Andersens Sproken en vertellingen
Ганс Христиан Андерсен




H. C. Andersen

Andersens Sproken en vertellingen / Morgenrood





Voorwoord


Misschien is er geen vorm van letterkunde, die in alle kringen der maatschappij zoo zijn invloed doet gelden als het sprookje. Arm en rijk, aanzienlijken en geringen, ontwikkelden en eenvoudigen van geest raken even gemakkelijk onder de bekoring, die er van het sprookje uitgaat, en ofschoon allen het lezen in dezelfde woorden, ziet ieder er wat anders in.

Is dat de fout van het sprookje?

Moeten we het fantastische vertelsel onthouden aan de naar bevrediging hunkerende verbeelding van onze kleinen, omdat zij er niet alles uithalen, wat er in zit?

Maar verbied ze dan ook, hun blikken op te heffen tot den sterrenhemel! Zij weten immers niet, dat die «lichtjes» daarboven werelden zijn.

Onweerstaanbaar echter worden de kinderen tot het uitspansel aangetrokken; maan en sterren, zon en wolken, regenboog en bliksem spreken tot hun verbeelding, ja, maar ook tot hun gemoed! Geen moeder, die haar kroost kent en dit ontkennen zal.

En zoo is het ook met het sprookje.

Het sprookje leeft in het hart van het kind, en het blijft leven en zijn invloed uitoefenen, lang nadat de jeugd is voorbijgegaan. De belangrijkste en vaak de schoonste producten van de letterkunde zijn daar, om het te bewijzen. Sla Goethe, Heine, Wieland, Schiller, Carlyle, Byron, Richepin, Victor Hugo—ik doe maar een greep op goed geluk af—op, en overal merkt ge het sprookje. Hier vertoont het zich in naïeven eenvoud, daar als een vroolijk lachend kind, ginds gluurt het eventjes schalks tusschen de hoog-ernstige sarcastische regels door; zonder de minste aanspraken te doen gelden, vertoont het zich. Hoe ook verguisd en vertrapt soms, hoe vuig ook belasterd, met een onverwoestbare levenskracht staat het frisscher en jeugdiger en schooner weer op.

En blijven leven zal het, zoo lang wij menschen nog een jeugdig hart bewaren en er dichters opstaan, die het zoo kennen en liefhebben als Andersen, de sprookjesdichter bij uitnemendheid.

In hoeveel vormen heeft hij het ons niet geschonken, naïef en roerend, zwierig en vroolijk, droefgeestig en somber, schoon en sarcastisch, schalksch en geestig, maar altijd levendig en frisch. En heeft men tegen de moraal van ’t sprookje in ’t algemeen iets, wat nood! Zijn de vaders en de moeders er dan niet, om de kinderen terecht te wijzen en te onderrichten? En is het zelfs geen voordeel, dat het kind al vroeg een weinig tot kritisch nadenken wordt geprikkeld? Het bevordert stellig de zelfstandigheid van zijn oordeel.

De Nederlandsche bewerking van Andersens sprookjes, die hierbij het publiek wordt aangeboden, is voor zoover ik heb kunnen nagaan, volledig. Verschillende nommers, die in vroegere edities ontbraken of hier en daar verspreid werden aangetroffen, zijn in deze uitgave bijeengebracht. Ongetwijfeld zal deze onderneming door ieder, die goede lectuur voor het huisgezin op prijs stelt, met vreugde worden begroet. De aantrekkelijkheid van het boek wordt nog verhoogd door het groote aantal gravures van Dalziel naar teekeningen van Bayes.

Van harte hoop ik, dat door deze uitgave de sprookjes van Andersen veel nieuwe vrienden mogen verwerven.

Arnhem, Maart ’95.

Titia van der Tuuk.




Het leelijke jonge eendje


Het was heerlijk buiten op het land. ’t Was zomer, het koren was rijp, het hooi stond op de groene weiden aan oppers, en de ooievaar liep op zijn lange, roode pooten en praatte Egyptisch; want deze taal had hij van zijn moeder geleerd. Rondom de korenvelden en de weiden waren uitgestrekte bosschen, en midden in de bosschen diepe meren. Ja, het was werkelijk heerlijk daar buiten op het land! Door den glans der zon beschenen, stond daar een oud kasteel, dat door een diepe gracht omgeven was, en van den muur tot aan het water groeide dicht kreupelhout. Te midden hiervan zat in haar nest een eend, die haar jongen moest uitbroeden; maar het begon haar bijna te vervelen, zoo lang duurde het, eer de jongen uitkwamen; daarbij kreeg zij zelden bezoek, want de andere eenden zwommen liever in de gracht rond, dan dat zij eens uit het water kwamen om met haar te praten.

Eindelijk ging het eene ei na het andere open. Een gepiep deed zich hooren, en al de dooren van de eieren waren levend geworden en staken de kopjes uit de schalen.

«Vlug wat, vlug!» zeide zij; en nu haastten zich al de kleine eendjes, wat zij konden, en zij kwamen uit de eieren te voorschijn en keken naar alle kanten onder de groene bladeren; en de moeder liet ze kijken, zooveel als zij maar wilden; want groen is goed voor de oogen.

«Wat is de wereld toch groot!» zeiden al de jongen; want nu hadden zij heel wat meer plaats dan in het ei.

«Denk je, dat dit de heele wereld is?» zei de moeder. «Die strekt zich nog ver aan den anderen kant van het geboomte uit, tot aan den tuin van den pastoor; maar daar ben ik nog nooit geweest.—Je bent toch allemaal wel bij elkaar?» vervolgde zij en stond op. «Neen ik heb ze nog niet allemaal; het grootste ei ligt daar nog; hoe lang zal het nog wel duren, eer dat uitkomt? Nu begint het mij haast te vervelen!» en zij ging er weer op zitten.

«Wel zoo, hoe gaat het?» vroeg een oude eend, die haar eens een bezoek kwam brengen.

«Het duurt geducht lang met dat eene ei,» zei de eend, die er nu weer op zat; «het wil maar niet opengaan; maar kijk eens naar de anderen: zijn dat niet de liefste eendjes, die je ooit van je leven gezien hebt? Zij lijken allemaal precies op hun vader; maar die ondeugd komt mij niet eens bezoeken.»

«Laat mij het ei, dat niet wil opengaan, eens zien!» zei de oude eend. «Geloof mij, het is een kalkoenenei! Ik ben ook eens zoo beetgenomen en had toen heel wat werk met mijn jongen, want zij waren bang voor het water! Ik kon ze er maar niet in krijgen; hoe ik ook kwakte, het hielp mij niemendal!—Laat mij het ei eens zien! Ja, dat is een kalkoenenei! Laat dat maar liggen, en leer je andere kinderen liever zwemmen!»

«Ik zal er toch nog een beetje op blijven zitten,» antwoordde de eend; «ik heb er nu al zoo lang op gezeten, en dus kan ik er nog wel een paar dagen op zitten!»

«Je moet het zelf weten,» hernam de oude eend en ging weg.

Eindelijk ging het groote ei open. «Piep, piep!» zei het jong en kroop er uit. Het was een groot en leelijk beest! De eend bekeek het eens. «Wat is dat een verschrikkelijk groot eendje,» dacht zij; «geen van de anderen ziet er zoo uit. Zou het misschien een kalkoensch kuikentje zijn? Nu, daar zullen we wel gauw achter komen; in het water moet het, al zou ik het er ook zelf induwen.»

Den volgenden dag was het mooi, heerlijk weer; de zon scheen op alle groene bladeren. De moeder der eendjes ging met haar heele familie naar de gracht toe. Plof! daar sprong zij in het water. «Kwak, kwak!» zeide zij, en het eene eendje na het andere plofte er nu ook in; het water spatte hun om den kop, en zij doken even onder, maar kwamen al spoedig weer boven en zwommen uitmuntend; hun pooten gingen van zelf, en allen waren zij in het water; zelfs het leelijke, grauwe eendje zwom mee.

«Neen, het is geen kalkoen,» dacht de oude eend; «kijk eens, hoe ferm hij met zijn pooten slaat en hoe recht hij zich weet te houden! ’t Is mijn eigen kind! Eigenlijk is hij toch nog zoo leelijk niet, als men hem maar eens goed bekijkt! Kwak, kwak! Gaat maar met mij mee, dan zal ik je in de groote wereld brengen en je in de eendenkooi voorstellen: maar zorgt, dat je dicht in mijn nabijheid blijft, en neemt je voor de kat in acht!»

En zoo begaven zij zich naar de eendenkooi. Daarbinnen was een verschrikkelijk rumoer; want daar waren twee families, die elkaar het bezit van een palingkop betwistten, en eindelijk kreeg de kat dien toch.

«Kijk, zoo gaat het nu in de wereld!» zei de moeder der eendjes, en zij stak haar snavel al uit, want zij wilde den palingkop ook wel hebben. «Gebruikt je pooten nu!» vervolgde zij. «Houdt je fatsoen en maakt een buiging voor de oude eend, die je daar ziet: dat is de voornaamste van alle; zij is van Spaansche afkomst, daarom is zij zoo dik; en, zie je wel, zij heeft een rood lapje om haar poot; dat is iets heel moois en de grootste onderscheiding, die een eend te beurt kan vallen; dat beteekent, dat men haar niet kwijt wil raken en dat zij door dieren en menschen erkend moet worden. Wacht eens! Zet je pooten niet zoo binnenwaarts! een welopgevoed eendje zet zijn pooten buitenwaarts, evenals vader en moeder doen. Ziet eens! Zoo! Buigt je hals nu en zegt: Kwak!»

En dat deden zij; maar de andere eenden in de rondte bekeken ze en zeiden tegen elkaar: «Kijk eens! Nu moeten wij nog het aanhangsel krijgen, alsof wij al niet talrijk genoeg waren! En foei! wat ziet dat eene eendje er uit! Dat willen wij hier niet hebben!» En terstond vloog er een oude eend naar het arme beest toe en beet het in den nek.

«Wil je dat nu wel eens laten?» zei de moeder. «Het doet immers niemand kwaad!»

«Dat is wel mogelijk, maar het is te groot en ziet er zoo vreemd uit,» zei de andere eend, «en daarom moet het eens een pikje hebben.»








«Het zijn lieve kinderen die de moeder heeft,» zei de oude eend met het lapje om den poot, «zij zijn allemaal mooi, behalve dat eene; dat is mislukt; ik zou wel willen, dal je dat eens wat anders kondt maken.»

«Dat gaat immers niet,» zei de moeder van het eendje; «het is wel niet mooi, maar het heeft een goed hart en zwemt even flink als al de anderen, ja, ik moet zeggen, nog beter. Ik denk wel, dat het goed zal opgroeien en mettertijd wat kleiner worden. Het heeft te lang in het ei gezeten, en daardoor is het wat mismaakt geworden!» Dit zeggende, pakte zij het beet en streek zijn veeren glad. «Bovendien is het een woerd,» zeide zij; «en daarom doet het er zoo veel niet toe. Ik denk, dat het wel krachtig zal worden; het weet zich ten minste nu al goed te verweren.»

«De andere eendjes zien er allerliefst uit,» zei de oude eend; «doe maar, alsof je thuis waart, en als je een palingkop vindt, dan kun je dien wel aan mij brengen.»

En zoo waren zij er dan zoo goed als thuis.

Maar het arme eendje, dat het laatst uit het ei gekomen was en er zoo leelijk uitzag, werd gebeten, gestooten en voor den gek gehouden, en dat zoowel door de eenden als door de kippen. «Het is te groot!» zeiden allen, en de kalkoensche haan, die met sporen ter wereld gekomen was en daarom dacht, dat hij keizer was, blies zich op als een schip met volle zeilen en kwam op hem af; toen klokte hij en werd zijn kop vuurrood. Het arme eendje wist niet, hoe het zich zou wenden of keeren; het was treurig, omdat het er leelijk uitzag en door al de anderen bespot werd.

Zoo ging het den eersten dag, en later werd het al erger en erger. Het arme eendje werd door allen geplaagd; zelfs zijn zusters waren kwaad op hem en zeiden steeds: «Mocht de kat je maar beetpakken, jou leelijk schepsel!» En de moeder zeide: «Ik wou, dat je maar ver hier vandaan waart!» De eenden beten het, en de kippen pikten het, en de meid, die de beesten eten moest geven, schopte het.

Nu liep het weg en vloog over de schutting. De vogeltjes in het geboomte vlogen daardoor verschrikt op. «Dat komt, omdat ik zoo leelijk ben,» dacht het eendje, kneep de oogen even dicht en liep toen weer voort. Zoo kwam het aan het groote moeras, waar de wilde eenden woonden. Hier lag het den geheelen nacht; het was vermoeid en verdrietig.

Tegen den morgen vlogen de wilde eenden op en bekeken haar nieuwen kameraad eens. «Wat ben jij er voor een?» vroegen zij, en het eendje wendde zich naar alle kanten en groette zoo goed het kon.

«Je bent verschrikkelijk leelijk!» zeiden de wilde eenden; «maar dat kan ons niet schelen, als je maar niet met iemand van onze familie trouwt!»—Het arme beest! Het dacht er waarlijk niet aan te trouwen; als het maar de vergunning kon krijgen, om in het riet te liggen en wat moeraswater te drinken.

Zoo lag het twee heele dagen; toen kwamen er twee wilde ganzen of, liever gezegd, genten naar hem toe; het was nog niet lang geleden, dat zij uit het ei gekropen waren, en daarom waren zij zoo overmoedig.

«Hoor eens, kameraad!» zeiden zij; «je bent zoo leelijk, dat je goed bij ons past. Wil je met ons meegaan en trekvogel worden? Hier dichtbij in een ander moeras zijn eenige aardige wilde ganzen, allemaal dames, die evenals jij «kwak!» kunnen zeggen. Je kunt je fortuin daar wel maken, hoe leelijk je ook wezen moogt.»

«Piefpafpoef!» klonk het juist, en de beide wilde genten vielen dood in het riet neer, en het water werd bloedrood gekleurd.—«Piefpafpoef!» klonk het weer, en nu vlogen er geheele scharen wilde ganzen uit het riet op. En toen deed zich andermaal een knal hooren. Er werd een groote jacht gehouden; de jagers lagen rondom het moeras; ja, eenigen zaten boven in de takken der boomen, die zich ver over het riet uitstrekten. De blauwe damp trok in dikke wolken in de boomen en ver over het water heen; de jachthonden gingen het moeras in. Plof, plof! het riet boog zich naar alle kanten heen. Dat was een schrik voor het arme eendje. Het draaide zijn kop om, om hem onder de vleugels te steken; maar op hetzelfde oogenblik stond er een vreeselijk groote hond dicht bij het eendje; de tong hing hem uit den bek, en zijn oogen schoten vlammen; hij strekte zijn snoet juist naar het eendje uit, liet het zijn scherpe landen zien en.... Plof! plof! ging het weer, zonder dat hij het beetpakte.

«Goddank!» zei het eendje met een zucht; «ik ben zoo leelijk, dat de hond mij zelfs niet wil bijten.»

En zoo bleef het roerloos liggen, terwijl de hagel door het riet snorde en er schot op schot knalde.

Eerst laat op den dag werd het stil; maar het arme eendje durfde nog niet opstaan; het wachtte nog verscheidene uren, voordat het omkeek, en toen snelde het uit het moeras weg, zoo vlug als het maar kon. Het liep over veld en weide; maar er woei zulk een hevige storm, dat het werk had om op zijn pooten te blijven staan.

Tegen den avond bereikte het een kleine, armoedige boerenhut; deze was zoo bouwvallig, dat zij zelf niet wist, naar welken kant zij zou vallen, en daarom bleef zij maar staan. De storm gierde zoo verschrikkelijk om het eendje heen, dat het moest gaan zitten, om niet omver te waaien. Nu bemerkte het, dat de deur uit het eene scharnier geraakt was en zoo scheef hing, dat het door de reet in de kamer kon sluipen, en dit deed het dan ook.

Hier woonde een oude vrouw met haar kater en haar kip. En de kater, dien zij haar zoontje noemde, kon een hoogen rug zetten en spinnen; hij gaf zelfs vonken van zich, maar dan moest men zijn haar den verkeerden kant opstrijken. De kip had korte, lage pooten, en daarom werd zij juffrouw Kortbeen genoemd; zij legde heerlijke eieren, en de vrouw had haar zoo lief, alsof zij haar kind was.

’s Morgens zag men het vreemde eendje dadelijk, en nu begon de kater te blazen en de kip te kakelen.

«Wat is er te doen?» zei de vrouw en keek in de rondte; maar zij had een slecht gezicht, en daarom dacht zij, dat het eendje een vette eend was, die verdwaald was geraakt. «Dat is een goede vangst!» zeide zij. «Nu kan ik eendeneieren krijgen. Als het maar geen woerd is! Dat zullen wij eens probeeren!»

En zoo werd het eendje voor drie weken op de proef aangenomen; maar er kwamen geen eieren. En de kater was heer in huis, en de kip was er zoo goed als vrouw, en altijd zeiden zij: «Wij en de wereld!» Want zij dachten, dat zij de helft waren, en verreweg de beste helft. Het eendje gaf als zijn meening te kennen, dat het toch ook wel eens anders zou kunnen zijn; maar dat kon de kip niet velen.

«Kun je eieren leggen?» vroeg zij.

«Neen.»

«Welnu, wil je dan wel eens zwijgen?»

En de kater zei: «Kun je een hoogen rug zetten en spinnen en maken, dat er vonken uit je lijf komen?»

«Neen.»

«Dan mag je ook geen meening hebben, als verstandige lieden met elkaar spreken.»

En het eendje zat in den hoek en voelde zich diep ongelukkig; daar drong de zonneschijn in het huisje door; het kreeg zulk een lust om in het water te zwemmen, dat het zich niet kon weerhouden, dit tegen de kip te zeggen.

«Wat is dat voor een dwaze inval!» zei deze. «Je hebt niets uit te voeren, en daarom verzin je allerlei dwaasheden. Leg eieren of spin, en maak je anders uit de voeten!»

«Maar het is zoo prettig, in het water te zwemmen,» zei het eendje, «zoo prettig, het boven zijn kop te laten uitspatten en op den grond te duiken.»

«Nu, dat is ook een heel plezier!» zei de kip. «Je bent zeker niet goed bij je verstand! Vraag er den kater maar eens naar,—die is het verstandigste schepsel, dat ik ken,—of hij er van houdt, in het water te zwemmen of onder te duiken? Ik wil niet van mij zelf spreken.—Vraag het zelf maar aan onze meesteres, de oude vrouw; wijzer dan zij is niemand op de wereld! Denk je misschien, dat zij plezier heeft om te zwemmen en het water boven haar hoofd uit te laten spatten?»

«Je begrijpt mij niet!» zei het eendje.

«Begrijpen wij je niet? Wie zou je dan kunnen begrijpen? Je zult toch wel niet wijzer willen zijn dan de kater en de vrouw,—van mij zelf wil ik niet spreken! Heb maar niet zooveel noten op je zang, en wees dankbaar voor al het goede, dat men je bewezen heeft. Ben je niet in een warme kamer gekomen en heb je niet een gezelschap, waarvan je nog wat kunt leeren? Maar er is geen huis met je te houden, en het is alles behalve plezierig, met jou om te gaan. Je kunt mij gerust gelooven! Ik meen het goed met je. Ik zeg je de waarheid, al vind je dit ook niet prettig, en daaraan kan men zien, wie zijn ware vrienden zijn. Doe je best maar om eieren te leggen of te spinnen of vonken uit je lijf te laten komen.»

«Ik denk, dat ik de wijde wereld maar in zal gaan!» zei het eendje.

«Ja, doe dat maar!» liet de kip hierop volgen.

En zoo ging het eendje dan heen; het zwom in het water, het dook met zijn kopje onder, maar door alle dieren werd het om zijn leelijkheid met minachting bejegend.

Nu kwam de herfst; de bladeren in het bosch werden geel en bruin; de wind rukte ze af, zoodat zij in de rondte dansten, en boven in de lucht was het snerpend koud; de wolken zaten vol hagel en sneeuw; en op de heg zat een raaf en deed haar klagend gekras hooren. Het arme eendje had het al heel slecht! Op zekeren avond, juist toen de zon in haar pracht onderging, kwam er een heele troep groote vogels uit het bosch, het eendje had er nooit zulke mooie gezien; zij waren spierwit en hadden lange, buigzame halzen: het waren zwanen. Zij lieten een eigenaardig geluid hooren, spreidden hun prachtige, lange vleugels uit en trokken uit de koude streken naar warmere landen. Zij stegen zoo hoog, zoo hoog, dat het het leelijke jonge eendje wonderlijk te moede werd. Het draaide zich als een tol in het water rond, strekte zijn kop hoog in de lucht naar de zwanen uit en gaf zulk een luiden en zonderlingen schreeuw, dat het er zelf van schrikte. O, het kon die mooie, gelukkige vogels niet vergeten; en zoodra deze niet meer te zien waren, dook het onder tot op den grond en toen het weer boven kwam, was het als buiten zich zelf. Het arme beest wist niet, hoe die vogels heetten, ook niet, waar zij naar toe vlogen; maar toch liep het er hoog mee, zooals het nog nooit ergens mee gedaan had. Het benijdde ze volstrekt niet. Hoe zou het hem ook in de gedachten komen, te wenschen, zelf zoo mooi te zijn? Het zou al blij geweest zijn als de eenden hem maar in haar midden geduld hadden,—dat arme, leelijke beest!

Het werd winter. Het was koud, snerpend koud. Het eendje moest in het water rondzwemmen om te maken, dat dit niet heelemaal dichtvroor; maar met iederen nacht werd het gat, waarin het zwom, al kleiner en kleiner. Het vroor, dat het kraakte; het eendje moest voortdurend zijn pooten gebruiken, opdat het gat niet geheel dicht zou gaan. Eindelijk werd het moede, bleef doodstil liggen en vroor in het ijs vast.

’s Morgens vroeg kwam er een boer voorbij. Toen hij het eendje zag, ging hij er heen, trapte het ijs met zijn klomp aan stukken en bracht het dier naar zijn vrouw toe. Daar kwam het weer bij.

De kinderen wilden met hem spelen; maar het eendje dacht, dat zij hem kwaad wilden doen en vloog in zijn angst juist in het melkvat, zoodat de melk overal in de kamer rondspatte. De vrouw sloeg de handen in elkaar, waarop het eerst in het botervat en toen in de meelton vloog. Wat zag het er nu uit! De vrouw schreeuwde en sloeg met de tang naar het arme beest; de kinderen liepen elkaar omver, om het eendje te pakken; zij lachten en schreeuwden!—’t Was gelukkig, dat de deur openstond en dat het tusschen de takken in de versch gevallen sneeuw kon sluipen. Daar bleef het geheel uitgeput liggen.

Maar al den nood en de ellende, welke het eendje in dien strengen winter moest doorstaan, te vertellen, zou te akelig zijn.

Het lag in het moeras tusschen het riet, toen de zon weer warm begon te schijnen. De leeuweriken zongen. Het was lente geworden.








Nu kon het eendje op eens zijn vleugels uitslaan; deze klapten luider dan vroeger en droegen hem krachtig van daar; en voordat het beest het recht wist, bevond het zich in een grooten tuin, waarin de vlierboomen geurden en hun lange, groene takken tot in het water neerbogen. O, hier was het zoo schoon, zoo heerlijk! En uit het geboomte kwamen eensklaps drie prachtige witte zwanen te voorschijn: zij klapten met hun vleugels en zwommen fier in het water. Het eendje kende die prachtige beesten en werd door een eigenaardige treurigheid aangegrepen.

«Ik zal naar hen toe vliegen, naar die koninklijke vogels! Maar zij zullen mij dooden, omdat ik, die zoo leelijk ben, mij in hun nabijheid durf wagen. Maar dat doet er niet toe! ’t Is beter, door hen gedood, dan door de eenden gebeten, door de kippen gepikt, door de meid, die aan de kippen eten geeft, geschopt te worden en in den winter gebrek te lijden!»

En het snelde naar het water, plofte er in en zwom naar de prachtige zwanen toe; deze zagen hem en kwamen met klappende vleugels op hem af.

«Doodt mij maar!» zei het arme beest, boog zijn kop voorover en verwachtte niets anders dan den dood.—Maar wat zag het nu in het heldere water? Het zag daarin zijn eigen beeltenis, niet meer die van een loggen, grauwen, leelijken vogel, maar van een zwaan.

Het doet er niet toe, door een eend uitgebroed te worden, als men maar uit een zwanenei gekomen is!

Het gevoelde zich nu verheugd over al den nood en de ontberingen, die het doorgestaan had. Nu erkende het eerst recht zijn geluk en de heerlijkheid, die hem omringde.—En de zwanen zwommen om hem heen en streelden hem met hun snavels.

Eenige kinderen kwamen den tuin inloopen; ze gooiden brood en gerst in het water, en het kleinste riep: «Daar is een nieuwe zwaan!» En de andere kinderen jubelden mee: «Ja, er is een nieuwe bijgekomen!» En zij klapten in de handen en dansten in de rondte, liepen naar hun ouders toe, en er werd brood en koek in het water geworpen, en zij zeiden allemaal: «Die nieuwe is nog de mooiste! Hij is zoo jong en ziet er zoo prachtig uit!» En de andere zwanen bogen zich voor hem.

Nu gevoelde het zich geheel beschaamd en stak zijn kop onder zijn vleugels; het wist zelf niet, hoe het zich zou houden; het was overgelukkig, maar volstrekt niet trotsch. Het dacht er aan, hoe het vervolgd en bespot was, en hoorde nu allen zeggen, dat het de mooiste van al die mooie vogels was. Zelfs de vlierboom boog zich met zijn takken tot hem in het water neer, en de zon scheen warm en liefelijk! Nu klapte hij met zijn vleugels, richtte zijn slanken hals op en jubelde van ganscher harte:

«Zooveel geluk had ik mij niet kunnen voorstellen, toen ik nog een leelijk eendje was!»




De oude straatlantaarn


Hebt ge ooit de geschiedenis van de oude straatlantaarn gehoord? Zoo heel plezierig is zij wel niet, maar toch laat zij zich wel eens een enkele maal lezen.

’t Was een brave, oude straatlantaarn, die vele, vele jaren achtereen dienst gedaan had, maar nu voor den post, dien zij zoo lang bekleed had, ongeschikt geacht werd. De laatste avond, dien zij op den paal zou doorbrengen om de straat te verlichten, was daar. Het was haar te moede als een balletdanseres, die voor de laatste maal danst en weet, dat zij den volgenden dag vergeten op haar zolderkamertje zal zitten. De lantaarn zag geducht tegen den volgenden dag op; want zij wist, dat zij dan voor het eerst van haar leven op het stadhuis zou komen en door den burgemeester en den gemeenteraad bezichtigd worden, die zouden beslissen, of zij nog tot verdere diensten bruikbaar was of niet.

Daar zou dan bepaald worden, of zij in ’t vervolg haar licht voor de bewoners van een der voorsteden zou laten schijnen, dan wel naar de een of andere fabriek op het platteland verbannen worden; misschien ook zou zij wel regelrecht naar een ijzergieterij gaan, om in een anderen vorm te worden gegoten. In dat geval kon er wel is waar alles van haar komen; maar de gedachte dat zij niet wist, of zij er dan de herinnering nog van zou behouden, dat zij een maal een straatlantaarn geweest was, pijnigde haar. Maar hoe het ook met haar mocht afloopen, zooveel was zeker, dat zij van den lantaarnopsteker en diens vrouw, die haar bijna als een lid der familie beschouwden, gescheiden zou worden.

Toen de lantaarn voor het eerst op den paal gezet werd, was de lantaarnopsteker nog een jeugdig, krachtig man. Ja, dat was al een heelen tijd geleden, dat zij lantaarn en hij lantaarnopsteker werd. Zijn vrouw was toen nog een beetje trotsch. Alleen wanneer zij ’s avonds voorbijkwam, verwaardigde zij de lantaarn met een blik, maar overdag nooit. Doch in de laatste jaren, toen zij alle drie, de lantaarnopsteker, zijn vrouw en de lantaarn, oud geworden waren, had de oude vrouw haar verzorgd, geschuurd en van olie voorzien. ’t Waren beiden doodeerlijke menschen; nooit hadden zij de lantaarn ook maar een enkelen droppel olie te kort gedaan.

’t Was de laatste avond, die zij op straat doorbracht, en den volgenden dag moest zij naar het stadhuis toe: dat waren twee sombere gedachten! Geen wonder, dat zij niet heel helder brandde. Maar ook vele andere gedachten bestormden haar. Aan hoevelen had zij haar licht geschonken, hoeveel had zij gezien, misschien wel evenveel als de burgemeester en de gemeenteraad! Maar deze gedachten hield zij voor zich, want het was een brave, eerlijke, oude lantaarn, die niemand ooit kwaad deed en wel het minst aan de haar gestelde overheid. Allerlei dingen kwamen haar in de gedachten, en bij tijd en wijle flikkerde haar vlam daardoor even op. Zij had in zulke oogenblikken een gevoel, dat men zich ook harer zou herinneren.

«Daar was indertijd dat knappe jonge mensch,—het is al vele jaren geleden,—deze hield een briefje op rose papier in de hand. Het was zoo keurig geschreven, en wel door een dameshand. Tweemaal las hij het en kuste het en keek naar mij op met oogen, die duidelijk schenen te zeggen: «Ik ben de gelukkigste van alle stervelingen!» Alleen hij en ik wisten, wat er in dien eersten brief van zijn geliefde geschreven stond.—Ja, ook nog een ander paar oogen herinner ik mij. Wat kunnen onze gedachten toch snel van het eene op het andere springen! Hier in de straat had er een begrafenis plaats; een jeugdige, schoone vrouw lag in de lijkkoets in de kist, die met bloemen en kransen bedekt was; de vele fakkels verduisterden mijn licht. Langs de huizen stonden de menschen dicht op elkaar gedrongen; zij sloten zich allen bij den lijkstoet aan. Maar toen de fakkels uit mijn gezicht verdwenen waren en ik eens in de rondte keek, stond er nog iemand tegen mijn paal aan te leunen en weende. Nimmer zal ik die oogen, waarin zooveel treurigheid te lezen stond en die naar mij opkeken, vergeten!» Deze en dergelijke gedachten bestormden de oude lantaarn, die thans voor de laatste maal haar licht in de straat verspreidde.

De schildwacht, die van zijn post afgelost wordt, kent zijn opvolger ten minste en kan hem nog eenige woorden toefluisteren; maar de lantaarn kende haar plaatsvervangster niet, en zij zou haar toch zoo menigen nuttigen wenk omtrent mist en regen hebben kunnen geven; zij zou haar hebben kunnen zeggen, hoever de stralen der maan reikten, uit welken hoek de wind gewoonlijk woei, en zooveel andere dingen meer.

Op het brugje, dat over de goot lag, stonden drie personen, die zich aan de lantaarn wilden voorstellen; want zij verkeerden in den waan, dat deze den post zelf te begeven had. De eerste persoon was een haringkop, die in de duisternis insgelijks licht van zich kon geven. Hij beweerde, dat het heel wat olie zou uithalen, als hij op den lantaarnpaal geplaatst werd. De tweede was een stuk vermolmd hout, dat ook licht rondom zich verspreidt. Het was, zeide het, van een ouden stam afkomstig, eenmaal het sieraad van het bosch. De derde persoon was een glimwormpje; waar dit vandaan gekomen was, begreep de lantaarn niet, maar het was er, en licht geven kon het ook. Het vermolmde hout en de haringkop zwoeren echter bij alles, wat hun heilig was, dat het slechts op bepaalde tijden licht van zich gaf en dat het daarom volstrekt niet in aanmerking kon komen.

De oude lantaarn verklaarde, dat geen hunner voldoend licht gaf, om den post van straatlantaarn te bekleeden; maar dat wilde geen van drieën gelooven. Toen zij dan ook hoorden, dat de lantaarn den post niet zelf te begeven had, zeiden zij, dat dit hun genoegen deed; want zij was al veel te oud en te afgeleefd, om een goede keuze te kunnen doen.

Op hetzelfde oogenblik kwam de wind van den hoek der straat aanbruisen en gierde door de luchtgaten der oude lantaarn. «Wat hoor ik daar?» zei hij tegen haar. «Gaat ge morgen heen? Is dit de laatste avond, dien ik u hier aantref? Dan wil ik u tot afscheid toch nog wat geven. Ik blaas nu op zulk een wijze in uw hersenkast, dat ge u voortaan niet alleen alles, wat ge gehoord en gezien hebt, zult kunnen herinneren, maar dat het zoo helder in uw binnenste zal worden, dat ge alles, waarvan in uw tegenwoordigheid gelezen of verteld wordt, kunt zien.»

«O, dat is waarlijk veel, heel veel!» sprak de oude lantaarn. «Ik dank u wel hartelijk. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten wordt!»

«Dat zal nog zoo gauw niet gebeuren!» zei de wind. «Nu blaas ik u de herinnering in; als ge meer andere geschenken van dien aard krijgt, dan kunt ge nog een gelukkigen ouden dag hebben.»

«Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!» zei de lantaarn weer. «Of zal ik dan ook mijn geheugen behouden?»

«Oude lantaarn, wees toch verstandig!» hernam de wind.

Op dit oogenblik kwam de maan van achter de wolken te voorschijn.

«Wat geeft gij?» vroeg de wind.

«Ik geef niets,» antwoordde zij. «Ik ben immers aan het afnemen, en de lantarens hebben mij nooit verlicht, maar wel heb ik omgekeerd de lantarens verlicht.» En met deze woorden verschool de maan zich weer achter de wolken, om verder aandringen te voorkomen.

Nu viel er een droppel op de lantaarn neer. Deze droppel zeide, dat hij uit de grauwe wolken kwam en ook een geschenk was, misschien wel het beste. «Ik doordring u zoozeer, dat ge de gave verkrijgt om in één nacht, als ge dit verlangt, in roest te veranderen en tot stof te worden.»

Dit scheen de lantaarn een slecht geschenk toe, en de wind dacht er evenzoo over. «Is er niemand meer, die wat te geven heeft?» blies hij zoo hard, als hij maar kon.

Nu viel er een heldere verschietende ster neer en liet een lange, vurige streep achter.

«Wat was dat?» riep de haringkop uit. «Viel daar niet een ster naar beneden? Ik geloof haast, dat zij op de lantaarn is neergekomen. Nu, als er zulke hooggeplaatste personen naar den post dingen, kunnen wij wel naar huis gaan.»

En dat deden zij ook alle drie. Maar de oude lantaarn gaf op eens een verwonderlijk helder licht van zich. «Dat is een heerlijk geschenk geweest!» zeide zij. «De prachtige sterren, waarin ik altijd zooveel schik gehad heb en die zulk een helderen glans rondom zich verspreiden, als ik nooit van mij heb kunnen geven, ofschoon ik er altijd mijn uiterste best toe heb gedaan, hebben mij, arme oude lantaarn, toch opgemerkt en mij een geschenk gezonden, waardoor alles, wat ik mij zelf herinner en wat ik zoo duidelijk zie, alsof het voor mij stond, ook door allen, die ik liefheb, gezien kan worden. En hierin ligt toch eerst het wezenlijke genot; want een vreugde, waarin men niet met anderen kan deelen, is toch maar een halve vreugde.»

«Dat doet uw hart eer aan!» zei de wind. «Maar ge weet zeker nog niet, dat daartoe waskaarsen noodig zijn. Als er geen waskaars in u opgestoken wordt, dan kan niemand der anderen iets in u zien. Daaraan hebben de sterren niet gedacht; zij meenen, dat alles, wat licht geeft, een waskaars in zich heeft. Maar ik ben nu moe en zal wat gaan liggen!»—En hij ging terstond liggen.

«Och hemel! Waskaarsen!» zei de lantaarn. «Die heb ik tot hiertoe niet gehad, en die zal ik in het vervolg ook wel niet krijgen. Als ik maar niet in een anderen vorm gegoten word!»

Den volgenden dag,—ja, den volgenden dag kunnen wij gerust overspringen,—maar den volgenden avond zat de lantaarn dood op haar gemak in een leuningstoel! En raad eens waar? Bij den ouden lantaarnopsteker. Deze had den burgemeester en den gemeenteraad om de gunst verzocht, uit hoofde van zijn langdurige en trouwe diensten de lantaarn te mogen behouden, die hij zelf op den dag, waarop hij zijn post had aanvaard, nu vier-en-twintig jaren geleden, voor ’t eerst opgestoken had. Hij beschouwde haar als zijn kind, want hij had er geen ander; en de lantaarn werd hem ten geschenke gegeven.

Zoo zat zij daar dan in den leuningstoel, dicht bij de warme kachel. Het was, alsof zij grooter geworden was, want zij besloeg bijna den geheelen stoel.

De oude luidjes zaten aan hun avondmaal en wierpen vriendelijke blikken op de oude lantaarn, waarvoor zij gaarne een plaats aan de tafel zouden ingeruimd hebben.

Zij woonden wel is waar in een kelder, die twee el diep onder den grond was; men moest een steenen gang door om er in te komen; maar van binnen zag het er toch recht gezellig uit, en het was er warm; want zij hadden tochtlatten om de deur gespijkerd. Alles zag er hier netjes en zindelijk uit, en er hingen gordijnen voor de bedstede en voor de kleine raampjes. Op de vensterbank stonden twee zonderlinge bloempotten, die de matroos Christiaan uit Oost- of West-Indië meegebracht had. Zij waren maar van grof aardewerk en stelden twee olifanten voor, die echter geen rug hadden; maar in plaats daarvan groeide er uit de aarde, waarmee zij gevuld waren, in den eenen het prachtigste bieslook: dat was de moestuin der oude luidjes: in den anderen een groote, bloeiende geranium: dat was hun bloemtuin. Aan den muur hing een groot, bontgekleurd schilderij, dat het congres van Weenen voorstelde. Op deze wijze hadden zij alle koningen en keizers op eens bij elkaar. Een klok, waaraan zware looden gewichten hingen, deed onophoudelijk: «Tik, tak!» en deze liep altijd voor, maar dat was beter, dachten de oude luidjes, dan dat zij naliep. Zij gebruikten hun avondmaal, en de oude straatlantaarn zat, zooals reeds gezegd is, in den leuningstoel dicht bij de kachel. Het kwam de lantaarn voor, alsof de geheele wereld omgedraaid was. Maar toen de oude lantaarnopsteker haar aankeek en er van sprak, wat zij beiden alzoo met elkaar doorleefd hadden, in regen en mist, in de heldere, korte zomernachten zoowel als in de lange winternachten, wanneer het sneeuwde, zoodat het hem goeddeed, als hij weer in zijn kelder kwam,—toen wist de lantaarn zich weer goed in alles te verplaatsen. Zij zag alles even duidelijk, alsof het nu nog gebeurde; ja, de wind had haar inwendig goed verlicht.

De oude luidjes waren zeer vlijtig en bedrijvig; geen uur werd er door hen in ledigheid doorgebracht. Des Zondags middags werd er het een of ander boek voor den dag gehaald, bij voorkeur een reisbeschrijving, en dan las de waardige grijsaard zijn vrouw voor, van Afrika, van de groote bosschen, van de olifanten, die daar in ’t wild rondloopen, en dan luisterde de oude vrouw in gespannen aandacht naar hem en sloeg een heimelijken blik op de beide olifanten van aardewerk, die voor bloempotten dienden.








«Ik kan mij dat alles best voorstellen!» zeide zij. En de lantaarn wenschte dan van ganscher harte, dat er een waskaars voorhanden geweest was, die in haar kon opgestoken worden; dan zou de oude vrouw alles tot het kleinste toe nauwkeurig zoo hebben kunnen zien, als de lantaarn dit zag: de hooge boomen, de dicht in elkaar gegroeide takken, de naakte, zwarte menschen te paard en geheele troepen olifanten, die met hun plompe pooten riet en struiken vertrapten.

«Wat baten mij nu al mijn gaven, als ik geen waskaars vind?» zei de lantaarn met een zucht. «Zij hebben niets anders dan olie en vetkaarsen, en dat is niet voldoende!»

Op zekeren dag kwam er een heele boel eindjes waskaars in den kelder; de grootste eindjes werden gebrand, en de kleinere gebruikte de vrouw om er haar draden mee te wrijven. Er waren dus genoeg waskaarsen voorhanden; maar het kwam de beide oude luidjes niet in de gedachten, een klein eindje in de lantaarn te zetten.

«Daar sta ik nu met al mijn gaven,» dacht de lantaarn. «Ik heb alles in mij, maar kan er hen geen deelgenooten van maken; zij weten niet, dat ik de witte muren in de prachtigste tapijten kan veranderen, in de heerlijkste bosschen, in alles, wat zij maar kunnen wenschen.»

De lantaarn werd overigens netjes in orde gehouden en stond geschuurd in een hoek, waar zij iedereen in het oog viel. De menschen vonden wel is waar, dat het een onnut meubel was; maar daarom bekreunden de oudjes zich niet: zij hadden de lantaarn immers lief.

Op zekeren dag,—’t was de verjaardag van den ouden lantaarnopsteker, ging de oude vrouw glimlachend naar de lantaarn toe en zei: «Ik zal vandaag eens ter eere van mijn man illumineeren!» En de lantaarn knarste met haar blikken schoorsteentje en dacht: «Wacht! Eindelijk zal er toch een licht voor hen opgaan!»

Maar het bleef bij olie, en geen waskaars kwam er te voorschijn. Zij brandde den heelen avond door, doch zag nu maar al te goed in, dat het geschenk der sterren voor dit leven een doode schat zou blijven.

Daar had zij een droom,—en als men zulke gaven als zij bezit, dan is het geen kunst om te droomen! Het kwam haar voor, dat de oude luidjes gestorven waren en dat zij naar de ijzergieterij gebracht was, om in een anderen vorm gegoten te worden. Het was haar daarbij even bang te moede als indertijd, toen zij naar het stadhuis moest, om door den burgemeester en den gemeenteraad bekeken te worden. Maar ofschoon haar de macht verleend was, zich in roest en stof te veranderen, als zij dit wenschte, deed zij dit toch niet. Zij werd in den smeltoven geworpen en in een ijzeren kandelaar veranderd, zoo mooi, als men maar zou kunnen wenschen, om waskaarsen daarop te plaatsen. Zij had den vorm van een engel gekregen, die een grooten bloemruiker draagt; midden in den ruiker werd de waskaars geplaatst. De kandelaar kreeg zijn plaats op een groene schrijftafel; de kamer, waarin zij stond, zag er heel gezellig uit; er stonden vele boeken in, en de muren waren met mooie schilderijen behangen; zij behoorde een dichter toe. De kamer veranderde in dichte, donkere bosschen, in liefelijke weiden, in het scheepsverdek op de golven der zee, in den helderen hemel met al zijn sterren.

«Wat liggen er toch een menigte gaven in mij besloten!» zei de oude lantaarn, toen zij wakker werd. «Ik zou er bijna naar verlangen, in een anderen vorm gegoten te worden. Maar neen! Dat mag niet gebeuren, zoolang de oude luidjes leven. Zij hebben mij om mijns zelfs wil lief. Zij hebben mij geschuurd en mij olie gegeven. En ik heb het immers ook even goed, als het heele congres, in de beschouwing waarvan zij insgelijks genoegen vinden!»

Van dien tijd af genoot zij meer inwendige rust, en dat had de oude, brave straatlantaarn wel verdiend.




De ooievaars


Op het laatste huis in een klein dorpje was een ooievaarsnest. Het wijfje van een ooievaar zat daarin bij haar vier jongen, die er hun kopjes met de spitse zwarte bekjes uitstaken; want deze waren nog niet rood geworden. Een klein eindje daar vandaan stond op de vorst van het dak, stram en stijf, het mannetje; hij had zijn eenen poot in de hoogte getrokken, om toch iets te doen te hebben, terwijl hij op schildwacht stond. Men zou gezegd hebben, dat hij van hout gemaakt was, zoo stil stond hij. «Het zal zeker wel heel deftig staan, dat mijn vrouw een schildwacht bij het nest heeft!» dacht hij. «Ze kunnen immers niet weten, dat ik haar man ben. Ze denken zeker, dat zij mij bevel gegeven heeft om hier te staan!» En hij ging voort met op één poot te staan.








Beneden op straat speelde een troep kinderen; en toen zij de ooievaars zagen, zong een der moedigste knapen, en later allen tegelijk, het oude liedje van de ooievaars. Maar zij zongen het slechts zoo, als hij het zich kon herinneren:

		«Ooievaar! waar vlieg je heen!
		Sta niet steeds op je eene been!
		Kijk, je vrouw zit in het nest,
		Waar zij op haar jongen past.

		Het eene wordt gehangen,
		Het andere wordt verschroeid,
		Het derde doodgestoken,
		Het vierde aan ’t braadspit gloeit.»

«Hoor eens, wat die knapen daar zingen!» zeiden de jongen; «zij zingen, dat wij opgehangen en verbrand moeten worden!»

«Daar moet je je maar niet aan storen!» zei de moeder der ooievaars. «Luistert er maar niet naar, dan hindert het je niet!»

Maar de jongens gingen met zingen voort, en zij sliepten den ooievaar met hun vingers uit; doch één knaap, die Piet heette, zei dat het zonde was, die beesten zoo in het ootje te nemen, en hij wilde dan ook volstrekt niet meedoen. De moeder der ooievaars troostte hen door te zeggen: «Bekreunt je er maar niet om! Ziet maar eens, hoe bedaard je vader daar staat, en dat nog wel op één poot!»

«We zijn doodsbenauwd!» zeiden de jongen en trokken hun kopjes in het nest terug.

Den volgenden dag, toen de kinderen weer aan het spelen waren en de ooievaars zagen, zongen zij hun lied:

		«Het eene wordt gehangen,
		Het andre wordt verschroeid.»

«Zullen we dan toch opgehangen en verschroeid worden?» vroegen de jonge ooievaars.

«Wel zeker niet!» zei hun moeder. «Je moet leeren vliegen. Ik zal het je wel leeren! Dan gaan wij naar het land toe en leggen een bezoek bij de kikvorschen af; die buigen zich voor ons in het water en zingen: «Krok, krok, rekkekekkek!» En dan eten wij ze op. Dat zal een pret zijn!»

«En wat dan?» vroegen de jongen.

«Dan verzamelen zich al de ooievaars, die er in dit heele land zijn, en dan beginnen de herfstmanoeuvres; dan moet men goed kunnen vliegen; dat is van het uiterste belang. Want wie dan niet vliegen kan, wordt door den generaal met den snavel doodgestoken; past daarom goed op, dat je wat leert, als het exerceeren begint.»

«Dan worden we toch doodgestoken, zooals de jongens zeiden. En hoor eens! Daar zingen ze het weer!»

«Luistert naar mij en niet naar hen,» zei de moeder der ooievaars. «Na de groote manoeuvres vliegen wij naar de warme landen, ver hier vandaan, over bergen en bosschen. Naar Egypte vliegen wij toe, waar men driehoekige steenen huizen heeft, die in een punt uitloopen en tot boven de wolken reiken; zij worden piramiden genoemd en zijn ouder, dan een ooievaar zich wel kan voorstellen. Daar is een rivier, die buiten haar oevers treedt; dan wordt het geheele land tot slijk. Men loopt in het slijk en eet kikvorschen.»

«Zoo?» zeiden al de jongen.

«Ja, daar is het heerlijk! Men doet den heelen dag niets anders dan eten; en terwijl we het daar zoo goed hebben, is er in dit land geen enkel groen blad aan de boomen; dan is het hier zoo koud, dat de wolken stuk vriezen en in kleine, witte lapjes naar beneden vallen!» Het was de sneeuw, die zij bedoelde: maar zij wist het niet anders te verklaren.

«Vriezen die ondeugende jongens dan ook stuk?» vroegen de jonge ooievaars.

«Neen, stuk vriezen ze niet; maar ze zijn er dicht aan toe en moeten in de donkere kamer blijven zitten kniezen. Jelui kunt daarentegen in vreemde landen rondvliegen, waar men bloemen en warmen zonneschijn heeft.»

Nu was er al eenigen tijd verloopen; en de jongen waren zoo groot geworden, dat zij rechtop in het nest konden staan en ver in de rondte kijken; en de vader der ooievaars kwam alle dagen met heerlijke kikvorschen, kleine slangen en alle ooievaarslekkernijen, die hij maar kon vinden. O, wat was dat aardig, als hij hun allerlei kunstjes voordeed. Zijn kop boog hij heelemaal achterover tot op zijn staart, met zijn snavel klapperde hij, alsof het een rateltje was, en dan vertelde hij hun geschiedenisjes allemaal van het moeras.

«Hoort eens, nu moet je leeren vliegen!» zei de moeder der ooievaars op zekeren dag, en toen moesten al de vier jongen het nest uit en de dakvorst op. Och, wat waggelden zij, wat balanceerden zij met hun vleugels; en toch scheelde het niet veel, of zij waren naar beneden gevallen.

«Kijkt maar eens naar mij!» zei de moeder. «Zoo moet je je kop houden! Zoo moet je je pooten zetten. Een, twee! Een, twee! Dat is het, wat je in de wereld vooruit zal doen komen!» Daarop vloog zij een klein eindje, en de jongen deden een kleinen, onbeholpen sprong. Bom! daar lagen ze, want hun lichaam was nog niet lenig genoeg.

«Ik wil niet vliegen!» zei een der jongen en kroop weer in het nest; «het kan mij niet schelen, of ik naar de warme landen toe ga!»

«Wil je hier dan doodvriezen, als het winter wordt? Moeten de jongens dan komen om je op te hangen, te verbranden of dood te steken? Dan zal ik ze maar dadelijk roepen!»

«O neen!» zei de jonge ooievaar en huppelde toen weer over het dak, evenals de andere.

Op den derden dag konden zij al een beetje vliegen, en nu dachten zij, dat zij ook konden zweven en op de lucht drijven. Dat wilden zij, maar bom! daar duikelden zij; daarom moesten zij hun vleugels gauw weer in beweging brengen. Nu kwamen de jongens beneden op de straat en zongen hun lied:

		«Ooievaar! waar vlieg je heen?»

«Zullen we niet naar beneden vliegen en hun de oogen uitpikken?» vroegen de jongen.

«Neen, doet dat niet!» zei de moeder. «Luistert maar naar mij, dat is veel meer van belang! Een, twee, drie! nu vliegen we rechts. Een, twee, drie! nu links om den schoorsteen heen!—Kijk, dat ging waarlijk al heel goed! De laatste slag met je pooten was zoo netjes en juist, dat je permissie krijgt, om morgen met mij naar het moeras te vliegen. Daar komen verscheidene deftige ooievaarsfamilies met haar kinderen bijeen; toont hun dan, dat de mijne de flinkste zijn en dat je je fatsoenlijk weet te gedragen; dat staat goed en geeft aanzien!»

«Maar moeten we dan geen wraak nemen op die ondeugende jongens?» vroegen de jonge ooievaars.

«Laat ze maar schreeuwen, zooveel als ze willen! Jelui vliegt toch naar de wolken op en komt in het land der piramiden, als zij kou moeten lijden en geen groen blad, geen zoeten appel hebben!»

«Ja, we zullen ons toch wreken!» fluisterden zij elkaar toe, en daarop werd er weer geëxerceerd.

Van al de jongens op straat was er geen erger op verzot, het spotlied te zingen, dan juist diegene, die er mee begonnen was, en dat was nog maar een heel kleine jongen; hij was zeker niet ouder dan zes jaar. De jonge ooievaars dachten wel is waar, dat hij honderd jaren telde, want hij was immers veel grooter dan hun moeder en hun vader, en wat wisten zij er van, hoe oud kinderen en groote menschen konden zijn! Al hun wraak zou op dezen jongen neerkomen: hij was het eerst begonnen, en hij bleef maar volhouden. De jonge ooievaars waren erg nijdig op hem, en toen zij grooter werden, konden zij hem nog minder uitstaan. Hun moeder moest hun eindelijk beloven, dat zij gewroken zouden worden, maar eerst op den laatsten dag van hun verblijf in dit land.

«We moeten eerst eens zien, hoe je je bij de groote manoeuvres zult houden! Gedraag je je slecht, zoodat de generaal je den snavel door de borst stoot, dan hebben de jongens immers gelijk, althans in een zeker opzicht. Laat ons nu eens zien!»

«Ja dat zult ge!» zeiden de jongen, en nu deden zij hun uiterste best; zij oefenden zich alle dagen en vlogen zoo netjes en zoo vlug, dat het een lust was om te zien.

Nu kwam de herfst. Al de ooievaars begonnen zich te verzamelen, om naar de warme landen te trekken, terwijl wij winter hadden. Dat waren de manoeuvres! Over bosschen en dorpen moesten ze, alleen om te zien, of ze wel goed konden vliegen; want het was immers een verre reis, die hun te wachten stond. De jonge ooievaars deden hun zaakjes zoo goed, dat zij: «Uitmuntend, met kikvorsch en slangen!» kregen. Dat was het allerbeste getuigenis, en den kikvorsch en de slangen konden zij opeten; en dat deden ze dan ook.

«Nu zullen we ons wreken!» zeiden zij.

«Wel zeker!» zei de moeder der ooievaars. «Wat ik er op bedacht heb, is het allerbeste. Ik weet waar de vijver is, waarin al de kleine menschenkinderen liggen, totdat de ooievaar komt en ze aan de ouders brengt. De lieve, kleine kinderen slapen en droomen zoo heerlijk, als zij later nimmer meer doen. Alle ouders willen graag zulk een klein kind hebben, en alle kinderen willen wel een zusje of een broertje hebben. Nu zullen we naar den vijver toe vliegen en een daarvan voor elk der kinderen halen, die dat leelijke lied niet gezongen en de ooievaars niet in het ootje genomen hebben.»

«Maar hij, die met zingen begonnen is, die ondeugende, leelijke jongen,» schreeuwden de jonge ooievaars, «wat moeten we met hem beginnen?»

«Er ligt in den vijver een klein, dood kind, dat zich dood gedroomd heeft; dat zullen we voor hem meenemen; dan zal hij schreien, omdat wij hem een klein, dood broertje gebracht hebben; maar dien goeden jongen,—hem ben je toch niet vergeten, hem, die zei, dat het zonde was, ons in het ootje te nemen?—hem zullen we zoowel een broertje als een zusje brengen. En daar de jongen Piet heet, moet jelui ook allemaal Piet genoemd worden!»

En het gebeurde, zooals zij zeide; en al de ooievaars werden Piet genoemd, en zoo heeten zij nog.




Zooals manlief doet, is het altijd goed


Ik zal u eens een sprookje vertellen, dat ik hoorde, toen ik nog een kleine jongen was; telkens wanneer ik aan dit sprookje dacht, kwam het mij voor, alsof het gedurig mooier werd; want het gaat met sprookjes evenals met vele menschen,—zij worden met de jaren mooier.

Op het land zult ge toch zeker wel eens geweest zijn, ge zult dan ook wel eens zulk een heel oud boerenhuis met een stroodak gezien hebben. Mos en planten groeien er van zelf op het dak; een ooievaarsnest bevindt zich op de vorst daarvan,—de ooievaar behoort er zoo bij. De muren van het huis zijn scheef, de ramen laag, en slechts een enkel raam is zoo ingericht, dat het kan opengeschoven worden; de oven springt buiten den muur uit, evenals een kleine, dikke buik; de vlierboom hangt over de heining heen, en onder zijn takken, aan den voet der heining, is een vijver, waarin eenige eenden zwemmen. Een hond, die tegen elk en een ieder blaft, is er ook.

Zulk een boerenhuis stond er buiten op het land, en in dit huis woonden een paar oude lieden, een boer en zijn vrouw. Hoe weinig zij ook hadden, iets was daaronder toch, dat zij hadden kunnen missen,—en wel een paard, dat zich met het gras voedde, dat het aan den weg vond. De oude boer reed op dit paard naar de stad, dikwijls leenden zijn buren het ook van hem en bewezen daarvoor aan de oude lieden menigen wederdienst. Maar het raadzaamst zou het toch wel zijn, als zij dit paard verkochten of het tegen iets anders, dat hun meer van nut kon zijn, verruilden. Maar wat zou dit wel zijn?

«Dat zal jij het best weten, man!» zei zijn vrouw tegen hem. «Vandaag is het juist jaarmarkt, rijd naar de stad, geef het paard voor geld weg of doe er een goeden ruil voor: zooals jij doet, is het mij altijd goed. Rijd maar naar de jaarmarkt toe!»

Zij deed hem zijn das om, want daar had zij meer verstand van dan hij; zij maakte deze met een dubbelen strik vast: dat stond heel goed! Zij streek zijn hoed met haar hand op en gaf hem toen een hartelijken zoen. Daarop reed hij weg op het paard, dat moest verkocht of in ruil gegeven worden. Ja, de oude man heeft daar wel verstand van!

De zon scheen warm, geen wolkje was er aan den hemel te zien. Op den weg stoof het geducht; vele menschen, die de jaarmarkt wilden bezoeken, reden er te paard of in een rijtuig heen, of legden den weg te voet af. Nergens was eenige schaduw tegen de brandende stralen der zon.

Onder anderen ging er ook iemand dien weg langs, die een koe naar de markt dreef. De koe was zoo mooi, als een koe maar wezen kan. «Die geeft zeker ook goed melk!» dacht de boer; «dat zou een goede ruil zijn: de koe voor het paard!»

«Heidaar!» riep hij den man, die met de koe liep, toe; «weet je wat? Een paard, zou ik meenen, kost meer dan een koe; maar dat is mij om ’t even; ik kan meer dienst, van een koe hebben, als je er lust in hebt, dan zullen wij ruilen!»

«Zeker wil ik dat!» zei de man met de koe, en nu ruilden zij.

Dat was alzoo afgedaan, en de boer had nu best weer kunnen terugkeeren; want hij had nu immers afgedaan, waarom het hem te doen was; maar daar hij zich eenmaal op de jaarmarkt gespitst had, wilde hij er ook naar toe, alleen maar om deze eens te zien, en daarom ging hij met zijn koe naar de stad.

Terwijl hij de koe meevoerde, liep hij verder, en na verloop van eenigen tijd kwam hij een man voorbij, die een schaap voor zich uitdreef. Het was een goed, vet schaap, en het had goede wol.

«Dat zou ik wel willen hebben,» dacht onze boer, «het zou bij ons volop gras vinden, en gedurende den winter konden wij het bij ons in de keuken nemen. Eigenlijk zou het verkieslijker zijn een schaap in plaats van een koe te hebben… Willen wij ruilen?» vroeg hij.

Daartoe was de man met het schaap terstond bereid, en de ruiling had plaats. Onze boer ging met het schaap langs den straatweg verder.

Al spoedig werd hij andermaal een man gewaar, die den straatweg langs kwam en een groote gans onder den arm droeg.

«Dat is een zwaar ding, dat je daar hebt; het heeft veeren en vet, dat het een lust is om te zien; het zou wel aardig zijn, als dat bij ons aan een touw bij het water liep. Dat zou net zoo iets voor mijn vrouw zijn; daarvoor kon zij allerlei afval opzamelen. Hoe dikwijls heeft zij niet gezegd: als wij maar eens een gans hadden! Nu kan zij er misschien een krijgen… en komaan! zij zal er een hebben… Willen wij ruilen? Ik geef je het schaap voor de gans en een bedankje op den koop toe.»

Daar had de ander niets tegen in te brengen, en zoo ruilden zij dan. Onze boer kreeg de gans.

Nu was hij reeds dicht bij de stad: het gedrang op den straatweg nam gedurig toe; menschen en vee verdrongen elkaar: zij liepen op den straatweg langs de heggen, ja, bij den slagboom kwamen zij zelfs op het aardappelveld van een daglooner, waar zijn eenige kip aan een touw rondliep, opdat zij niet van het gedrang zou schrikken, afdwalen en wegloopen. De kip had korte veeren in haar staart, zij knipte met haar eene oog en zag er zeer schrander uit. «Klok! Klok!» zei de kip. Wat zij daarbij dacht, weet ik niet te zeggen; maar toen onze boer haar te zien kreeg, dacht hij terstond: «Dat is de mooiste kip, die ik ooit gezien heb, zij is zelfs mooier dan de broedhen van dominee. Drommels! Die kip zou ik wel willen hebben! Een kip vindt altijd wel een graantje; zij kan zich bijna geheel zelf voeden; ik geloof, dat het een goede ruil zou zijn, als ik haar voor de gans kon krijgen… Willen we ruilen?» vroeg hij den daglooner.

«Ruilen?» herhaalde deze, «ja, dat zou niet kwaad zijn!» En zoo ruilden zij. De daglooner kreeg de gans en de boer kreeg de kip.

Zoo had hij al heel wat op de reis naar de stad afgedaan; warm was het ook, en hij was moede. Aan een slokje en aan een ontbijt had hij wel behoefte; al spoedig daarop bevond hij zich bij de herberg. Hij wilde juist naar binnen gaan, toen de huisknecht er uit kwam; zij ontmoetten elkaar op den drempel. De knecht droeg een gevulden zak.

«Wat heb je daar in dien zak zitten?» vroeg de boer,

«Verrotte appelen,» antwoordde de knecht, «een heelen zak vol, genoeg voor de varkens.»

«Dat is toch een al te groote verkwisting. Dat zou ik wel eens aan mijn vrouw willen laten zien. Verleden jaar heeft de oude boom bij het turfhok maar een enkelen appel opgeleverd; die werd afgeplukt en stond op de kast, totdat hij geheel bedierf en verrotte. «Dat is toch altijd iets,» zei mijn vrouw «Wat zou zij opkijken, als zij eens een heelen zak vol zag! Ja, dat zou ik haar wel eens gunnen!»

«Wat wil je voor den zak geven?» vroeg de knecht.

«Wat ik er voor geven wil? Ik geef mijn kip daarvoor in ruil,» en hij gaf de kip in ruil, kreeg de appelen en trad daarmee de gelagkamer binnen. Den zak zette hij voorzichtig, tegen de kachel aan en ging toen naar het buffet. Maar de kachel was warm, daaraan dacht hij niet.—Er waren vele gasten aanwezig: paardenkoopers, ossendrijvers en twee Engelschen, en die Engelschen waren zoo rijk, dat hun zakken met goudstukken opgevuld waren en er bijna van barstten;—en wedden, dat zij konden! Daar zult ge eens wat van hooren!

«Ss! Ss!»—Wat was dat bij de kachel?—De appelen begonnen te braden.

«Wat is dat toch?»

«Ja, zie je,» zei onze boer, en nu vertelde hij de heele geschiedenis van het paard, dat hij tegen een koe verruild had en zoo verder tot aan de appelen.

«Nu, dan zal je vrouw wel duchtig op je knorren, als je thuis komt. Daar zit wat voor je op!» zeiden de Engelschen.

«Wat? Knorren?» zei de boer. «Een zoen zal zij mij geven en zeggen: zooals manlief doet, is het altijd goed.»

«Willen wij eens wedden?» zeiden de Engelschen. «Om gemunt goud per ton van een centenaar of honderd pond?»

«Een zak is al voldoende,» antwoordde de boer. «Ik kan er slechts mijn zak met appelen tegen zetten.»

«Aangenomen.» En de weddingschap werd aangegaan.

Het rijtuig van den kastelein kwam voor, de Engelschen en de boer stapten er in; voorwaarts ging het, en al spoedig daarop hielden zij voor het huis van den boer stil.

«Goeden avond, vrouw!»

«Goeden avond, man!»

«De ruil is gedaan.»

«Ja, jij verstaat je zaken wel!» zei de vrouw, terwijl zij hem omhelsde en noch op den zak, noch op de vreemde gasten lette.

«Ik heb een koe voor het paard geruild»

«Goddank! Nu zullen we melk krijgen en boter en kaas op de tafel! Dat was een goede ruil!»

«Ja, maar de koe heb ik weer tegen een schaap ingeruild.»

«Wel, dat is des te beter!» antwoordde zijn vrouw, «je denkt ook altijd aan alles; voor een schaap hebben wij gras genoeg; schapenmelk en schapenkaas en wollen kousen en wollen rokken! Dat geeft de koe niet, zij verliest haar haren maar. Wat denk je ook aan alles!»

«Maar het schaap heb ik weer tegen een gans verruild.»

«Zullen wij dit jaar dan werkelijk eens een gebraden gans op tafel hebben, manlief? Je denkt er altijd aan, mij een plezier te doen. Wat is dat heerlijk! De gans kunnen we aan een touw vastzetten en haar nog vetter laten worden, voordat wij haar braden.»

«Maar de gans heb ik tegen een kip verruild!» zei haar man.

«Een kip! Dat was een goede ruil!» antwoordde zijn vrouw.

«De kip legt eieren, die broedt zij uit, dan krijgen wij kuikentjes en later een heelen troep kippen! Kijk, daar heb ik al zoo lang naar verlangd!»

«Ja, maar de kip gaf ik weer voor een zak vol rotte appelen weg!»








«Wat? Nu moet ik je eens een hartelijken zoen geven!» hernam de vrouw. «Mijn lieve, beste man! Ik zal je eens wat vertellen. Zie je, toen je van morgen pas weg waart, dacht ik er over na, hoe ik tegen, van avond eens wat lekkers voor je klaar zou maken. Toen dacht ik aan spekpannekoeken met appelen. De eieren had ik al, het spek ook, maar de appelen ontbraken mij nog. Zoo ging ik dan naar meesters vrouw toe; zij heeft appelen, dat weet ik; maar meesters vrouw is gierig, al weet zij zich ook nog zoo mooi voor te doen. Ik verzocht haar, mij wat appelen te leenen. «Leenen?» gaf zij ten antwoord. «Geen enkele appel groeit er in onzen tuin, niet eens een rotte; zoo een kan ik je niet eens leenen, beste vrouw!» Maar nu kan ik haar wel tien, ja een heelen zak vol leenen. Dat doet mij plezier, dat is om mij dood te lachen!»—En daarbij zoende zij hem, dat het klapte.

«Dat bevalt mij!» riepen de Engelschen als uit éen mond. «Altijd minder en toch altijd vroolijk. Dat is het geld wel waard!»

En nu betaalden zij een centenaar gouden munten aan den boer, die niet beknord, maar gezoend werd.

Ja, dat vindt altijd zijn loon, als de vrouw het inziet en het ook altijd zegt, dat de man het het beste weet en dat al wat hij doet, goed is.

Zie, dat is mijn geschiedenis. Ik heb haar reeds als kind gehoord, en nu hebt gij haar ook gehoord en weet het nu: «Zooals manlief doet, is het altijd goed!»




De groote Klaas en de kleine Klaas


In zeker dorp woonden twee menschen, die beiden denzelfden naam hadden. Beiden heetten Klaas, maar de een bezat vier paarden en de ander maar een enkel paard. Om ze nu van elkaar te kunnen onderscheiden, noemde men hem, die vier paarden had, den grooten Klaas, en hem die maar één paard had, den kleinen Klaas. Nu willen we eens hooren, hoe het met beiden ging; want het is een ware geschiedenis.

De heele week door moest de kleine Klaas voor den grooten Klaas ploegen en hem zijn eenig paard leenen; dan hielp de groote Klaas hem weer met al zijn vier, doch slechts eenmaal in de week, en dat was des Zondags. Jongens! wat klapte de kleine Klaas dan met zijn zweep boven al de vijf paarden; zij waren immers op dien eenen dag zoo goed als de zijne. De zon scheen heerlijk, en al de klokken in den kerktoren luidden; de menschen hadden hun beste kleeren aangetrokken en gingen met hun gezangboek onder den arm naar de kerk, om den dominee te hooren preeken; zij zagen den kleinen Klaas, die met vijf paarden ploegde, en deze was zoo in zijn schik, dat hij al door weer met zijn zweep klapte en riep: «Voort, mijn paardjes!»

«Zoo moet je niet spreken,» zei de groote Klaas; «het eene paard is immers maar van jou.»

Maar toen er weer iemand voorbijkwam, vergat de kleine Klaas, dat hij dit niet mocht zeggen, en riep: «Voort, mijn paardjes!»

«Hoor eens! Nu moet ik je verzoeken, het niet meer te zeggen!» zei de groote Klaas weer, «want als je het nog eenmaal zegt, dan geef ik je paard een slag voor den kop, dat het dood neervalt; dan is het met hem gedaan!»

«Ik zal het waarlijk niet meer zeggen!» hernam de kleine Klaas. Maar toen er al spoedig daarop weer menschen voorbijkwamen en hem toeknikten, werd hij blijde en dacht, dat het toch wel heel deftig moest staan, dat hij zoo vijf paarden had, om zijn land te beploegen; nu klapte hij andermaal met zijn zweep en zei: «Voort, mijn paardjes»

«Ik zal je dat wel afleeren!» zei de groote Klaas en nam een knuppel en sloeg het eenige paard van den kleinen Klaas daarmee zoo duchtig voor den kop, dat het omviel en terstond dood was.








«Ach, nu heb ik geen paard meer!» zei de kleine Klaas en begon te weenen. Daarop stroopte hij het paard de huid af en liet deze goed in den wind drogen, stopte haar toen in een zak, dien hij op den schouder nam, en begaf zich naar de stad om zijn paardenhuid te verkoopen.

Hij had een verren tocht af te leggen, hij moest een groot, donker bosch door, en nu werd het een verschrikkelijk slecht weer; hij raakte heelemaal verdwaald, en voordat hij weer op den rechten weg kwam, was het avond en te ver om de stad nog te bereiken of voor den nacht naar huis terug te keeren.

Vlak aan den weg stond een groote boerenplaats; de buitenluiken voor de ramen waren gesloten; maar het licht kon daaroverheen toch naar buiten schijnen. «Daar zal men mij wel willen vergunnen, den nacht door te brengen,» dacht de kleine Klaas en ging er naar toe, om aan te kloppen.

De boerin deed de deur open; maar toen zij hoorde, wat hij wilde, zeide zij, dat hij maar zijns weegs moest gaan; haar man was niet thuis, en zij wilde aan iemand, die haar wildvreemd was, geen onderkomen verschaffen.

«Nu, dan moet ik maar buiten blijven liggen,» zei de kleine Klaas, en de boerin deed hem de deur voor den neus dicht.

Dicht daarbij stond een groote hooiberg, en tusschen deze en het huis een kleine schuur, die met een plat stroodak bedekt was.

«Daar boven kan ik wel liggen!» dacht de kleine Klaas, toen hij het dak zag. «Dat is immers een heerlijk bed. De ooievaar zal wel niet naar beneden vliegen en mij in mijn beenen bijten!» Want op het dak stond een levende ooievaar, die daar zijn nest had.

Nu klom de kleine Klaas boven op de schuur, waar hij zich neerlegde en zich al heen en weer wentelde, om toch recht gemakkelijk te liggen. De houten luiken voor de ramen waren niet heelemaal tot boven aan toe, en zoo kon hij juist in de kamer zien.

Daar stond een groote tafel gedekt, met wijn en gebraden vleesch en een heerlijken visch er op; de boerin en de koster zaten aan tafel, maar niemand anders; zij schonk hem in, en hij stak zijn vork in de visch, want dit was zijn lievelingskost.

«Kon ik daar ook maar wat van krijgen!» dacht de kleine Klaas en strekte zijn hoofd naar het raam uit. Och! welk een heerlijken koek zag hij op tafel staan! Stellig was het daar feest!

Nu hoorde hij iemand op den straatweg aankomen en naar het huis toe rijden; dat was de man der boerin, die naar huis terugkeerde.

Die man was goed genoeg; maar hij had de verwonderlijke eigenschap, dat hij geen koster kon uitstaan; als hij een koster in het oog kreeg, dan werd hij razend. Dat was ook de reden, waarom de koster naar zijn vrouw toe gegaan was, om haar een bezoek te brengen, daar hij wist, dat haar man niet thuis was; en de goede vrouw zette hem daarom het heerlijkste eten voor, dat zij maar had. Toen zij den man echter hoorden aankomen, verschrikten zij, en de vrouw verzocht den koster, in een groote leege kist te kruipen. Dat deed hij; want hij wist immers, dat de arme man het niet kon verdragen, een koster te zien. De vrouw verborg in aller ijl het heerlijke eten en den wijn in haar oven; want als haar man dit te zien gekregen had, dan zou hij zeker gevraagd hebben, wat dit moest beteekenen.

«Och, och!» zei de kleine Klaas boven op zijn schuur, toen hij het eten zag verdwijnen.

«Is er iemand daarboven?» vroeg de boer en keek naar den kleinen Klaas op. «Waarom lig je daar? Ga liever met mij mee in huis!»

Nu vertelde de kleine Klaas, hoe hij verdwaald geraakt was, en vroeg, of hij hier gedurende den nacht mocht blijven.

«Wel zeker!» zei de boer, «maar wij moeten eerst wat te eten hebben.»

De vrouw ontving beiden zeer vriendelijk, dekte de tafel en zette hun een grooten schotel met gort voor. De boer had honger en at met den meesten smaak; maar de kleine Klaas kon zich niet weerhouden, aan het heerlijke gebraden vleesch, den visch en den koek te denken, die, zooals hij wist, in den oven stonden.

Onder de tafel, aan zijn voeten, had hij den zak met de paardehuid er in neergelegd; want wij weten immers, dat hij zich ter wille daarvan op weg begeven had, om deze in de stad te verkoopen. De gort wilde hem maar niet smaken, en daarom trapte hij op zijn zak, en de droge huid in den zak maakte nu een knarsend geluid.

«Stil!» zei de kleine Klaas tegen zijn zak, maar te gelijker tijd trapte hij er weer op, en nu knarste het er nog luider dan te voren in.

«Wat heb je toch in je zak zitten?» vroeg de boer nu.

«O, dat is een toovenaar!» zei de kleine Klaas. «Hij zegt, dat wij geen gort behoeven te eten; want dat hij den heelen oven vol gebraden vleesch, visch en koek getooverd heeft.»

«Wat weerga!» zei de boer en deed nu den oven dadelijk open, waarin hij al de heerlijke, lekkere spijzen zag staan, die zijn vrouw daarin weggestopt had, maar die, zooals hij nu geloofde, de toovenaar in den zak voor hen getooverd had. De vrouw dorst niets zeggen, maar zette de spijzen terstond op de tafel neer, en zoo aten beiden van den visch, van het gebraden vleesch en van den koek. Nu trapte de kleine Klaas weer op zijn zak, zoodat de huid knarste.

«Wat zegt hij nu weer?» vroeg de boer.

«Hij zegt,» antwoordde de kleine Klaas, «dat hij ook drie flesschen wijn voor ons getooverd heeft, en dat zij daar in den hoek bij den oven staan!» Nu moest de vrouw den wijn, dien zij verborgen had, voor den dag krijgen, en de boer dronk en werd zeer vroolijk! Zulk een toovenaar, als de kleine Klaas in den zak had, zou hij wel graag gehad hebben.

«Kan hij den duivel ook te voorschijn brengen?» vroeg de boer. «Ik zou hem wel eens willen zien!»

«Ja,» zei de kleine Klaas, mijn toovenaar kan alles, wat ik verlang. Niet waar?» vroeg hij en trapte op den zak, zoodat hij knarste. «Hoor je wel? Hij zegt ja. Maar de duivel ziet er heel leelijk uit; je zult hem zeker liever niet willen zien!»

«O, ik ben volstrekt niet bang. Hoe zou hij er wel uitzien?»

«Hij zal zich precies als een koster voordoen.»

«Foei!» zei de boer, «dat is leelijk! Je moet weten, dat ik het niet kan uitstaan, een koster te zien. Maar dat doet er niet toe; ik weet immers, dat het de duivel is; dus zal ik er mij wel in schikken! Nu heb ik moed! Maar hij mag niet te dicht bij mij komen.»

«Nu, ik zal het aan mijn toovenaar vragen,» zei de kleine Klaas, trapte op den zak en hield er zijn oor aan.

«Wat zegt hij?»

«Hij zegt, dat je de kist maar moet opendoen, die daar in den hoek staat; dan zal je den duivel zien, zooals hij daarin op zijn hurken zit; maar je moet het deksel vasthouden, want anders mocht hij eens ontsnappen.»

«Wil je mij helpen om het vast te houden?» vroeg de boer en ging naar de kist toe, waarin zijn vrouw den werkelijken koster verborgen had, die daarin zat en zich doodelijk ongerust maakte.

De boer deed het deksel eventjes open en keek in de kist.

«Foei!» schreeuwde hij en deinsde terug. «Ja, nu heb ik hem gezien: hij zag er precies uit als onze koster. Dat was verschrikkelijk!»

Daarop moest er gedronken worden, en zoo dronken zij dan tot laat in den nacht.

«Dien toovenaar moet je mij verkoopen,» zei de boer. «Vraag daarvoor al wat je maar wilt. Ja, ik geef je er op staanden voet een schepel vol geld voor!»

«Neen, dat kan ik niet,» zei de kleine Klaas. «Bedenk toch, hoeveel nut ik van dezen toovenaar kan hebben.»

«Och, ik zou hem toch graag willen hebben,» vervolgde de boer en ging voort met smeeken.

«Welnu,» zei de kleine Klaas eindelijk, «daar je zoo goed geweest bent, mij van nacht een onderkomen te verschaffen, zal ik het maar doen. Je kunt den toovenaar voor een schepel vol geld krijgen.»

«Dat zul je hebben,» zei de boer. «Doch die kist daar moet je maar meenemen: ik wil haar geen uur langer in huis houden; men kan het nooit weten: misschien zit hij er nog wel in.»

De kleine Klaas gaf den boer zijn zak met de paardehuid er in en kreeg daarvoor een schepel vol geld. De boer gaf hem zelfs nog een kar, om het geld en de kist daarop mee te nemen.

«Vaarwel!» zei de kleine Klaas en reed met zijn geld en de groote kist, waarin de koster nog zat, weg.

Aan den anderen kant van het bosch was een breede, diepe rivier; het water stroomde daarin met zooveel snelheid, dat men tenauwernood tegen den stroom in kon zwemmen; men had er een groote, nieuwe brug overheen gelegd; de kleine Klaas bleef op het midden daarvan staan en zei overluid, opdat de koster het zou kunnen hooren:

«Wat moet ik nu met die lompe kist beginnen? Zij is zoo zwaar, alsof er steenen in zaten! Ik word er maar moe van, haar verder voort te rijden; ik zal haar in de rivier werpen; drijft zij naar mijn huis toe, dan is het goed, en doet zij dit niet, dan komt het er ook niet op aan.»

Nu pakte hij de kist met zijn eene hand beet en tilde haar een weinig op, alsof hij haar in het water wilde gooien.

«Och, doe dat niet!» riep de koster uit de kist. «Laat mij er eerst uit.»

«Hu!» zei de kleine Klaas en hield zich, alsof hij bang was. «Hij zit er nog in! Dan moet ik hem gezwind in de rivier werpen, om hem te verdrinken.»

«O neen, neen!» riep de koster. «Ik zal je een geheel schepel vol geld geven, als je er mij uitlaat.»

«Zoo, dat is wat anders!» zei de kleine Klaas en deed de kist open. De koster kroop er gauw uit, stiet de leege kist in het water en ging naar zijn huis, waar de kleine Klaas een schepel vol geld kreeg. Hij had er al een van den boer gekregen, en zoo had hij dan nu zijn heele kar vol geld.

«Nu, het paard heb ik goed betaald gekregen!» zei hij bij zich zelf, toen hij te huis in zijn kamer al het geld op een hoop uitschudde. «Dat zal den grooten Klaas ergeren, als hij verneemt, hoe rijk ik door mijn ééne paard geworden ben; maar ik wil het hem toch niet met ronde woorden zeggen!»

Nu zond hij een jongen naar den grooten Klaas toe, om van hem een schepelmaat te leenen.

«Wat zou hij daarmee toch willen doen?» dacht de groote Klaas en smeerde teer op den bodem daarvan, opdat er van hetgeen er in gemeten werd, iets aan zou blijven hangen. En dat gebeurde ook; want toen hij de schepelmaat terugkreeg, hingen er drie nieuwe zilverstukken aan.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas en liep dadelijk naar den kleinen Klaas toe. «Waar heb je al dat geld toch vandaan gekregen?»

«O, dat is voor mijn paardenhuid; die heb ik gisteravond verkocht.»

«Dat is waarlijk goed betaald!» zei de groote Klaas, liep gezwind naar huis, nam een bijl, gaf aan al zijn vier paarden een slag voor den kop, stroopte hun de huid af en reed met deze huiden naar de stad toe.

«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij door de straten.

Alle schoenmakers en leerlooiers kwamen aanloopen en vroegen, wat hij er voor moest hebben.

«Een schepel vol geld voor elke huid,» zei de groote Klaas.

«Ben je niet wijs?» riepen allen uit. «Denk je, dat we het geld zoo maar bij schepels hebben?»

«Huiden, huiden! Wie wil er huiden koopen?» riep hij weer, en aan al degenen, die hem vroegen, wat de huiden moesten kosten, gaf hij ten antwoord: «Een schepel vol geld!»

«Hij wil ons beetnemen!» zeiden allen; daarop namen de schoenmakers hun spanriemen en de leerlooiers hun schootsvellen, en gaven den grooten Klaas daarmee een duchtig pak slaag.

«Huiden, huiden!» voegden zij hem op een spottenden toon toe; «ja, wij zullen je huid looien, zoodat het bloed er bij neerloopt. De stad uit met hem!» riepen zij, en de groote Klaas moest zich zoo hard wegmaken, als hij maar kon; want zulk een pak slaag had hij nog nooit van zijn leven gehad.

«Nu!» zeide hij, toen hij thuis kwam, «dat zal ik den kleinen Klaas betaald zetten! Ik zal hem daarvoor doodslaan.»

In het huis van den kleinen Klaas was zijn grootmoeder gestorven. Zij was wel is waar heel lastig en slecht voor hem geweest; maar hij was toch diep bedroefd en nam de doode vrouw op en legde haar in zijn warme bed, om te zien of zij niet tot het leven zou terugkeeren. Daar moest zij den heelen nacht liggen; hij zelf zou in den hoek gaan zitten en op een stoel slapen; dat had hij wel meer gedaan.








Toen hij daar nu in den nacht zat, ging de deur open, en nu trad de groote Klaas met zijn bijl binnen. Hij wist wel, waar het ledekant van den kleinen Klaas stond, ging daar regelrecht naar toe en sloeg diens grootmoeder voor het hoofd, daar hij dacht, dat het de kleine Klaas was.

«Ziezoo!» zeide hij. «Nu zal je mij niet meer beethebben!» Daarop keerde hij naar zijn huis terug.

«Dat is toch een slechte kerel!» dacht de kleine Klaas. «Hij wilde mij doodslaan. Het was maar gelukkig, dat grootmoeder al dood was; anders zou hij haar van het leven beroofd hebben!»

Nu trok hij zijn grootmoeder haar Zondagsche kleeren aan, leende van zijn buurman een paard, spande dit voor den wagen en zette zijn grootmoeder op de achterste bank, zoodat zij er niet kon uitvallen, als hij reed; en zoo reden zij weg en gingen het bosch door. Toen nu de zon opging, kwamen zij aan een groote herberg; daar hield de kleine Klaas stil en ging er in, om wat te gebruiken.

De waard had zeer veel geld; hij was een heel goedhartig man, maar erg oploopend.

«Goeden morgen!» zei hij tegen den kleinen Klaas. «Je bent er van morgen al vroeg op uitgegaan!»

«Ja,» zei de kleine Klaas; «ik moet met mijn grootmoeder naar de stad toe; zij zit op den wagen, en ik kan haar niet in huis brengen. Wil je haar niet een glas wijn geven? Maar je moet heel luid spreken, want zij kan niet goed hooren!»

«Ja, dat zal ik doen!» zei de waard en schonk een groot glas wijn in, waarmee hij naar de doode grootmoeder toe ging, die rechtop in den wagen gezet was.

«Hier is een glas wijn van uw kleinzoon!» zei de waard. Maar de doode vrouw sprak geen enkel woord en bleef roerloos zitten.

«Hoor je mij niet?» riep de waard nu zoo hard als hij maar kon; «hier is een glas wijn van uw kleinzoon!»

Nog eenmaal riep hij hetzelfde, en toen nog eenmaal; maar daar zij zich volstrekt niet verroerde, werd hij boos en wierp haar het glas in het gezicht, zoodat de wijn haar over den neus liep en zij achterover in den wagen viel; want zij was maar los overeind gezet en niet vastgebonden.

«Wat heb je daar gedaan?» riep de kleine Klaas, snelde de deur uit en pakte den waard bij den kraag beet. «Je hebt mijn grootmoeder gedood! Kijk maar eens! Er zit een groot gat in haar voorhoofd!»

«O, dat is ongelukkig!» riep de waard en sloeg zich met de handen voor het hoofd. «Dat komt alles van mijn opvliegendheid! Beste kleine Klaas! ik zal je een schepel vol geld geven en je grootmoeder laten begraven, alsof het mijn eigen was; maar zwijg er dan ook over, want anders wordt mij het hoofd afgeslagen, en dat zou ik niet heel plezierig vinden!»

Zoo kreeg de kleine Klaas een schepel vol geld, en de waard begroef de grootmoeder, alsof het zijn eigen geweest was.

Toen nu de kleine Klaas weer met het vele geld thuis kwam, zond hij zijn jongen dadelijk naar den grooten Klaas toe, om hem te verzoeken, hem een schepelmaat te leenen.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik hem niet doodgeslagen? Dat moet ik toch zelf eens gaan zien!» En zoo ging hij zelf met de schepelmaat naar den kleinen Klaas.

«Waar heb je toch al dat geld vandaan gekregen?» vroeg hij en zette groote oogen op, toen hij alles zag, wat er nog bijgekomen was.

«Je hebt mijn grootmoeder doodgeslagen, maar mij niet!» zei de kleine Klaas; «die heb ik nu verkocht en er een schepel vol geld voor gekregen.»

«Dat is waarlijk goed betaald,» zei de groote Klaas en snelde naar huis toe, nam een bijl en sloeg zijn grootmoeder dadelijk dood, zette haar op zijn wagen, reed haar naar de stad, waar de apotheker woonde, en vroeg hem, of hij ook een lijk wilde koopen.

«Wie is het, en hoe kom je er aan?» vroeg de apotheker.

«Het is mijn grootmoeder!» zei de groote Klaas. «Ik heb haar doodgeslagen, om er een schepel vol geld voor te krijgen!»

«God beware ons!» riep de apotheker uit. «Je spreekt wartaal. Zeg zulke dingen toch niet, anders kon het je je hoofd wel eens kosten!»—En nu vertelde hij hem omstandig, wat voor een goddelooze daad hij begaan had, en wat voor een slecht mensch hij was, en dat hij er voor gestraft moest worden; toen verschrikte de groote Klaas zoozeer, dat hij uit de apotheek op den wagen sprong, duchtig op de paarden lossloeg en naar huis reed. Maar de apotheker en al de menschen dachten, dat hij krankzinnig was, en daarom lieten zij hem rijden, waarheen hij wilde.

«Daar zul je voor boeten!» zei de groote Klaas, toen hij buiten op den straatweg was. «Ja, dat zal ik je betaald zetten, kleine Klaas!» Toen nam hij, zoodra hij thuis kwam, den grootsten zak, dien hij maar vinden kon, ging naar den kleinen Klaas toe en zei: «Nu heb je mij al weer beetgehad! Eerst heb ik mijn paarden doodgeslagen en toen mijn grootmoeder! Dat is allemaal jouw schuld, maar je zult mij niet meer beethebben!» Dit zeggende, pakte hij den kleinen Klaas om zijn lijf beet en stak hem in zijn zak, nam dezen op zijn rug en riep hem toe: «Nu ga ik met je weg en verdrink je!»

Het was een verre weg, dien hij af te leggen had, voordat hij bij de rivier kwam, en de kleine Klaas was niet zoo gemakkelijk te dragen. De weg liep vlak voorbij de kerk, het orgel speelde en de menschen zongen zoo mooi! Nu zette de groote Klaas zijn zak met den kleinen Klaas er in dicht bij de kerkdeur neer en dacht, dat het niet kwaad zou zijn, de kerk in te gaan en een psalm aan te hooren, voordat hij verder ging. De kleine Klaas kon er immers niet uit komen, en al de menschen waren in de kerk: zoo ging hij er dan in.

«Och hemel, och hemel!» zuchtte de kleine Klaas in den zak en draaide en keerde zich al; maar het was hem niet mogelijk, het touw los te krijgen. Nu kwam er een stokoude veehoeder aan met sneeuwwit haar en een grooten stok in de hand; hij dreef een groote kudde koeien en stieren voor zich uit; deze liepen tegen den zak aan, waarin de kleine Klaas zat, zoodat hij omver viel.

«Och, och!» zuchtte de kleine Klaas. «Ik ben nog zoo jong en moet nu al naar den hemel toe!»

«En ik, ongelukkige!» zei de veehoeder, «ik ben al zoo oud en kan er nog maar niet in komen.»

«Doe den zak open!» riep de kleine Klaas, «kruip er in mijn plaats in, dan kom je oogenblikkelijk in den hemel!»

«O, dat wil ik met alle plezier doen,» zei de veehoeder en maakte den zak open, waar de kleine Klaas nu dadelijk uitkroop.

«Wil je nu ook op het vee passen?» vroeg de grijsaard en kroop in plaats van den kleinen Klaas in den zak, waarna deze hem dichtbond en met al de koeien en stieren zijns weegs ging.

Al spoedig daarop kwam de groote Klaas uit de kerk en nam zijn zak weer op den rug, ofschoon het hem toescheen, alsof deze lichter geworden was; want de oude veehoeder was maar half zoo zwaar als de kleine Klaas. «Wat is hij nu toch gemakkelijk te dragen! Dat komt zeker, omdat ik een psalm gehoord heb.» Zoo ging hij dan naar de rivier toe, die diep en breed was, wierp er den zak met den ouden veehoeder in en riep hem achterna, want hij dacht immers, dat de kleine Klaas er in zat: «Blijf daar nu maar liggen! Nu zul je mij niet meer beet hebben!»

Daarop ging hij naar huis; maar toen hij bij den kruisweg kwam, ontmoette hij den kleinen Klaas, die zijn vee voortdreef.

«Wat is dat?» zei de groote Klaas. «Heb ik je niet verdronken?»

«Ja,» zei de kleine Klaas. «Je hebt mij immers een klein half uurtje geleden in de rivier geworpen.»

«Maar hoe ben je aan dat prachtige vee gekomen?» vroeg de groote Klaas.

«Dat is watervee!» zei de kleine Klaas. «Ik zal je de heele geschiedenis vertellen; maar eerst moet ik je er wel voor bedanken, dat je mij verdronken hebt, want nu ben ik er boven op, nu ben ik waarlijk rijk!—Wat was het mij bang te moede, toen ik in den zak zat! De wind floot mij om de ooren, toen je mij van de brug naar beneden in het koude water gooide. Ik zonk dadelijk naar den grond, maar ik stiet mij niet, want daar beneden groeit het mooiste, zachtste gras. Daar kwam ik op terecht, en terstond ging de zak open; het bekoorlijkste meisje in sneeuwwitte kleederen en met een groenen krans om het natte haar nam mij bij de hand en zei: «Ben je daar, kleine Klaas? Daar heb je vooreerst eenig vee! Een mijl verder op den weg staat nog een heele kudde, die ik je wil geven!»—Nu zag ik, dat de rivier een grooten straatweg voor de bewoners van het water vormde. Onder op den grond liepen en reden zij juist van de zee af en het land in tot daar, waar de rivier eindigde. Daar was het vol bloemen en frisch gras; de visschen, die in het water zwommen, schoten mij voorbij de ooren, evenals hier de vogels in de lucht. Wat waren er daar mooie menschen, en wat was daar voor vee, dat in grachten en in slooten graasde!»

«Maar waarom ben je dadelijk weer naar boven gekomen?» vroeg de groote Klaas. «Dat zou ik niet gedaan hebben, als het daar beneden zoo mooi is!»

«Ja,» zei de kleine Klaas, «dat is juist slim van mij gehandeld. Je hebt immers wel gehoord, dat ik je verteld heb, dat de zeemeermin tegen mij zei, dat er een mijl verder op den weg,—en met dien weg bedoelde zij natuurlijk de rivier, want zij kan nergens anders naar toe komen,—nog een heele kudde vee voor mij stond. Maar ik weet, wat voor krommingen de rivier maakt, nu eens hier, dan weer daar, dat is immers een verre omweg; neen, dan kan men het korter afdoen, als men hier aan land stapt en dwars over het veld weer naar de rivier toe loopt; daarbij haal ik immers bijna een halve mijl uit en kom spoediger bij mijn watervee!»

«O, je bent toch een gelukkig man!» zei de groote Klaas. «Zou je denken, dat ik ook watervee kreeg, als ik op den bodem der rivier kwam?»

«Ja, dat denk ik wel,» zei de kleine Klaas. «Maar ik kan je niet in den zak naar de rivier dragen; je bent mij te zwaar! Wil je er zelf naar toe loopen en in den zak kruipen, dan wil ik je er met alle plezier ingooien.»

«Heel graag!» zei de groote Klaas. «Maar wanneer ik geen watervee krijg, als ik beneden kom, geloof mij, dan zal ik je een duchtig pak slaag geven!»

«Och, maak het zoo erg niet!»

Nu begaven zij zich naar de rivier. Toen het vee, dat dorstig was, het water zag, liep het zoo hard als het kon naar het water om te drinken.

«Kijk maar eens, hoe het zich voortspoedt!» zei de kleine Klaas» «Het verlangt er al naar, om weer op den bodem der rivier te komen.»

«Komaan, help mij dan maar gauw!» zei de groote Klaas, «anders krijg je een pak slaag!» En zoo kroop hij in den grooten zak, die dwars over den rug van een stier gelegen had. «Doe er een steen in, anders vrees ik, dat ik niet naar beneden zal zinken,» zei de groote Klaas.

«Dat wil ik wel!» zei de kleine Klaas, en hij deed nog een grooten steen in den zak, bond er het touw stevig om heen en gaf er toen een duw aan. Plof! daar viel de groote Klaas in de rivier en zonk dadelijk naar den grond.

«Ik geloof, dat hij er het vee wel niet zal vinden!» zei de kleine Klaas en keerde toen naar huis terug met alles, wat hij had.




De vliegende koffer


Er was eens een koopman, die zoo rijk was, dat hij de heele straat en bijna nog een klein straatje bovendien met zilvergeld kon plaveien; maar dat deed hij niet; want hij wist zijn geld wel anders te besteden. Als hij een dubbeltje uitgaf, dan kreeg hij een gulden terug; zulk een goed koopman was hij,—totdat hij stierf.

Zijn zoon kreeg nu al dit geld. Hij leefde er vroolijk van, hij ging alle avonden naar een gemaskerd bal, hij maakte vliegers van bankbiljetten en keilde over het meer met goudstukken in plaats van met steentjes. Op die wijze moest het geld wel gauw opraken, en dat gebeurde dan ook. Eindelijk bezat hij niet meer dan vier dubbeltjes en had geen andere kleeren dan een paar pantoffels en een oude kamerjapon. Nu bekommerden zijn vrienden zich niet meer om hem, daar zij toch niet samen op straat konden loopen; maar een hunner, die goedhartig van aard was, zond hem een ouden koffer met de opmerking: «Pak in!» Ja, dat was nu goed en wel, maar hij had niets om in te pakken; daarom ging hij zelf in den koffer zitten.

Dat was een zonderlinge koffer. Zoodra men op het slot drukte, kon de koffer vliegen. Hij drukte er op en, flap, daar vloog hij er mee door den schoorsteen heen, hoog boven de wolken, al verder en verder weg. Maar zoo dikwijls de bodem van den koffer een weinig kraakte, verkeerde hij in doodsangst, dat de koffer stuk zou gaan; want dan zou hij een duchtige buiteling gemaakt hebben.

Op deze wijze kwam hij in het land der Turken. Hij verborg den koffer in het bosch onder de dorre bladeren en ging toen de stad in. Dat kon hij heel goed doen; want bij de Turken liepen immers allen zooals hij: in een kamerjapon en met pantoffels aan. Daar ontmoette hij een min met een klein kind op den arm. «Hoor eens, Turksche min!» zei hij, «wat is dat voor een groot kasteel hier dicht bij de stad, waar de ramen zoo hoog boven den grond zijn?»

«Daar woont de dochter van den Sultan!» antwoordde zij. «Er is voorspeld, dat zij over een minnaar diep ongelukkig zou worden, en daarom mag niemand bij haar komen, als de Sultan en de Sultane er niet bij zijn.»

«Ik dank u wel!» zei de,zoon van den koopman en ging naar het bosch, zette zich in zijn koffer neer, vloog op het dak en kroop door het raam bij de prinses binnen.

Zij lag op de sofa en sliep; zij was zoo schoon, dat de zoon van den koopman zich niet kon weerhouden, haar een kus te geven.

Nu werd zij wakker en ontstelde hevig; maar hij zeide, dat hij de god der Turken was, die door de lucht tot haar neergedaald was, en dat beviel haar.

Zij gingen zich naast elkander zitten, en hij vertelde haar geschiedenisjes van haar oogen: dat waren de heerlijkste, donkere meren, daar zwommen de gedachten als meerminnen in. En hij vertelde haar van haar voorhoofd: dat was een sneeuwberg met de prachtigste zalen en schilderijen.

Ja, dat waren mooie praatjes! Daarop vroeg hij om de hand der prinses, en zij zei dadelijk ja!

«Maar ge moet aanstaanden Zaterdag hier komen!» zeide zij. «Dan komen de Sultan en de Sultane bij mij op de thee. Zij zullen er trotsch op zijn, dat ik een god der Turken tot man krijg. Maar zorg, dat ge een heel mooi sprookje weet te vertellen; want daar houden mijn ouders bijzonder veel van. Mijn moeder wil het zedelijk en ernstig, en mijn vader grappig hebben, zoodat men er om kan lachen!»

«Ja, ik breng geen ander morgengeschenk dan een sprookje!» zeide hij, en zoo namen zij afscheid van elkaar. Maar de prinses gaf hem een sabel, die met goudstukken bezet was; deze kon hij gebruiken.








Nu vloog hij weg, kocht een nieuwe kamerjapon, ging toen in het bosch zitten en vervaardigde er een sprookje; dit moest tegen den Zaterdag klaar zijn, en dat is toch zulk een gemakkelijk werk niet.

Toen hij er mee klaar was, was het Zaterdag.

De Sultan, de Sultane en het geheele hof waren bij de prinses op de thee. Hij werd zeer goed ontvangen.

«Wilt ge ons niet eens een sprookje vertellen,» zei de Sultane, «een, dat diepzinnig en leerrijk is?»

«En waarover men toch ook eens kan lachen,» voegde de Sultan er bij.

«Jawel,» antwoordde hij en vertelde. En nu goed toegeluisterd!

Er was eens een doosje lucifers: deze waren zeer trotsch op hun aanzienlijke afkomst! Hun stamboom, namelijk de groote pijnboom, waarvan elk hunner een klein houtje was, had als een groote, oude boom in het bosch gestaan. De lucifers lagen nu in het midden tusschen een tondeldoos en een ouden, ijzeren pot, en allen vertelden van hun jeugd. «Ja, toen wij nog aan de groene takken vastzaten,» zeiden de lucifers, «toen hadden wij een plezierig leventje! Alle ochtenden en avonden kregen we diamanten thee, dat was de dauw, den heelen dag hadden we zonneschijn, als de zon scheen, en de kleine vogels moesten geschiedenisjes vertellen. Wij konden wel merken, dat wij ook rijk waren; want de overige boomen waren slechts in den zomer bekleed, maar onze familie had de middelen om zoowel in den zomer als in den winter groene kleeren te dragen. Maar daar kwam de houthakker: dat was de groote revolutie, en nu werd onze familie her- en derwaarts verspreid. De stamhouder kreeg een plaats als groote mast op een prachtig schip, dat de aarde kon omzeilen, als het wilde; de andere takken gingen naar andere plaatsen, en wij hebben nu de taak, voor de menschen licht te ontsteken. Daarom zijn wij, deftige lieden, hier in de keuken gekomen.»

«Mijn levensloop heeft zich op een andere wijze toegedragen!» zei de ijzeren pot, waarnaast de lucifers lagen. «Van den beginne af, sedert ik ter wereld kwam, is er in mij vele malen geschuurd en vele malen gekookt! Ik zorg voor het degelijke en ben de eerste hier in huis. Mijn eenige vreugde is, na het eten heel zindelijk en netjes op mijn plaats te staan en een verstandig gesprek met mijn kameraden te voeren. Maar met uitzondering van den emmer, die nu en dan eens op de stoep komt, blijven wij altijd tusschen onze vier muren. De eenige, die ons eens wat nieuwtjes kan vertellen, is de boodschappenmand, maar die spreekt erg oproerig over de regeering en over het volk; ja, onlangs was er zelfs een oude pot, die van schrik daarover neerviel en in stukken sprong. Die is liberaal, dat verzeker ik u!»

«Nu zegt ge te veel!» viel de tondeldoos in, en het staal sloeg tegen den vuursteen aan, zoodat de vonken in de rondte vlogen. «Willen we eens een vroolijken avond met elkaar hebben?»

«Ja, laat ons er eens over spreken, wie de voornaamste is!» zeiden de lucifers.

«Neen, ik houd er niets van, over mij zelf te spreken,» bracht de ijzeren pot hiertegen in. «Laat ons een algemeen gesprek voeren. Ik zal beginnen en een geschiedenis uit het dagelijksch leven vertellen, zoo iets, wat iedereen beleefd heeft, dan kan men er zich gemakkelijk in verplaatsen en heeft men er ook schik in. Aan de Oostzee bij de Deensche beuken…»

«Dat is een mooi begin,» zeiden al de borden. «Dat zal een geschiedenis worden, die ons bevalt.»

«Ja, daar bracht ik mijn jeugd in een stil gezin door; de meubelen werden gewreven, de vloer geschuurd, en om de veertien dagen werden er schoone gordijnen opgehangen!»

«Wat kunt ge toch boeiend vertellen!» zei de stoffer. «Men kan dadelijk wel hooren, dat iemand spreekt, die heel veel met dames in aanraking gekomen is; er straalt zoo iets beschaafds in door.»

«Ja, dat kan men terstond wel merken!» zei de emmer en deed van blijdschap een kleinen sprong, zoodat hij op den vloer viel.

En de ijzeren pot ging voort met vertellen, en het einde was even mooi als het begin.

Alle borden rammelden van blijdschap, en de stoffer haalde groene peterselie uit het zandhok en bekranste daarmee den ijzeren pot, want hij wist, dat de anderen zich daaraan zouden ergeren. «Als ik hem vandaag bekrans,» dacht hij, «dan bekranst hij mij morgen.»

«Nu zal ik eens dansen!» zei de tang en danste. Lieve hemel, wat kon zij haar eene been hoog optillen! Het overtrek van den ouden stoel daar in den hoek scheurde, toen het dit zag. «Zou ik nu ook bekranst worden?» dacht de tang, en werkelijk gebeurde dit.

«Dat is toch maar gepeupel!» dachten de lucifers.

Nu moest de theeketel zingen; maar deze zei, dat hij kou gevat had; hij kon niet zingen, als het niet in hem kookte. Doch dat was maar een voorwendsel; hij wilde niet zingen, als hij niet binnen bij de familie in de kamer stond.

In het kozijn lag een oude ganzepen, waarmee de meid placht te schrijven. Er was niets opmerkelijks aan haar, behalve dat zij wat al te diep in den inkt gedoopt was. Maar daarop was zij trotsch. «Als de theeketel niet wil zingen,» zeide zij, «dan moet hij het maar laten. Daar buiten hangt een nachtegaal in zijn kooi: die kan wel zingen. Die heeft wel is waar niets geleerd; maar dat zullen wij maar daar laten!»

«Ik vind het heel ongepast,» zei de waterketel,—deze was keukenzanger en een halve broeder van den theeketel,—«dat zulk een vreemde vogel gehoord moet worden! Is dat patriotsch? De boodschappenmand moet dit maar beslissen!»

«Ik erger mij maar!» zei de boodschappenmand; «ik erger mij inwendig zoozeer, als niemand zich kan voorstellen. Is dat een geschikte manier om den avond door te brengen? Zou het niet verstandiger zijn, het huis in orde te brengen? Ieder moest op zijn plaats gaan, dan zou ik het spel besturen. Dat zou wat anders worden!»

«Ja, laat ons eens pret maken!» riepen allen. Daar ging de deur open. De meid trad binnen, en nu stonden zij stil. Niemand gaf een enkel kikje. Maar er was geen enkele pot, die niet zou geweten hebben, wat hij kon doen en hoe deftig hij was. «Ja, als ik gewild had,» dacht iedereen, «dan had het een recht vroolijke avond kunnen worden!»

De meid nam de lucifers en maakte er het vuur mee aan. Lieve hemel, wat spreidden zij een vonken om zich heen en wat brandden zij lustig!

«Nu kan iedereen toch zien,» dachten zij, «dat wij de eersten zijn! Welk een glans hebben wij! Welk een licht!»

En dit zeggende, verbrandden zij.

«Dat was een prachtig sprookje!» zei de Sultane. «Ik voel mij geheel en al in de keuken bij de lucifers verplaatst. Nu zul je onze dochter hebben!»

«Ja,» voegde de Sultan er bij, «je zult onze dochter Maandag hebben.» Want zij zeiden «je» tegen hem, omdat hij metterhaast tot de familie zou behooren.

De bruiloft werd bepaald en de geheele stad den avond te voren geïllumineerd. Beschuit en krakelingen werden er onder het volk uitgestrooid; de straatjongens stonden op hun teenen, riepen «Hoera!» en floten op hun vingers. Het was buitengemeen prachtig.

«Nu zal ik ook wel iets ten beste dienen te geven!» dacht de zoon van den koopman. En zoo kocht hij dan vuurpijlen, zwermers en al het vuurwerk, dat men maar kan bedenken, legde dit in zijn koffer en vloog daarmee in de lucht.

Jongens! wat ging dat mooi, en wat gaf dat een knal!

Al de Turken sprongen daarbij in de hoogte, zoodat hun de pantoffels om de ooren vlogen: zulk een luchtverschijnsel hadden zij nog nooit gezien. Nu konden zij begrijpen, dat het de god der Turken zelf was, dien de prinses tot vrouw zou krijgen.

Zoodra de zoon van den koopman weer met zijn koffer beneden in het bosch kwam, dacht hij: «Ik zal de stad toch eens ingaan, om eens te hooren, hoe het afgeloopen is!» En het was natuurlijk, dat hij daarin lust had.

O, wat vertelden de menschen hem al niet! Iedereen, dien hij daarnaar vroeg, had het op zijn wijze gezien; maar mooi hadden allen het gevonden.

«Ik heb den god der Turken zelf gezien,» beweerde er een. «Hij had oogen als fonkelende sterren en een baard als golvend graan!»

«Hij vloog in een mantel van vuur!» zei een ander. «De bekoorlijkste engeltjes kwamen uit de plooien te voorschijn kijken!»

Ja, dat waren heerlijke dingen, die hij hoorde, en den volgenden dag zou hij bruiloft houden.

Nu keerde hij naar het bosch terug, om zich in zijn koffer neer te zetten,—maar waar was deze gebleven? De koffer was verbrand. Een vonk van het vuurwerk was er ingevallen, deze had vlam gevat, en nu lag de koffer in de asch. Hij kon niet meer vliegen, niet meer bij zijn verloofde komen.

Deze stond den geheelen dag op het platte dak en wachtte; zij wacht waarschijnlijk nog. Maar hij trekt de wereld door en vertelt sprookjes, maar deze zijn niet meer zoo grappig als dat, hetwelk hij van de lucifers vertelde.




Vijf uit één schil


Er zaten vijf erwten in één schil; zij en de schil waren groen, daarom dachten zij, dat de heele wereld groen was,—en dat was niet meer dan natuurlijk! De schil groeide, en de erwten ook; zij maakten het zich zoo gemakkelijk mogelijk; zij zaten op een rijtje.—De zon scheen van buiten en koesterde de schil, de regen maakte haar helder en doorzichtig; het was er overdag licht en ’s nachts donker in, zooals het wezen moet. De erwten werden, nu zij daar eenmaal zoo zaten, grooter en begonnen gedurig meer na te denken; want iets moesten zij toch doen.

«Moeten we hier nu eeuwig blijven zitten?» vroeg er een. «Als wij van het lange zitten maar niet stijf en stram worden! Ik zou toch wel zeggen, dat er buiten nog iets is; ik heb daar zoo’n zeker voorgevoel van.»

Weken verliepen er; de erwten werden geel en de schil werd geel.

«De heele wereld wordt geel!» zeiden zij, en daarin hadden ze gelijk.

Eensklaps voelden zij een ruk aan de schil; deze werd afgeplukt, raakte in menschenhanden, gleed in den zak van een buis en kwam in gezelschap van andere gevulde schillen. «Nu zal de schil wel gauw opengemaakt worden!» zeiden zij en wachtten daarop reeds.

«Ik zou wel eens willen weten, wie van ons het nu wel ’t verst zal brengen,» zei de kleinste der vijf. «Ja, nu zal dit al spoedig uitkomen.»

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de grootste.

«Knap!»—daar ging de schil open, en nu rolden al de vijf er uit in den helderen zonneschijn. Daar lagen zij nu in de hand van een kind: een kleine jongen hield ze omklemd en zei, dat het mooie erwten voor zijn klakkebus waren, en terstond deed hij er een in en schoot er haar uit.

«Nu vlieg ik de wijde wereld in! Pak mij maar, als je kunt!» en met deze woorden vloog zij weg.

«Ik,» zei de tweede, «ik vlieg regelrecht in de zon; dat is een schil, die juist voor mij past!»

Weg was zij.

«Wij zullen ons te slapen leggen, waar wij te land komen,» zeiden de twee volgende, «maar wij zullen wel voortrollen!» Zij rolden dan ook voort en vielen op den grond, voordat zij in de klakkebus kwamen, maar er in kwamen zij toch. «Wij zullen het ’t verst brengen!»

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zei de laatste, terwijl zij uit de klakkebus geschoten werd; zij vloog op een oud bloemenplankje voor het raam van een zolderkamertje in een reet, die met mos en aarde gevuld was; het mos sloot zich om haar samen,—daar lag zij, wel is waar gevangen, maar toch niet vergeten door den goeden God.

«Er geschiede, wat er geschieden moet!» zeide zij.

Daar op dat kleine zolderkamertje woonde een arme vrouw, die overdag uitging om te wasschen, schoon te maken en dergelijken arbeid te verrichten, want zij was sterk en ook vlijtig; maar zij bleef toch altijd arm. Te huis in het kamertje lag haar eenig dochtertje, een meisje van acht jaar, dat zeer fijn en teer was; sedert een jaar was zij bedlegerig, en het scheen, alsof zij niet kon leven of sterven.

«Ze gaat naar haar zusje toe!» zei de vrouw, «Ik heb slechts twee kinderen gehad, en het was geen lichte taak, voor beiden te zorgen; en de goede God deelde met mij en nam het eene tot zich; maar nu zou ik toch graag het andere, dat mij nog overgebleven is, willen behouden; maar God wil waarschijnlijk niet, dat zij van elkaar gescheiden blijven, en mijn zieke lieveling zal naar haar zusje daarboven gaan!»

Maar het zieke meisje bleef, waar het was; het lag den heelen dag geduldig en stil in haar bedje, terwijl haar moeder buitenshuis werkte om iets te verdienen.

Het was lente; en ’s morgens in de vroegte, toen de vrouw juist naar haar werk wilde gaan, scheen de zon liefelijk en vriendelijk door het kleine raam en wierp haar stralen op den vloer, en het zieke meisje vestigde haar blik op de onderste ruit.

«Wat zou toch dat groen zijn, dat daar boven het raam komt uitkijken?—Het beweegt zich door den wind!»

Haar moeder ging naar het raam toe en schoof dit half open. «Wel,» riep zij uit, «dat is waarlijk een kleine erwt, die hier ontkiemd is en haar groene bladeren doet uitspruiten. Hoe zou zij toch wel hier in die reet gekomen zijn? Dat is een klein tuintje, waarmee je je vermaken kunt!»

Het ledekantje der kleine werd dichter aan het raam geschoven, opdat zij de ontkiemende erwt zou kunnen zien, en de moeder ging heen, om te werken.

«Moeder, ik geloof, dat ik weer gezond zal worden!» zei het zieke meisje ’s avonds. «De zon heeft hier vandaag zoo liefelijk warm in mijn kamertje geschenen. De kleine erwt gedijt heerlijk, en ook ik zal zeker gedijen en opstaan en mij in den zonneschijn koesteren.»

«Dat geve God!» zei de moeder; maar zij geloofde niet, dat het zou gebeuren; doch het ontkiemende groen, dat aan het kind zulke blijde gedachten des levens ingeboezemd had, ondersteunde zij met een stokje, opdat het niet door den wind zou geknakt worden; zij bond een eindje touw aan de bloemenplank en aan het bovengedeelte van het raam vast, opdat de erwtenrank iets zou hebben, waarom zij zich heen kon slingeren, wanneer zij omhoogschoot: dat deed zij, en men kon zien, hoe zij met elken dag groeide.

«Waarlijk! Er komt een bloesem aan!» zei de vrouw op zekeren morgen, en nu herleefde ook in haar de hoop, dat haar ziek dochtertje zou herstellen; zij herinnerde zich, dat het kind in den laatsten tijd veel levendiger gesproken had, dat zij zich sedert verscheidene dagen ’s morgens in haar bedje opgericht en daar gezeten had, en met een oog, stralend van geluk, den kleinen erwtentuin, die uit een enkele erwt voortgekomen was, bekeken had. Een week later bleef de zieke voor de eerste maal een geheel uur op. Gelukkig zat zij in den warmen zonneschijn; het raam was opgeschoven, en daarvoor stond een erwteplant in vollen bloei. Het meisje boog zich voorover en drukte een kus op de teere blaadjes. Deze dag was voor haar als ’t ware een feestdag.

«De goede God zelf heeft haar geplant en laten gedijen, tot hoop en tot vreugde voor ons beiden!» zei de verheugde moeder en lachte den bloesem toe, alsof hij een goede engel Gods was.








Maar de andere erwten nu?—Ja, die, welke de wijde wereld ingevlogen was en gezegd had: «Pak mij maar, als je kunt,» viel in de dakgoot en raakte in een duivenmaag, en daar lag zij evenals Jonas in den buik van den walvisch. De twee luiaards brachten het even ver: ook zij werden door duiven opgegeten, en dus waren zij toch op eenigerlei wijze nuttig; maar de vierde, die naar de zon op wilde vliegen,—die viel in een riool en bleef daar dagen en weken lang in het morsige water liggen, en zwol geducht op.

«Ik word zoo mooi dik!» zei de erwt. «Ik zal nog barsten, en verder, geloof ik, heeft geen erwt het ooit gebracht of zal het immer brengen. Ik ben de merkwaardigste van de vijf uit de schil!»

En het riool was het met haar eens.

Maar het meisje stond daar voor het raam van het zolderkamertje met stralende oogen, met den blos der gezondheid op de wangen, en vouwde haar teere handjes boven den erwtenbloesem en dankte God daarvoor.

«Ik,» zeide het riool echter, «ik heb mijn erwt liever!»




De tondeldoos


Er kwam een soldaat langs den straatweg aanmarcheeren: een, twee! een, twee! Hij had een ransel op den rug en een sabel op zij; want hij was in den oorlog geweest en wilde nu naar huis terug.

Daar ontmoette hij op den straatweg een oude heks. Deze zag er afzichtelijk uit; haar onderlip hing tot op haar borst neer. Zij zeide: «Goeden avond, soldaat! Wat heb je daar toch een mooie sabel en een grooten ransel! Je bent een flink soldaat! Daarom moet je zooveel geld hebben, als je maar wilt.»

«Ik dank je wel, oude heks!» zei de soldaat.

«Zie je dien grooten boom daar wel?» vroeg de heks en wees naar een boom, die dicht in hun nabijheid stond. «Hij is van binnen heelemaal hol. Je moet op den top daarvan klimmen, dan zie je een gat, waardoor je je kunt laten zakken en zoo onder in den boom komen. Ik zal je een touw om het lijf binden, dan kan ik je weer naar boven trekken, als je mij roept!»

«Wat moet ik daar, onder in den boom doen?» vroeg de soldaat.

«Geld halen!» antwoordde de heks. «Je moet weten, dat je, als je op den grond onder den boom komt, in een groot voorportaal bent; daar is het heel licht, want daar branden meer dan driehonderd lampen. Dan zie je drie deuren; je kunt die opendoen, want de sleutel steekt er in. Als je de eerste kamer ingaat, dan zie je midden op den vloer een groote kist staan; daar zit een hond op; deze heeft oogen, zoo groot als een paar theekopjes. Maar daaraan hoef je je niet te storen! Ik geef je mijn blauw geruit voorschoot; dat kan je op den vloer neerleggen; ga dan spoedig heen en neem den hond, zet hem op mijn voorschoot neer, doe de kist open en neem zooveel geld, als je maar wilt: er zit louter koper in. Wil je liever zilver hebben, dan moet je de volgende kamer binnentreden. Maar daar zit een hond, die oogen heeft, zoo groot als molenraderen. Laat je daardoor niet afschrikken! Zet hem op mijn voorschoot neer en neem van het geld! Wil je echter goud hebben, dan kun je dit ook krijgen, en wel zooveel, als je maar dragen kunt, als je de derde kamer ingaat. Maar de hond, die daar op de geldkist zit, heeft twee oogen, elk zoo groot als een toren. Geloof mij, het is een kwade hond! Doch vrees daarom maar niet! Zet hem maar op mijn voorschoot neer, dan doet hij je niets, en neem uit de kist zooveel goud, als je maar wilt!»








«Dat is zoo kwaad niet!» zei de soldaat. «Maar wat moet ik u geven, oude heks? Want voor niet zult ge het toch wel niet doen?»

«Jawel!» zei de heks. «Geen enkelen cent wil ik hebben! Alleen moet je voor mij een oude tondeldoos meenemen, die mijn grootmoeder vergeten heeft, toen zij de laatste maal beneden was.»

«Welnu, bind het touw dan maar om mijn lijf vast!» zei de soldaat.

«Hier is het,» zei de heks, «en hier is mijn blauw geruit voorschoot.»

Daarop klauterde de soldaat tegen den boom op, liet zich in het gat neerzakken en stond toen, zooals de heks gezegd had, beneden in het groote voorportaal, waarin de driehonderd lampen brandden.

Nu deed hij de eerste deur open. Foei! daar zat de hond met de oogen, zoo groot als theekopjes, en keek hem aan.

«Je bent een lief beest!» zei de soldaat, zette hem op het voorschoot der heks neer en nam zooveel koperstukken, als hij maar in zijn zakken kon bergen; deed de kist toen dicht, zette er den hond weer op neer en ging de andere kamer in. Juist zoo; daar zat de hond met de oogen, zoo groot als molenraderen.

«Je moest mij liever maar niet zoo strak aankijken!» zei de soldaat. «Want daar vermoei je je oogen maar noodeloos mee!»

En nu zette hij den hond op het voorschoot der heks neer. Maar toen hij al het zilvergeld in de kist zag, wierp hij al het kopergeld, dat hij had, weg en vulde zijn zakken en zijn ransel met zilver. Daarop ging hij in de derde kamer.—O, dat was verschrikkelijk! De hond daarin had werkelijk twee oogen, elk zoo groot als een toren, en deze draaiden in zijn kop als molenraderen.

«Goeden avond!» zei de soldaat en bracht de hand aan zijn muts, want zulk een hond had hij vroeger nooit gezien. Maar toen hij hem wat nauwkeuriger bekeken had, dacht hij: «Nu is het genoeg!» tilde hem op den grond en deed de kist open. Och! wat was daar een menigte goud! Hij kon daarvoor de geheele stad en al de tinnen soldaten, zweepen en hobbelpaarden in de heele wereld wel koopen. Ja, dat was nu eens een heele massa goud! Nu wierp de soldaat al het zilvergeld, waarmee hij zijn zakken en zijn ransel gevuld had, weg en nam daarvoor goud; ja, al zijn zakken, zijn ransel, zijn muts en zijn laarzen stopte hij daarmee vol, zoodat hij tenauwernood kon gaan. Nu had hij geld! Den hond zette hij op de kist neer, deed de deur dicht en riep toen door den boom naar boven;

«Trek mij nu maar in de hoogte, oude heks!»

«Heb je de tondeldoos meegebracht?» vroeg de heks.

«Wel drommels!» zei de soldaat, «die heb ik heelemaal vergeten!» En nu ging hij deze halen. De heks trok hem naar boven, en nu stond hij weer op den straatweg met zakken, laarzen, ransel en muts vol goud.

«Wat wilt ge met die tondeldoos doen?» vroeg de soldaat.

«Dat gaat je niets aan!» zei de heks. «Je hebt immers geld gekregen! Geef mij de tondeldoos maar!»

«Hoor eens!» zei de soldaat. «Wil je mij dadelijk zeggen, wat je daarmee wilt doen, of ik trek mijn sabel en sla je het hoofd af!»

«Neen!» zei de heks.

Terstond sloeg de soldaat haar het hoofd af. Daar lag zij nu! Hij echter bond al zijn goud in haar voorschoot, nam het als een pakje op zijn rug, stak de tondeldoos in zijn zak en begaf zich regelrecht naar de stad.

Dat was een prachtige stad! En in het grootste logement nam hij zijn intrek, verlangde de allerbeste kamers en zijn lievelingsspijzen; want nu was hij immers rijk, daar hij zoo veel geld had.

Aan den knecht, die zijn laarzen moest poetsen, kwam het wel is waar voor, dat het verschrikkelijk oude laarzen voor zulk een rijk heer waren; maar hij had ook nog geen nieuwe gekocht; den volgenden dag kreeg hij fatsoenlijke laarzen en prachtige kleeren. Nu was hij van een soldaat een deftig heer geworden, en de menschen vertelden hem van al de heerlijke dingen, die er in hun stad waren, en van hun koning, en wat voor een lieve prinses zijn dochter was.

«Waar kan men haar te zien krijgen?» vroeg de soldaat.

«Zij is in ’t geheel niet te zien!» zeiden allen. »Zij woont in een groot, koperen kasteel, dat door vele muren en torens omgeven is! Niemand anders dan de koning mag bij haar uit- en ingaan; want er is voorspeld, dat zij met een gemeen soldaat zal trouwen, en dat kan de koning niet toestaan!»

«Ik zou haar toch wel eens willen zien!» dacht de soldaat; maar daartoe kon hij immers volstrekt geen vergunning krijgen.

Nu leefde hij recht vroolijk, ging naar den schouwburg, reed in den tuin van den koning en gaf de armen veel geld; en dat was heel braaf van hem; hij wist nog uit vroegeren tijd, hoe ongelukkig het is, geen cent te bezitten! Hij was nu rijk, had prachtige kleeren en kreeg zeer veel vrienden, die allemaal zeiden, dat hij een voortreffelijk mensch, een echt ridder was. En dat mocht de soldaat graag hooren. Maar daar hij alle dagen geld uitgaf en nooit iets ontving, hield hij eindelijk bijna niets meer over, en nu moest hij de mooie kamers, waarin hij gewoond had, verlaten, en boven op een klein kamertje onder het dak wonen, zijn laarzen zelf poetsen en ze met een stopnaald dichtnaaien. Geen van zijn vrienden kwam naar hem toe; want er waren te veel trappen op te klimmen.

Het was een donkere avond, en hij kon niet eens een kaars koopen. Maar het schoot hem te binnen, dat er nog een klein eindje kaars in de tondeldoos lag, die hij uit den hollen boom, waarin de heks hem had neergelaten, meegenomen had. Hij kreeg de tondeldoos en het eindje kaars voor den dag; maar juist toen hij vuur sloeg en de vonken uit de vuursteen vlogen, sprong de deur open, en nu stond de hond, die oogen zoo groot als een paar theekopjes had en dien hij onder den boom had gezien, voor hem en vroeg: «Wat is er van mijnheers dienst?»

«Wat is dat?» riep de soldaat uit. «Dat is wel een aardige tondeldoos, als ik zoo maar kan krijgen, wat ik hebben wil!—Bezorg mij wat geld!» zei hij tegen den hond, en in een wip was de hond weg en in een wip terug, en hield een grooten zak met geld in den bek.

Nu wist de soldaat, wat een heerlijke tondeldoos dit was! Sloeg hij eenmaal vuur, dan kwam de hond, die op de kist met kopergeld zat; sloeg hij tweemaal, dan kwam die, welke het zilvergeld had, en sloeg hij driemaal, dan kwam die, welke het goud bewaakte. Nu nam de soldaat zijn intrek weer in de mooie kamers beneden en vertoonde zich op nieuw in prachtige kleeren. Nu herkenden al zijn vrienden hem terstond en waren heel lief tegen hem.

Eens dacht hij: «Het is toch zonderling, dat men de prinses niet te zien kan krijgen. Zij moet heel mooi wezen, zeggen allen; maar wat baat dit, als zij altijd in het groote koperen kasteel met die vele torens moet zitten?—Zou ik haar dan niet te zien kunnen krijgen? Waar is mijn tondeldoos?» En nu sloeg hij vuur, en wip! daar kwam de hond met de oogen, zoo groot als theekopjes.








«Het is wel is waar midden in den nacht,» zei de soldaat, «maar ik zou de prinses toch wel eens graag een oogenblikje willen zien!»

De hond was dadelijk de deur uit, en voordat de soldaat er op verdacht was, kwam hij met de prinses terug. Zij zat en sliep op den rug van den hond en was zoo bekoorlijk, dat iedereen kon zien, dat het werkelijk een prinses was. De soldaat kon zich niet weerhouden, haar een kus te geven, want hij was door en door een soldaat.

Daarop liep de hond met de prinses weer terug. Maar toen het morgen werd en de koning en de koningin aan het ontbijt zaten, zei de prinses, dat zij ’s nachts een zonderlingen droom van een hond en een soldaat had gehad; zij had op den hond gereden, en de soldaat had haar een kus gegeven.

«Dat zou nog al een mooie geschiedenis zijn!» zei de koning.

Nu zou een der oude hofdames den volgenden nacht bij het bed der prinses waken, om te zien, of het werkelijk een droom was, of wat het anders wezen zou.

De soldaat had een vurig verlangen om de prinses weer te zien, en zoo kwam dan de hond des nachts, haalde haar en liep zoo hard als hij maar kon. Maar de oude hofdame trok groote laarzen aan en liep hem even hard achterna. Toen zij nu zag, dat zij in een groot huis verdwenen, dacht zij: «Nu weet ik, waar het is!» en zette met een stuk krijt een kruisje op de deur. Daarop ging zij naar huis en ging te bed, en de hond kwam ook met de prinses terug. Maar toen hij zag, dat er op de deur van het huis, waar de soldaat woonde, een kruisje geteekend was, nam hij ook een stuk krijt en zette kruisjes op alle huisdeuren in de stad, en dat was slim bedacht: want nu kon de hofdame de deur niet vinden daar er op alle deuren kruisjes stonden.

’s Morgens vroeg kwamen de koning en de koningin, de oude hofdame en al de officieren, om te zien, waar de prinses geweest was.

«Daar is het!» zei de koning, toen hij de eerste deur met een kruisje er op zag.

«Neen, daar is het, beste man!» zei de koningin, toen zij op de tweede deur insgelijks een kruisje zag staan.

«Maar daar staat er een op en ginds staat er ook een op!» zeiden allen; waarheen zij hun blikken ook wendden, overal stonden kruisjes op de deuren. Nu begrepen zij wel, dat al het zoeken hun niets zou baten.

Maar de koningin was een uiterst schrandere vrouw, die meer kon dan in een koets rijden. Zij nam haar groote gouden schaar sneed een lap zijde in stukken en naaide daarvan een klein zakje; dit vulde zij met fijn tarwemeel, bond het de prinses op den rug, en toen zij dit gedaan had, knipte zij een klein gaatje in het zakje, zoodat het meel den geheelen weg, dien de prinses nam, moest bestrooien.

In den nacht kwam nu de hond terug, nam de prinses op zijn rug en liep met haar naar den soldaat toe, die haar innig liefhad en graag een prins zou willen zijn, om haar tot vrouw te krijgen.

De hond merkte volstrekt niet, hoe het meel juist van het kasteel tot aan het raam van den soldaat, waar hij den muur met de prinses opliep, neergevallen was. Den volgenden morgen zagen de koning en de koningin nu wel, waar hun dochter geweest was, en nu namen zij den soldaat en zetten hem in de gevangenis.

Daar zat hij nu. Och! wat was het daar donker en vervelend! En zij zeiden tegen hem: «Morgen zal je opgehangen worden!» Dat te hooren was nu juist zoo heel plezierig niet, en zijn tondeldoos had hij in het logement gelaten. Des morgens kon hij door de tralies voor het kleine raampje zien, hoe het volk zich haastte, uit de stad te komen om hem te zien ophangen. Hij hoorde de trommels en zag de soldaten marcheeren. Alle menschen liepen de stad uit; daaronder bevond zich ook een schoenmakersjongen met een schootsvel voor en pantoffels aan; deze liep zoo hard, dat een van zijn pantoffels van zijn voet viel en vlak tegen den muur aanvloog waar de soldaat door de tralies zat te kijken.








«Heidaar, schoenmakersjongen! Je hoeft zoo veel haast niet te maken!» zei de soldaat tegen hem. «Het begint toch niet, voordat ik er ben! Maar als je naar het huis, waar ik gewoond heb, toe wilt loopen en mijn tondeldoos voor mij halen, dan zal ik je een goede fooi geven. Maar dan moet je ook zoo hard loopen, als je maar kunt.»

De schoenmakersjongen wilde graag een fooi verdienen en haalde de tondeldoos, gaf deze aan den soldaat en—ja, nu zullen we eens wat hooren!

Buiten de stad was een hooge galg opgericht, daaromheen stonden de soldaten en vele honderdduizenden menschen. De koning en de koningin zaten op een prachtigen troon tegenover de rechters en den geheelen raad.

De soldaat stond reeds boven op de ladder; maar toen zij hem den strop om den hals wilden doen, zeide hij, dat men immers altijd aan een armen zondaar, voordat hij zijn straf onderging, de vervulling van een onschuldigen wensch toestond. Hij zou zoo graag nog eens een pijp willen rooken; het zou toch de laatste pijp zijn, die hij hier op aarde rookte.

Dat wilde de koning hem dan ook niet weigeren, en zoo nam de soldaat zijn tondeldoos en sloeg vuur, een-, twee-, driemaal. En zie! daar stonden eensklaps al de honden, die met de oogen, zoo groot als theekopjes, die met de oogen, zoo groot als molenraderen, en die, waarvan ieder oog zoo groot als een toren was.

«Help mij nu, dat ik niet opgehangen word!» zei de soldaat. En nu vielen de honden op de rechters en den geheelen raad aan, pakten den een bij de beenen en den ander bij den neus en slingerden ze vele ellen hoog in de lucht, zoodat zij neervielen.

«Ik wil niet!» zei de koning, maar de grootste hond nam zoowel hem als de koningin en slingerde ze, evenals de anderen in de lucht; nu verschrikten de soldaten, en al het volk riep uit: «Beste soldaat! gij zult onze koning zijn en de mooie prinses hebben!»

Daarop zetten zij den soldaat in de koets van den koning, en de drie honden dansten voorop en riepen: «Hoera!» En de jongens floten op hun vingers, en de soldaten presenteerden het geweer. De prinses kwam uit het koperen kasteel en werd koningin, en dat beviel haar heel goed. De bruiloft duurde acht dagen, en de honden zaten mee aan tafel en zetten groote oogen op.




Het meisje, dat op het brood trapte


De geschiedenis van het meisje, dat, om haar schoenen niet vuil te maken, op het brood trapte, en hoe slecht het met dit meisje afliep, is welbekend: zij is geschreven en zelfs gedrukt.

Inge heette dit meisje; zij was een arm kind, trotsch en hoogmoedig; er was een slechte grond in haar, zooals men zegt. Reeds als klein kind was het haar grootste plezier, vliegen te vangen, ze de vlerken uit te trekken en ze in kruipende dieren te veranderen. Later nam zij den meikever en den mestkever, stak deze aan een naald vast, schoof dan een groen blad of een klein stukje papier naar hun pootjes toe, en dan greep het arme diertje daarnaar en hield het vast, draaide en wendde het, om van de naald af te komen.

«Nu leest de meikever!» zeide Inge. «Kijk maar eens, hoe hij het blad omkeert.»

Met de jaren werd zij eer slechter dan beter; maar mooi was zij, en dat was haar ongeluk, anders was zij wel duchtiger beknord; geworden, dan nu het geval was.

«Ik denk, dat ik nog eens verdriet van je zal hebben,» zei haar eigen moeder. «Als kind heb je mij dikwijls op mijn japon getrapt, ik vrees, dat je mij later op het hart zult trappen.»

En dat deed zij ook.

Zij kreeg op een dorp een dienst bij deftige menschen, en deze beschouwden haar als hun eigen kind, en zoo ging zij ook gekleed; zij zag er lief uit, maar haar hoogmoed nam toe.

Toen zij daar zoo wat een jaar geweest was, zei haar mevrouw tegen haar: «Je moest je ouders toch eens gaan opzoeken, Inge!»

En Inge begaf zich op weg naar haar ouders, maar alleen om zich eens in haar geboorteplaats te vertoonen; daar moesten de menschen zien, hoe mooi zij geworden was; maar toen zij aan den ingang van het dorp kwam en de jonge knechts en meiden daar met elkaar zag staan en haar moeder ook daarbij, die op een steen zat uit te rusten, met een bosje rijshout, dat zij in het bosch gesprokkeld had, voor zich, toen keerde Inge om; zij schaamde er zich over, dat zij, die netjes gekleed was, zulk een vrouw in lompen, die hout in het bosch sprokkelde, tot moeder had. Zij had er volstrekt geen berouw over, dat zij teruggekeerd was.








Weer verliep er omstreeks een half jaar. «Je moest toch nog eens naar je dorp toe gaan en je ouders een bezoek brengen, Inge!» zei haar mevrouw. «Ik zal je een groot wittebrood geven; dan kan je dit voor hen meenemen; zij zullen er zeker blij mee zijn, dat zij je weerzien.»

Inge trok haar beste kleeren en haar nieuwe schoenen aan, tilde haar japon op en liep heel voorzichtig voort, opdat zij rein aan haar voeten zou blijven, en dat kon men haar niet kwalijk nemen! Maar toen zij daar kwam, waar de weg over het moeras loopt en waar slijk en modder was, wierp zij het brood op den grond en trapte daarop, om niet nat en vuil te worden; maar terwijl zij daar zoo stond, met den eenen voet op het brood en den anderen opgeheven, om verder te loopen, zonk het brood gedurig dieper met haar; zij verdween geheel en al, en slechts een groote modderpoel, die blaasjes deed opborrelen, bleef er te zien.

Dat is de geschiedenis.

Maar waar kwam Inge nu? Zij zonk in den moerasgrond en kwam beneden bij de moerasvrouw, die daar allerlei kwaad brouwt. De moerasvrouw is de tante der elfen, die bekend genoeg zijn, waarvan men liedjes heeft en die men afgeschilderd vindt; maar van de moerasvrouw weten de menschen alleen, dat, wanneer er in den zomer damp uit de weiden opstijgt, het de moerasvrouw is, die allerlei kwaad brouwt. In de brouwerij der moerasvrouw daalde Inge neer, en daar is het niet lang uit te houden.—De slijkkist is een pronkkamer, bij de brouwerij der moerasvrouw vergeleken! Ieder vat stinkt zoo geducht, dat men daarvan flauw valt, en dan staan de vaten dicht op elkaar gepakt, en als er hier en daar een kleine opening tusschen is, waar men door zou hebben kunnen dringen, dan is dit toch niet mogelijk door de natte padden en de dikke slangen, die zich hier letterlijk in elkaar verwarren. Hierin zonk Inge neer; al het walglijke, levende ontuig was zoo ijskoud, dat zij over al haar leden trilde, ja, dat zij gedurig meer van schrik verstijfde. Aan het brood bleef zij vasthangen, en het brood trok haar naar beneden, evenals het barnsteen een stroohalm aantrekt.

De moerasvrouw was te huis, de brouwerij kreeg overdag bezoek, zij werd bezichtigd door den duivel en zijn grootmoeder, en de grootmoeder van den duivel is een oude, zeer giftige vrouw, die nooit ledig is; zij rijdt nooit uit, om ergens een bezoek af te leggen, zonder haar handwerk mee te nemen, en dit had zij dan ook hier bij zich. Zij naaide leugenweefsels en haakte onbezonnen woorden, die op den grond gevallen waren, alles tot schade en verderf. Ja, die oude grootmoeder kon naaien, borduren en haken!

Zij zag Inge, hield haar brilleglas voor haar oog en keek het meisje nog eens aan. «Dat is een meisje, dat kundigheden bezit,» zeide zij, «en ik verzoek, de kleine, tot een herinnering aan mijn bezoek hier, mee te mogen nemen. Zij zal een geschikt standbeeld in de voorkamer van mijn kleinzoon zijn.»

En zij kreeg haar. Op deze wijze kwam Inge in de hel. Daar gaan de menschen niet altijd regelrecht naar toe, maar zij kunnen er ook langs omwegen inkomen, als zij daartoe de bekwaamheid bezitten.

Dat was een voorkamer zonder einde; men werd al duizelig, als men voor- of achterwaarts keek, en een menigte, die het versmachten nabij was, stond hier te wachten, totdat de poort der genade voor hen opengedaan zou worden. Zij moesten lang wachten. Groote, dikke, waggelende spinnen weefden een duizendjarig web over hun voeten, en dit spinneweb sneed als voetangels en boeide als koperen ketenen; bovendien kookte er nog een eeuwige onrust in iedere ziel, een onrust des jammers. De gierige stond daar en had den sleutel van zijn geldkist vergeten; de sleutel stak er in, dat wist hij. Maar het is te wijdloopig, al de soorten van pijnigingen en van jammer op te sommen, die daar ondergaan werden. Inge gevoelde een hevige pijn, terwijl zij daar als een standbeeld moest staan; want zij was van onderen aan het brood vastgekleefd.

«Dat heeft men er van, als men zijn voeten rein en helder wil houden!» zeide zij bij zich zelve. «Kijk eens, hoe zij mij aangapen!» Ja, werkelijk waren aller blikken op haar gevestigd;—hun booze lusten fonkelden hun uit de oogen en spraken zonder geluid te geven uit hun mond; zij waren verschrikkelijk om aan te zien.

«Mij aan te staren moet een genoegen zijn!» dacht Inge, «ik heb een lief gezicht en mooie kleeren aan!» En nu draaide zij haar oogen om, maar haar nek kon zij niet omdraaien, want deze was daarvoor te stijf. O, hoe morsig was zij in de brouwerij der moerasvrouw geworden: daaraan had zij niet gedacht. Haar kleeren waren met slijk bezoedeld, een slang had zich in haar lokken gehangen en slingerde langs haar rug neer, en uit iedere plooi van haar gewaad kwam een groote pad te voorschijn, die als een kortademige mops blafte. Dit was zeer onaangenaam. «Maar de anderen hier beneden zien er immers ook afschuwelijk uit!» zeide zij, en daarmee troostte zij zich.

Het ergste van alles was echter de vreeselijke honger, dien zij gevoelde. Was zij dan niet bij machte, voorover te bukken en een stuk van het brood, waarop zij stond, af te breken? Neen, haar rug was stijf, haar armen en handen waren verstijfd, haar geheele lichaam was als een steenen zuil, alleen haar oogen kon zij nog in haar hoofd omdraaien, naar alle kanten heen draaien, zoodat zij ook achter zich kon zien; dat was een leelijk gezicht. En toen kwamen er vliegen aan, die over haar oogen heen en weer kropen; zij knipte met haar oogen, maar de vliegen vlogen niet weg, want zij konden niet vliegen daar hun vlerken uitgetrokken waren; zij waren in kruipende dieren veranderd;—dat was een pijn; en daarbij kwam nog de honger, ja, eindelijk scheen het haar toe, alsof haar ingewanden zich zelf opaten, en zij werd van binnen erg leeg. «Als dat langer moet duren, dan houd ik het niet uit!» zeide zij, maar zij moest het wel uithouden.

Nu viel er een heete traan op haar hoofd neer, rolde over haar gezicht en hare borst tot op het brood, waarop zij stond, en er viel nog een traan, nog vele. Maar wie zou er wel over Inge weenen?—Zij had op aarde immers nog een moeder! De tranen der smart, die een moeder over haar kind stort, komen altijd bij het kind, maar ze verlossen niet, zij branden slechts en verergeren de pijn. Het was iets verschrikkelijks, zulk een onuitstaanbaren honger te hebben en niet aan het brood te kunnen komen, waarop zij toch met haar voeten stond. Zij had een gevoel, alsof haar binnenste zich zelf verteerd had, zij was als een dun riet, dat ieder geluid inzuigt; zij hoorde duidelijk alles, wat er op aarde over haar gesproken werd, en wat zij hoorde, was hard en wreed. Haar moeder weende wel is waar erg en was bedroefd over haar, maar zij zeide met dat al: «Hoogmoed komt voor den val! Dat is je ongeluk geweest, Inge! Je hebt je moeder heel veel verdriet aangedaan!»

Haar moeder en allen op aarde wisten van de zonde, die zij gepleegd had, wisten, dat zij op het brood had getrapt, dat zij in de diepte weggezonken en verdwenen was; de koeherder had dit van de helling bij den moerassigen weg gezien.

«Wat heb je je moeder toch een verdriet aangedaan», Inge!» zei haar moeder, «ja, ik had het wel gedacht!»

«O, was ik maar nooit geboren!» dacht zij daarbij; «dat zou veel beter voor mij geweest zijn. Maar wat baat het mij nu, dat mijn moeder weent?»

Zij hoorde, hoe de goede menschen, die haar als ouders verpleegd hadden, nu zeiden, dat zij een zondig kind was, dat zij de gaven Gods niet in waarde gehouden, maar daarop met voeten getreden had; de deur der genade zou eerst langzaam voor haar opengaan.

«Zij hadden mij moeten kastijden, zij hadden mijn grillen moeten uitroeien,» dacht Inge.

Zij hoorde, dat er een liedje op haar gemaakt werd, over het hoogmoedige meisje, dat op het brood trapte, opdat haar schoenen netjes zouden blijven, en dat men dit liedje overal in het land zong.

«Dat men daarom zoo veel kwaads moet hooren en zoo veel lijden!» dacht Inge. «De anderen moesten ook voor hun zonden gestraft worden! Ja, dan zou er zeker veel te straffen zijn!—Ach! wat word ik gepijnigd!»

Haar hart verhardde zich nog meer dan haar uiterlijk voorkomen.

«Hier beneden in dit gezelschap kan men niet beter worden! En ik wil ook niet beter worden! Kijk eens, hoe zij mij aangapen!»

Haar hart was vol toorn en boosheid ten opzichte van alle menschen.

«Nu hebben zij elkaar daarboven eindelijk eens wat te vertellen. Ach, wat word ik gepijnigd!»

Zij hoorde ook, hoe haar geschiedenis aan de kinderen verteld werd, en de kleinen noemden haar de goddelooze Inge,—zij was zoo leelijk, zeiden zij, zoo afschuwelijk, zij moest erg gepijnigd worden.

Gedurig kwamen er harde woorden over haar uit een kindermond.

Maar op zekeren dag, terwijl toorn en woede in het inwendige van haar holle lichaam knaagden en zij haar naam hoorde noemen en haar geschiedenis aan een onschuldig kind, een klein meisje, hoorde vertellen, merkte zij, dat de kleine in tranen uitbarstte bij het hooren van de geschiedenis der hooghartige, ijdele Inge.

«Maar komt Inge dan nooit meer naar boven?» vroeg het kleine meisje. En men antwoordde:

«Zij komt nooit meer naar boven.»

«Maar als zij nu eens om vergiffenis vroeg en beloofde, dat zij het nooit weer zou doen?»

«Dan wel; maar zij zal niet om vergiffenis vragen!» hernam men.

«Ik zou zoo graag willen, dat zij dit deed!» zei de kleine en was ontroostbaar. «Ik zal er mijn pop en mijn speelgoed voor geven, als zij maar naar boven mag komen. Het is te verschrikkelijk! Die arme Inge!»

Deze woorden drongen tot het hart van Inge door; zij deden haar goed; het was de eerste maal, dat iemand zei: «Die arme Inge!» en er niets omtrent haar gebreken bijvoegde, een klein, onschuldig kind weende om haar en vroeg genade voor haar; het werd haar daarbij zonderling te moede; zij zou nu zelf graag geweend hebben, maar zij vermocht dit niet, zij kon niet weenen, en dat was ook een kwelling.

Terwijl er jaren daar boven verliepen,—beneden was er geene afwisseling,—hoorde zij gedurig zeldzamer over zich spreken. Nu drong er op zekeren dag plotseling een zucht tot haar ooren door: «Inge, Inge! Wat heb je mij een verdriet aangedaan! Ik heb het wel gezegd!» Het was de laatste zucht van haar stervende moeder.

Somtijds hoorde zij haar naam door de menschen, waarbij zij vroeger gediend had, noemen, en het waren liefelijke woorden, als haar mevrouw zeide: «Zou ik je wel ooit weerzien, Inge? Men kan nooit weten, waar men nog eens zal komen!»

Maar Inge zag wel in, dat haar goede mevrouw nooit daar zou kunnen komen, waar zij was.

Er verliep wederom eenige tijd, een lange, bittere tijd.

Nu hoorde Inge nog eenmaal haar naam noemen en zag twee heldere sterren boven zich fonkelen; het waren twee vriendelijke oogen, die zich op aarde sloten. Er waren destijds al zoovele jaren verloopen, sedert het kleine meisje ontroostbaar was en over «de arme Inge» weende, dat het kind een oude vrouw geworden was, die God nu weer tot zich wilde roepen; en juist in deze ure, waarop de herinnering van haar geheele vroegere leven weer bij haar oprees, herinnerde zij zich ook, hoe zij eens als klein kind tranen gestort had bij het hooren van de geschiedenis van Inge. Dat uur en die indruk werden bij die oude vrouw in haar doodsuur weer zoo levendig, dat zij luide uitbarstte in de woorden: «Mijn God en Heer! Ook ik heb, evenals Inge, uw zegeningen vaak met voeten getreden en daarbij niet bedacht, dat ik iets verkeerds deed; ook ik heb vaak een hoogmoedige gezindheid gekoesterd,—doch Gij hebt mij in Uw genade niet laten zinken, maar mij staande gehouden! O, laat in mijn laatste ure niet van mij af!»








De oogen der oude vrouw sloten zich, en het oog harer ziel opende zich, om het verborgene te zien. Zij, in wier laatste gedachten Inge zoo levendig tegenwoordig geweest was, zij zag ook nu, hoe diep zij gezonken was, en bij den aanblik daarvan barstte de vrouw in tranen uit: In den hemel stond zij als een kind en weende om de arme Inge! En deze tranen en gebeden klonken als een echo in het holle, ledige hulsel, dat de geboeide, gefolterde ziel omsloot; de nooit gedachte liefde van boven overweldigde haar! Waarom werd haar dit wel vergund? De gepijnigde ziel verzamelde als ’t ware in haar gedachten iedere daad, die zij op aarde verricht had, en zij, Inge, smolt in zulke tranen weg, als zij er vroeger nooit geweend had; bekommering over haar zelve vervulde haar, het was haar, alsof de poort der genade zich nimmer voor haar kon openen, en terwijl zij dit in haar verbrijzeling erkende, schoot er een straal in den afgrond tot haar neer, en wel met een kracht, die sterker was dan die van den zonnestraal, waardoor de sneeuwman, die de kinderen vervaardigd hebben, ontdooit; en veel sneller dan de sneeuwvlok smelt en tot een droppel wordt, die op de warme lippen van het kind neervalt, loste de versteende gestalte van Inge zich in damp op,—een vogeltje vloog met de snelheid van den bliksemstraal naar boven naar de menschenwereld op. Maar deze vogel was angstig en schuw voor alles, wat hem omgaf; hij schaamde zich over zich zelf, schaamde zich tegenover alle levende schepselen en trachtte zich ijlings te verbergen in een donker gat in een ouden, verweerden muur; daar zat hij neer, terwijl hij over zijn geheele lichaam beefde; hij kon geen geluid van zich geven, hij had geen stem; een geruimen tijd zat hij daar, voordat hij de heerlijkheid, die hem omgaf, kon zien; ja heerlijk was het! De lucht was frisch en zacht, de maan wierp haar helder schijnsel op de aarde; boomen en struiken wasemden geuren uit, en prachtig was het, waar hij zat; zijn veeren waren rein en fijn. O, wat was al het geschapene toch in liefde en heerlijkheid voortgebracht! Alles, wat er in het binnenste van den vogel omging, wilde zich in een lied lucht geven, maar de vogel vermocht dit niet; gaarne zou hij gezongen hebben, evenals in de lente de koekoek en de nachtegaal. Onze God, die zelfs het stille lofgezang van den worm hoort, hoorde ook hier het loflied, dat zich in gedachtenakkoorden verhief, evenals de psalm in het hart van David klonk, voordat deze zich in woorden en melodie kon uiten.

Weken lang stegen deze stille lofliederen op, zij moesten hoorbaar worden, zij moesten dit bij den eersten vleugelslag eener goede daad; zulk een goede daad moest er verricht worden!

Het kerstfeest naderde. De boer stak in de nabijheid van den muur een stok in den grond en bond daaraan een schoof haver vast, opdat de vogelen in de lucht ook een vroolijk Kerstfeest en een goeden maaltijd mochten hebben; dat was braaf, zoo is de deugdzame!

De zon ging op den Kerstmorgen op en bescheen de schoof, de kwinkeleerende vogels fladderden in menigte om den stok heen.

Daar klonk het ook uit het gat in den muur: «Piep, piep!» De zwellende gedachte werd een geluid, het zwakke piepen een geheele hymne, de gedachte van een goede daad ontwaakte, en de vogel kwam uit zijn schuilplaats te voorschijn; in den hemel wisten zij al, wat voor een vogel het was!

De winter was streng, de wateren waren dichtgevroren, de vogelen en de dieren des velds konden slechts weinig voedsel vinden. Onze kleine vogel vloog over den straatweg heen, en daar, in het spoor der sleden, vond hij ook nu en dan een graankorreltje, en op de pleisterplaatsen eenige broodkruimeltjes; hij zelf at er slechts weinige op, maar hij riep al de andere uitgehongerde musschen bij elkaar, opdat zij eenig voedsel zouden krijgen. Hij vloog de steden in, keek in de rondte, en waar een lieve hand op het kozijn brood voor de vogeltjes gestrooid had, at hij zelf maar een enkel kruimeltje en gaf al het andere aan de overige vogels.

In den loop van den winter had de vogel zooveel broodkruimeltjes verzameld en aan de andere vogels gegeven, dat zij te zamen opwogen tegen het geheele brood, waarop Inge getrapt had, opdat haar schoenen rein zouden blijven, en toen het laatste broodkruimeltje gevonden en goed besteed was, werden de grauwe vleugels van den vogel wit en spreidden zich wijd uit.

«Daar vliegt een zeezwaluw over het water heen!» zeiden de kinderen, die den witten vogel zagen; nu dook zij in het water onder, toen verhief zij zich in den helderen zonneschijn; zij schitterde; het was niet mogelijk om te zien, waar zij bleef,—zij zeiden, dat zij in de zon gevlogen was!




De bloemen van de kleine Ida


«Mijn arme bloemen zijn heelemaal verwelkt!» zei de kleine Ida, «Wat waren zij gisteravond nog mooi, en nu laten ze al haar blaadjes slap hangen! Waarom doen zij dat?» vroeg zij aan den student, die op de canapé zat en van wien zij heel veel hield. Hij wist zulke aardige dingen te knippen: harten met kleine dametjes er in, die dansten, bloemen en groote kasteelen, waarvan men de deuren open kon doen; ’t was een vroolijke student. «Waarom zien de bloemen er vandaag zoo verflenst uit?» vroeg zij hem andermaal en liet hem een ruiker zien, die geheel verlept was.

«Wil ik eens zeggen, wat haar mankeert?» antwoordde de student. «De bloemen zijn van nacht op het bal geweest, en daarom laten zij haar kopjes hangen.»

«Maar de bloemen kunnen immers niet dansen!» bracht de kleine Ida in het midden.

«Wel zeker,» hernam de student. «Als het donker wordt en wij gerust liggen te slapen, dan springen ze lustig in de rondte. Bijna alle avonden houden ze bal.»

«Kunnen er ook kinderen op dat bal komen?»

«Ja,» zei de student, «namelijk kleine madeliefjes en lelietjes der dalen.»

«Waar dansen die mooie bloemen?» vroeg de kleine Ida.

«Ben je niet dikwijls buiten de poort bij het groote kasteel geweest, waar de koning des zomers woont en waar die prachtige tuin met al die bloemen is? Je hebt de zwanen immers wel eens gezien, die naar je toe zwemmen, als je hun kruimeltjes brood wilt geven? Geloof mij, daar buiten is het een groot bal.»

«Gisteren ben ik met mama in dien tuin geweest,» zei Ida, «maar al de bladeren waren van de boomen, en er waren in ’t geheel geen bloemen meer. Waar zijn ze toch gebleven? Van den zomer zag ik er zooveel!»

«Ze zijn binnen in ’t kasteel,» hernam de student. «Je moet weten, dat de bloemen, zoodra de koning en al de hovelingen naar de stad terugkeeren, dadelijk uit den tuin wegloopen en naar het kasteel toe gaan, en daar maken ze dan pret. Dat moest je eens zien! De beide mooiste rozen zetten zich op den troon neer, en dan zijn ze koning en koningin; al de roode hanekammen scharen zich aan beide kanten daarvan: dat zijn de kamerheeren.—Dan komen al de andere mooie bloemen, en dan is het groot bal. De blauwe viooltjes stellen adelborsten voor; zij dansen met hyacinten en krokusjes, die zij jonge dames noemen; de tulpen en de groote tijgerleliën zijn oude dames, die zorg dragen, dat er goed gedanst wordt en dat alles geregeld in zijn werk gaat.»

«Maar,» vroeg de kleine Ida weer, «is er dan niemand, die de bloemen kwaad doet, omdat ze in het kasteel van den koning dansen?»

«Eigenlijk weet niemand daarvan af,» zei de student. «Somtijds wel is waar komt de oude slotbewaarder ’s nachts wel eens met een grooten bos sleutels in de hand; maar zoodra de bloemen de sleutels hooren rammelen, houden zij zich stil en verschuilen zich achter de gordijnen, en steken het hoofd alleen er uit. Het ruikt hier naar bloemen,» zegt de oude slotbewaarder dan; «maar ik kan ze niet zien.»

«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en klapte in haar handen. «Maar zou ik de bloemen ook niet kunnen zien?»

«Ja,» zei de student. «Denk er maar eens om, als je er weer voorbijkomt, dat je eens door het raam kijkt, dan zul je ze wel zien. Dat heb ik vandaag ook gedaan; er lag een lange gele lelie dood op haar gemak op de canapé uitgestrekt; dat was een hofdame.»

«Kunnen de bloemen uit den botanischen tuin daar ook komen? Kunnen die zoo ver loopen?»

«Wel zeker,» antwoordde de student, «want als ze willen, dan kunnen ze vliegen. Heb je die mooie kapelletjes wel niet eens gezien, roode, gele en witte? Zij zien er net als bloemen uit: dat zijn ze ook geweest. Zij zijn van den stengel af hoog in de lucht opgestegen en hebben daar met hun bladeren geklapwiekt, alsof het vleugeltjes waren, en zoo vlogen zij weg. En omdat zij dit zoo goed deden, kregen zij de vergunning, om ook overdag rond te vliegen en behoefden niet te huis en stil op den steel te zitten; en zoo werden de bladeren eindelijk tot werkelijke vleugels. Dat heb je zelf immers wel eens gezien. Het kan echter wel zijn, dat de bloemen uit den botanischen tuin nog nooit in het kasteel van den koning geweest zijn, of dat zij niet weten, dat het daar ’s nachts zoo vroolijk toegaat. Daarom zal ik je eens wat zeggen! Hij zal er vreemd van staan te kijken, de professor in de botanie, die hier naast woont: je kent hem immers wel? Als je in zijn tuin komt, moet je aan een van de bloemen vertellen, dat er buiten op het kasteel een groot bal is; die vertelt het dan weer aan al de anderen over, en dan vliegen zij weg. Als de professor dan in den tuin komt, is er geen enkele bloem en zal hij niet kunnen begrijpen, waar zij gebleven zijn.»

«Maar hoe kan de eene bloem het aan de andere vertellen? De bloemen kunnen immers niet spreken!»

«Dat kunnen zij ook niet,» antwoordde de student, «maar dan geven zij elkaar wenken. Heb je niet dikwijls gezien, dat de bloemen, als er een beetje wind is, elkander toeknikken en al haar bladeren bewegen? Dat is voor haar even goed verstaanbaar, als wanneer wij met elkaar spreken.»

«Kan de professor die wenken dan begrijpen?» vroeg Ida.

«Wel zeker. Hij kwam op zekeren morgen in zijn tuin en zag een groote brandnetel staan, die met haar bladeren aan een mooien, rooden anjelier allerlei wenken gaf. Zij zeide: «Je ziet er zoo lief uit, en ik mag je graag lijden.» Maar zoo iets kan de professor niet dulden; hij sloeg de brandnetel terstond op haar bladeren, want dat zijn haar vingers; maar toen brandde hij zich, en sedert dien tijd waagt hij het niet, een brandnetel aan te raken.»

«Dat is aardig!» zei de kleine Ida en lachte.

«Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen?» zei een deftig oud heer, die een bezoek was komen brengen en op de canapé zat. Hij mocht den student niet lijden en bromde altijd, als hij hem al die kluchtige, grappige dingen zag knippen: nu eens was het een man, die aan een galg hing en een hart in de hand hield, want het was een hartendief, dan weer een oude heks, die op een bezemstok reed en haar man op den neus had. Dat kon de oude man niet velen, en dan zei hij, evenals nu: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!»








Maar de kleine Ida scheen het toch heel kluchtig te vinden, wat de student van haar bloemen vertelde, en zij dacht dikwijls daaraan. De bloemen lieten haar kopjes hangen; want zij waren vermoeid, daar zij den heelen nacht gedanst hadden: zij waren zeker ziek. Nu ging zij er mee naar haar ander speelgoed, dat op een lief klein tafeltje stond, en in de schuiflade lagen allerlei mooie dingen. In het poppenledekantje lag haar pop Sophie, die sliep; maar de kleine Ida zei tegen haar: «Je moet maar opstaan, Sophie, en het voor lief nemen, van nacht in de lade te liggen. De arme bloemen zijn ziek, en daarom moeten ze maar in jouw bedje liggen; misschien worden ze dan wel weer beter!» En dadelijk nam zij de pop uit haar ledekantje; maar deze zag er verdrietig uit en sprak geen enkel woord; want zij ergerde er zich over, dat zij haar bedje moest ruimen.

Toen legde de kleine Ida de bloemen in het poppenbedje, sloeg het dekentje er over heen en zei, dat zij nu maar heel stil moesten liggen; dan zou zij wat vlier zetten, en dan zouden zij wel weer beter worden en den volgenden dag kunnen opstaan. Zij deed de gordijnen van het kleine ledekantje dicht, opdat de zon ze niet in de oogen zou schijnen.

Den heelen avond kon zij niet nalaten, aan datgene te denken, wat de student haar verteld had. En toen zij nu zelf naar bed moest, kon zij zich niet weerhouden, eerst eens achter de gordijnen te kijken, die voor de ramen hingen, waar de prachtige bloemen van haar mama stonden, zoowel hyacinten als tulpen; en nu fluisterde zij zachtjes: «Ik weet wel, dat je van nacht naar het bal toe gaat.» Maar de bloemen deden, alsof zij niets verstonden en verroerden geen blaadje; doch de kleine Ida wist toch, wat zij wist.

Toen zij te bed gegaan was, bleef zij een heelen tijd wakker liggen en dacht er over, hoe aardig het toch moest wezen, de mooie bloemen in het kasteel van den koning te zien dansen. «Zouden mijn bloemen er werkelijk bij geweest zijn?» zeide zij bij zich zelf. Eindelijk viel zij in slaap; maar midden in den nacht werd zij weer wakker; zij had van de bloemen en van den student, dien de oude heer berispt had, gedroomd. Het was doodstil in de slaapkamer, waar Ida lag; het nachtlampje brandde op de tafel, en haar pa en ma sliepen.

«Zouden mijn bloemen nu nog in het ledekantje van Sophie liggen?» dacht zij bij zich zelve. «Wat zou ik dit graag eens willen weten!» Zij kwam eventjes overeind en keek naar de deur, die op een kier stond: daar lagen de bloemen en al haar speelgoed. Zij luisterde, en nu kwam het haar voor, alsof er binnen in de kamer op de piano gespeeld werd, maar heel zachtjes en zoo mooi, als zij het nog nooit gehoord had.

«Nu zijn al de bloemen zeker aan het dansen!» dacht zij. «Och! wat zou ik dat toch graag eens willen zien!» Maar zij waagde het niet, op te staan, want dan zou zij haar pa en ma licht wakker maken!

«Als ze maar eens hier in de slaapkamer wilden komen,» dacht zij. Maar de bloemen kwamen niet, en het spelen op de piano bleef voortduren; nu kon zij het niet langer uithouden, want het was al te mooi; zij stapte uit haar bedje, sloop zachtjes naar de deur toe en keek de kamer in. O, wat was dat prachtig, wat zij nu te zien kreeg.

Er brandde geen nachtlampje in het vertrek, maar toch was het er licht in; de maan scheen door het raam midden op den vloer; het was bijna zoo helder, alsof het dag was. Al de hyacinten en de tulpen stonden in twee lange rijen in de kamer; er waren er volstrekt geen meer voor het raam te zien; daar stonden slechts de leege potten. Op den vloer dansten al de bloemen zeer sierlijk in de rondte en hielden elkaar bij de lange groene bladeren vast. Maar voor de piano zat een groote, gele lelie, die de kleine Ida bepaald in den zomer gezien had: want zij herinnerde zich nog heel goed, dat de student gezegd had; «O, wat lijkt zij op juffrouw Lientje!» Doch toen werd hij door allen uitgelachen; maar nu kwam het de kleine Ida werkelijk ook voor, alsof de lange, gele bloem op dit meisje leek; en zij had ook dezelfde manieren bij het spelen; nu eens boog zij haar glimlachend, geel gezicht naar den eenen, dan weer naar den anderen kant en sloeg met haar hoofd de maat bij de heerlijke muziek. Niemand lette op de kleine Ida. Toen zag zij een groot blauw krokusje midden op de tafel springen, waarop het speelgoed stond, regelrecht naar het poppenledekantje toe gaan en de gordijnen op zij schuiven. Daar lagen de zieke bloemen, maar zij richtten zich dadelijk op en knikten het krokusje toe, dat zij ook wel mee wilden dansen. De oude notenkraker, welks onderlip afgebroken was, stond op en maakte een buiging voor de mooie bloemen; deze zagen er volstrekt niet ziek uit: zij sprongen van de tafel af, gingen naar de andere bloemen toe en hadden heel wat pret.

Het was, alsof er iets van de tafel naar beneden viel; Ida keek dien kant uit: het was een houten soldaat, die naar beneden sprong: het scheen, alsof hij ingelijks tot de bloemen behoorde. Hij zag er ook zeer keurig uit, en een kleine wassen pop, die juist zulk een hoed met een breeden rand op het hoofd had, als de oude heer droeg, zat boven op hem. De soldaat huppelde midden onder de bloemen en stampte geducht, want hij danste de mazurka; dien dans kenden de andere bloemen niet, omdat zij te licht waren en niet zoo konden stampen.

De wassen pop op den soldaat werd op eens groot en lang en riep luide: «Hoe kan men een kind nu toch zoo iets in het hoofd brengen? Dat zijn immers de grootste dwaasheden!» En nu geleek de wassen pop sprekend op den ouden heer met zijn breedgeranden hoed; zij zag er even geel en gemelijk uit. Maar de bloemen sloegen hem tegen de dunne beenen; en nu kromp hij weer ineen en werd een kleine wassen pop. Dat was heel kluchtig om aan te zien; de kleine Ida kon zich niet van lachen onthouden. De houten soldaat ging met dansen voort, en de oude heer moest meedansen; het baatte hem niets, hij mocht zich nu groot en lang maken of de kleine gele wassen pop met den grooten zwarten hoed blijven. Nu deden de andere bloemen een goed woordje voor hem, inzonderheid die, welke in het poppenledekantje gelegen hadden, en toen stelde de soldaat zich tevreden. Op hetzelfde oogenblik werd er luide binnen in de schuiflade geklopt, waarin Ida’s pop Sophie bij veel ander speelgoed lag; de notenkraker liep tot aan den rand van de tafel, ging plat op zijn buik liggen en begon de lade een weinig uit te trekken. Nu stond Sophie op en keek verbaasd in de rondte. «Hier is zeker bal?» zei zij. «Waarom heeft niemand mij dit gezegd?»

«Wil je met mij dansen?» vroeg de notenkraker.

«Nu, je bent me nog al een mooie kerel om mee te dansen!» zeide zij en draaide hem den rug toe. Daarop zette zij zich op de schuiflade neer en dacht, dat er wel een van de bloemen zou komen, om haar ten dans uit te noodigen; maar er kwam er geen. Nu knikte zij eens; maar toch kwam er geen. De notenkraker danste nu alleen, en dat ging alles behalve slecht!

Daar geen van de bloemen Sophie scheen op te merken, liet zij zich van de schuiflade op den grond neervallen, zoodat het een geducht leven maakte. Al de bloemen kwamen nu naar haar toeloopen en vroegen, of zij zich niet bezeerd had, en zij waren allemaal heel vriendelijk jegens haar, vooral de bloemen, die in haar ledekantje gelegen hadden. Maar zij had zich niet bezeerd, en de bloemen van Ida waren dankbaar voor het lekkere bedje, en namen haar midden in de kamer, waar de maan in scheen, en dansten met haar; en al de andere bloemen vormden een kring om haar heen. Nu was Sophie blijde en zei, dat zij wel altijd in haar bedje mochten liggen; het kon haar volstrekt niet schelen, in de schuiflade te slapen.

Maar de bloemen zeiden: «Wij bedanken je hartelijk; maar we kunnen op deze wijze niet lang leven! Morgen zijn wij dood. Maar zeg tegen de kleine Ida, dat zij ons dan maar buiten in den tuin, waar de kanarievogel ligt, moet begraven; dan ontwaken wij in den zomer weer en worden veel mooier!»

«Neen, je moogt niet sterven!» zei Sophie en kuste de bloemen. Nu ging de kamerdeur open, en een menigte prachtige bloemen kwam dansend naar binnen. Ida kon maar niet begrijpen, waar zij vandaan gekomen waren; dat waren zeker allemaal bloemen uit het kasteel van den koning. Voorop liepen twee prachtige rozen, die gouden kronen op hadden; zij waren een koning en een koningin. Toen kwamen de violieren en de anjelieren, die naar alle kanten groetten. Zij hadden muziek bij zich: groote papavers en pioenen bliezen op erwtenschillen, zoodat zij heelemaal rood in haar gezicht werden. De blauwe druifhyacinten en de kleine witte sneeuwklokjes klingelden, alsof zij schellen bij zich hadden. Dat was een merkwaardige muziek! Verder kwamen er vele andere bloemen en dansten allemaal met elkaar: de blauwe viooltjes en de roode duizendschoonen, de madeliefjes en de lelietjes der dalen. Al de bloemen kusten elkaar; het was alleraardigst om aan te zien.

Eindelijk zeiden de bloemen elkander goeden nacht; toen sloop ook de kleine Ida naar haar bed en droomde van alles, wat zij gezien had.

Toen zij den volgenden morgen opstond, ging zij terstond naar de kleine tafel toe, om eens te zien, of de bloemen er nog waren. Zij schoof de gordijnen van het kleine ledekantje weg. Daar lagen ze allemaal verwelkt, veel meer dan den vorigen dag. Sophie lag in de schuiflade, waarin zij haar neergelegd had: zij zag er erg slaperig uit.

«Weet je niet, wat je tegen mij zeggen moet?» vroeg Ida. Maar Sophie zag er heel dom uit en sprak geen enkel woord.

«Je ziet er zoo boos uit,» zei Ida, «en toch hebben ze allemaal met je gedanst.»

Daarop nam zij een papieren doosje, waarop mooie vogels geteekend waren, deed dit open en legde er de doode bloemen in. «Dit zal je doodkist zijn,» zeide zij, «en als mijn neven hier komen, dan moeten zij mij helpen om je buiten in den tuin te begraven, opdat je in den zomer weer kunt groeien en mooier worden.»

Deze neven waren twee vroolijke knapen; zij heetten Jonas en Adolf; hun pa had hun twee nieuwe handbogen gegeven, en deze hadden zij meegebracht, om ze eens aan Ida te laten kijken. Ida vertelde hun van de arme bloemen, die gestorven waren, en toen kregen zij de vergunning om ze te begraven. De beide knapen liepen met de bogen op de schouders voorop, en de kleine Ida volgde met de doode bloemen in het mooie doosje. Buiten in den tuin werd er een klein graf gedolven; Ida gaf de bloemen eerst een kus en legde ze toen met het doosje in den kuil; Adolf en Jonas schoten met hun bogen over het graf; want geweren en kanonnen hadden ze niet.




De onwrikbare tinnen soldaat


Er waren eens vijf-en-twintig tinnen soldaten. Dit waren allemaal broers, want ze waren uit één en denzelfden ouden tinnen lepel gemaakt. Zij hielden hun geweer in den arm en hun hoofd recht; en hun uniform was rood en blauw. Het eerste, wat zij in deze wereld hoorden, toen het deksel van de doos, waarin zij lagen, afgenomen werd, waren de woorden: «Tinnen soldaten!» Dat riep een kleine jongen en hij klapte in de handen; hij had ze gekregen, want het was zijn verjaardag, en hij stelde ze nu op de tafel op. De eene soldaat leek precies op den anderen, slechts één zag er een beetje anders uit: hij had maar één been, want hij was het laatst gegoten, en toen was er geen tin genoeg meer; maar toch stond hij even vast op zijn eene been, als de anderen op hun twee, en juist hij is het, wiens levensloop zoo merkwaardig werd.

Op de tafel, waarop zij opgesteld werden, stond nog veel meer ander speelgoed, maar dat, wat het meest in ’t oog viel, was een aardig kasteel van bordpapier. Door de kleine ramen kon men in de zalen zien. Voor het kasteel stonden boompjes rondom een kleinen spiegel, die een vijver moest voorstellen. Zwanen van was zwommen daarop en spiegelden er zich in. Dat was alles heel lief, maar het liefste van alles was toch nog een kleine dame, die midden in de open deur van het kasteel stond; zij was ook van karton gesneden, maar zij had een japon van het witste katoen aan en een kleinen, smallen, blauwen band over den schouder, bij wijze van sjerp; in het midden daarvan prijkte een schitterende ster van klatergoud, die net zoo groot was als haar heele gezicht. De kleine dame strekte haar beide armen uit, want zij was een danseres; en dan lichtte zij haar eene been zoo hoog op, dat de tinnen soldaat niet wist waar het was, en dacht, dat zij, evenals hij, maar één been had.








«Dat zou een goede vrouw voor mij zijn!» dacht hij: «maar het is zoo’n deftige dame; zij woont op een kasteel; ik heb maar een doos, en daar wonen we met ons vijf-en-twintigen in; dat is geen plaats voor haar! Maar ik moet toch eens kennis met haar maken!»

Daarop legde hij zich, zoo lang als hij was, achter een snuifdoos neer, die op tafel stond; nu kon hij de kleine dame eens goed opnemen, die al door maar op één been bleef staan, zonder dat zij haar evenwicht verloor.

Toen het avond werd, kwamen al de andere tinnen soldaten in hun doos, en de menschen in huis gingen te bed. Nu begon het speelgoed allerlei spelletjes te doen. De tinnen soldaten rammelden in de doos; want zij zouden er ook wel bij willen zijn, maar zij konden het deksel niet oplichten. De notenkraker maakte allerlei kromme sprongen, en de griffel danste op de tafel; het was zulk een geweldig leven, dat de kanarievogel er wakker van werd en begon mee te spreken, en wel op rijm. De beide eenigen, die zich niet van hun plaats verroerden, waren de tinnen soldaat en de danseres; zij bleef onbeweeglijk op haar teenen staan en hield haar beide armen uitgestrekt; hij stond even onwrikbaar op zijn eene been; maar zijn oogen wendde hij geen oogenblik van haar af.

Nu sloeg de klok twaalf uur en flap! daar sprong het deksel van de snuifdoos af; doch er zat geen snuif in, maar een klein zwart kaboutermannetje.

«Tinnen soldaat!» zei het kaboutermannetje, «kijk toch niet naar datgene, wat je niets hoegenaamd aangaat!»

Maar de tinnen soldaat deed, alsof hij het niet hoorde.

«Ja, wacht maar tot morgen!» zei het kaboutermannetje.

Toen nu de volgende dag aanbrak en de kinderen opstonden, werd de tinnen soldaat voor het raam neergezet en, of het nu door het kaboutermannetje of door den tocht kwam, zooveel is zeker, dat het raam openvloog en de soldaat hals over kop van de derde verdieping naar beneden viel. Dat was een verschrikkelijke buiteling. Hij stak zijn eene been juist in de hoogte en bleef op zijn schako met de bajonet tusschen de straatsteenen steken.

De dienstmeid en de kleine jongen liepen dadelijk naar beneden om hem te zoeken; maar ofschoon zij bijna op hem trapten, toch zagen zij hem niet. Als de tinnen soldaat maar geroepen had: «Hier ben ik!» dan zouden zij hem wel gevonden hebben; maar hij achtte het ongepast, luid te schreeuwen, omdat hij in uniform was.

Nu begon het te regenen, al spoedig vielen de droppels dichter neer; eindelijk werd het een stortregen. Toen deze over was, kwamen er twee straatjongens voorbij.

«Kijk!» zei de een, «daar ligt een tinnen soldaat! Dien zullen we in het schuitje laten varen!»

Nu maakten zij van een stuk krant een schuitje, zetten den soldaat in het midden daarvan neer, en nu zeilde hij de straatgoot door; de beide jongens liepen er naast en klapten in hun handen. Lieve hemel! Wat gingen de golven in de goot hoog, en welk een stroom was daarin! Maar de regen had het water ook doen wassen. Het papieren schuitje schommelde op en neer, en nu en dan draaide het zoo gezwind om, dat de tinnen soldaat beefde; maar hij bleef onwrikbaar staan, vertrok zijn gezicht niet, hield zijn hoofd recht en zijn geweer in den arm. Eensklaps dreef het schuitje onder een lange brug, die over de goot lag, en nu werd het zoo donker, alsof hij in zijn doos was.

«Waar zou ik naar toe gaan?» dacht hij. «Ja, ja, daar is het kaboutermannetje de schuld van. Ach! zat die kleine dame maar bij mij in het schuitje, dan mocht het voor mijn part nog eens zoo donker zijn!»

Nu kwam er plotseling een groote waterrot, die onder de brug woonde.

«Heb je een pas?» vroeg de rot. «Geef je pas op!»

Maar de tinnen soldaat zweeg en hield zijn geweer nog vaster omklemd.

Het schuitje dreef verder, en de rot achtervolgde het. Hu! wat liet zij haar tanden zien, en hoe riep zij de houten spaanders en het stroo toe:

«Houdt hem vast, houdt hem vast! Hij heeft geen tol betaald! Hij heeft geen pas vertoond!»

Maar de stroom werd al sterker en sterker; de tinnen soldaat kon reeds daar, waar de brug ophield, het daglicht zien; maar hij hoorde ook een bruisend geluid, dat wel in staat was om een dapper man schrik aan te jagen. Begrijp eens! De goot liep daar, waar de brug eindigde, in een diepe gracht uit: dat was voor hem even gevaarlijk als voor ons, om op een bruisenden waterstroom voort te drijven.

Nu was hij er al zoo dicht bij, dat hij niet meer kon blijven staan. Het schuitje voer de goot uit: de arme tinnen soldaat hield zich zoo stijf, als hij maar kon; niemand zou van hem kunnen zeggen, dat hij ook maar met de oogen geknipt had. Het schuitje draaide een stuk of viermaal in de rondte en was tot aan den rand met water gevuld: het moest nu wel zinken! De tinnen soldaat stond tot aan zijn hals in het water, en al dieper en dieper zonk het schuitje, al meer en meer raakte het papier uit elkaar, nu sloeg het water over het hoofd van den soldaat heen. Thans dacht hij aan de kleine, bevallige danseres, die hij nimmer meer zou zien; en het klonk hem in de ooren:

		«’t Is met u gedaan, soldaat!
		De dood staat u te wachten!»

Nu raakte het papier geheel los, en de tinnen soldaat stortte naar beneden;—maar onmiddellijk werd hij door een grooten visch ingezwolgen.

O, wat was het donker in den buik van dien visch! Het was daar nog donkerder dan onder de brug, die over de goot lag; en dan was het daar erg benauwd. Maar de tinnen soldaat bleef onwrikbaar en lag, zoo lang als hij was, met zijn geweer in den arm.

De visch zwom heen en weer; hij maakte de verschrikkelijkste bewegingen; eindelijk werd hij doodstil; het werd weer licht, en een stem riep luide: «De tinnen soldaat!» De visch was gevangen, aan de markt gebracht, verkocht en in de keuken te land gekomen, waar de keukenmeid hem met een groot mes opensneed. Zij pakte den soldaat met haar beide vingers midden om zijn lijf beet en droeg hem naar de kamer, waar allen zulk een merkwaardig man wilden zien, die in de maag van een visch gezeten had; maar de tinnen soldaat was volstrekt niet trotsch. Zij zetten hem op de tafel neer en… o, hoe zonderling kan het toch in de wereld toegaan! De tinnen soldaat was in dezelfde kamer, waar hij vroeger geweest was; hij zag dezelfde kinderen, en hetzelfde speelgoed stond op de tafel: het prachtige kasteel met de kleine danseres. Zij stond nog op één been en hield het andere hoog in de lucht; zij was ook onwrikbaar. Dat trof den tinnen soldaat; het scheelde niet veel, of hij begon tin te weenen, maar dat paste niet. Hij keek haar aan, maar zij zeide niets.

Nu nam een der kleine jongens den soldaat en wierp hem in het vuur, zonder dat hij er eenige reden voor had; dat was zeker de schuld van het kaboutermannetje in de snuifdoos.

De tinnen soldaat stond daar helder verlicht en voelde een hitte, die verschrikkelijk was; maar of deze van het werkelijke vuur of de liefde kwam, dat wist hij niet. De kleuren waren heelemaal van hem afgegaan; of dat op reis gebeurd was, dan of het verdriet de schuld daarvan was, kon niemand zeggen. Hij keek de kleine dame aan, zij keek hem aan, en hij voelde, dat hij smolt; maar nog stond hij onwrikbaar met het geweer in den arm. Daar ging er eensklaps een deur open, de wind pakte de kleine danseres beet, en nu vloog zij als een luchtnimf in het vuur naar den tinnen soldaat toe, ging in de vlammen op, en weg was zij. Nu smolt de tinnen soldaat tot een klomp, en toen de meid den volgenden dag de asch wegnam, vond zij niets anders dan een klein tinnen hart. Van de danseres daarentegen was niets anders overgebleven dan de ster van klatergoud, die heelemaal zwart van de vlam geworden was.




De gouden schat


De vrouw van den tamboer ging naar de kerk toe, zij zag daar het nieuwe altaar met geschilderde beelden en uitgesneden engelen; zij waren even mooi, die op het doek in kleuren, als de uit hout gesnedene, en deze waren nog bovendien geschilderd en verguld. Hun haar straalde van goud en zonneschijn, prachtig om aan te zien; maar Gods zonneschijn was toch nog prachtiger; deze scheen helderder, rooder door de donkere boomen, als de zon onderging. Hoe heerlijk is het, in Gods aangezicht te staren! Zij keek in de roode zon, en zij dacht daarover zoo ernstig na, en dacht aan den kleine, dien de ooievaar zou brengen; zij was daarbij zeer vroolijk en keek en keek, en wenschte, dat het kind dien zonneglans zou krijgen, of althans op een dier schitterende engelen op het altaar gelijken mocht.

En toen zij werkelijk het kleine kind in haar armen hield en het naar zijn vader ophief, toen zag het er uit als een der engelen in de kerk,—zijn haar was als goud; het schijnsel der ondergaande zon fonkelde daarin.








«Mijn gouden schat, mijn rijkdom, mijn zonneschijn!» riep de moeder uit en kuste de schitterende lokken; en het klonk als muziek en gezang in de kamer van den tamboer; er heerschten vreugde en geluk. De tamboer sloeg een roffel, een vroolijken roffel. En de trommel, de alarmtrom, die geslagen werd, als er brand was in de stad, zei: «Rood haar! De kleine heeft rood haar! Geloof het trommelvel en niet wat zijn moeder zegt! Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»








En de stad herhaalde wat de alarmtrom verteld had.

De knaap kwam in de kerk, hij werd gedoopt. Van zijn naam was niets te vertellen; hij werd Peter genoemd. De heele stad, ook de trommel noemde hem Peter, het tamboerszoontje met het roode haar; maar zijn moeder kuste zijn rood haar en noemde hem haar Gouden schat.

In den hollen weg, in de leemachtige helling, hadden velen hun naam ter herinnering ingekrast.

«Beroemdheid,» zei de tamboer, «dat is altijd iets!» en daarom kraste hij er ook zijn naam en dien van zijn zoontje in.

De zwaluwen kwamen; zij hadden op haar verre reis duurzamer schrift in de klippen en in de muren van de tempels in Hindostan ingehouwen gezien: groote daden van machtige koningen, onsterfelijke namen, zulke oude, dat niemand ze meer kon lezen of noemen.

Merkwaardig! Beroemdheid!

In den hollen weg bouwden de zwaluwen; zij boorden gaten in de steile helling, de plasregen en de stofregen brokkelden en spoelden de namen weg,—ook die van den tamboer en zijn zoontje.

«Peters naam zal toch wel anderhalf jaar blijven staan!» zei de vader.

«Gek!» dacht de alarmtrom; maar zij zei slechts: «Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!»

Het was een jongen vol levenslust, de tamboerszoon met het roode haar. Hij had een liefelijke stem; hij kon zingen, en hij zong ook als de vogels in het bosch. Er was melodie en toch ook geen melodie in.

«Hij moet koorjongen worden,» zei zijn moeder, «in de kerk zingen en daar onder de mooie, vergulde engelen staan, die op hem gelijken!»








«Roodkop!» zeiden de menschen in de stad. De trommel hoorde dit van de buurvrouwen.

«Ga niet naar huis toe, Peter!» riepen de straatjongens. «Als je in het benedenhuis slaapt, dan is er brand op de bovenverdieping, en dan wordt de alarmtrom geroerd!»

«Neem jelui je maar voor de trommelstokken in acht!» zei Peter; en hoe klein hij ook was, toch snelde hij moedig op hen los en sloeg met zijn vuist den eerste den beste voor het lijf, zoodat de plager zijn beenen verloor, en de anderen namen de beenen met zich mee, hun eigen beenen namelijk.

De stadsmuziekmeester was heel deftig en voornaam; hij was de zoon van een koninklijken zilverpoetser; hij mocht Peter graag lijden, nam hem van tijd tot tijd met zich mee naar huis, gaf hem een viool en leerde hem daarop spelen; het was, alsof het den knaap in de vingers zat, hij wilde stadsmuziekmeester worden.

«Soldaat wil ik ook worden!» zei Peter, want hij was nog een kleine jongen, en het scheen hem het heerlijkste toe, wat er bestond, een geweer te kunnen dragen en zóó te kunnen loopen: «Een, twee! Een, twee!» en uniform en sabel te dragen.

«Leer maar naar het trommelvel verlangen, rom, bom, bom! Kom, kom!» zei de trommel.

«Ja, als hij tot den rang van generaal kon opklimmen,» zei zijn vader; «maar daarvoor moet het oorlog worden.»

«Dat verhoede God!» zei zijn moeder.

«Wij hebben niets te verliezen!» zei zijn vader.

«Wij kunnen onzen jongen toch wel verliezen!» zeide zij.

«Maar als hij nu eens als generaal terugkomt?» zei zijn vader.

«Zonder armen of beenen!» zei zijn moeder. «Neen, liever wil ik mijn gouden schat heel houden.»








«Rom, bom, bom!» De alarmtrom werd geroerd, alle trommels werden geroerd. Het was oorlog. De soldaten rukten op, en de zoon van den tamboer volgde: «Roodkop! Gouden schat!» Zijn moeder weende; zijn vader zag hem in gedachten «beroemd;» de stadsmuziekmeester beweerde, dat hij niet ten strijde moest trekken, maar zich bij de muziek in zijn vaderstad houden.

«Roodkop!» zeiden de soldaten, en Peter lachte; maar ook zei de een na den ander: «Vossekop!» Toen beet hij zich op de lippen en keek een anderen kant uit—de wijde wereld in; hij bekommerde zich om den scheldnaam niet.

Flink was de jongen, vroolijk van aard, goed van humeur; «en dat is de beste veldflesch,» zeiden zijn oude kameraden.

En menigen nacht moest hij in plasregen en stofregen, tot op zijn hemd doornat, onder den blooten hemel liggen, maar zijn goede luim begaf hem niet, de trommelstokken sloegen: «Rom, bom, bom! Allemaal op!» Ja, hij was zeker voor tamboer in de wieg gelegd.

De dag van den veldslag brak aan; de zon was nog niet opgegaan, en de morgen was aangebroken: de lucht was koud, het gevecht heet; er dreven nevelen aan de lucht, maar het was meer de kruitdamp. De kogels en de granaten vlogen over de hoofden en ook in de hoofden, in de borsten en de overige ledematen; maar voorwaarts ging het. De een na den ander zeeg bewusteloos neer met bloedende slapen, met een doodsbleek gezicht. De kleine tamboer had zijn gezonde kleur nog; hij had geen schade geleden; hij keek nog met een even vergenoegd gezicht den regimentshond achterna, die voor hem uitsprong, zóó vergenoegd, alsof alles maar een grap was en alsof de kogels slechts voor hem neervielen, om daarmee te spelen.

«Marsch! Voorwaarts! Marsch!» waren de kommandowoorden voor de trommels; en deze woorden beteekenden niet: «Terugwijken!» maar zij konden terugtrekken, en daarin kon veel verstand liggen; en nu werd er gezegd: «Terug!» en daar sloeg de kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» hij had het bevel zóó opgevat; de soldaten gehoorzaamden aan het trommelvel. Dat was een goede trommelslag en hij schonk hun, die reeds aan het wijken waren, de overwinning.

Lichamen en ledematen gingen er in den slag verloren. Granaten rukten het vleesch in bloedige stukken weg; granaten deden de hoopen stroo, werwaarts de gekwetsten zich voortgesleept hadden, om daar vele uren verlaten te liggen, verlaten misschien voor hun leven, in heldere vlammen opgaan.

Het geeft niets, daaraan te denken, en toch denkt men daaraan, zelfs ver van daar, in de vreedzame stad; ook de tamboer en zijn vrouw dachten daaraan; Peter was immers ten strijde getrokken.

«Nu ben ik het klagen moede!» zei de alarmtrom.

Weer begon er een dag, waarop er een gevecht zou geleverd worden; de zon was nog niet opgegaan, maar het was morgen. De tamboer en zijn vrouw sliepen, zij hadden over hun zoon gesproken; dat deden zij iederen avond; hij was immers op het slagveld—«in Gods hand.» En zijn vader droomde, dat de oorlog geëindigd was, dat de soldaten naar het vaderland teruggekeerd waren en dat Peter een zilveren kruis op de borst droeg; maar zijn moeder droomde, dat zij naar de kerk gegaan was en de geschilderde beelden en de uitgesnedene engelen met het vergulde haar gezien had; en haar eigen, teerbeminde zoon, de gouden schat haars harten, had midden onder de engelen gestaan en zoo heerlijk gezongen, als zeker slechts de engelen zingen kunnen, en had zich met hen in den zonneschijn verheven en zijn moeder zoo vol liefde toegeknikt.

«Mijn gouden schat!» riep zij uit en werd wakker. «Nu heeft God onze Heer hem tot zich genomen!» Zij vouwde haar handen, legde haar hoofd tegen het katoenen bedgordijn aan en weende.

«Waar rust hij nu onder die velen in het graf, dat zij voor de dooden gegraven hebben? Misschien wel in het diepe moeras! Niemand kent zijn graf! Er is geen woord Gods daar boven gelezen!»

En het «Onze Vader» kwam nauw hoorbaar over haar lippen; zij boog het hoofd voorover, zij was zoo moede, zij viel in slaap.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Het was avond; er stond een regenboog aan de lucht, die het bosch en het diepe moeras aanraakte.

Men zegt, en het is in het volksgeloof bewaard gebleven: waar de regenboog de aarde aanraakt, daar ligt een schat begraven, een gouden schat; en hier—lag er een; niemand, behalve zijn moeder, dacht aan den kleinen tamboer, en daarom droomde zij van hem.

De dagen gingen voorbij, in het leven zoowel als in de droomen!

Geen haar op zijn hoofd was er gekrenkt geworden.

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom! Dat is hij! Dat is hij!» zou de trommel gezegd en zijn moeder gezongen hebben, als zij dat gezien of gedroomd had.

Met gejuich en gezang, met groene zegekransen versierd, keerde men naar het vaderland terug, daar de oorlog geëindigd en de vrede gesloten was. De regimentshond liep vooruit en maakte allerlei kromme sprongen, om zich den weg als ’t ware driemaal zoolang te maken, als hij was.








Weken verliepen er en de dagen tevens, en Peter trad de kamer van zijn ouders binnen; hij was zoo bruin als een wilde, zijn oogen keken fonkelend in de rondte, zijn gezicht straalde als zonneschijn. En zijn moeder klemde hem in haar armen; zij kuste hem op zijn mond, op zijn oogen, op zijn rood haar. Zij had haar jongen nu immers terug; hij droeg wel geen zilveren kruis op de borst, zooals zijn vader gedroomd had, maar hij had heele ledematen, wat zijn moeder niet gedroomd had. En dat was een vreugde; zij lachten en weenden. En Peter omhelsde de oude alarmtrom.

«Daar staat de oude trommel nog!» zei hij.

En zijn vader sloeg daarop een roffel.








«Het is bijna, alsof er hier een hevige brand was,» zei de alarmtrom. «Heldere dag! Vuur in het hart! Gouden schat!»

En nu? Ja, wat nu? Vraag het maar aan den stadsmuziekmeester.

«Peter groeit de trommel heelemaal boven ’t hoofd,» zei hij; «Peter wordt grooter dan ik!» En hij was toch de zoon van een koninklijken zilverpoetser; maar alles, wat hij in een half menschenleven geleerd had, leerde Peter in een half jaar.

Er was iets vroolijks in hem, zoo iets innerlijk goedhartigs. Zijn oogen fonkelden en zijn haar was rood,—dat viel niet te ontkennen.

«Hij moet zijn haar laten verven!» zei de buurvrouw. «Dat is de dochter van den politie-commissaris uitstekend gelukt; en—zij raakte verloofd.»

«Maar het werd immers al spoedig daarop weer even groen als erwtensoep, en het moet telkens weer geverfd worden!»

«Zij weet zich te helpen,» zei de buurvrouw, «en dat kan Peter ook. Hij komt in de voornaamste huizen, zelfs in dat van den burgemeester, waar hij aan juffrouw Lotje les op de piano geeft.»

Spelen kon hij, ja, de prachtigste stukken, die nog op geen muziekblad geschreven waren, kon hij uit zijn hoofd spelen.

Hij speelde in heldere nachten en ook in donkere. Dat was niet om uit te houden, zei de buurvrouw, en de alarmtrom stemde daarmee in.

Hij speelde, zoodat zijn gedachten zich verhieven en er groote plannen voor de toekomst bij hem oprezen:

«Beroemdheid!»








En Lotje van den burgemeester zat voor de piano; haar fijne vingers dansten over de toetsen heen, zoodat het in Peters hart weerklank vond; het was, alsof hem dat al te veel werd, en dat gebeurde niet eenmaal, maar vele malen, en nu greep hij op zekeren dag de fijne vingers en de fraai gevormde hand en kuste haar, en keek haar in de groote bruine oogen; God weet, wat hij zeide, maar aan ons staat het vrij, er naar te raden. Lotje werd tot achter haar ooren rood en antwoordde geen enkel woord;—nu kwam er een vreemde in de kamer, de zoon van den staatsraad; deze had een hoog, blank voorhoofd en hield het hoofd trotsch omhoog. En Peter zat lang bij haar, en zij keek hem met vriendelijke blikken aan.

Toen hij ’s avonds thuis gekomen was, sprak hij over de wijde wereld en over den schat, die er voor hem in zijn viool verborgen lag.

Beroemdheid!

«Rom, bom, bom! Rom, bom, bom!» zei de alarmtrom. «Nu is het met Peter over het dolle heen! Ik geloof, dat er brand in huis is.»

Den volgenden dag ging zijn moeder naar de markt toe.

«Wil ik je eens een nieuwtje vertellen, Peter!» zeide zij, toen zij terugkwam, «het is een goed nieuwtje! Lotje van den burgemeester is met den zoon van den staatsraad verloofd; het engagement is er gisteren doorgegaan.»

«Neen!» zei Peter en sprong van zijn stoel op. Maar zijn moeder zei: «Ja!» Zij wist het van de barbiersvrouw, wier man het uit den eigen mond van den burgemeester gehoord had.

En Peter werd zoo wit als een doek en viel op een stoel neer.








«Mijn hemel! Wat scheelt er aan?» vroeg zijn moeder.

«Al genoeg, al genoeg! Laat mij maar met rust!» zeide hij, en de tranen liepen hem over de wangen.

«Mijn lieve kind, mijn gouden schat!» riep zijn moeder uit en weende; maar de alarmtrom zong, niet uitwendig, maar inwendig:

««Lot is dood! Lot is dood!» Ja, nu is het lied uit!»

Het lied was niet uit; het had nog vele coupletten, lange coupletten, de allerschoonste, den gouden schat eens levens.

«Zij gedraagt zich als een gekkin!» zei de buurvrouw. «De heele wereld moet de brieven, die zij van haar gouden schat krijgt, lezen en ook nog hooren, wat de kranten van hem en van zijn viool zeggen. En geld zendt hij haar ook; dat kan zij heel goed gebruiken, nu zij weduwe is.»

«Hij speelt voor keizers en koningen.» zei de stadsmuziekmeester. «Mij is dit geluk nooit te beurt gevallen, maar hij is mijn leerling en vergeet zijn ouden leermeester niet.»

«Zijn vader droomde eens,» zei zijn moeder, «dat Peter met het zilveren kruis op de borst uit den oorlog teruggekeerd was; hij kreeg het in den oorlog niet, maar het is nog moeilijker het zoo te krijgen! Nu heeft hij het ridderkruis! Dit moest zijn vader eens beleefd hebben!»

«Beroemd!» zei de alarmtrom, en zijn vaderstad zei dit ook: de tamboerszoon, Peter met het roode haar, Peter, dien men als kleinen jongen op klompen had zien loopen, dien men als tamboer gekend had, en die bij het dansen speelde,—beroemd!

«Hij speelde bij ons, nog voordat hij voor koningen gespeeld heeft!» zei de vrouw van den burgemeester. «Destijds was hij op Lotje verliefd; hij keek altijd hoog op! Mijn eigen man lachte er over, toen hij van die dwaasheid hoorde! Nu is Lotje de vrouw van den staatsraad!»

Er was een gouden schat in het hart en in de ziel van het arme kind gelegd, dat als kleine tamboer: «Marsch! Voorwaarts!» sloeg, den roffel der overwinning voor hen, die op het punt stonden om terug te wijken. Er lag een gouden schat in zijn borst,—de macht der tonen; het bruiste uit de viool, alsof er een geheel orgel in zat; men hoorde den slag van den lijster en de volle heldere stem van den mensch; daarom trok hij met verrukking door de harten en droeg zijn naam door het geheele land. Dat was een groote brand,—de brand der geestdrift.

«En dan ziet hij er ook zoo prachtig uit!» zeiden de jonge dames en ook de oude; ja, de alleroudste schafte zich een album voor beroemde haarlokken aan, alleen maar om een lok van dat weelderige, prachtige hoofdhaar, dezen schat, dezen gouden schat te kunnen vragen.

De zoon trad de armoedige kamer van den tamboer binnen, keurig gekleed als een prins, gelukkiger dan een koning. Zijn oogen waren zoo helder, zijn gezicht als zonneschijn. Hij hield zijn moeder in de armen; zij drukte hem een kus op den mond en weende zoo gelukkig, als men slechts van blijdschap kan weenen; en hij knikte ieder oud meubel in de kamer toe, de kast met de theekopjes en de bloemvaas; hij knikte de krib toe, waarin hij als kleine jongen geslapen had; maar hij haalde de oude alarmtrom te voorschijn, zette haar midden in de kamer neer en zei tegen zijn moeder:

«Vader zou vandaag een roffel geslagen hebben. Dat moet ik nu doen!»

En hij sloeg een duchtigen roffel op de trommel, en deze gevoelde zich daardoor zoozeer vereerd, dat zij haar eigen trommelvel scheurde.

«Hij heeft een heerlijken vuistslag!» zei de trommel. «Nu heb ik van hem voor altijd een herinnering! Ik denk wel, dat zijn moeder ook van blijdschap over haar gouden schat zal barsten.» Dat is de geschiedenis van den gouden schat.




De droom van den ouden eik


In het bosch, hoog op den steilen oever, vlak bij de zeekust, stond een heel oude eik. Hij was driehonderd vijf-en-zestig jaren oud; maar die lange tijd was voor den boom niet meer dan even zoo vele dagen voor ons menschen zijn. Wij waken overdag, slapen ’s nachts, en hebben dan onze droomen; met den boom gaat het anders; hij is drie jaargetijden achtereen wakker, eerst tegen den winter komt zijn slaap. De winter is zijn rusttijd, is zijn nacht na den langen dag, die lente, zomer en herfst heet.

Op menigen warmen zomerdag had het haft, dat kleine schepseltje, om zijn kroon heengedanst, geleefd, gezweefd en zich gelukkig gevoeld, en rustte een oogenblik in stille gelukzaligheid op een der groote, frissche eikeblaren uit; dan zei de boom altijd: «Arme kleine! Slechts een enkelen dag duurt uw geheele leven! Wat is dat kort! Het is toch treurig!»

«Treurig?—Wat bedoelt ge daarmee?» vroeg het haft dan altijd. «Om mij heen is het immers zoo helder, zoo warm en zoo schoon; dat maakt mij vroolijk!»

«Maar slechts één dag,—dan is alles uit!»

«Uit!» herhaalde het haft. «Wat is uit? Zijt gij ook uit?»

«Neen, ik leef misschien duizenden van uw dagen, en mijn dag duurt geheele jaargetijden! Dat is zoo iets langs, dat ge het niet eens kunt uitrekenen!»

«Neen, dan begrijp ik u niet! Gij hebt duizenden van mijn dagen; maar ik heb duizenden van oogenblikken, waarin ik vroolijk en gelukkig kan zijn! Houdt dan al de heerlijkheid dezer wereld op, als ge sterft?»

«Neen,» zei de boom, «die duurt zeker veel langer, oneindig langer dan ik mij kan voorstellen.»

«Maar dan hebben wij immers precies even veel: wij rekenen alleen maar anders!»

Het haft danste en zweefde in de lucht, verheugde zich in zijn kunstige vlerkjes, in hun gaas en fluweel, verheugde zich in de warme lucht, die bezwangerd was met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de vlier en de kamperfoelie, van het muskusplantje en de kroezemunt; de geur was zoo sterk, dat het haft er bijna door bedwelmd werd. De dag was lang en schoon, vol vreugde en genot, en als de zon ten ondergang neeg, gevoelde het haft zich altijd vermoeid van dat vroolijke zweven. De vlerkjes wilden het lichaampje niet meer dragen, en zachtjes en langzaam streek het neer op den zachten, golvenden grashalm, knikte met het kopje en sliep zacht en welgemoed in,—het was de dood.

«Arm, klein haft!» zei de eik, «dat was toch een al te kort leven.»

En op iederen zomerdag werd dezelfde dans, dezelfde toespraak, hetzelfde antwoord en hetzelfde inslapen herhaald; het werd herhaald door geheele geslachten van haften, en allen gevoelden zich gelukkig en even vroolijk.

De eik stond daar wakend op zijn lentemorgen, zijn zomermiddag en zijn herfstavond; met rasse schreden naderde zijn rusttijd, zijn nacht. De winter was ophanden.

Reeds zongen de stormen hun «Goeden nacht! Goeden nacht!» Hier viel een blad, daar viel een blad. «Wij rukken en schudden! Ga slapen, ga slapen! Wij zingen u in slaap, wij wiegen u in slaap, maar, niet waar, dat doet goed in de oude takken? Zij kraken daarbij van louter plezier! Slaap zacht, slaap zacht! Het is uw driehonderd en vijf-en-zestigste nacht; eigenlijk zijt ge toch maar een kijk-in-de-wereld! Slaap zacht! De wolk strooit sneeuw naar beneden, zij geeft een dek, dat zich warm over uw voet uitspreidt! Slaap zacht,—en aangename droomen!»

De eik stond daar, van zijn bladeren beroofd, om ter ruste te gaan gedurende den geheelen langen winter en menigen droom te droomen, altijd iets, wat hij zelf beleefd had, evenals het in de droomen der menschen gaat.

De groote boom was ook klein, ja, een eikel was eenmaal zijn wieg geweest; naar menschelijke berekening was hij nu al in zijn vierde eeuw; hij was de grootste en beste boom uit het bosch, met zijn kroon stak hij ver boven al de andere boomen uit, werd uit zee op een verren afstand gezien, en diende den zeelieden tot een baken; hij had er geen vermoeden van, dat zoovele oogen hem zochten. Hoog boven in zijn groene kroon bouwde de boschduif haar nest, en de koekoek deed zijn geroep daaruit hooren, en in den herfst, wanneer de bladeren er uitzagen, alsof zij geplette koperen plaatjes waren, kwamen de trekvogels en rustten daar, voordat zij over de zee wegvlogen; maar thans was het winter, de boom stond daar ontbladerd, en nu kon men goed zien, hoe krom en gebogen de takken van den stam uitliepen. Kraaien en raven kwamen aanvliegen en zetten er zich bij afwisseling op neer en spraken over de slechte tijden, die nu begonnen, en dat het in den winter heel moeilijk viel, voedsel te vinden.

Het was omstreeks het heilige Kerstfeest; toen droomde de boom zijn schoonsten droom.

De boom had blijkbaar een gevoel van den feestelijken tijd; het was hem, als hoorde hij de klokken van alle kerken in den omtrek luiden, en daarbij scheen het hem tevens een heerlijke zomerdag te zijn, zacht en warm. Frisch en groen spreidde hij zijn forsche kroon uit, de zonnestralen speelden tusschen bladeren en takken, de lucht was vervuld met den geur van kruiden en bloemen; bonte kapellen vlogen elkaar achterna; de haften dansten, alsof alles alleen daarom bestond, opdat zij zouden kunnen dansen en pret maken. Alles, wat de boom jaren achtereen beleefd had en wat er om hem heen gebeurd was, trok voorbij hem heen als in een plechtigen optocht. Hij zag de ridders en de edele vrouwen uit oude tijden te paard, met golvende vederbossen op den hoed en een valk op de hand, door het bosch rijden; de jachthoorn weerklonk en de honden blaften; hij zag vijandelijke krijgslieden in bonte kleeren met blanke wapenen, met spies en hellebaard, tenten opslaan en weer afbreken; het wachtvuur vlamde, en men zong en sliep onder de takken van den boom; hij zag minnende paren elkaar in stil geluk bij zijn stam in den maneschijn ontmoeten en hun namen, de beginletters, in den grauwachtig groenen bast snijden. Citers en harpen waren eenmaal,—ja, er lagen vele jaren tusschen beide,—door reizende vroolijke klanten aan de takken van den eik opgehangen, nu hingen zij daar weer, nu klonken zij weer met wonderbare tonen. De boschduiven kirden, als wilden zij vertellen, wat de boom daarbij gevoelde, en de koekoek riep hem toe, hoeveel zomerdagen hij nog te leven had.








Toen was het hem, als stroomde hem een nieuw leven tot diep in de kleinste wortelen en tot in de hoogste takjes, ja, tot in de bladeren. De boom gevoelde, dat hij zich daarbij uitrekte, ja, hij gevoelde het door middel van den wortel, hoe er ook onder in den grond leven en warmte was; hij voelde zijn kracht toenemen, hij wies al hooger en hooger, de stam schoot omhoog, er was geen stilstand, hij groeide gedurig meer en meer, de kroon werd voller, spreidde zich uit, verhief zich,—en al naardat de boom groeide, steeg zijn geluk, zijn zaligend verlangen om gedurig hooger te reiken, zelfs tot aan de schitterende, warme zon.

Reeds was hij hoog boven de wolken opgeschoten, die als donkere scharen van trekvogels of groote, witte zwanen onder hem voorttrokken.

Ieder blad van den boom had de gave des gezichts, als had het oogen om te zien; de sterren werden op den helderen dag zichtbaar, groot en fonkelend, elke daarvan fonkelde als een paar oogen, liefelijk en helder. Zij riepen hem bekende, vriendelijke oogen, oogen van kinderen, oogen van minnende paren, als deze elkaar onder den boom ontmoetten, in het geheugen terug.

Het was een verwonderlijk zalig oogenblik, zoo vol vreugde en blijdschap! En toch gevoelde de boom te midden van deze vreugde een verlangen, een onweerstaanbaar verlangen, dat alle andere boomen van het bosch daarbeneden, alle struiken, alle kruiden en bloemen zich ook met hem mochten kunnen verheffen, opdat ook zij dezen glans zouden kunnen zien, deze vreugde smaken. De groote majestueuze eik was in zijn heerlijkheid niet volkomen gelukkig, zonder hen allen, groot en klein, bij zich te hebben, en dit gevoel trilde door alle takken, alle bladeren, innig en krachtig als door een menschelijke borst.

De kroon van den boom wiegelde zich heen en weer, als zocht zij in dringend verlangen; zij staarde achterwaarts. Nu rook de boom den geur van het muskusplantje en al spoedig den nog sterkeren geur van de kamperfoelie en de viooltjes; het was hem als hoorde hij den koekoek hem antwoord geven.

Ja, door de wolken kwamen de groene toppen van het bosch te voorschijn, en onder zich zag de eik de andere boomen, hoe zij groeiden en zich verhieven. Struiken en kruiden schoten hoog op, enkele rukten zich met den wortel los en vlogen nog sneller naar boven. De berk was het vlugst; aan een witten bliksemstraal gelijk, schoot zijn slanke stam al zigzagsgewijze in de hoogte, de takken golfden als groen gaas om hem heen; al de gewassen uit het bosch, zelfs het bruingepluimde riet, groeiden mee, en de vogels volgden en zongen, en op den halm, die als een lang, groen zijden lint in de lucht fladderde, zat de sprinkhaan en speelde met den vleugel langs zijn scheenbeen; de meikevers bromden en gonsden, iedere vogel zong, zooals hij gebekt was; alles was zang en geklank en vreugde tot in den hemel.

«Maar dat kleine, blauwe bloempje bij het water, waar blijft dat?» riep de oude eik, «en het roode klokje en het madeliefje?»—Ja, de oude eik wilde ze alle om zich heen hebben.

«Wij zijn er! Wij zijn er!» zong en klonk het.

«Maar het mooie muskusplantje van den vorigen zomer,—en in het vorige jaar was hier toch een menigte meibloempjes!—de wilde-appelboom, die zoo mooi bloeide!—en al die pracht van het bosch, jaar in jaar uit!—leefde het nu maar, was het nu maar geboren, dan zou het er ook bij hebben kunnen zijn!»

«Wij zijn er bij! Wij zijn er!» zong en klonk het nog hooger; het was, alsof zij vooraangevlogen waren.

«O, dat is al te schoon, ongelooflijk schoon!» jubelde de oude eik. «Ik heb ze allemaal! Klein en groot! Niet een is er vergeten! Hoe is toch al die gelukzaligheid denkbaar! Hoe is zij mogelijk!»

«In den hemel van den eeuwigen God is zij mogelijk en denkbaar!» klonk het door de lucht.

De oude boom, die aldoor voortgroeide, gevoelde het, hoe zijn wortel zich uit den grond losrukte.

«Dat gaat goed zoo, dat is het allerbeste!» zei de boom; «nu houden mij geen banden meer terug! Ik kan nu opvliegen naar het allerhoogste licht en den allerhoogsten glans! En al mijn lieven zijn bij mij! Kleinen en grooten! Allen!»

Dat was de droom van den ouden eik; en terwijl hij zoo droomde, bruiste er een geweldige storm over land en zee heen,—op het heilige Kerstfeest. De zee stuwde haar golven tegen de kust aan; het kraakte in den boom,—hij werd met den wortel op den grond geworpen juist op het oogenblik, waarop hij droomde, dat zijn wortelen zich van de aarde losrukten.—Hij viel. Zijn driehonderd vijf-en-zestig jaren waren nu als één dag van het haft.

Op den morgen van den eersten Kerstdag, toen de zon opging, was de storm gaan liggen. Van alle kerktorens klonk feestelijk klokgelui, en uit iederen schoorsteen, zelfs uit den kleinste der nederigste hut, steeg de rook in blauwe wolken omhoog, evenals van het altaar de rook van het dankoffer bij het feest der Druïden. De zee kwam allengs tot bedaren, en aan boord van een groot schip, dat gedurende den nacht met het stormachtige weder gekampt en dit gelukkig doorgestaan had, werden nu alle vlaggen, als teeken der Kerstvreugde, geheschen.

«De boom is weg, de oude eik, ons baken op de kust!» spraken de zeelieden. «Hij is in dezen stormachtigen nacht gevallen! Wie zal hem kunnen vervangen?—Niemand vermag dit!»

Zulk een lijkrede, kort maar welgemeend, kreeg de boom, die op het sneeuwdek aan den oever der zee uitgestrekt lag; en over hem heen klonken de psalmtonen van het schip af, een lied van de Kerstvreugde en van de uiting der menschelijke gedachten bij het aanschouwen van de bestiering van den Albarmhartige:

		«Zingt luid ten hemel, laat klinken uw tonen!
		Het is vervuld: uw vorst zal ’t loonen!
		Juicht vroolijk over Gods genâ,
		Halleluja, Halleluja!»

zoo klonk het oude gezang, en iedereen aan boord van het schip gevoelde zich op zijn wijze opgeheven door het lied en het gebed, evenals de oude eik zich opgeheven gevoelde in zijn laatsten, schoonsten droom in den Kerstnacht.




Zij deugde niet


De burgemeester stond voor zijn open raam; hij was in zijn overhemd met manchetten en droeg een keurige doekspeld; hij was zeer glad geschoren, hetgeen hij zelf gedaan had, en toch had hij zich een klein sneetje toegebracht, maar daarop kleefde een stukje krant.








«Hoor eens, kleine!» riep hij.

En deze kleine was geen ander dan de zoon der arme waschvrouw, die juist het huis voorbijliep en zijn pet eerbiedig afnam; de klep daarvan was in het midden gebroken; de pet was er geheel op ingericht om in elkaar gerold en in den zak gestoken te worden. In zijn armoedige, maar zindelijke kleeren, met zware klompen aan de voeten, stond de knaap daar eerbiedig, alsof hij tegenover den koning zelf stond.

«Je bent een beste jongen,» zei de burgemeester. «Je bent een beleefde knaap. Je moeder is zeker in de rivier aan het wasschen; daar moet je stellig heen brengen, wat je in den zak hebt zitten. Wat zit er in?»

«Een half pintje,» zei de knaap op een fluisterenden toon.

«En van morgen heeft zij evenveel gekregen,» vervolgde de burgemeester.

«Neen, dat was gisteren!» antwoordde de knaap.

«Twee halve maken één heel!—Zij deugt niet! Het is treurig met zulk soort van menschen!—Zeg tegen je moeder, dat zij zich moest schamen! En word jij maar geen dronkaard; maar dat zal je wel worden! Arm kind! Ga maar heen!»

En de knaap ging verder; zijn pet bleef hij in de hand houden, en de wind speelde met zijn blonde lokken. Hij sloeg den hoek der straat om en kwam in het straatje, dat naar de rivier liep, waar zijn moeder druk met wasschen bezig was. Het water stroomde sterk, want de sluizen van den molen waren opengezet; het beddelaken dreef met den stroom mee. De waschvrouw had werk om het vast te houden.

«Het had niet veel gescheeld, of ik was zelf met den stroom meegesleept!» zeide zij. «Het is goed, dat je komt, want ik heb wel een hartsterking noodig! Zes uren sta ik hier al. Heb je wat voor mij?»

De knaap haalde de flesch te voorschijn, en zijn moeder zette haar aan den mond en nam er een fermen slok uit.

«Dat doet goed! Dat verwarmt! Dat is even goed als warm eten, en niet zoo duur! Drink ook eens, beste jongen! Je ziet er geducht bleek uit; je hebt het zeker koud in je dunne kleeren! Het is dan ook herfst. Foei! wat is het water koud! Als ik maar niet ziek word! Maar dat zal ik wel niet! Geef mij nog een slok en drink ook eens, maar slechts een klein slokje, want je moogt er niet aan wennen, mijn arme, goede jongen!»

En zij ging naar haar zoontje toe, terwijl het water haar uit de kleeren droop.

«Ik sta mij hier af te beulen; maar ik doe het graag, als ik je er maar eerlijk en rechtschapen doorheen breng, mijn beste jongen!»

Op dit oogenblik kwam er een oude vrouw aan, die er zeer armoedig uitzag; zij was aan haar eene been lam en droeg een lange, valsche lok over haar eene blinde oog: het oog moest door die lok bedekt worden, maar zij deed eigenlijk het gebrek nog meer uitkomen. Het was een vriendin van de waschvrouw; «de lamme Martha met de lok,» noemden de buren haar.

«Wat ben je daar weer in dat koude water aan het wasschen! Je hebt waarlijk wel noodig, dat je je een weinig verwarmt, en toch maken de booze tongen heel wat ophef van de slokjes, die je drinkt!»—En nu duurde het maar weinige oogenblikken, of al de woorden van den burgemeester waren aan de waschvrouw overgebracht; want Martha had alles gehoord, en zij had er zich over geërgerd, dat hij op zulk een wijze tegen het kind over diens eigen moeder en over de weinige droppeltjes sprak, die zij gebruikte, en wel omdat het juist op een dag gebeurde, waarop de burgemeester een groot gastmaal gaf, waarbij de wijn bij stroomen vloeide. «Fijne wijnen en koppige wijnen!» voegde zij er bij. «Maar dat noemt men geen drinken! Zij deugen wel, maar jij deugt niet!»




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/gans-hristian-andersen/andersens-sproken-en-vertellingen/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


