich nu verdiepte in zijn schoonheid, zag ze, dat er een deuk in de kroon gekomen was.

Zij nam die in haar hand om te zien zien hoe groot de schade was en in hetzelfde oogenblik vielen haar oogen op het inschrift dat ze zelf gegrift had:

„Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

Toen wist zij, dat dit het valsche Christusbeeld was en dat het echte weer in Aracoeli’s kapel stond.

Zij wanhoopte dit ooit weer in haar bezit te krijgen en zij besloot den volgenden dag uit Rome te vertrekken, want ze wilde daar niet langer blijven, nu zij het beeld niet meer bezat. Maar toen zij vertrok, nam zij het valsche beeld mede, omdat het haar herinnerde aan het andere, dat zij beminde; en het vergezelde haar later op al haar reizen.

Zij vond nergens rust, maar reisde voortdurend, en op deze wijze werd het beeld over de gansche wereld gevoerd. En overal waar het beeld kwam, was het alsof Christus’ macht verminderde, zonder dat iemand recht begreep wat de oorzaak daarvan was. Want niets zag er machteloozer uit dan dit armzalige beeld van olmhout, dat versierd was met koperen ringen en glazen kralen.

Toen de rijke Engelsche, die eerst het beeld bezeten had, dood was, kwam het in het bezit van een andere rijke Engelsche, die ook voortdurend reisde, en na deze in handen van een derde.

Eens, het was nog in den tijd der eerste Engelsche, kwam het beeld in Parijs.

Toen het de groote stad binnenreed, was daar oproer. Volksmenigten trokken luid schreeuwend door de straten en riepen om brood. Ze plunderden de winkels en wierpen steenen naar de paleizen der rijken. Gewapende macht trok tegen hen op, toen rukten ze de straatsteenen uit, stapelden wagens en huisraad opeen en versperden de straten met barricades.

Toen nu de rijke Engelsche de stad binnenreed in haar grooten reiswagen, stormde het volk daarop los, dwong haar uit te stappen en sleepte den wagen naar één der barricades.

Terwijl men trachtte deze te stapelen op de duizenden voorwerpen, die de barricade vormden, viel één der grootste koffers op den grond. Het slot sprong open en onder het vele dat uit den koffer rolde, was ook het verworpen Christusbeeld.

’t Volk stortte zich daarop, om het plunderen, maar men ontdekte spoedig dat al zijn sieraden valsch en geheel waardeloos waren, en men begon het beeld te bespotten en te hoonen. Het ging van hand tot hand onder de oproerlingen, totdat één van hen zich bukte om de kroon te bekijken. Zijn blik viel op de woorden, die daarin gegrift waren: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

De man riep dit luide en allen schreeuwden, dat het kleine beeld hun veldteeken zou zijn. Ze plaatsten het op den top der barricade en plantten het daar als een banier.

Onder degenen, die de barricade verdedigden, was een man, die geen arme arbeider, maar een geleerde was, die zijn gansche leven in de studeerkamer had doorgebracht. Hij kende al de ellende, waaronder de menschen gebukt gaan, en zijn hart was vervuld van medelijden; voortdurend zocht hij naar een middel om hun lot te verbeteren.

Gedurende dertig jaar had hij geschreven en gepeinsd, zonder hulp te vinden. Toen hij nu de stormklok hoorde luiden, volgde hij deze roepstem en snelde de straat op. Hij had een wapen gegrepen en was de oproerlingen gevolgd in de meening, dat het raadsel, hetwelk hij niet vermocht op te helderen, opgelost kon worden door geweld en macht en dat de armen zich door strijd een beter lot konden verwerven. Daar stond hij nu den ganschen dag te strijden, de menschen sneuvelden rondom hem, bloed spatte hem in het gelaat, en de ellende van het leven scheen hem grooter en jammerlijker dan ooit.

Maar zoo dikwijls de kruitdamp optrok, schitterde in zijn oogen het kleine beeld dat gedurende al het krijgstumult onbeweeglijk hoog boven op de barricade stond. En iederen keer, dat hij het beeld zag, werd hij getroffen door de woorden: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

Ten slotte kwam het hem voor, dat deze woorden zich zelf in de lucht schreven, en voor zijn oogen begonnen te zweven, nu in vuur, dan in rook of in bloed.

Hij werd stil, hij stond daar met het geweer in de hand, en staakte den strijd. Plotseling wist hij, dat dit de woorden waren, waarnaar hij zijn leven lang gezocht had. Nu wist hij wat hij den menschen moest zeggen, en dit armzalige beeld was het, dat hem de oplossing gegeven had.

Hij zou de gansche wereld doortrekken om te verkondigen „Uw rijk is slechts van deze wereld.” Daarom moet gij trachten dit leven gelukkig te maken en als broeders leven. En ge zult uw rijkdommen deelen opdat niemand rijk en niemand arm zij. Ge zult allen arbeiden, en de aarde zal het eigendom van allen zijn en ge zult allen gelijk worden. Niemand zal honger lijden, niemand zal in overdaad leven en niemand zal op zijn ouden dag gebrek lijden. En ge zult streven naar het geluk van allen, want er is geen hiernamaals, dat u wacht.

Dit alles voer hem door het hoofd, terwijl hij daar op de barricade stond, en toen de gedachte hem helder was, legde hij de wapens neder en hief die niet weder op tot strijd en bloedvergieting.

Spoedig daarop werd de barricade opnieuw bestormd en genomen. De troepen trokken zegevierend voorwaarts en dempten het oproer; en vóórdat de avond viel, heerschte er vrede en orde in de groote stad.

Toen zond de Engelsche eenige dienaren uit om haar verloren eigendommen te zoeken, en ze vonden verschillende zaken, zoo niet alles. ’t Eerst zagen ze op de bestormde barricade den verworpeling van Aracoeli.

Maar de man, die gedurende den strijd van het beeld geleerd had, begon der wereld een nieuwe leer te verkondigen, die socialisme genoemd wordt, maar het Antichristendom is.

En die leer bemint, verzaakt, leert en strijdt als het Christendom, zoodat die volkomen op deze gelijkt, evenals het valsche beeld van Aracoeli volkomen gelijkt op het echte Christusbeeld. En evenals het valsche beeld zegt zij: „Mijn rijk is slechts van deze wereld.”

Maar terwijl het beeld, dat deze leer verspreid heeft, onopgemerkt is en onbekend, is de leer bekend en gaat over de gansche wereld om die te verlossen en te herscheppen.

Van dag tot dag wint zij veld. Zij gaat door alle landen en draagt velerlei namen en ze is zoo verleidelijk, omdat ze allen aardsch geluk en genot belooft, en ze lokt meer aanhangers dan welke leer ook, die over de wereld is gegaan sedert Christus’ tijd.




Eerste deel



		„Daar zal groote nood heerschen.”







I.

De Mongibello


Omstreeks 1870 woonde er in Palermo een arme knaap, die Gaetano Alagona heette. Dat was een geluk voor hem! Ware hij niet een der oude Alagona’s geweest, dan zou men hem misschien hebben laten verhongeren. Hij was immers slechts een kind, en had geld noch ouders. Maar nu hadden de jezuïeten van Santa Maria in Gesu hem uit barmhartigheid in de kloosterschool opgenomen.

Op een dag, terwijl hij in zijn lessen verdiept was, kwam een pater hem uit de school roepen, omdat een bloedverwante hem wilde spreken.

Wat, een bloedverwante! Hij had altijd gehoord, dat zijn geheele familie overleden was. Maar pater Jozef beweerde, dat er familie van hem, een signora in levenden lijve was, die hem uit het klooster wilde nemen.

Het werd al erger en erger. Wilde zij hem uit het klooster nemen? Daar zou ze toch zeker de macht niet toe hebben!

Hij zou immers monnik worden.

Hij wilde de signora in het geheel niet zien. Kon pater Jozef haar niet zeggen, dat Gaetano het klooster nooit zou verlaten, en dat het haar niets baatte hem dat te vragen?

Neen, pater Jozef zei, dat het niet ging haar te laten vertrekken, zonder dat zij hem gezien had, en hij sleepte Gaetano half naar de ontvangkamer.

Daar stond ze bij een der vensters. Heur haar was grauw, haar gelaatstint bruin en haar oogen waren zwart en rond als paarlen. Zij droeg een kanten sluier op het hoofd, en haar zwarte kleederen waren glad van het dragen, en een weinig vaal, zooals pater Jozefs alleroudste kaftan.

Ze maakte het teeken des kruises, toen zij Gaetano zag.

„God zij geloofd, hij is een echte Alagona!” riep zij en kuste hem de hand.

Zij zei, dat het haar leed deed, dat hij twaalf jaar oud was geworden, zonder dat één zijner familieleden naar hem gevraagd had. Maar zij had niet geweten, dat er nog iemand van den anderen tak in leven was. Hoe zij dat nu opeens was te weten gekomen? Ja, Luca had zijn naam in de courant gelezen. Die had gestaan bij degenen, die een prijs gekregen hadden. Dat was nu een half jaar geleden, maar het was een verre reis naar Palermo. Zij had moeten sparen en sparen om het reisgeld bijeen te krijgen. Ze had niet eerder kunnen komen. Maar hierheen gaan om hem te zien, dat moest ze. Santissima Madre, zij was zoo blij geweest!

Zij was het, donna Elisa, die Alagona heette. Haar overleden man was een Antonelli geweest. Er bestond nog één Alagona, dat was haar broeder. Hij woonde ook in Diamante. Maar Gaetano wist zeker niet waar Diamante lag?

De knaap schudde met het hoofd. Neen dat kon ze wel denken, ze lachte.

„Diamante ligt op den Monte Chiaro. Weet je waar de Monte Chiaro ligt?”

„Neen.”

Zij trok haar wenkbrauwen op en zag er heel schalks uit. „De Monte Chiaro ligt op den Etna, indien je weet waar de Etna ligt?”

Dat klonk zoo aarzelend alsof het al te veel verlangd was, dat Gaetano iets van den Etna zou weten. En zij lachten alle drie, zij, zoowel als pater Jozef en Gaetano. Ze werd een heel ander mensch, nadat zij hen aan het lachen gebracht had.

„Wil je met mij meegaan om Diamante, den Etna en den Monte Chiaro te zien?” vroeg ze vlug.

„Den Etna moet je zien. Dat is de grootste berg op de geheele wereld. De Etna is een koning en de bergen rondom hem liggen op hun knieën en wagen het niet hun blikken te verheffen naar zijn aangezicht.” Toen begon zij al het mogelijke van den Etna te vertellen.

Ze dacht zeker, dat dit hem zou kunnen lokken.

En ’t was werkelijk waar, dat Gaetano er nooit over nagedacht had, wat de Etna eigenlijk voor een berg was. Hij had niet geweten, dat hij sneeuw op zijn kruin had, eikenloof in den baard, en wijnranken om het middel en dat hij tot over de knieën in oranjebosschen trapte. En langs den berg stroomden groote, breede zwarte rivieren. Die waren heel merkwaardig, ze vloeiden zonder te murmelen, zij golfden zonder wind, de slechtste zwemmer kon er zonder een brug over komen.

Gaetano raadde, dat zij lavastroomen bedoelde. En zij was zoo blij, dat hij dit had kunnen raden. Hij had dus verstand. Hij was een echte Alagona.

En dat de Etna zoo groot was! Denk eens aan, dat men drie dagen noodig heeft om er omheen, en drie dagen om naar den top en weer naar beneden te rijden.

En dat er behalve Diamante nog vijftig steden en veertien groote bosschen en twee honderd kleine bergen op den Etna gevonden werden, die toch ook nog zoo klein niet waren, ofschoon de berg zoo groot was, dat deze niet meer in het oog vielen dan een zwerm vliegen op een kerkdak. En dat er grotten waren, die een geheel krijgsheer konden bevatten; en holle oude boomen, waaronder een groote kudde schapen beschutting kon vinden bij onweer.

Alles wat merkwaardig was scheen op den Etna gevonden te worden. Daar waren rivieren, waarvoor men zich in acht moest nemen, ’t water daarin was zoo koud, dat men zou sterven, indien men daarvan dronk. Andere stroomen waren er, die alleen overdag vloeiden en weer andere, die alleen gedurende den winter stroomden, sommige verborgen zich bijna voortdurend diep onder den grond. En er waren warme bronnen, leemvulkanen en zwavelgroeven. – En ’t zou jammer voor Gaetano zijn, indien hij den Etna nooit zag want de berg was zoo grootsch.

Hij verhief zich ten hemel als een praaltent. Hij was veelkleurig als een caroussel. Gaetano zou hem ’s morgens en ’s avonds willen zien, als hij rood was, en hij zou hem ’s nachts willen zien als hij wit getint was. En dan zou Gaetano zeker ook willen weten of het waar was, dat hij alle kleuren kon aannemen, of hij blauw, zwart, bruin en violet kon worden? En of hij een schoonheidssluier droeg als een signora? Of hij gelijk een tafel was, bedekt met pluche kleeden? Of hij een tunica van gouddraad en een mantel van pauweveeren droeg? Hij zou zeker ook gaarne willen weten of het waar was, dat de oude koning Arthur daar in een grot zat? Donna Elisa zei, dat het zeer zeker was, dat hij nog op den Etna woonde, want eens, toen de bisschop van Catania over den berg reed, sprongen drie zijner muilezels weg, en de jongen die ze zocht vond ze in de grot bij koning Arthur. De koning verzocht den knaap, den bisschop te willen zeggen, dat zoodra zijn wonden geheeld waren, hij met zijn ridders van de ronde tafel zou komen, om het onrecht dat op Sicilië was tot recht te maken.

En degene die oogen bezat om te zien, die wist wel, dat koning Arthur nog niet uit zijn grot was gekomen.

Gaetano wilde zich niet door haar laten lokken, maar hij dacht, dat hij toch wel een weinig vriendelijk tegen haar kon zijn. Zij stond nog, maar nu zette hij een stoel voor haar neer. Zij moest echter niet denken, dat dit was, omdat hij met haar mee wilde gaan. Hij vond het werkelijk heerlijk haar van heur berg te hooren vertellen. ’t Was zoo grappig, dat die zooveel kunsten kende. Hij geleek in het geheel niet op den Monte Pellegrino bij Palermo die slechts stond waar hij stond.

De Etna kon rooken als een schoorsteen, en licht verspreiden als een gaslantaarn. Hij kon rollen en rommelen, lava spuwen, met steenen werpen, asch zaaien, weer voorspellen en regen verzamelen.

Wanneer de Mongibello zich slechts verroerde, viel stad na stad omver alsof de huizen kaarten waren, die op den rand opgesteld waren.

Mongibello, dat was ook een naam van den Etna. Hij werd Mongibello genoemd, omdat dit beteekende: berg der bergen. Hij verdiende nog eens, zoo te heeten.

Gaetano zag, dat donna Elisa bepaald geloofde, dat hij haar niet zou kunnen weerstaan. Zij had zooveel rimpels in haar gezicht, en toen zij lachte, liepen die gelijk een net in elkaar.

Hij moest daarnaar kijken. Het zag er zoo merkwaardig uit, maar nog was hij niet in dat net gevangen.

Ze was verlangend te weten of Gaetano werkelijk den moed zou hebben om op den Etna te komen. Want diep in den berg lagen veel geboeide reuzen en er was een zwart slot, dat bewaakt werd door een hond met vele koppen. Er werd ook een groote smidse in gevonden en een kreupelen smid met slechts één oog, dat hem midden in het voorhoofd zat.

En ’t ergst van alles was, dat diep in den berg een zwavelzee was die kookte als een olieketel, en daarin lag Lucifer en alle verdoemden.

Neen, hij zou wel geen moed hebben daar te komen, zei ze. Anders bestond er geen gevaar om er te wonen, omdat de berg God vreesde. Donna Elisa zei, dat de Mongibello vele heiligen bezat, maar bovenal Santa Agatha van Catania.

En indien de Cataniënsers altijd tegen hem waren, zooals ze moesten, dan kon geen aardbeving of lavastroom hen deren.

Gaetano stond heel dicht bij haar en lachte om alles wat zij zeide. Hoe was hij daar gekomen en waarom kon hij niet nalaten te lachen? Het was een merkwaardige signora!

Plotseling zei hij om haar niet te bedriegen:

„Donna Elisa, ik wil monnik worden.” – „Zoo, werkelijk?” zei ze. Toen vervolgde zij, zonder verder acht te slaan op zijn gezegde, haar verhaal van den berg. Zij zei, dat hij nu goed moest luisteren, nu kwam ze aan het allergewichtigste. Hij moest haar volgen naar de Zuidzijde van den berg, zoo ver naar beneden, dat ze dicht bij de groote vlakte van Catania waren en daar zou hij een dal zien, een heel groot, breed en cirkelvormig dal. Maar het was volkomen zwart, lavastroomen vloeiden van alle kanten daarin. En er waren slechts steenen, geen enkele grashalm!

Wat had Gaetano nu wel van de lava gedacht? Donna Elisa vermoedde, dat hij meende, dat de lava zoo vlak en glad langs den Etna stroomde, als die op straat ligt. Maar in den Etna was zooveel tooverij. Kon hij begrijpen, dat alle slangen en draken en heksen, die in de kokende lava lagen, er mee uitstroomden, wanneer er een uitbarsting was? Daar lagen ze en krioelden en slingerden om elkaar heen en trachtten op den kouden grond te komen maar hielden elkaar terug in de ellende, totdat de lava rondom hen stolde. En los konden ze niet meer komen!

Neen, nooit!

De lava was ook niet zoo onvruchtbaar, als hij dacht.

Ofschoon geen gras daarop groeide, was daar nog wel iets anders op te vinden. Maar hij zou nooit kunnen raden, wat het was. Dat strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën en op het hoofd en op de ellebogen. Het was binnen en buiten het dal, het had slechts stekels en knobbels, en het had een mantel van spinnewebben, en poeder op zijn pruik en leden zoo vele als een worm.

Kon dat iets anders zijn dan de cactus?

Wist hij dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij, dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen?

Nu keek zij naar pater Jozef en trok een vroolijk gezicht. De cactus was de beste toovenaar, die op den Etna woonde; maar toovenaar blijft toovenaar.

De cactus was een Saraceen, want hij hield het met slavinnen.

Het was werkelijk waar, want zoodra de cactus ergens wortel geschoten had, wilde hij den amandelboom bij zich hebben.

De amandelboom is een schoone, stralende signorina. Ze waagt zich nauwelijks op den zwarten bodem, maar dat helpt haar niet. Er op zal en moet ze!

O, Gaetano zou het zien als hij daar kwam.

Als in de lente de amandelboomen wit van bloemen staan op het zwarte veld te midden van de grauwe cactussen, zijn ze zoo onschuldig en schoon, dat men over hen kon weenen als over geroofde prinsessen.

Nu zou hij eindelijk hooren, waar de Monte Chiaro lag. Die schoot op uit den bodem van dat zwarte dal. Ze beproefde haar parapluie op den grond te laten staan. Zóó stond de Monte Chiaro, hij stond rechtop. En nooit had hij aan zitten of liggen gedacht.

En even zwart als het dal, even groen was de Monte Chiaro. Daar stond palm naast palm, wijnstok naast wijnstok. Het was een heer in een groot-bloemigen slaaprok. Het was een koning met een kroon op het hoofd. Het droeg geheel Diamante in het haar geslingerd.

Na een tijdje voelde Gaetano zoo’n grooten lust om Donna Elisa’s hand te grijpen. Zou dat kunnen? Ja, het ging. Hij trok haar hand naar zich toe als een geroofden schat. Maar wat zou hij daarmee doen? Streelen? Indien hij het heel zachtjes probeerde met één vinger, misschien zou zij het dan niet merken? Misschien zou ze het niets eens merken, als hij haar hand kuste?

Ze sprak en sprak maar steeds door. Neen, ze merkte het in het geheel niet.

Er was nog zooveel, dat ze wilde vertellen.

En zoo iets grappigs als haar geschiedenis van Diamante!

Ze zei, dat de stad in het dal gelegen had. Toen kwam de lava en gloeide vuurrood over den rand van het dal. Hoe, was de dag des oordeels aangebroken? De stad nam in allerijl haar huizen op den nek, op het hoofd en onder den arm, en sprong tegen den Monte Chiaro op, die juist bij de hand lag.

Op tegen den berg in zag-zaglijn sprong de stad. Toen ze hoog genoeg gekomen was, wierp ze een stadspoort en een heel kleinen stadsmuur naar beneden. Sedert sprong ze in een spiraal rond en wierp met huizen. De hutten der arme menschen mochten juist neerrollen, waar ze wilden of konden. Daarvoor had men geen tijd. Men kon niets beters verlangen dan gedrang en nauwe en bochtige straten. Neen, dat kon men werkelijk niet. Groote straten liepen spiraalvormig rondom den berg, juist zooals de stad gesprongen was, en hier had ze een kerk heengeworpen en daar een paleis. Maar zooveel regelmaat was er toch geweest dat het beste het hoogst kwam te liggen.

Toen de stad den bergtop bereikte, had ze een marktplein aangelegd, en daarop het raadhuis, de domkerk en het oude palazzo Geraci gezet.

Maar indien hij, Gaetano Alagona, haar naar Diamante wilde volgen, dan zou ze hem meenemen naar het marktplein op den bergtop en hem wijzen waar de grondbezittingen der oude Alagona’s op den Etna en op de vlakte van Catania gelegen hadden en welke hun burchten op de bergen rondom geweest waren.

Want daarboven op den berg kon men dat alles zien en nog veel meer. De gansche zee zag men daar.

Gaetano had er niet aan gedacht, dat ze lang gesproken had, maar pater Jozef werd zeer ongeduldig.

„Nu zijn we immers aan uw eigen huis gekomen, donna Elisa,” zei hij heel vriendelijk.

Maar zij verzekerde pater Jozef, dat er bij haar niets bizonders was te zien. Wat ze Gaetano ’t allereerst wilde wijzen, was het groote huis aan de corso, dat het zomerpaleis genoemd werd.

Dat was niet zoo schoon als het palazzo Geraci, maar het was groot en toen de oude Alagona’s in hun bloeitijd waren, woonden ze des zomers daarin, om dichter bij de sneeuw van den Etna te zijn.

Ja, zooals zij gezegd had, van buiten was er niets bizonders aan te zien, maar het had een heerlijk park en open booggangen langs beide zijvleugels. En op het dak was een terras, dat was bevloerd met witte en blauwe tegelsteenen, en in iederen steen was het wapen der Alagona’s gebrand.

Dat zou hij toch zeker willen zien?

Het viel Gaetano in, dat donna Elisa zeker wel gewoon was, dat kinderen op haar schoot zaten, als zij thuis was. Misschien zou zij het niet merken, wanneer hij op haar schoot klauterde? En hij beproefde het. Ja, het was zoo. Zij was het gewoon. Zij merkte er in ’t geheel niets van. Zij vertelde maar door van het paleis. Daarin was een groote praalwoning, waar de oude Alagona’s gedanst en gespeeld hadden. Er was een groote zaal met een muziekgalerij, daar waren oude meubels en uurwerken, in kleine witte albasten tempels, die op een voetstuk van zwart ebbenhout stonden. In de praalwoning woonde niemand, maar zij zou er met hem heengaan.

Misschien had hij gedacht, dat zij in het zomerpaleis woonde?

O, neen, daar woonde haar broer, don Ferrante. Hij was koopman en had zijn winkel beneden en daar hij nog geen signora bezat, bleef alles boven staan, zooals het stond.

Gaetano vroeg zich af of hij nog op haar schoot kon blijven zitten. ’t Was wonderlijk, dat zij niets merkte. En het was een geluk, anders zou ze geloofd hebben, dat hij het plan om monnik te worden uit zijn hoofd had gezet.

Maar ze was juist nu meer dan ooit met zich zelf bezig.

Een zacht rood kleurde haar bruine wangen en ze trok een paar malen haar wenkbrauwen allergrappigst in de hoogte. Toen begon zij te vertellen, hoe zij het zelf had.

Het scheen wel, alsof donna Elisa in het allerkleinste huis van de stad woonde. Het lag juist tegenover het zomerpaleis, maar dat was ook de eenige verdienste ervan. Zij had een kleinen winkel, waar zij medaillons en waskaarsen en alles verkocht, wat bij den godsdienst behoorde. Maar met allen eerbied voor pater Jozef, zulk een handel gaf niet veel winst in deze tijden, hoe het dan ook vroeger geweest mocht zijn. Achter den winkel was een kleine werkplaats.

Daar had haar man gestaan om heiligenbeelden en rozenkransen te snijden, want hij was artist, signor Antonelli.

En naast de werkplaats waren een paar kleine muizegaten, men kon er zich niet in wenden, men moest er op de hurken in zitten, zooals in de gevangenissen der oude koningen en een trap op, dan waren er een paar kleine kippenhokken. In een daarvan had ze wat stroo voor een nestje gelegd en een paar stokken geplaatst. Daar zou Gaetano slapen als hij bij haar wilde komen.

Gaetano dacht, dat hij gaarne haar wang wilde streelen.

Zij zou zoo bedroefd zijn, als hij niet met haar meeging. Zou hij het wagen haar te streelen?

Hij keek tersluiks naar pater Jozef.

Deze zat stil naar den grond te staren, en zuchtte, gelijk hij gewoonlijk deed.

Hij dacht niet aan Gaetano, en zij, zij merkte het in het geheel niet.

Zij vertelde dat zij een dienstmeisje had, dat Pacifica, en een knecht, die Luca heette.

Maar ze had van beiden weinig hulp, want Pacifica was oud en sedert zij doof was geworden, was zij zoo prikkelbaar, dat zij haar niet in den winkel kon laten helpen.

En Luca, die eigenlijk beeldsnijder was en heiligenbeelden maken moest, had nooit tijd om in de werkplaats te zijn, maar hij was altijd in den tuin te vinden, waar hij de bloemen verzorgde.

Ja, ze hadden ook een tuin op den rotsgrond van den Monte Chiaro. Maar Gaetano moest niet denken dat daarin iets bizonders groeide. Bij haar was niets zooals in het klooster, dat kon hij toch wel begrijpen.

Maar zij wilde hem zoo gaarne meenemen, omdat hij een der oude Alagona’s was. En thuis hadden zij, Luca en Pacifica tegen elkaar gezegd:

„Wij vragen niet of wij meer zorg krijgen; als wij hem maar hier hebben.”

Neen, dat wist de Madonna, dat ze dat niet deden.

Het was nu slechts de vraag, of hij wat wilde ontberen, om bij hen te zijn.

En nu had zij haar verhaal geëindigd en pater Jozef vroeg wat Gaetano dacht te antwoorden. Het was de wil van den prior, zei pater Jozef, dat Gaetano zelf zou beslissen.

En men had er niets tegen, dat hij in de wereld ging, omdat hij de laatste van zijn geslacht was.

Gaetano gleed zacht van donna Elisa’s schoot.

Maar antwoorden! Het was niet zoo gemakkelijk te antwoorden.

Het was heel moeilijk neen te zeggen tegen deze signora.

Pater Jozef kwam hem te hulp.

„Vraag de signora, of je over een paar uur antwoorden moogt, Gaetano.”

„De knaap heeft nooit anders gedacht dan monnik te worden,” zei hij verklarend tot donna Elisa.

Zij stond op, nam haar parapluie en beproefde er vroolijk uit te zien, maar ze had tranen in de oogen.

„Zeker, zeker moest hij zich bedenken,” zei zij.

„Maar indien hij Diamante kende, dan zou hij dat niet noodig hebben. Nu woonden daar slechts boeren, maar eens leefden daar een bisschop en vele priesters en een groote menigte monniken.

„Wel waren dezen nu weg, maar daarom niet vergeten. Want sedert dien tijd was Diamante een heilige stad. Daar werden meer feestdagen gevierd dan ergens anders; en er waren zeer vele heiligen en nog heden ten dage kwamen daar een menigte pelgrims. En hij, die in Diamante woonde, hij kon God nooit vergeten. Hij was bijna zelf een priester. Dus wat dat betreft, kon hij gerust daar heengaan.

„Maar Gaetano moest zich bedenken, indien hij dat wilde. Zij zou morgen terugkomen.”

Gaetano gedroeg zich al heel slecht. Hij wendde zich van haar af en ijlde naar de deur. Hij zei geen woord, dat hij dankbaar was voor haar bezoek. Hij wist dat pater Jozef dit van hem verwacht had, maar hij kon niet.

Hij dacht aan den grooten Mongibello, dien hij nooit te zien zou krijgen en aan donna Elisa, die nooit weer terug zou komen, en aan de school en aan den door hooge muren omgeven kloostertuin en aan een geheel leven als van een gevangene. Neen, pater Jozef mocht van hem verwachten, wat hij wilde, Gaetano moest vluchten.

En het was hoog tijd. Toen Gaetano tien stappen van de deur was, brak hij in tranen uit. ’t Was zoo hard voor donna Elisa. O! dat zij nu genoodzaakt was alleen naar huis te gaan! Dat Gaetano niet met haar kon vertrekken!

Hij hoorde, dat pater Jozef er aankwam en hij drukte zijn gelaat tegen den muur. Kon hij dat snikken slechts laten! Pater Jozef zuchtte en prevelde gebeden, zooals hij gewoonlijk deed. Toen hij bij Gaetano kwam, bleef hij staan en zuchtte dieper dan ooit.

„Dat is de Mongibello, de Mongibello,” zei pater Jozef, „niemand kan den Mongibello weerstaan.”

Gaetano antwoordde hem door nog heftiger te schreien.

„’t Is de berg, die hem lokt,” mompelde pater Jozef. „De Mongibello is gelijk aan de gansche aarde, daarop worden alle planten en luchtstreken, alle schoonheid, alle betoovering, alle wonderen der geheele wereld gevonden. De gansche aarde komt opeens om hem te lokken.”

Gaetano voelde, dat pater Jozef de waarheid sprak. ’t Was alsof de aarde krachtige armen uitstrekte om hem te vangen. Hij voelde, dat hij zich aan den muur moest vastklemmen om niet weggerukt te worden.

„’t Is beter, dat hij de wereld te zien krijgt,” zei pater Jozef. „Hij zou slechts naar haar verlangen, indien hij in het klooster bleef. Als hij de aarde te zien krijgt, zal hij misschien eens terugverlangen naar den hemel.”

Gaetano begreep nog niet wat de pater meende, toen hij zich voelde optillen door pater Jozefs armen en terugdragen naar de ontvangkamer, waar hij op donna Elisa’s schoot werd gezet.

„Gij moet hem nemen, donna Elisa, want gij hebt hem gewonnen,” zei pater Jozef. „Gij moet hem den Mongibello laten zien en trachten of gij hem behouden kunt.”

Maar toen Gaetano opnieuw op donna Elisa’s schoot zat, voelde hij zich zoo gelukkig, dat het hem onmogelijk was nog eens van haar te vluchten. Hij was zoo gevangen, alsof hij in den Mongibello zat en de bergwanden zich achter hem gesloten hadden.




II.

Fra Gaetano


Een maand had Gaetano bij donna Elisa gewoond en hij was zoo gelukkig geweest als een kind slechts zijn kan. Alleen te reizen met donna Elisa, was geweest als te rijden in een wagen, bespannen met gazellen en paradijsvogels, maar bij haar te wonen was gedragen te worden op een gouden stoel met zilveren zonneschermen.

Toen kwam de beroemde Franciscaner, pater Gondo, in Diamante en donna Elisa en Gaetano gingen naar de markt om hem te hooren. Want pater Gondo preekte nooit in de kerk, maar verzamelde altijd de menschen om zich heen op een marktplein of bij een stadspoort.

De geheele markt was zwart van menschen, maar Gaetano, die op de leuning van de raadhuistrap zat, kon pater Gondo, die op den rand van de bron stond, duidelijk onderscheiden. Hij dacht er telkens aan of het waar kon zijn, dat de monnik onder zijn pij een haren boetekleed droeg en of het koord, dat hij om het middel had, vol knoopen en ijzeren stekels was om hem tot geesel te kunnen dienen.

Wat pater Gondo sprak, kon Gaetano niet verstaan, maar de eene rilling na de andere ging hem door de leden bij de gedachte, dat hij nu een heilige zag.

Toen de pater ongeveer een uur gesproken had, maakte hij met de hand een teeken, dat hij een oogenblik wilde rusten. En hij daalde neer van den bronrand, ging zitten en steunde zijn gelaat met beide handen. Terwijl de monnik zoo zat, hoorde Gaetano een dof geruisch. Dat had hij vroeger nooit gehoord. Hij keek om zich heen om te zien wat het was. En het was het geheele volk, dat tegelijk sprak.

„Gezegend! gezegend! gezegend!” zeiden allen als uit één mond. De meesten fluisterden slechts, of prevelden, niemand sprak luid, daarvoor was de eerbied te groot.

En allen hadden tegelijk hetzelfde woord gevonden.

„Gezegend! gezegend!” klonk het over de geheele markt. „Gezegend zijn uwe lippen! Gezegend uwe tong! Gezegend uw hart!”

De stemmen klonken dof, als verstikt door tranen en ontroering, maar toch was het alsof een storm door de lucht voer.

Het was gelijk het ruischen van duizenden zeeschelpen. Dit greep Gaetano veel meer aan dan de preek van den monnik.

Hij wist niet wat hij wilde doen, want dit zachte prevelen vervulde hem met aandoening, tot het hem werd, alsof hij stikken zou.

Hij klemde zich aan de leuning vast, verhief zich boven alle anderen en begon hetzelfde als zij te roepen, maar veel luider, zoodat zijn stem boven alle andere uitklonk.

Donna Elisa hoorde dit en het scheen haar te mishagen. Zij trok Gaetano naar beneden en wilde niet langer blijven, maar ging met hem naar huis.

Maar midden in den nacht stond Gaetano op van zijn bed.

Hij trok zijn kleeren aan, bond alles wat hij bezat in een bundeltje, zette zijn hoed op het hoofd en nam zijn schoenen onder den arm. Hij wilde wegloopen.

Hij kon het niet uithouden bij donna Elisa. Sedert hij pater Gondo gehoord had, waren Diamante en de Mongibello niets meer voor hem. Alles beteekende niets dan te zijn zooals pater Gondo en gezegend te worden door de menschen.

Gaetano zou niet kunnen leven indien hij nooit bij de bron zou zitten om legenden te vertellen.

Maar als Gaetano niets anders deed dan wandelen in donna Elisa’s tuin en perziken en mandarijnen eten, zou hij nooit de machtige menschenzee om zich hooren bruisen. Hij moest de wereld ingaan en heremiet op den Etna worden, hij moest in een der groote grotten wonen en leven van wortelen en vruchten. Hij zou nooit een mensch zien of spreken, nooit zou hij zijn haar knippen en hij zou gekleed gaan in vuile lompen.

Maar na tien of twintig jaar zou hij terugkomen in de wereld, dan zou hij er uitzien als een dier en spreken als een engel.

Dat zou heel iets anders zijn dan te wandelen in een fluweelen buis met een zijden hoed, zooals hij nu deed. Dat zou heel iets anders zijn dan in den winkel bij donna Elisa te zitten en heilige na heilige van de planken te halen en haar te hooren vertellen wat zij gedaan hadden.

Verscheidene malen had hij een mes genomen en een stuk hout en beproefd een heiligenbeeld te snijden. Dat was heel moeielijk, maar het zou nog veel moeielijker zijn zich zelf tot een heilige te maken, veel moeielijker! Maar hij was niet bang voor moeilijkheden en beproevingen.

Hij sloop uit zijn kamertje over den zolder naar de zoldertrap. Toen moest hij nog slechts door den winkel gaan om op straat te komen, maar op de laatste trede der trap bleef hij staan. Er drong een zwakke lichtschijn door een spleet van de deur, links van de trap.

Dat was de deur van donna Elisa’s kamer en Gaetano waagde het niet verder te gaan, nu er in zijn pleegmoeders kamer nog licht brandde. Als zij niet sliep, zou zij hem hooren, wanneer hij de zware grendels van de winkeldeur wegschoof. Hij ging stil zitten op een trede der trap om te wachten.

Plotseling viel het hem in, dat donna Elisa zoo laat in den nacht moest zitten werken om hem eten en kleeren te verschaffen. Hij was diep getroffen, dat ze hem zoo liefhad, dat zij dit voor hem wilde doen.

En hij begreep hoe bedroefd zij zou zijn, als hij wegliep. Toen hij daaraan dacht, schreide hij. Maar tegelijk begon hij in gedachte donna Elisa te berispen. Hoe kon zij toch zoo dom zijn te treuren omdat hij wegliep? Het zou zulk een groote vreugde voor haar zijn, wanneer hij een heilige werd. Dat zou haar loon zijn, omdat zij naar Palermo was gekomen om hem te halen.

Zelf schreide hij al heftiger, terwijl hij op deze wijze donna Elisa trachtte te troosten. ’t Was zoo jammer voor haar, dat zij niet begreep, welk loon haar wachtte.

Zij behoefde in het geheel niet zoo bedroefd te zijn. Slechts tien jaar zou Gaetano op den berg leven, dan zou hij terugkomen als de beroemde heremiet fra Gaetano.

Dan zou hij door de straten van Diamante loopen, gevolgd door een groote menigte menschen, evenals pater Gondo nu. En boven de straten zouden vlaggen wapperen en de huizen zouden versierd zijn met kleurige doeken, dekens en kransen.

Dan zou hij stilstaan voor den winkel van donna Elisa en zij zou hem niet herkennen, maar op het punt staan voor hem te knielen. Dat zou echter niet gebeuren, maar hij zou op de knieën vallen voor donna Elisa, en haar smeeken hem te vergeven, omdat hij tien jaar geleden van haar weggeloopen was.

„Gaetano,” zou donna Elisa dan antwoorden, „gij geeft mij een zee van vreugde voor een beekje van verdriet. Zou ik u dan niet vergeven?”

Gaetano zag dit alles voor zich en het was zoo schoon, dat hij al heftiger begon te schreien. Hij was slechts bang, dat donna Elisa zou hooren hoe hij snikte, en dat ze uit haar kamer komen en hem vinden zou.

En dan zou ze hem niet laten gaan.

Hij moest haar tot rede brengen. Zou hij haar ooit tot grooter vreugde kunnen worden, dan indien hij nu van haar ging? En ’t was niet alleen donna Elisa, maar Luca en Pacifica, die zoo gelukkig zouden zijn, wanneer hij terugkwam als een heilig man.

Zij zouden hem allen volgen naar de markt. Daar zouden nog meer vlaggen zijn dan op straat en Gaetano zou op de trap van het raadhuis spreken. Maar uit alle straten en steegjes zouden de menschen toestroomen.

Dan zou Gaetano zóó spreken, dat allen op de knieën zouden vallen en roepen: „Zegen ons! fra Gaetano, zegen ons!”

En hij zou Diamante niet meer verlaten, maar onder de groote trap voor donna Elisa’s winkel blijven wonen. En ze zouden tot hem komen met alle zieken; en de bedroefden van harte zouden een bedevaart naar hem doen.

Als de Sindaco van Diamante voorbijging, zou hij Gaetano de hand kussen.

Donna Elisa zou het beeld van fra Gaetano in haar winkel verkoopen.

En Giannita, donna Elisa’s peetdochter, zou voor Gaetano buigen en hem nooit meer een dommen kleinen monnik noemen. En donna Elisa zou zoo gelukkig zijn.

O!.. Gaetano sprong op en ontwaakte. ’t Was klaarlichte dag en donna Elisa en Pacifica stonden naar hem te kijken. En Gaetano zat op de trap met zijn schoenen onder den arm, den hoed op het hoofd en zijn bundeltje aan de voeten.

Donna Elisa en Pacifica schreiden. „Hij wilde wegloopen van ons,” zeiden ze.

„Waarom zit je daar, Gaetano?”

„Donna Elisa, ik wilde wegloopen.”

Gaetano was vroolijk te moede en antwoordde zoo onbeschroomd, alsof het de natuurlijkste zaak ter wereld was.

„Wilde jij wegloopen?” riep donna Elisa.

„Ja, ik wilde naar den Etna gaan om heremiet te worden.”

„En waarom zit je dan hier?”

„Dat weet ik niet, donna Elisa, ik moet geslapen hebben.”

Donna Elisa toonde nu hoe bedroefd zij was.

Ze drukte de handen tegen heur hart alsof zij vreeselijke smarten leed en schreide bitter.

„Maar nu zal ik bij u blijven, donna Elisa,” zei Gaetano.

„Gij blijven!” riep donna Elisa uit. „Ge moogt gerust gaan. Zie hem aan, Pacifica, zoo ziet een ondankbare er uit! Hij is geen Alagona. Hij is een avonturier.”

’t Bloed steeg Gaetano naar het gelaat, hij stond op en maakte een gebaar met de hand, dat donna Elisa verbaasd deed staan. Zoo hadden al de mannen van haar geslacht zich gedragen. Haar vader en haar grootvader, zij herkende daaraan al de trotsche heeren van Alagona’s stam.

„Ge spreekt zoo, omdat ge niets weet, donna Elisa,” zei de knaap. „Neen, neen, ge weet niets, ge weet niet waarom ik God moet dienen. Maar nu zult gij het weten. Ziet ge, het is lange jaren geleden. Vader en moeder waren zoo arm en we hadden niets te eten en toen ging vader weg om werk te zoeken en hij kwam nooit terug. Moeder en wij kinderen waren op het punt te verhongeren. Toen zei moeder: „Wij zullen vader gaan zoeken!” En wij gingen. Het werd avond, het regende hevig en op enkele plaatsen stroomde er een heele rivier over den weg.

„Moeder vroeg in een huis of wij daar mochten overnachten. Neen, ze joegen ons weg. Moeder en wij stonden op den weg te schreien. Toen bond moeder haar kleeren op en waagde zich in den stroom die over den weg bruiste. Zij had klein zusje op den arm en groote zus bij de hand, en een zwaar pak op het hoofd. Ik volgde haar zoo vlug ik slechts kon. Ik zag hoe moeder struikelde. De bundel dien zij op het hoofd droeg, viel in den stroom, moeder greep er naar en verloor klein zusje. Zij greep naar klein zusje en toen werd groote zus door den stroom meegesleurd. Moeder trachtte haar beiden te grijpen, maar ook zij werd door het water meegesleept. Ik werd bang en sprong aan land. Pater Jozef heeft mij gezegd, dat ik gespaard bleef, opdat ik God voor de dooden zou kunnen dienen en bidden. En dat was de reden, dat ik eerst monnik zou worden, en dat ik nu naar den Etna wilde gaan om heremiet te worden.

„Want, donna Elisa, ik moet God dienen.”

Donna Elisa gaf zich nu gewonnen.

„Ja, ja, Gaetano,” zei zij, „maar het doet mij zoo’n verdriet. Ik kan niet verdragen dat je van mij weggaat.”

„Neen, maar ik ga ook niet weg,” zei Gaetano. Hij was zoo vroolijk, dat hij lust gevoelde te lachen.

„Ik zal niet weggaan.”

„Zal ik met den pastoor spreken, dat je op een seminarium kunt komen?” vroeg donna Elisa ootmoedig.

„Neen maar, dat ge niets begrijpt, donna Elisa, dat ge niets begrijpt! Ik zeg u immers, dat ik niet van u wil gaan. Ik heb iets anders gedacht.”

„Wat hebt ge bedacht?” vroeg zij treurig.

„Wat gelooft ge dat ik gedaan heb, terwijl ik daar op de trap zat, donna Elisa? Ik droomde. Ik droomde, dat ik weg wilde loopen. Ja, donna Elisa, ik stond in den winkel en wilde de deur openen, maar kon niet omdat er zooveel grendels voor waren. Ik stond in de duisternis en schoof grendel na grendel weg, maar steeds waren er weer nieuwe. Ik maakte een vervaarlijk leven en dacht: Nu hoort donna Elisa me stellig.

„Eindelijk was de deur open en ik wilde de straat op ijlen, toen ik een hand in mijn nek voelde, en gij mij naar binnen trokt. Ik schopte en schopte en ik sloeg u, omdat ik niet mocht gaan. Maar donna Elisa, ge droegt een lantaarn, en toen zag ik dat gij het niet waart, maar moeder.

„Toen durfde ik niet langer tegenstribbelen, ik werd zoo bang, want moeder is immers dood. Maar zij nam den bundel, dien ik droeg, en maakte hem los.

„Moeder lachte en zag er verheugd uit, en ik was gelukkig, omdat zij niet boos op mij was.

„Het was zoo vreemd. Hetgeen zij uit den bundel haalde, waren al de kleine heiligenbeeldjes die ik gesneden heb, terwijl ik in den winkel zat en die waren zoo mooi.

„Kan je nu zulke mooie beelden snijden, Gaetano?” vroeg moeder.

„Ja,” antwoordde ik.

„Dan kan je God daarmee dienen,” zei moeder.

„Behoef ik donna Elisa dan niet te verlaten?”

„Neen,” zei moeder.

„En juist toen moeder dat zei, wektet gij mij.”

Gaetano zag donna Elisa triomfeerend aan.

„Wat meende moeder daar nu mee?”

Donna Elisa stond verbaasd.

Gaetano wierp het hoofd achterover en lachte.

„Moeder meende, dat ge mij in de leer moest doen, opdat ik God zou kunnen dienen door schoone beelden van engelen en heiligen te snijden, donna Elisa!”




III.

De godszuster


Op het edele eiland Sicilië, waar nog meer oude zeden heerschen dan ergens anders in het Zuiden, bestaat nog de gewoonte, dat ieder mensch zich in de jeugd een godszuster of godsbroeder kiest, die haar of zijn kind ten doop zal houden indien zij of hij dit eens krijgt.

Maar dat is volstrekt niet het eenige nut, dat godszusters en broeders van elkaar hebben. Zij moeten elkaar liefhebben, elkaar dienen en wreken. In het oor van een godsbroeder kan men al zijn geheimen begraven. Men kan hem zoowel zijn geld als zijn liefste toevertrouwen, zonder bedrogen te worden.

Godszusters en broeders zijn elkaar trouw, alsof ze uit één moeder geboren waren, omdat hun verbond gesloten is voor San Giovanni Battista, den meest gevreesde van alle heiligen.

Dikwijls gaan arme menschen met hun half volwassen kinderen naar rijke menschen om dezen te verzoeken of ze godszuster of broeder met hun jonge dochters of zonen willen worden. Welk een heerlijk gezicht is het niet op den dag van den heiligen Dooper al deze feestelijk gekleede kinderen te zien, die door de groote steden trekken om godszusters en broeders te zoeken.

En als het den ouders gelukt is hun zoon een rijken godsbroeder te geven, zijn zij zoo gelukkig alsof ze hem een landgoed als een erfenis kunnen nalaten. Toen Gaetano in Diamante kwam, was er een klein meisje, dat voortdurend den winkel van donna Elisa in- en uitliep. Ze droeg een rooden mantel en een puntig mutsje en acht lange, zwarte lokken kwamen onder dat mutsje te voorschijn. Zij heette Giannita en was de dochter van donna Olivia die groenten verkocht.

Maar donna Elisa was haar peettante en daarom dacht deze er dikwijls over, wat zij voor haar zou kunnen doen.

Nu goed, toen Sint-Jansdag aanbrak, bestelde donna Elisa een wagen en reed naar Catania, dat volle vier mijl van Diamante ligt. Zij had Giannita bij zich en beiden waren in feestgewaad.

Donna Elisa was in zwarte zijde met paarlen gekleed en Giannita had een wit tulen kleedje aan, met bloemen versierd. In de hand droeg Giannita een mand met bloemen en boven op de bloemen lag een granaatappel. De reis ging zeer voorspoedig voor donna Elisa en Giannita. Toen ze eindelijk aan het witte Catania gekomen waren, dat glanzend op den zwarten lavabodem ligt, reden ze naar het schoonste paleis van de stad.

Dit was hoog en groot, zoodat de arme, kleine Giannita zich zeer verlegen gevoelde, omdat ze genoodzaakt was daar in te gaan. Maar donna Elisa stapte moedig naar binnen en zij werd naar cavaliere Palmeri en zijn vrouw gevoerd, die het paleis bewoonden.

Donna Elisa herinnerde signora Palmeri er aan, dat zij vriendinnen der jeugd waren en verzocht of Giannita godszuster met de signora’s jong dochtertje mocht worden. Dat voorstel vond bijval en de jonge signorina werd binnengeroepen. Zij was een klein wonder van lichte zijde, Venetiaansche kant, groote zwarte oogen en welig krullend haar. Haar klein lichaam was zoo tenger en slank, dat men het in het geheel niet opmerkte.

Giannita reikte haar de mand met bloemen en zij nam die genadig aan, liep om haar heen en was opgetogen over haar lange gladde lokken.

Zoodra zij deze gezien had, snelde zij weg om een mes te halen. Zij sneed den granaatappel door en gaf Giannita een der helften.

Terwijl ze den appel aten, hielden ze elkaar bij de hand en zeiden beiden:

		„Zuster, zuster, zuster mijn,
		Ik ben dijn en gij zijt mijn.
		Dijn mijn hut, dijn mijn spijs,
		Dijn mijn vreugd’, dijn mijn prijs,
		Dijn mijn plaats in ’t Paradijs.”

Toen kusten ze elkaar en zeiden godszuster tot elkaar.

„Nu moet ge mij nooit ontrouw worden, godszuster,” zei de kleine signorina en beide kinderen waren zeer ernstig en aangedaan.

Ze werden in dien korten tijd zulke goede vrienden, dat zij schreiden, toen ze van elkaar gingen.

Maar sedert verliepen twaalf jaren en de beide godszusters leefden elk in haar wereld en zagen elkaar nooit. Gedurende dezen ganschen tijd bleef Giannita stil in huis en kwam zelfs geen enkelen keer in Catania.

Maar toen geschiedde er werkelijk iets wonderbaarlijks. Giannita zat op een namiddag in het vertrek achter den winkel te borduren, zij was zeer bekwaam, zoodat zij dikwijls overladen was met arbeid.

Bij het borduurwerk komt het echter op de oogen aan en het was zeer donker in Giannita’s kamer. Daarom had ze de deur van den winkel op een kier gezet om wat meer licht te hebben.

Juist nadat de klok vier uur geslagen had, kwam de oude molenaarsweduwe Rosa Alfari voorbij.

Donna Oliva’s winkel was zeer aanlokkelijk, als men dien van de straat zag. De blik gleed door de geopende deur naar de groote manden met versche groenten en kleurige vruchten; verder op den achtergrond zag men de omtrekken van Giannita’s mooi hoofd.

Rosa Alfari bleef staan en begon met donna Oliva te spreken, alleen omdat haar winkel er zoo vriendelijk uitzag.

Zuchten en klachten behoorden altijd tot het gevolg van Rosa Alfari. Nu was zij verdrietig, omdat ze genoodzaakt was den volgenden nacht alleen naar Catania te reizen.

„’t Is ellendig, dat de postwagen niet vóór tien uur in Diamante komt,” zei zij. „Ik val natuurlijk onderweg in slaap, en misschien steelt men dan mijn geld. En wat moet ik beginnen als ik vannacht om twee uur in Catania kom?”

Toen riep Giannita plotseling uit den winkel:

„Wilt ge mij niet meenemen naar Catania, donna Alfari?”

Ze vroeg het half schertsend zonder een antwoord te verwachten.

Maar Rosa Alfari werd ijverig. „God, kind, wil je met mij gaan?” zei zij. „Wil je het werkelijk?”

Giannita kwam uit den winkel, rood van vreugde. „Of ik wil,” zei zij, „ik ben in geen twaalf jaar in Catania geweest!”

Rosa Alfari keek haar vergenoegd aan, want Giannita was groot en sterk, haar oogen waren vroolijk en zij had steeds een kwinkslag op de lippen.

Dat was een heerlijke reisgenoote!

„Maak je maar klaar,” zei de oude vrouw. „Je gaat om tien uur met mij mede, dat is afgesproken.”

Den volgenden dag dwaalde Giannita in de straten van Catania. Zij dacht den ganschen tijd aan haar godszuster. Zij was wonderlijk te moede weer in haar nabijheid te zijn.

Zij had haar godszuster lief, niet alleen, omdat San Giovanni den menschen beveelt hun godszusters en broeders te beminnen. Zij had het kleine meisje in het zijden kleedje vereerd als het schoonste, dat zij ooit gezien had. ’t Was bijna haar afgod geworden.

Zij wist slechts dat haar godszuster nog ongetrouwd was en in Catania woonde. Haar moeder was overleden en zij had haar vader niet willen verlaten, maar was bij hem gebleven.

„Ik wil trachten haar te zien,” dacht Giannita.

En telkens als Giannita een elegante equipage ontmoette, dacht zij: Misschien is het mijn godszuster, die daar rijdt.

En zij staarde naar de rijdenden om te zien of één van hen ook geleek op het kleine meisje met het welige haar en de groote oogen. Giannita’s hart begon onstuimig te kloppen. Zij had altijd naar haar godszuster verlangd.

Zij was nog ongetrouwd, omdat zij een jongen beeldhouwer, Gaetano Alagona, liefhad en hij nooit de minste neiging getoond had met haar te trouwen.

Giannita was daarom dikwijls boos geweest op hem, en niet het minst had het haar geërgerd, dat zij nooit haar godszuster op haar bruiloft kon uitnoodigen.

Trotsch was zij ook op haar geweest. Zij had zich zelf voornamer gevonden dan de anderen, omdat zij zulk een godszuster had. Als zij nu eens naar haar toeging, omdat zij toch in de stad was?

Dat zou glans geven aan haar geheele reis.

Terwijl zij daaraan dacht en dacht, kwam er een courantenjongen aan. „Giornale da Sicilia!” schreeuwde hij. „De zaak Palmeri! Groote oplichterijen!”

De lange Giannita greep den jongen in den nek, toen hij haar voorbij ijlde.

„Wat zeg je?” schreeuwde zij. „Je liegt, je liegt!” en zij was op het punt hem te slaan.

„Koop mijn courant, signora, vóórdat ge mij slaat,” zei de knaap. Giannita kocht de courant en begon te lezen. Al spoedig ontdekte zij de zaak Palmeri.

„Daar deze zaak heden voor het gerecht behandeld wordt, willen wij onze lezers daarvan op de hoogte stellen.”

Giannita las en las en zij herlas het telkens weer vóórdat zij het begreep. Er was geen spier in haar lichaam, die niet van ontzetting trilde, toen zij het eindelijk begreep.

De vader van haar godszuster, die groote wijngaarden bezat, was geruïneerd. De druivenziekte had zijn bezittingen verwoest.

En dat was nog niet het ergste. Hij had een liefdadigheidsfonds gebruikt, dat hem toevertrouwd was. Hij was gearresteerd en vandaag zou hij voor het gerecht moeten verschijnen. Giannita frommelde de courant in elkaar, smeet die op de straat en trapte er op. Beter lot verdiende ze niet, die zulke nieuwstijdingen bracht.

Ze was geheel verslagen dat dit haar moest treffen, nu zij na twaalf jaar voor ’t eerst weer in Catania kwam. „Heere God,” zei zij. „Wat moet dit alles beteekenen?”

Thuis in Diamante had nooit iemand zich de moeite getroost haar te zeggen, wat er gebeurd was.

Was het een beschikking Gods, dat zij juist hier op den gerechtsdag moest zijn?

„Hoor eens, donna Alfari,” zei zij. „Ge moogt doen wat ge wilt, maar ik moet naar de terechtzitting.”

Giannita’s houding teekende groote beslistheid, niets kon haar in haar besluit doen wankelen.

„Begrijpt gij niet dat het ter wille van deze zaak en niet om uwentwille is, dat God u bewogen heeft mij naar Catania mee te nemen?” zei zij tot Rosa Alfari.

Geen oogenblik twijfelde Giannita.

Rosa Alfari moest haar laten gaan, en zij zocht den weg naar het paleis van justitie. Daar stond ze tusschen de straatjongens en leegloopers op de publieke tribune en zag cavaliere Palmeri zitten op de bank der aangeklaagden.

Het was een voornaam heer met een puntbaard en witten knevel. Giannita herkende hem dadelijk.

Ze hoorde hoe hij veroordeeld werd tot een halfjaar gevangenisstraf en Giannita voelde steeds duidelijker, dat zij hier als gezant van God was.

Nu heeft mijn godszuster mij noodig, dacht zij.

Zij ging weer op straat en vroeg den weg naar het paleis Palmeri.

Onderweg ging een rijtuig haar voorbij. Zij zag op en haar oogen ontmoetten die der dame, die in het rijtuig zat.

In hetzelfde oogenblik was er iets, dat haar zeide dat dit haar godszuster was. De dame in het rijtuig was bleek en gebogen en had smeekende oogen. Giannita kreeg haar dadelijk zeer lief.

„Gij zijt het, die mij zoo vele keeren verblijd hebt,” zei ze, „omdat ik zooveel vreugde van u verwachtte. Nu zal ik u misschien kunnen beloonen.”

Giannita was plechtig gestemd, toen zij de hooge marmeren trap van het palazzo Palmeri besteeg, maar plotseling kwam er twijfel over haar.

Wat kan God willen, dat ik voor haar zal doen, die in zulk een weelde is opgegroeid? dacht zij. Vergeet onze lieve Heer, dat ik slechts de arme Giannita van Diamante ben?

Zij liet signorina Palmeri door een bediende zeggen, dat haar godszuster haar wenschte te spreken. Zij was verbaasd toen de bediende terugkwam en zei, dat zij niet ontvangen kon worden.

Zou zij zich daarmee tevredenstellen? O, neen, o, neen! „Zeg de signorina, dat ik den geheelen dag op haar zal wachten, want ik moet haar spreken.”

„De signorina zal over een half uur het paleis verlaten,” zei de bediende.

Giannita geraakte buiten zich zelf: „Maar ik ben haar godszuster, haar godszuster, versta je mij niet?” zei ze tegen den knecht. „Ik moet haar spreken.”

De bediende glimlachte, maar verroerde zich niet.

Maar Giannita wilde niet afgewezen worden. Zij was immers door God gezonden. Dat moest hij toch begrijpen, zei zij en verhief haar stem. Ze kwam uit Diamante en was in twaalf jaar niet in Catania geweest. Zelfs tot gistermiddag vier uur had zij er niet aan gedacht hierheen te gaan.

Denk eens, tot gistermiddag vier uur had zij er zelfs niet aan gedacht!

De bediende stond onbeweeglijk. Giannita was op het punt hem haar geheele geschiedenis te vertellen om hem te bewegen haar binnen te laten, toen een deur opengerukt werd. Haar godszuster stond op den drempel.

„Wie spreekt hier over gistermiddag vier uur?” vroeg zij.

„Een vreemde vrouw wenscht u te spreken, signorina Micaela.”

Nu snelde Giannita op haar toe. „Zij was volstrekt geen vreemde. Zij was haar godszuster uit Diamante, die hier voor twaalf jaar met donna Elisa geweest was. Herkende zij haar niet? Wist signorina Micaela niet meer, dat zij een granaatappel samen gedeeld hadden?”

De signorina luisterde niet naar haar.

„Wat gebeurde er gisteren om vier uur?” vroeg zij met grooten angst in haar stem.

„Toen was het, dat ik Gods bevel ontving om tot u te gaan, godszuster,” zei Giannita.

De andere keek haar verschrikt aan. „Ga met mij,” zei ze, alsof ze bevreesd was, dat de bediende zou hooren, wat Giannita haar wilde vertellen.

Zij ging diep in de woning voordat zij staan bleef. Toen wendde zij zich zoo plotseling tot Giannita, dat deze verschrikte.

„Zeg het mij dadelijk!” zei zij. „Pijnig mij niet, zeg het mij zoo vlug mogelijk.”

Zij was even lang als Giannita, maar deze in geenen deele gelijk. Zij was veel tengerder gebouwd en zij, de dame van de wereld, had een veel wilder, ongetemder uiterlijk dan het meisje van het land. Alles wat zij gevoelde was op haar gelaat te lezen.

Ze scheen zich in het geheel niet te kunnen beheerschen om het verborgen te houden.

Giannita was zoo verbaasd over haar heftigheid, dat zij niet zoo spoedig een antwoord kon geven.

Toen hief haar godszuster in vertwijfeling haar armen boven het hoofd en de woorden stroomden over haar lippen.

Zij zei, dat zij wist dat Giannita Gods bevel ontvangen had om haar nieuwe ongelukken te berichten. God haatte haar, dat wist zij.

Giannita sloeg haar handen in elkaar. God haar haten! Integendeel! Integendeel!

„Ja, ja,” zei signorina Palmeri. „Zoo is het.” En daar ze zielsbevreesd was voor de tijding, die Giannita haar kwam brengen, bleef zij maar steeds doorpraten. Zij liet Giannita niet aan het woord komen, maar viel haar voortdurend in de rede.

Zij scheen zoo geschokt te zijn door alles, wat haar in de laatste dagen overkomen was, dat zij zich in het geheel niet meer beheerschen kon.

„Giannita kon toch wel begrijpen, dat God haar moest haten,” zei zij. „Zij had zoo iets vreeselijks gedaan. Zij had haar vader verloochend, haar vader verzaakt.

„Giannita kende toch wel het vierde gebod.” Toen barstte zij opnieuw uit in tal van onstuimige vragen.

„Waarom zei Giannita haar toch niet, wat zij haar wilde zeggen? Zij verwachtte immers niets anders dan kwaad. Zij was voorbereid.”

Maar de arme Giannita kon niet aan het woord komen, want zoodra zij wilde spreken, werd de signorina bang en viel haar in de rede.

Zij vertelde Giannita haar geschiedenis, als om deze te bewegen niet hard jegens haar te zijn.

Giannita moest niet denken, dat haar ongeluk slechts daarin bestond dat zij niet langer een eigen rijtuig zou hebben, of een loge in het theater of mooie kleeren, of veel bedienden of zelfs een dak boven haar hoofd. Ook niet hierin, dat zij al haar vrienden verloren had, zoodat zij niet wist waar zij een schuilplaats zou zoeken; evenmin dat zij zulk een schaamte gevoelde, dat zij meende nooit weer de oogen te durven opheffen tot eenig mensch. Neen, het was nog iets veel vreeselijkers.

Zij had plaats genomen en zweeg nu een oogenblik, terwijl zij van angst heen en weer wiegde.

Maar toen Giannita nu begon te spreken, viel zij haar weer in de rede.

Giannita kon niet denken, hoe haar vader haar had liefgehad. Hij had haar altijd laten leven in glans en heerlijkheid, gelijk een vorstin.

Zij had niet veel voor hem gedaan, slechts hem heerlijke plannen laten verzinnen om haar te vermaken. Het was volstrekt geen opoffering geweest, dat zij niet getrouwd was, want zij had nooit een man zoo liefgehad als haar vader, en haar eigen thuis was prachtiger geweest dan dat van iemand anders.

Maar toen was haar vader op een dag bij haar gekomen en had tot haar gezegd:

„Zij willen mij arresteeren. Ze verspreiden het gerucht dat ik gestolen heb, maar dat is niet waar.”

Toen had zij hem geloofd en hem geholpen zich verborgen te houden voor de karabiniers. En zij hadden hem tevergeefs gezocht in Catania, op den Etna en over geheel Sicilië.

Maar toen de politie cavaliere Palmeri niet kon vinden, begon het volk te zeggen:

„’t Is een voornaam heer en het zijn hooge heeren, die hem helpen, anders zou men hem reeds lang geleden gevonden hebben.”

En toen was de prefect van Catania bij haar gekomen. Zij ontving hem lachend en de prefect deed alsof hij kwam spreken over rozen en over het mooie weer. Plotseling zei hij: „Wil de signorina dit kleine papier even inzien? Wil de signorina dit kleine briefje eens lezen? Wil de signorina letten op de onderteekening?”

Ze las en las. En wat zag ze? Haar vader was niet onschuldig. Haar vader had het geld van anderen genomen. Toen de prefect weg was, ging zij naar haar vader.

„Gij zijt schuldig!” zei ze tot hem. „Ge kunt doen wat ge wilt maar ik kan u niet meer helpen.”

O, zij had niet geweten wat zij zei. Zij was altijd zoo trotsch geweest. Zij had niet kunnen dulden, dat er een smet op haar naam kleefde. Een oogenblik had zij gewenscht, dat haar vader dood was, liever dan dat dit haar moest overkomen. Misschien had zij hem dit ook gezegd. Zij wist niet precies wat zij gezegd had.

Maar daarna had God haar verlaten. De vreeselijkste dingen waren gebeurd. Haar vader had haar aan haar woord gehouden. Hij had zichzelf aan het gerecht overgeleverd. En sedert hij in de gevangenis zat, had hij haar niet willen zien. Hij antwoordde niet op haar brieven, en het eten, dat zij hem zond, stuurde hij haar onaangeroerd terug. Dat was het vreeselijkste van alles. Hij scheen te denken, dat zij hem wilde dooden. Zij keek Giannita zoo angstig aan, alsof zij haar doodvonnis verwachtte.

„Waarom vertel je mij toch niet, wat je mij te zeggen hebt?” riep zij uit. „Je doodt mij.”

Maar ’t was haar onmogelijk zich zelf tot zwijgen te dwingen. „Je moet weten,” vervolgde zij, „dat dit paleis nu verkocht is en dat de kooper het aan een Engelsche dame verhuurd heeft, die hier vandaag zal intrekken. Maar enkele van haar bezittingen droegen ze reeds gisteren hier in en daaronder was een klein beeld van het Christuskind.

„Ik zag het, toen ik door de vestibule liep. Zij hadden het uit een valies genomen en het op den grond gelegd. Het was zoo beschadigd, dat niemand er acht op sloeg. Zijn kroon was vol deuken, zijn kleertjes waren vuil en de sieraden, die het bedekten, waren verroest en leelijk geworden. Maar toen ik het op den grond zag liggen, nam ik het op en droeg het in de kamer, waar ik het op een tafel plaatste. En terwijl ik dat deed, viel het mij in, dat ik zijn hulp moest vragen.

„Ik knielde en bad lang. „Help mij in mijn grooten nood,” zei ik tot het Christuskind.

„Terwijl ik bad, scheen het mij, dat het beeld mij wilde antwoorden. Ik hief het hoofd op, maar het stond daar nog even sprakeloos als vroeger; juist toen begon een pendule te slaan.

„Er klonken vier slagen en ’t was alsof het vier woorden waren. ’t Was alsof het Christuskind met een viervoudig ja op mijn bede had geantwoord.

„Dat gaf mij moed, Giannita, zoodat ik vandaag naar het paleis van justitie reed om mijn vader te zien. Maar hij verwaardigde mij met geen blik gedurende al den tijd, dat hij voor zijn rechters stond.

„Ik wachtte op het oogenblik, dat zij hem zouden wegvoeren en wierp me voor hem op de knieën in een der nauwe gangen. Giannita; hij liet mij door de soldaten wegleiden, zonder mij een woord te schenken.

„Zie je nu, dat God mij haat? Toen ik hoorde dat je sprak van gistermiddag vier uur, werd ik bang.

„Het Christuskind zendt mij een nieuw ongeluk, dacht ik. Het haat mij, die mijn vader verloochend heb.”

Toen zij dit gezegd had, zweeg ze eindelijk en luisterde ademloos naar hetgeen Giannita zou vertellen.

En Giannita verhaalde signorina Micaela haar geschiedenis.

„Zie nu eens, is dat niet merkwaardig,” zei ze ten slotte. „Ik ben in twaalf jaar niet in Catania geweest en nu reisde ik geheel onverwacht hierheen. En ik weet van niets, maar zoodra ik hier mijn voet op straat zet, hoor ik je ongeluk. God heeft mij gezonden, zei ik tot mij zelf. Hij heeft mij hierheen geleid, opdat ik mijn godszuster zou kunnen helpen.”

Signorina Palmeri’s oogen waren angstig vragend op haar gericht.

Nu zou zeker de slag komen. Zij verzamelde al haar moed om dien te ontvangen.

„Wat wil je, dat ik voor je doen zal, godszuster?” vroeg Giannita „Weet je wat ik dacht toen ik op straat liep? Ik wil haar vragen of zij mij naar Diamante wil volgen, dacht ik. Ik weet daar een oud huis, waar we goedkoop zouden kunnen wonen. Ik zou borduren en naaien, zoodat we daarvan konden leven. Toen ik op straat was, dacht ik, dat het gaan zou, maar nu begrijp ik, dat het onmogelijk is, onmogelijk! Je verlangt iets anders van het leven, maar zeg toch of ik iets voor je doen kan. Je moogt mij niet afwijzen, want God heeft mij gezonden.”

De signorina boog zich over tot Giannita.

„Nu!” zei zij angstig.

„Je moet mij voor je laten doen, wat in mijn macht staat, want ik heb je lief,” zei Giannita en gleed op de knieën, terwijl ze de armen om haar godszuster sloeg.

„Heb je niets anders te zeggen?” vroeg de signorina.

„Dat zou ik gaarne willen,” zei Giannita, „maar ik ben immers maar een arm meisje.”

Het was wonderbaarlijk te zien, hoe nu de gelaatstrekken der jonge signorina verteederden, hoe haar blik verhelderde en hoe haar oogen begonnen te stralen. Nu bleek het, dat zij een groote schoonheid was.

„Giannita,” zei ze zacht, nauwelijks hoorbaar, „geloof je dat dit een wonder is? Geloof je, dat God een wonder kan laten geschieden om mijnentwille?”

„Ja, ja,” fluisterde Giannita.

„Ik smeekte het Christusbeeld, dat hij mij zou helpen, en hij zendt mij jou. Geloof je, dat het Christus was die je gezonden heeft, Giannita?”

„Ja zeker, hij was het.”

„God heeft mij dus niet verlaten, Giannita?”

„Neen, God heeft je niet verlaten.”

Signorina Micaela zat een tijdje stil te weenen. „Toen jij kwam, Giannita, dacht ik dat mij niets anders overbleef, dan mij te dooden,” zei ze daarna. „Ik wist niet waarheen ik mijn weg zou nemen want ik dacht, dat God mij haatte.”

„Maar zeg mij nu, wat ik voor je doen kan, godszuster,” zei Giannita.

Tot antwoord trok de andere haar naar zich toe en kuste haar.

„Maar het is immers al voldoende, dat je door het kleine Christusbeeld gezonden zijt,” zei ze. „Het is immers al voldoende, nu ik weet, dat God mij niet verlaten heeft.”




IV.

Diamante


Micaela Palmeri was op reis naar Diamante in gezelschap van Giannita. Ze hadden ’s morgens om drie uur plaats genomen in den postwagen en ze waren langs den schoonen weg gereden, die zich van den voet van den Etna langs den berg omhoog slingert.

Maar het was nog geheel donker. Ze hadden niets van de omgeving kunnen onderscheiden.

De jonge signorina beklaagde zich volstrekt niet daarover. Zij zat met neergeslagen oogen en verdiepte zich in haar smart. Zelfs toen het begon te dagen, wilde zij haar oogen niet opslaan om uit te zien. ’t Was niet, vóórdat ze vlak bij Diamante waren, dat Giannita haar kon bewegen het landschap te beschouwen.

„Zie nu eens uit! Hier is Diamante, dat je thuis zal worden,” zei zij.

Toen had Micaela Palmeri rechts van den weg den machtigen Etna gezien, die een groot stuk van den hemel sneed. Ver achter den berg ging de zon op, en toen de bovenste rand der zonneschijf zich over den bergtop verhief, scheen het alsof de witte sneeuwberg begon te gloeien, en vonken en stralen verspreidde.

Maar Giannita verzocht haar naar den anderen kant te zien. En aan de andere zijde zag ze de geheele getakte bergketen, die den Etna gelijk een met torens versierden muur omringt, gloeiend rood staan in den zonsopgang.

Maar Giannita wees naar een anderen kant. Dat was het niet, wat ze moest zien, dat niet.

Toen liet ze haar blik dalen en zag neer in een zwarte vallei. Daar glansde het veld als fluweel en de witte Simeto schuimde naar beneden in het dal.

Maar nog richtte zij haar blik niet naar de goede plaats.

Toen eindelijk zag ze den steilen Monte Chiaro, die zich uit het zwarte, fluweelen dal verhief; stralend in het morgenrood en begroeid met statige palmen, die hem als met zonneschermen beschutten tegen de stralen der zon.

En op de kruin zag zij een stad, met torens versierd en door muren omgeven, en alle vensters en windwijzers schitterden in den zonneschijn.

Bij dit gezicht had zij Giannita’s arm gegrepen en haar gevraagd of dit een werkelijke stad was en of daar ook menschen woonden.

Zij geloofde, dat dit een der steden des hemels was en dat die even spoedig verdwijnen zou als een droomgezicht. Zij kon niet denken, dat er ooit een mensch langs den weg gewandeld had, die zich van uit het dal over hooge heuvels naar de Monte Chiaro slingerde en in zigzag-lijn langs den berg opkroop om in de donkere stadspoort te verdwijnen.

Maar toen ze dichter bij Diamante kwam en zag dat het een werkelijke aardsche stad was, kwamen haar de tranen in de oogen.

Het ontroerde haar, dat de aarde voor haar nog al haar schoonheid bezat. Zij had geloofd, dat sedert die het tooneel van al haar rampen was geweest, zij die steeds grauw, verdord en bedekt met distels en giftbloemen zou vinden.

Ze reed met gevouwen handen het arme Diamante binnen, alsof ze een heiligdom betrad.

En haar scheen het, dat deze stad haar evenveel geluk als schoonheid zou kunnen bieden.




V.

Don Ferrante


Een paar dagen later stond Gaetano in zijn werkplaats en sneed wijnranken op koralen van rozenkransen. Het was Zondag, maar Gaetano maakte zich geen gewetenswroeging van zijn arbeid, hij werkte immers tot Gods eer.

Groote angst en onrust waren over hem gekomen. De gedachte was in hem ontwaakt, dat de gelukkige tijd, dien hij bij donna Elisa had doorgebracht, nu zijn einde genaderd was. En hij geloofde, dat hij spoedig de wereld ingedreven zou worden. Want groote armoede was over Sicilië gekomen, en hij zag den nood als een besmetting van stad tot stad en van huis tot huis trekken. En zoo was die ook in Diamante gekomen.

Daarom kwam er nooit meer een mensch in den winkel van donna Elisa om iets te koopen. De kleine heiligenbeelden, die Gaetano vervaardigde, stonden in dichte rijen op de planken en de rozenkransen hingen in groote trossen onder de toonbank. En donna Elisa was in grooten kommer en nood, omdat zij nu niets kon verdienen.

Dit was Gaetano een teeken, dat hij Diamante moest verlaten en de wijde wereld ingaan, tenzij er zich een andere mogelijkheid voordeed, want het kon geen arbeiden heeten voor Gods eer beelden te snijden, die nooit werden aangebeden en koralen voor rozenkransen te draaien, die nooit door de vingers van een biddende gleden.

Hij geloofde dat ergens in de wereld een schoone, nieuwe kathedraal stond, waarvan de muren opgetrokken waren, maar die nog van binnen van naaktheid trilde. Die verbeidde en wachtte, dat Gaetano zou komen om de koorstoelen, ’t altaarhek, den preekstoel, ’t boekenrek en de heiligenkast te snijden. En zijn hart smachtte naar dit werk, dat hem wachtte.

Maar deze kathedraal werd niet op Sicilië gevonden, want daar dacht men er nooit aan een nieuwe kerk te bouwen; die moest ver weg in landen als Florida of Argentinië gezocht worden, waar de grond nog niet bedekt was met heilige gebouwen.

Hij voelde zich tegelijkertijd bedroefd en gelukkig en was met verdubbelde vlijt aan den arbeid getogen opdat donna Elisa iets zou hebben te verkoopen, terwijl hij weg was en groote schatten voor haar verdiende.

Nu wachtte hij nog slechts op een teeken van God vóórdat hij besloot te vertrekken. Het was, alsof hij de kracht zou moeten ontvangen om tot donna Elisa te kunnen spreken van zijn verlangen om te reizen, want hij wist dat dit haar zóóveel verdriet zou veroorzaken, dat hij niet begreep, hoe hij den moed zou hebben met haar daarover te spreken.

Terwijl hij daarover dacht, kwam donna Elisa in de werkplaats. Toen zei hij tot zichzelf, dat hij nu er niet aan kon denken het haar te zeggen, want heden was donna Elisa vroolijk.

Haar tong was onophoudelijk in beweging en haar gelaat straalde.

Gaetano vroeg zich af, wanneer hij haar voor het laatst zoo gezien had. Sedert de nood kwam, was het geweest, alsof ze zonder daglicht in een der grotten van den Etna leefden.

„Waarom was Gaetano niet mee naar de markt gegaan om de muziek te hooren?” vroeg donna Elisa.

„Waarom ging hij toch nooit mede om haar broer, don Ferrante, te zien en te hooren? Gaetano die hem slechts zag, als hij in den winkel stond, gekleed in een kort buis en puntige muts, wist niet wat voor een man don Ferrante was. Hij hield hem voor een ouden, leelijken koopman met een rimpelig gelaat en een borsteligen baard. Niemand kende don Ferrante, die hem ’s Zondags niet de muziek had zien dirigeeren.

„Heden had hij een nieuwe uniform aangehad. Hij droeg een driekantigen hoed met groen-rood en witte pluimen, een zilveren kraag, epauletten met zilveren franje, zilveren tressen op de borst en een sabel op zij. En toen hij het bankje van den dirigent besteeg, waren de rimpels van zijn gelaat weggevaagd, zijn gestalte scheen gegroeid te zijn.

„Men zou hem bijna schoon kunnen noemen.

„Toen hij de Cavalleria liet spelen, had men nauwelijks kunnen ademhalen. En wat zei Gaetano er van, dat de groote huizen aan de markt meegezongen hadden!

„Uit het zwarte palazzo Geraci had donna Elisa duidelijk een liefdeslied hooren klinken en uit het nonnenklooster, zoo uitgestorven als het daar stond, was een hymne over de markt gestroomd.

„En toen er een pauze in de muziek was, ging de schoone advocaat Favara, die gekleed was in een zwart fluweelen mantel, met een grooten roovershoed en helrooden halsdoek, naar don Ferrante en wees naar de open zijde der markt, waar men den Etna en de zee zag.

„Don Ferrante,” had hij gezegd, „gij verheft ons ten hemel gelijk de Etna en gij voert ons op naar het eeuwige gelijk de oneindige zee.”

„Als Gaetano don Ferrante heden gezien had, zou hij hem hebben moeten liefhebben. Tenminste had hij moeten erkennen, dat don Ferrante een statig man was. Toen hij eenige oogenblikken geleden den maatstok neerlegde en gearmd met den advocaat heen en weer wandelde op de gladde steenen tusschen de Romeinsche poort en het palazzo Geraci, had een ieder moeten zien, hoe goed hij zich kon meten met den schoonen Favara. Donna Elisa had in gezelschap van de sindaco’s-vrouw op de steenen bank onder den dom gezeten. En donna Valtara had plotseling gezegd, nadat ze don Ferrante een tijdlang beschouwd had:

„Donna Elisa, uw broer is immers nog een jonge man. Hij kan nog heel goed trouwen, trots zijn vijftig jaar.”

„En zij, donna Elisa, had geantwoord dat zij God iederen dag daarom bad.

„Maar nauwelijks had zij dit gezegd of een dame in rouwgewaad schreed over de markt. Nooit had men nog zoo iets zwarts gezien. Niet alleen waren haar kleeren, hoed en handschoenen zwart, maar ook haar sluier was zóó dicht, dat men niet kon gelooven, dat daar een wit gezicht achter was. Santissima Dio, het was, alsof ze zich bedekt had met een lijkwade. En ze liep zoo langzaam en gebogen. Men was bang geworden, men had bijna geloofd dat het een spook was.

„O! O! en de geheele markt was zoo vol vroolijkheid geweest.

„De boeren, die voor den Zondag thuis waren, hadden daar in groote groepen gestaan, feestelijk gekleed met hun roode doeken om den hals. Boerenvrouwen die naar de kerk gingen, waren voorbij gestroomd in groene rokken en gele halsdoeken. Een paar in het wit gekleede vreemdelingen hadden bij de balustrade gestaan om den Etna te beschouwen. En al de muzikanten in uniform, die er bijna zoo statig uitzagen als don Ferrante, en die glinsterende muziekinstrumenten en de met beelden versierde dom! En de zonneschijn en Mongibello’s sneeuwkruin, die vandaag zoo dicht bij was geweest dat men hem bijna grijpen kon, dat alles was onvergelijkelijk vroolijk geweest.

„Toen nu de arme, zwarte dame te midden van dit alles gekomen was, hadden allen haar aangestaard en sommigen hadden het teeken des kruises gemaakt. En de kinderen waren gegleden van de trap van het raadhuis waar ze op de leuning reden en waren haar gevolgd op een paar schreden afstands. En zelfs de luie Pietro, die zich in de zon lag te koesteren, had zich op zijn ellebogen opgericht. Het was een opstand, alsof de zwarte Madonna uit de domkerk was komen aanwandelen. Maar had één van allen medelijden gevoeld met deze zwarte dame, naar wie allen staarden?

„Was iemand geroerd, omdat zij zoo langzaam en gebogen liep?

„Ja, ja, één was getroffen, en dat was don Ferrante geweest. Muziek was in zijn hart, hij was een goed mensch en hij dacht: Vervloekt zijn al deze fondsen, bijeengebracht voor noodlijdenden, die de menschen slechts in het ongeluk storten!

„Is dit niet de arme signorina Palmeri, wier vader genomen heeft van een liefdadigheidsfonds en die zich nu zoo schaamt, dat zij haar gelaat niet durft toonen?

„En terwijl hij dit dacht, ging don Ferrante naar de zwarte dame en trad haar bij de kerkdeur in den weg.

„Daar maakte hij een buiging voor haar en noemde zijn naam. „Indien ik mij niet al te zeer vergis,” had don Ferrante gezegd, „is u signorina Palmeri. Ik heb een verzoek aan u.”

„Toen was ze achteruitgeweken als wilde ze vluchten, maar zij was toch gebleven.

„Het betreft mijn zuster, donna Elisa,” had hij gezegd. „Zij heeft uw moeder gekend, signorina, en zij brandt van verlangen met u kennis te maken. Zij zit bij den dom. Mag ik u tot haar geleiden?”

„En don Ferrante had haar arm in den zijne gelegd en haar naar donna Elisa gevoerd. En zij had geen tegenstand geboden. Donna Elisa had trouwens degene wel eens willen zien, die heden don Ferrante had kunnen weerstaan.

„Maar toen was donna Elisa opgerezen. Zij was de zwarte dame tegemoet gegaan, en had haar sluier teruggeslagen. En zij had haar op beide wangen gekust.

„Welk een gelaat! welk een gelaat! Zij was misschien niet mooi, maar ze had oogen, die duidelijk spraken en die klaagden en jammerden, zelfs als het geheele gelaat glimlachte. Ja, Gaetano zou misschien geen Madonna naar dit gelaat willen snijden of schilderen, want daarvoor was het te bleek en te mager, maar men moest wel gelooven, dat onze lieve Heer wist wat hij deed, toen hij deze oogen niet in een gezicht zette, dat rond en blozend was.

„Toen donna Elisa haar kuste, had zij het hoofd op haar schouder gelegd en een paar korte snikken hadden haar lichaam doorschokt. Daarna had zij met een glimlach opgezien.

„’t Was alsof haar glimlach had willen zeggen:

„O, ziet de wereld er zoo uit? Is die zoo mooi? Laat mij die zien en tegen haar glimlachen! Kan een arme ongelukkige het werkelijk wagen haar aan te zien? Kan ik het ook wagen gezien te worden?”

„Dit alles had zij zonder woorden gezegd, slechts met een glimlach. Welk een gelaat! welk een gelaat!”

Maar nu viel Gaetano donna Elisa in de rede.

„Waar is zij nu?” zei hij. „Ik moet haar zien.”

Toen zag donna Elisa Gaetano in de oogen. En die waren brandend klaar alsof ze met vuur gevuld waren en aan zijn slapen steeg een donkerrood op.

„Gij zult haar vroeg genoeg zien,” zei ze kortaf. En zij had berouw van elk woord, dat zij gesproken had.

Gaetano zag, dat zij bang was, dat hij begreep, wat zij vreesde. Hij kreeg toen de ingeving haar juist nu te zeggen, dat hij voornemens was te vertrekken, naar Amerika te reizen.

Toen begreep hij dat deze vreemde signorina zeer gevaarlijk moest zijn. Zoo overtuigd was donna Elisa dat Gaetano haar lief zou krijgen, dat zij bijna verheugd was te hooren, dat hij van plan was het land te verlaten. Want haar scheen alles beter dan een arme schoondochter, wier vader een dief was.




VI.

Don Matteo’s zending


En nu kwam er een namiddag, dat de geestelijke herder, don Matteo, zijn voeten in glanzend gepoetste schoenen stak, een schoon geborstelde soutane aantrok en zijn mantel in de sierlijkste plooien schikte. Zijn gelaat straalde, terwijl hij door de steeg liep en zegeningen uitdeelde aan de oude spinnende vrouwtjes, die voor haar huisdeuren zaten; en zijn handgebaren waren zoo bevallig, alsof hij rozen strooide.

Over de steeg, waardoor don Matteo liep, welfden zich minstens zeven bogen, alsof elk huis zich wilde verbinden met zijn buurman. De steeg liep dood tegen den berg, voor de helft was het een trap, voor de andere helft een straat; er was altijd overstrooming bij de goten en het lag er altijd vol sinaasappelschillen en koolblaren, genoeg om op uit te glijden. Van den grond tot aan den hemel hing er waschgoed aan de drooglijnen.

Natte hemdsmouwen en banden van boezelaars werden door den wind in don Matteo’s gezicht geslingerd. En dat was een even klam en kil gevoel, alsof don Matteo door een lijk gestreeld werd.

Aan het einde der steeg lag een kleine, donkere markt, en daar zag don Matteo een oud huis, waarvoor hij staan bleef. Het was groot en vierkant en bijna geheel zonder ramen. Het had twee hooge buitentrappen met verbazend breede treden en twee groote deuren met zware grendels. En het had muren van zwarte lava en een loggia, waar groene schimmel den vloer van tegelsteenen bedekte, en er waren zooveel spinnewebben, dat de lenige hagedissen er bijna in verward raakten.

Don Matteo lichtte den deurklopper op en liet dien zóó hard vallen, dat het geheele huis dreunde. Toen hoorde men hoe al de vrouwen uit de geheele steeg begonnen te vragen en te spreken.

En men zag hoe de waschvrouwen aan het marktbassin haar waschbord en linnenklopper lieten vallen en begonnen te vragen en te fluisteren:

„Met welk doel komt don Matteo hier?

„Waarom klopt hij op de deur van het oude huis, waar het spookt, en waarin niemand het waagt te wonen behalve de vreemde signorina, wier vader in de gevangenis zit?”

Maar nu deed Giannita de deur open voor don Matteo en voerde hem door lange gangen, die vochtig en schimmelig roken. Op enkele plaatsen waren de steenen van den vloer losgeraakt, en don Matteo kon tot diep in den kelder zien, waar een groote menigte ratten over den zwarten lavagrond joegen.

Terwijl don Matteo door het oude huis wandelde, verloor hij zijn goede luim. Hij liep voorbij geen trap, zonder wantrouwend naar beneden te kijken, en hij hoorde geen geritsel zonder te huiveren.

Hij werd neerslachtig als vóór een ongeluk. Don Matteo dacht aan den kleinen getulbanden Moor, die zich in dit huis placht te vertoonen, en indien hij hem ook niet zag, kon men toch zeggen, dat hij hem op de een of andere wijze gewaar werd.

Eindelijk opende Giannita een deur en liet den geestelijke in een vertrek. Daar waren de wanden naakt als in een stal, het bed hard als dat van een non en daarboven hing een houten Madonna, die niet meer waard was dan drie soldi.

Don Matteo staarde zoo lang naar dit kleine beeld, dat de tranen hem in de oogen kwamen.

Terwijl hij daar stond, kwam signorina Palmeri de kamer binnen. Ze hield haar hoofd gebogen, en haar bewegingen waren zoo langzaam alsof zij gewond was. Toen don Matteo haar zag, scheen hij te willen zeggen:

„U en ik, signorina Palmeri, ontmoeten elkaar hier in een wonderlijk oud huis. Is u hier om de Moorsche inscripties te bestudeeren of zoekt u in de kelders naar mozaïekwerk?” Want de pastoor werd verlegen, toen hij signorina Palmeri zag.

Hij kon niet begrijpen, dat deze edele dame arm was. Hij kon niet vatten, dat zij woonde in het huis van den kleinen Moor.

Hij zei tot zichzelf, dat hij haar moest redden uit het spookhuis en van de armoede. En hij bad de heilige Madonna om de macht haar te redden.

Daarna zei hij tot de signorina, dat hij een opdracht van don Ferrante kwam uitvoeren. Don Ferrante had hem toevertrouwd, dat zij zijn aanzoek had afgeslagen.

Waarom had zij dat gedaan? Wist zij niet dat, hoewel don Ferrante arm scheen als hij daar in zijn winkel stond, hij toch de rijkste man in Diamante was?

En don Ferrante behoorde tot een oud Spaansch geslacht, dat groot aanzien genoot, zoowel in zijn vaderland als hier op Sicilië. En hij bezat nog het groote huis aan de corso, dat zijn voorvaderen toebehoord had. Zij had niet neen moeten zeggen.

Terwijl don Matteo zoo sprak, zag hij hoe het gelaat van de signorina plotseling doodsbleek en strak werd. Hij waagde het bijna niet te spreken. Hij vreesde, dat zij zou bezwijmen.

Het was ook slechts met de grootste inspanning, dat zij hem kon antwoorden. De woorden wilden niet over haar lippen komen. ’t Was alsof die te afschuwelijk waren om uitgesproken te worden.

„Zij kon wel begrijpen,” zei zij, „dat don Ferrante wilde weten waarom zij zijn aanzoek had afgeslagen. Ze was diep geroerd en dankbaar, maar zij kon zijn vrouw niet worden. Zij kon niet trouwen, want zij bracht smaad en schande als bruidsgift mede.”

„Als ge trouwt met een Alagona, lieve signorina,” zei don Matteo, „behoeft ge niet te vreezen, dat men zal vragen van welk geslacht ge zelf zijt. Dat is een roemrijk, oud stamhuis. Don Ferrante en zijn zuster, donna Elisa, worden steeds tot de eersten der stad gerekend, ofschoon zij al de bezittingen van hun geslacht verloren hebben en handel moeten drijven.

„Don Ferrante weet wel, dat de glans van zijn ouden naam niet verduisterd zal worden door een huwelijk met u.

„Maak geen bezwaren om die reden, signorina, indien ge anders met don Ferrante zoudt willen huwen.”

Maar signorina Palmeri herhaalde wat zij gezegd had. Don Ferrante moest niet trouwen met een dochter van een misdadiger. Ze zat daar bleek en wanhopig en scheen zich te willen oefenen in het zeggen van deze vreeselijke woorden.

Zij zeide, dat zij zich niet indringen wilde in een geslacht, dat haar zou verachten. Het gelukte haar dit hard en koud te zeggen, zonder dat haar stem beefde.

Maar hoe langer ze sprak, hoe grooter de begeerte van don Matteo werd om haar te helpen. Het was alsof hij een koningin ontmoet had, die van haar troon gestooten was. En er kwam een brandend verlangen over hem, haar weer de kroon op het hoofd te zetten en den koningsmantel om de schouders te slaan.

Daarom vroeg don Matteo haar of haar vader niet spoedig uit de gevangenis zou komen en waarvan hij dan leven moest.

De signorina antwoordde dat hij zou leven van haar arbeid. Don Matteo vroeg haar zeer ernstig of zij zich wel afgevraagd had, hoe haar vader, die altijd een rijke man was geweest, de armoede zou kunnen dragen.

Nu zweeg zij. Ze trachtte de lippen tot een antwoord te bewegen, maar kon geen geluid uitbrengen.

Don Matteo sprak en sprak. Zij zag er hoe langer hoe wanhopiger uit, maar gaf toch niet toe.

Hij wist ten slotte geen raad meer.

Hoe zou hij haar toch kunnen redden uit het spookhuis, uit de armoede en van den last der schande die haar drukte? Maar toen vielen zijn oogen op het kleine Madonnabeeldje boven het bed. De jonge signorina was dus een geloovige.

Nu werd de geest vaardig over don Matteo. Hij voelde dat God hem gezonden had, om deze arme vrouw te redden. En toen hij weer sprak, was er een klank in zijn stem, die hem anders vreemd was. Hij begreep, dat hij het niet alleen was, die nu tot haar sprak.

„Mijn dochter,” zei hij, terwijl hij oprees, „om der wille van uw vader zult ge huwen met don Ferrante. De Madonna wil het, mijn dochter.”

Er kwam iets imponeerends over don Matteo’s uiterlijk. Zoo had nog geen mensch hem ooit gezien.

De signorina beefde alsof de Heilige Geest tot haar gesproken had, en zij vouwde haar handen.

„Word een goede en trouwe echtgenoote voor don Ferrante,” zei don Matteo, „en de Madonna belooft u door mij, dat uw vader een onbezorgden ouderdom zal hebben.”

Toen zag de signorina dat het een heilige ingeving was, die don Matteo inspireerde. Het was God die door hem sprak. En zij wierp zich op de knieën en boog het hoofd.

„Ik zal doen wat gij beveelt,” zei ze.

Maar zie, toen de geestelijke, don Matteo, uit het huis van den kleinen Moor kwam, en door de steeg ging, nam bij plotseling zijn brevier en begon te lezen. En ofschoon het waschgoed hem om de wangen sloeg, en sinaasappelschillen en kleine kinderen op de straat schenen te liggen, alleen om hem te doen struikelen, hij zag niet op uit zijn boek.

Hij had behoefte Gods heilige woorden te hooren.

Want daarbinnen in het zwarte huis had hem alles zoo zeker en gewis geschenen, maar nu hij buiten kwam in den zonneschijn, begon hij bevreesd te worden voor de belofte, die hij in der Madonna’s naam gegeven had.

Don Matteo bad en las en las en bad.

Mocht de almachtige God in den hemel de vrouw beschermen, die op hem vertrouwd en hem gehoorzaamd had, alsof hij een profeet ware!

Don Matteo sloeg den hoek om naar de corso. Hij bonsde tegen ezels, die naar huis gedreven werden met reizende signorina’s op hun rug, hij liep recht tegen veldarbeiders aan, die van hun werk naar huis keerden en hij stiet tegen de oude spinnende vrouwtjes en raakte verward in haar linnen. Eindelijk bereikte hij een kleinen, donkeren winkel.

Het was een vertrek zonder ramen, dat in den hoek van een oud paleis lag. De drempel was een voet hoog, de vloer was van vastgetrapte aarde, en de deur moest altijd openstaan om licht binnen te laten. De toonbank was belegerd door voerlieden en ezeldrijvers.

En voor de toonbank stond don Ferrante. Zijn baard was in wanorde, zijn gelaat één en al rimpel, zijn stem heesch van woede. De voerlieden verlangden een onmatig hooge betaling voor de vrachten, die ze van Catania naar Diamante gebracht hadden.




VII.

De klokken van San Pasquale


Men merkte spoedig in Diamante, dat don Ferrante’s echtgenoote, donna Micaela, niet veel meer was dan een kind. Zij kon er nog zoo uitzien als een voorname dame van de wereld, zij was toch niets anders dan een kind. En iets anders kon men ook niet van haar verwachten na het leven, dat zij geleid had.

Van de wereld had zij niets gezien dan theaters, museums, balzalen, promenades en renperken, en dit alles zijn immers slechts speelplaatsen. Zij was nog nooit alleen op straat geweest. Zij had nooit gewerkt. Men had nooit een ernstig woord tot haar gesproken. Ze was niet eens ooit verliefd geweest.

Toen zij in het zomerpaleis trok, vergat zij al haar zorgen, even licht en luchtig als een kind het gedaan zou hebben. En het bleek dat zij de spelende phantasie van een kind bezat en dat zij alles wat haar omgaf kon veranderen en herscheppen. De oude Saracenenstad Diamante leek donna Micaela een paradijs.

Ze zeide dat zij in het geheel niet verbaasd was geweest, toen don Ferrante haar op de markt aansprak en aanzoek om haar hand deed. Het kwam haar zeer natuurlijk voor dat zoo iets in Diamante gebeurde. Zij had dadelijk gezien, dat Diamante een stad was, waar rijke mannen zochten naar arme, ongelukkige signorina’s om haar tot heerscheressen te maken in hun zwarte lavapaleizen.

Het zomerpaleis behaagde haar zeer. Het verbleekte, honderdjarige mousseline, dat de meubels bedekte, vertelde haar vele verhalen. En ze vond een diepe beteekenis in al de liefdestooneelen, die tusschen de herders en herderinnetjes op de wandschilderingen werden afgespeeld. Zij had ook dadelijk het geheim van don Ferrante geraden. Hij was in het geheel geen gewone koopman in een der straten van een kleine stad.

Hij was een eergierig man, die geld verzamelde om de familiegoederen op den Etna terug te kunnen koopen, evenals het paleis in Catania en het slot in de bergen. En indien hij een kort buis en een puntige muts droeg gelijk een boer, was dit slechts om des te eerder te kunnen optreden als grande van Spanje en prins van Sicilië.

Sedert hij getrouwd was, placht don Ferrante zich iederen avond te kleeden in een fluweelen rok, zijn gitaar in de hand te nemen, en zich te plaatsen op de koortrap van de muziekzaal in het zomerpaleis om canzones te zingen. Terwijl hij zong, droomde donna Micaela, dat ze gehuwd was met den edelsten man van het gansche schoone eiland Sicilië.

Toen donna Micaela een paar maanden getrouwd was, kwam haar vader uit de gevangenis en vestigde zich in het zomerpaleis bij zijn dochter. Hij bevond zich heel wel in Diamante en werd aller vriend. Hij sprak gaarne met de iemkers en de wijngaardeniers, die hij in het café Europa trof; en hij vermaakte zich iederen dag met het rijden naar den voet van den Etna om naar historische overblijfselen te zoeken. Maar hij had zijn dochter volstrekt geen vergiffenis geschonken. Wel woonde hij onder haar dak, maar hij behandelde haar als een vreemde en was nooit teeder jegens haar.

Donna Micaela liet hem stil geworden en hield zich alsof zij niets bemerkte.

Zij kon zijn toorn niet meer zoo ernstig opnemen. Deze oude man, dien zij liefhad, geloofde, dat hij haar jaar na jaar zou kunnen blijven haten. Hij zou in haar nabijheid leven, haar stem hooren, haar oogen zien en omgeven zijn door haar liefde, en hij zou kunnen voortgaan haar te haten!

O, hij kende haar noch zich zelf! En dikwijls zat zij te phantaseeren hoe het zou gaan als hij tot de erkentenis kwam, dat hij overwonnen was, wanneer hij tot haar komen en haar toonen zou, dat hij haar liefhad.

Op een dag stond donna Micaela op haar balkon, en wuifde tegen haar vader, die op een kleine donkerbruine ponny wegreed, toen don Ferrante uit zijn winkel kwam om met haar te spreken.

En wat don Ferrante haar wilde zeggen, was, dat het hem gelukt was voor haar vader een plaats te koopen in de broederschap van het heilig hart te Catania.

Maar ofschoon don Ferrante zeer duidelijk sprak, scheen donna Micaela hem volstrekt niet te verstaan.

Hij moest herhalen, dat hij gisteren in Catania was geweest, en dat het hem gelukt was cavaliere Palmeri een plaats te verschaffen in een broederschap. Hij zou over een maand daar intreden.

Zij vroeg slechts: „Wat wil dit zeggen? Wat beteekent dit?”

„O,” zei don Ferrante, „kan het mij niet vervelen kostbaren wijn van het vasteland voor je vader te laten komen en kan ik geen lust hebben zelf eens op Domenico te rijden?” Toen hij dit gezegd had, wilde hij heengaan. Er was immers niets meer te zeggen.

„Maar vertel mij toch eerst wat voor een broederschap dat is,” zeide zij.

„Wat dat is? Daar wonen vele oude mannen.”

„Arme oude mannen?”

„O ja, ze zijn juist niet rijk.”

„Ze hebben zeker geen eigen kamer?”

„Neen, maar zeer groote slaapzalen.”

„En ze eten uit tinnen borden aan ongedekte tafels?”

„Neen, ze zullen wel uit porselein eten.”

„Maar zonder tafelkleed?”

„Mijn hemel, wat zou dat, indien de tafel slechts schoon is!”

Hij trachtte haar gerust te stellen. „Daar wonen heel goede menschen. En als je het wilt weten, dan was het niet zonder aarzelen, dat men cavaliere Palmeri aannam.”

Toen verliet don Ferrante de kamer. Zijn vrouw was bedroefd, maar ook zeer verontwaardigd. Haar scheen het, dat hij zich beroofd had van rang en stand en een gewone koopman was geworden.

Ze zei heel luid, ofschoon niemand het kon hooren, dat het zomerpaleis slechts een groot en leelijk oud huis was en Diamante een arme, ellendige stad.

En natuurlijk zou ze niet toestaan, dat haar vader vertrok. Don Ferrante moest iets anders verzinnen.

Nadat de maaltijd geëindigd was, wilde don Ferrante naar café Europa gaan om domino te spelen en hij zocht naar zijn hoed.

Donna Micaela nam zijn hoed en volgde hem naar de galerij, die rondom den tuin liep. Toen ze ver genoeg van de eetzaal verwijderd waren, dat haar vader haar niet kon verstaan, zei ze heftig:

„Heb je iets tegen mijn vader?”

„Hij is te duur.”

„Maar je bent immers rijk.”

„Wie heeft je zoo iets verteld? Zie je dan niet hoe hard ik moet werken?”

„Wees dan liever zuinig met iets anders.”

„Ik zal ook zuinig zijn met iets anders. Giannita heeft nu genoeg geschenken gekregen.”

„Neen, onthoud mij liever iets.”

„Jij bent mijn echtgenoote, jij zult het houden, zooals je het hebt.”

Zij zweeg een oogenblik. Zij dacht na wat zij hem zou kunnen zeggen, dat hem bang zou maken.

„En indien ik nu je echtgenoote ben, weet je dan ook waarom ik dat geworden ben?”

„O, ja.”

„Weet je ook wat don Matteo mij beloofde?”

„Dat is don Matteo’s zaak, maar ik doe wat ik kan.”

„Je hebt misschien wel gehoord, dat ik brak met al mijn vrienden in Catania toen ik vernam, dat mijn vader hulp bij hen gezocht en niet gekregen had?”

„Dat weet ik.”

„En dat ik naar Diamante vertrok, opdat hij hen niet langer behoefde te zien en zich voor hen schamen moest?”

„Zij komen ook niet in de broederschap.”

„Indien je dit alles weet, ben je dan niet bang iets tegen mijn vader te doen?”

„Bang? Neen, voor mijn vrouw ben ik niet bang.”

„Heb ik je niet gelukkig gemaakt?” vroeg zij nu.

„O, ja,” antwoordde hij onverschillig.

„Vondt je het niet aangenaam voor mij te zingen? Beviel het je niet, dat ik je hield voor den edelmoedigsten man van geheel Sicilië? Vondt je het niet prettig, dat ik me zoo wel bevond in het oude paleis? Waarom moet dit alles nu eindigen?”

Hij legde zijn hand op haar schouder en waarschuwde haar.

„Denk er aan, dat je niet gehuwd bent met een voornamen heer van Via Etnea!”

„O, neen.”

„Hier op den berg heerschen andere zeden. Hier gehoorzamen de vrouwen haar mannen. En wij storen ons weinig aan schoone woorden. Maar als wij die willen hebben, weten we wel hoe we die moeten krijgen.”

Toen hij zoo sprak, werd zij bang. Het volgende oogenblik lag zij op de knieën voor hem.

Het was een donkere avond, maar er stroomde zoo’n heldere lichtschijn uit de vertrekken dat hij haar oogen kon zien.

In een vurige smeekbede, heerlijk als sterren, waren die op hem gevestigd.

„Wees barmhartig. Je weet niet hoe lief ik hem heb!”

Don Ferrante lachte. „Daarmee hadt je moeten beginnen. Nu heb je mij eerst boos gemaakt.”

Zij lag nog steeds onbeweeglijk en zag naar hem op.

„’t Is goed,” zei hij, „dat je voor het vervolg weet, hoe je je gedragen moet.”

Nog steeds lag ze op haar knieën.

Toen vroeg hij: „Zal ik het hem zeggen of wil je het zelf doen?”

Donna Micaela schaamde zich, dat zij zich zoo verootmoedigd had. Zij rees op en antwoordde trotsch:

„Ik zal het hem zeggen, maar niet vóór den laatsten dag. En jij zult hem niets laten merken.”

„Neen, dat zal ik niet,” zei hij, haar nasprekend. „Een korte ellende is aangenamer voor mij.”

Maar toen hij was heengegaan, lachte donna Micaela om don Ferrante, omdat hij meende, dat hij met haar vader kon doen wat hij wilde. Zij kende wel iemand, die haar helpen zou.

In den dom van Diamante bevindt zich een wonderdoend Madonnabeeld, en dit is zijn geschiedenis:

Lange, lange jaren geleden woonde een heilige heremiet in een grot op den Monte Chiaro. En deze heremiet droomde op een nacht, dat er in de haven van Catania een schip lag, dat geladen was met heiligenbeelden. Onder deze was er één, dat zoo heilig was, dat de Engelschen, die rijker zijn dan alle andere menschen, het tegen goud wilden opwegen.

Zoo spoedig de heremiet uit dezen droom ontwaakte, begaf hij zich naar Catania. Toen hij daar kwam, zag hij, dat hij de waarheid gedroomd had.

In de haven lag een schip, dat geladen was met heiligenbeelden en onder deze beelden was er één van de Madonna, dat heiliger was dan alle andere. Nu smeekte de heremiet den kapitein, dat hij dit beeld niet zou wegvoeren van Sicilië, maar het hem zou schenken.

Maar de kapitein weigerde dat.

„Ik breng het naar Engeland,” zei hij, „en de Engelschen zullen het tegen goud opwegen.”

De heremiet hernieuwde zijn bede. Op het laatst liet de kapitein hem door zijn matrozen van het schip jagen en heesch de zeilen tot vertrek.

Het scheen, alsof het heiligenbeeld voor Sicilië verloren zou gaan, maar de heremiet zonk op de knieën naast een der lavablokken op het strand en bad God, dat dit niet zou gebeuren.

En wat geschiedde er?

Het schip kon niet vertrekken. Het anker was gelicht, de zeilen waren geheschen en de wind was gunstig, maar gedurende volle drie dagen lag het schip onbeweeglijk, alsof het een rots was.

Den derden dag nam de kapitein het Madonnabeeld en wierp het den heremiet toe, die nog op het strand lag. En dadelijk daarna kon het schip de haven uitzeilen.

Maar de heremiet voerde het beeld naar den Monte Chiaro en nu bevindt het zich nog in Diamante, waar het een kapel en een altaar heeft in de domkerk.

Donna Micaela begaf zich naar deze Madonna om voor haar vader te bidden.

Ze zocht de kapel der Madonna op, die gebouwd was in een donkeren hoek van de domkerk.

Daar waren de wanden geheel bedekt met gaven, het beeld krachtens een belofte vereerd, met zilveren harten en schilderijen, geschonken door al degenen, die geholpen waren door Diamante’s Madonna.

’t Beeld was gebeiteld uit zwart marmer, en toen donna Micaela het in zijn nis zag staan, hoog en duister, bijna geheel verborgen achter het vergulde traliehek, meende zij te zien, dat het gelaat der Madonna schoon was, en straalde van mildheid.

En haar hart was vervuld van hoop.

Hier was de machtige koningin des hemels, hier was de goede moeder Maria, hier was de bedroefde, die aller smarten begreep, hier was zij, die niet zou toestaan, dat haar vader van haar werd genomen.

Hier bij de Madonna zou zij hulp vinden. Zij zou niets anders behoeven te doen dan op haar knieën vallen en haar nood klagen, opdat de zwarte Madonna haar zou bijstaan.

Terwijl zij bad, was zij overtuigd, dat don Ferrante reeds op hetzelfde oogenblik van meening veranderde.

Als zij thuis kwam, zou hij haar tegemoet loopen om haar te zeggen, dat haar vader haar niet behoefde te verlaten.

’t Was een morgen, drie weken later.

Donna Micaela kwam uit het zomerpaleis om naar de vroegmis te gaan, maar vóórdat zij zich naar de kerk begaf, ging ze naar donna Elisa’s winkel om een waskaars te koopen.

’t Was nog zoo vroeg, dat ze vreesde, dat de winkel nog niet open zou zijn, maar haar vrees bleek ongegrond, en zij was blijde, dat zij een geschenk kon meenemen voor de zwarte Madonna. Er was niemand in den winkel, toen donna Micaela binnentrad, en zij bewoog de deur heen en weer, opdat de bel zou luiden en donna Elisa binnen roepen.

Eindelijk verscheen er iemand, maar het was niet donna Elisa, maar een jonge man.

Deze jonge man was Gaetano, dien donna Micaela nauwelijks kende. Want Gaetano had zooveel van haar hooren vertellen, dat hij bang was haar te ontmoeten, en iederen keer, dat zij donna Elisa bezocht, had hij zich in zijn werkplaats opgesloten. Donna Micaela wist niets anders van hem dan dat hij Diamante wilde verlaten, en dat hij voortdurend heiligenbeelden sneed, opdat donna Elisa thuis iets zou hebben te verkoopen, terwijl hij groote schatten verdiende in Argentinië.

Toen zij nu Gaetano zag, vond zij hem zoo mooi dat het haar een genot was naar hem te kijken. Wel was ze angstig als een gejaagd hert, maar geen smart ter wereld kon haar verhinderen vreugde te gevoelen als zij iets schoons zag.

Zij vroeg zich af, waar zij hem vroeger gezien had, en zij herinnerde zich, dat zij zijn gezicht kende van haar vaders heerlijke schilderijenverzameling in het paleis te Catania.

Daar was hij niet gekleed geweest in een arbeiderskiel, maar droeg hij een zwarten, vilten hoed met lange, wuivende witte pluimen en een breeden, kanten kraag op een fluweelen mantel. En hij was geschilderd door den grooten meester Van Dijck.

Donna Micaela verzocht Gaetano om een waskaars, en hij begon daarnaar te zoeken. En nu deed zich het vreemde geval voor, dat Gaetano, die iederen dag in den kleinen winkel was, daar geheel vreemd scheen te zijn. Hij zocht naar een waskaars in de lade der rozenkransen en in de doozen der kleine medaillons. Hij kon er geen vinden en toen werd hij zoo ongeduldig, dat hij laden omver smeet en doozen kapot drukte. En het werd een groote wanorde en verwoesting. ’t Zou donna Elisa zeker veel verdriet doen, als zij thuis kwam. Maar donna Micaela vond het heerlijk te zien, hoe hij de dichte lokken van zijn voorhoofd streek en hoe zijn goudkleurige oogen fonkelden, gelijk gulden wijn wanneer de zon daarop straalt.

Het gaf haar troost iets te zien, dat zoo schoon was.

Donna Micaela vroeg toen vergiffenis aan de edele heeren die door den grooten Van Dijck geschilderd waren. Hoe dikwijls had zij tot hen gezegd:

„O, signor, ge zijt schoon geweest, maar zoo donker, zoo bleek, en zoo weemoedig hebt ge niet kunnen zijn. En zulke vuuroogen hebt ge niet bezeten, maar dit alles heeft de schilder slechts in uw gelaat gelegd.”

Maar toen donna Micaela Gaetano nu zag, vond ze dat dit alles in een gezicht kon gevonden worden en dat de meester niet noodig had gehad er iets aan toe te voegen. Daarom vroeg ze vergiffenis aan de oude edele heeren.

Onderwijl had Gaetano de lange doozen met kaarsen gevonden, die op dezelfde plaats onder de toonbank stonden waar ze altijd gestaan hadden.

En hij gaf haar een waskaars, maar wist niet wat die kostte; hij zeide, dat zij die later wel kon betalen. Toen zij om een stuk papier verzocht om de kaars in te wikkelen, werd hij zoo verlegen, dat zij hem moest helpen zoeken.

Het bedroefde haar dat zulk een man er aan dacht naar Argentinië te vertrekken.

Hij liet het aan donna Micaela over, de kaars in te pakken, terwijl hij zelf haar stil beschouwde.

Zij zou gewenscht hebben, dat zij hem kon verzoeken haar nu niet aan te zien, nu niets anders dan hopeloosheid en smart uit haar gelaat sprak.

Gaetano had haar trekken niet meer dan één oogenblik beschouwd, toen hij op een kleine trap sprong en een beeld van de bovenste plank nam en daarmee naar haar toe kwam.

Het was een kleine vergulde en geschilderde aartsengel, voorstellende San Michaël in strijd met den aartsvijand, dien hij nu uit het papier wikkelde.

Dezen reikte hij donna Micaela toe en verzocht hij haar aan te nemen. Hij wilde haar dit beeld schenken, omdat dit het beste was, dat hij ooit gesneden had. Hij was zoo overtuigd dat dit grooter macht bezat dan zijn andere beelden dat hij dit op de bovenste plank geplaatst had, opdat niet de eerste de beste dit beeld zou zien en koopen. Hij had donna Elisa verboden het aan iemand anders te verkoopen, dan aan dengene, die gebukt ging onder een groote smart. En nu moest donna Micaela dit beeld van hem aannemen.

Zij stond zwijgend, zij vond hem haast te indringend.

Maar Gaetano verzocht haar te zien, hoe goed het beeld gesneden was. Zag zij wel, dat de vleugels van den aartsengel in toorn opstonden en dat Lucifer zijn klauwen drukte in de stalen sporen van San Michaëls voet?

Zag zij met hoeveel kracht San Michaël zijn lans velde en hoe hij zijn voorhoofd fronste en zijn lippen op elkaar klemde?

Hij wilde het kleine beeld in haar hand leggen, maar zij schoof het zacht ter zijde.

Ze zag wel, dat het beeld schoon en machtig was, zei zij, maar zij wist, dat het haar niet kon helpen. Zij dankte hem voor zijn geschenk, maar zij wilde het niet aannemen. Toen trok Gaetano het beeld naar zich toe, wikkelde het in papier en zette het weer op zijn plaats.

En niet vóórdat het weer op de bovenste plank stond, sprak hij tot haar.

Maar toen vroeg hij haar waarom zij waskaarsen kocht indien zij geen geloovige was? Was het haar bedoeling te zeggen, dat zij niet aan San Michaël geloofde? Wist zij dan niet, dat hij de machtigste der engelen was en dat hij het was, die Lucifer overwonnen en in den Etna geworpen had? Twijfelde zij of dat waar was? Wist ze niet, dat San Michaël gedurende den strijd een veer uit zijn vleugel verloren had en dat deze in Caltanisette gevonden was? Wist zij dat of wist zij dat niet?

Of wat bedoelde zij anders ermee, dat San Michaël haar niet kon helpen? Geloofde zij, dat geen heilige haar helpen kon? En hij dan, die iederen dag in zijn werkplaats heiligen sneed? Zou hij dat doen, indien ze nergens voor dienden? Dacht zij, dat hij een bedrieger was?

Maar daar donna Micaela een even streng geloovige was als Gaetano, vond zij zijn woorden onrechtvaardig en dat prikkelde haar tot tegenspraak.

„Het gebeurt toch soms, dat de heiligen niet helpen,” zeide ze. En toen Gaetano er ongeloovig uitzag, kreeg ze een onweerstaanbare neiging hem te overtuigen; en zij zei hem, dat men haar uit naam der Madonna beloofd had, dat indien zij don Ferrante een trouwe echtgenoote werd, haar vader een onbezorgden ouden dag zou hebben.

En nu wilde haar man toch haar vader in een broederschap plaatsen, die arm was als een armhuis en streng als een gevangenis. En de Madonna had dit niet afgewend, maar over acht dagen zou het gebeuren.

Gaetano luisterde aandachtig naar haar.

Dit maakte, dat zij hem haar gansche geschiedenis toevertrouwde.

„Donna Micaela,” zei hij, „ge moet u wenden tot de zwarte Madonna in de domkerk.”

„Gelooft ge dan, dat ik niet tot haar gebeden heb?”

Toen steeg een blos naar Gaetano’s wangen en hij zei bijna toornig:

„Ge wilt toch niet zeggen, dat ge u tevergeefs gewend hebt tot de zwarte Madonna?”

„Ik heb de laatste drie weken tevergeefs tot haar gebeden, haar gesmeekt en gebeden.”

Toen donna Micaela dit zei, kon zij nauwelijks ademhalen.

Ze kon over zichzelf weenen, omdat ze iederen dag hulp verwacht had en iederen dag teleurgesteld werd en toch geen beter middel wist dan opnieuw met haar smeekbeden te beginnen.

En men zag op haar gelaat, dat haar ziel opnieuw doorleefde, wat zij geleden had, toen zij elken dag de vervulling van haar bede verwachtte, en de tijd verstreek zonder dat dit gebeurde.

Gaetano werd echter niet getroffen door haar woorden, maar stond glimlachend te trommelen op een der glazen uitstalkasten, die op de toonbank stonden.

„Hebt ge slechts tot de Madonna gebeden?” zei hij.

Slechts gebeden, slechts gebeden! Maar zij had de Madonna ook beloofd al haar zonden af te leggen.

Ze was naar de steeg gegaan, waar zij eerst gewoond had om de vrouw met de beenwonde te verplegen.

Ze liep nooit een bedelaar voorbij, zonder hem een aalmoes te geven.

Slechts gebeden! En zij zeide hem, dat indien de Madonna de macht bezeten had haar te helpen, zij tevreden had moeten zijn met haar gebeden. Zij had haar dagen in de domkerk doorgebracht. En de angst, de angst, die haar verteerde! Werd die dan in ’t geheel niet gerekend?

Hij trok slechts zijn schouders op. „Had zij niets anders beproefd?”

„Niets anders! Maar er was niets ter wereld, dat zij niet beproefd had. Zij had de Madonna zilveren harten en waskaarsen geschonken. Zij legde de rozenkrans niet uit haar handen.”

Gaetano’s woorden wonden haar op.

Niets wat zij gedaan had wilde hij rekenen, maar hij vroeg slechts:

„Niets anders? Niets anders?”

„Maar ge moet toch begrijpen,” zeide ze, „don Ferrante geeft mij toch niet zooveel geld. Ik kan niet meer doen. Nu eindelijk is het mij gelukt zijde voor een altaarkleed aan te schaffen. Ge moet dat toch begrijpen!”

Maar Gaetano, die alle dagen met heiligen verkeerde en die de macht der geestvervoering en der heftigheid kende, die over hen was als ze God dwongen hun gebeden te verhooren, lachte hoonend om donna Micaela die geloofde de Madonna door waskaarsen en altaarkleeden te kunnen dwingen.

„Hij begreep het wel,” antwoordde hij haar. „De geheele samenhang was hem duidelijk. Zoo ging het den armen heiligen nu altijd. De gansche wereld riep hen aan om hulp, maar slechts weinigen wisten hoe zij moesten bidden om geholpen te worden. En dan zei men, dat de heiligen geen macht hadden.

„Allen, die wisten hoe ze moesten bidden, werden geholpen.”

Donna Micaela zag op in blijde verwachting. Er klonk zulk een kracht en overtuiging uit Gaetano’s woorden, dat zij begon te gelooven, dat hij haar het verlossende woord zou kunnen leeren.

Maar Gaetano nam de kaars, die voor haar op de toonbank lag en wierp die weer in de lade en zeide haar wat ze doen moest. Hij verbood haar de Madonna geschenken te geven of tot haar te bidden of iets voor de armen te doen.

Hij zei haar, dat hij haar altaarkleed zou verscheuren, indien zij nog een steek daaraan naaide.

„Toon haar, donna Micaela, dat het iets voor u beteekent,” zei hij, terwijl hij haar met dwingende kracht in de oogen keek.

„Mijn God, ge moet iets kunnen bedenken, dat haar bewijst dat het u ernst is en geen spel.

„Ge moet haar kunnen toonen, dat ge niet langer wilt leven, indien ge niet geholpen wordt. Denkt ge trouw te blijven aan don Ferrante, indien hij uw vader wegzendt? Ja, dat denkt ge zeker. En als de Madonna niet bevreesd behoeft te zijn, voor hetgeen ge in wanhoop doen zult, waarom zal ze u dan helpen?”

Donna Micaela deinsde achteruit. Hij kwam plotseling achter de toonbank vandaan en hield haar bij de mouw van haar mantel vast.

„Begrijpt ge, ge moet haar toonen, dat ge u zelf weg kunt werpen, indien ge geen hulp krijgt. Dat ge u in zonde en verderf zult storten als ge niet krijgt, wat ge wilt. Het is op deze wijze, dat men heiligen dwingt.”

Zij week voor hem terug en ging zonder een woord te spreken uit den winkel. Zij haastte zich langs de kronkelende straat, bereikte den dom en wierp zich geheel ontsteld neder voor het altaar der zwarte Madonna.

Dit gebeurde op een Zaterdagmorgen en donna Micaela zag Zondagavond Gaetano opnieuw. De maan scheen helder en in Diamante is het gebruikelijk, dat bij maneschijn een ieder zijn huis verlaat en op straat gaat.

Zoodra de bewoners van het zomerpaleis buiten kwamen, hadden ze bekenden getroffen. Donna Elisa had cavaliere Palmeri’s arm genomen en sindaco Voltaro had zich bij don Ferrante gevoegd om met hem over de verkiezingen te spreken, maar Gaetano ging naar donna Micaela om te hooren of ze zijn raad gevolgd had.

„Hebt ge opgehouden aan het altaarkleed te naaien?”

Donna Micaela antwoordde hem, dat ze den ganschen dag daaraan gewerkt had.

„Dan zijt ge zelf de oorzaak, dat ge niet geholpen wordt, donna Micaela.”

„Ja, nu is er geen hulp meer voor mij mogelijk, don Gaetano.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/lagerlof-selma/de-wonderen-van-den-antichrist/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


