De Roode Pimpernel
Emma Orczy




Baroness Orczy

De Roode Pimpernel





EERSTE HOOFDSTUK.

Parijs: September 1792


Een deinende, ziedende, rumoerige menschenzee; menschen alleen in naam, want voor onze gezichts- en gehoororganen schijnen zij niets anders dan een wilde horde, opgezweept door lage hartstochten; wraakzucht en haat. De tijd: kort vóór zonsondergang; de plaats: een Westelijke Barricade.

Gedurende het grootste gedeelte van den dag had de guillotine haren vreeselijken arbeid verricht: alles, waarop Frankrijk in vervlogen eeuwen prat ging, historische namen, hooge adel, had den cijns betaald aan haar begeerte naar vrijheid en broederschap. Men had op dit gevorderd uur van den dag de slachting alleen gestaakt, omdat er vóór het tijdstip van de nachtsluiting der poorten van Parijs, meer belangrijke vertooningen voor het volk waren weggelegd.

Daarom haastte zich de menigte om de Place de la Grève te verlaten en zich naar de verschillende barricaden te begeven, ten einde van dat belangwekkend en vermakelijk schouwspel getuige te zijn.

Men kon er iederen dag van genieten, want die aristokraten waren zulke idioten! Ze plachten hun vaderland te verraden, ze wilden het prijs geven aan zijn vijanden, en daarom waren ze natuurlijk verraders van het volk, zij met hen allen, mannen, vrouwen en kinderen, die, als zijn oude adel, Frankrijks glorie hadden uitgemaakt. Hun voorzaten hadden het volk verdrukt, vertreden onder de hakken van hun elegant schoeisel, maar nu was het volk heer en meester van Frankrijk en verpletterde zijn vroegere tirannen—niet onder zijn hakken, want het meerendeel had geen schoenen in die dagen—neen, het volk vertrapte zijn verdrukkers onder een meer effect sorteerend gewicht: het scherp snijdend mes der guillotine.

En dagelijks, van uur tot uur, eischte het afschuwelijk werktuig zijn talrijke slachtoffers: grijsaards, jeugdige vrouwen en kleine kinderen, terwijl in het verschiet de dag gloorde, waarop het onverzadelijk monster het hoofd zou vorderen van een Koning en van een schoone jonge Koningin.

De aristokraten trachtten zich schuil te houden en te vluchten: daarin juist lag het grappige van de heele geschiedenis. Iederen namiddag vóór het sluiten der poorten, waarop de marktwagens in rijen de verschillende barricaden voorbij trokken, beproefde een dwaze aristokraat de waakzaamheid van het Comité der Openbare Veiligheid te verschalken. Onder verschillende vermommingen trachtten zij door de cordons te sluipen, die door burgersoldaten der Republiek zoo streng werden bewaakt. Mannen in vrouwengewaad, vrouwen in manskleeren, kinderen vermomd als bedelaars, ze waren allen adellijken, die Frankrijk wilden ontvluchten en naar Engeland of eenig ander land een heenkomen zochten, om daar de bewoners op te hitsen tegen de roemrijke revolutie, of wel er een leger te recruteeren, dat de rampzalige gevangenen van den Tempel, die eenmaal Frankrijks heerschers waren, zou bevrijden.

Maar doorgaans werden ze bij de barricaden gesnapt. Sergeant Bibot vooral, die bij de Westerpoort de wacht commandeerde, bezat een verwonderlijk neusorgaan om van een aristokraat, al ware deze ook nog zoo vermomd, terstond de lucht te krijgen. Dan hadt je natuurlijk de poppen aan het dansen, soms een kwartier lang. Bibot had de gewoonte met zijn prooi te spelen als de kat met de muis.

Ja! Bibot had er een handje van de zaken van hun humoristischen kant te beschouwen, en het loonde de moeite wel in de buurt te blijven van die Westerbarricade, om eens te zien, hoe hij een aristokraat betrapte op heeter daad, bij een poging om aan de wraak van het volk te ontkomen.

Nu en dan placht Bibot zijn slachtoffer werkelijk uit de poort te laten, den adellijken heer, voor een paar minuten althans, het genoeglijk bewustzijn gunnend, dat hij inderdaad uit Parijs was ontsnapt. Maar als de rampzalige tien meters nagenoeg in het open veld had afgelegd, zond hij hem twee man achterna, die hem terugbrachten, ontdaan van zijn vermomming.

Zeker! dat was uiterst grappig, want dikwijls ontpopte zich de vluchteling in een vrouw, liefst een markiezin, die vreeselijk komiek deed, als zij begreep, in de klauwen van Bibot te zijn verzeild, met de wetenschap dat Mevrouw Guillotine des anderen daags haar wachtte.

Geen wonder dus dat op dezen fraaien achtermiddag in September de schare nabij Bibot’s barricade in opgewonden toestand verkeerde. Zij had dien dag een honderdtal adellijke hoofden onder het slachtmes zien vallen, zij wenschte zich te vergewissen, of er daags daarna weer honderd in de zandmand zouden terecht komen.

Bibot zat op een omgekeerd leeg vat, dicht bij de poort der barricade; een klein detachement burgersoldaten stond onder zijn bevelen. Er was in den laatsten tijd heel wat te doen geweest. De aristokraten hadden het onmogelijke gedaan, om uit Parijs weg te komen. Iederen dag had Bibot de voldoening gesmaakt een of anderen vluchtenden koningsgezinde te ontmaskeren en dezen ter vonnissing op te zenden naar het Comité der Openbare Veiligheid.

Robespierre en Danton hadden beiden Bibot lof toegezwaaid voor zijn activiteit, en Bibot koesterde een hoogen dunk van zichzelf, dat door zijn toedoen minstens vijftig aristokraten met de guillotine hadden kennis gemaakt.

Maar vandaag hadden alle sergeants, die de wacht hadden bij de verschillende barricades, speciale orders ontvangen. Sedert een paar dagen was het een groot aantal royalisten gelukt uit Frankrijk te geraken en veilig in Engeland te landen. Zonderlinge geruchten liepen er aangaande deze feiten; ze waren dikwijls voorgekomen en stoutmoedig uitgevoerd; groote opgewondenheid hadden ze veroorzaakt onder het volk. Sergeant Grospierre had het schavot moeten beklimmen, omdat hij langs zijn neus weg een heele familie koningsgezinden uit de Noorderpoort had laten ontsnappen.

Men meende te weten, dat die uittochten waren geslaagd door Engelschen, wier moed ongeëvenaard scheen, en die uit louter bemoeizucht met iets, wat hen niet aanging, hun vrijen tijd besteedden om de guillotine van haar slachtoffers te berooven. Deze geruchten namen weldra buitensporige vormen aan; geen twijfel of de bemoeizieke Britten bestonden niet in de verbeelding, bovendien schenen ze als aanvoerder te hebben een man, wiens kranige heldenmoed aan het fabelachtige grensde. Zonderlinge praatjes deden de ronde n.l. hoe hij en de aristokraten, die hij bevrijdde, plotseling onzichtbaar werden, als ze de barricaden naderden en door niets minder dan bovennatuurlijke macht ontsnapten aan de waakzaamheid der ééne en ondeelbare Republiek.

Niemand had ooit deze geheimzinnige vreemdelingen gezien; als er sprake was van hun leider, sidderde het volk als voor een bovenaardsch wezen. Het gebeurde nu en dan, dat burger Foucquier-Tinville, voorzitter van het Comité der Openbare Veiligheid, in den loop van den dag een reepje papier ontving uit een geheimzinnigen bron; bijwijlen vond hij het in zijn jaszak, dan weer overhandigde iemand het hem op straat, terwijl hij zich naar de vergadering van het Comité begaf. Dat papier bevatte steeds de korte mededeeling, dat de troep bemoeizieke Engelschen aan het werk was en droeg bij wijze van handteekening altijd een stervormig bloempje, in Engeland „Roode Pimpernel” genaamd. Voordat een paar uren na ontvangst van het kattebelletje verloopen waren, vernam het Comité der Openbare Veiligheid, dat zooveel en zooveel koningsgezinden en aristokraten erin geslaagd waren het zeestrand te bereiken en veilig op weg naar Groot-Brittannië waren.

Het Comité zond spionnen in alle richtingen, zelfs naar Engeland, om te ontdekken, wie de vluchtelingen waren en waar zij zich bevonden. Men had de wachten aan de poorten verdubbeld, de bevelvoerende sergeants met den dood gedreigd, terwijl ruime belooningen voor de aanhouding dezer Engelschen werden uitgeloofd. Wien het gelukte de hand te leggen op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, zou vijfduizend franken ontvangen.

Een ieder verwachtte, dat Bibot de gelukkige prijswinner zou zijn. Derhalve kwam het volk hem dag aan dag gadeslaan aan de Westerpoort, ten einde getuige te zijn van het feit, dat hij den geheimzinnigen Engelschman knipte.

„Bah!” zei hij tot zijn korporaal, „burger Grospierre was een dwaas! Was ik de vorige week maar aan de Noorderpoort geweest…”

Burger Bibot spuwde op den grond, als om zijn verachting te kennen te geven over de uilachtigheid van zijn kameraad.

„Hoe is het gebeurd, burger?” vroeg de korporaal.

„Grospierre was aan de poort en hield goed wacht,” begon Bibot op gewichtigen toon, toen de menigte een weinig om hem heendrong en met ongeduldig verlangen luisterde naar zijn relaas. „We hebben allen gehoord van dien Rooien Pimpernel. Door mijn poort zal hij niet sluipen, al was-ie de duivel in persoon. Maar Grospierre was een malloot. De marktkarren gingen door de poorten; een ervan was geladen met fusten en werd gemend door een oud man met een jongen naast zich. Grospierre was een beetje aangeschoten, maar zag zich zelf voor een heelen bolleboos aan; hij keek in de vaten—althans in de meeste—zag, dat ze leeg waren en liet de kar passeeren.—Een half uur later komt de kapitein van de wacht opdagen met een piket van twaalf man. „„Is er een kar gepasseerd met fusten?”” vraagt hij Grospierre buiten adem. „„Ja,”” antwoordt-ie, „„nog geen halfuur geleden.”” „„En je hebt die laten passeeren!”” schreeuwt de kapitein woedend. „„Je zult hiervoor op ’t schavot je hoofd moeten neerleggen, burger sergeant! Op die kar had de hertog de Chalis zich verborgen met zijn heele familie!””

„„Wat zeg je, burger kapitein!”” roept Grospierre verbluft. „„Ja zeker!”” zegt de kapitein, „„en de voerman was niemand anders dan die vervloekte Engelschman, de Rooie Pimpernel!””

Met ongeveinsde uitroepen van hoon en verachting werd dit verhaal ontvangen. „Burger Grospierre had zijn fout geboet op de guillotine, maar wat een dwaas!”

Bibot lachte zoozeer om zijn eigen vertelling, dat er een poosje verliep, voordat hij kon vervolgen.

„„„Zet ze achterna, jongens!”” schreeuwt de kapitein, „„denkt aan de belooning; voorwaarts! ze kunnen nog niet heel ver zijn!”” Dit zeggende snelt hij door de poort en het dozijn soldaten achter hem aan.”

„Maar het was te laat!” riep de menigte.

„Ze hebben ze ook nooit gesnapt,” zei Bibot.

„Vervloekt die Grospierre!”

„Denk eens, die vaten niet behoorlijk onderzocht!” vulde Bibot aan.

Maar deze snedige uitroepen schenen burger Bibot bijzonder te amuseeren; hij lachte, totdat de tranen hem langs de wangen biggelden.

„Neen, neen!” zei hij ten laatste, „de aristokraten waren niet in de kar, de voerman was niet de Rooie Pimpernel!”

„Wat?”

„Neen! De vervloekte Engelschman was de kapitein van de wacht, aldus vermomd, en ieder van diens soldaten was een aristocraat!”

Ditmaal sprak niemand uit het volk; de geschiedenis kwam hun bepaald bovennatuurlijk voor. Voorwaar die Engelschman was zeker de duivel in persoon.

De zon daalde ter kimme. Bibot maakte zich gereed om de poorten te sluiten.

„De karren vooruit!” beval hij.

Een twaalftal overdekte wagens schikten zich in een rij, gereed om de stad te verlaten. Bibot kende ze meest alle, daar ze tweemaal daags de poort in- en uitreden. Hij sprak met een of twee der voerlieden—meest vrouwen—en gaf zich bijzondere moeite het binnenste der wagens te onderzoeken.

„Men kan nooit weten,” placht hij te zeggen, „en ik heb weinig lust mijn hoofd te verliezen, zooals die gek van een Grospierre.”

De vrouwen, die de wagens menden, brachten gewoonlijk den dag door op de Place de la Grève in de nabijheid der guillotine, met breiwerk en gesnap, terwijl ze de reeks karren afwachtten, met slachtoffers voor de guillotine beladen. Het was een groote aardigheid, de aristokraten te zien aankomen; de plaatsen dicht bij het schavot waren dan ook zeer in trek. Gedurende den dag had Bibot de wacht gehouden op het Plein. Hij kende de meeste der oude wijven, die daar zaten te breien, terwijl hoofd na hoofd viel onder het mes en zij zelven geheel en al bespat werden met het bloed dezer verwenschte aristokraten.

„Hola moeder!” riep Bibot een dezer vreeselijke heksen toe, „wat heb je daar voor moois?”

Hij had haar op een vroeger uur van den dag gezien, met haar breiwerk en zweep naast zich. Ditmaal had ze een bos gekrulde lokken, in alle kleuren van goud tot zilver, blond en zwart, aan het handvatsel der zweep gebonden, en streelde die met haar magere vingers, terwijl ze Bibot toelachte.

„Ik heb met mevrouw Guillotine’s uitverkorene vriendschap gesloten,” zei ze met een schorren lach, „hij sneed ze voor me van de hoofden af, toen die neervielen in de mand. Hij… heeft me ’r voor morgen nog meer beloofd, maar ik weet niet, of ik dan op mijn gewoon plaatsje zal zitten.”

„Waarom niet, moeder?” vroeg Bibot, die onwillekeurig een rilling voelde langs zijn rug.

„M’n kleinzoon heeft de pokken gekregen,” zei ze met den duim harer rechterhand wijzend in de richting van haar kar, „er zijn lui, die zeggen, dat ’t de pest is. Als dat waar is, mag ik morgen Parijs niet binnenkomen.”

Bij het allereerste woord „pokken” was Bibot terstond eenige stappen achteruit getreden, maar toen het oudje van „pest” begon te spreken, maakte hij zich ijlings uit de voeten.

„De drommel hale je!” bromde hij, onderwijl de menigte zich haastig van den wagen verwijderde en dien heel alleen staan liet in het midden van het plein.

„De duivel hale jou, burger lafaard die je bent!” riep het wijf Bibot achterna. „Bah! wat een man… om voor ziekte bang te zijn!”

Allen zwegen door schrik bevangen, bij het vernemen van de walgelijke pest.

„Maak dat je weg komt met je heele besmette Santekraam!” bulderde Bibot.

De oude heks zette haar mageren knol aan met een tikje van de zweep en bracht haar kar buiten de poort.

Dit voorval had aan de genoegens van den namiddag veel afbreuk gedaan. De schrik zat er bij de menigte in. Ze drentelde langs de barricaden, in somber stilzwijgen voor een poos, terwijl men elkaar argwanend aankeek en instinctmatig elkaar meed. Daar kwam, evenals in het geval met Grospierre, plotseling een kapitein van de wacht opdagen. Maar Bibot kende hem, er bestond dus geen vrees, dat hij een verkapte sluwe Engelschman kon zijn.

„Een kar…!” schreeuwde hij buiten adem, nog vóór hij de poort had bereikt.

„Welke kar?” vroeg Bibot norsch.

„Gemend door een ouwe heks… een huifkar…”

„Er waren er wel twaalf…”

„Een ouwe heks, die zei, dat haar zoon de pest had!”

„Jawel…”

„Je hebt ze toch niet laten gaan?”

„Sakkerloot!” zei Bibot, wiens purperroode wangen plotseling wit werden van schrik.

„Die kar hield in de voormalige Gravin de Tournay met haar twee kinderen, allen verraders en ter dood veroordeeld.”

„En de voerman?” mompelde Bibot, terwijl hem een koude rilling langs den rug liep.

„Alle duivels!” zei de kapitein, „het was de Rooie Pimpernel in levenden lijve!”




TWEEDE HOOFDSTUK.

Dover: „Visscherswelvaren.”


In de keuken van de herberg waren twee jonge meisjes druk in de weer; ze bliezen en hijgden van hitte en opwinding en giegelden over enkele van haar eigen grappen telkens als Miss Sally haar een oogenblik den rug had toegekeerd. En de oude, zwaarlijvige, vadzige Jemima bromde, onderwijl ze heel methodisch bezig was de soep te roeren, die boven het vuur hing.

„Aannemen! Sally!” klonk het op vroolijken, zoo al niet melodieuzen toon uit de aangrenzende gelagkamer.

„Gossimijne!” riep Sally goedlachs, „wat moeten ze nu van me hebben!”

„Bier, natuurlijk,” mopperde Jemima, „je zult toch niet denken, dat Jimmy Pitkin het bij één glaasje laten zal?”

„Ja, en meneer Harry zag er ook zoo dorstig uit,” meesmuilde Martha, een der kleine keukenmeisjes, terwijl ze knipte met haar zwarte oogen, telkens als deze de kijkers ontmoetten van haar kameraad.

Sally keek een oogenblik boos en poseerde in gedachten met haar handen in de zij; haar vuisten jeukten wel wat, blijkbaar om in aanraking te komen met Martha’s rozige wangen, maar daar zij een zachtmoedigen aard had, wijdde ze haar aandacht aan de gebakken aardappelen in de pan.

„Aannemen, Sally! hola Sally!”

Deze uitroepen gingen gepaard met een begeleiding van tinnen kannen, waarmede de eikenhouten tafels der gelagkamer werden bewerkt.

„Sally!” schreeuwde dezelfde stem, „moet het bier soms nog gebrouwen worden?”

„Ik geloof, dat vader hen wel zal bedienen,” mompelde Sally, toen Jemima een aantal kroezen begon te vullen met ale, een eigen brouwsel, waarvoor het kapelletje „Visscherswelvaren” sedert de dagen van Koning Karel beroemd was geweest. „Vader weet toch, hoe volhandig we het hier hebben.”

„Je vader maakt zich veel te druk met over politiek te praten, in gezelschap van meneer Hempseed, dan dat hij zich zal bekommeren over jou en je keuken,” bromde Jemima binnensmonds.

Sally ging naar den kleinen spiegel, die in een hoek hing van de keuken, streek haastig het haar glad en schikte haar muts op zijn Zondags over haar donkere krullen; toen nam ze de bierglazen bij de ooren, drie in iedere sterke bruine hand en bracht ze lachend en blozend naar de gelagkamer.

Daar was zeker geen zweem van de herrie en bedrijvigheid, die de vier vrouwen in de warme keuken bezighield.

De gelagkamer van „Visscherswelvaren” is thans een vertrek, dat men als een curiositeit aan vreemdelingen laat zien. Een oud lokaal was het reeds in de achttiende eeuw, toen de Londensche diligence dagelijks van dáár vertrok. De eikenhouten zoldering en balken waren al zwart van ouderdom, evenals de stoelen met hun hooge ruggen en de lange geboende tafels, waarop tallooze tinnen kroezen phantastische figuren hadden achtergelaten. Vóór het vensterraam, waarvan de ruiten in lood waren gevat, stak een reeks potten met schitterend roode geraniums helder tegen den eikenhouten achtergrond af.

Dat meneer Jellyband, de kastelein van „Visscherswelvaren” te Dover, een welgesteld man was, wist iedereen. Het metaal op het fraai ouderwetsch buffet, het koper op den schoorsteenmantel blonk als zilver en goud—de vloer, met rooden zandsteen ingelegd, was even helder als de kleur der geraniums in het vensterkozijn.

De kamer, verlicht door twee blinkend gepoetste lampen, die van de balken zoldering afhingen, zag er bijzonder vroolijk en gezellig uit, en door de wolken van tabaksdamp waren de roode gezichten van Mr. Jellyband’s stamgasten plezierig om naar te kijken.

Toen Sally binnenkwam, lachend door haar fronsende blikken heen, terwijl ze een paarlenrij hagelwitte tanden liet zien, werd zij met uitbundig gejuich ontvangen.

„Kijk, daar hebben we Sally! Hallo, Sally! Hoera! leve de mooie Sally!”

„Ik dacht, dat je doof geworden waart in die keuken,” mompelde Jimmy Pitkin, met de palm van zijn hand langs zijn droge lippen strijkend.

„Komaan, zoo is het in orde!” lachte Sally, de opnieuw gevulde bierkannen op de tafel zettend, „dat was me een heele herrie, hoor!”

Het liep tegen het einde van September 1792; het weer, dat prachtig en warm was geweest gedurende de geheele maand, had plotseling een keer genomen, want twee regendagen hadden het zuiden van Engeland overstroomd. Op dit oogenblik kletterde het hemelwater tegen de in lood gevatte ruiten en vallende in den schoorsteen, deed de bui het vroolijk vuur sissen in den haard.

„Groote goedheid! Heb je ooit zoo’n weer gezien in September, Mr. Jellyband?” vroeg Mr. Hempseed.

Hij zat in een der stoelen, dicht bij den haard en keek met droevig gezicht door het vertrek naar de waterstroompjes, die langs de vensterruiten dropen.

„Neen,” antwoordde Mr. Jellyband, „dat ik weet… niet. En ik woon in deze streek toch al bijna zestig jaar.”

„Nu, in de eerste drie jaar van die zestig zult u er ook niet veel weet van gehad hebben, Mr. Jellyband,” bracht Mr. Hempseed kalmpjes in het midden, „ik herinner me ten minste niet, dat een kind ooit notitie nam van het weer, althans niet in dit district, waar ik al vijf-en-zeventig jaar mijn leven slijt, Mr. Jellyband.”

Het verpletterende van dit wijs betoog was zoo tastbaar, dat Mr. Jellyband voor het oogenblik in zijn gewone vaardigheid van argumenten te kort schoot.

„Het lijkt meer op April dan September, dunkt u niet?” vervolgde Mr. Hempseed mismoedig, toen dikke regendroppels sissend op het vuur vielen.

„Ja, het heeft er veel van, maar wat kunt u verwachten, Mr. Hempseed, van een regeering als wij hebben?”

„Ik verwacht niets, Mr. Jellyband.”

„Zeer juist, Mr. Hempseed,” hernam Jellyband, „daar ik zei: wat kunt u verwachten? Daar heb je nu… die Fransche duivels aan de overzij van het Kanaal, die hun Koning en adel vermoorden, terwijl Mr. Pitt, Mr. Fox en Mr. Burke elkaar in de haren zitten over de vraag, of wij Engelschen die kikvorscheneters in hun goddeloos bedrijf maar hun gang moeten laten gaan. „„Laat ze moorden!”” zegt Mr. Pitt.”

„„„Steek er een stokje voor!”” zegt Mr. Burke.”

„En ik zeg ook: laat ze moorden, maar geef ons niet zoo’n regen in September, want dat druischt in tegen alle wetten en tegen de Schrift, die zegt—”

„Hemel! Mr. Harry, wat laat je me dansen!”

Het was niet gelukkig voor Sally en haar behaagzucht, dat haar opmerking juist te berde gebracht werd op het oogenblik, dat Mr. Hempseed adem vergaarde om eenige bijbelteksten te pas te brengen, waarvoor hij befaamd was, want haar uitroep bracht de volle fiool van haars vaders toorn op haar aanvallig hoofd.

„Kom, kom, Sally, meisje, kom!” zei hij, zich geweld aandoende een frons te teekenen op zijn goedmoedig gezicht, „maak een einde aan de malligheden met die jonge melkmuilen en ga aan je werk.”

„Het werk gaat heel goed voort, vader.”

Maar Mr. Jellybands bevel was gestreng. Hij had heel andere plannen met zijn mooie dochter, zijn eenig kind, dan haar te zien trouwen met een van die jonge snuiters, die met hun vischnet slechts een onzeker bestaan konden leiden.

„Heb je me verstaan, meid?” herhaalde hij op zijn kalmen toon. „Zorg, dat je het souper van milord Thony klaar krijgt, want al kunnen wij niet, zooals we willen, we moeten willen, zooals we kunnen.”

Tegenstribbelend, met lijdelijk verzet, gehoorzaamde Sally.

„Wacht u vanavond dan speciale gasten, Mr. Jellyband?” vroeg Simmy Pitkin.

„Ja,” antwoordde Jellyband, „vrienden van milord Thony. Hertogen en hertoginnen van den overkant van het Kanaal, die door den lord en zijn vriend, Sir Andrew Foulkes en nog andere edellieden uit de klauwen van die moordzuchtige duivels zijn gered.”

„Hemelsche goedheid!” zei Mr. Hempseed, „waarom doen ze dat? Ik houd er niet van, me met eens anders zaken te bemoeien, zooals de Schrift zegt—”

„’t Is mogelijk, Mr. Hempseed,” viel Jellyband met bijtend sarkasme hem in de rede, „daar u een persoonlijk vriend zijt van Mr. Pitt, zegt u misschien ook: „Laat ze maar moorden!”

„Met uw verlof, Mr. Jellyband,” protesteerde flauwtjes Mr. Hempseed. „Ik ben me niet bewust, het ooit gezegd te hebben.”

Maar het was Mr. Jellyband eindelijk gelukt, zijn geliefkoosd stokpaardje, de politiek, te kunnen bestijgen.

„Ook is het mogelijk,” hernam de kastelein, „dat u vriendschap hebt aangeknoopt met sommigen van die Fransche snuiters, die, naar men zegt, hierheen zijn gekomen om ons Engelschen over te halen tot hun moordzuchtige manieren.”

„Ik weet niet, wat u zeggen wilt, Mr. Jellyband, al wat ik weet is—”

„Al wat ik weet,” zei de kastelein overluid, „is iets van mijn vriend Peppercorn uit „Het Blauwe Zwijnshoofd”, een waar en loyaal Engelschman, zooals er maar een zijn kan. Hij sloot vriendschap met sommigen van die kikkereters, alsof ze Engelschen waren en geen bende onzedelijke, godloochenende vreemdelingen. Nu, wat gebeurde er? Peppercorn praat nu van revolutie en vrijheid; hij roept: „weg met de aristokraten!” precies als meneer Hempseed!”

„Ik vraag verschoning, Mr. Jellyband,” bracht Mr. Hempseed weer flauwtjes in ’t midden, „ik herinner me niet, het ooit gedaan te hebben—”

Mr. Jellyband had zich in het algemeen beroepen op het gezelschap, dat met open mond had zitten luisteren naar het relaas van Mr. Peppercorn’s tekortkomingen. Aan één tafel hadden twee bezoekers—gentlemen, te oordeelen naar hun uiterlijk—hun half geëindigd dominospel terzijde geschoven en een tijdlang, blijkbaar met veel genoegen, Mr. Jellyband’s internationale zienswijze aangehoord. Een hunner, een man met een kalm sarkastisch glimlachje om de mondhoeken, keerde zich naar het midden der kamer, waar Mr. Jellyband stond.

„U schijnt te meenen, geachte vriend,” sprak hij kalm, „dat de Franschen almachtig knappe lui zijn, doordat ze de opinies van uw vriend Peppercorn totaal hebben gewijzigd. Hoe denkt u wel, dat ze dit hebben geleverd?”

„Gunst, meneer, ik onderstel, dat ze hem bepraat hebben. Die Franschmannetjes, ik heb het van hooren zeggen, bezitten de gave van het woord.”

„Dan willen we hopen, mijn waarde gastheer, dat die knappe spionnen er niet in mogen slagen u te belezen en uw hechte loyale gevoelens te verkrachten.”

Maar dit was te veel voor de gelijkmoedigheid van Mr. Jellyband. Hij barstte los in een homerische lachbui, die weerklank vond bij hen, die in het krijt stonden bij den kastelein.

„Hahaha! Hihihi! Hohoho!” hij lachte in iederen toon, totdat hij pijn in de zijden kreeg en zijn oogen overliepen. „Neen maar! Heb jelui het gehoord? Ze zoûen mij van meening doen veranderen! Maar, meneer, u zegt daar iets heel vreemds!”

„Welnu, Mr. Jellyband,” zei Mr. Hempseed, „u weet wat de Schrift zegt: „„Wie staat, zie toe, dat hij niet valle.””

„Maar, Mr. Hempseed,” hernam Mr. Jellyband, zijn zijden nog vasthoudend, „ik wil graag met een van die moordzuchtige Franschen een glas ale drinken en eens zien, of ze mij tot hun opinie kunnen overhalen. Ik heb gehoord, dat die kikkereters zelf geen woord Engelsch spreken. Als dus een hunner mij in hun taal aansprak, begreep ik terstond, waar ze heen wilden. Hun spreekwoord, meen ik, zegt: een gewaarschuwd mensch is een dubbel mensch.”

„Welnu dan, geachte vriend,” hernam de vreemdeling vroolijk, „ik zie, dat ge te zeer bij de pinken zijt en twintig Franschen staan kunt. Daarom drink ik op uw gezondheid, waarde gastheer, als u me de eer wilt aandoen deze flesch wijn met mij soldaat te maken.”

„Zeer beleefd van u, meneer,” zei Mr. Jellyband, „ik heb er niets tegen.”

De vreemdeling schonk een paar bierglazen vol wijn, en den gastheer er een aanbiedend, nam hij het andere.

„Loyale Engelschen als wij allen zijn,” zei hij, terwijl een guitige glimlach om de hoeken speelde zijner dunne lippen—„moeten wij aannemen, dat deze drank tenminste iets goeds is, dat wij uit Frankrijk krijgen.”

„Neen, niemand onzer zal dat tegenspreken, meneer,” bevestigde de kastelein.

„De gezondheid van den besten gastheer in Engeland, Mr. Jellyband,” zei de vreemdeling met luide stem.

„Hip, hip, hoera!” riep het geheele aanwezige gezelschap. Daverend handgeklap, glazen en bierpotten maakten een ratelende muziek ter begeleiding van Mr. Jellyband’s uitroepen:

„Verbeeld u, dat ik me door een buitenlander zal laten bepraten!—alles goeds voor u, meneer, maar u hebt toch iets vreemds gezegd.”

Zeker, het was een aanmatigend vermoeden, dat iemand ter wereld ooit de vast ingewortelde opinie van Mr. Jellyband aan het wankelen zou kunnen brengen, dat buiten Engeland alle Vastelandbewoners van nul en geener waarde zijn.




DERDE HOOFDSTUK.

De Emigranten


De openbare meening in Engeland was in dezen tijd zeer zeker ten hoogste gespannen tegen de Franschen en hun daden. Smokkelaars en kooplieden brachten tijdingen van de overzijde van het Kanaal, die het bloed van ieder rechtschapen Engelschman deden koken, wegens het optreden dezer moordenaars, die hun koning met zijn geheele familie in den kerker hadden opgesloten en nu luidkeels het bloed eischten van al, wat den naam droeg van Bourbon.

Ondanks dit alles durfde niemand tusschenbeiden te komen. Met vurige welsprekendheid had Burke getracht de Britsche regeering te bewegen den strijd tegen het revolutionnaire Frankrijk aan te binden, maar Mr. Pitt oordeelde, dat zijn land niet in staat bleek, zich aan een oorlog te wagen. Het was aan Oostenrijk om het initiatief te nemen, aan Oostenrijk, wiens schoone dochter op het oogenblik een onttroonde en gevangen koningin was, die weldra het hoofd op een schavot zou verliezen. Neen, het was niet Engelands taak—aldus redeneerde Mr. Fox—naar de wapens te grijpen, omdat één gedeelte van het Fransche volk verkoos, het ander gedeelte den hals af te snijden.

Wat Mr. Jellyband en zijn mede John Bulls betrof, zij waren royalisten en antirevolutionnairen zonder uitzondering, en voor het oogenblik woedend op Pitt, wegens diens gematigdheid.

Mr. Jellyband had nauwelijks zijn gewone kalmte herkregen, of Sally kwam in opgewonden toestand binnen. Het vroolijke gezelschap in de gelagkamer had niets gehoord van het lawaai buitenshuis, maar zij had een druipnat paard zien halt houden vóór de deur van „Visscherswelvaren”, en onderwijl de staljongen zich met de zorg voor het dier belastte, begaf de mooie Miss Sally zich naar buiten, om den bezoeker welkom te heeten.

„Ik meen milord Anthony’s paard op het erf te hebben gezien, vader,” zei ze, de gelagkamer binnen snellend.

Maar de deur was van buiten reeds open geworpen en in het volgend oogenblik werd een arm, zwaar druipend van den regen, om Sally’s fraai middel geslagen.

„Jawel, en dank zij je bruine kijkers, die zoo scherp zien, mijn schoone Sally,” zei de man, die zoo juist was binnen gekomen, terwijl de waard, Mr. Jellyband, te voorschijn trad, zooals het betaamde bij de komst van een der meest geziene gasten van zijn logement.

„Wel, ik moet zeggen, Sally,” vervolgde lord Anthony, een kus drukkend op Miss Sally’s bloeiende wangen, „je wordt al knapper en knapper iederen keer als ik je ontmoet—en mijn geachte vriend Jellyband moet al vrij wat te doen hebben om de jongens van je slanke leest af te houden.”

Lord Anthony Dewhurst, een der zonen van den Hertog van Exeter, was in die dagen een volmaakt type van een jong Engelsch edelman, rijzig, breed geschouderd met een prettig gezicht. Zijn lach klonk luid, waarheen hij ook ging. Een flink sportsman, een gezellig kameraad, een hoffelijk, welopgevoed man van de wereld, was hij algemeen gezien in de Londensche salons en in de gelagkamers van dorpsherbergen. In „Visscherswelvaren” kende hem iedereen, want hij hield ervan naar Frankrijk over te steken en bracht steeds een nacht door onder het dak van Mr. Jellyband, op zijn weg heen of terug.

Hij knikte tegen het gezelschap, toen hij Sally’s middel losliet en trad op den haard toe, om zich te warmen en te drogen. Dit doende, wierp hij een snellen, eenigszins argwanenden blik op de twee vreemdelingen, die kalm hun dominospel hadden hervat, en een oogenblik trok een wolk van onrust over zijn joviaal jeugdig gelaat.

Maar ook een oogenblik slechts, in het volgend richtte hij zich tot Mr. Hempseed.

„Wel, Mr. Hempseed, hoe staat het met de vruchten?”

„Treurig, milord, treurig,” antwoordde Mr. Hempseed droevig, „maar wat kan men ook verwachten van een regeering, die de schurken aan den overkant in Frankrijk begunstigt, die er op uit zijn hun koning en hun ganschen adel te vermoorden!”

„Ja, daar gaat het naar toe,” zei lord Anthony, „ze pakken van deze laatsten allen, op wie ze de hand kunnen leggen. Maar we hebben eenige vrienden, die van avond hier verwacht worden, en wien het gelukt is, aan hun klauwen te ontsnappen.”

Bij het uiten dezer woorden wierp de jonkman een blik naar de rustige vreemdelingen in den hoek, alsof hij hen tartte hem tegen te spreken.

„En zij hebben dit aan u te danken, milord, en aan uw vrienden, zoo ik heb hooren zeggen,” zei Mr. Jellyband.

Maar terstond daarop viel de waarschuwende hand van lord Anthony op den arm van den gastheer.

„St!” zei hij met een blik op de vreemdelingen.

„O, dat is alles in orde, milord,” antwoordde Jellyband, „maak u niet ongerust. Ik zou niets gezegd hebben, als ik niet wist, dat we onder vrienden zijn. Die meneer, daar aan den overkant, is een even trouw, loyaal onderdaan van Koning George als u zelf, milord.”

„Zoo, dan is alles goed,” zei lord Anthony. „Maar zeg me eens, hebt u niemand anders hier als logeergast?”

„Niemand, milord, ook niet te wachten, ten minste—”

„Ten minste?”

„Niemand, tegen wien uwe lordschap bedenking zou hebben, geloof ik.”

„Wie is dat?”

„Sir Percy Blakeney en zijn echtgenoote zullen aanstonds hier komen, maar zij zijn niet van plan te blijven—”

„Lady Blakeney?” informeerde lord Anthony met eenige verbazing.

„Ja, milord. De schipper van Sir Percy was zoo even hier. Hij zegt, dat de broeder van Milady vandaag per Day Dream, Sir Percy’s jacht, naar Frankrijk oversteekt, en Milady hem tot hier zal vergezellen, om dan afscheid van hem te nemen.”

Sally was al dien tijd druk in de weer geweest om de tafel aan te richten voor het souper. Het zag er alles appetijtelijk uit, met een grooten bundel prachtig gekleurde dahlia’s in het midden, de schitterende koperen kroezen en het blauw porselein.

„Voor hoeveel personen moet ik dekken, milord?”

„Vijf couverts, mooie Sally, maar laat er eten genoeg voor minstens tien zijn—onze vrienden zullen vermoeid wezen van de reis en hongerig, naar ik hoop. Wat mij aangaat, ik zou van avond het heele souper kunnen verorberen.”

„Ik geloof, dat ze zijn gekomen,” zei Sally opgewonden, daar men nu duidelijk een nog verwijderd paardengetrappel en het rollen van een rijtuig, dat al nader kwam, kon hooren.

Er ontstond een algemeene beweging in de gelagkamer. Een ieder was nieuwsgierig de voorname vrienden van lord Anthony, die over het Kanaal gekomen waren, te ontmoeten. Miss Sally wierp een paar snelle blikken in den kleinen spiegel, die aan den wand hing, en onze waardige Mr. Jellyband begaf zich naar buiten, ten einde in persoon zijn gedistingeerde gasten welkom te heeten. Alleen de twee vreemdelingen in den hoek eindigden kalm hun dominopartij en wierpen zelfs geen enkelen blik naar de deur.

„Rechtuit, Comtesse, de deur aan uw rechterhand,” zei een aangename stem in de gang.

„Zie zoo, daar zijn ze, en allen gezond,” zei lord Anthony. „Pak nu je biezen, mooie Sally, en laat eens zien, hoe gauw je de soep kunt opdisschen.”

De deur werd wijd open gezet, en, voorgegaan door Mr. Jellyband, die voortdurend voor zijn gasten boog en hen verwelkomde, trad een gezelschap van vier personen—twee dames en twee heeren de gelagkamer binnen.

„Welkom, welkom in Oud-Engeland!” zei lord Anthony haastig toetredend en den nieuw aangekomenen beide handen toestekend.

„Ah, u zijt lord Anthony Dewhorst, geloof ik,” zei een der dames met sterken vreemden tongval.

„Om u te dienen, Mevrouw,” antwoordde hij, op hoofsche manier de beide handen der dames kussend. Daarop richtte hij zich tot de heeren en drukte hun warm de hand.

Sally hielp reeds de dames om zich te ontdoen van haar reismantels, en een algemeene beweging ontstond onder de aanwezigen in de gelagkamer. Allen sloegen nieuwsgierig, maar toch eerbiedig, de vreemdelingen gade.

„Ach mijne heeren, wat zal ik u zeggen?” sprak de oudste der twee vrouwen, terwijl ze een paar fraaie, aristokratische handen uitstrekte over het flikkerend haardvuur en met onuitsprekelijke dankbaarheid eerst lord Anthony, vervolgens een der jonge mannen aanzag, die met haar gezelschap waren meegekomen.

„Dat u blijde zijt, Comtesse, u op Engelsch grondgebied te bevinden,” vulde lord Anthony aan, „en u niet al te zeer van den moeilijken overtocht hebt geleden.”

„Inderdaad, inderdaad zijn we verheugd in Engeland te zijn aangekomen,” zeide zij met tranen in de oogen.

Haar stem had een muzikalen klank; kalme waardigheid sprak uit de fraaie aristokratische trekken, met hun rijkdom van sneeuw-witten haartooi, hoog boven het voorhoofd opgenomen, naar de mode dier dagen.

„Ik mag onderstellen, dat mijn vriend Sir Andrew Foulkes zich als gezellig reisgenoot zal hebben onderscheiden, mevrouw?”

„Zeker, Sir Andrew was de voorkomendheid in persoon. Hoe zullen mijn kinderen en ik u allen genoeg kunnen danken, Mijneheeren?”

Haar metgezellin, een elegante, jeugdige verschijning, met wier vermoeid en bedrukt uiterlijk men medelijden kreeg, had nog geen woord gesproken, doch haar oogen zagen op van het vuur en zochten die van Sir Andrew Foulkes, die den haard was genaderd. En toen ze zijn blik had ontmoet, die met bewondering rustte op het aanvallig gelaat vóór hem, overtoog een warmer gloed haar bleeke wangen.

„Dit is dus Engeland,” zei ze, met kinderlijke nieuwsgierigheid beschouwend het groot open haardvuur, de houten balken en de boeren met hun joviale, roodachtige Britsche tronies.

„Een stukje ervan, Mademoiselle,” antwoordde Sir Andrew glimlachend, „maar het is alles tot uw dienst.”

Het jonge meisje bloosde andermaal, maar ditmaal was het een heldere lach, die haar tenger gezichtje deed schitteren. Zij sprak geen woord, ook Sir Andrew deed er het zwijgen toe; toch begrepen deze twee jonge menschen elkander, zooals jeugdig bloed in de heele wereld dit doet en gedaan heeft van den beginne, dat de wereld het aanzijn had.

Op dat oogenblik droeg Sally een reusachtige soepterrine naar binnen.

„Het souper; eindelijk!” riep lord Anthony vroolijk, terwijl hij galant de Comtesse zijn arm bood.

„Mag ik de eer hebben?” zei hij deftig, haar naar tafel begeleidend.

Wederom ontstond een algemeene opschudding in de gelagkamer: Mr. Hempseed en de meesten der boeren en visschers hadden het veld geruimd voor de hooge gasten, om hun pijpen elders uit te rooken. Alleen de twee vreemdelingen waren gebleven, kalm hun dominospel voortzettend en hun wijn slurpend, terwijl aan een andere tafel Sally’s uitverkorene, Harry Waite, met zenuwachtig ongeduld haar bedrijvigheid gadesloeg.

Ze zag er allerliefst uit, en geen wonder, dat de jonge Franschman geen oogen van haar afhad. De burggraaf de Tournay telde nog geen negentien lentes, hij was een melkmuil, op wien de vreeselijke treurtooneelen in zijn vaderland weinig indruk hadden gemaakt. Hij was elegant, zelfs fatterig gekleed, en eenmaal veilig in Groot-Brittannië aangeland, scheen hij in de genoegens der Engelsche samenleving blijkbaar de gruwelen der Fransche Revolutie te willen vergeten.

„Pardi, als dit is Engeland,” zei hij, voortgaande Sally met verliefde knipoogjes te begluren, „ben ik tevreden daarover.”

Lord Anthony was reeds aangezeten aan het hoofd van den disch met de Comtesse aan zijn rechterzijde. Jellyband was druk bezig glazen te vullen en stoelen recht te zetten; Sally stond gereed om de soep te dienen.

„Suzanne!” luidde het op bevelenden toon van de strenge Comtesse.

Suzanne bloosde andermaal; ze had tijd en plaats vergeten, terwijl ze bij het vuur stond, het toelatend, dat de knappe jonge Engelschman zijn oogen op haar lief gezichtje gevestigd hield. De stem harer moeder bracht haar weer tot bewustzijn en met een onderdanig „Ja, Mama,” nam zij aan tafel plaats.




VIERDE HOOFDSTUK.

Het Verbond van de Roode Pimpernel


Allen zagen ze er uit als een vroolijk, men kon zeggen een gelukkig gezelschap, zooals ze daar aan de tafel zaten. Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst, twee typische edelgeboren en wel opgevoede Engelschen, met de aristokratische Fransche Comtesse en haar twee kinderen, die juist aan zulke gevaren waren ontsnapt en ten laatste een veilige schuilplaats hadden gevonden aan de gastvrije Engelsche kust.

De twee vreemdelingen in den hoek hadden blijkbaar hun spel geëindigd. Een hunner was opgestaan, en met den rug naar het vroolijk gezelschap aan tafel gekeerd, trok hij langzaam zijn ruime overjas aan. Terwijl hij hiermee bezig was, liet hij een vluchtigen blik gaan over zijn omgeving. Ieder was met zijn buurman lachend en gekscherend aan het kouten. De vreemdeling mompelde nu: „Alles is in orde,” waarop zijn metgezel in een ommezien op zijn knieën gleed en geruischloos onder de eiken bank kroop. Met een overluid „Goedenavond!” verliet de vreemdeling kalm de gelagkamer.

Niemand der aanzittenden had iets van deze zonderlinge en stille manoeuvre bemerkt.

„Eindelijk zijn we dan alleen!” riep Lord Anthony joviaal uit.

Toen stond de jonge Burggraaf de Tournay op, met het glas in de hand, en sprak in gebroken Engelsch:

„Op de gezondheid van Zijne Majesteit George den Derde van Engeland! God zegene den Koning voor de gastvrijheid, die hij ons, armen bannelingen van Frankrijk, verleent!”

„Zijne Majesteit de Koning!” herhaalden Lord Anthony en Sir Andrew, gezamenlijk bescheid doende op den toost.

„Op de gezondheid van Zijne Majesteit Koning Lodewijk van Frankrijk!” voegde Sir Andrew er plechtig aan toe. „Moge God hem beschermen en hem doen zegepralen over zijn vijanden!”

Iedereen was opgestaan en had in stilte den heildronk aanvaard.

„En op het welzijn van den Graaf de Tournay de Basserive!” besloot Lord Anthony vroolijk.

„Dat wij hem over eenige dagen welkom mogen heeten in Engeland!”

„Ach, Mijnheer,” zei de Comtesse, terwijl zij met sidderende hand haar glas aan de lippen bracht, „ik durf nauwelijks hoop koesteren, dat dit zal gebeuren.”

Reeds had Lord Anthony de soep uitgedeeld, en gedurende eenige oogenblikken hielden alle gesprekken op.

„Mevrouw!” sprak Lord Anthony na een poos, „mijn dronk was geen ijdele waan. Nu ik uzelf, Mademoiselle Suzanne, uw dochter, en mijn vriend den Burggraaf, veilig in Engeland zie, moogt gij u toch gerust gevoelen omtrent het lot van Monsieur le Comte.”

„Ach, Mijnheer,” hernam de Comtesse met een diepen zucht, „ik vertrouw op God—ik kan slechts bidden—en hopen....”

„Welnu, Mevrouw!” bracht Sir Andrew Foulkes in het midden, „stel uw vertrouwen in ieder geval op God, maar geloof ook een weinig in uw Engelsche vrienden, die gezworen hebben, den Graaf veilig over het Kanaal te brengen, zooals zij het heden u hebben gedaan.”

„Inderdaad, inderdaad, Mijnheer,” antwoordde zij, „ik stel het volste vertrouwen in u en uw vrienden. Uw naam, ik verzeker het u, heeft in gansch Frankrijk weerklank gevonden. De wijze, waarop sommigen mijner eigen vrienden ontsnapt zijn aan de klauwen van dat schrikwekkend revolutionnair tribunaal, was bijna een mirakel—en dat alles is gewrocht door u en uw vrienden—maar mijn echtgenoot, Mijnheer, verkeert in zulk een doodsgevaar—ik had hem nooit moeten verlaten… maar.... mijn twee kinderen.... ik werd geslingerd tusschen mijn plichtgevoel jegens hem en die twee. Zij weigerden zonder mij te gaan… en gij en uw vrienden hebt mij zoo plechtig verzekerd, dat mijn echtgenoot zou gered worden. Maar ach! nu ik hier ben—onder u—in dit schoone en vrije Engeland—nu denk ik aan hem, den vluchteling voor zijn leven.... hij verkeert in zulk een gevaar… Ach! Ik had hem niet moeten verlaten!…”

De arme vrouw was totaal vernietigd; vermoeienis, zorg en emoties hadden haar strenge, aristokratische houding gebroken. Zij weende in stilte, terwijl Suzanne naar haar toesnelde en trachtte haar tranen weg te kussen.

Lord Anthony en Sir Andrew hadden zich gewacht de Comtesse in de rede te vallen, terwijl deze aan het woord was. Geen twijfel, of zij hadden innig medelijden met haar;—maar in iedere eeuw en altijd, sedert Engeland geweest is, wat het ten huidigen dage nog is, heeft een Engelschman zich steeds eenigszins geschaamd over gevoeligheid en persoonlijke sympathie. Daarom deden beide jonge mannen er het zwijgen toe en poogden zij hun gevoel van meewarigheid te onderdrukken, terwijl ze er alleen in slaagden een zeer onnoozel gezicht te zetten.

„Wat mij betreft, Mijnheer,” zei Suzanne plotseling, „ik ben overtuigd, dat u mijn goeden vader veilig naar Engeland zult brengen, zooals ge het ons hebt gedaan.”

„Mademoiselle,” antwoordde Sir Andrew, „hoewel mijn leven tot uw dienst staat, ben ik slechts een nederig werktuig geweest in de handen van onzen grooten leider, die het plan voor ontsnapping heeft beraamd en tot uitvoering heeft gebracht.”

Suzanna zag hem met bewondering aan.

„Uw leider, Mijnheer?” vroeg de Comtesse met levendige belangstelling. „Ah! natuurlijk moet u een leider hebben gehad. Dat ik daaraan te voren ook niet heb gedacht! Maar zeg mij, waar deze zich bevindt Ik wil terstond tot hem gaan en hem mijn dank betuigen, voor alles, wat hij voor ons heeft gedaan.”

„Helaas, Mevrouw,” zei Lord Anthony, „dat is onmogelijk.”

„Onmogelijk?—Waarom?”

„Omdat de Roode Pimpernel in het duister werkt en alleen zijn intieme vrienden weten wie hij is.”

„De Roode Pimpernel?” vroeg Suzanna met een vroolijken lach. „Hé! wat grappige naam! Wat beteekent de Roode Pimpernel, Mijnheer?”

Zij zag Sir Andrew met belangstellende nieuwsgierigheid aan. Diens oogen schitterden van geestdrift; liefde en bewondering voor zijn leider schenen letterlijk op zijn gelaat gegrift.

„De Roode Pimpernel, Mademoiselle,” sprak hij eindelijk, „is de naam van een nederige Engelsche bloem; maar tevens is ze de schuilnaam van den besten en dappersten man ter wereld, een naam, dien hij heeft gekozen om beter te kunnen slagen in de vervulling eener taak, die hij zichzelf heeft opgelegd.”

„Jawel,” bracht de jonge Burggraaf in het midden, „ik heb hooren spreken van die Roode Pimpernel. Een kleine bloem—rood!—ja! Ze zeggen in Parijs, dat, zoo dikwijls er een royalist naar Engeland ontsnapt, die duivel van Foucquier-Tinville, de Openbare Aanklager, een papiertje krijgt met dat roode bloempje erop geteekend.... ja?”

„Ja, dat is zoo,” stemde Lord Anthony toe.

„Zou hij dan vandaag ook zulk een briefje hebben ontvangen?”

„Buiten twijfel.”

„O, maar ik ben benieuwd, wat hij zeggen zal!” zei Suzanne. „Ik heb gehoord, dat de afbeelding van dat kleine roode bloempje het eenige is, dat hem schrik aanjaagt.”

„Er zal zich nog menige gelegenheid voor hem opdoen om den vorm van dat kleine roode bloempje te bestudeeren,” zei Sir Andrew.

„Ach! Mijnheer,” zuchtte de Comtesse; „het klinkt alles als in een roman, en ik begrijp er niets van.”

„Waarom zoudt u er ook naar trachten, Mevrouw?”

„Maar zeg me toch eens, waarom uw leider, waarom gij allen uw geld besteedt en uw leven waagt, want uw leven is ermee gemoeid, Mijneheeren, als gij den voet zet op Franschen bodem, en dat alles voor Fransche onderdanen, die u totaal onverschillig kunnen zijn?”

„Sport, Mevrouw de Gravin, sport,” beweerde Lord Anthony, met zijn joviaal luid en aangenaam stemorgaan, „wij zijn een natie van sportmenschen, weet u, en het is nu juist de mode, het haas uit den bek van den hond te trekken.”

„Ach, neen, neen, niet enkel sport, Mijnheer. U hebt nobeler beweeggrond—ik ben er zeker van—voor het goede werk, dat u verricht.”

„In trouwe, Mevrouw, ik zou gaarne zien, dat u het motief opspoorde: wat mij aangaat, ik houd van het wild en het spel, want de mooiste sport is het, die ik ooit heb aangetroffen. Op een haarbreedte van den afgrond… en rutsch!.... we zijn er vandoor!”

Maar de Comtesse schudde nogmaals ongeloovig het hoofd. Haar kwam het als iets ongerijmds voor, dat deze jongelieden en hun groote leidsman, allen schatrijk, van hooge geboorte en jong, niets anders daarmee zouden beoogen dan sport, om daarvoor de vreeselijke gevaren te loopen, waaraan zij zich voortdurend blootstelden. Wanneer ze eenmaal den voet in Frankrijk hadden gezet, zou hun nationaliteit niet de minste waarborg voor hen blijken. Een ieder, die hulp of schuilplaats aan verdachte royalisten mocht verleenen, zou zonder genade worden veroordeeld en terechtgesteld. Met huivering overdacht zij de gebeurtenissen der laatste dagen, haar ontsnapping uit Parijs met twee harer kinderen, alle drie verborgen onder een hoop kool en appelen op een kar, niet durvende ademhalen, terwijl het grauw brulde: „Hang de aristo’s op!”

Het was alles op zulk een mirakuleuze wijze geschied. Zij en haar echtgenoot hadden begrepen, dat ze op de lijst stonden der „verdachte personen”, wat evenveel inhield als korter of langer uitstel van executie door de guillotine.

Dan kwam de hoop op redding; de geheimzinnige brief, geteekend met de raadselachtige roode bloem; de duidelijke strenge aanwijzingen; het hartverscheurende afscheid van haar echtgenoot; de hoop op hereeniging; de vlucht met haar twee kinderen; de huifkar; een vreeselijke oude heks als voerman, die er uitzag als een schrikwekkende booze geest met de akelige tropee aan het handvat harer zweep!

De Comtesse zag rond in de nette ouderwetsche herberg, zij dacht aan den vrede, in dit land van godsdienstige, vooral staatkundige vrijheid, en zij sloot haar oogen om het rondwarend spooksel niet te zien van die Westerbarricade, van het vluchtend gepeupel, door een paniek bevangen, toen de oude tooverkol van de pest had gesproken.

In dien kar verwachtte ze ieder oogenblik herkenning, arrestatie en een veroordeelend vonnis, en deze jeugdige Engelschen, onder aanvoering van hun dapperen en geheimzinnigen leider, hadden hun leven gewaagd om hen allen te redden!

En dat alles zou slechts sport zijn? Onmogelijk! De oogen van Suzanne, als deze den blik van Sir Andrew ontmoetten, zeiden hem duidelijk, hoe zij over hem dacht, dat hij althans zijn medemenschen van een vreeselijken en onverdienden dood redde, uit hooger en edelmoediger beginselen dan hij haar wel wilde doen gelooven.

„Hoeveel leden telt wel uw nobel Verbond, Mijnheer?” luidde haar bedeesde vraag.

„Twintig in het geheel, Mademoiselle,” was het antwoord, „één gebieder en negentien volgelingen. Allen Engelschen, allen hebben we een eed van gehoorzaamheid aan onzen leider afgelegd en tevens de belofte onschuldigen te bevrijden.”

„Moge God u allen beschermen, Mijneheeren!” zei de Comtesse met vuur.

„Tot dusver, Mevrouw, heeft de Voorzienigheid daaraan voldaan.”

„Het is onbegrijpelijk voor mij, totaal onbegrijpelijk. Alles is in Frankrijk het werk van verraders, in naam der vrijheid en broederschap.”

„De vrouwen in Frankrijk hebben zich bitterder jegens ons, aristokraten, gedragen dan de mannen,” zei de Burggraaf.

„Ja, helaas,” bevestigde de Comtesse, terwijl een flikkering van intensen wrevel lichtte in haar melancholieke oogen. „Daar hebt u bijvoorbeeld die vrouw, Marguerite St. Just. Ze diende tegen den Markies de St. Cyr en diens geheele familie een aanklacht in bij het tribunaal van het Schrikbewind.”

„Marguerite St. Just?” vroeg Lord Anthony, een snellen blik op Sir Andrew werpend. „Marguerite St. Just?—Zeker....”

„Ja!” hernam de Comtesse, „zeker kent u haar. Ze was een der premières van de Comédie Française en is onlangs met een Engelschman gehuwd. U moet haar kennen—”

„Haar kennen?” zei Lord Anthony. „Zou ik Lady Blakeney niet kennen—de meest gevierde dame in Londen—de echtgenoote van den rijksten man in Engeland? Natuurlijk kennen wij allen Lady Blakeney.”

„Zij was een schoolkameraad van me in het pensionaat te Parijs,” bracht Suzanne in het midden, „en beiden gingen we naar Engeland om uw taal te leeren. Ik hield heel veel van Marguerite, en ik kan nauwelijks gelooven, dat zij ooit zoo iets boosaardigs heeft uitgehaald.”

„Zeer zeker schijnt het ongelooflijk,” zei Sir Andrew. „Er moet bepaald een vergissing hebben plaats gehad—”

„Er is geen vergissing mogelijk, Mijnheer,” hernam de Comtesse, ijskoud. „De broeder van Marguerite is een bekend republikein. Er was sprake van een familieveete tusschen hem en mijn neef, den Markies van St. Cyr. De St. Just zijn volslagen plebejers en het republikeinsch gouvernement houdt er veel spionnen op na. Ik verzeker u, dat er geen kwestie is van een vergissing… Heeft u van deze geschiedenis niets vernomen?”

„Toch wel, Mevrouw, eenige vage geruchten ervan zijn tot mij doorgedrongen, maar in Engeland wilde niemand er geloof aan slaan… Sir Percy Blakeney, haar echtgenoot, is een zeer vermogend man, van hooge maatschappelijke positie, de boezemvriend van den Prins van Wales… en Lady Blakeney geeft in Londen voor modes enz. in voorname kringen den toon aan.”

„Dat alles mag waar zijn, Mijnheer, wij zullen natuurlijk in Engeland een zeer kalm leven leiden, maar de hemel geve, dat ik Marguerite St. Just nergens ontmoet!”

Er was een andere stemming gekomen onder het kleine vroolijke gezelschap. Suzanne keek treurig en zweeg, Sir Andrew speelde zenuwachtig met zijn vork, terwijl de Comtesse deftig en stijf tegen den rechten rug van haar stoel aanleunde. Wat Lord Anthony betreft, hij gevoelde zich volstrekt niet op zijn gemak en keek een paar malen schuin naar Jellyband, die er al even onrustig uitzag.

„Tegen hoe laat verwacht u Sir Percy en Lady Blakeney?” gelukte het hem den kastelein ongemerkt toe te fluisteren.

„Zij kunnen ieder oogenblik hier wezen, milord,” fluisterde Jellyband insgelijks.

Hij had dit nauwelijks gezegd, of men hoorde in de verte het rollen van een naderend rijtuig, luider en luider werd het vernomen, een of twee waarschuwingen kon men verstaan, daarop klonk het getrappel van paardenhoeven op de ruwe keien, en in het volgend oogenblik stormde een staljongen de gelagkamer binnen met den opgewonden uitroep:

„Sir Percy Blakeney en Milady zijn in aantocht!”

Nog meer kreten, ondermengd met een gerinkel van harnachement, en een prachtige reiswagen, door vier kranige schimmels getrokken, hield voor het hek van „Visscherswelvaren” stil.




VIJFDE HOOFDSTUK.

Marguerite


In minder dan geen tijd was de gezellige gelagkamer het tooneel van hopelooze verwarring en ongerieflijkheid. Op het eerste bericht van den staljongen was Lord Anthony van zijn stoel opgesprongen en gaf hij allerlei aanwijzingen aan den beteuterden Jellyband, die niet wist, wat hij zou beginnen.

„Om godswil, man,” riep hij, „zie, dat je Lady Blakeney een oogenblik buiten aan den praat houdt, onderwijl de dames hier zich verwijderen. Dit treft al heel ongelukkig!”

„Gauw, Sally! de kaarsen!” schreeuwde Jellyband, heen en weer loopend tot ieders ongerief.

De Comtesse was opgestaan, deftig en stijf, een vergeefsche poging doende om haar opwinding te verbergen en werktuigelijk herhalend:

„Ik wil haar niet ontmoeten!—Ik wil haar niet ontmoeten!”

Daarbuiten nam de herrie, waarmee de aankomst van voorname gasten altijd gepaard gaat, meer en meer toe.

„Dag Sir Percy!—Welkom, Milady! Uw dienaar, Sir Percy!” klonk het in koor.

Jellyband wierp de deur open, altijd nog hopende het naderend onweer te bezweren, toen een zachte muzikale stem met vroolijken lach en gemaakte ontsteltenis zei:

„B-r-r-r-r! Ik ben druipnat! Goeje hemel! heb je ooit zoo’n ellendig klimaat gezien?”

„Suzanne, ga terstond met mij mee—ik sta er op!” zei de Comtesse op gebiedenden toon.

„Och, mama!” smeekte Suzanne, die haar oude schoolkameraad hoopte weer te zien.

„Milady… hm… h’m.... Milady!…” kwam het met zwak stemgeluid uit Jellyband’s keel, terwijl hij een onhandige hopelooze poging deed haar den doorgang te versperren.

„Pardieu, man,” zei Lady Blakeney, ietwat ongeduldig, „wat sta je me daar als een lantaarnpaal in den weg. Laat me alsjeblieft bij het vuur, ik verga van de kou.”

En kort daarop, na den gastheer zachtkens op zijde te hebben geduwd, zweefde Blakeney de gelagkamer binnen.

Er bestaan veel portretten van Marguerite St. Just—destijds Lady Blakeney, doch te betwijfelen valt het, of deze haar buitengewone schoonheid hebben recht doen wedervaren. Marguerite Blakeney telde toen nauwelijks vijfentwintig lentes. Rijzig, boven de middelmaat, met een prachtig figuur, was het niet te verwonderen, dat zelfs de Comtesse de Tournay de Basserive een oogenblik in bewondering staan bleef, alvorens zij de betooverende verschijning den rug toekeerde.

Met een vluchtigen blik door het vertrek, had Marguerite Blakeney alle aanwezigen gemonsterd. Zij knikte vriendelijk tegen Sir Andrew Foulkes en stak Lord Anthony de hand toe.

„Hallo! Milord Thony, wel, wat doet u hier in Dover?” klonk het vroolijk van haar lippen.

En zonder een antwoord af te wachten, keerde zij zich om en stond ze van aangezicht tot aangezicht tegenover de Comtesse en Suzanne. Geheel haar gelaat straalde warmer, toen ze beide armen naar het jonge meisje uitstrekte.

„Wel, wel! Is dat niet mijn kleine Suzanne? Pardieu, burgeresje, hoe kom—jij zoo in Engeland? En Mevrouw ook!”

Lord Thony en Sir Andrew sloegen met gespannen verwachting het tooneeltje gade. Zij kenden de Franschen maar al te goed, om geen begrip te hebben van den ijzigen trots en bittere verachting, waarmede de oude adel van Frankrijk neerzag op allen, die hadden bijgedragen tot zijn val en vernedering. Armand St. Just, de broeder van de schoone Lady Blakeney, was een vurig republikein. Zijn verdeeldheid met de oude familie St. Cyr—waarvan een derde nimmer de bijzonderheden heeft geweten—kwam tot het toppunt, toen deze laatste ten val was gebracht.

Marguerite stond daar vóór hen met haar fijn gevormde uitgestoken hand, alsof zij door deze eenige daad de veete en het bloed van het laatste tiental jaren wilde uitwisschen.

„Suzanne, ik verbied u tot die vrouw te spreken,” zei de Comtesse op strengen toon, terwijl ze haar hand op den arm harer dochter legde.

Zij zeide dit in het Engelsch, opdat alle aanwezigen het zouden hooren en begrijpen, de twee jonge edellieden, zoowel als de plebejische herbergier en diens dochter. De laatsten stonden letterlijk als aan den grond genageld door de onbeschaamdheid dezer vreemdelinge ten opzichte eener Lady—die nu, als Sir Percy’s gemalin, een Engelsche was geworden en bovendien bekend stond als persoonlijke vriendin van de Prinses van Wales.

Wat betreft Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes, hun harten schenen stil te staan na deze onredelijke beleediging. Beiden gluurden haastig naar de deur, waar men een lijzig, doch niet onaangenaam stemgeluid reeds had vernomen.

Alleen Marguerite Blakeney en de Comtesse de Tournay waren onder de aanwezigen schijnbaar niet ontroerd. Laatstgenoemde, hoog opgericht, met streng uiterlijk, de hand nog steeds op den arm harer dochter, scheen de incarnatie van onbuigzamen trots. Een oogenblik was Marguerite’s zacht gelaat wit geworden als het sneeuwblank doekje om haar hals, en een scherp opmerker zou hebben ontwaard, dat haar hand eenigszins beefde.

Maar dit alles was slechts van voorbijgaanden aard; in het volgend oogenblik trok ze haar tengere wenkbrauwen even op en krulden zich haar lippen. Sarkastisch zagen haar heldere blauwe kijkers de gestrenge Comtesse strak in het gelaat, en met een zweem van schouder ophalen:—

„La, la, la, burgeres,” zei ze luchtig, „uit welken hoek waait de wind nu?”

„Wij zijn nu in Engeland, Mevrouw,” antwoordde de Comtesse koud, „en ik heb het recht mijn dochter te verbieden, u de vriendschapshand te reiken. Kom, Suzanne.”

Zij gaf haar dochter een wenk, en zonder Marguerite Blakeney met een blik te verwaardigen, maar met een diepe ouderwetsche buiging voor de twee jonge mannen, zeilde zij majestueus het vertrek uit.

Er heerschte een oogenblik stilte in de oude gelagkamer, nadat de Comtesse, door de kleine Suzanne gevolgd, deze had verlaten. Op Marguerite’s gezicht lag een harde uitdrukking, doch haar trekken ontspanden zich, toen zij den blik ontmoette van haar vriendin. De gehoorzaamheid, aan haar moeder verschuldigd, vergetend, keerde Suzanne zich bij de deur om, snelde terug naar Lady Blakeney, sloeg haar armen om haar hals en kuste haar herhaalde malen. Daarop volgde ze haar moeder in de gang.

Marguerite had met sierlijke gemaaktheid beide dames een kushand achterna gezonden, toen deze achter de deur verdwenen, daarna speelde een fijn glimlachje om haar mondhoeken.

„Zoo, dat is het dus.... wel, wel!” zei ze vroolijk. „Wel, Sir Andrew, hebt u ooit zulk een onaangenaam persoon ontmoet? Ik hoop niet, als ik oud word, op zoo iets te gelijken.”

Ze nam haar rokken op en stapte majestueus naar den vuurhaard.

„Suzanne,” zei ze, de stem der Comtesse nabootsend, „ik verbied u, met die vrouw te spreken!”

De lach, waarmee dit gepaard ging, klonk misschien wel wat gedwongen en hard. Maar de mimiek was zoo volmaakt, de toon der stem zoo nauwkeurig weergegeven, dat beide jongelui in een hartelijk „Bravo!” aan hun bewondering lucht gaven.

„Ah! Lady Blakeney!” zei Lord Anthony, „wat zullen ze u missen bij de Comédie Française, en hoe moeten de Parijzenaars niet het land hebben aan Sir Percy, die u er vandaan heeft gehaald.”

„Gunst, man,” zei Marguerite, haar bevallige schouders ophalend, „’t is totaal onmogelijk het land te hebben aan Sir Percy, zijn grappige in- en uitvallen zouden zelfs Madame la Comtesse ontwapenen.”

Op dit oogenblik vernam men een aangenaam, hoewel duidelijk onbeteekenend gelach van buiten, en kort daarop verscheen een ongewoon rijzige en zeer rijk gekleede figuur op den drempel der deur.




ZESDE HOOFDSTUK.

Een uitgelezen exemplaar van 1792


Sir Percy Blakeney was, naar de kronieken ons verhalen, bij het begin onzer geschiedenis om en om de dertig. Lang van gestalte, zelfs voor een Engelschman, breed geschouderd en forsch gebouwd, zou men hem een buitengewoon knap man genoemd hebben, zoo niet zekere ziellooze uitdrukking in zijn diep liggende blauwe oogen en een eeuwige idiotenlach, die zijn fijn besneden mond ontsierde, al het goede in uiterlijk aan hem te niet deden.

Het was nu zoo wat een jaar geleden, dat Sir Percy Blakeney, baronet, een der schatrijke Engelsche edellieden, de toonaangever der mode en intiem vriend van den Prins van Wales, de voorname kringen van Londen en Bath met verbazing had vervuld, toen hij van een zijner buitenlandsche reizen een prachtige, betooverende, verstandige Fransche echtgenoote meebracht, hij, de slaperigste, de saaiste, meest Britsche Brit van Groot-Brittannië en Ierland.

Marguerite St. Just had tijdens de eerste periode van de Revolutie in artistieke Parijsche kringen haar debuut gemaakt. Nauwelijks achttien jaar, kwistig begaafd met schoonheid en talent, alleen gechaperonneerd door een jeugdigen en verknochten broeder, had de betooverende jonge tooneelspeelster van de Comédie Française weldra een kring om zich heen verzameld van uitstekende mannen, mannen van hooge positie, en gleed zij door het republikeinsch, revolutionnair, bloeddorstig Parijs, als een schitterende komeet, met een staart achter zich van al wat gedistingeerd en belangwekkend was van Europeesch intellect.

Toen bereikte haar levenszon het toppunt. Sommigen glimlachten en noemden het een artistieke uitmiddelpuntigheid, anderen beschouwden het als een verstandige voorziening, met het oog op de vreemdsoortige toestanden, die zich van dag tot dag in Parijs destijds openbaarden, maar voor allen bleef het wezenlijk motief dezer apotheose een onoplosbaar raadsel. Hoe het zij, Marguerite St. Just huwde op zekeren mooien dag Sir Percy Blakeney, zonder eenige kennisgeving aan haar vrienden, zonder de soirée de contrat (avondpartij van aanteekening) of trouwdiner, waarmede iedere nette huwelijksverbintenis gepaard gaat.

Hoe die idiote, saaie Engelschman ooit werd opgenomen in den intellectueelen kring, die zich bewoog om „de schranderste vrouw in Europa”, zooals zij eenparig door haar vereerders genoemd werd, niemand waagde zich eraan, om dit verschijnsel te verklaren.

Haar intieme vrienden wisten, dat Marguerite St. Just niets gelegen was aan geld en zij nog minder zich bekreunde om een adellijken titel.

Wat Sir Percy zelf betrof; zijn voornaamste hoedanigheden om haar echtgenoot te zijn bestonden in zijn blinde vergoding van Marguerite, zijn aanzienlijken rijkdom en de hooge gunst, die hij genoot aan het Engelsche hof.

Hoewel hij in den jongsten tijd een figuur was geweest, die in voorname Engelsche kringen de aandacht trok, had hij het grootste gedeelte zijner jeugd buitenslands gesleten. Zijn vader, wijlen Sir Algernon Blakeney, had het schrikkelijk ongeluk gehad zijn aangebeden jeugdige gade ongeneeslijk krankzinnig te zien worden, na een gelukkige echtvereeniging van slechts een tweetal jaren. Percy had juist het levenslicht aanschouwd, toen wijlen Lady Blakeney aangetast werd door de vreeselijke ziekte, welke in die dagen als hopeloos werd beschouwd en als de vloek Gods over het geheele gezin uitgekreten. De dood zijner ouders, die kort na elkander stierven, maakte hem vrij man op eenentwintigjarigen leeftijd, en daar zijn vader Sir Algernon een eenvoudig en afgezonderd leven had geleid, was het groot vermogen der Blakeney’s tot millioenen aangegroeid.

Sir Percy Blakeney had heel wat in den vreemde rondgedoold, alvorens hij zijn schoone Fransche vrouw naar Engeland bracht. De voorname kringen van die dagen toonden zich bereid beiden met open armen te ontvangen. Sir Percy was rijk, zijn vrouw zeer begaafd, en de Prins van Wales vereerde beiden met zijn gunstbetoon. Binnen zes maanden waren zij de toonaangevers in mode en levenswijze. Iedereen wist, dat Sir Percy bekrompen geestvermogens bezat, maar de samenleving aanvaardde hem, maakte veel werk van hem, omdat zijn rossen de schoonste waren der Engelsche stoeterijen, zijn feestmalen de luisterrijkste, zijn wijnen de uitgezochtste der gaarden, zijn kleeding het onderwerp uitmaakte van aller gesprekken. Wat aangaat zijn huwelijk met de „schranderste vrouw in Europa”, welnu, hij kon zijn noodlot niet ontgaan, en niemand beklaagde hem, omdat hij zich dit lot zelf beschoren had. Er waren jonge dames in Engeland te kust en te keur, die volkomen bereid zouden geweest zijn hem te helpen in het verteren van het fortuin der Blakeney’s. Bovendien viel Sir Percy geen medelijden ten deel, omdat hij dit niet scheen te verlangen, hij was zeer trotsch op zijn schrandere vrouw en bekreunde er zich niet om, dat zij zich te zijnen koste amuseerde en in het publiek den draak met hem stak.

In zijn prachtig huis te Richmond speelde hij voor zijn schrandere vrouw de tweede viool met onverstoorbare goedmoedigheid, juweelen en allerlei soort luxueuze zaken aan haar verkwistend, wat zij zich met uitnemende gratie liet welgevallen, zijn gasten ontvangende met dezelfde minzaamheid, waarmede zij de intellectueele coterie van Parijs had welkom geheeten.

Sir Percy Blakeney was bepaald een man van knap uiterlijk, in weerwil van zijn druilerigen blik. Hij was altijd onberispelijk gekleed naar den smaak van een „Incroyable”[1 - Overdreven fatterige kleeding in de Fransche revolutiejaren van 1792–94.]. Op dezen September achtermiddag droeg hij een satijnen bovenkleed, in het middel zeer kort gesneden, een vest met breede opslagen en nauwe gestreepte broek. In dat kostuum zou men zijn massieve gestalte hebben kunnen bewonderen, zoo zijn gemaaktheid en idiote lach niet alles bedorven hadden.

Hij kwam lijzig de ouderwetsche gelagkamer binnen, den regen afschuddend van zijn fraaie kleeding, en vervolgens zijn druilig blauw oog met een stukje glas in gouden montuur wapenend, overzag hij het gezelschap, dat plotseling door een pijnlijk stilzwijgen werd aangegrepen.

„Hoe maak je ’t, Thony? Hoe gaat ’t, Foulkes?” zei hij, de twee jongelui herkennend en hun de hand drukkend. „Heb je ooit zoo’n hondenweer beleefd? Beroerd klimaat hier.”

Marguerite had zich naar haar echtgenoot gekeerd en mat hem van het hoofd tot de voeten, met een ondeugend knipoogje in haar vroolijke blauwe kijkers.

„Nou!” hernam Sir Percy na een paar minuten stilte, toen niemand iets te berde bracht, „wat kijken jullie allen nuchter.... Wat is er gaande?”

„O, niets, Sir Percy,” antwoordde Marguerite, „niets om je gelijkmoedigheid te verstoren—alleen maar een affront voor je vrouw.”

„La, la, mijn beste, wat je zegt. Wie was de stoutmoedige, die je durfde attakeeren—he?”

Hier stoof de jonge Burggraaf ijlings op.

„Monsieur,” zei hij, een bestudeerde buiging zijn aanspraak latende voorafgaan en in gebroken Engelsch sprekend, „mijn moeder de Comtesse de Tournay de Basserive, heeft beleedigd Madame, die ik zie is uwe vrouw. Ik kan niet vragen vergeving voor mijne moeder; wat zij doet is recht in mijn oogen. Doch ik ben bereid u te geven de gewone reparatie tusschen mannen van eer.”

De jonkman richtte zich in zijn volle tengere lengte op en zag er zeer geestdriftig, zeer trotsch en zeer opgewonden uit, toen hij opkeek naar het over de zes voet hooge gevaarte, vertegenwoordigd door Sir Percy Blakeney, baronet.

„Milord Anthony en Sir Andrew,” zei Marguerite, vroolijk lachend, „kijkt eens naar dat aardig schilderijtje—de Engelsche kalkoensche haan en zijn collega de Fransche bantam.”

De vergelijking ging volstrekt niet mank. De stoere Engelsche kalkoen zag met verbazing neer op den tengeren nietigen Franschen bantamhaan.

„Drommels, Sir,” sprak Percy eindelijk, zijn lorgnetglas opzettend en den jongen Franschman met onverholen bevreemding opnemend, „waar heb je zulk Engelsch leeren spreken?”

„Monsieur!” protesteerde de Vicomte, eenigszins uit het veld geslagen door de manier, waarop zijn strijdlustige houding door den zwaarlijvigen Engelschman werd opgenomen.

„Ik moet zeggen ’t is fabelachtig!” ging Sir Percy onverstoorbaar voort, „verd… fabelachtig! Denk—jij er ook niet zoo over, Thony—eh? Ik moet bekennen, dat ik zoo geen Fransch kan spreken… Wat?”

„Neen, dat kan ik bewijzen!” viel Marguerite in, „Sir Percy heeft een Britsch accent, dat je met een mes kunt snijden.”

„Monsieur,” bracht de Vicomte in nog meer gebroken Engelsch voor den dag, „ik vrees, u hebt niet begrepen. Ik bied u aan de eenige mogelijke reparatie onder gentlemen.”

„Te drommel waarin bestaat die?” vroeg Sir Percy zoetsappig.

„Mijn degen, Monsieur,” antwoordde de Vicomte, die ongeduldig begon te worden. Maar Sir Percy staarde een paar seconden droomerig door zijn half gesloten oogleden naar den Vicomte en slofte toen langzaam weg.

Wat de Vicomte op dat oogenblik dacht en gevoelde bij de behandeling, die hij van den langen en langzamen Engelschman had te verduren, zou boekdeelen kunnen vullen. Wat hij zeide, loste zich op in een enkel woord, want zijn drift deed alle andere stikken in zijn keel.

„Een tweegevecht, Mijnheer.”

Nog eens keerde Blakeney zich om en zag van zijn ontzaglijke hoogte op het driftige ventje neer, maar geen seconde verliet hem zijn onverstoorbare kalmte. Hij lachte, en zijn magere lange handen in de ruime zakken verbergend van zijn overjas, zei hij druilerig:—

„Een tweegevecht?… ha! is . dat . het . wat . hij bedoelt?… Je . bent . een . bloeddorstige . jonge . deugniet… Wil . je . een . gaatje . boren . in . een . man . die . de . wet eerbiedigt?… Wat . mij . betreft . Sir . ik . houd . mij . nooit . met . tweegevechten . op,” voegde hij er aan toe, bedaard zich neerzettend op een stoel en zijn lange stelterige beenen voor zich uitstrekkend. „Duels zijn heel onaangename dingen, is ’t niet zoo, Thony?”

De Burggraaf had zeker wel gehoord, dat de gewoonte van duelleeren onder gentlemen in Engeland streng door de wet was verboden. Maar voor hem, als Franschman, was het schouwspel van een gentleman, die een tweegevecht weigert, een ongelooflijke enormiteit.

„Ik verzoek u, Lord Thony,” zei Marguerite met haar lief, zacht, muzikaal stemgeluid, „hier als bemiddelaar op te treden. Het kind barst van woede, en,” voegde ze droog komiek erbij, „hij mocht Sir Percy eens iets aandoen. De Britsche kalkoensche haan heeft zijn tijd gehad.”

Doch Blakeney, goed gehumeurd als altijd, lachte mee met de lachers.

„Was dat nu niet handig gezegd?” zei hij, zich jolig tot den Vicomte keerend. „Een schrandere vrouw mijn wederhelft, meneer… Dat zul—je gewaar worden, als je lang in Engeland blijft.”

„Sir Percy heeft gelijk, Vicomte,” kwam Lord Anthony alsnu tusschen beiden, den Franschman vriendschappelijk op den schouder kloppend. „Het zou, in de gegeven omstandigheden, niet aangaan uw loopbaan in Engeland aan te vangen met hèm tot een tweegevecht uit te dagen.”

Een oogenblik nog aarzelde de Burggraaf; toen zei hij met een onbeduidende schouderophaling, maar met gepaste waardigheid:

„Welnu, als Mijnheer voldaan is, koester ik geen rancune. U, Milord, zijt onze beschermer. Heb ik verkeerd gedaan, dan retireer ik.”

„Ja, doe dat maar!” hernam Blakeney met een langen zucht van voldoening, „retireer naar ginds tegenover ons. „Een kittelig melkmuiltje,” zei hij binnensmonds. „Jongens, Foulkes, als dat een staaltje is van de goederen, die jij en je vrienden uit Frankrijk haalt, dan raad ik je, ze maar midden in het Kanaal naar den kelder te laten zakken.”

„Zeg eens, Sir Percy,” zei Marguerite koket, „je vergeet, dat je zelf een bundeltje goederen uit Frankrijk hebt geïmporteerd.”

Blakeney stond langzaam op, en, een diepe buiging makend voor zijn vrouw, zei hij, uiterst galant:

„Ik had de keus van de markt, Mevrouw, en mijn smaak faalt nooit.”

„Meer dan je ridderlijkheid, vrees ik,” gaf ze sarkastisch terug.

„Wees verstandig, mijn waarde! Zou je denken, dat ik zin heb van mijn hachje een speldekussen te laten maken door iederen kleinen kikvorscheneter, die het niet eens is met den vorm van jouw neus?”

„Hei wat, hei wat, Sir Percy!” lachte Lady Blakeney, met een gemaakt buiginkje, „wees maar niet bang! ’t zijn de mannen niet, die mijn neus afkeuren.”

„Bang zijn, zegt ge! Ik bang, Madame? Ik heb gebokst met Rooien Sam, en hij kreeg niet gedaan, wat hij wilde—nietwaar, Thony?”

„Ik had je toen wel eens aan ’t werk willen zien,” zei Marguerite luidkeels lachend… „ha! ha! ha! ha! je moet een mooi figuur hebben geslagen… en.... en nu bang voor een kleinen Franschen jongen… ha! ha!… ha! ha!”

„Ha! ha! ha! ha!” herhaalde Sir Percy goedlachs. „Komaan, Mevrouw, u bewijst me te veel eer! Foulkes, ik heb mijn vrouw aan ’t lachen gemaakt! De schranderste vrouw in Europa! Daar moeten we een bowl op zetten!” en krachtig beukte hij op de tafel naast zich:

„Aannemen! Jellyband! Gauw wat, man! Hier Jelly!”

De harmonie was weer hersteld. Mr. Jellyband had zich met bovenmenschelijke krachtsinspanning hersteld van de veelvuldige emoties, die hij in het laatste half uur had beleefd.

„Een bowl punch, warm en sterk, he? Haast je wat, Jellytje!”

„Daar is geen tijd meer voor, Sir Percy,” opperde Marguerite. „De schipper zal aanstonds hier zijn en mijn broer moet aan boord, wil de Day Dream den vloed niet missen.”

„Tijd, mijn waarde? Er is tijd genoeg voor een gentleman om dronken te worden en aan boord te komen, voordat het getij verloopt.”

„Ik geloof, Mevrouw,” zei Jellyband eerbiedig, „dat mijnheer uw broeder met Sir Percy’s gezagvoerder nu op weg is.”

„Opperbest,” zei Blakeney, „Armand kan dan meedoen met onzen joligen bowl. Thony,” vervolgde hij in de richting wijzende, waar de Vicomte zat, „zou je denken, dat die melkmuil van jou een lijntje met ons wil trekken? Zeg hem, dat we het moeten afdrinken.”

„Jelui zit nu allen zoo vroolijk hier bij elkaar,” zei Marguerite, „dat je mij ten goede zult houden, als ik mijn broer vaarwel zeg in een ander vertrek.”

Het ware niet betamelijk geweest hier iets tegen in te brengen. En Lord Anthony èn Sir Andrew gevoelden, dat Lady Blakeney niet geheel en al met hen in dezelfde stemming kon zijn. De genegenheid van Marguerite voor haar broeder was niet alledaagsch. Armand had juist eenige weken bij haar in haar nieuwe omgeving doorgebracht, en zou nu, op een hoogst gevaarlijk oogenblik, terugkeeren om zijn land te dienen.

Sir Percy deed evenmin een poging om zijn vrouw terug te houden. Plechtstatig opende hij voor haar de deur der gelagkamer met een zeer bestudeerde buiging, naar de eischen van dien tijd, toen zij het vertrek uitzweefde, zonder hem meer te gunnen dan een voorbijgaanden blik. Alleen Sir Andrew Foulkes merkte de zonderlinge uitdrukking op van vurig verlangen, van diepen en hopeloozen hartstocht, waarmede de onnoozele Sir Percy de zich retireerende verschijning van zijn bekoorlijke vrouw naoogde.




ZEVENDE HOOFDSTUK.

De geheime boomgaard


Eenmaal buiten de woelige gelagkamer, scheen Marguerite Blakeney ruimer adem te halen.

De regen had opgehouden; door de snel voorbij zwevende wolken scheen het bleeke zonlicht op de blanke krijtkust van Kent en de kokette onregelmatige woningen rondom den Pier der Admiraliteit. Marguerite Blakeney begaf zich buiten de poort en keek uit naar de zee. Een bevallige schoener, met blanke zeilen opgetuigd, wiegelde in de frissche koelte. Het was de Day Dream, Sir Percy’s jacht, gereed liggend om Armand St. Just naar Frankrijk en de Revolutie terug te voeren.

Op een afstand naderden twee gedaanten de herberg „Visscherswelvaren”. Een dezer was een oud man met een franje grijze haren afhangend van zijn massieve kin en den eigenaardigen waggelenden gang van den zeeman; de ander een jeugdige tengere figuur, keurig gekleed in donkere overjas, glad geschoren en het haar opgestreken boven zijn edel voorhoofd.

„Armand!” riep Marguerite Blakeney, zoodra zij hem in de verte zag naderen, terwijl een glimlach haar zachte trekken plooide.

Een paar minuten daarna omhelsden broeder en zuster elkaar, terwijl de bejaarde schipper op eerbiedigen afstand staan bleef.

„Hoeveel tijd hebben we nog, Briggs, voordat Mr. St. Just aan boord moet zijn?”

„Binnen het half uur lichten we het anker, lady,” antwoordde de oude zeerob.

Haar arm door den zijne stekend, geleidde Marguerite haar broeder naar de riffen.

„Nog een half uur,” zei ze, „en ge zult ver van mij gaan, Armand. O, ik kan het bijna niet gelooven. Deze laatste weinige dagen—toen Percy op reis was en ik je geheel voor mij had, zijn vervlogen als een droom.”

„Ik ga niet zoo ver heen, mijn beste,” zei de jonkman zachtjes—„een nauwe zeeëngte van eenige mijlen—ik kan spoedig weer terug zijn.”

„Neen, ’t is de afstand niet zoozeer, Armand—maar dat schrikwekkend Parijs… juist nu....”

Zij trachtte den verren afstand na te gaan, waar Frankrijks kusten lagen.

„Ons eigen schoon land, Marguerite,” zei Armand, die haar gedachten scheen te hebben geraden.

„Ze gaan er te ver, Armand,” zei ze driftig. „Je bent een republikein en ik ook… we koesteren dezelfde gedachten, dezelfde geestdrift voor vrijheid en gelijkheid… maar jij zelfs moet inzien, dat ze het spel te ver drijven…”

„St!” zei Armand, een snellen blik om zich heen werpend.

„Ha! ziet ge… ge acht het niet veilig over deze zaken te spreken—zelfs niet hier in Engeland!”—Ze klemde zich plotseling aan hem vast, met sterke, bijna moederlijke genegenheid: „Ga niet, Armand!” smeekte ze, „keer niet terug! Wat moet ik beginnen als.... als… als…”

Haar stem werd door snikken verstikt.

„Ge zult toch in ieder geval mijn eigen dappere zuster zijn,” antwoordde hij teeder, haar in de blauwe oogen ziende, „die zich herinneren zal, dat, als Frankrijk in gevaar verkeert, het zijn zonen niet voegt het land hunner geboorte den rug toe te keeren.”

„O! Armand!” zei ze met een aanminnig lachje, „de wensch bekruipt me somwijlen, dat ge niet zulke verheven hoedanigheden mocht bezitten....—Maar ge zult toch wel voorzichtig zijn?” voegde ze er ernstig bij.

„Zoo voorzichtig mogelijk… dat beloof ik je.”

„Denk er om, lieve broeder, dat ik jou alleen heb.... om.... om voor me te zorgen…”

„Neen, mijn beste, je hebt nu wel andere belangen. Percy zorgt toch voor je…”

Peinzend staarde zij voor zich uit, murmelend:—

„Dat deed hij.... vroeger....”

„Maar zeker....”

„Nu, nu, lieve, maak je niet ongerust om mijnentwil. Percy is een zeer goede…”

„Neen!” viel hij haar onstuimig in de rede, „ik moet mezelf ongerust maken omtrent jou, Margot. Luister eens, ik heb er je vroeger nooit over gesproken, maar het is me, alsof ik niet heen kan gaan, zonder je een vraag te doen… Je behoeft ze niet te beantwoorden, als je niet verkiest,” liet hij er op volgen, toen hij plotseling een hardvochtigen blik van haar ontmoette.

„Wat is het dan?” vroeg ze onverschillig.

„Weet Sir Percy Blakeney dat… ik bedoel, kent hij de rol, die je gespeeld hebt bij de arrestatie van den Markies de St. Cyr?”

Zij lachte—treurig, maar ook bitter was haar lach.

„Dat ik den Markies de St. Cyr aanklaagde, bedoelt ge, bij het tribunaal, dat hem met zijn geheele familie naar de guillotine zond? Ja, hij weet het.... Ik heb het hem gezegd, nadat wij getrouwd waren....”

„Gij hebt hem ook al de omstandigheden vermeld, die u van iedere schuld moeten vrijpleiten?”

„Het was te laat om van „omstandigheden” te reppen; hij hoorde de geschiedenis van anderen; mijn bekentenis kwam te elfder ure, naar het scheen?”

„En?”

„En ik smaak nu de voldoening, Armand, te weten, dat de grootste dwaas in Engeland met souvereine verachting neerziet op zijn vrouw.”

„Maar Sir Percy had u lief, Margot,” herhaalde hij zacht.

„Had me lief?—Nu, Armand, er was een tijd, dat ik dit geloofde, want ik had hem anders niet getrouwd. Waarschijnlijk dacht gij—zooals iedereen van gevoelen was—dat ik Sir Percy om zijn geld had gehuwd, maar ik verzeker je, dat dit niet zoo was. Hij scheen mij te vergoden met een passie, die mij rechtstreeks naar het hart ging. Nimmer te voren had ik iemand bemind, zooals ge weet; ik was toen vierentwintig jaar en zoo dacht ik, dat het niet in mijn aard lag iemand lief te hebben. Maar altijd wilde het mij voorkomen, dat het hemelsch moet zijn blind, hartstochtelijk bemind te worden… aangebeden feitelijk. En daar Percy een lijzig en dom heerschap is, trok dit mij aan in de onderstelling, dat hij mij des te meer zou beminnen. Een schrander man zou natuurlijk andere belangen hebben, een eerzuchtig man andere verwachtingen koesteren… ik dacht, dat een dwaas als Percy zou aanbidden en op niets anders bedacht zijn. En ik was bereid zijn liefde te beantwoorden met oneindige teederheid…”

Zij slaakte een zucht. Armand St. Just had haar laten uitspreken en naar haar geluisterd, terwijl hij aan zijn eigen gedachten den vrijen loop gaf. Een vreeselijk iets achtte hij het een jonge en schoone vrouw verstoken te zien van hoop, van iedere illusie beroofd.

Toch wellicht—hoewel hij zijn zuster innig liefhad—begreep hij den toestand. Aangenomen dat Percy Blakeney traag was van geest, hij was toch bezield met den adeltrots van den afstammeling eener lange reeks Engelsche patriciërs. En diezelfde trots—welken de republikeinsche Armand een dwaasheid noemde—moest allergevoeligst getroffen zijn bij het vernemen van Lady Blakeney’s daad. Percy was langzaam van begrip, hij had geen ooren naar „omstandigheden”, hij hechtte aan feiten en deze hadden hem Lady Blakeney doen kennen, als een vrouw, die een medemensch aanklaagt bij een rechtbank, die geen vergeving schenkt; de verachting, welke hij gevoelen moest voor de door haar bedreven daad, hoe onbewust ook harerzijds volbracht, moest de liefde in hem dooden.

Nu juist was zijn eigen zuster voor hem een raadsel. Zou het kunnen zijn, dat met het verkoelen der liefde van haar echtgenoot het hart van Marguerite voor Percy was ontwaakt? Hij kon echter die snaar bij Margot niet aanroeren. Hij kende haar vreemdsoortige, hartstochtelijke natuur zoo goed, hij kende ook de reserve, die heimelijk schuilde achter haar openhartige wijze van doen en zijn.

Het tweetal had altijd met elkander omgegaan, want hun ouders waren overleden, toen Armand nog een jongeling en Marguerite een kind was. Hij, de acht jaren oudere broeder, had over haar gewaakt tot aan den dag van haar huwelijk. Hij was haar trouwe metgezel geweest tijdens de schitterende jaren, in de Rue Richelieu doorgebracht, en hij had haar in Engeland het nieuw leven zien beginnen met veel verdriet en bezorgdheid voor de toekomst.

Dit was zijn eerste bezoek aan Engeland sedert haar huwelijk, en in de luttele maanden, dat zij elkander niet gezien hadden, scheen reeds een dunne scheidsmuur tusschen broeder en zuster opgetrokken; dezelfde diepe, warme genegenheid bestond nog wel aan beide zijden, maar ieder scheen thans een geheime gaarde te hebben, waarin de een noch de ander durfde door te dringen.

Veel was er, dat Armand St. Just zijn zuster niet kon openbaren; het politiek verband der revolutie in Frankrijk wijzigde zich nagenoeg iederen dag; zij zou niet kunnen begrijpen, hoe zijn eigen inzichten en sympathieën een wijziging konden ondergaan. En Marguerite kon met haar broeder niet van gedachten wisselen over haar hartsgeheimen, nauwelijks had ze zelf er bewustzijn van.

En nu ging Armand heen; zij was beducht voor zijn veiligheid, zij haakte naar zijn bijzijn. Zij wilde de laatste, korte, treurig-zoete oogenblikken niet bederven met over zichzelf te spreken. Zachtkens geleidde zij hem langs de riffen, vervolgens naar het strand; hun armen in elkaar gestrengeld, hadden ze nog zoo veel te zeggen, dat juist buiten hun geheime gaarden was gelegen.




ACHTSTE HOOFDSTUK.

De agent der Fransche republiek


De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.

De Day Dream had reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde, dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.

Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand, glinsterden de lichten der gelagkamer van „Visscherswelvaren” geelachtig in den toenemenden mist.

Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid, die werkelijk grenzenloos was.

Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis in St. Roch’s kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.

Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident, dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/emma-orczy/de-roode-pimpernel/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Overdreven fatterige kleeding in de Fransche revolutiejaren van 1792–94.


