Eene schitterende «carrière»
Jan ten Brink






Eene schitterende «carrière»





EERSTE HOOFDSTUK.

Groote plannen


De „oude” heer De Milde knikt.

Kee had gelijk. Het was nog vroeg genoeg. 't Zou wel niet vol zijn in de tent. Altijd zoo'n haast…

De „oude” heer De Milde stapt bedaard verder.

Zijne drie groote dochters volgen zwijgend dit voorbeeld. Zij schrijden langzaam voort door de breede lindenlaan, die eenmaal aan Constantin Huygens de stof voor een uitvoerig gedicht schonk.

Nog altijd slingeren zich de forsche takken van hooge, krachtige linden tot een groen gewelf boven de hoofden der wandelaars in de residentie – de schim van Frederik Hendrik's Raad- en Rekenmeester zou zich niet te ergeren hebben gehad over de zorgeloosheid van het nageslacht, als zij naast den heer De Milde en zijne dochters had mogen meewandelen.

De schaduw der hooge linden was voor het viertal nog te verkwikkelijker op dien brandend heeten Zondagmiddag van Augustus 1853, omdat ze, sedert ze hunne woning in het Lage Westeinde verlieten, door de zonnige straten en langs de breede pleinen drentelend, al dikwijls over de hitte geklaagd hadden.

De oude heer had het plan gemaakt voor eene wandeling naar Scheveningen, maar ter hoogte van het koninklijk paleis ontzonk hem de moed. De dames opperden geen bezwaar, en door het Heulstraatje waren ze nu binnen de weldadige schaduw van de aloude lindenlaan aangekomen.

Het sprak van zelf, dat de drie gezusters De Milde eenparig voor een bezoek aan de sociëteitstent in het Bosch stemden. Een ander plan zou in dergelijk een drietal Haagsche jongedames-hoofden bij zulk een heerlijken zomerdag moeielijk hebben kunnen opkomen. Maar daar ze nu onwillekeurig wat harder voortstapten, had haar vader op minder drift aangedrongen, en was zijne oudste dochter Kee wel zoo goed hem daarin te ondersteunen.

De wandelaars in het Voorhout namen niet veel „notitie” van de drie dames en haar geleider. Vooreerst was hun aantal niet groot, en daarbij kwam, dat de familie De Milde zich door geen enkel bijzonder kenteeken onderscheidde. Een paar malen gebeurde het, dat een deftig oud heer in 't zwart zijn hoed voor hen afnam, maar overigens zag niemand naar hen om. „Papa” De Milde was juist zulk een deftig heer als de dito-dito's, die hem groetten, en die hem kenden, omdat zij hem op zijn post in een der bureelen der gemeentelijke griffie hadden ontmoet, of wel, omdat zij gewoon waren met hem aan hetzelfde tafeltje der „Witte” hunne morgenversnaperingen te verorberen.

Een zeker zonderling huiselijk gebruik wilde, dat het hoofd des gezins steeds met uitdrukkelijke vermelding van termen als: „de oude heer,” „de oude man,” of dergelijken werd aangewezen, 't welk te zonderlinger was, omdat de waardige heer Leopold de Milde wel vijf dochters, maar geen enkelen zoon bezat. Deze manier van spreken, bij vrouw en dochters in zwang, was langzaam door de vrienden overgenomen, zoodat hij meestal met het praedicaat van den „ouden” heer De Milde aan vreemdelingen of nieuwe kennissen werd voorgesteld.

In contrast met zijn naam legde het slachtoffer dezer moedwillige titulatuur eene buitengewone mate van bedrijvigheid en jeugdigen levenslust aan den dag. Hij liep, en bewoog zich met groote drukte. Hij was gewoon ieder zijner woorden door eene overbodige weelde van gebaren te ondersteunen. In gezelschap zorgde hij door luid schreeuwen en uitzetten zijner zwakke stem de aandacht te winnen. Hoewel hij deftig in het zwart gekleed ging, en nooit verzuimde een spiegelgladden cylinderhoed op te zetten, trachtte hij toch nog iets zwierigs aan zijn kostuum te verleenen door schitterend witte vesten en blinkende sjaaldassen van zwart satijn, waarop een diamanten doekspeld fonkelde, die een of andere baryton uit een café-concert hem had mogen benijden.

De heer De Milde vertoonde een rond en vriendelijk glimlachend gelaat boven de hooge witte boorden, die zijne gladgeschoren kin beschermden. Zoo dikwijls hij zijn hoed met eene schielijke buiging afnam, zag men het keurig gladgeborstelde haar, onberispelijk zwart zonder een enkelen zilveren draad, zich in eene statige kuif boven zijn voorhoofd verheffen. Misschien hadden de huisgenooten kunnen mededeelen of dit verschijnsel enkel een voorrecht der natuur, of wel een talentvol kunstwerk mocht genoemd worden. De kleine grijze oogen glimlachten altijd met den breeden mond mee, 't welk bij de gezonde roode kleur zijner wangen aan den heer De Milde iets bijzonder prettigs en jeugdigs schonk.

Daar hij eer klein dan groot van gestalte was, en zich altijd rechtop hield als een welgedrild soldaat, scheen het zeer moeielijk zijn leeftijd te bepalen. Zelfs schertsend wilde hij er zich nimmer over uitlaten, hoewel het metalen kruis in zijn knoopsgat eenige wenken kon geven omtrent zijn ouderdom. De beste getuigen aangaande zijne jaren waren evenwel zijne drie volwassen dochters, die men te huis en onder vrienden met de weinig dichterlijke namen van Kee, Jans en Willemien aansprak.

Naast den „ouden” heer onder druk gebabbel voortstappend, leverden zij bij het eerste gezicht zeer weinig opmerkelijks of in het oog vallends. Kee en Jans onderscheidden zich van de schrale Willemien door zekere gezetheid, die zelfs de ijverzucht der glunderste boerendeern had kunnen gaande maken. Alle drie knappe brunetten, zouden ze toch door niemand voor volmaakte schoonheden zijn versleten. Handen en voeten muntten niet uit door fijnheid en sierlijkheid, terwijl haar gelaat doorschijnende blankheid miste, en geene dezer drie gratiën den frisschen blos van haar beweeglijken vader had geërfd.

Kee, Jans en Willemien hadden het eerste levenslicht in Den Haag aanschouwd, maar zouden daarom nog volstrekt niet als de waarachtige vertegenwoordigers der „Haagsche” dames bij uitnemendheid mogen gelden. Noch in Assen, noch in Eindhoven, noch in Nijmegen of in welke andere stad ook uit het zuiden, noorden of oosten des lands, zou iemand van deze trits beweerd hebben, dat zij zich kenmerkte door bijzondere Haagsche eigenaardigheden. Haar toilet verried, dat de dames zich veel moeite getroostten, om zoo prachtig mogelijk voor den dag te komen, doch het bleek maar al te duidelijk, dat zij daartoe twee gegevens misten: smaak en eene welgevulde beurs.

Onze nieuwe kennissen schenen als oude Hagenaars het niet der moeite waard te keuren eens in 't rond te zien, terwijl ze onder de verkwikkende schaduw van het Lange Voorhout henengleden. En toch tooverde de Augustuszon daar de verrukkelijkste stadsgezichten, die het hart eens kunstenaars hadden kunnen doen popelen van genot. Het machtige zonnelicht schoot door de bladerrijke kruinen der linden, en wierp een fijnen regen van goudstof te midden der dichtste schaduwen. Over den breeden weg dansten en huppelden zonnevonken, zoo dikwijls een licht koeltje de bladeren aanroerde. De statige huizen en paleizen aan de noordzijde baadden zich in het volle, straffe licht, zoodat de grauwe en grijze gevels, met gulden tinten overdekt, schenen te glimlachen tegen het trillend azuur van den wolkenloozen hemel.

Iets verder onder de achtbare kastanjeboomen voor het vorstelijk woonhuis van Prins Frederik der Nederlanden werden de schaduwen breeder, maar de zonneglans buiten de boomenrij des te verblindender. Onze wandelaars zagen niet om naar het schilderachtige hertenkamp, blakend van zonneweelde, maar herademden, toen zij over de Boschbrug de eerste lanen van het oude grafelijke woud mochten bereiken. De stroom van drentelende Zondagsmenschen met hunne kostelijkste kleedij, de dichte rijen voetgangers onder de boomen en de lange reeksen van rijtuigen, ruiters en amazonen op den grooten weg namen de volle aandacht der dames De Milde in beslag. Zij gaven er niet om, of Helios het breede grasplein van de Maliebaan met golvende vlammen verschroeide; of hij ieder blaadje boven haar hoofd met een gouden biesje omzoomde; of hij hoog omhoog in de takken der boomen van de Jacoba-laan een triumflied aanhief als alverwinnend dagvorst; zij zagen naar de menschen, die op en neer dwarrelden – en, schoon zelven niet uitmuntend door eigen goeden smaak, wisten ze onophoudelijk het vernietigendst oordeel over het kostuum van anderen uit te spreken.

In de Jacoba-laan vertoonden zich de velen, die op en neer spanceerden, wijl zij den toegang misten tot het „beloofde land” – de sociëteitstent. Onderofficieren in groot tenue; dragonders, donkerblauw met wit uitgemonsterd; jonge dames met kinderwagentjes; bezoekers van het platte land in de buurt met omvangrijke regenschermen en ouderwetsche reistaschjes – alle dezen werden door de dochters van den heer De Milde zorgvuldig opgenomen en besproken. Door de warmte onwillekeurig in hare snelle vaart gestuit, duurde het vrij lang, eer zij de „tent” bereikten. Tegen verwachting was het zeer vol. Vreemdelingen en Hagenaars hadden zich aan alle zijden om de groene houten tafeltjes geschaard.

Door de spitsroede der rustig zittende familiën heen loopend, werd menige hoed afgenomen voor vader en dochters, en achter hun rug soms een glimlach gewisseld over de ronde figuurtjes van Kee en Jans en het „allerdolst” toilet. Gelukkig vonden zij aan een hoek bij het water nog een vrij tafeltje en zetten ze zich haastig neer, om uit te blazen en rond te kijken. Vroolijke, welluidende tonen van de beroemde militaire kapel hadden hun blijden intocht verwelkomd, maar, of ze niets hoorden, hadden ze doorgekeuveld zonder ophouden. Zij kwamen nu eenmaal om menschen te zien, om aanmerkingen te maken, en, daar tot het bijeenbrengen van zooveel menschen muziek onvermijdelijk scheen, namen zij de muziek op den koop toe.

De heer De Milde had met veel omslag een knecht aangeklampt, en hem zeer uitvoerig in de ooren gefluisterd, wat de dames verlangden. Weldra prijkten glaasjes madera of advocaat voor het viertal, en drukker dan ooit wisselden de mededeelingen en de glimlachjes elkander af. Boven hunne hoofden zouden ze tusschen de takken en het vergulde groen den helderblauwen hemel hebben kunnen ontdekken, soms voor korte pooze verduisterd door sneeuwwitte wolkstapels, die als dreigende gevaarten den zonnegod schenen te bestormen, maar ijlings terugweken, zoodra deze de volle laag zijner straalbundels tegen hen uitgoot. Noch voor dit alles, noch voor het treffend contrast van het schitterend verlichte Bosch met het plotseling verduisterde Bosch hadden zij oogen. Zij zagen het niet, dat de takken, die zich over hunne hoofden welfden, in wier koele schaduw ze zich verkwikten, duizenden en millioenen bladeren als festoenen samensnoerden; zij zagen niet, hoe die dofgroene bladeren onder Helios tooverstaf doorschijnend werden, hoe ze droppelden, hoe ze fonkelden van saffieren en goud…

Ze zagen de menschen aan de tafeltjes zitten en de wandelaars door de voetpaden slenteren. Hunne eenige vreugde was iets bijzonders te weten over de personen, die hen omringden.

„Was dat Hugo Brouwer niet?” – vroeg Willemien.

„Jawel, die geëngageerd is met Jetje Sandérus!” – antwoordde Jans.

„Raar, dat zoo'n jongmensch zonder zijn meisje in de tent komt!” – fluisterde Kee.

„De jongedame kan onpasselijk zijn!” – poogde de heer De Milde te verklaren.

Het was een eigenaardige trek van dezen trouwen ambtenaar der gemeente, dat hij in het gesprek allerlei stadhuiswoorden en boekachtige volzinnen bezigde.

„Mij zou zoo'n engagement niet bevallen!” – oordeelde Willemien, terwijl de donkere oogen vrijmoedig in 't rond zagen.

„Kijk, daar komen de dames Halder aan!” – riep Jans. „Wat een kleeding! Blauw satijn met kanten mantilles! Die lui hebben altijd iets vreemds! En wat een omvang! Ze vullen met z'n beien het heele wandelpad!”

„Dat komt weer in de mode!” – viel papa in. – „Wacht maar, binnen een jaar zal men nog wel wat anders zien!”

„Alweer verandering!” – zuchtte Kee, terwijl ze een bangen blik sloeg op het zwart barègekleedje, waarmee ze gehoopt had nog heel den zomer mooi te zullen zijn.

„Daar komen de Tulken aan! Kijk toch vóór je, Willemien!”

Deze vermaning der corpulente Jans deed de schrale jongste dame van het gezelschap nog scherper opzien.

Er worden groeten gewisseld tusschen de Tulken en het tafeltje der De Mildes.

Toen de familie Tulk onder de wandelaars verdwenen was, staken de dames de hoofden bijeen en fluisterden:

„Wat een bluf!”

„Als dat maar goed afloopt!”

„Je moet maar durven!”

„Drie nieuwe parasols!”

„Enfin! ze moeten het weten!”

De heer De Milde hield zich bezig met zijne sigaar en sprak niet veel. Hij schepte er behagen in zijner dochters het woord te laten. En bij de inderdaad drukkende warmte kwelde hem de behoefte om luid te spreken minder dan gewoonlijk.

Zijne dochters zetten zich meer en meer op haar gemak, terwijl ze zich den inhoud der glaasjes voortreffelijk deden smaken. Klonk de muziek wat forsch, dan spraken ze wat harder. De dikke Kee had al geruime poos naar een vrij verwijderd tafeltje met heeren en dames gegluurd. Eindelijk sprak ze:

„Nu ben ik er! Zie je daar ginder dat tafeltje met de familie Van Beek? Die twee vreemde heeren zijn de neven uit den Bosch… Er is verleden Donderdag een heele partij geweest! Ze zijn er misschien voor overgekomen. Ik geloof, dat Arabella van Beek met een van die neven geëngageerd is!”

„Gekheid!” – riep Willemien. – „Luitenant De Haak heeft Arabelle al een poosje het hof gemaakt! Het verwondert me, dat hij er niet bij zit!”

„Daar komt hij net aan!” – merkt Jans op.

„Wat een drukte, wat een gegroet, wat een beweging!” – pruttelt Willemien. – „Die van Beeken kennen ook iedereen!”

De heer De Milde knikte vriendelijk, en fluisterde bescheiden:

„En wij zijn er ook bij! De meisjes komen ten onzent!”

„Maar, als ze eene groote partij geven, laten ze ons thuis!” – sprak Kee scherp.

„Voor veertien dagen ben je nog op een muziekpartij bij de Van Beeken geweest!” – antwoordt de „oude” heer.

„Nu ja, maar verleden Donderdag lieten ze ons thuis!”

Willemien klemde de lippen op elkaar, nadat ze dit gezegd had, en scheen van plan niet weer te spreken voor den geheelen dag.

Plotseling klonk eene vroolijke, welluidende stem:

„Hoe varen de dames? Hoe vaart meneer De Milde?”

„Bonjour, André!”

„Hoe maak je 't De Witt?”

Zoo luidden de begroetingen, waarmee ons viertal een jongmensch ontving, dat den vader zijne hand reikte, en niet verzuimde de grijze, gele of donkerbruine vingeren der dochters eerbiedig aan te roeren.

Oogenblikkelijk had hij een stoel gevonden en plaats genomen tusschen Kee en Willemien – een feit, 't welk dezer laatste een purperrooden blos op de wangen joeg.

Het gezelschap nam er geene „notitie” van, daar men terstond zeer druk begon te babbelen, waarbij de nieuw aangekomen jonkman wel het minste zeide. Hij was een vriend van den huize De Milde, ieder had hem een verhaal te doen. Zwijgend luisterde hij, terwijl zijn oog zich onwillekeurig naar omhoog richtte, en steelsgewijze het in zonnegoud badende Bosch bewonderde.

Mr. André de Witt, adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken, was een dier jongelieden, welke al door hun uiterlijk het twijfelachtig voorrecht bezitten van door ieder te worden opgemerkt en gekend. Hoog van gestalte, welgevormd, trok hij het meest de aandacht door zijn gelaat. Het breede voorhoofd overtrof in blankheid de bleeke kopjes der drie gezusters De Milde, maar vooral muntte hij boven dezen uit door de sprekende, fonkelende oogen, donkerbruin tot zwart worden toe; door het krullende, glanzige hair, dat de frissche kleur van zijne wangen duidelijk deed uitkomen. Mr. André de Witt maakte den indruk van een kunstenaar in het romantisch kostuum, dat van 1830 tot 1850 den artist kenmerkte. Eén ding evenwel temperde dezen indruk: de uitnemende smaak, waarmee hij dit eenigszins vreemde kostuum droeg.

Zijn grijze vilten hoed met breede randen was niet overmatig breed of in 't oog vallend; zijn luchtig jasje van zwart lustre was hoog toegeknoopt en liet nauwelijks een paar strepen der roomkleurige satijnen das onder de breede, witte boorden zien. Schoon hij dus bij de eerste kennismaking wat zonderling mocht schijnen door zijn artistiek pak, geen vreemde kon hem aanzien zonder eene vluchtige belangstelling voor zijn open oog, de frissche kleur zijner wangen en de kloekheid zijner bewegelijke en gespierde figuur. Niemand zou op de gedachte komen hem voor een ijdel pronker te houden, omdat hij grijze slobkousen met witte knoopen droeg, zoodra men den kalmen blik uit de donkere oogen ontmoette, en den fijnen trek langs den scherp geteekenden neus en den krullenden bruinen knevel gewaarwerd. Zijne houding drukte vastberadenheid en wilskracht uit met een licht tintje van overmoed. Als hij naar iemand luisterde, verried het spel zijner wenkbrauwen, van zijn oogopslag en zijner bewegelijke trekken het antwoord, dat volgen moest.

Kee had het zeer druk, en maakte zich spoedig van den boventoon meester, terwijl hij bij tusschenpoozen een enkel woord sprak.

„Je weet wel, André! dat we je van die knappe dame verteld hebben, die dame uit Rijswijk … je herinnert het je nog wel, verleden Zondag…”

„Perfect!”

„'t Is gisteren in orde gekomen! Mama is dolblij en de oude heer ook!”

Papa De Milde knikte vriendelijk.

„'t Is eene heele uitkomst! Je begrijpt … de drie mooiste kamers van onze eerste verdieping, en dan bediening, diner en ontbijt … alles te zaam voor duizend gulden! Me dunkt dat schikt nogal!”

„Voor hoe lang heb je gecontracteerd?”

„Voor één jaar, met drie maanden vooraf opzeggen! 't Schijnt eene heel lieve vrouw te zijn! Mama heeft gezegd, dat ze ons altijd welkom zal wezen, als ze in den huiselijken kring wil komen. Zonder juist trotsch te zijn, had ze iets voornaams, toen zij antwoordde, dat zij door treurige familieomstandigheden vooreerst niet veel lust tot conversatie had… Zij zal alleen dineeren op haar kamer! Zij was heel elegant in 't zwart. Ze zag er knap uit, heel knap!”

Op dat oogenblik viel Jans in:

„Ze is bepaald in den rouw over haar man!”

„Dat heeft ze niet gezegd!” – hernam Kee.

„Dat behoeft ook niet!” – merkt de „oude” heer glimlachend op. – „Men kan eene fatsoenlijke dame niet uithooren. Treurige familieomstandigheden, dat is genoeg! We zullen er later wel meer van vernemen!”

Mr. André de Witt hield den „ouden” heer scherp in 't oog en sprak

„Hoe noemt die dame zich?”

„Mevrouw De Huibert!”

André schudt het hoofd.

„Een onbekende naam! Enfin, ik hoop, dat u veel genoegen van de nieuwe huisgenoot moogt beleven!”

„Daar twijfel ik niet aan!” – riep Jans uit de onnoozele behoefte om tegen te spreken wat er gezegd werd. – „Ik ben heel blij, dat mevrouw De Huibert bij ons komt wonen!”

Er volgde een oogenblik stilte.

Daar de virtuozen eene poos schenen uit te rusten, zei de dikke Kee:

„Wat is 't hier drukkend warm onder die boomen! Ik zou wel eens willen wandelen!”

André stond snel op, en verklaarde zich bereid de dames te begeleiden. Kee en Willemien maakten van het aanbod gebruik. Jans zou den „ouden” heer gezelschap houden.

De jongelieden vingen aan langzaam de paden en lanen der sociëteitstent te volgen.

Nu maakte Willemien zich van het gesprek meester.

„Kee heeft je de helft maar gezegd, André! Het verhuren van de kamers en al wat daarbij komt, gaat ons alleen aan, en mama ook natuurlijk. De oude heer heeft het te druk met zijne betrekking, hij kan zich zoo met alles niet bemoeien. Daarenboven, hij is te royaal, de goeie man, hij zou alles veel te goedkoop doen. Mevrouw De Huibert is voor een veertien dagen onze kamers komen zien. Ze had een jonge dame bij zich, die niet in den rouw was, en die ze later aan mama als hare zuster presenteerde. Ik houd het voor uitgemaakt, dat ze om haar man in den rouw is. Ze heeft alles heel nauwkeurig bekeken, alles nagesnuffeld, en de voorwaarden heel uitvoerig afgesproken. Gisteren kwam ze met haar zuster terug. Er moest nog een massa veranderd worden. Vooral in de slaapkamer. De spiegel deugde niet. Er moest nog een tafeltje bij – enfin, eindelijk was ze tevreden. Toen ze heenging, verzocht ze mama drie maanden huur vooruit te mogen betalen. Mama heeft het aangenomen, maar de oude heer vond het later verkeerd. Zoo staat de zaak.”

Willemien had zeer snel en fluisterend gesproken, en daarom haar bleek neusje zoo dicht mogelijk bij André's schouder gebracht.

Deze glimlachte vroolijk. Hij zag nu geen bezwaar meer in de zaak. Hij was zeer nieuwsgierig naar het mooie weeuwtje, en beloofde spoedig eens te komen kijken.

„Ja, maar voor dien tijd moeten we je nog wat anders zeggen!” – viel de oudste zuster in. – „André, je zoudt ons meisjes een groot plezier kunnen doen!”

„Kom aan! Dat treft goed! Al wat je maar wilt!”

„Ja, maar je moogt er met niemand over spreken!”

„Een geheim! Nog beter!”

„Het geheim is niet groot, maar we willen het toch liever onder ons houden! Toekomende jaar in October vieren papa en mama zilveren bruiloft. De oude lui zullen er wel niet veel werk van maken, maar we willen ze eens verrassen. Ons plan is een klein huiselijk feest te geven. We vragen onze beste vrienden, de naaste familie – een groote twintig menschen. Je begrijpt, dat er wat bijzonders moet wezen! Wij kunnen zelven moeilijk iets aardigs organiseeren, maar wien zouden we het beter kunnen vragen, dan aan onzen geestigen vriend André de Witt?”

Kee had met groote deftigheid gesproken.

De jonkman had dit alles met even groote statigheid, schoon soms schielijk glimlachend, aangehoord.

Was hij getroffen door de naïeve vleierij, of kwamen herinneringen hem vriendelijke beelden van een pas vervlogen verleden te binnenbrengen?

André woonde sinds een jaar in de residentie. Daar hij tot nog toe maar zeer weinig Haagsche familiën had leeren kennen, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden op zeer vriendschappelijken voet bij de familie De Milde werd ontvangen, achtte hij zich verplicht het plan der jongedames zonder eenige aarzeling te aanvaarden. Ondanks zijn deftig ambt van adjunct-commies bij het ministerie van Buitenlandsche Zaken, afdeeling: Handelszaken, had hij den grooten voorraad opgeruimdheid en vroolijken levenslust, van de academie meegebracht, nog nimmer verzaakt.

André de Witt was de zoon van een onbemiddeld predikant te Leiden, die in de verte verwant was met de familie De Milde. Daar André zich de eerste maanden van zijne vestiging in de residentie soms verveelde, omdat hij een vijand van eenzaamheid en een buitengewoon gezellig schepsel was, maakte hij gebruik van eene ontmoeting met den ouden heer op de „witte” sociëteit, en meldde hij zich eenige dagen later bij de familie De Milde aan. De dames traden in een zeer uitvoerig overleg omtrent de familiebetrekking der De Witten uit Leiden en der De Mildes, maar men kwam tot geen ander besluit, dan tot eene uiterst verwijderde betrekking in de zijtakken der beide geslachten. Om deze en nog andere zeer belangrijke redenen had de jonge De Witt zich bij het gezin van den jeugdigen „ouden” heer De Milde aangesloten.

De mededeeling van de oudste dochter des huizes aangaande de zilveren bruiloft harer ouders werd door André niet terstond beantwoord, omdat de beide jongedames hem met allerlei denkbeelden overstelpten, die op de toekomstige feestviering betrekking hadden. Ten einde vrijer te kunnen spreken, traden ze buiten de tent, en wandelden ze het Bosch in. Willemien plooide haar mond tot een vroolijken glimlach, en zag André vragend aan terwijl ze sprak:

„Je weet,” – zei ze, – „dat we heel wat ruimte hebben thuis voor zulk een partij. De achterkamer met de suite is groot genoeg om te dansen, en in de voorkamer zouden wij kunnen soupeeren…”

„Dansen moet geen hoofdzaak worden!” – viel Kee in. – „Daar zouden de zilveren bruid en bruidegom niet veel aan hebben! Neen, er moet iets aardigs, iets amusants bedacht worden! André zal wel wat weten!”

„Laat ons dan comedie spelen!” – riep Willemien.

„Als we er maar talent voor hebben!” – merkte André op.

„Talent zullen we hebben, als jij ons helpt!”

„Met het grootste plezier! Ik zal je helpen! Maar er is veel noodig voor zoo'n onderneming. Vooreerst een geschikt stuk of stukje…”

„Dat kun jij wel schrijven, André!”

„Ja, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet! Op een zilveren bruiloft moet men altijd geest hebben voor tien, en dat zal niet gelukken!”

„Niet gelukken?”

Willemien vroeg dit met eene verontwaardiging zoo ongeveinsd, dat André plotseling hartelijk lachte.

„Neen, maak nu geen zwarigheid, André!” – vermaande Kee. – „Je kunt, als je maar wilt! Ik vind het idée van comedie spelen heel goed. We zullen je alles vertellen van papa en mama! Dat zal je te pas komen in je stuk. En dan, dat de oude heer den tiendaagschen veldtocht heeft meegemaakt … nadat hij pas twee jaren getrouwd was … en allerlei grappige scènes…”

„Ja, maar, André! je moet voor ons altemaal eene rol maken, en voor de meisjes thuis ook … en je moet mooie kostumen bedenken en dan nog een paar verrassingen!”

De jonkman keek met grappige verlegenheid naar de reusachtige boomen boven zijn hoofd, en riep:

„Alles goed en wel! Ik zal er eens ernstig over denken, dames! Maar ik geloof, dat jelui de moeilijkheden van zoo'n onderneming te gemakkelijk wegredeneert! Stel, bij voorbeeld dat ik een stuk fabriceer, dan moeten er primo acteurs zijn…”

„Heel goed!” – viel Willemien in. – „Je hebt vooreerst vijf dames De Milde…”

„Dat vind ik verrukkelijk, maar de vraag is, of ik zooveel damesrollen kan creëeren!” – riep André lachend. – „Ik moet ook eenige heeren hebben!”

„Kom, kom, geen bezwaar! We kunnen Kees Tulk vragen, en jij speelt natuurlijk mee, André! Wil je soms nog een derde heer, dan zal ik zelf optreden! Wat denk je daarvan?”

Willemien had gehoopt meer plezier van haar voorstel te beleven. André schudde het hoofd, terwijl hij haar met comischen ernst aanzag. Zulk een travesti scheen hem een waagstuk! Daarom poogde hij de zwarigheid uit den weg te ruimen, en zei schielijk

„Nu, dat is van later zorg! Maar, als het stuk er is, dan moeten we onophoudelijk repeteeren, en waar zullen we dat doen…”

„Bij ons, dat spreekt van zelf! Laat dat maar aan mij over! Ik zal mama wel het een of ander zeggen.”

Willemien sprak zoo beslist, dat hare oudste zuster er vreemd van opzag. Toch vond Kee goed met een flinken hoofdknik alles toe te geven.

De drie jongelieden waren den grooten rijweg genaderd, en besloten naar de tent terug te wandelen, daar zij geene muziek meer hoorden, en begrepen, dat het concert afgeloopen was. Op het punt van zich om te keeren greep Willemien plotseling als door eene hevige gemoedsbeweging overweldigd den arm van André en fluisterde:

„Kijk, dáar, dáar!”

André zag naar de aangewezen richting, en bespeurde een ordinair huurrijtuig met ééne dame er in langzaam voortrollend te midden der fraaie equipages.

De dame lette weinig op de wandelaars, naar het scheen. Zij staarde peinzend naar het bladerendak boven haar hoofd, terwijl zij achteloos eene zilvergrijze parasol in de linkerhand hield. Zij was statig maar smaakvol in lichten rouw gekleed. De hoed van fijn zwart stroo was met lange, breede lichtpaarse linten onder de kin vastgeknoopt en bedwong nauwelijks een schat van glinsterende, donkerbruine krullen, die over schouders en rug golfden. Het gelaat dier vrouw was innemend, hare donkere, schitterende oogen fonkelden met hartstochtelijken gloed. De voorbijgangers vestigden nieuwsgierige of bewonderende blikken op het rijtuig.

Willemien kneep André in den arm, en riep

„Daar heb je onze mevrouw! Dat is mevrouw De Huibert!”




TWEEDE HOOFDSTUK.

Het huishouden van een „bachelor”


Des Zondagsmorgens liet Van Pommeren met kerkelijken ijver de valgordijnen voor de groote ruiten van den winkel hangen. Geen boos voorbijgangersoog mocht dan den blik naar binnen slaan, om al de weelde der pas voltooiden zwarte rokken, uniformjassen, zomerpantalons en witte vesten te aanschouwen. Van heel de glorie der weidsche kleermakerszaak was thans niets zichtbaar als de groote vergulde letters op de ramen en het wapenschild boven den hoofdingang van den winkel.

Op de ramen las men: Emile van Pommeren, fils, fournisseur de la Cour. Niemand kon met grooter ingenomenheid dit opschrift ontcijferen dan de eigenaar zelf. Die kleine zwierig gekleede heer in 't zwart met parelgrijze handschoenen, die daar langzaam door de Hoogstraat komt aanwandelen, is de hoogstachtbare heer Emile van Pommeren in eigen eleganten persoon. Het is halftwaalf, hij komt uit de kerk; uit de Waalsche kerk natuurlijk. Een fournisseur de la Cour, die een ziertje achting voor zich zelven koestert, komt in geene andere.

Dezelfde Augustuszon, welke dien eigen middag op de verschoten parasols der dames De Milde zal blaken, als zij met hun vriend Mr. André de Witt complotten zullen smeden voor de zilveren bruiloft harer ouders – diezelfde Augustuszon valt nu met volle strafheid op de welafgeschuierde gestalte van den talentvollen maître tailleur Van Pommeren. In Augustus 1853 had men de taalkundige ketterij nog niet oogluikend doen voortwoekeren, waardoor het eenvoudige bijvoeglijk naamwoord: net later eene geheel nieuwe en allerburgerlijkste beteekenis kreeg – desniettemin zou men met volkomen gewetensrust hebben kunnen volhouden, dat deze mooi opgedirkte kleermakersbaas een der „netste” menschen uit de residentie mocht geschat worden. Hij staat nu stil voor het kapitale huis, waarin de zaak van Emile van Pommeren, fils, is gevestigd.

Met groote teederheid neemt hij den voorgevel op, en glimlacht tegen het blinkende wapenschild boven de deur. „Midden in de Hoogstraat” … „de beste stand” … „kranig,” „heel kranig!” – mompelt de nette man. Van Pommeren heeft een levendig besef van zijne hooge beteekenis als staatsburger en Hagenaar. Welk eene „clientèle” kwam zich niet bij hem voorzien van de heerlijkste zomer- en winterkostumen! De voornaamste edelen der residentie, zelfs de Minister van Marine, pleegden zijn kunstenaarssmaak te volgen! Inderdaad, niemand twijfelde aan de „sierlijkheid” van de „coupe” zijner meesterstukken, dat wil zeggen, van de voorwerpen, die in zijne „ateliers” werden vervaardigd. Van Pommeren, fils, „dirigeerde”, hij stond te hoog voor practischen arbeid.

Terwijl hij vlak voor zijn huis een oogenblik toeft, tintelen de kleine oogjes van plezier. Hij richt zich omhoog, plaatst zich op zijne teenen, om zijn paleis recht goed in oogenschouw te nemen. De in het zonnelicht glinsterende hoed valt bijna van het met geurige pommade gezalfde hoofd, maar hij blijft tevreden knikken. De eerste verdieping met aparten opgang is verhuurd aan een uitmuntend „locataire”. Zie maar! – aan den deurpost naast den hoofdingang van het „atelier” staat: Van Reelant – doodeenvoudig, maar dat is Jonkheer Van Reelant, de referendaris, de voorname, deftige man, die sinds 15 Juli zijn bovenkwartier bewoont. Door den plotselingen dood van een vorig „locataire” was het kwartier juist vrij, toen meneer Van Reelant zich aanmeldde.

Vijf weken woont de jonge, welgekleede referendaris boven Van Pommeren, fils. Deze laatste heeft niets dan vreugde aan zijn nieuwen „locataire” beleefd.

Van Pommeren gelooft, dat de hooggeboren referendaris de eer van boven zijne beroemde ateliers te wonen volkomen waardig is. Niemand is zoo stipt en correct in alles, als Jhr. Van Reelant. De oude Anna, die hem bedient, kan het getuigen. Van Pommeren, fils, is niet het minst tevreden over de beleefde houding van zijn „locataire”. Reeds een paar malen heeft hij een uitvoerig gesprek met hem mogen aanknoopen, maar tot Van Reelant's eer moet hij zeggen, dat de toon van het onderhoud buitengewoon fatsoenlijk was, „parfaitement comme il faut”.

Emile van Pommeren, fils, was bijzonder gesteld op waardeering. Zijne aanzienlijke „clientèle”, zijne voorname kennissen, de invloed door hem geoefend in tal van Haagsche kringen, verhieven hem tot den rang van een aanzienlijk personage – naar hij meende te mogen vaststellen. Bovendien was hij in de residentie bekend als een talentvol virtuoos, daar hij op liefhebbers-concerten verschillende reizen met den hoogsten lof een solo voor viool had uitgevoerd. Alles te zaam genomen, meende de achtbare „fournisseur de la Cour”, dat er in Den Haag wel minder bevoorrechte schepselen rondwandelden.

Onder deze en dergelijke aangename overpeinzingen bracht de heer Van Pommeren een miniatuur-sleutel voor den dag, en wilde juist de winkeldeur ontsluiten, toen naast hem de deur van het bovenkwartier openging, en Jhr. Mr. Arnold van Reelant te voorschijn trad. Van Pommeren nam zijn spiksplinternieuwen Zondagschen hoed met een snellen zwaai af, boog als een dansmeester, en zei onmiddellijk:

„Goeien morgen, meneer Van Reelant! Warm weer, vindt u niet?”

De aangesprokene greep even naar zijn hoed, en knikte deftig met het plan bedaard door te stappen.

Van Pommeren glimlachte zeer hoffelijk, en vervolgde snel:

„Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! Pardon! maar nu ik u juist ontmoet … ik heb zoo zelden de eer u te zien … mag ik vragen, is u tevreden over het kwartier, over de bediening!”

„Zeer tevreden, meneer! Dank u!”

„Bij de minste kleinigheid, hoop ik, dat ik onmiddellijk zal gewaarschuwd worden!”

„Dank u zeer, meneer Van Pommeren!”

En Van Reelant maakte aanstalten, om snel op weg te gaan.

„Pardon, meneer Van Reelant! Neem me niet kwalijk! maar, tot nog toe vergat ik u te zeggen…”

„Later, als ik u verzoeken mag. Ik heb haast, en moet naar den trein, om eene dame van mijne familie af te halen!”

„Neem niet kwalijk! Ik heb vergeten u te zeggen, dat, als u soms boven een soirée of een souper zou willen geven, alle faciliteiten u ten dienste staan … glaswerk, porselein…”

„Uitstekend! Dank u!”

Maar ditmaal bleef het niet bij het voornemen, en Van Reelant snelde vluchtig groetend weg.

Hij had waarlijk haast. Hij liep vlug voort, maar toch zoo, dat zijne waardigheid van referendaris en edelman geen oogenblik gevaar liep. Van Reelant kende Den Haag. Toen hij nog te Leiden studeerde, had hij zijne eerste jaren bijna onafgebroken in de residentie „geresideerd.” Hij had den slag beet, om in alle opzichten eene groote hoeveelheid uiterlijke achtbaarheid te vertoonen.

De vijf laatste, weken hebben hem geheel doen ontwaken tot een nieuw leven. Van de twee jaren, als griffier bij het kantongerecht te Osterwolde doorgebracht, poogt hij zich zoo weinig mogelijk te herinneren. Al die „misères” zijn voorbij. Hij is nu een volbloed Hagenaar geworden. Zijne betrekking als referendaris bij Buitenlandsche Zaken had hem met tal van invloedrijke personen in aanraking gebracht. Reeds kwam er van tijd tot tijd gelegenheid den onderdanigen groet van den een of ander voorbijganger te beantwoorden. Hij ziet er, als naar gewoonte, keurig uit. Met groot overleg is zijn kostuum eenvoudig, maar toch smaakvol gekozen. Het mocht in 't oogvallend genoemd worden voor hen, die hem vroeger gekend hadden, dat de kleur zijner handschoenen donkerder en deftiger, dat zijn blond hair strenger afgeknipt, dat zijn geheele uiterlijk ernstiger en afgemetener geworden was.

Of de gedachtenloop, die hem bezig hield, aangenaam of verdrietelijk te achten was, kon men aan de kalme uitdrukking zijner trekken niet waarnemen. Hij liep snel voort door Veenestraat en Wagenstraat, om tijdig bij het station te zijn. Toen hij eindelijk de pseudo-classieke portiek in het verschiet ontwaarde, bleek het, dat hij overvloedig tijd had bedaarder te wandelen.

Zoo naderde hij dus langzaam. Hij streed in stilte een zwaren strijd. Hij stond op het punt iets zeer gewaagds, iets zeer onvoorzichtigs te doen…

Mevrouw Suzanna de Huibert, geboren Muller Belmonte, zou zich dien schoonen Zondag voor goed in de residentie vestigen, en hij – Van Reelant – zou haar bij het aankomen van den trein verwelkomen.

Daar waren allerlei gewichtige oorzaken, waarom hij dien plicht juist niet met de hoogste geestdrift vervulde. In de eerste plaats herinnerde hij zich een nacht op Lindenstein, en telkens poogde hij met eene snelle beweging de gedachte aan de schande, op heeter daad betrapt te zijn, van zich af te stooten… Dan kwam er eene reeks van gebeurtenissen uit Osterwolde … dan brieven van Suze, die bij het herdenken hem somber stemden. Het sprak van zelf, dat hij zich tegenover haar in zijne antwoorden zeer belangstellend had getoond; dat hij zelfs de betreurenswaardige onhandigheid begaan moest, Suze schriftelijk nogmaals van zijne liefde te verzekeren…

Hij kon ook niet weten, dat zij zoo spoedig besluiten zou, om met hare moeder en zuster zich vlak in zijne nabijheid te Rijswijk te vestigen. En daarna had hij in een allerhartelijksten, liefdevollen brief vernomen, dat Suze van voornemens was in Den Haag te komen wonen op gemeubileerde kamers bij eene fatsoenlijke, stille familie. Hij moest zich houden of hij deze tijding met de hoogste verrukking hoorde … hij moest veinzen…

Waarom moest hij dat?

Jonkheer Van Reelant had er zijne goede reden voor. In Osterwolde had Suze zijn leeg bestaan geur en kleur gegeven. Hij had haar toen noodig, om door zijn tijd te komen, en zich met iets aangenaams bezig te houden. In de vervlogen twee jaren had hij haar liefgehad met meer hartstocht dan waarvoor hij zijn kalm, berekenend karakter in staat achtte. Suze zelve had bewezen, dat zij hem boven alles ter wereld had uitverkoren. Zonder voorbehoud had zij zich edelmoedig gegeven, had zij eeden en beloften aan haar echtgenoot met voeten getreden. Vrijwillig had zij alles gewaagd voor hem, zonder den minsten schijn van zelfzucht.

Van Reelant kon met voldoening tot zich zelven zeggen, dat deze vrouw hem in alles volgde, in alles vereerde, in alles aanbad. Hoewel hij een dergelijken toestand niet volledig onwelkom keurde, moest hij toch overleggen, hoe na de laatste gebeurtenissen te handelen. Ware er niets geschied op Lindenstein, en mevrouw De Huibert met haar man naar Den Haag gekomen, hij zou geen tijd noch moeite te kostbaar geacht hebben, om haar te volgen en te verplichten. Als huisvriend van eene aanzienlijke familie op te treden, daartegen kon niets ter wereld worden ingebracht, maar bescherming te verleenen aan eene onbekende dame, zonder behoorlijke toelichting van haar burgerlijken en maatschappelijken staat … daarin zag de verstandige man een groot „inconveniënt.”

In stilte had hij zijn gelukkig fortuin bewonderd, toen hij ontdekte op welk een zandgrond zijne vroegere plannen zouden zijn gebouwd, en hoe verschrikkelijk „gecompromitteerd” hij zou geweest zijn, indien Suze zijne wettige vrouw geworden ware! Maar nu zou zij natuurlijk zijne hulp vragen, rekenen op hem, die haar zoo vaak van zijne liefde had pogen te overtuigen … en juist nu kwam hem de heele zaak minder wenschelijk voor bij de eerzuchtige plannen, die hij koesterde. In Den Haag moest hij snel en onbesproken eene schitterende „carrière” maken. Alles had hij overlegd, alles voorzichtig vastgesteld. Zijne gedragslijn was volledig afgebakend. Onvoorzichtigheden kon hij niet begaan. Op zijn naam mocht geen smet kleven. Reeds had hij dien morgen zijn gewonen kerkgang verzuimd, en nu was hij op weg, om eene in Den Haag geheel vreemde dame te ontvangen…

Tot nog toe had hij in zijne brieven Suze groote voorzichtigheid aanbevolen, maar zij antwoordde op zijn laatste schrijven, dat zij hem zeer gewichtige mededeelingen te doen had, en hem dus dien Zondagmorgen wenschte te bezoeken. Dit konde en wilde hij niet beletten. Hij wilde niet, omdat ondanks al zijne plannen de herinnering aan Suze's belangelooze en vurige liefde hem nog immer buitengewoon ontroerde. Reeds was zij bij herhaling voor enkele uren in Den Haag geweest, en telkens had hij haar vooraf gemeld, dat zijne veelomvattende bezigheden hem kluisterden in zijne cel aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken.

Van Reelant had het station van den Hollandschen spoor bereikt. Dagdieven, nieuwsgierigen, leegloopers, en zenuwachtige reizigers stoffeerden het plein en drongen door de zuilenrij naar binnen. Uit eerbied voor zijn achtbaar uiterlijk werd hem de toegang tot het perron onder het hooge glazen dak niet geweigerd. De groote klok leerde hem, dat hij nog eenige minuten geduldig te wachten had. Hij sloeg de reizigers der eerste klasse gade, of men hem soms kennen of bespieden zou. Geen nood, achtenswaardige Nederlanders van eenigen maatschappelijken invloed reizen niet op Zondag, en de vreemdelingen zouden hem niet verraden. Hij liep onder de menigte rond, levendig overtuigd, dat de gewone alledagsmenschen vervelend zijn met hunne domme drukte en kinderachtige gesprekken: „Hoe gaat het thuis?” – „Hoe vaart mevrouw?” – „Alles wel?” enz. enz.

Een licht dreunen in de verte kondigt den trein aan. Luider wordt het sissen en donderend het razen, waarvan de grond siddert onder zijne voeten. Plotseling verzamelt zich eene groote menigte. De locomotief rolt het station binnen. Hoofden worden opgeheven, handen uitgestoken. De conducteurs schreeuwen luide: „Den Haag! Den Haag!” De deuren der waggons worden geopend. Zij, die vrienden en familieleden wachtten, reppen zich. Uit een coupé eerste klasse daalt langzaam eene dame in 't zwart, jong, bevallig, elegant. Zij haast zich niet, zij ziet niet rond. In stilte houdt zij zich bezig met eene zilvergrijze parasol, die op reis wat bestoft schijnt.

Van Reelant heeft evenzoo gewacht, maar haar oogenblikkelijk herkend. Hij nadert haar, zonder iemand in den weg te loopen: zijne diepe buiging doet de dame in 't zwart opzien. Hij biedt zijne hand aan, zij reikt hem de hare, in smetteloos lichtgrijzen handschoen verborgen. Zij richt haar donkerbruin oog strak op zijn gelaat. Van Reelant drukt verward en bewogen hare hand vaster in de zijne, en zonder spreken haasten zij zich beiden door den uitgang naar buiten. Met eene enkele beweging roept Van Reelant den koetsier van een coupé, die op hem schijnt te wachten.

Zoodra het rijtuig voortrolt, vestigt Van Reelant zijne blikken op Suze's bleek, maar sprekend gelaat. Zij had de donkere oogen neergeslagen, aan den rand harer wimpers parelde een traan. Trots heel zijn verstandig overleg klopte zijn hart plotseling met sneller slag. Suze's schoonheid en Suze's tranen veroverden hem opnieuw. Hij strekt zijne armen uit, en prangt haar plotseling met onstuimigen hartstocht aan zijne borst. Zacht weenend beantwoordt Suze zijne omhelzing, terwijl de zilvergrijze parasol op den bodem van den coupé zinkt.

Een oogenblik later streek ze snel de lichtpaarse linten glad, die haar hoed van fijn zwart stroo door een breeden strik onder de kin bevestigden, en droogde ze nog sneller haar zakdoek oog en wangen. Toen glimlachte ze met mond en oogen beide, en lispte zij:

„Arnold! Arnold!”

Van Reelant liet zijne berekeningen in den steek, en trok haar aan zijne zijde.

„Heugt het je nog, Suze!” – fluistert hij – „hoe we voor twee jaar in den barren winter van Lindenstein naar Osterwolde reden?”

„Op den dag, toen De Huibert me vroeg!”

„Wat is er veel veranderd!”

„Maar ik ben dezelfde gebleven, Arnold! En jij?”

„Vraag mij niets! Ik heb je lief!”

Suze genoot in stilte van haar triumf. Zij had een duister vermoeden gekoesterd, dat Van Reelant, sedert hij naar Den Haag vertrok, eene andere gedragslijn zou volgen. Al de ellende, die haar op eenmaal getroffen had, maakte haar uiterst achterdochtig. Zij had in de verloopen weken wel een groot aantal liefdevolle brieven van hem ontvangen, maar hare voorstelling zijner offervaardigheid ging oneindig verder. Zij had gehoopt op eene volkomen toewijding, vooral nu ramp aan ramp haar verpletterden… Zij liet evenwel spoedig deze illusie varen, en rekende alleen op hare persoonlijke tusschenkomst.

De coupé hield stil in de Hoogstraat voor de beroemde ateliers van Emile van Pommeren, fils. Door niemand gezien stond de eigenaar van dezen naam achter een gordijn te gluren, hoe „de dame” van meneers familie er mocht uitzien. Toen Suze deftig uit den coupé stapte, terwijl Van Reelant buigend met hare parasol in de hand zich haastte de deur te openen, glimlachte Van Pommeren geheimzinnig, en mompelde hij: „Een vreemde … niet kwaad … kranig, heel kranig!”

Van Reelant wipte snel de trap op en leidde zijne gast naar zijne zitkamer. Bij het binnentreden viel het ieder bezoeker in 't oog, dat het ruime vertrek overmeubeld was, en dat men er bijna niet loopen kon door den rijkdom aan groote en kleine sofa's, fauteuils, tafeltjes en allerlei soorten van stoelen. Daarenboven was er al te ijverig geofferd aan verguldsel; de pendule, de luchters, de lichtkroon, de lijsten, om reusachtige Engelsche gravuren – wedrennen en jachtpartijen voorstellend – dit alles was zwaar verguld. Gelukkig had de waardige Van Pommeren uitstekende zonneschermen voor de ramen gehangen, zoodat een zacht licht den overvloedigen glans van al dat verguldsel temperde.

Suze trad aarzelend eenige schreden vooruit. Van Reelant gevoelde zich wat beklemd, en sprak niet. Hij zette zijn hoed op het gesloten klavier en zag, dat Suze voor den spiegel bij den marmeren schoorsteenmantel bezig was voorzichtig de breede, nieuwe linten van haar mooi hoedje los te strikken. Terstond vloog hij haar ter hulp, en nam hij de kanten mantille en den hoed uit hare handen. Voorzichtig legde hij beide weg, en wachtte eene poos, terwijl zij zwijgend hare handschoenen uittrok. Toen kwam hij naast haar staan, en zei met zachte stem, alsof hij vreesde, dat men hen beluisteren zou:

„Ik maak je mijn compliment, Suze! Je hebt er nog nooit zoo goed uitgezien… En altijd, die mooie, prachtige krullen…”

Hij roerde met zijne rechterhand even den over haar schouder vloeienden lokkenschat aan.

Suze opende de fluweelige, donkere oogen en zag glimlachend, vol blijde hoop naar hem op. Van Reelant kon dien blik geen weerstand bieden; met beide armen klemde hij haar vurig aan zijn hart…

Naast de zitkamer van den referendaris was een aardig kabinetje, waar deze schrandere staatsambtenaar des Zondags déjeuneerde. In de week moest hij zich vergenoegen met een paar broodjes, die de oude, deftige Anna, meid en huishoudster van den hofleverancier beneden, voor hem klaarmaakte. Zijn dienstijver aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken gedoogde niet, dat hij zich een oogenblik verwijderde. Bovengenoemd kabinetje zag met één raam op de Hoogstraat uit en onderscheidde zich door een zeer gemakkelijken divan en een drietal kostbare fauteuils, alles met keurig nieuw blauw damast bekleed. Eene ronde tafel voor den divan prijkte met koffie; een buffet op den achtergrond verried, dat Anna voor brood, wijn en eene koude kip gezorgd had.

„Mag ik de honneurs waarnemen, Arnold?” – vroeg Suze, toen beiden zich aan de tafel van het gezellig vertrek hadden neergezet.

Van Reelant drukte haar met stralende oogen de hand. En aanstonds nam Suze het beheer over alles, terwijl ze tevreden glimlachte. Ze prees de koffie, schonk voor Van Reelant een glas wijn, en bracht leven en gloed in het anders zoo eenzame kabinetje. Toen het déjeuner was afgeloopen, sprong ze uit haar fauteuil, en zette zich bij hem op den divan. Kalm sprak ze toen:

„Arnold! Nu moet ik alles eens bedaard met je overleggen! Kunnen we gestoord worden?”

„Neen! Ik heb mijn oude gedienstige vacantie gegeven, en ik verwacht van niemand visite!”

„Heel goed! Als je rooken wilt, geneer je niet. Uit mijn brieven ken je mijn toestand. Nadat mama met Betsy en mij een paar weken te Amsterdam bij oom Muller, den kolonel, had gelogeerd, begon ik de handen uit de mouw te steken. Al de ellende van den laatsten tijd had mij haast bedwelmd. Maar wat het meest mij drukte, was de schande van nu op kosten der familie te moeten leven. Mijn oom, de kolonel, is rijk door zijne vrouw – hij toonde zich zeer hartelijk, maar … dat kon zoo niet blijven. Snel heb ik mijn plan ten uitvoer gebracht. Ik schreef naar Osterwolde aan Wigbold de Huibert…”

Van Reelant zag hevig verschrikt op. Maar voor hij een woord spreken kon, ging Suze voort:

„Laat mij uitspreken! Ik wist wat ik deed. De beide De Huiberts wenschen, dat niemand ons geheim zal kennen. De menschen in Osterwolde gissen nog in den blinde. Ze denken, dat Onno zich den plotselingen dood van papa en alles wat daarbij moest uitkomen, zoo sterk heeft aangetrokken, dat hij niet meer op Lindenstein wil blijven wonen. Ik heb Wigbold geschreven, dat ik scheiding eischte…”

„Suze!”

„Luister dan toch eerst! Ik wist, dat hij het afslaan zou… Maar ik verlangde onderstand, ik wilde fatsoenlijk leven, als mijn naam mevrouw De Huibert zou blijven … en ik heb gekregen wat ik vroeg!”

Suze sprak haperend, met neergeslagen oogen. Zij vreesde voor den indruk van deze laatste woorden.

Maar Van Reelant bleef afgetrokken zwijgen.

Zijne misdadige betrekking tot De Huibert's echtgenoote zou een geheim blijven. Hij had het grootste belang dit geheim te helpen bewaren. Dat Suze, nu hare familie tot den bedelstaf was gezonken, steun had durven vragen bij den broeder van den bedrogen Onno, scheen hem vermetel … maar hij durfde geene tegenwerping maken. Hij dacht aan den steun, die er misschien van hem zou kunnen gevorderd worden … hij dacht aan zijne toekomst…

Suze schuift nader tot hem, en legt de linkerhand op zijn schouder.

„Ben je boos, Arnold?” – vraagt ze. – „O, misken me niet! Ik deed het in je belang, ik deed het, omdat ik je liefheb! Ik wilde geen schrikbeeld, geen levend verwijt voor je zijn. Ik wilde je terugzien, maar zonder je een enkel oogenblik tot last te worden. Liever zou ik mijn hand afkappen, dan ze uit te strekken naar den man, wiens liefde mijn eenige schat is! Eén ding alleen wilde ik bereiken, de mogelijkheid je van tijd tot tijd in stilte te zien en te spreken!”

Van Reelant voelde den zachten druk harer hand op zijn schouder! de geur harer lokken omzweefde hem; de donkere oogen keken hem ernstig vragend aan. In stilte wilde zij hem komen zien en spreken, dat was alles. Er ging een licht voor hem op. Plotseling wierp hij alle bekommering van zich af. Ondanks zijne zelfbeheersching klonk er hartstocht in zijne stem, toen hij vroeg:

„Je hebt me dan wel boven alles lief, Suze? Kan ik op je rekenen, ook hier … nu alles zoo heel anders is?”

De jonge vrouw rees omhoog uit hare gebogen houding. Haar gelaat werd bleeker, hare oogen schitterden vuriger. Bijna fluisterend antwoordde ze:

„Arnold! Je weet, dat ik je liefheb! Je moogt het mij niet vragen. Als je nog een nieuw bewijs noodig hebt, stel me dan op de proef! Vorder van me, wat je wilt! Ik zal gehoorzamen!”

„Goed! Ik geloof je! Ik weet, dat je de waarheid spreekt! En nu ga ik je op de proef stellen, Suze! Onze toestand is hier in Den Haag anders, heel anders dan in Osterwolde. Ik heb het in mijn macht hier zeer snel carrière te maken. Maar een ding is hoofdvereischte, ik moet…”

Suze belette hem voort te gaan. Zij sloeg de beide armen om zijn hals, en begon luid te lachen.

Van Reelant ziet haar verwonderd aan. Steeds glimlachend gaat zij voort:

„Neen, Arnold! Dat weet ik al lang! Ik ben op de hoogte! Je carrière en ik, we zullen goede vrienden blijven! Je hebt eenmaal gezegd: mijne vooruitzichten en mijn toekomst behooren jou, Suze. Denk je dan, dat ik geen zorg zou dragen voor die beide? Je moet vooruit, Arnold! Ik zal je steunen! Referendaris is heel goed, om te beginnen, maar dat is niet genoeg. Hier in Den Haag vind je een heerlijken, breeden weg, die naar hooger leidt. Als je wilt, zul je er komen!”

Luid klopte het hart van den kalmen man, toen hij onder den indruk dezer betooverende woorden Suze's beide handen tot verbrijzelens toe in de zijne drukte. Met een pijnlijk lachje trok ze hare handen terug, en ging voort te spreken op onachtzamen toon, alsof de zaak hare belangstelling niet verdiende:

„Uit je brieven heb ik gezien, dat je hier heel verstandig begonnen bent! Wil je mijne opinie weten, ga dan zoo voort. Neem je betrekking met nog grooter ijver waar, als het mogelijk is. Maak kennis met al wat invloed heeft, of in de hoogste kringen leeft. En bovenal, maak een program voor je toekomst. Kies je de politiek, goed; maar zeg dan tot je zelven: ik wil lid van de Tweede Kamer, ik wil minister worden, en houdt er je van den morgen tot den avond mee bezig!”

Van Reelant zag de knappe spreekster met de hoogste ingenomenheid aan. Hij schaamde zich over zijne vroegere bezwaren en zijne lafhartige vrees. Hij boog het hoofd in verwarring, en greep Suze's rechterhand, terwijl hij de blanke vingers aan zijne lippen bracht, alsof hij vergiffenis wilde vragen voor de drift, waarmee hij ze een oogenblik te voren had gedrukt.

Suze zweeg eene poos, en zei op sneller en luider toon:

„Daar was nog meer uit je brieven te lezen tusschen de regels, Arnold! Ik had recht er boos over te zijn, maar ik wilde niet – het kwam van jou! Ik las, dat de heer Van Reelant in Den Haag niet gaarne zou willen weten, wat zooal gebeurde, toen hij nog griffier van het kantongerecht te Osterwolde was. Ik las, dat hij zich angstig begon te maken voor de gevolgen, en maar half voldaan was over de komst van het dwaze schepsel, dat zich aan hem gewijd en gegeven had met lijf en ziel!”

Van Reelant werd doodsbleek. Hij strekte beide handen naar haar uit, en poogde te spreken. Maar Suze voorkomt hem. Zachtkens glijdt ze van den divan op hare knieën. Hare oogen vullen zich met tranen. Zij grijpt de rechterhand van den jonkman, en zegt heftig:

„Nu moet ik het weten! Zeg het mij zonder uitvluchten! Wees nu oprecht en eerlijk, Arnold! Mijne toekomst staat op het spel. Laat mij alles mogen zeggen! Buiten jou, Arnold! heeft het leven voor mij geen waarde. Ik ben verloren, wanneer het nu uitkomt, dat je me niet meer liefhebt. Maar zeg het mij ten minste, als het zoo is! Zooveel oprechtheid en erkentelijkheid ben je me schuldig! Het idee voort te leven in een droom van geluk, die binnenkort zou moeten blijken ijdel te zijn geweest, is mij ondragelijk! Op dit oogenblik zou ik mijn vonnis met kalmte kunnen hooren … ik ben op alles voorbereid … maar later niet, Arnold! later niet.”

Van Reelant was getroffen door den hoogen ernst, uit hare trekken en stem sprekend. Zij had hare oogen met zulk eene angstige spanning tot hem opgeslagen, dat hij een pijnlijk gevoel, naar wroeging zweemend, ternauwernood kon onderdrukken. IJlings heft hij haar van den grond, klemt haar in beide armen, en fluistert de vurigste woorden van liefde…

De oogen geloken, met tranen op de wangen, en toch glimlachend van gadelooze zaligheid, luisterde Suze. Zij had veel gewaagd en alles gewonnen. Niemand zou haar nu in hare rechten op Van Reelant kunnen aantasten. En daarenboven, zij twijfelde nu niet meer. Zij kende de macht van haar persoonlijken invloed, maar had, door onverschrokken over haren toestand na te denken, er al de dubbelzinnigheden en gevaren van doorzien.

Er verliep een oogenblik van onbeschrijfelijk geluk.

Suze bleef luisteren, en Van Reelant spreken. De betoovering was volkomen. Suze's bekoorlijkheid, Suze's groote liefde hielden hem als gevangen. Van hare zijde zou nimmer eenig gevaar dreigen, redeneerde de zelfzucht, en daarom stelde zij zich zonder vrees onder den schepter der zinnenweelde.

Doch Suze wikkelt zich zacht uit zijne armen los, en zegt:

„Nu moeten we eens verstandig afspreken, wanneer je mij het best audiëntie zult kunnen geven, Arnold! Ik geloof haast, dat je het idee, om mij te komen zien in het Westeinde, weinig bekoort!”

Van Reelant vraagt naar de familie De Milde, en verneemt, dat het gezin uit vijf dochters, eene druk babbelende moeder en een zeer luidruchtigen vader bestaat.

„Mij dunkt, dat we die menschen buiten onze zaken moeten houden liefste!” – oordeelt Van Reelant. – „Haagsche familiën uit de bourgeoisie hebben de gewoonte verbazend nieuwsgierig te zijn, en niet te rusten, voordat zij op de eene of andere wijze een chronique scandaleuse van vrienden en buren hebben afgeneusd. Ik had vroeger en nu weer opnieuw de gelegenheid die luitjes te leeren kennen. Wees voorzichtig, ze zullen probeeren je uit te hooren…”

Suze werpt hare krullen lachend in den nek, en betoogt, dat ze op dit punt volkomen gerust is.

„Maar dan is het beter,” – gaat ze voort, – „dat geen sterveling in Den Haag mij ooit in je gezelschap ziet! Mijn nieuwe huisgenooten mogen zelfs niet vermoeden, dat wij elkaar kennen! Ik kom alleen naar Den Haag wonen, om je van tijd tot tijd te zien, om te weten, dat ik dicht bij je ben … meer niet!”

Nu volgde een zeer levendig en vroolijk overleg.

Van Reelant had geene woorden genoeg, om Suze's schranderheid en beleid te prijzen. Opgetogen beraadslaagden zij over de strenge handhaving van hun geheim. De referendaris verklaarde, dat hij gewoonlijk niemand ontving in zijne „appartementen”, daar hij geene vrienden onder de Haagsche jeunesse dorée bezat, en niet hoopte ze ooit te zullen bezitten – schoon hij overigens alle mogelijke „relatiën” met de aanzienlijkste kringen gewenscht oordeelde. Zijne kennissen ontmoette hij in zijne club, de „Place Royale”, maar bleef steeds ijverig op zijne hoede voor eene al te vurige ontboezeming van vriendschappelijke gevoelens. Jonge menschen, die niet veel bezigheden hebben, kunnen zich in 't geheel geene voorstelling vormen van de onschatbare kostbaarheid der voorbijvliegende uren. Hij had dus het vaste plan opgevat, geene „connectiën” met jonge vrienden meer aan te knoopen. Men had zich al aan deze wijze van doen gewend, men hield Van Reelant voor een zeer „serieus” en wetenschappelijk man; hij deed zijn best, om deze meening in geen enkel opzicht afbreuk te doen.

Met volkomen nauwkeurigheid kon hij Suze verzekeren, dat hij de meeste avonden eenzaam in zijne „appartementen” doorbracht. Somtijds moest hij „visites” maken, want hij had er niets tegen bij familiën, die hem met beleefdheden te gemoet kwamen, aan huis te verschijnen. Hij zorgde er evenwel voor, dat zijne „visites” zoo stipt en zoo kort mogelijk werden gemaakt. Somtijds vertoonde hij zich in het publiek, en dat kostte hem een avond. Hij zorgde er voor, dat men hem niet voor een ongezellig schepsel mocht verslijten. Bij de Woensdagsche muziekuitvoeringen vertoonde hij zich een half uur in de Tent; nu en dan wandelde hij naar Scheveningen, om een oogenblik op Zeerust uit te blazen. Zonder er eene gewoonte van te maken, toefde hij soms onder zijne kennissen der „Place Royale”, kwam hij een enkelen maal in de „Besogne-kamer”, maar bijna nooit op de „Witte”.

Suze had al deze mededeelingen met instemming gehoord. Zij moedigde Van Reelant nogmaals aan voort te gaan op den goed gekozen weg. Daarna kwam zij met echt vrouwelijken tact op het practische doel van haar gesprek terug:

„Ik beloof je, Arnold! dat ik door geen enkel teeken verraden zal, hoe gaarne ik je zou groeten, als ik je in het publiek ontmoet. Misschien zal de Haagsche nieuwsgierigheid gauw genoeg ontdekken, dat ik de verstooten vrouw van Onno de Huibert ben, en niemand hoeft te weten, dat we elkaar in Osterwolde hebben gekend…”

„En als een toeval ons te zaam brengt?”

„Dan kunnen wij er van profiteeren, en ons veroorloven de gewone burgerlijke beleefdheid in acht te nemen!”

„Natuurlijk!”

„Het is verder mijn plan je alleen des avonds, als je thuis bent, een oogenblik te komen zien…”

„Kom zoo dikwijls, als je kunt, Suze! Wacht even…”

Van Reelant stond van den divan op, liep naar het buffet, opende eene lade, en kwam terug met een blinkend miniatuur-sleuteltje.

„Ik heb twee sleutels van de huisdeur beneden!” – zei hij. – „Neem dezen, en…”

„En wat, Arnold?”

„Ik dacht over het geval, als er bij uitzondering eens iemand bij me mocht zijn…”

„Niets eenvoudiger! Boven aan de trap is een ruim portaal, daar zet je een kaars, een lamp, een nachtlichtje, wat je wilt, als een signaal. Branden er twee lichten, dan is er iemand. Ben je vrij, dan blijft alleen het licht van de glazen hanglantaarn aangestoken!”

„Maar, lieve Suze! zul je dan weer heengaan, als er twee lichten branden?”

Een glimlachje speelde om den mond der jonge vrouw. Zij was opgestaan van den divan. Van Reelant stond naast haar, en had den linkerarm om hare leest geslagen. Zij ziet hem uitdagend aan en fluistert, of zij een staatsgeheim verried:

„Als er twee lichten branden, Arnold! dan ga ik heel bedaard naar de achterkamer, en wacht tot de visite is afgeloopen!”

Van Reelant lachte van ganscher harte.

Plotseling vraagt hij:

„Suze, ken je de geschiedenis van den Romeinschen koning Numa Pompilius?”

„Ik geloof, dat ik ze alweer vergeten ben!”

„Men zei, dat die koning in het geheim raadpleegde met de nymf Egeria, en dat hij daarom zoo uitstekend regeerde! Lieve Egeria! ik weet, dat je me zult inspireeren… wat kan ik doen, om me dankbaar te toonen?”

Suzes glimlach verstierf. Zij antwoordde ernstig.

„Naar mij luisteren, net als die Romeinsche koning. En later in de jaren, die komen zullen, als jij gekroond wordt, Arnold! dan zal ik je zeggen, wat je voor mij doen kunt!”




DERDE HOOFDSTUK.

Drukke werkzaamheden


Maandag. Halftien. Omstreeks het midden der kleine, nette straat, die de schoonmaaksters het „Zefrientje” noemen, maar die op den legger der gemeente als Juffrouw-Ida-straat is ingeschreven, staat een flink huis van drie verdiepingen, gehuurd en „geëxploiteerd” tot velerlei doeleinden door de eerbare juffrouw Barbara Bont. Zij heeft de bovenkamers der tweede verdieping afgestaan aan een tweeden luitenant der grenadiers en jagers, die bijna nooit thuis is. Zij verhuurde twee kamers op de eerste aan Mr. André de Witt, die er somtijds des avonds komt studeeren. Voor het overige vindt juffrouw Barbara Bont een voortreffelijk middel van bestaan in het zenden van eten bij talrijke klanten uit de buurt, welke laatste vooral tot haar komen, gelokt door den matigen prijs harer diners.

Maandag. Halftien. Op het portaal der eerste verdieping wacht eene oude vrouw in het weinig dichterlijke kostuum van schoonmaakster, een lang strookje wit papier tusschen duim en vinger. Zij klopt vrij luid aan eene kamerdeur. Van binnen vermaant eene stem geduld te oefenen. Na een vijf minuten wachtens gaat de deur open. De jonge De Witt treedt haastig uit zijne slaapkamer. Met beide handen strijkt hij het krullende, donkerbruine hair achter de ooren en stapt de schoonmaakster voorbij naar zijne studeerkamer. De gedienstige volgt. Zonder te spreken stopt zij hem het lange strookje wit papier in de hand. André maakt een driftig gebaar, hij loopt de kamer op en neer. Hij mompelt onverstaanbare woorden. Eindelijk bedenkt hij zich. Hij wenkt de schoonmaakster, dat zij wachten moet. Snel vliegt hij naar het portaal, en daarna stormt hij de trap der tweede verdieping op. Hij klopt. Niemand antwoordt. Daar de deur half open staat, dringt hij naar binnen. Er heerscht groote verwarring in de karig gemeubelde kamer. Een nauwelijks aangeroerd ontbijt op eene ronde tafel; een zonderlinge voorraad van half uitgerookte sigaren en asch van sigaren overal in 't rond verspreid; voorts op den grond zwervende schoenen en aan den wand degens, sabels en pistolen – dit was alles, wat hem bij het binnentreden welkom kon heeten. De bewoner van het kwartier moest al vroeg zijn vertrokken. André had op hem gerekend. Hij wilde zijn contubernaal broederlijk aanmanen, om hem eene kleine som in contanten terug te geven, vroeger even broederlijk voorgeschoten.

Haastig ijlt hij weer naar beneden, schrijft even haastig een paar woorden op het strookje papier, en zendt de schoonmaakster weg. André had buitengewoon weinig slag van huishouden, en worstelde op dat oogenblik tegen eene kleine geldverlegenheid. Hij had zijn vriend en contubernaal, den luitenant Van Houweningen, die aan hetzelfde euvel leed, gaarne geholpen – „a titre de revanche,” gelijk de beide heeren elkaar lachend verzekerden. Sedert zijne komst in de residentie had André zijn best gedaan van zijn zeer matig inkomen als adjunct-commies te leven, zonder zijn vader te Leiden ooit om hulp te vragen. André meende, dat zijn goede vader nu niet meer voor hem te zorgen had. Van het oogenblik, dat hij promoveerde, en in Den Haag tot adjunct-commies benoemd werd, had hij zich met grooten trots voorgenomen de steun zijner familie te worden… maar er was tot nog toe niet veel van gekomen.

Het scheen, dat deze gedachte hem nu in stilte kwelde, want hij liep zijne kamer met groote schreden op en neer, terwijl hij met de handen door zijn krullend hair woelde. Van tijd tot tijd stond hij stil, en bleef voor een portret aan den wand toeven. Die dame met ouderwetsche muts en breede keellinten was zijne overleden moeder. Toen hij negentien jaar oud was, had hij haar verloren. Zij was zeer goed voor hem geweest, maar streng, het huiselijk bewind voerend naar vaste onwrikbare beginselen. Volkomen contrast van zijn goedhartigen vader, had zij zijne jeugd naijverig bewaakt, had zij gezorgd, dat hare kinderen in eerbiedige vrees voor hunne ouders leefden; had zij alle opwellingen van jolige uitgelatenheid en speelsche dartelheid met vaste hand onderdrukt; had zij de herinnering nagelaten van haar krachtig karakter en hare onbestreden opperheerschappij in den huiselijken kring.

Mijmerend over zijne jeugd en de dagen van zijn burgerschap in het Leidsch Atheen, bleef hij even bij het venster staan. Plotseling maakt hij eene beweging van verrassing. Aanstonds wendt hij zich om, en haast zich naar de deur. Toen hij die opende, naderde een tred op de trap, en weldra trad uit de duisternis van het portaal een deftig heer met zwarten rok, zwarten hoed en zwarte handschoenen te voorschijn.

André drukt hem hartelijk de hand.

„Bonjour, vader! Ik was net met mijn gedachten bij u in Leiden en, alsof u het wist, komt u mij verrassen! Hoe gaat het met Letje en de anderen?”

Dominé De Witt nam zijn hoed af, drukte een witten zakdoek tegen het voorhoofd, en liet zich op de ouderwetsche sofa vallen. Het loopen in den zonnegloed van een warmen Augustusmorgen had hem verhit. Hij wachtte nog een oogenblik, voordat hij sprak, en knikte allervriendelijkst. Zijn gelaat drukte goedheid en berusting uit, om de dunne lippen speelde somtijds bij het spreken een geestige lach.

Intusschen herhaalt André zijne vraag naar de huisgenooten. Een smartelijke trek vertoont zich op het wezen van den Leidschen predikant. Hij antwoordt met zachte, onvaste stem:

„Met Letje mocht het wel beter gaan! Zij hoest altijd, en is meestal zwaar vermoeid … zij klaagt nooit, maar ziet er slecht uit… Ik heb er dokter al over geraadpleegd. Tot nog toe geen dreigend gevaar, zegt hij. Toch is haar toestand bedenkelijk, vooral tegen den winter. De aanleg tot borsttering bestaat… misschien zou alles nog terecht komen, als zij voor langen tijd in een ander klimaat kon leven … het zuiden van Frankrijk … maar, hoe zullen wij dat doen, André, dat gaat onze krachten te boven!”

André staat bij de sofa naast zijn vader. Hij schudt langzaam het hoofd, en windt den krullenden, bruinen knevel om den wijsvinger van zijne rechterhand.

„Arme Letje! Wat heeft ze, nadat we mama verloren, ijverig voor de huishouding gezorgd! Wat was ze lief voor u … arm kind!”

„O, maar we zullen haar behouden, André!” – gaat de predikant op forschen toon voort. – „Ik heb vele vrienden en aanzienlijke kennissen te Leiden en te Amsterdam … men zal mij niet in den steek laten…”

André wendt het hoofd om, en begint het vertrek op en neer te loopen. Zijn vader in de rede vallend, zegt hij snel:

„Neen, papa! Probeer dat, als 't u belieft, niet! De menschen zouden u of teleurstellen, of u uwe armoede voor de voeten werpen! Eergisteren heb ik er nog aan gedacht. Ik zou er wel wat anders op weten… In den laatsten tijd krijg ik onophoudelijk brieven van allerlei redacteurs, die artikelen willen hebben voor hunne kranten of tijdschriften. Dat komt door mijne dissertatie! Het schijnt, dat mijn werk wat nieuws gaf. Ze bieden me nogal aardig geld. Uit luiheid heb ik er tot nog toe niet aan gedacht! Maar nu ga ik aan het werk, en al wat ik verdien is voor Letje!”

Dominé De Witt glimlacht onmerkbaar.

„Dank je, André!” – zegt hij bedaard. – „Dat is een goed plan. Zoolang de zomer duurt, kunnen we vooreerst geduld oefenen en op beterschap hopen!”

André ziet heimelijk op zijn uurwerk, maar roept luide:

„Over tienen! Al zoo laat! Ik mag me wel haasten!”

En de predikant:

„Ik was al half en half bang, dat je naar 't ministerie waart… Ik moet vandaag eene vergadering van 't Haagsch Genootschap bijwonen!”

„Ik ga dadelijk met u mee! En hoe gaat het met Christien en met Willem?”

„Christien … springlevend en druk! Elken dag de deur uit en met allerlei vriendinnen in de weer! Ze kost heel wat aan laarsjes en handschoenen. En Willem wil naar Utrecht. Hij kan het met zijne professoren in Leiden niet langer vinden! Ze bederven de leer der Nederlandsche hervormde kerk… Ja, André! dat is nu het nieuwste idee van je jongsten broer!”

De adjunct-commies hield zich met zijne kleeding bezig, en dronk een glas melk leeg, dat op de ontbijttafel gereed stond. Bij de laatste woorden zijns vaders keerde hij zich van den spiegel af, en riep:

„Maar daar komt immers niets van dat plan?”

„We zullen zien! Hij houdt staande, dat hij zich in Utrecht zelf wel redden zal! Zijne geestverwanten, de orthodoxe professoren, zullen hem steunen, zegt hij. Hij dwingt mij brieven te schrijven aan Utrechtsche collega's, en is er den heelen dag vol van!”

„Wees voorzichtig, papa! Dat zal niet goed afloopen!”

Dominé De Witt schudde zacht het hoofd.

André had zijn grijzen hoed met breede randen gegrepen. Hij droeg het smaakvol kostuum van den vorigen dag, met uitzondering van de lichte das, die nu door eene zwarte vervangen was.

„Gaat u mee, papa?” – vroeg André. – „Het wordt mijn tijd! En blijft u van middag bij mij eten, dan zal ik juffrouw Bont waarschuwen!”

„Dank je, jongen! Ik ga voor den eten weer naar Leiden terug! Maar kom jij nu aanstaanden Zondag?”

„Stellig! Ik moet Letje spreken!”

Vader en zoon verlieten het huis, en wandelden saam naar het Noord-Einde, waar de eerste een hartelijk afscheid nam van André.

Daar het bij halfelf was, liep deze laatste eenigszins haastig door het Hartogstraatje naar den Kneuterdijk. André was een groot bewonderaar van de schilderachtige plekken in de residentie. De Vijverberg met zijne frissche, groene boomen, het eilandje in den Vijver als voor anker dobberend in den vollen zonnegloed; de daken en schoorsteenen van het vroegere stadhouderlijke kwartier; het klokkehuisje der oude grafelijke kapel; de statige woningen aan den Korten Vijverberg, wegschuilend achter den dichten bladerendos der hooge kastanjes en soms hier of daar helder verlicht door een gulden zonnestraal – dit alles boeide hem telkens opnieuw. Terwijl hij naar de Gevangenpoort streefde, prees hij in stilte de schoonheid van het stadsgezicht, en dacht hij half zuchtend aan eene donkere kamer, waar hij het grootste deel zijner middaguren zou gaan slijten! En toch vertraagde hij zijn tred niet, toen hij onder de grijze, vervallen Gevangenpoort doorgaande het ministerie van Buitenlandsche Zaken gewaarwerd.

Hij moest dankbaar zijn, dat hij zoo spoedig na zijne promotie eene eervolle betrekking gevonden had. De geschiedenis zijner plaatsing aan het ministerie was zeer eenvoudig. André telde vijf jaren, toen zijn vader predikant te Leiden werd. Hij was in de academiestad groot geworden, en had zonder vast plan het gymnasium bezocht. Het bleek binnenkort, dat André een veelbelovend leerling werd. De roep van zijne merkwaardige vlugheid vergezelde hem naar de academie, en deed hem eerlang in 't oog vallen. Hoogleeraren van grooten naam moedigden hem aan. Daar hij de Rechten als zijn lievelingsvak gekozen had, ondanks den tegenzin zijner ouders, poogde hij al in het begin zijner studiën eene practische oplossing der ouderlijke bezwaren te ontdekken.

Zijne moeder stierf, toen hij zijn tweede studiejaar begon. Het bezwaar tegen zijne keus was enkel financiëel. Hoe zou hij in zijn onderhoud voorzien na zijne promotie, hadden vader en moeder gevraagd. André had altijd geantwoord: als advocaat! Hij zou inzonderheid burgerlijk recht en handelsrecht studeeren, hij zou pogen een goeden naam aan de academie te maken. Dominé De Witt liet André rustig zijn gang gaan na den dood zijner vrouw. Hij had er later nimmer berouw van. In zijn derde jaar beantwoordde André in stilte eene prijsvraag der Utrechtsche hoogeschool. Men vroeg eene „Critiek der bevolkingsleer van Malthus”, en bekroonde met goud een antwoord van een Leidsch student, wiens naam bleek te zijn André de Witt.

Door deze gelukkige uitkomst aangemoedigd, wijdde de jonkman zich nu geheel aan staats- en handelswetenschappen, en promoveerde hij in 1852 met eene dissertatie, inhoudende eene „Geschiedenis der theorie van den vrijen handel sedert Adam Smith.” De buitengewone lof, tijdens zijne bevordering tot doctor in de rechten gewonnen, verhinderde André niet duidelijk in te zien, dat de vrees zijner ouders bij den aanvang zijner academische loopbaan min of meer gewettigd werd. Hij verlangde dadelijk werkzaam te zijn, onmiddellijk in zijn onderhoud te voorzien. Hij raadpleegde zijne professoren, die hem met buitengewone achting bejegenden. Zijne dissertatie was door de heeren van het vak bijzonder geprezen. Men koesterde groote verwachtingen van André. Men ried hem aan geduld te oefenen, en zijne studiën voort te zetten, maar hij antwoordde telkens beslist: „Ik kan niet, ik mag niet!”

André wilde aan zijn vader toonen, dat zijne schitterend voltooide studiën tot eene practische uitkomst hadden geleid. Eén der Leidsche hoogleeraren, die den jongen doctor met vaderlijke vriendschap steunde, wist door zijn invloed voor hem eene betrekking van adjunct-commies aan Buitenlandsche Zaken te verkrijgen. Later zou zich de gelegenheid voordoen, om bevordering in den staatsdienst te erlangen. André zou zijne wetenschappelijke loopbaan voortzetten, niemand twijfelde in Leiden aan zijne toekomst.

Opgeruimd als meestal verscheen André omstreeks halfelf in het ministerie. Vlug wipte hij eene trap op, vlug bereikte hij, na eene lange reeks van gangen en kleinere trappen achter zich te hebben gelaten, de kille kamer, waar hij met een lotgenoot dagelijks arbeidde. Hij vond er niemand, zijn collega was nog niet verschenen. André zette zich voor zijn lessenaar en opende de laden waaruit hij stukken in groot folio-formaat te voorschijn bracht. Daarna rangschikte hij stapels papieren, en sloeg hij verschillende groote portefeuilles open, die in goede orde naast hem klaar lagen. Hij begon daarna zich in de lezing van geschreven rapporten te verdiepen, en arbeidde in stilte een uur.

Toen klonken er zware schreden in de gang, die naar zijne kamer leidde. Het gedruisch hield voor zijne deur stil, en onmiddellijk daarop vertoonde zich, in eene vale zwarte jas, met een verschoten zwart fluweelen kalotje, eene schrale figuur, die op plechtigen toon zeide:

„Meneer De Witt! De secretaris-generaal vraagt naar u!”

André sprong snel op. Een blos kleurde zijne wangen. In vliegende haast greep hij eenige papieren. De bode had zich langzaam met luide schreden verwijderd. André snelt hem na door eene reeks van nauwe gangen, klimt trappen op en af, en bevindt zich eindelijk in een smal vertrek, een soort van wachtkamer voor hen, die den secretaris-generaal wenschen te spreken. De bode opent de buitendeur en daarna de binnendeur, die toegang geeft tot de kamer van den secretaris-generaal.

André treedt binnen. Ook dit vertrek is klein, maar maakt een deftigen indruk door een groot schrijfbureel en eene hooge boekenkast met gesloten deuren aan den muur. Voor het schrijfbureel met den rug naar de deur zit baron Van Berenvelt, secretaris-generaal. Hij wendt het hoofd om, en keert zich tot André.

Baron Van Berenvelt is een grijsaard met een innemend, open gelaat. Voorhoofd en schedel zijn geheel kaal. Eenige dunne, zilveren krullen aan beide slapen verhoogen den indruk van statigheid en eerbiedwaardigheid, die van zijn persoon uitgaat. In het knoopsgat zijner zwarte jas schemert flauw een gekleurd lintje, doch zoo bescheiden, dat het nauwelijks mogelijk is te ontdekken van welke binnen- of buitenlandsche orde hij ridder is.

Zoodra hij André heeft zien binnenkomen, schuift hij zijn zetel wat om, en beantwoordt hij den eerbiedigen groet van den adjunct-commies. Eene kleine hoffelijke beweging met de rechterhand vergunt André te gaan zitten op een stoel bij het schrijfbureel. Daarna grijpt het volgende gesprek plaats:

„Meneer De Witt! Ik wenschte u even te spreken! Binnen een paar dagen behooren de rapporten van onze consuls in de Portugeesche en Spaansche zeehavens gereed te zijn, om ze in onze „Verzameling van consulaire en andere Bescheiden” te kunnen plaatsen! Ook moet er een excerpt voor de dagbladen van gemaakt worden. Mag ik vragen, of u er mee klaar is?”

„Ik ben bijna klaar! Er was vrij wat aan te doen! Mag ik u beleefd om nog één dag uitstel vragen? Morgen zal ik u de stukken komen brengen!”

„Ik heb geen bezwaar tegen één dag uitstel. Maar ik reken dan morgen stellig op de stukken, meneer De Witt!”

„Ik zal niet mankeeren, meneer Van Berenvelt!”

„Uitstekend! Vergun mij u te zeggen, dat u mij bijzonder zou verplichten dergelijk werk zoo snel mogelijk af te doen! Er is nog het een en ander, dat op u wacht!”

Een lastige blos trok over André's wangen en voorhoofd. De uitnemend beleefde toon van den secretaris-generaal deed hem te levendiger gevoelen, dat hij meer ijver en spoed bij de hem opgedragen taak had kunnen aan den dag leggen, maar hij herstelde zich, en het onderhoud werd voortgezet:

„Het spijt mij zeer, dat ik u heb laten wachten!.. In het vervolg zal dat niet meer gebeuren! Ik heb misschien wat te veel tijd besteed aan het uitvoerig rapport van onzen consul te Lissabon…”

„Dat kan ik u niet kwalijk nemen! Goed werk kost tijd, maar overdrijving schaadt! Tot nog toe heb ik uw arbeid met plezier gevolgd! Een ziertje meer vlugheid … dat is het alleen!”

„Ik zal uw wenk met den meesten ernst ter hart nemen, meneer Van Berenvelt!”

„Daar twijfel ik niet aan! Professor Van Dam heeft u zeer dringend bij mij aanbevolen! Uwe loopbaan aan de universiteit was zeer eervol, meneer De Witt! Ik ben vast overtuigd, dat het u niet minder goed zal gaan in uwe carrière als ambtenaar!”

Op dit oogenblik kwam de bode geheimzinnig om den hoek gluren, en murmelde iets binnensmonds. De secretaris-generaal knikte.

André stond op.

„Meneer De Witt!” – ging baron Van Berenvelt voort. – „Het is al vrij lang geleden, dat u zich de moeite getroostte mij eene visite te maken, om me den brief van professor Van Dam te overhandigen. Aanstaanden Donderdagavond verwacht ik eenige vrienden. Zal ik dan het genoegen hebben u bij mij te zien?”

André stamelt verrast een toestemmend antwoord, en haast zich afscheid te nemen. Baron Van Berenvelt reikte den jonkman met de vriendelijkste voorkomendheid de hand. André was diep getroffen. Toen hij nu bijna een jaar geleden naar Den Haag kwam met aanbevelingsbrieven van professor Van Dam, had hij ze persoonlijk den minister en den secretaris-generaal ter hand gesteld. Hij herinnerde zich hoe minzaam de heer Van Berenvelt toen eene poos met hem sprak, maar hij had er nimmer aan gedacht, dat hem de eer eener uitnoodiging bij den secretaris-generaal zou ten deel vallen.

Terwijl hij de deur nadert, wordt deze geopend.

Een hoofdambtenaar, aan wien André eenige weken geleden vluchtig was voorgesteld, treedt binnen. Deze heer wierp hem in het voorbijgaan een scherpen, uitdagenden blik toe. Hij beantwoordde dien blik onversaagd, terwijl het hem plotseling te binnen schoot, dat die heer Van Reelant heette, en voor een paar maanden tot referendaris bij het ministerie benoemd was.

Zoodra André vertrokken was, stond de secretaris-generaal van zijn stoel op, om Van Reelant met bijzondere hoffelijkheid te ontvangen. Deze laatste had eene lijvige portefeuille met stukken onder den arm, en nam zwijgend plaats. Hij dacht een oogenblik na, en zeide toen op beleefden, half gemeenzamen toon:

„Nu kan ik mij den naam niet meer herinneren van dat jonge mensch, dat daar juist heenging … hij is adjunct-commies, niet waar?”

„Zijn naam is De Witt! Een jong en veelbelovend ambtenaar!”

„Dat zou men aan zijn uiterlijk niet zeggen!”

„Waarom niet?”

„Hij ziet er uit als een schilder, die zijne aquarellen niet aan den man kan brengen, of als een tooneelspeler uit een provinciaal stadje van den tweeden rang!”

Naar waarheid moet bekend worden, dat Van Reelant zich altijd in het statigste zwart had gekleed, sinds hij den drempel van het ministerie had overschreden, en dat hij omtrent de waardigheid en het „decorum” dergenen, die de eer hadden den staat te dienen, zeer strenge begrippen koesterde.

Baron Van Berenvelt glimlachte vergoelijkend, en antwoordde:

„De jonge De Witt komt uit Leiden, en is van zeer fatsoenlijke familie. Hij werd mij bijzonder aanbevolen door de Leidsche professoren der rechtsgeleerde faculteit!”

„O, ik twijfel niet aan zijne capaciteiten, als u het mij verzekert, meneer Van Berenvelt! Maar op het eerste gezicht vond ik dat jonge mensch met zijne krullende hairen en grijze slobkousen wat vreemd.”

„Mijn waarde Van Reelant … dat is een vooroordeel! Die kleine eigenaardigheden zullen u niet meer hinderen, als u weet, hoe uitstekend datzelfde jonge mensch heeft gestudeerd. Zijne dissertatie heeft époque gemaakt. Hij is een zeer degelijk econoom. Voor eenige dagen kreeg ik een brief van Van Dam. U heeft ook te Leiden gestudeerd en weet, dat Van Dam niet licht overdrijft, als hij iemand prijst. Hij beveelt mij den jongen De Witt bij herhaling aan, en wenscht, dat hem de gelegenheid worde geboden iets degelijks te doen!”

Van Reelant buigt zeer wellevend, en opent zijne portefeuille.

„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen!” – herneemt hij ernstig. – „Als men vreemdeling is, en pas begint zooals ik, kan men niet voorzichtig genoeg zijn. In dit opzicht ben ik u al zooveel verplicht, meneer Van Berenvelt!”

„Juist, en daarom overstelpt u mij weer met macht van stukken!”

De secretaris-generaal neemt glimlachend een bundel schrifturen aan, en zet zijn gouden lorgnet op, om den inhoud er van te doorloopen.




VIERDE HOOFDSTUK.

Noodzakelijke verklaringen


Maandag. Halftien. De lange, zonnige straat, bij de ingezetenen der residentie als het lage Westeinde bekend, onderscheidt zich aan de zuidoostzijde door eene reeks van deftige burgerhuizen, die met hare drie verdiepingen en somtijds met hare fraaie tuinen den bewoners eene benijdenswaardige ruimte aanbieden. Op een der deurposten van dergelijk woonhuis stond met groote, zwarte letters de naam De Milde. Binnentredende strekte zich eene lange gang voor den bezoeker uit. In den regel wees men dezen de tuinkamer, de laatste deur links. Daar vereenigden zich de dames De Milde meestal na de koffie, en ontvingen zij vele bezoeken van familiare vrienden en kennissen.

De tuinkamer was een ouderwetsch, maar aangenaam vertrek. De muren pronkten met een geschilderd behang, dat uit het laatst der vorige eeuw dagteekende, en een ideaal landschap vol prachtige villa's en lustig kronkelende stroomen voorstelde, terwijl ettelijke ruiters, rijtuigen en voetgangers de wegen stoffeerden. De heeren op den muur waren meest voorzien van witgepoeierde staartpruiken en vermiljoenkleurige „houppelandes”, de dames van lichtgele zijden „sakken” en zwarte „mitaines.” De beide vensters zagen op een mooien tuin van oud model met meer vruchtboomen dan bloembedden en eenige zwaar belommerde priëeltjes, waar de familie des namiddags placht thee te drinken. Nu stonden de beide ramen wijd open en werd de kille atmosfeer der tuinkamer getemperd door de warme luchtstroomen, die naar binnen drongen. De drie oudste gezusters, Kee, Jans en Willemien hadden nog geen toilet willen maken, daar ze de wasch moesten doen. De twee jongsten, Rosa en Louise, genoten van de groote vacantie en waren uit logeeren bij eene tante in Gelderland. Mama De Milde was gekleed, 't geen in het onderhavige geval zeggen wilde, dat de kleine, bedrijvige huismoeder eene donkerbruine japon vol vetvlakken en een vervaarlijke muts met splinternieuw stroogeel lint droeg.

De dames waren in druk gesprek.

„Ze is na de koffie uitgegaan, en heeft tegen Aaltje gezegd, dat ze om drie uren zou terugkomen!” – roept Willemien.

„Ze had een anderen hoed op, dan gisteren!” – zegt Jans.

„Die zat zeker in een van de drie groote koffers, die van morgen gekomen zijn!” – meende Kee.

„Heel beleefd vind ik ze niet!” – zegt mevrouw De Milde met eene schorre, maar toch zeer luide stem. – „Ze heeft papa van morgen laten roepen, en wat zou je denken, dat ze vroeg…”

„Een spionnetje voor het middelste raam boven!” – giste Jans.

„'t Lijkt er niet naar!” – antwoordt mama nog luider. – „Ze wou een huissleutel!”

Algemeene ontsteltenis. Velerlei uitroepingen volgen.

Mevrouw De Milde herneemt:

„Ze heeft een huissleutel gevraagd! Ze zei, dat ze ons niet graag wou hinderen, en zelf niet graag op de stoep wou blijven wachten, als ze thuis kwam. Papa heeft haar dadelijk den kleinste van onze beide huissleutels gegeven!”

„Net een man!” – riep Willemien.

„En trotsch ook!” – zei Jans. – „Gistermiddag, toen Aaltje haar voor het eerst bediende, heeft ze geen woord met de meid gesproken, en uit een boek, dat naast haar bord lag, gelezen!”

„Ik zou wel eens willen weten, wie ze hier kent!” – meende Kee. – „Laatst zei ze, dat ze heel vreemd was in Den Haag, en gisteren reed ze door het bosch langs de tent. Dat vind ik geheimzinnig!”

Al de dames schudden het hoofd, en zwegen eene poos, omdat ze moesten nadenken over zoovele gewichtige feiten, als zich sedert de laatste dagen in haar kleinen kring hadden voorgedaan. De nieuwe huisgenoote, mevrouw De Huibert, was het groote onderwerp van haar gesprek. Ze stelden elkaar eene menigte vragen, die ze geen van allen konden beantwoorden. Waar kwam mevrouw De Huibert eigenlijk vandaan? Had ze altijd te Rijswijk gewoond? Zij was natuurlijk weduwe, want ze kleedde zich in den rouw. Ze sprak niet veel – zou ze iets hebben te verbergen? Gisteren had ze den geheelen Zondagnamiddag stil zitten te lezen en thee te drinken; daarna had ze een poosje loopen wandelen door hare kamers en was vroeg naar bed gegaan – dit alles hadden de jonge dames duidelijk kunnen merken.

„Ja, maar met al dat praten komt de wasch niet klaar!” – waarschuwde mama. – „Me dunkt, ze had van morgen, voor ze uitging, ons wel even kunnen goeiendag zeggen! We zijn fatsoenlijke menschen, en verhuren onze kamers niet aan Jan en alleman!”

In de gang had de huisbel zeer luid geklonken. Aaltje, de gedienstige geest van den huize, die de belangrijke „functiën” van keuken-, kamer- en loopmeid op voortreffelijke wijze „cumuleerde”, als de heer De Milde gewoon was te zeggen, trad haastig binnen, en riep met van nieuwsgierigheid tintelende oogen:

„Daar is mevrouw en de juffrouw Muller! Ze vragen naar mevrouw boven. Ik heb gezegd, alsdat mevrouw om drie uur thuis komt…”

De vier dames De Milde steken de hoofden bijeen. Zij branden van verlangen moeder en zuster van hare nieuwe huisgenoote nader te leeren kennen. Maar de meisjes zijn ongekleed, ze zien er al te huiselijk uit met hare verschoten katoenen japonnen. „Mama is gekleed, mama zal gaan…”

In een paar seconden heeft mevrouw De Milde de donkere suite, die op de tuinkamer volgt, achter den rug en opent zij de deur van een ruim voorvertrek, waar men plechtige visites ontvangt. Mevrouw Muller Belmonte en Betsy zitten er zwijgend te wachten. Mama De Milde plooit hare alledaagsche trekken tot den minnelijksten glimlach, en buigt hare onwelluidende stem tot den vriendelijksten klank, terwijl zij zegt:

„Het spijt me zeer, dames! Mevrouw De Huibert is uitgegaan, maar komt tegen drie uren thuis. Misschien zullen de dames wel een oogenblik geduld hebben…”

Mevrouw Muller Belmonte staat van haar stoel op. Haar bleek gelaat heeft eene wasachtig gele tint aangenomen; de groeven rondom neus en mond zijn dieper geworden: het dunne hair aan de slapen vertoont eene onoogelijke mengeling van grijs en geel. Zij spreekt zacht en bescheiden:

„Als u het ons permitteert, mevrouw! dan zullen we boven op Suze's kamer wachten!”

„Met het meeste plezier! De dames komen zeker wandelen van Rijswijk? Kan ik u met iets dienen? Wat zullen de dames gebruiken?”

„Dank u zeer, Mevrouw?”

„Een glaasje madera met water en suiker, niet waar?”

„Neen, dank u, heusch!”

De beide wandelaarsters uit Rijswijk hadden veel van de zon geleden, en zouden gaarne iets koels gedronken hebben, maar fatsoen en overleg beide deden haar het gulle aanbod afslaan. Zij wilden de kennismaking met de vrouw des huizes niet terstond voortzetten, en waren recht tevreden, toen deze spraakzame dame haar den weg naar Suze's bovenkamer gewezen, en eindelijk alleen gelaten had.

Het ruime vertrek zag met twee ramen op het Westeinde uit, en was door de familie De Milde van de fraaiste meubelen uit de benedenverdieping voorzien. Er lag een nieuw donkerbruin kleed op den vloer en de trekgordijnen voor de vensters waren gloednieuw.

Betsy legde hoed en mantille ter zijde. Hadden kennissen uit Osterwolde haar hier ontmoet, zij zouden eene merkwaardige verandering in haar voorkomen hebben ontdekt. Haar oogopslag was zachter en vriendelijker geworden, zoodat hare mooie blauwe oogen beter uitkwamen. Zij had het donkerblonde hair evenals Suze in lange krullen opgemaakt, en misschien ook daardoor aan haar knap kopje een tintje van gemoedelijkheid gegeven, volkomen in tegenspraak met het trotsch en ontevreden voorkomen van voorheen. Mevrouw Muller Belmonte was zuchtend ineengezonken op haar stoel. Haar gelaat drukte vermoeidheid, zorg, bittere teleurstelling uit. Betsy liep de kamer op en neer, en stond stil voor een paar staalgravuren, die de Dom te Keulen en de Nôtre-Dame te Parijs voorstelden. Eindelijk wordt zij getroffen door de lijdende gestalte van hare moeder. Zij komt langzaam terug van den wand, en zegt vriendelijk:

„Mama! mag ik uw hoed wegleggen? U heeft het te warm! Geneer u toch niet … wij zijn bij Suze!”

„Bij Suze! Nu ja … maar als ze straks thuis komt, is ze misschien heel ontevreden… Ik verwacht niets van haar…”

„Geef de hoop niet op, mama! Ze is bij de hand, ze weet raad! Het voornaamste is, dat ze ons plan goedkeurt!”

„Goedkeuren is niet genoeg! Ze moet ons helpen!”

„En dat zal ze ook!”

„Och, Betsy! Heb jij nog illusies over je zuster? Ze is net als papa was, want ze zorgt alleen voor zich zelve! Suze is handig genoeg, dat is waar… Och kom, stel je maar voor, dat we een vergeefsche reis gemaakt hebben!”

Mevrouw Muller Belmonte zuchtte diep. De uitdrukking van troostelooze ellende op haar gelaat, de diepe plooien om hare kleurlooze lippen, de doffe oogen … alles sprak van eene knagende smart, deels zelfverwijt, deels ergernis over haar ongeluk.

Betsy had zwijgend haar den hoed afgenomen. Uit een reistaschje nam zij eene eenvoudige muts met donkerblauw lint, Mevrouw Muller Belmonte stond op, en liet zich door hare dochter helpen.

„Kom, mama! We zullen het hoofd omhoog en moed houden, niet waar? Reken op mij, ik zal voor u werken…”

Betsy's stem klonk zachter en vriendelijker dan vroeger. De tegenspoed droeg ééne goede vrucht althans – hij neigde het hart van het jonge meisje tot ootmoedig medelijden met hare zwaar beproefde moeder.

Mevrouw Muller Belmonte drukte Betsy zwijgend de hand. Zij voegde er met bevende stem bij:

„Ja, kindlief! Ik weet het wel! Jij bent heel lief voor me geweest … sedert dien verschrikkelijken nacht. Ik heb op de wereld niemand anders dan jou… Wij moeten ons best doen, nu we doodarm zijn, een klein stukje brood te verdienen… Maar hard te werken en afhankelijk te zijn van Suze, die!.. die… O God! dat vind ik ondragelijk!”

„Niet overdrijven, mama! We kunnen Suze misschien wel missen, als we maar saam dapper de handen uit de mouw steken!”

Mevrouw Muller Belmonte boog het hoofd. Het denkbeeld, dat ze tegen onverdiende armoede zou moeten worstelen op hare jaren, maakte haar diep ongelukkig. Zwijgend ging zij weer naar haar stoel. Hare oogen waren vochtig geworden. Zij wilde naar Betsy's vriendelijken raad hooren, en toch kon zij niet geheel met de verstandige plannen van haar jongste kind instemmen.

Een haastige tred klonk bij de deur.

Suze trad binnen. Of de Haagsche zomerlucht haar een blos op de wangen tooverde, of het smaakvol toilet, lichte rouw, haar buitengewoon goed stond, dit althans was zeker, dat ze er ongemeen bevallig uitzag. Toen ze haar moeder en zuster zag, fronste ze even de wenkbrauwen. Kalm begon ze:

„Jelui hier?”

„Ja, Suze! We moeten je het een en ander vertellen, en over een paar punten met je overleggen!”

Mevrouw Muller Belmonte had gepoogd vriendelijk en voorkomend te spreken. Ze had niemand bekend, welk een heimelijke toorn er voortdurend woedde in haar binnenste. Den dood van haar man, het schandelijk bankroet, de verachting van heel Osterwolde, had zij kunnen trotseeren, wanneer hare dochter, mevrouw De Huibert van Vliethuysen, zich niet als eene gemeene deern had laten wegjagen uit de echtelijke woning.

Suze vermoedde niet in 't minst, wat er bij hare moeder omging. Ze antwoordde uit de hoogte:

„We hadden immers afgesproken, dat jelui Zondagsmorgens bij mij zoudt komen koffiedrinken! Is er nu zoo'n haast?”

„Ik begrijp, dat je ons heel best kunt missen, Suze! Schikt het je niet ons te hooren, dan zullen we onmiddellijk weer heengaan!”

„Zooals u verkiest! Ik heb geen lust, om dadelijk weer te kijven…”

Maar Betsy treedt snel naar Suze toe. Zij fluistert haar iets in 't oor. Mevrouw Muller Belmonte heeft met vonkenschietende oogen zich opgericht.

„Kijven! Het past je niet tegenover mij dat woord te gebruiken! Kom, Betsy! Laat ons gaan!”

Maar Betsy, die sedert den noodlottigen nacht, toen haar vader stierf, reeds menig moeielijk oogenblik met hare moeder en oudste zuster had doorgebracht, Betsy wendt zich tot de eerste, en zegt:

„Neen, mama! We moeten geduld hebben, omdat we ongelukkig en arm zijn! Suze zal naar ons luisteren! Onaangenaamheden zijn er toch al genoeg!”

Mevrouw De Huibert hield zich zwijgend met haar eleganten zomerhoed bezig, en wachtte tot Betsy mama zou hebben doen bedaren. Mevrouw Muller Belmonte ging bevende weer zitten, en zei dof:

„Zeg jij het, Betsy!”

„Goed, mama!”

Suze trad zonder de minste ontroering nader, en plaatste zich bij het venster. Zij keek verstrooid naar buiten.

„Suze!” – begon Betsy, – „gisteren was je nog geen uur weg, toen we een brief kregen uit Amsterdam van oom Muller. Hij schrijft mama, dat hij in de eerste plaats de zaak van Bram en Karel in orde heeft gebracht. Beide jongens zijn gezond en sterk: als ze goed willen oppassen bij het instructiebataljon te Kampen, zal hij ze zooveel mogelijk helpen. Ze zijn heel wel tevreden, en hebben beloofd hun best te doen!”

„Dat is ten minste goed nieuws!” – merkte Suze op.

Mevrouw Muller Belmonte bleef beweegloos in elkaar gedoken zitten. Haar zwager, de Amsterdamsche kolonel, kende den omvang der familierampen ten volle. Hij had besloten de beide jongens tot onderofficier te doen opleiden, en ze verder te steunen, zoolang er aan hun gedrag niets mankeerde.

Betsy wachtte eene poos en ging toen na eene korte aarzeling voort:

„Oom schrijft verder over ons beiden, over mama en mij… Hij vindt het vreemd, dat wij te Rijswijk blijven, en dat jij, Suze, naar Den Haag gaat. Hij had het verstandiger gevonden, als wij al te zaam te Rijswijk waren gebleven, in de eerste plaats om de kosten…”

Het was nu Suze's beurt het hoofd toornig op te heffen. Snel viel ze hare zuster in de rede:

„Dat is mijn zaak! Laat hij er buiten blijven! Ik weet wel, dat hij juist niet met mij dweept … de brave man heeft principes… Heel goed! Maar ik heb hoegenaamd geene verplichting aan hem! Ik verlang, dat hij mij met rust laat.”

„Maar Suze! denk toch, dat mama en ik alleen van zijne mildheid afhangen! Hij meent het best! Hij zal ons helpen … hij dacht, dat jij bij ons zoudt blijven wonen, dan konden we zeer fatsoenlijk leven!”

„Oom Muller mag denken wat hij wil! Daar kan niets van komen! Mijn plaats is in Den Haag! Ik heb een vast plan, ik wijk er niet van af.”

Mevrouw Muller Belmonte had met klimmende verontwaardiging en bittere gramschap de woorden harer dochters gevolgd. Telkens wilde zij spreken, telkens bedwong zij met inspanning haar toorn.

Betsy zag Suze met een bedroefden blik aan, en ging voort:

„Oom Muller schreef verder, dat hij hartelijk deelnam in ons ongeluk, dat hij als toeziende voogd voor Bram en Karel zal zorgen, maar, dat hij voor mama en mij niet meer dan vijfhonderd gulden in 't jaar kan afstaan. Hij bekent, dat het heel weinig is, maar hij verwijst naar…”

„Naar mij!” – valt Suze schamper glimlachend in. – „Dat spreekt van zelf! Ik ben schatrijk! Het moet van mij komen…”

„Neen, niet alleen van jou! Ook van mij!” – zegt Betsy snel. – „Oom Muller heeft mij nog een goeden raad gegeven. Hij hoorde mij te Amsterdam piano spelen, en denkt, dat ik buitengewoon vlug en vaardig ben op dat instrument. En ook omdat ik zeer goed onderwijs heb gehad, voel ik mij in staat les te geven. Als je me helpen wilt, Suze! dan krijg ik misschien hier in Den Haag wel lessen, en dan konden wij, als jij ook wat deedt, mama een gerusten ouden dag bezorgen!”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/brink-jan-ten/eene-schitterende-carriere/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


