De Koopman van Venetië
Уильям Шекспир




William Shakespeare

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven





… übersetzen… ist kein freies Dichten (ποιεῖν); das durften wir nicht, gesetzt wir konnten es. Aber der Geist des Dichters muss über uns kommen und mit unsern Worten reden. Die neuen Verse sollen auf ihre Leser dieselbe Wirkung thun, wie die alten zu ihrer Zeit auf ihr Volk und heute noch auf die, welche sich die notige Mühe philologischer Arbeit gegeben haben. So hoch geht die Forderung. Wir wissen wohl, wie wenig wir sie erfullen, aber auf Erden wird überhaupt das Mögliche nur geleistet, wenn das Unmögliche gefordert wird, und man muss das Ziel kennen, damit man den Weg findet.

    ULRICH VON WILAMOWITZ-MOELLENDORFF

De eerste druk van deze vertaling is verschenen in 1903 bij den uitgever Johan Pieterse te Rotterdam.

De tweede, goedkoope, druk, door den Vertaler zorgvuldig herzien, is verschenen in het midden van 1913.

Deze derde druk, in abonnement W.B. is verschenen Juli 1916.




PERSONEN


De Doge van Venetië.

De Prins van Marokko,

De Prins van Arragon,

}

dingend naar een huwelijk met Portia.

Antonio, de Koopman van Venetië.

Bassanio, zijn bloedverwant en vriend.

Solanio,

Salarino,

Gratiano,

}

vrienden van Antonio en Bassanio.

Lorenzo, verliefd op Jessica.

Shylock, een Jood.

Tubal, een Jood, zijn vriend.

Lancelot Gobbo, bediende van Shylock, later van Bassanio.

De Oude Gobbo, vader van Lancelot.

Leonardo, bediende van Bassanio.

Balthazar,

Stephano,

}

bedienden van Portia.

Portia, een rijke Erfgename.

Nerissa, haar Kamenier.

Jessica, dochter van Shylock.

Senatoren van Venetië, Beambten van het Gerechtshof, een Cipier, Bedienden en ander Gevolg.

Het stuk speelt gedeeltelijk te Venetië en gedeeltelijk op Belmont, Portia's landgoed.




Eerste Bedrijf





Tooneel I



Venetië. Een Straat



Antonio, Salarino en Solanio komen op.



Antonio:

		'k Weet waarlijk niet waarom 'k zoo somber ben,
		Ik vind het lastig, en dat vindt gij óók;
		Maar hoe ik 't opdeed, er aan kwam, of 't kreeg,
		Waarvan 't gemaakt is, waaruit het ontstond,
		Dat weet ik niet;
		En tot zóó'n domoor maakt dat somb're mij,
		Dat met den besten wil 'k mijzelf niet ken.


Salarino:

		Uw zinnen zwalken op den oceaan,
		Waar uw galjoenen met hun statig zeil,
		Signors en rijke burgers van den vloed,
		Of, als het ware, pronksieraân der zee,
		Zien boven 't hoofd der kleine schepen uit,
		Die voor hen buigen, en hun hulde doen,
		Voorbij hen vliegend op geweven wiek.


Solanio:

		Had ik zoo'n risico op zee, Mijnheer,
		Voorwaar het grootste deel van mijn gemoed
		Zou bij mijn verre hoop zijn. 'k Plukte steeds
		Grasjes om 't waaien van den wind te zien,
		Op kaarten tuurde ik om te weten waar
		Er havens, kaden, reeden konden zijn,
		En ieder voorwerp dat mij vreezen deed
		Voor wat op zee ik waagde, 't zou gewis
		Mij somber maken.


Salarino:

		Als 'k mijn soep koud blies,
		Dan gaf mijn adem mij de koorts, wen 'k dacht
		Welk kwaad te harde wind op zee kon doen.
		Ik zag het zand niet door het uurglas gaan,
		Of 'k dacht aan banken en aan ondiepten,
		En 'k zag mijn rijke "Andries," met dek in 't zand,
		De mastpunt lager buigend dan het boord,
		Haar grafplaats kussen. Ging ik naar de kerk,
		En zag ik 't heilige gebouw van steen,
		Dacht 'k aanstonds niet aan rotsen vol gevaar,
		Die slechts de zijde rakend van het schip,
		Zijn specerij zou strooien op den stroom,
		Het brullend nat bekleeden met mijn zij,
		En, in één woord, zooeven zóó veel waard,
		Nu niets meer waard? Komt de gedachte in me op
		Hieraan te denken, denk ik dan ook niet
		Dat zulk een ramp mij somber maken zou?
		Zeg mij maar niets; 'k weet het, Antonio
		Is somber, denkend aan zijn handelswaar.


Antonio:

		Neen, zeker niet. 'k Dank mijn geluk er voor
		Dat mijn fortuin niet op één bodem rust,
		Noch op één plaats; noch hangt mijn gansch bezit
		Van 't slagen af in 't tegenwoordig jaar;
		Mijn handelswaar maakt mij dus niet bedrukt.


Salarino:

		Welnu, dan zijt ge vast verliefd.


Antonio:

		Foei, foei!


Salarino:

		Oók niet? Komaan, dàn zult ge somber zijn,
		Wijl gij niet vroolijk zijt; 't ging even goed
		Te lachen en te dansen en te zeggen
		"'k Ben vroolijk," omdat gij niet somber zijt.
		Bij den tweehoofd'gen Janus,[1 - Romeinsche oorlogsgod, ook god van het begin van het jaar, met twee aangezichten, waarvan het eene vaak jeugdig en glimlachend en het andere oud en gefronsd was.] de natuur
		Heeft vreemde kwanten nu en dan gevormd:
		De een tuurt voortdurend door zijn wimpers heen,
		Lacht, als een papegaai, bij 'n doedelzak,
		En de ander heeft zoo'n zuur azijngezicht,
		Dat hij zijn tanden nooit ten glimlach toont,
		Schoon Nestor[2 - Koning van Pylos (Navarino), een der Grieksche helden die aan den Trojaanschen oorlog deelnamen; de type van ouderdom, wijsheid en ernst.] zwoere op de aardigheid der grap.



Bassanio, Lorenzo en Gratiano komen op.



Solanio:

		Daar komt Bassanio, uw eed'le neef,
		Gratiano, en Lorenzo. Vaart gij wel:
		Veel beter is 't gezelschap dat u zoekt.


Salarino:

		'k Wou blijven tot ik u wat blijder zag,
		Maar waard'ger vrienden zijn mij vóór geweest.


Antonio:

		Uw waarde wordt zeer hoog door mij geschat,
		'k Vermoed, uw eigen zaken roepen u,
		Gij neemt de kans dus waar on heen te gaan.


Salarino:

		Ik groet u, waarde Heeren.


Bassanio:

		Wel Signors, wanneer lachen wij weer eens?
		Gij wordt ons bijster vreemd; moet dat zoo zijn?


Salarino:

		Gij moogt beschikken over onzen tijd.



Salarino en Solanio af.



Lorenzo:

		Mijnheer Bassanio, nu ge Antonio vondt,
		Verlaten wij u, maar onthoud toch goed
		Waar wij bij 't maal elkaâr weer zullen zien.


Bassanio:

		'k Zal stellig bij u zijn.


Gratiano:

		Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
		Gij zijt te veel bezorgd om 's werelds goed:
		Wie 't met veel zorgen koopt, verliest het weer,
		'k Verbaas me, zooals gij veranderd zijt.


Antonio:

		'k Beschouw de wereld slechts zooals zij is;
		Als een tooneel, waar elk zijn rol op speelt,
		De mijne is droef.


Gratiano:

		Geef mij dan die van nar.
		Laat de oude rimpels komen met gelach
		En scherts, en gloei' mijn lever eer van wijn,
		Dan dat mijn hart door kommerlijk gekreun
		Bekoele. Waarom zou een man, wiens bloed
		Warm in hem is, daar zitten als zijn grootvaêr
		Gehouwen in albast?[3 - Toespeling op een grafteeken.] en als hij waakt
		Gaan slapen? of de geelzucht op zijn lijf
		Door kniezen halen? Hoor nu eens, Antonio, —
		Ik ben uw vriend, en vriendschap leidt mijn taal; —
		Daar is een soort van menschen, wier gelaat
		Gelijk een stille vijver is bedekt,
		En die halsstarrig zwijgen, met het doel
		Om zich een dunk te geven van te zijn
		Vol wijsheid, ernst en diepe peinzerij;
		Alsof zij zeggen: "'k Ben Mijnheer Orakel,
		Geen hond mag blaffen, als ik spreken ga."
		O, mijn Antonio, ik ken ze wel,
		Die slechts voor wijs gehouden worden, wijl
		Zij nooit iets zeggen, en wier taal gewis
		De ooren bijna verdoemen zou, die 't hoorend,
		Tot hunne broeders zeggen zouden: "Dwaas!"[4 - Vgl. Mattheus V, 22.]
		'k Vertel u op een and'ren tijd nog meer:
		Maar visch niet met dit aas, melancholie,
		Naar dezen mallen spiering, dezen dunk,[5 - Nl. den dunk van wijsheid dien de menschen van u krijgen moeten, juist iets voor maltentige lieden om naar te streven.]—
		Kom nu Lorenzo. – Vaar intusschen wel;
		Na 't eten krijgt ge 't slot van mijn vermaan.


Lorenzo:

		Nu, wij verlaten u tot etenstijd.
		'k Moet een van die stom-wijze menschen zijn,
		Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.


Gratiano:

		Nu, ga nog slechts twee jaren met mij om,
		Dan kent ge uw eigen stemgeluid niet meer.


Antonio:

		Vaarwel: 'k word ook een prater als 'k u hoor.


Gratiano:

		Mijn dank: op zwijgen wordt dan ook alleen gehoopt
		Bij ossetong en 't meisje dat zich niet verkoopt.



Gratiano en Lorenzo af.



Antonio:

		Heeft dat nu iets te beteekenen?


Bassanio:



Gratiano spreekt een ontzaglijke hoop niets, meer dan iemand in heel Venetië. Zijn verstandige woorden zijn als twee korrels tarwe verborgen in twee schepels kaf; ge moet den ganschen dag zoeken eer ge ze vindt; en als ge ze hebt, zijn ze 't zoeken niet waard geweest.



Antonio:

		Kom; zeg me nu, wie is die jonkvrouw toch,
		Naar wie ge stil een bedevaart woudt doen,
		Van wie ge mij vandaag vertellen zoudt?


Bassanio:

		't Is u niet onbekend, Antonio,
		Hoezeer ik mijn vermogen heb verkleind,
		Door 't ietwat houden van een hoog'ren staat
		Dan 'k door mijn beetje geld kon blijven doen.
		Nu klaag ik niet dat ik mij maat'gen moet
		In zulk een weelde; maar mijn grootste zorg
		Is hoe ik eervol afkom van de schuld
		Waarin mijn al te ruime levenswijs
		Mij heeft verstrikt. Ik heb het meest aan u,
		Antonio, in geld en vriendschap schuld;
		Uw vriendschap is me er ook een waarborg voor,
		Dat 'k al mijn plannen u ontboez'men kan
		Hoe van mijn groote schulden mij te ontdoen.


Antonio:

		Bassanio, ik bid u, zeg het mij;
		En valt het licht der eer er op, zooals
		Op U nog, wees verzekerd dat mijn beurs
		En mijn persoon en al wat ik vermag
		Voor uwe goede zaak beschikbaar zijn.


Bassanio:

		Wanneer 'k als knaap een pijl verloren had,
		Schoot ik een and'ren van dezelfde kracht
		Denzelfden kant, en nam hem scherper waar,
		En door de twee te wagen, vond ik vaak
		Hen beî, niet één slechts. 'k Noem die jongensproef,
		Omdat wat volgt oprecht en zuiver is.
		'k Ben u veel schuldig; wat ik schuldig ben
		Is weg zooals 't een heethoofd gaat; maar als
		Ge een tweeden pijl wilt schieten naar den kant
		Waarheen ge d'eersten schoot, ik twijfel niet,
		Of 'k vind – daar 'k op het doel zal letten – beî;
		Maar anders breng 'k uw laatsten inzet weer,
		En blijf voor d'eerste' uw dankb're schuldenaar.


Antonio:

		Gij kent mij goed, en gij verkwist slechts tijd,
		Als ge om mijn vriedschap met veel omhaal draait;
		Ge doet mij nu gewis meer onrecht aan
		Doordat ge twijfelt aan mijn beste hulp,
		Dan als gij al mijn goed hadt opgemaakt.
		Zeg mij daarom gerust wat ik moet doen,
		Wat, voor zoover gij weet, 'k zou kunnen doen,
		En 'k ben er toe bereid; spreek dus vrijuit.


Bassanio:

		Op Belmont woont een jonkvrouw, ze is alleen,
		En zij is schoon, en, wat nog schooner klinkt,
		Van wonderbare deugden. Eertijds gaf
		Haar oog mij teek'nen, lief en sprakeloos.
		Haar naam is Portia, niets minder waard
		Dan Cato's dochter, Brutus' Portia.
		De wijde wereld kent haar waarde wel,
		De winden blazen toch van elke kust
		Doorluchte minnaars; en haar zonnig haar
		Hangt om haar slapen als een gouden vlies,
		Wat huize Belmont maakt tot Kolchos' strand,
		En vele Jasons zoeken haar tot vrouw.[6 - Onder aanvoering van Jason zeilden de Argonauten naar Kolchos (of Kolchis,) ten Oosten van de Zwarte Zee om de gouden vacht te halen.]
		O mijn Antonio! had ik midd'len slechts
		Om mij met hen te meten in waardij! —
		Daar ik een voorgevoel heb van geluk,
		En dat ik zeker voorspoed hebben zou.


Antonio:

		Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;
		Ik heb geen geld, en geen gelegenheid
		Om thans een som te heffen: ga dus heen;
		Zie in de stad[7 - Nl. Venetië.] wat mijn krediet vermag:
		Gij moogt het rekken tot de verste grens,
		Als het u brengt naar Belmonts Portia.
		Ga, onderzoek terstond – ik doe dat ook —
		Waar geld is, en het komt – ik twijfel niet —
		Om mijnentwil of ook om mijn krediet. (Beiden af.)




Tooneel II



Belmont. Een vertrek in Portia's Huis



Portia en Nerissa komen op.



Portia:



Heusch, Nerissa, mijn klein persoontje is deze groote wereld moe.



Nerissa:



Dat zoudt u zijn, lieve mevrouw, als uw ellenden even overvloedig waren als uw goed geluk; en toch, voor zoover ik zien kan, zijn zij die zich met te veel volproppen even ziek als zij die van niets hongerlijden: daarom is het geen gering geluk den middenweg te bewandelen; overmaat komt spoediger aan witte haren, maar genoeg hebben leeft langer.



Portia:



Mooie stelregels, en goed gezegd ook.



Nerissa:



Ze zouden beter zijn, als ze goed werden opgevolgd.



Portia:



Als het doen even gemakkelijk was als te weten wat goed is om te doen, dan moesten kapellen nu kerken zijn, en armelui's hutjes koningspaleizen. Hij is een goed preeker die zijn eigen voorschriften nakomt: ik kan gemakkelijker twintig leeren wat goed is om te doen dan één van de twintig zijn om mijn eigen lessen na te komen. De hersenen kunnen wel wetten uitdenken voor het bloed; maar een vurige natuur springt over een koel gebod: zóó'n haas is de jongeling heethoofdigheid, dat hij hipt over het mazennet van goeden raad, den kreupele. Maar dit redeneeren is nu niet precies de weg om een man te kiezen: – O wee, dat woord kiezen! Ik mag niet kiezen wien ik wil en evenmin weigeren wien ik niet kan uitstaan; zoo wordt de wil van een levende dochter bedwongen door de wilsbeschikking van een dooden vader. – Is het niet hard, Nerissa, dat ik er niet één kan kiezen en evenmin geen kan afslaan?



Nerissa:



Uw vader is altijd een braaf man geweest; en vrome menschen hebben bij hun dood goede ingevingen; daarom zal in de loterij die hij met die drie kistjes van goud, zilver en lood bedacht heeft, (en hij die daaruit naar zijn zin kiest, kiest u,) zonder twijfel door niemand goed gekozen worden dan door hem die u goed liefheeft. Maar welke warmte voelt uw gemoed jegens den een of ander van de vorstelijke pretendenten die reeds gekomen zijn?



Portia:



Noem ze asjeblieft nog eens op; en naar je ze opnoemt zal ik ze beschrijven; en volgens mijn beschrijving laten raden naar de stemming van mijn gemoed.



Nerissa:



Vooreerst dan hebben wij den Napolitaanschen prins.



Portia:



Nu, dat is een echt veulen, 'n echt jong spring-in't-veldje, want hij doet niets dan over zijn paard praten; en hij beschouwt het als een grooten bijslag voor zijn bizondere talenten dat hij het zelf kan beslaan: ik ben erg bang dat zijn moeder het met een smid heeft gehouden.



Nerissa:



Dan hebben we den Paltsgraaf.



Portia:



Hij doet niets dan boos kijken, alsof hij zeggen wou: "Als je mij niet wilt hebben, kies dan maar een ander;" hij hoort vroolijke verhalen aan, en glimlacht niet eens, – ik vrees dat hij de weenende wijsgeer zal worden als hij oud wordt, nu hij in zijn jeugd al zoo onbehoorlijk somber is. Ik zou liever trouwen met een doodshoofd met een bot in zijn mond dan met een van die twee. God beware me voor die twee!



Nerissa:



Maar wat zegt u van den Franschen heer, Monsieur le Bon?



Portia:



God heeft hem geschapen, en laat hem daarom voor een man doorgaan. Heusch, ik weet wel dat het zondig is te spotten.[8 - Spreuken XVII, 5] Maar hij dan ook! Wel, hij heeft een paard dat beter is dan dat van den Napolitaan, nog mooiere onhebbelijkheid on boos te kijken dan de Paltsgraaf: hij is iedereen in niemand; als een lijster aan 't fluiten slaat, begint hij dadelijk rond te springen; hij schermt met zijn eigen schaduw: als ik hem trouwde zou ik twintig mannen trouwen: als hij mij verachtte zou ik 't hem vergeven; want als hij dol verliefd op me was, zou ik het hem nooit vergelden.



Nerissa:



Weet u misschien iets te zeggen tegen Faulconbridge, den jongen Engelschen baron?



Portia:



Ik weet niets tegen hem te zeggen, want hij verstaat me niet, evenmin als ik hem; hij kent geen Latijn, geen Fransch en geen Italiaansch, en je kunt er gerust voor het gerecht op zweren, dat ik maar een armzalig beetje van het Engelsch afweet. Hij is anders een knap stel van een man; maar helaas! wie kan omgaan met een figurant? En wat is hij vreemd gekleed! Ik geloof dat hij zijn wambuis in Italië, zijn pofbroek in Frankrijk, zijn muts in Duitschland, en zijn manieren overal gekocht heeft.



Nerissa:



Wat denkt u van zijn naasten buurman, den Schotschen lord?



Portia:



Dat hij liefde tot zijn naaste bezit; want hij leende een oorvijg van den Engelschman, en zwoer dat hij hem terug zou betalen, als hij kon: ik geloof dat de Franschman hem borg bleef, en er zijn zegel onder zette[9 - d. i. hem waarborgde, er borg voor bleef.] dat hij er een bij zou doen.



Nerissa:



Hoe vindt u den jongen Duitscher, den neef van den hertog van Saksen?



Portia:



Zeer verachtelijk in den morgen, als hij nuchter is; en allerverachtelijkst in den middag, als hij dronken is; als hij zich op zijn best vertoont, dan is hij een beetje minder dan een mensch; en als hij op zijn slechtst is, dan is hij weinig beter dan een beest. Mocht het ergste gebeuren wat ooit gebeuren kon, dan hoop ik dat het me zal gelukken het zonder hem te stellen.



Nerissa:



Als hij besloot te kiezen, en hij koos het goede kistje, dan zoudt u weigeren uw vaders wensch te vervullen, als u weigerde hem aan te nemen.



Portia:



Zet daarom, wat ik je bidden mag, uit vrees voor het ergste, een vol glas Rijnwijn op het verkeerde kistje, want al is de duivel er binnen in, maar die verleiding er boven op, dan weet ik dat hij ze kiezen zal. Ik zal liever ik weet niet wàt doen, Nerissa, dan met een spons trouwen.



Nerissa:



U behoeft niet bang te zijn, Mevrouw, dat u een van deze heeren tot man zult krijgen: zij hebben mij hun besluit meegedeeld, namelijk om naar huis terug te keeren, en u niet met verdere aanzoeken lastig te vallen, of ge moest u op een andere manier laten winnen dan door uw vaders bepaling betreffende de kistjes.



Portia:



Al word ik zoo oud als de Sibylle[10 - Zekere profetessen. Een van hen had van Apollo, die op haar verliefd was, verkregen dat zij evenveel jaren zou leven als hij zandkorrels in zijn hand hield.], toch zal ik zoo maagdelijk als Diana sterven, als ik niet verkregen word op de manier die door het testament van mijn vader is aangewezen. Ik ben blij dat dit partijtje aanzoekers zoo redelijk is; want er is er niet één onder hen of ik snak naar niets zóózeer als naar zijn afwezigheid, en ik bid God dat hij hun een goede reis geeft.



Nerissa:



Herinnert ge u niet, Mevrouw, uit uw vaders tijd een Venetiaan, een geletterde en officier, die hier kwam in gezelschap van den Markies van Montferrat?



Portia:



Ja, ja; het was Bassanio; ten minste ik geloof dat hij zoo heette.



Nerissa:



Zeker, Mevrouw, en van alle mannen die mijn dwaze oogen ooit aanschouwden, verdiende hij het meest een mooie jonkvrouw.



Portia:



Ik herinner mij hem best, en ook dat hij uw lof verdiende. —

Een Bediende komt op.

Wat nu? Is er wat nieuws?



Bediende:



De vier[11 - Er waren er eigenlijk zes: de Napolitaansche Prins, de Paltsgraaf, de Franschman, de Engelsche baron, de Schotsche lord en de Duitscher, maar dit is een van die "slips" welke Shakespeare meer overkomen.] vreemdelingen vragen naar u, Mevrouw, om afscheid van u te nemen; en er is een koerier gekomen van een vijfden, den Prins van Marokko, die bericht dat zijn meester, de Prins, van avond hier zal zijn.



Portia:



Als ik den vijfden even hartelijk welkom kon heeten als ik de andere vier vaarwel kan zeggen, dan zou ik mij verheugen over zijn aankomst: als hij het innerlijk heeft van een heilige en het uiterlijk van een duivel, dan had ik hem liever tot bid- dan tot bedgenoot. – Kom, Nerissa. – Vrindschap, ga voor. – Terwijl we de poort achter den eenen minnaar sluiten, klopt de andere op de deur. (Allen af).





Tooneel III



Venetië. Een Marktplein



Bassanio en Shylock komen op.



Shylock:



Drie duizend dukaten,[12 - De Venetiaansche dukaat gold ongeveer een rijksdaalder.]– juist.



Bassanio:



Ja, Mijnheer, voor drie maanden.



Shylock:



Voor drie maanden, – juist.



Bassanio:



Waarvoor, zooals ik zei, Antonio borg zal blijven.



Shylock:



Antonio borg zal blijven, – juist.



Bassanio:



Kunt ge mij helpen? Wilt ge mij 't genoegen doen? Mag ik uw antwoord weten?



Shylock:



Drie duizend dukaten voor drie maanden, en Antonio borg.



Bassanio:



Uw antwoord hierop.



Shylock:



Antonio is goed.



Bassanio:



Hebt ge hem ooit van het tegendeel hooren beschuldigen?



Shylock:



Heiwat! neen, neen, neen, neen; – mijn bedoeling met te zeggen dat hij goed is, is dat ge 't zóó moet opvatten, dat hij er goed voor is; maar toch is zijn fortuin vrij denkbeeldig. Hij heeft een galjoen bestemd voor Tripoli, en nog een voor Indië, verder heb ik op den Rialto[13 - d. i. op de beurs, die zich bevond op de Isola del Rivo alto (eiland van den diepen stroom,) uit welke laatste woorden Rialto is ontstaan. In Shakespeare's tijd bestond de brug van dien naam nog niet.] gehoord, dat hij een derde in Mexico heeft, een vierde op weg naar Engeland, terwijl hij nog andere handelsgoederen hier en daar verspreid heeft. Maar schepen zijn niets dan planken en zeelui niets dan menschen: er zijn landratten en waterratten, roovers zoowel te water als te land, ik bedoel zeeroovers; en dan is er het gevaar van water, wind en rotsen. Maar toch is de man er goed voor; – drie duizend dukaten; – ik geloof dat ik zijn borgtocht wel kan aannemen.



Bassanio:



Wees er zeker van dat ge 't kunt.



Shylock:



Ik wil er zeker van zijn dat ik het kan; en opdat ik er zeker van kan zijn, zal ik er eens over denken. Zou ik Antonio kunnen spreken?



Bassanio:



Ja, als ge met ons gelieft te eten?



Shylock:



Wel zeker, om varkensvleesch te ruiken! om te eten van de woning waarin uw profeet, de Nazarener, den duivel bande![14 - Toespeling op Jezus' wonder in 't land van de Gadarenen, Lukas VIII, 33.] Ik wil met u koopen, met u verkoopen, met u spreken, met u wandelen, en zoo voorts; maar ik wil niet met u eten, niet met u drinken, en evenmin met u bidden. – Wat voor nieuws is er op den Rialto? – Wie is dat die daar aankomt?

Antonio komt op.



Bassanio:



Dat is signor Antonio.



Shylock (ter zijde):

		Hoe lijkt hij op een slaafschen tollenaar!
		Ik haat hem, omdat hij een Christen is;
		Maar meer, omdat in lagen eenvoud hij
		Geld gratis uitleent, en den rentestand
		Hier bij ons in Venetië dalen doet.
		Als ik hem eens het beentje lichten kan,
		Dan mest ik zoo mijn oude veete vet.
		Hij haat ons heilig volk; en hij geeft af,
		Juist daar waar 't meest de hand'laars samenzijn,
		Op mij, mijn zaak en wel-verdiende winst,
		Haar woeker noemend. Zij mijn stam vervloekt,
		Als 'k hem vergeef!


Bassanio:



Zeg, Shylock, luistert gij?



Shylock:

		Ik schat wat ik op 't oogenblik bezit,
		En naar 't geheugen vrij nauwkeurig gis,
		Breng ik zoo dadelijk de volle som
		Van drie duizend dukaten niet bijeen
		Wat zou 't? Tubal, een rijke van mijn stam,
		Zal mij wel helpen. Stil! Voor hoeveel maand
		Verlangt gij 't? – (tot Antonio) Vrede zij met u, Mijnheer;
		Wij spraken nog daareven over u.


Antonio:

		Shylock, schoon 'k nooit te leen geef of ontvang,
		Om meer terug te krijgen of te geven,
		Toch breek ik die gewoonte voor den nood,
		Die dringt, van eenen vriend. – (tot Bassanio) Weet hij nu al
		Hoeveel gij wenscht?


Shylock:

		Ja, drie duizend dukaten.


Antonio:

		En voor drie maand.


Shylock:

		'k Vergat het nog; – drie maand; dat zeidet gij.
		Goed, uw kontrakt; – laat zien. – Maar luister eens;
		Me dunkt, gij zeidet dat ge op int'rest nooit
		Aan of van iemand leendet.


Antonio:

		'k Doe het nooit.


Shylock:

		Toen Jakob Labans schapen grazen liet, —
		Hij was na onzen heil'gen Abraham
		(Zoo kreeg zijn moeder 't slim voor hem gedaan)
		De derde der bezitters; ja de derde, —[15 - Genesis XXVIII, 13 en 14.]


Antonio:

		Wat moet dat nu? Nam hij ook interest?


Shylock:

		Hij nam die niet in letterlijken zin,
		Neen niet rechtstreeks: let op wat Jakob deed.
		Toen Laban met hem afgesproken had,
		Dat al de lammeren gestreept en bont
		Als loon aan Jakob zouden komen, zocht
		Het bronstige ooienvolkje in laten herfst
		De rammen op; en toen het telingswerk
		Door deze woll'ge fokkers werd verricht,
		Schilde de list'ge scheper twijgen af,
		En bij 't vervullen van de paringsdaad,
		Stak hij hen voor de tochtige ooien op,
		Die, toen ontvangend, in den lammertijd
		Gevlekte lamm'ren wierpen, Jakobs deel.[16 - Genesis XXX, 31 vgg.]
		Hij werd gezegend op zijn weg tot winst,
		En winst is zegen, als men haar niet steelt.


Antonio:

		Zoo diende Jakob voor een kans van 't lot;
		Niet hij had dezen uitslag in zijn macht,
		Maar 't werd beschikt, bestuurd door 's Hemels hand.
		Prijst deze plaats der Schrift den woeker aan?
		Of is uw goud en zilver ooi en ram?


Shylock:

		'k Weet niet: maar 't fokt bij me even spoedig aan.
		Maar luister, Signor.


Antonio:

		Merkt ge 't wel, Bassanio,
		De duivel haalt de Schrift aan voor zijn doel.[17 - Mattheus IV, 6.]
		Een booze ziel, bij 't heilige getuigend,
		Gelijkt een schurk, den glimlach op 't gelaat,
		Een mooien appel met ontstoken hart.
		Wat zet de valschheid toch een mooi gelaat!


Shylock:

		Drie duizend – en dukaten! – 't is een som!
		Drie maanden van de twaalf; hoeveel percent?


Antonio:

		Nu, Shylock, mogen wij u dankbaar zijn?


Shylock:

		Signor Antonio, menig menig maal
		Hebt gij op den Rialto mij beschimpt
		Om 't woek'ren dat ik met mijn gelden deed:
		Steeds droeg 'k het lijdzaam, trok mijn schouders op,
		Want lijden is het kenmerk van ons ras:
		Gij noemt mij "ongeloov'ge," "moord'naarshond,"
		En spuwt op mijnen Joodschen tabbaard mij,
		En dat, wijl ik mijn eigen goed gebruik.
		Nu blijkt het dan dat gij mijn hulp behoeft,
		Vooruit maar; gij komt bij mij, en gij zegt,
		"Shylock, wij willen geld," en dat zegt gij,
		Gij die uw speeksel spuwdet op mijn baard,
		Mij traptet, als ge een vreemden hond verschopt
		Van uwen drempel: nu vraagt gij om geld.
		Wat moet ik u nu zeggen? Moet 't niet zijn:
		"Heeft een hond duiten? Is het moog'lijk dat
		Zoo'n mormel drie duizend dukaten leent?"
		Of zal 'k diep buigend, op een slaventoon
		Met ingehouden adem need'rig fluist'rend,
		Zóó spreken:
		"Mijnheer, verleden Woensdag spoogt ge op mij;
		Gij traptet me op een and'ren dag; dan weer
		Heette ik een hond; en voor die hof'lijkheid
		Leen ik u zooveel geld?"


Antonio:

		't Is mogelijk dat ik u weer zoo noem,
		En weder op u spuw en u vertrap.
		Zoo gij dit geld wilt leenen, leen dan niet
		Als aan uw vriend; wanneer nam vriendschap toch
		Winst van onvruchtbaar zilver van een vriend?[18 - d. i. wanneer eischte een vriend, die een anderen vriend geld leende, winst van hem in den vorm van interest, daar toch het geld als een van nature onvruchtbaar iets zich niet vermenigvuldigen kan? – Reeds Aristoteles en Bacon wezen hierop.]
		Maar leen het liever aan uw vijand uit;
		Want doet hij zijn belofte niet gestand,
		Dan kunt ge met te meer vrijmoedigheid
		De boete vergen.


Shylock:

		Kijk nu hoe ge raast:
		Ik wensch uw vriendschap en genegenheid,
		Den smaad vergetend waar 'k meê werd besmet,
		Ik wil u helpen in uw nood, geen duit
		Als int'rest nemen, en ge luistert niet.
		Dit is een vriend'lijk aanbod.


Antonio:

		Ja, dat is 't.


Shylock:

		Welnu, 'k bewijs u deze vriend'lijkheid.
		Ga meê naar een notaris, zegel daar
		Uw overeenkomst zonder meer,[19 - d. w.z. een overeenkomst zonder verdere voorwaarde van verbeurte in geld.] en als
		Gij niet op een bepaalden dag en plaats
		De som of sommen in 't kontrakt genoemd
		Terugbetaalt, moet gij voor de aardigheid
		Een pond, daarmêe gelijkstaand, van uw vleesch
		Mij netjes laten snijden uit dàt deel
		Van uw mooi lichaam waar het mij behaagt.


Antonio:

		Dat neem ik aan: ik zegel zoo'n kontrakt;
		'k Moet zeggen dat de Jood zeer vriend'lijk is.


Bassanio:

		Dat moogt gij niet on mijnentwille doen:
		Veel liever blijf 'k in ongelegenheid.


Antonio:

		Kom, vrees niet, man; 'k verbeur de boete niet:
		Binnen twee maanden, dat 's een maand aleer
		't Kontrakt verloopt, verwacht ik driemaal meer
		Terug dan heel de waarde van 't kontrakt.


Shylock:

		O, vader Abram! Zie die Christ'nen toch,
		Wier eigen hardheid and'rer denkwijs hen
		Wantrouwen leert! Ik bid u, zeg mij dit;
		Kwam hij 't kontrakt niet na, wat won 'k dan nog
		Door 't eischen van wat door hem werd verbeurd?
		Een pond van 't vleesch gesneden uit een mensch
		Heeft minder waarde, wordt ook min geschat
		Dan schapen-, rund-, of geitenvleesch. 'k Herzeg,
		Door deze groote vriendschap koop 'k zijn gunst;
		Wil hij haar hebben, goed; zoo niet, vaarwel;
		En krenkt mij niet voor al mijn vriend'lijkheid.


Antonio:

		Ja, Shylock, ik bezegel dit kontrakt.


Shylock:

		Vind mij dan snel bij den notaris weêr.
		Maak hem bekend met 't grappige kontrakt.
		Ik steek onmiddellijk het geld bij mij,
		Neem thuis een kijkje, waar een spilziek mensch
		Het toezicht houdt (en dat maakt mij bezorgd,)
		En ik zal aanstonds komen. (Af.)


Antonio:

		Haast u wat,
		Beminnelijke Jood. – Hij zal bepaald
		Een Christen worden, want hij wordt zoo lief.


Bassanio:

		De liefde staat mij tegen in een dief.


Antonio:

		Kom, wees niet bang; een maand vóór den termijn,
		Zal heel mijn vloot weer in de haven zijn. (Beiden af.)




Tweede bedrijf





Tooneel I



Belmont. Een Vertrek in Portia's Huis



Hoorngeschal. De Prins van Marocco komt op met zijn Gevolg: Portia, Nerissa en Bedienden.



Marocco:

		Wees niet van mij afkeerig om mijn kleur,
		De schaduw'ge livrei der vonkelzon;
		'k Ben haar gebuur, geboren bij haar licht.
		Breng mij den blanksten uit de Noorderstreek,
		Waar Phoebus' vuur de pegels nauw ontdooit,
		En laat ons de aad'ren oop'nen voor uw min,
		En zien wiens bloed het roodst is, 't zijn of 't mijn.
		Ik zeg u, jonkvrouw, dit mijn uiterlijk
		Heeft dapperen onthutst: 'k zweer, bij mijn min,
		De meest gezochte maagden van mijn land
		Beminden 't ook. Ik maak die tint niet weg,
		Dan om uw hart te stelen, mijn vorstin.


Portia:

		'k Word bij de keuze niet alleen geleid
		Door 't keurig[20 - Hier in den zin van kieskeurig.] schatten van een meisjesoog:
		En bovendien belet de loterij
		Om mijn bestemming, 't recht van vrije keus:
		Maar als mijn vader mij niet had beperkt,
		En door zijn wil verplicht dat ik mij gaf
		Aan hem die me op gezegde wijze wint,
		Uw kans, befaamde Prins, stond even mooi
		Als die van een'gen minnaar dien ik zag,
		Op mijne liefde.


Marocco:

		Daarvoor dank ik u;
		Breng mij, ik bid u, naar de kistjes dus,
		'k Wil mijn geluk beproeven. Bij dit zwaard, —
		't Versloeg den Sophi[21 - De Shah van Perzie.] en een Perzisch prins,
		Die driemaal Sultan Soliman verwon, —
		Ik stilde 't staren van het grimmigst oog,
		Trotseerde 't onverschrokkenst hart op aard,
		'k Ontrukte 't zuigend jong aan de berin,
		Ja, 'k tergde zelfs den leeuw die brult om prooi,
		Om u te winnen, jonkvrouw. Maar, helaas!
		Als Hercules en Lichas[22 - Zie Ant. en Cleop IV, 12, 45.] er om dobb'len
		Wie 't dapperst is, dan kan de hoogste worp
		Bij toeval komen uit de zwakste hand:
		Zoo doet Alcides[23 - Een andere naam voor Hercules.] onder voor zijn knecht;
		Zoo kan ook ik, door 't blind geluk geleid,
		Dat missen wat een mind're winnen kan,
		En sterven van verdriet.


Portia:

		Beproef uw kans;
		En doe òf heel geen poging tot een keus,
		Of zweer voordat ge kiest, dat, slaagt ge niet,
		Gij later nooit tot één'ge jonkvrouw spreekt
		Inzake een huw'lijk: overleg dus goed.


Marocco:

		Dat zal 'k ook niet; kom breng mij naar mijn kans.


Portia:

		Eerst naar den tempel;[24 - nl. om den eed af te leggen.] na het middagmaal
		Beproeft ge uw kans.


Marocco:

		Dan sta 't geluk mij bij,
		Waardoor 'k gezegend, of rampzalig zij!



(Hoorngeschal. Allen af.)





Tooneel II



Venetië. Een Straat



Lancelot Gobbo komt op.



Lancelot:



Natuurlijk zal mijn geweten 't goed vinden dat ik van dien Jood, mijn meester, wegloop. De booze staat naast me, en brengt me in de verzoeking, en zeit tegen me: "Gobbo, Lancelot Gobbo, beste Lancelot, of beste Gobbo, of beste Lancelot Gobbo, neem je beenen op, ga d'r van door, loop weg." Mijn geweten zegt: "Nee; pas op, brave Lancelot; pas op, brave Gobbo;" of, zooals ik daarnet zei: "brave Lancelot Gobbo; loop niet weg: schop weg van je dat idee van wegloopen." Maar kijk, die allerdapperste booze gelast me mijn biezen te pakken. "Via!"[25 - Italiaansch voor: Weg!] zeit de booze; "Weg!" zeit de booze, "in 's Hemels naam, neem een flink besluit," zeit de booze; "en loop weg." Maar jawel, mijn geweten, hangend om den nek van mijn hart, zegt heel verstandig tegen me: "Mijn brave vriend Lancelot, als zoon van een braven vader," – of liever van een brave moeder; – want welbeschouwd was er een luchtje aan mijn vader, – d'r was iets met hem aan den knikker, – hij was niet zuiver op de graat: nu, mijn geweten zegt: "Lancelot, ga niet op de loop," "ga op de loop" zegt de booze: "ga niet op de loop," zegt mijn geweten weer. "Geweten," zeg ik, "je geeft me een goeden raad;" "booze," zeg ik, "je geeft me ook een goeden raad." Als ik me door mijn geweten laat leiden, moet ik bij mijn meester den Jood, die (God vergeef 't me) een soort van duivel is, blijven; en om van den Jood weg te loopen, moet ik mij laten leiden door den booze, die, met zijn welnemen, de duivel in eigen persoon is. Waarachtig, de Jood is de vleeschgeworden duivel, en op mijn geweten, mijn geweten is een hardvochtig stuk geweten om mij te durven aanraden bij den Jood te blijven. De duivel geeft den vriendelijksten raad: ik zal drossen, duivel, mijn hielen zijn tot uw orders, drossen zal ik.

De oude Gobbo komt op met een mand aan den arm.



Gobbo:



O, zeg eens, Meneertjelief; kun je me asjeblieft den weg wijzen naar Meneer den Jood.



Lancelot (Ter zijde):



Goeie Hemel! dat is mijn bloed-eigen vader, en doordat-i meer dan erg kippig oftewel stekeblind is, kent-i me niet: – ik zal ereis probeeren hem er in te laten loopen.



Gobbo:



Meneertjelief, zeg me asjeblieft den weg naar Meneer den Jood.



Lancelot:



Ga bij den naasten draai rechts af, maar bij den allernaasten draai links af; maar aan den allerallernaasten draai sla je nergens af, maar je draait indirekt[26 - Hij bedoelt direkt.] het huis van den Jood binnen.



Gobbo:



Allemachies, dat zal een moeielijke weg zijn om te vinden. Kan u me ook zeggen of eene Lancelot, die bij hem woont, bij hem is of niet?



Lancelot:



Bedoel je den jongeheer Lancelot? – (ter zijde) Let nu goed op, nu zal ik de poppen laten dansen. – Bedoel je den jongeheer Lancelot?



Gobbo:



Geen Jongeheer, Meneer, maar een armemans zoon: z'n vader is, al zeg ik 't zelf, een heele eerlijke arme man, maar die, Goddank, toch kan rondkomen.



Lancelot:



Goed, laat z'n vader wezen wie die wil, we hebben 't nu over den jongeheer Lancelot.



Gobbo:



Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot, Meneer.



Lancelot:



Maar ik bid je, ergo, ouwe man, ergo, ik smeek je, heb je 't over den jongeheer Lancelot?



Gobbo:



Over Lancelot, met uw heerschaps welnemen.



Lancelot:



Ergo over den jongeheer Lancelot. Praat niet over jongeheer Lancelot, vader; want de jongeheer is (volgens lot en beschikking, en dergelijke vreemde gezegden, de drie zusters,[27 - De Parcen of Schikgodinnen.] en dergelijke geleerdhedens) overleden; of, zooals men het in ronde woorden zou zeggen, naar den Hemel gegaan.



Gobbo:



God beware me! die jongen was heelemaal de staf van mijn ouwen dag, zoo heelemaal mijn steun.



Lancelot:



Zie ik er uit als een knuppel of een dakpaal, of een steun? – Ken je me ook, vader?



Gobbo:



Ach heeremetijd, neen, ik ken je niet, Meneertje; maar ik bid je, zeg me toch, is mijn jongen (God mag z'n ziel genadig wezen!) levend of dood?



Lancelot:



Ken je me niet, vader?



Gobbo:



Ach, Meneer, ik ben stekeblind; ik ken u niet.



Lancelot:



Neen, en ook al hadt u je oogen, dan zou je me misschien toch niet kennen: dàt is eerst een knappe vader die zijn eigen kind kent. Komaan, ouwe man, ik zal je nieuws van je zoon vertellen. (Hij knielt.) Geef me je zegen: de waarheid komt toch aan 't licht; moord kan niet lang verborgen blijven, maar wel van wien iemand de zoon is; maar in 't eind komt de waarheid toch aan den dag.



Gobbo:



Sta asjeblieft op, Meneer. Ik ben er zeker van dat u mijn jongen Lancelot niet bent.



Lancelot:



Laten we er asjeblieft geen gekheid meer over maken, maar geef me uw zegen: ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat zal zijn.



Gobbo:



Ik kan niet gelooven dat u me zoon bent.



Lancelot:



Ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet; maar ik ben Lancelot, de knecht van den Jood, en ik ben er zeker van dat uw vrouw, Grietje, mijn moeder is.



Gobbo:



Waarachtig, haar naam is ook Grietje; en ik zweer d'er op, dat als jij Lancelot bent, je mijn eigen vleesch en bloed bent. Mijn Hemel, de jongen zou EdelAchtbare kunnen wezen! Wat heb je een baard gekregen! Je hebt meer haar aan je kin dan mijn karrepaard Dorus aan z'n staart.[28 - Lancelot knielt met den rug naar zijn vader, die bij 't betasten van Lancelots hoofdhaar denkt dat hij een baard te pakken heeft.]



Lancelot:



Dan groeit Dorus z'n staart bepaald tegen z'n rug op; want ik weet zeker dat hij meer haar in zijn staart had dan ik op mijn gezicht, toen ik hem 't laatst zag.



Gobbo:



Heere, Heere, wat ben je veranderd! En kan je 't nogal goed met je meester vinden? 'k Heb 'n cadeautje voor 'm meêgebracht. Hoe sta je nu met hem?



Lancelot:



Goed, goed; maar, nu ik er mijn zinnen op gezet heb weg te loopen, heb ik voor mij geen zin stil te zitten voordat ik een eind heb geloopen. Mijn meester is op en top een Jood: hem een cadeau geven! Geef hem een strop: ik word uitgehongerd in zijn dienst; je kunt al m'n vingers met mijn ribben tellen. Vader ik ben blij dat je gekomen bent: geef je cadeau liever aan 'n zekeren menheer Bassanio, die bizonder mooie livreien geeft. Als ik hem niet mag dienen, dan zal ik zoover loopen als God me grond geeft. – O wat 'n mooi buitenkansje! daar komt hij zelf aan; – naar hem toe, vader: want ik ben een Jood, als ik den Jood langer wil dienen.

Bassanio komt met Leonardo en ander gevolg op.



Bassanio:



Dat kun je wel doen: – maar laat er zóó'n haast achter gezet worden, dat 't souper op z'n laatst om vijf uur klaar is. Laat deze brieven bezorgen; laat de livreien maken, en vraag of Gratiano dadelijk bij me aan huis komt.





Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/uilyam-shekspir/de-koopman-van-venetie/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Romeinsche oorlogsgod, ook god van het begin van het jaar, met twee aangezichten, waarvan het eene vaak jeugdig en glimlachend en het andere oud en gefronsd was.




2


Koning van Pylos (Navarino), een der Grieksche helden die aan den Trojaanschen oorlog deelnamen; de type van ouderdom, wijsheid en ernst.




3


Toespeling op een grafteeken.




4


Vgl. Mattheus V, 22.




5


Nl. den dunk van wijsheid dien de menschen van u krijgen moeten, juist iets voor maltentige lieden om naar te streven.




6


Onder aanvoering van Jason zeilden de Argonauten naar Kolchos (of Kolchis,) ten Oosten van de Zwarte Zee om de gouden vacht te halen.




7


Nl. Venetië.




8


Spreuken XVII, 5




9


d. i. hem waarborgde, er borg voor bleef.




10


Zekere profetessen. Een van hen had van Apollo, die op haar verliefd was, verkregen dat zij evenveel jaren zou leven als hij zandkorrels in zijn hand hield.




11


Er waren er eigenlijk zes: de Napolitaansche Prins, de Paltsgraaf, de Franschman, de Engelsche baron, de Schotsche lord en de Duitscher, maar dit is een van die "slips" welke Shakespeare meer overkomen.




12


De Venetiaansche dukaat gold ongeveer een rijksdaalder.




13


d. i. op de beurs, die zich bevond op de Isola del Rivo alto (eiland van den diepen stroom,) uit welke laatste woorden Rialto is ontstaan. In Shakespeare's tijd bestond de brug van dien naam nog niet.




14


Toespeling op Jezus' wonder in 't land van de Gadarenen, Lukas VIII, 33.




15


Genesis XXVIII, 13 en 14.




16


Genesis XXX, 31 vgg.




17


Mattheus IV, 6.




18


d. i. wanneer eischte een vriend, die een anderen vriend geld leende, winst van hem in den vorm van interest, daar toch het geld als een van nature onvruchtbaar iets zich niet vermenigvuldigen kan? – Reeds Aristoteles en Bacon wezen hierop.




19


d. w.z. een overeenkomst zonder verdere voorwaarde van verbeurte in geld.




20


Hier in den zin van kieskeurig.




21


De Shah van Perzie.




22


Zie Ant. en Cleop IV, 12, 45.




23


Een andere naam voor Hercules.




24


nl. om den eed af te leggen.




25


Italiaansch voor: Weg!




26


Hij bedoelt direkt.




27


De Parcen of Schikgodinnen.




28


Lancelot knielt met den rug naar zijn vader, die bij 't betasten van Lancelots hoofdhaar denkt dat hij een baard te pakken heeft.


