Stuurman Flink; of, De schipbreuk van «De Vrede»
Frederick Marryat




Kapitein Marryat

Stuurman Flink / De schipbreuk van





EERSTE HOOFDSTUK

HET SCHIP DE VREDE. STUURMAN FLINK


Het was in de maand October, 18**, dat De Vrede, een groot koopvaardijschip, door harden wind gedreven, de wateren kliefde van den wijden Atlantischen Oceaan. Het schip had slechts weinig zeil bij, want de wind was zoo sterk, dat het doek door de woedende stooten en rukken in flarden zou zijn gereten, en pijlsnel schoot het vaartuig over de hooggaande golven, die het schuimend volgden en het beurtelings ten hemel opbeurden of diep in de holle zee bedolven, zoodat men had kunnen denken, dat het daaruit nooit weer zou te voorschijn komen. Evenwel was het schip hecht en stevig en de kapitein een goed zeeman, die alles deed, wat hij tot behoud van zijn bodem dienstig achtte.

De kapitein stond bij het stuurrad en hield een wakend oog op de mannen aan het roer, want hierop vooral moet men acht geven, als het schip recht vóór een harden wind zeilt. Terwijl hij hier zoo in het rond en van tijd tot tijd ook naar de lucht zag, neuriede hij een oud zeemansliedje, dat begint:

		„’t Is alles water, wat men ziet,
		En donkre, zwarte lucht!”

En zoo was het ook waarlijk. Zij dobberden midden op den oceaan, geen ander vaartuig was te zien, de hemel was overdekt met donkere wolken, welke de storm woedend voor zich uit joeg, de golven stapelden zich tot bergen op en deden het schuim omhoogspatten, terwijl de wind akelig door het want floot en huilde.

Buiten den scheepskapitein en de beide mannen aan het roer, waren er nog twee andere personen op het dek: de eerste een knaap van omstreeks twaalf jaren, de ander een oud, verweerd zeeman, wiens grijze haren in den wind fladderden, toen hij naar het achterdek van het schip ging en overboord keek.

Op eens zag de knaap, hoe een geweldig zware golf tegen den spiegel van het schip kwam aanrollen. Angstig greep hij den oude bij den arm vast en riep: „Kijk, zal die groote golf niet over ons heele schip heen slaan, Flink?”

„Neen, Willem, wees maar gerust. Merkt ge niet, hoe ze ons schip in de hoogte tilt? En kijk, nu is ze al onder ons door gegaan en zijn wij gelukkig over haar heen. Maar ’t kon licht gebeuren, dat een tweede golf nog hooger klom, en dan zou het slecht met u afloopen, als ik mijzelf en u meteen hier niet stevig vasthield. De zee zou u zeker overboord spoelen.”

„Ik houd niet van de zee, Flink; ik wou wel, dat we weer op het vasteland waren,” antwoordde de knaap. „Zie de golven daar recht vooruit;—is ’t niet, alsof ze van het schip geen stuk heel wilden laten?”

„Ja, ja, ze zijn vrij wild, en daarbij loeien ze zoo, alsof ze boos waren dat zij het schip niet in de diepte begraven kunnen. Maar daaraan ben ik gewoon, Willem, en op een goed schip, met een braven kapitein en wakker volk, ben ik niet bang voor zulk een storm.”

„Maar vaak gaan er toch schepen ten gronde, en dan verdrinken allen, die er op zijn, niet waar?”

„Ja, Willem, en soms vergaat wel eens een schip, terwijl het volk aan boord daar het minst op bedacht is.”

„Wat zijn dat toch voor kleine vogels, die zoo laag over het water vliegen?”

„Ei, dat zijn moeder Carey’s[1 - Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud verschaft.] kuikens, zooals wij zeelui ze noemen. Ze vertoonen zich alleen bij storm, of als er boos weer ophanden is.”

„Zeg, Flink, hebt gij wel eens op een woest eiland schipbreuk geleden, zooals Robinson Crusoë?”

„Ja, jongenlief, ik heb wel al schipbreuk geleden, maar van Robinson Crusoë heb ik mijn leven niet gehoord. Er zijn zoovelen, die hun schip verloren en zwaren nood hadden door te staan, terwijl nog ruim zoovelen daarbij omkwamen en dus van hunne ontmoetingen niet meer vertellen konden, dat het niet heel denkelijk is dat ik uit al die menigte den man, dien gij daar noemt, zou gekend hebben.”

„O, dat staat alles in een boek, dat ik gelezen heb. Ik kon het u wel alles van stukje tot beetje vertellen—en wil dat ook doen, zoodra de zee weer bedaard is; maar wees nu zoo goed en breng mij weer naar beneden, want ik heb moeder beloofd niet al te lang hier boven te blijven.”

„En wat ge beloofd hebt, moet ge als een flinke jongen altijd houden,” zei de oude man. „Kom, geef mij de hand maar, en ik zal wel zorgen, dat ge zonder vallen of stooten door het luik komt. Als het beter weer is, zult ge van mijne schipbreuk hooren en dan moet gij mij ook eens zeggen, wat ge van dien Robinson Crusoë weet.”

Met deze woorden bracht de oude zeeman den kleinen Willem tot aan de deur der kajuit en keerde toen op het dek terug, waar hij de wacht had.

Stuurman Flink had nu al ruim vijftig jaren op zee rondgezworven; hij was nog pas tien jaren oud, toen hij op een kolenschip als koksjongen zijn eerste reis deed. Door zijn voortdurend verblijf in de open lucht was zijn gezicht donkerbruin gekleurd en diepe rimpels lagen in zijne wangen, hoewel hij nog altijd een flink en sterk man was gebleven. Hij had jaren achtereen aan boord van een oorlogschip gediend en daarop alle werelddeelen bezocht; hij wist dan ook vele vreemde geschiedenissen te vertellen. Maar al klonken die ook nog zoo vreemd, men mocht hem vrij gelooven, daar nooit een onwaar woord over zijn lippen kwam.

Hij verstond de stuurmanskunst vrij goed, kon dus lezen en schrijven en was een verstandig en braaf man. De naam Flink paste zeer goed voor hem, want altijd was hij flink en vlug bij de hand en in oogenblikken van nood en gevaar zoo welberaden, dat de kapitein hem niet zelden om raad vroeg en zich daar gewoonlijk wel bij bevond. Op deze reis bekleedde hij den rang van tweeden stuurman.

Zooals wij reeds weten, was De Vrede een fraai schip van meer dan vier honderd tonnen en zoo hecht en sterk gebouwd, dat men het zeer goed tegen een hevigen storm bestand kon achten. De tegenwoordige bestemming van het vaartuig was Nieuw-Zuid-Wales,[2 - Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.] waarheen het eene kostbare lading Engelsche goederen had over te brengen. De kapitein was een bekwaam zeeman en bovendien een braaf mensch van een altijd vroolijk en opgeruimd humeur, die de dingen steeds in hun beste licht beschouwde en ook, als ’t geluk hem soms eens tegenliep, eer geneigd was daarmee te lachen, dan dadelijk een zuur gezicht te trekken. Zijn naam was Osborn. De eerste stuurman heette Mackintosh en was een Schot. Ofschoon barsch en ruw van aard, nam hij toch zijn dienst aan boord voorbeeldig waar en was een man, op wien kapitein Osborn zich verlaten kon, hoewel deze anders niet van hem hield. Met Flink hebben wij reeds kennis gemaakt en van de matrozen aan boord behoeven wij niet meer te zeggen, dan dat zij in het geheel dertien in getal waren. Dit was zekerlijk eene nauwelijks toereikende bemanning voor zulk een groot schip en oorspronkelijk waren er ook meer geweest; doch op den dag vóór het onder zeil gaan, hadden vijf mannen, uit ontevredenheid over de behandeling, die Mackintosh, de eerste stuurman, hun aandeed, het schip eensklaps weer verlaten, waardoor de kapitein gedwongen was geweest in zee te steken, zonder anderen in hunne plaats te hebben aangeworven. Gelijk in het vervolg blijken zal, was dit voor het schip eene zeer noodlottige omstandigheid.




TWEEDE HOOFDSTUK

DE FAMILIE WILSON


De jonge Willem was de oudste zoon eener familie, die uit vader, moeder en vier kinderen bestond en zich thans in haar geheel aan boord van De Vrede bevond. De vader, mijnheer Wilson, was een verstandig, welonderricht man, die jaren lang een post bij het bestuur te Sidney, de hoofdplaats van Nieuw-Zuid-Wales, bekleed had en nu, na een driejarig verlof, uit Engeland derwaarts terugkeerde. Hij had van de regeering een duizend of wat morgen land aangekocht; dit was sedert aanmerkelijk in waarde gerezen en de schapen en veeteelt, waarop hij zich toelegde, hadden hem reeds groote winsten opgeleverd. Gedurende zijne afwezigheid in Engeland had zijn rentmeester zijne belangen met veel zorg behartigd, en zelf bracht hij nu eene menigte voorwerpen van allerlei aard mede, zoo tot verbetering zijner landerijen als tot eigen gebruik, b. v. huismeubelen, gereedschappen voor den landbouw, verschillende zaden en gewassen, rundvee en nog meer, te veel om op te noemen.

Mevrouw Wilson was een lieve, zachte vrouw, die echter veel sukkelde en allesbehalve sterk was. Op den oudsten zoon, Willem, een sterken, vluggen knaap, vol geest en leven, volgde Thomas, een door en door goede jongen van bij de acht jaar oud, maar zoo dom en onhandig, dat er geen voorbeeld van was en men hem geen ommezien alleen kon laten. Caroline, een meisje van zeven jaren, was het derde en de pas éénjarige Albert het jongste kind. Tot oppassing van dezen laatste vooral diende een jonge negerin van de Kaap de Goede Hoop, die naar Sidney overgekomen en mevrouw Wilson naar Engeland gevolgd was. Wij hebben nu al de personen aan boord van De Vrede opgenoemd; maar bijna hadden wij onder de levende schepselen twee herdershonden van mijnheer Wilson vergeten en een kleinen dashond, die de bijzondere lieveling van zijn meester, kapitein Osborn was.

Eerst op den vierden dag na de losbarsting, begon de storm te bedaren en nam allengs af, totdat hij eindelijk in bijna geheele windstilte overging. De matrozen, die al dien tijd dag en nacht op het dek gewaakt hadden, hingen hunne van regen en zeewater doorweekte kleeren in het want te drogen en konden nu zelven rust nemen en hunne krachten herstellen. Een zachte wind blies in de zeilen, de zee was weer effen en het schip legde in zijne rassche vaart bij de vijf mijlen in het uur af. Mevrouw Wilson had een mantel omgeslagen en zat op eene bank op het achterdek. Haar man en hare kinderen waren bij haar en verheugden zich in het kostelijke weer, toen ook kapitein Osborn die met zijn sextant den stand der zon had waargenomen, met een lachend gezicht op hen toekwam en riep:

„Wel Thomas, jongen, ge zult zeker wel hartelijk blij zijn, dat de storm over is?”

„O, ik ben niet bang geweest,” antwoordde Thomas. „Ik was maar boos, dat ik altijd mijne soep stortte. Maar Juno is eens van haar stoel gerold en lag met broertje op den grond te spartelen, totdat eindelijk papa kwam en haar weer ophielp.”

„Goddank, dat mijn kleine Albert zich niet doodelijk bezeerd heeft!” zeide de moeder, met een blik vol liefde op haar kind.

„En dat zou hij zich zeker gedaan hebben, had Juno niet zoo geheel alleen aan het kind en geen oogenblik aan zichzelve gedacht,” zeide de vader.

„Ja, dat is waar,” hernam kapitein Osborn. „Zij redde het kind, maar zal haar eigen hoofd wel terdeeg gevoeld hebben.”

„Ikke een harden bons kreeg op mijn kop,” verzekerde Juno en grijnsde, dat hare witte tanden tot aan de ooren zichtbaar werden.

„Gelukkig, dat ge er zulk een dik wollig overtreksel over hebt,” zei de kapitein lachend. „Maar word niet boos, Juno; waarlijk, ge zijt een goed meisje, en wij allen houden veel van u.”

„Het is twaalf uren naar de zon, mijnheer,” kwam Mackintosh, de eerste stuurman, den kapitein berichten.

„Maak mij dan de breedte op, stuurman, en ik zal terstond de lengte berekenen. Over vijf minuten, mijnheer Wilson, zal ik u op de kaart aanwijzen, waar wij ons thans op zee bevinden.”

„Ha, daar komen ook onze honden eens boven kijken,” riep Willem op eens uit. „Ik wed, dat ze met dat mooie weer even blij zijn als wij. Hier, Romulus! Remus hier!”

„Ei, mijnheer,” zei Flink, die dicht bij hen stond, „ik heb u al lang eens een vraag willen doen. Uwe honden daar hebben een paar zulke wonderlijke namen, die ik in mijn leven nog niet gehoord heb. Romulus en Remus—wie waren dat?”

„Zoo heetten twee broeders in den overouden tijd,” antwoordde de heer Wilson. „Zij waren als schaapherders opgewassen en bouwden de stad Rome, die naderhand zoo beroemd en zoo machtig werd en waarover Romulus als eerste koning regeerde.”

„En verbeeld u eens, Flink; toen ze nog klein waren, werden zij door eene wolvin gezoogd,” vervolgde Willem. „Wat zegt ge van zoo iets, man?”

„Door eene wolvin? Dat was zeker eene vreemde soort van minne voor een paar jonge prinsen,” antwoordde Flink.

„En Romulus sloeg zijn broeder dood.”

„Geen wonder, als men rekent wat zoogster ze hadden,” merkte Flink aan. „Maar waarom deed hij dat?”

„Omdat Remus zoo goed springen kon,” zeide Willem lachend.

„De jongeheer wil mij zeker wat wijsmaken?” riep Flink en zag den vader vragend aan.

„Dat juist niet. De geschiedenis vertelt, dat Remus zijn broeder om den lagen stadsmuur, die deze gebouwd had, bespotte en, om hem te tergen, daar losweg overheen sprong. Dit moet Romulus zoo euvel hebben opgenomen, dat hij hem in drift doodsloeg. Evenwel, op zulke oude verhalen kan men niet altijd zoo vast staat maken.”

„En ik wil ook niet hopen, dat beiden werkelijk broeders geweest zijn,” hernam Flink; „hoewel—’t oude spreekwoord heeft het zoo mis niet:

		„Twee meesters onder ’t zelfde dak
		Geeft altijd moeite en ongemak.

„Men hoort tegenwoordig nog wel eens van Rome spreken; is dat misschien nog diezelfde stad?”

„Ja,” antwoordde Willem; „het zijn de puinhoopen van die oude.”

„Een mensch is toch nooit uitgeleerd,” zeide Flink. „Vandaag heb ik weer vrij wat nieuws gehoord, en dat kan men altijd en overal, als men zijn mond maar tot vragen weet te gebruiken. Ik ben een oud man en weet weinig buiten ’t geen tot mijn beroep behoort; maar toch zou ik veel minder weten, als ik geen onderzoek naar de dingen had gedaan, zonder mij te schamen om voor mijne onwetendheid uit te komen. Dat is het eenige middel om iets goeds te leeren, jongeheer.”

„Gij geeft daar mijn zoon kostelijken raad, Flink;—en pas op, mijn kind, dat gij dien nooit vergeet,” sprak de vader. „Gij behoeft u nooit te schamen, naar iets te vragen, dat gij niet weet of begrijpt.”

„Dat doe ik ook altijd, vader. Heb ik u niet al naar heel veel dingen gevraagd, Flink?”

„Ja, ja, dat hebt gij; en gij vraagt doorgaans vrij verstandig voor een knaap van uwe jaren. Ik wou maar, dat ik uwe vragen beter beantwoorden kon, dan ik daar soms toe in staat ben, lieve jongen.”

„Nu zou ik toch liefst weer naar beneden willen, lieve,” zeide mevrouw Wilson eindelijk. „Flink zal wel zoo goed zijn den kleine voor mij te dragen.”

„Van harte gaarne, mevrouw,” antwoordde Flink. „Komaan dan, Juno, geef mij het kind en ga gij vooruit.—Ruggelings, domme meid! Hoe dikwijls moet ik u dat nog zeggen? ’k Voorzie, dat gij nog eens hals over kop de trap aftuimelt.”

„En breken mijn nek,” zei Juno.

„Ja, of een arm of een been! En wie zal dan het kind dragen?”

Zoodra allen weder in de kajuit waren, namen de kapitein en mijnheer Wilson de kaart voor zich en zochten daarop de plaats, waar het schip zich thans bevond. Zij zagen, dat zij nog dertig mijlen van de Kaap de Goede Hoop verwijderd waren.

„Als de wind aanhoudt, kunnen wij daar morgen zijn,” zeide mijnheer Wilson tot zijne vrouw. „Misschien kan onze Juno daar haar vader en moeder wedervinden.”

De arme Juno schudde het hoofd, en de tranen rolden over hare donkere wangen, terwijl zij vertelde, dat hare ouders een Hollandschen veeboer toebehoorden, die met hen diep landwaarts in getrokken was. Zij was nog maar een klein kind geweest, toen men haar van hare ouders afnam, en had alleen in de Kaapstad moeten achterblijven.

„Maar nu zijt gij vrij, Juno,” zeide mevrouw Wilson. „Gij zijt in Engeland geweest, en allen, die dat land eens betreden hebben, zijn van dat oogenblik af vrije menschen.”

„Ja, mevrouw, Juno vrij zijn, maar Juno toch geen vader hebben en geen moeder,” antwoordde het arme meisje en weende bitter. De kleine Albert sloeg nu echter de armpjes om haar hals, en weldra lachte zij weer en speelde vroolijk met het lieve kind.




DERDE HOOFDSTUK

KAAP DE GOEDE HOOP


Den volgenden morgen zag men de Kaap voor zich en liet in de Tafelbaai het anker vallen.

„Waarom noemt men dit hier de Tafelbaai, Flink?” vroeg Willem.

„Denkelijk is dat, omdat die groote berg daar de Tafelberg heet, jongeheer, gij ziet, hoe zijn top heel vlak is.”

„Ja waarlijk, hij is zoo vlak als eene tafel.”

„Maar nu en dan ziet men witte wolken zich op eene zonderlinge wijze rondom de toppen samenpakken en dan zeggen de zeelieden, dat de tafel gedekt wordt, of ook wel, dat de berg zijn pruik opzet. Men ziet dat niet graag, omdat er doorgaans ruw en stormachtig weer op volgt.”

„Dan hoop ik dat die tafel, zoolang wij hier zijn, maar ongedekt mag blijven. Wij hebben al storm en onweer genoeg gehad, en moeder is er nog zwak en ziek van. Wat is dat eene mooie stad, Flink!”

„Wij zullen hier twee dagen voor anker blijven, mijnheer,” kwam kapitein Osborn den heer Wilson berichten, „en zoo gij en mevrouw aan wal wenscht te gaan, is daar gelegenheid toe.”

„Ik zal bij mijne vrouw gaan en het haar vragen,” zeide Willems vader en ging met dezen in de kajuit.

Mevrouw Wilson was zeer blijde, dat het schip nu althans eenigen tijd stil zou liggen, maar voelde zich te zwak om aan land te gaan. Er werd dus besloten, dat zij met de beide jongste kinderen aan boord zou blijven, terwijl haar man de beide oudsten, Willem en Thomas, den volgenden dag naar de Kaapstad medenam, van waar hij beloofde nog vóór den avond terug te zullen zijn.

Den volgenden morgen liet kapitein Osborn een groote sloep uitzetten en zich daarin met mijnheer Wilson, Willem en Thomas naar den wal roeien. Thomas had aan zijne moeder beloofd, dat hij heel zoet en gehoorzaam zou wezen; maar dat deed hij altijd en had het altijd ook weer vergeten, zoodra hij haar maar uit het gezicht was. Van de landingsplaats gingen zij naar een vriend van den kapitein, die in de stad woonde. Hier bleven zij een half uur, om een glas limonade te drinken, want het was zeer warm, en toen besloot men naar den tuin van de Compagnie te gaan, om de wilde dieren te zien, die daar bewaard werden. Willem was met dit plan zeer ingenomen en zijn broertje klapte in de handen van blijdschap.

„Vader, waarom heet die tuin de tuin van de Compagnie?” vroeg Willem.

„Omdat hij door de Hollandsch-Oostindische Compagnie is aangelegd, in den tijd, toen de Kaap nog aan de Hollanders toebehoorde. Het is eigenlijk een plantentuin, waar men evenwel ook wilde dieren bewaart. Vroeger had men er hier een groote menigte, doch tegenwoordig zijn de reizigers er minder nieuwsgierig naar, daar men ze ook in Europa genoeg te zien kan krijgen.”

„En wat zullen we dan al zien?” vroeg Thomas.

„Gij zult leeuwen zien, mijn jongen, ik weet niet hoeveel wel, allemaal in één hok bijeen,” antwoordde kapitein Osborn.

„O, dat is goed! Ik heb nog nooit een leeuw gezien.”

„Maar pas op, kind, dat gij niet te dicht bij het hok komt.”

„Neen, zeker niet,” beloofde Thomas.

Zoodra zij binnen het tuinhek waren wilde Thomas ontloopen, uit ongeduld om de leeuwen toch vooral spoedig te zien, maar kapitein Osborn haalde hem gelukkig weder in en hield hem nu stevig bij de hand vast.

„Hier zijn een paar zonderlinge vogels,” zeide de heer, die bij hen was. „Men noemt ze secretarisvogels, om de veeren, die hun daar achter aan den kop uitsteken, evenals de veer van de pen, die een klerk of schrijver soms wel achter het oor draagt. Het zijn echter zeer nuttige dieren, daar zij de slangen dooden en, als zij konden, alleen van slangen en adders leven zouden. Zij pakken die beesten met hunne klauwen aan en drukken ze met zooveel geweld, dat zij in een oogenblik dood zijn.”

„Vindt men veel slangen in dit land?” vroeg Willem.

„Ja, en zeer vergiftige slangen,” antwoordde zijn vader, „waarom deze vogels hier dan ook van groot nut zijn. Gij kunt daaruit zien, Willem, hoe geen dier, vooral geen van de schadelijke soorten, zich al te sterk vermenigvuldigen kan, maar op zijne beurt weer de prooi van andere roofdieren wordt. En zoo is het overal; in elk land, waar eenig dier in groote menigte voorhanden is, vindt gij ook zeker een tweede, ’t welk dat eerste vervolgt en tot buit maakt. De secretaris bewoont dit land, waar slangen in menigte zijn, om deze te dooden; in Europa daarentegen, waar minder vergiftige slangen zijn, zou deze vogel ook weinig nut doen.”

„Maar, vader, sommige dieren, zooals de leeuw en de olifant zijn zoo groot en sterk, dat andere ze bijna niet vernielen kunnen.”

„Dat is waar, maar die grootere dieren vermenigvuldigen zich niet zoo sterk als andere en daarom neemt hun aantal ook veel minder schielijk toe. Een paar olifanten b. v. krijgt in den tijd van twee of meer jaren maar één enkel jong, terwijl de konijntjes, die de buit van zooveel andere dieren en vogels zijn, tot in het oneindige vermeerderen zouden, indien hunne toeneming niet op die wijze werd te keer gegaan. Ik heb ergens gelezen, dat een paar konijnen met hun gebroed, dat zich even snel weer vermeerdert, in een enkel jaar tot vele honderden kan aangroeien.”

Onder zulke gesprekken had men het verblijf der leeuwen weldra bereikt. Het was een ruim, rond plein, dat, van boven open en rondom tusschen hooge muren besloten, slechts eene enkele opening voor de toeschouwers had. Deze opening was breed en van boven tot onder met hechte ijzeren staven bezet, die echter zoo ver van elkaar afstonden, dat de leeuwen er met hunne klauwen wel tusschendoor konden tasten, waarom de kinderen dan ook gewaarschuwd werden, er vooral niet te dicht bij te komen. Het was kostelijk om te zien, hoe acht of tien van die edele dieren daar in allerlei houding in het rond lagen, zich koesterden in de heete zon en met hunne breede, borstelige staarten den grond zweepten, zonder zich, naar ’t scheen, aan de menschen daar buiten in het minst te storen. Willem bleef op een behoorlijken afstand van de tralies staan en keek aandachtig toe. Ook de kleine Thomas zette groote oogen op en was in den beginne niet weinig bang; maar dat ging over en hij werd spoedig stouter. De heer, die bij hen was en langen tijd aan de Kaap gewoond had, verhaalde eenige zeer onderhoudende anecdoten aangaande den leeuw, waarnaar het gansche gezelschap zoo aandachtig luisterde, dat niemand merkte, hoe Thomas opnieuw ontsnapt en naar den ingang van het leeuwenhok teruggeloopen was. Hij stond eerst een tijdlang naar de dieren te kijken, maar wilde toen ook, dat zij eens wat beweging maken zouden. Om hen hiertoe te dwingen, nam hij eindelijk een steen op en wierp dien naar den jongen, nagenoeg driejarigen leeuw, die het dichtst bij den ingang lag. Deze scheen dit niet te bemerken, want hij verroerde zich niet, ofschoon hij het oog niet van den onvoorzichtigen knaap afwendde. Hierdoor werd onze Thomas gedurig stouter, wierp nog een steen en nog een en kwam daarbij telkens dichter bij het hok.

Op eens hief de leeuw nu een vreeselijk gebrul aan en sprong op Thomas los, terwijl hij met zulk een woede tegen de ijzeren staven van zijn hok opvloog, dat deze kletterden en dreunden en de kalk op enkele plaatsen van de steenen viel. Doodelijk verschrikt, gilde de jongen het uit en tuimelde achterover in het gras, ’t geen zijn behoud was, want ware hij voorovergevallen, dan zou het dier hem zekerlijk met zijne klauwen hebben aangepakt. Zijn vader en kapitein Osborn schoten dadelijk toe en hielpen hem op. Zoodra hij weder adem kon halen, begon hij te huilen van angst, terwijl de leeuw voor de tralies stond en brullend en loeiend met den staart in het rond sloeg.

„Breng mij weg,—breng mij weer op het schip!” kreet Thomas en trilde als een blad.

„Wat hebt gij gedaan, jongen?” vroeg kapitein Osborn.

„Ik zal u nooit weer met steenen gooien, heer leeuw; neen, neen, nooit van mijn leven meer!” riep de knaap en zag ontzet naar het vergramde dier om.

De heer Wilson bracht hem zijne onvoorzichtigheid ernstig onder het oog, en van lieverlede kwam hij nu tot bedaren, maar was toch niet gerust, voordat men van de leeuwen niets meer hooren of zien kon.

Zij bezochten thans ook nog de overige dieren, die hier te zien waren, en van nu af aan hield Thomas zich van alle op een eerbiedigen afstand. Zelfs waagde hij het niet bij een schaap te komen, dat op de Kaap thuis behoort en een dikken vetstaart van verscheiden ponden zwaarte heeft.

Na alles bekeken te hebben, gingen zij weder naar het huis van den vreemden heer, die hun te eten had verzocht, en na den maaltijd keerden allen naar het schip terug. Toen Thomas’ moeder van het avontuur hoorde, dat hij met den leeuw had gehad, verzekerde zij, dat zij zulk een ongehoorzaam kind nooit weer uit haar gezicht zou laten gaan.




VIERDE HOOFDSTUK

EEN STORM OP ZEE


Den volgenden morgen werden levensmiddelen en versch water aan boord genomen en zette De Vrede opnieuw hare zeilen in top, terwijl men alle hoop op eene voorspoedige reis begon op te vatten, daar het schip dagen achtereen met goeden wind zijne vaart vervolgde. Dit was nochtans niet van duur. Er volgde eene windstilte die bijna drie volle dagen aanhield, en gedurende dezen tijd was ook zelfs geen schijn van wind op de breede watervlakte te bespeuren. De geheele natuur scheen in diepe rust verzonken, en geen ander levend wezen vertoonde zich, dan nu en dan een enkele albatros, die met half geopende vlerken het schip een tijdlang bijbleef en de stukjes brood oppikte, die men overboord uitstrooide.

„Wat is dat voor een groote vogel, Flink?” vroeg Willem.

„Dat is een albatros, Willem, de grootste zeevogel dien wij hebben. Ik zag er eens een schieten, wiens uitgestrekte vlerken van het eene tot het andere einde wel ruim elf voet lang waren.”

„Dat is de eerste, dien ik ooit gezien heb.”

„Omdat men ze ten noorden van de Kaap ook zelden vindt. Men zegt, dat zij onder het vliegen slapen kunnen en zich dan met den kop op de vlerken hoog boven in de lucht laten drijven.”

„Hoe komt het, vader,” vroeg Willem dezen, die naast hem stond, „dat onder de vogels de een zwemmen kan en de ander niet? Weet gij nog, toen Thomas eens een van onze hoenders in den grooten vijver had gejaagd, hoe het arme beest in het water omspartelde tot zijne vleugels nat werden en het niet langer kon boven houden, zoodat het verdrinken moest? Hoe maakt een zeevogel het dan, om zich zoo lang boven water te houden?”

„De zwemvogels, mijn jongen, zijn van eene soort van olie voorzien, waarmede zij hunne vederen van buiten bestrijken, en deze olie maakt dat het water daar niet indringt. Hebt gij nooit van eenden op het land gezien, hoe zij met den snavel in hare vederen omplozen? Zij gebruiken dan die olie, om de veeren waterdicht te maken.”

„Hoe vreemd!”

„Ja, wel merkwaardig.—Maar, daar komt Juno zeggen, dat de thee gezet is.”

Den derden dag na het invallen der stilte meende kapitein Osborn uit het diepe dalen van zijn barometer te moeten opmaken, dat er een hevige storm ophanden was, en verzuimde dus niet, alle toebereidselen te maken, om dien bij zijn losbreken het hoofd te bieden. En inderdaad had hij zich niet bedrogen. Tegen middernacht stegen plotseling donkere wolken aan den hemel op en pakten zich allengs dichter en dreigender opeen. Vlammende bliksemstralen doorkruisten in alle richtingen de nachtelijke duisternis, en toen de wolkgevaarten hooger klommen, stak ook de wind op, doch aanvankelijk slechts met enkele zware rukken, die eerlang weder door doodelijke stilte werden gevolgd.

„Uit wat hoek, Flink, denkt ge, dat wij den wind te wachten hebben?” vroeg kapitein Osborn.

„Om u de waarheid te zeggen, kapitein, geloof ik niet, dat hij lang in ééne richting blijven zal. Het zal eerst misschien duchtig uit het noorden blazen, maar dan, denk ik, zal hij wel spoedig naar eene andere streek overslaan en dan ons nog veel harder op het lijf vallen.”

„Wat zegt gij, Mackintosh?”

„Wij zullen wind genoeg hebben en een duchtig aanhoudenden storm bovendien,” antwoordde deze. „Hoe eer wij de luiken schalmen, des te beter zal het zijn.”

De heer Wilson had met Willem dit gesprek aangehoord, en daar Flink op het gelaat van zijn jongen vriend bij die laatste woorden eenige ongerustheid meende te lezen, klopte hij hem op den schouder en vermaande hem, zich niet vóór den tijd beangst te maken.

„Voor mijzelf ben ik niet bang, Flink,” verzekerde de moedige knaap; „maar moeder is deze beide laatste dagen weer zoo zwak geweest, dat ik om háár wel wenschen zou, dat de storm uitbleef.”

„Maar, Flink,” vroeg de kapitein verder, „wat doet u denken, dat de wind draaien zal?”

„Och, ik weet het zelf niet,” antwoordde de oude man; „misschien vergis ik mij ook en kan stuurman Mackintosh gelijk hebben. De wind komt uit het noordoosten; zooveel schijnt althans zeker.” Met deze woorden trad hij op het nachthuisje toe en zag opmerkzaam op het kompas. Vader en zoon keerden inmiddels naar de kajuit terug, en ook Mackintosh ging, om de noodige orders aan het volk te geven. Zoodra allen weg waren, vervoegde Flink zich weder bij den kapitein en zeide:

„Kapitein, het past mij niet, den stuurman tegen te spreken, maar in een geval als dit moet ieder vrij voor zijn gevoelen uitkomen. Ik zou het mijne ook verdedigd hebben, als de vreemde heer met zijn zoon er niet bijgestaan hadden; maar nu wil ik u wel zeggen, dat wij nog iets ergers dan een storm te wachten hebben. Ik ben vroeger al meer onder deze breedte geweest en ben een oud zeeman, zooals gij weet. Daar is iets in de lucht, dat bemerkte ik voor drie dagen al. Ik ben zeker, dat het niet tot een storm, neen, dat het tot een volslagen orkaan komen zal,—en wat het ergste daarbij is, dat die denkelijk veel langer zal aanhouden, dan een storm doorgaans doet. Ik heb nauwkeurig op alles gelet en zelfs de vogels zeggen mij zoo, en die bedriegen nooit, daar het de natuur zelve is, die hen onderricht. De stilte tot hiertoe was niets anders dan de rust van den wind, die altijd zijn hevigst woeden voorafgaat.—En nu weet gij mijne vaste overtuiging.”

„Ik vrees, man, dat gij maar al te zeer gelijk hebt. Zorg dan, dat de bramraas neerkomen en laat al de kleine zeilen in de marsen opruimen. Besla den bezaan en doe den gaffel strijken. Ik wil zelf mee naar voren gaan.”

Er was werkelijk geen tijd te verliezen; want aan deze bevelen was nauwelijks voldaan, toen reeds een heftige storm uit het noordoosten losbrak. De zee rees met ontzettende snelheid; in allerijl werd het eene marszeil na het andere geborgen en het vaartuig vloog, enkel met gereefde fok en stormstagzeilen, door den wind gedreven, over de donkere golven. Slechts met de grootste inspanning gelukte het den drie mannen aan het rad, het roer vast te houden, zoo geweldig sloeg de hooggaande zee tegen de zijden van het schip. Niet een enkele onder de bij andere gelegenheden zoo zorgelooze matrozen waagde het gedurende dezen nacht een oog te sluiten, en in angstige verwachtingen zagen allen het aanbreken van den dag te gemoet. Tegen drie uren in den morgen ging de wind plotseling liggen, doch slechts voor eenige minuten, waarop hij, gelijk Flink voorspeld had, weder met nieuwe woede uit een anderen hoek het schip bestookte en de laatste zeilen aan flarden scheurde, die nog eenigen tijd aan de raas fladderden en eindelijk door den storm ver lijwaarts geslingerd werden.

De hemel was in dikke duisternis gehuld en alleen het schuim, dat de woelende zee rondom het schip deed opspatten, verspreidde nu en dan een zwakken, akeligen lichtglans. De wind was nu naar het west-noordwesten gedraaid en zoo moest ook het schip zijn koers veranderen en was men gedwongen zich aan het geweld van den orkaan over te geven. Dit geschiedde ook, doch hieruit ontstond een nieuw bezwaar, want daar de zeeën in de vroegere windrichting uit het noordoosten liepen, kreeg het schip die op eenmaal dwars in, gelijk de zeelieden het noemen, en sloegen ieder oogenblik stortzeeën overboord, die alles, wat niet vaststond, wegspoelden. Zoo werd ook een der matrozen van het dek afgerukt en was reddeloos verloren, daar in zulk een orkaan aan pogingen tot redding niet te denken viel. Kapitein Osborn stond op het achterdek en hield zich aan een van de korvijnagels vast, terwijl hij Mackintosh, die bij hem was, toeriep:

„Wat dunkt u, hoe lang kan dat nog duren?”

„Misschien langer dan het schip zelf,” antwoordde de stuurman met allen ernst.

„Dat wil ik nog niet hopen,” hernam de kapitein; „en erger kan het toch niet worden. Wat zegt gij, Flink?”

„We hebben nu meer van ginder boven dan van de zee onder ons te vreezen,” riep de tweede stuurman en wees naar de nokken van de raas, aan beide einden waarvan de electrische stof als kleine vuurballen vlamde. „Zie die twee wolkjes, die op elkaar stooten; als ik....”

Flink had geen tijd om uit te spreken, daar een blauwe bliksemstraal den toeschouwers het gezicht verblindde en hen toen eenige seconden achtereen in zwarte duisternis hulde. Daarop volgde een vreeselijke donderslag, die het schip in zijn gansche lengte deed sidderen en schudden. Een dof gekraak—een ontzettende slag—een doffe kreet werd gehoord, en toen zij de verblinde oogen weer opslaan konden, zagen zij den fokkemast als een dun riet tot beneden toe gespleten en het schip in lichtelaaien gloed. De mannen aan het rad, geheel verblind en verbijsterd door het licht, konden het roer niet langer regeeren; het schip loefde op—krak! daar sloeg de groote mast over zij—en alles was opschudding en verwarring. De Vrede was op eenmaal een hulpeloos wrak geworden.

Gelukkig—want anders ware alles reddeloos verloren geweest—werd de vlam door de zware golven, die over den bak heenrolden, spoedig gebluscht, doch nu lag het schip weerloos, aan de golven ten prooi, hevig te stooten tegen de overboord geslagen, slechts door het want nog vastgehouden masten. Zoodra zij van hun eersten schrik bekomen waren, liepen Flink en de eerste stuurman naar het rad en zochten het schip weder voor den wind te brengen; doch hunne poging mislukte, want fokkemast en hoofdmast waren weg en alleen de bezaansmast was nog over, waardoor het schip juist belet werd naar het roer te luisteren. De wakkere Flink liet twee matrozen dit laatste aanvatten; terwijl hij Mackintosh een teeken gaf want de wind huilde nu te sterk, dan dat men elkanders woorden nog had kunnen verstaan, eene bijl opgreep en het bezaanswant van zijn mast loshakte. De kruissteng en de top van den bezaansmast stortten overboord en zoo gelukte het hun eindelijk, het vaartuig voor den wind te brengen. Het vereischte nu nog veel tijd en inspanning, het wrak geheel van zijne masten vrij te maken, en toen men eindelijk tijd kreeg om op het dek rond te zien, vermiste men vier man, die door den bliksem gedood of onder den fokkemast verpletterd waren, zoodat thans, buiten kapitein Osborn en de beide stuurlieden, nog maar acht matrozen aan boord overig waren.




VIJFDE HOOFDSTUK

HET WRAK


Een zeeman geeft in het gevaar den moed niet op, zoolang hij nog eenige kans ziet om zich door eigen inspanning van het verderf te redden. Het verlies van hunne kameraden, die zoo plotseling uit hun midden gerukt waren,—de ellendige toestand van het schip,—de woeste golven, die hen als in een breeden waterkuil dreigden te begraven, het huilen van den orkaan,—de sissende bliksem,—het ratelen van den donder—dat alles kon hen niet weerhouden te doen, wat de nood van hen eischte. Mackintosh, de eerste stuurman, verzamelde zijn volk en sloeg zelf de handen aan het werk, om een blok en strop aan den nog rookenden stomp van den fokkemast vast te maken. Een touw werd door het blok geschoren en het groote bramzeil opgeheschen, zoodat het wrak weder met versnelde vaart voor den wind uitvloog en beter naar het roer luisterde.

Het schip was weer voor den wind, en in vergelijking met vroeger tamelijk zeker, hoewel de narollende baren het van tijd tot tijd geweldig schokten. Andermaal begon de avond te vallen en nog was aan geen rust te denken. De manschap was door de onophoudelijke inspanning reeds ten hoogste afgemat. Kapitein Osborn en Flink waren meermalen in de kajuit geweest, om de beangste passagiers te troosten en gerust te stellen. Buiten zichzelven van angst en bezorgdheid, was mevrouw Wilson ernstig ongesteld, en haar man waakte aan haar bed. De kinderen werden vermaand in de hut bedaard te blijven en de kleine kwam niet uit de armen der onvermoeide en zorgdragende Juno.

Reeds liep de derde dag van den storm ten einde en nog deden zich geene geruststellende teekens op. Door het onophoudelijk breken der stortzeeën over het achterschip, waren de kompashuisjes weggespoeld en men kon nu niet langer den koers, waarin het schip tot hiertoe gestuurd was, noch den doorloopen afstand bepalen. Het vreeselijk beuken en stooten der golven had reeds een lek teweeggebracht en zooveel was met zekerheid vooruit te zien, dat, zoo de storm niet spoedig bedaarde, de bodem niet lang meer tegen de zee bestand zou zijn.

Van dit oogenblik af stonden angst en moedeloosheid op des kapiteins gelaat te lezen. De verantwoordelijkheid, die op hem rustte, drukte hem zwaar;—zelfs als nog enkelen er het leven afbrachten, had hij een kostbaar schip en eene nog veel kostbaarder lading te verliezen. Men naderde immers thans een punt, waar de oceaan met lage koraalriffen en eilandjes bezaaid was en moest met recht vreezen, in den tegenwoordigen hulpeloozen toestand, zonder een enkel middel van tegenstand, door wind en golven op een daarvan geworpen te worden.

De oude stuurman stond naast hem, toen de kapitein zeide:

„Ik heb slechten moed, Flink. Wij loopen het gevaar in den mond en hebben geen middel om het te ontwijken.”

„Dat is, helaas, zoo; alle middelen zijn ons benomen.”

„Er was menig man,” sprak kapitein Osborn met ernst, „die mij benijdde, toen ik dit fraaie schip onder mij kreeg. Zou thans een hunner met mij willen ruilen?”

„Ik denk voor ’t naast—neen, kapitein, ofschoon geen mensch weet wat de dag van morgen mee kan brengen. Vol hoop liept gij met dit schip het zeegat uit; nu voelt gij, niet zonder grond, zoo iets, dat veel van moedeloosheid heeft. Maar wie weet? In allen gevalle hebt gij uw plicht gedaan en geen braaf man kan meer doen. Ik wou maar, kapitein, dat Mackintosh niet zoo schrikkelijk vloekte. Ik verbeeld mij altijd, dat de storm er sterker om huilt.”

„Gij hebt gelijk,” was het antwoord; „maar houd vast, Flink: daar komt weer eene zee.”

Onze vriend had nog even tijd, om met beide handen de korvijnagels beet te pakken, toen zulk een watervloed zich over het schip uitstortte, dat zij een tijdlang met de voeten van boord werden gespoeld. Echter lieten zij hun houvast niet los en konden eindelijk weer op de been komen.

„Dat heeft hem weer een knauw gegeven, wed ik,” zeide Flink en nam den hoed af om het water weg te schudden.

„Zoo vrees ik; het beste schip, dat ooit zee bouwde, is tegen zulke stooten niet bestand,” antwoordde de kapitein. „En nu juist, met ons doodmoe volk, zie ik geen mogelijkheid, om meer zeil bij te krijgen.”

Den geheelen nacht door schoot het schip weder met vogelsnelheid over het water voort. Met het krieken van den dag ging de storm liggen en werd de verbolgen zee bedaarder; maar nog altijd moest men het schip voor den wind houden, want nadat dit reeds zoo geteisterd was, durfde men niet bijsteken. Men maakte thans toebereidselen, om noodmasten op te richten en de vermoeide matrozen waren daar juist druk mede bezig, toen de heer Wilson met zijn zoon Willem op het dek kwam.

Willem staarde in het rond. Tot zijne verbazing zag hij, hoe de slanke masten met al hunne touwen en zeilen verdwenen waren en het gansche dek in een staat van wanorde en verwarring voor hem lag.

„Zie, mijn jongen,” sprak de vader, „wat ellende en vernieling hier heeft plaats gehad. Zie nu, ’s menschen trotschheid is vernederd.”

„Ja, Willem,” riep Flink hem toe; „zie maar eens aandachtig rond!”

„Maar vader,” vroeg Willem na eene poos, „hoe moeten wij nu zonder masten en zeilen naar Sidney komen?”

„Wel, vriend Willem,” antwoordde Flink, „wij moeten alles doen, wat maar in onze macht staat. Wij zeelieden staan zelden lang verlegen en, als ’t goed gaat, zult gij ons vóór den nacht wel weer onder een lap of wat zeil zien. Wij hebben onze groote masten verloren; daarom moeten wij noodmasten opzetten, zooals men ze noemt—of kleine masten met klein zeil, en die brengen ons ook misschien nog wel naar Sidney toe.—Hoe maakt de goede mevrouw het, mijnheer?” vervolgde Flink, zich tot den vader keerende. „Is zij wat beter?”

„Ik vrees, dat zij zeer ziek en zwak is,” was het antwoord. „Alleen goed weer kan haar weer eenigszins doen bijkomen. Denkt gij, dat het nu opklaren zal?”

„Neen, mijnheer, om u de waarheid te zeggen, vrees ik, dat het nog erger gaat spoken. Ik heb den kapitein mijne gedachten niet gezegd, want een mensch kan zich vergissen; maar toch, ik blijf er bij—ik heb niet tevergeefs volle vijftig jaren op zee omgezwalkt. De nevelbank, die daar ginder bijeentrekt, bevalt mij niet en ’t zou mij niet verwonderen, als het nog eens uit denzelfden hoek begon te blazen en wel nog voordat het nacht wordt.”

„Het zij zoo!” sprak de heer Wilson. „Echter vrees ik zeer voor mijne vrouw, die al zoo door de zeeziekte verzwakt is.”

„Daarover zou ik mij niet al te ongerust maken, mijnheer, want ik heb nog nooit gehoord, dat menschen aan die kwaal gestorven zijn, hoeveel zij er ook door te lijden hadden.—Weet gij al Willem, dat wij eenigen van ons volk verloren hebben in den tijd, dat gij niet boven geweest zijt?”

„Neen, ik hoorde den kok daar wel iets van mompelen, maar wilde hem niet vragen, omdat moeder reeds zoo in angst was.”

„Dat was heel braaf van u, mijn jongen; maar denk eens: we hebben vijf van onze rapste en beste matrozen verloren. Seevers werd overboord geslagen,—Fennings en Master zijn door den bliksem gedood,—en Jones en Emery zijn door den vallenden fokkemast getroffen. Gelooft gij wel, Willem, dat niet één dezer lieden er aan dacht, toen wij de Kaap verlieten of zelfs maar een dag of een enkel uur voordat het geschiedde, dat weldra hunne lichamen honderden mijlen ver van het land op zee zouden omdobberen?”

„Ik ben van oordeel,” zeide mijnheer Wilson, „dat een zeeman eigenlijk geen recht heeft om te trouwen.”

„Dat is ook altijd mijn gevoelen geweest,” antwoordde Flink; „en zeker, menige arme verlaten matrozenvrouw, als zij ’s nachts op haar bed naar den storm en regen luisterde, heeft evenzoo gedacht.”

„Met mijne toestemming,” vervolgde de vader, „zullen mijn zoons nooit ter zee gaan, zoolang ik nog een andere betrekking voor hen vinden kan.”

„En gij hebt gelijk, mijnheer Wilson. Men zegt wel, dat het niets helpt, een knaap tegen te houden, wanneer hij zich het varen eens in het hoofd heeft gezet;—maar ik voor mij denk in dat geval anders. Ik geloof, dat een vader recht heeft om neen te zeggen; want ziet gij, mijnheer, zoo jong als zulk een knaap het baaitje aantrekt, heeft hij nog zijn volle verstand en oordeel niet. Ieder stoute, moedige jongen wil het zeegat uit,—dat is heel natuurlijk; maar als de meesten onder hen voor de ronde waarheid uitkwamen, zouden zij moeten zeggen, dat het niet zoozeer het verlangen naar zee was, dat hen verleidde, als wel de wensch, om de school of zelfs het vaderlijk huis te verlaten, waar zij onder het opzicht van meesters of ouders stonden.”

„Juist, juist, Flink; zij willen onafhankelijk zijn en dat hopen zij op zee te worden.”

„Maar daar bedriegen zij zich geweldig in; want, geloof mij, op de gansche wijde wereld wordt geen slaaf zoo gekweld en geplaagd, als zulk een arme knaap in de eerste tien jaren van zijn zeeleven. Voor ééne berisping, die hij aan land verdient, krijgt hij aan boord tiendubbel slagen en nooit vindt zulk een mensch de liefde en de genegenheid weder, die hij op vasten wal achterliet. Het is een hard leven en er zijn slechts enkelen, die het zich niet bitter beklaagd hebben en niet gaarne zouden willen terugkeeren—als hunne schaamte hen daarvan niet terughield.”

„Dat is de zuivere waarheid, Flink, en daarom geloof ik ook, dat een vader ten volle recht heeft, als hij zijn zoon niet toelaat, ter zee te gaan, zoolang hij hem op eenige andere wijze een behoorlijk bestaan kan verschaffen. Het zal daarom toch nooit aan matrozen ontbreken, daar er nog altijd arme jongens in menigte zijn, voor wie hunne betrekkingen niet beter zorgen kunnen, en voor zulke lieden is de zee zekerlijk de beste keus, daar zij hier geen ander kapitaal dan moed en ijver tot hunne bevordering noodig hebben.”

„Datzelfde heb ik ook steeds gedacht, mijnheer,” hernam Flink. „Maar hoe maakt uw zoon Thomas het toch, en de andere kleinen en de arme Juno?”

„Die zijn allen vrij wel, behalve dat zij zich nu en dan door uitglijden eens wat zeer deden, als het schip zoo geweldig slingerde. Maar ik mag hier niet langer blijven,” vervolgde de heer Wilson; „mijn arme vrouw zal naar mij verlangen. Wilt gij nog langer op het dek blijven, Willem?”

„’t Is beter, dat hij met u omlaag gaat;” zeide Flink; „wij allen hebben hier de handen te vol en ik kan mij niet met hem bemoeien. Dezen nacht hebben wij weer geen rust te wachten, ’t moge gaan hoe ’t wil, daar ons getal thans zoo klein is. Goedennacht dan, heerschappen, rust wel!”




ZESDE HOOFDSTUK

ALS HET WATER TOT DE LIPPEN KOMT, IS OOK VAAK UITKOMST NABIJ


Toen vader en zoon in de kajuit kwamen, vonden zij er dadelijk handen vol werk. De hofmeester had een schotel erwtensoep voor de kinderen gebracht en deze was brandend heet. Thomas, die naast zijn zusje in ’t bed overeind zat, had Juno, die met den rechterarm haar kleinen Albert vasthield, het bord uit de linkerhand getrokken en dit in zijn ongeduld over de arme Caroline uitgestort, die een kreet gaf van pijn; terwijl Juno, vol verlangen om Caroline te helpen, opgesprongen en op den grond gevallen was met den kleine, die, hoewel niet bezeerd, nu ook een geduchte keel opzette. Tot overmaat van ramp was Juno op des kapiteins dashond neergekomen en deze had haar daarvoor in het been gebeten, waarop ook Juno het luid uitschreeuwde en mevrouw Wilson, bevend en radeloos van angst, zich van hare kussens had opgericht en gaarne had willen, maar niet kunnen helpen. Daar kwam haar man gelukkig nog juist bijtijds, om Juno met den kleine op te helpen. Hij zocht vervolgens de arme Caroline tot bedaren te brengen, die zich, gelijk nu bleek, nog niet zoo erg gebrand had, als men verwachtte.

„Massa Thomas ben toch stout ondeugend jonk,” jammerde de negerin en wreef zich het been. De „ondeugende jonk” oordeelde maar ’t best, zich stil te houden;—hij werd terdeeg beknord. De hofmeester kwam de tafel schoonmaken, en zoo keerde alles eindelijk weder tot de vorige orde terug.

Onderwijl was men ook op het dek niet werkeloos gebleven. De timmerman had eene opening voor een der stengen gemaakt, die den grooten mast moest vervangen; terwijl het andere volk het want weder in gereedheid bracht. Ongelukkig had het schip een lek gekregen en vier handen waren aan de pompen bezig en moesten daar bijna voortdurend werkzaam zijn. Gelijk Flink voorzegd had, was ook de nacht niet daar, of de wind verhief zich weder, de zee werd holler en woester en het lek nam zoo toe, dat men elk ander werk moest opgeven, om alleen bij de pompen te blijven. Zoo duurde de storm twee volle dagen lang, totdat de geheel uitgeputte matrozen te laatste ook niet meer pompen konden. Aan den gang van het schip was te zien, dat er reeds veel water in het ruim was binnengedrongen, en thans—om het ongeluk ten top te voeren—gebeurde er nog eene nieuwe ramp, die de ernstigste gevolgen had.

Kapitein Osborn was vóór op het schip en gaf eenige orders aan zijn volk, toen de blokstrop, die de groote bramra aan den stomp van den fokkemast vasthield, eensklaps losging, zoodat ra en zeil op het dek neerploften en den kapitein bewusteloos deden neervallen. Zoolang hij aan hun hoofd had gestaan, hadden de matrozen, vol eerbied voor zijne erkende bekwaamheid als zeeman en bemoedigd door het hem eigen goed humeur, hunne taak gaarne en gewillig verricht, maar thans, nu hij, zoo al niet dood, toch in allen gevalle buiten kennis en tot handelen niet in staat was, thans werd het op eenmaal anders en ontbrak het geheel aan het vereischte gezag. Mackintosh was bij het volk te weinig bemind, dan dat zijne woorden eenigen invloed hadden kunnen uitoefenen. Zij sloegen zijn vermaningen en bevelen in den wind en staken de hoofden bijeen, om onderling te beraadslagen.

„Het ergste is geleden. De orkaan is gebroken, mannen, en wij hebben nu goed weer te wachten,” merkte Flink aan en vervoegde zich bij de matrozen aan het volkslogies. „De wind is haast op, zooals gij zelven zien kunt.”

„Ja, en het schip is ook haast op,” antwoordde een matroos; „daar is nog veel minder aan te twijfelen.”

„Een paar uren stevig aan de pompen gewerkt, dat zou nu goed doen,” vervolgde Flink. „Wat zegt gij, jongens?”

„Een stevig oorlam zou ons meer goed doen,” hernam de zeeman. „Wat zegt gij, jongens? De kapitein, als hij spreken kon, de arme drommel, zou ons dat zeker niet weigeren.”

„Wat zijt gij van zins, jongen?” vroeg Mackintosh. „Ge wilt u toch niet dronken drinken, hoop ik?”

„Waarom niet?” riep een ander uit den hoop. „Het schip moet toch spoedig te gronde gaan.”

„Dat is mogelijk,—ik wil het niet tegenspreken,” zeide Mackintosh; „maar dat is nog geen grond, waarom wij niet gered zouden worden. Als ge u nu echter dronken drinkt, is er geen denken aan, dat een van ons er het leven zou afbrengen en mij is mijn leven lief. Ik ben bereid om u in alles bij te staan, waartoe gij besluiten mocht, en gij hebt maar te zeggen wat gebeuren moet; maar drank zult gij niet hebben. Zoolang ik het beletten kan, kunt gij daar staat op maken.”

„En hoe zoudt gij ons dat beletten?” vroeg een der matrozen op dreigenden toon.

„Twee vastberaden mannen kunnen veel doen,—ik mag zeggen drie, want in dit geval is stuurman Flink op mijne zijde en ook op den passagier in de kajuit kan ik tot bijstand rekenen. Bedenkt, dat alle geweren in de kajuit zijn. Maar waarom zouden we samen twisten?—Zegt mij ronduit, wat ge denkt te doen; en als ge nog niets besloten hebt, wilt ge dan nog naar mijn voorslag luisteren?”

Daar des stuurmans moed en vastberadenheid wel bekend waren, beraadslaagden de matrozen nog een tijdlang samen en vroegen hem toen naar zijn plan.

„Wij hebben nog een goede boot,” antwoordde Mackintosh, „de nieuwe sloep is behouden. De andere booten, weet gij, zijn overboord gespoeld, met uitzondering van de kleine boot achter, die nochtans onbruikbaar is, daar de zee ze bijna verbrijzeld heeft. Nu kunnen wij niet heel ver meer van de eilanden af wezen, ja, ik geloof zelfs dat wij er reeds tusschen zijn. Laten wij de boot van al het noodige voorzien en daartoe getroost en vlug te werk gaan. Neemt zooveel drank, als gij weet, dat u niet schaden kan en laat ons ook nog een goeden voorraad daarvan medenemen. De sloep is met mast, tuig en riemen in goeden staat en het moest al vreemd zijn, zoo zij ons niet ergens behouden aan land bracht.—Kameraad Flink, is de raad, dien ik hier geef, goed of niet?”

„Volkomen goed, Mackintosh;—slechts nog één ding: wat moet er van de kajuitpassagiers, de vrouwen en kinderen worden? En wilt gij onzen armen kapitein, die daar ligt te ijlen, hulpeloos achterlaten? Of wat wilt gij anders aanvangen?”

„Wij willen den kapitein niet verlaten!” riep een van de matrozen.

„Neen—neen, onze kapitein moet mee!” herhaalden de overigen.

„En de passagiers?”

„Het spijt mij van hen,” antwoordde de eerste spreker; „maar wij zullen genoeg te doen hebben, om ons eigen leven te redden. De boot kan ons nauwelijks bergen.”

„Ik moet u gelijk geven, jongens,” sprak Mackintosh. „Het hemd is nader dan de rok. Welaan dus, wat zegt gij?—Blijft het besloten?”

„Ja!” riepen de matrozen eenstemmig, en Flink wist wel, dat hier iets tegen in te brengen geheel vruchteloos zijn zou.

Zij gingen nu terstond tot het uitrusten der boot en het aanbrengen van den vereischten voorraad over. Beschuit, pekelvleesch, eenige tonnen water, een vat met rum werden bij de valreeptrap bijeengebracht. Mackintosh haalde zijn octant, een kompas en eenige geweren met kruit en lood boven; de timmerman maakte met de hulp van een matroos eene opening in de verschansing, om de boot daardoor van boord neer te laten; want thans, nu de masten ontbraken, kon men die natuurlijk niet daaraan ophijschen. Na verloop van een uur was alles gereed. Een lang touw werd aan de boot vastgesjord, deze hierop aan de opening gesleept, waardoor zij te water gaan moest en het schip vervolgens dwarswinds gebracht. Flink had aan dit werk niet geholpen, maar een-, of tweemaal gepeild, om te onderzoeken of het water in het schip ook geklommen was en zich daarna bij kapitein Osborn neergezet, die nog altijd bewusteloos lag van den slag, die hem op het hoofd had getroffen. Toen het schip in den wind was gebracht, kwam mijnheer Wilson boven en zag rond.

Hij zag de boot gereed om af te loopen, water en proviand bij het boord en het schip langzaam met de deining voortdrijven.—Eindelijk ontdekte hij Flink, aan de zijde gezeten van den kapitein, die daar schijnbaar dood nederlag.

„Wat beduidt dit alles, Flink?” vroeg hij. „Willen zij het schip verlaten? En hebben zij hun kapitein omgebracht?”

„Neen, mijnheer, zoo erg is ’t nog niet. De arme kapitein is door de vallende ra getroffen en ligt sedert buiten kennis; maar wat het andere aangaat, ik vrees, dat het zoo besloten is. Gij ziet, dat men daar de boot van boord stoot.”

„Maar mijne arme vrouw! Zij is nooit in staat om mee te gaan; ze kan zich nauwelijks verroeren,—ze is doodzwak!”

„Ik moet u tot mijn leedwezen zeggen, dat die dáár ook niet voornemens zijn uzelf of uwe vrouw en uwe kinderen mee te nemen.”

„Wat! ze willen ons hier laten omkomen? Barmhartige Hemel! hoe wreed,—hoe barbaarsch!”

„Het is niet menschlievend van hen gehandeld, mijnheer; maar ziet gij, zoo is de natuur van den mensch. Als eens ’t leven er mee gemoeid is, dan denkt iedereen aan zichzelf, want het leven is zoet. Zij zijn niet harder tegen u, dan zij ook tegen elkaar zijn zouden, als zij te sterk in aantal waren en de boot niet allen opnemen kon. Ik heb dat al zelf mede beleefd,” antwoordde de oude man zeer ernstig.

„Mijne vrouw! mijne arme kinderen!” riep de wanhopende vader en bedekte het gezicht met beide handen. „Doch ik wil met hen spreken,” vervolgde hij; „zeker zullen zij naar het gebod der menschelijkheid luisteren, en in allen gevalle heeft stuurman Mackintosh nog wel eenigen invloed op hen. Gelooft gij dat ook niet, Flink?”

„Daar gij mij dat vraagt, mijnheer, moet ik u zeggen, dat er geen harder hart onder hen is, dan dat van Mackintosh en dat het u evenmin helpen zal, of gij met hem spreekt of met een van de overigen. Ook moet gij die menschen niet te streng beoordeelen: de sloep is klein en kan met den voorraad, dien zij meenemen, ook niet meer koppen bergen;—dáár zit de zwarigheid. Wou men u en uwe familie nog innemen, dan kon dat de oorzaak van alles zijn. Geloof mij, als ik zelf anders dacht, zou ik zeker alles doen, om hen over te halen; doch het helpt niets.”

„Maar wat dan te doen, Flink? Gaat gij niet met hen mede?”

„Neen, mijnheer Wilson. Ik heb het laatste uur daarover nagedacht en ben nu besloten bij u achter te blijven. Zij willen den armen kapitein meenemen, om hem misschien te redden, en vroegen ook mij; maar ik blijf hier.”

„Om met ons om te komen?” was de verbaasde vraag.

„Al naar ’t God behaagt, mijnheer Wilson. Ik ben oud en grijs, aan mij is weinig gelegen; ik hoop ook, dat ik mij zoo goed op den dood heb voorbereid, als dat in mijne geringe krachten stond. Geloof mij, mijnheer, ik denk veel meer aan uwe kinderen, dan aan mijzelven. Het scheelt mij weinig, of ik een paar jaren vroeger of later sterf, doch ’t zou mij diep ter harte gaan, als zulke lieve bloempjes al zoo in de eerste lente werden afgesneden. Ik kan van nut zijn door mijn blijven, want ik draag een ouden kop op mijne schouders en voor geen geld zou ik u aan het verderf overlaten, zoolang gij nog misschien gered kunt worden, wanneer ge slechts wist, hoe te doen. Maar zie, daar komen de matrozen; de boot is geheel klaar en zij willen nu onzen braven kapitein wegdragen.”

De zeelieden traden toe en beurden den nog altijd bewusteloozen kapitein op. Onder het weggaan riep een hunner: „Kom, stuurman, wij hebben geen tijd meer te verliezen.”

„Denkt niet aan mij, vrienden; ik blijf hier op het wrak,” antwoordde Flink. „Ik wensch u van ganscher harte eene behouden vaart. En aan u, Mackintosh, heb ik slechts dit ééne verzoek: als gij gered zijt, vergeet dan niet, wie ge hier aan boord hebt gelaten en laat ons dan tusschen de eilanden opzoeken.”

„Gekheid, Flink, kom mee in de boot!” antwoordde de eerste stuurman.

„Ik zal hier blijven; kameraad; en ik bid u alleen, dat gij doen zult, wat ik van u verlang. Laat aan mijnheer Wilsons vrienden weten, wat hier is voorgevallen en waar men ons het best kan opsporen. Dat is alles, wat ik van u verlang. Wilt gij mij dit ééne beloven?”

„Ja, Flink, ik wil, wanneer gij dan toch bepaald besloten hebt te blijven. Maar,” vervolgde hij, op Flink toetredende en hem in het oor fluisterende, „het is waarachtig gekheid:—kom mee, man!”

„Vaarwel dan, vriend Mackintosh,” antwoordde Flink en gaf hem de hand. „Gij zult zeker uwe belofte houden?”

Na nog vele verdere vermaningen van de zijde der matrozen waarvoor Flink echter doof bleef, stak de boot eindelijk af en stuurde naar het noordoosten.




ZEVENDE HOOFDSTUK

DE SCHIPBREUK


Een tijdlang, nadat de boot het schip verlaten had, stond de oude Flink met over elkaar geslagen armen zwijgend uit te zien. Mijnheer Wilson stond bij hem. Hij kon geen woord spreken, het hart was hem te vol. Naarmate de sloep zich verder van het schip verwijderde, scheen ook zijne laatste hoop meer en meer te verdwijnen en schenen vrouw en kinderen, hijzelf en de oude man, die aan zijne zijde stond, aan een onvermijdelijken ondergang prijsgegeven. Zijne gelaatstrekken drukten volslagen moedeloosheid en vertwijfeling uit. Ten laatste nam Flink het woord:

„Zij denken zeker, dat zij zichzelven redden en dat wij vergaan zullen, mijnheer, doch het kan nog wel anders loopen.”

„Het is waar,” antwoordde de bedroefde vader; „maar welke hoop ons nog zou overblijven op een zinkend schip, met zoovele hulpelooze wezens om ons heen, dat, moet ik bekennen, kan ik niet begrijpen.”

„Wij moeten ons best doen en dan ons aan Gods wil onderwerpen,” hernam de oude zeeman en ging toen naar achteren, waar hij het roer weder oplegde, zoodat het schip andermaal voor den wind kwam.

Wat Flink aan de matrozen voorspeld had, voordat zij het schip verlieten geschiedde werkelijk; de storm had uitgewoed en ook de zee was reeds aanmerkelijk bedaard. Niettemin dreef het schip slechts langzaam door het water en na eenigen tijd zette Flink het stuurrad vast en kwam weder bij den heer Wilson op het voordek. Deze had zich, in een staat van wanhoop naar het scheen, op het zeil neergeworpen, waarop kapitein Osborn na zijne verwonding gelegd was.

„Het doet mij leed, mijnheer, dat ik u storen moet; maar voelt gij u door troosteloosheid overweldigd, dan kan u ik misschien een weinig hoop geven.”

„Ik heb gebeden,” antwoordde Wilson en stond op: „en sedert heb ik mijn zinnen zooveel mogelijk bijeenverzameld, die zekerlijk zeer verward zijn. Wat mij het meest beangst, is, hoe onzen hulpeloozen toestand aan mijne lieve vrouw mede te deelen.”

„Ik zou er rond voor uitkomen, indien ik onzen toestand als hopeloos beschouwde,” hernam Flink; „maar hopen blijft zelfs in het ergste geval geoorloofd. Doch luister, mijnheer, ik wil als zeeman spreken en u zeggen, welke mogelijkheid er thans nog voor ons over is. Het schip is half vol water geloopen, daar ’t geweld van den storm de naden opende waardoor het naar binnen drong; maar nu, sedert de zee bedaarde, heeft zich dat al vrij wat weer hersteld. Ik heb in het ruim gepeild en bevonden, dat het water deze beide laatste uren maar een paar duim gewassen is en daar het schip langzamerhand zijne naden weder sluit, zal het spoedig nog wel beter worden. Indien het goede weder vooreerst aanhoudt, behoeven wij niet te vreezen, dat het schip zoo spoedig zinken zal; en daar wij ons nu tusschen de eilanden bevinden, is het niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat wij ons vaartuig op een daarvan zullen kunnen laten stranden en zoo nog lijf en leven redden. Dat alles heb ik bedacht, toen ik weigerde in de boot te gaan, en ik bedacht ook, mijnheer, dat indien ik u evenals de anderen verliet, gij voor uzelf niet in staat zijn zoudt, van zoovele gunstige omstandigheden, die tot ons behoud misschien nog bijdragen kunnen, behoorlijk partij te trekken.—Daarom ben ik gebleven en hoop het werktuig te worden, dat u en al de uwen uit dezen akeligen toestand redt. Mij dunkt, het zou nu ’t best zijn, dat gij weer in de kajuit gingt, uwe arme vrouw met een vroolijk gezicht de gunstige verandering van het weer berichttet en haar zeidet, dat wij hoop hebben, aan eene of andere veilige kust te landen. Als zij nog niet weet, dat het volk het schip verlaten heeft, moet gij haar daar niets van doen merken. Gij kunt immers zeggen, dat de hofmeester met de andere matrozen aan het werk is, want dat is hij ook waarlijk, en zoo het mogelijk was, zou ik u raden, alles, wat sedert is voorgevallen, te verzwijgen. Uw Willem moogt gij het wel toevertrouwen, of liever, zend hem boven bij mij en ik zal met hem spreken.—Zeg nu, wat dunkt u van de zaak, mijnheer?”

„Ik weet nauwelijks, Flink, wat ik denken of hoe ik u voor uwe zelfopoffering in dezen nood behoorlijk danken moet. Wees verzekerd, uw raad is voortreffelijk; ik zal hem in alles ten stipste opvolgen, en mocht het ons gelukken den dood te ontgaan, die ons thans van alle kanten aangrijnst, dan zal mijne dankbaarheid....”

„Spreek daar niet van, mijnheer; ik ben een oud man, heb slechts weinig behoeften en mijn leven is ook maar van gering nut. Wat ik wensch te behouden is de bewustheid, dat ik in dezen toestand mijn plicht naar mijn beste vermogen heb zoeken te vervullen. Wat kan de wereld veel aanlokkelijks hebben voor een man, die zich altijd met moeite door het leven heeft heen geworsteld en thans vrienden noch magen bezit, die zich om zijn dood bekommeren! Niettemin dank ik u hartelijk, mijnheer Wilson; maar nu zal ’t beter zijn, dat gij naar omlaag gaat, terwijl ik hierboven een wakend oog houd.”

De heer Wilson drukte den braven man met hartelijkheid de hand en ging toen naar beneden, zonder verder een woord te spreken. Hij vond zijne vrouw in slaap; ook de kinderen lagen rustig in hunne bedden; alleen Juno en Willem waren op.

Willem gaf zijn vader een teeken dat zijn moeder sliep, en zeide zachtjes: „Ik wou niet uit de kajuit gaan, terwijl gij boven op het dek waart; maar de hofmeester heeft zich in geen twee uren meer laten zien. Hij kwam nog om de geit te melken en na dien tijd niet meer. Geen van ons allen heeft nog ontbijt gehad.”

„Willem, ga op het dek,” antwoordde zijn vader. „Flink heeft u iets te zeggen. Ik wil zoolang hier blijven.”

Onze jonge vriend vervoegde zich bij Flink, die hem in korte woorden met den toestand bekendmaakte, waarin zij zich thans bevonden. Hij bracht hem onder het oog, hoe noodzakelijk het was dat hij alles beproefde wat in zijne macht stond, om zijn vader en hem (Flink) te ondersteunen en zijne moeder in haar lijdenden toestand niet te verontrusten. Gelijk natuurlijk is, maakte, wat hij hier hoorde, op Willem een diepen indruk, doch hij vatte toch spoedig weer moed en beloofde in alles zijn best te zullen doen.

„Maar, Flink,” zeide hij, „de hofmeester, weet ge, is nu met de anderen weg, en als moeder wakker wordt, zal hare eerste vraag zijn, of wij al ontbijt gehad hebben. Wat kan ik doen?”

„Dat weet ik niet; maar mij dunkt, ge kunt eene van de geiten melken, als ik u dat voorgedaan heb, en onderwijl wil ik voor het verdere zorgen. Ik kan wel eens van het dek, want het schip stuurt nu zichzelf vrij goed.—En, Willem, ik heb juist voordat gij kwaamt, naar het water omgezien en geloof, dat wij niet veel meer inkrijgen. En,” vervolgde hij en liet zijne oogen in het rond gaan, „wij zullen goed weer krijgen en ook nog voor den nacht eene kalme zee.”

Daar beiden elkander hielpen, was het ontbijt spoedig gereed, terwijl mevrouw Wilson nog voortdurend in een gezonden slaap lag. De beweging van het schip was thans zeer gering, daar het ingedrongen water zijn diepgang aanmerkelijk had doen toenemen. Zee en wind waren bedaard en de zon scheen helder en verwarmend aan den hemel. De boot had men reeds eenigen tijd geheel uit het gezicht verloren en het wrak stuurde zacht, niet sneller dan drie mijlen in het uur, door het water heen, want het had slechts een enkel zeil, het groote bramzeil namelijk, dat men op den stomp van den fokkemast had bijgezet.

Flink was voor eenige oogenblikken in de kajuit gegaan en sloeg mijnheer Wilson voor, Juno met de drie kleinen op het dek te zenden. „Het verveelt hen, hier zoo stil te zijn,” zeide hij; „en daar mevrouw eindelijk eens gerust slaapt, zou het jammer zijn, haar te wekken. Daar zij zooveel geleden heeft, kan haar slaap nog wel eenige uren aanhouden, en hoe langer, hoe beter, want zij zal hare krachten misschien spoedig noodig hebben.”

Mijnheer Wilson keurde dezen voorslag goed en ging met Juno en de kinderen op het dek, terwijl hij Willem achterliet, om bij zijne moeder te waken. De goede negerin was uiterst verbaasd, toen zij de trap opkwam en den staat van het schip en de afwezigheid der matrozen ontdekte; doch haar meester verhaalde haar wat er was voorgevallen, met de ernstige vermaning, om er zijne vrouw geen woord van te zeggen. Juno beloofde dit, ofschoon het arme meisje wel bemerkte in welk gevaar men verkeerde, en toen zij den kleinen Albert aan hare borst drukte, rolden haar twee zware tranen over de wangen neer. Zij dacht daarbij niet aan zichzelve, maar wat er van dat lieve kleine schaap worden moest. Zelfs Thomas en Caroline konden niet nalaten te vragen, waar de masten en zeilen gebleven waren en waarom kapitein Osborn hun niet wat lekkers bracht.

„Zie, zie daar ginder eens, mijnheer!” riep Flink en wees naar een hoop drijvend zeewier.

„Ik zie het wel,” was het antwoord; „maar wat zou dat?”

„Dat alleen zou op zichzelf nog niet veel beteekenen,” hernam Flink; „maar wij zeelieden hebben nog andere merkteekenen, waarop wij afgaan. Ziet gij ginder die vogels wel over het water heenstrijken?”

„O ja, zeer duidelijk.”

„Welnu, die vogels begeven zich nooit ver van land. Thans begrijpt ge wat ik meen.—En nu, mijnheer, ga ik mijn octant eens halen en al kan ik onze lengte nog niet dadelijk vinden, zoo kan ik toch de breedte wel bepalen. Als wij de kaart raadplegen, kunnen wij dan wel ongeveer gissen, waar wij zijn, als wij eens land voor ons zien. Het is nu omtrent middag,” vervolgde Flink, terwijl hij zijne berekening maakte; „de zon rijst heel langzaam.—Zoo’n kind is toch een gelukkig schepsel! Zie eens, mijnheer, spelen uwe kleintjes daar niet zoo vroolijk, alsof er geen gevaar in de wereld was en ze thuis in de kinderkamer waren? Ofschoon er niets is, dat mij meer leed doet, als het gebeurt denk ik toch vaak, mijnheer, dat het een werkelijk geluk voor zulk een wicht is, als het al vroeg wordt weggenomen en dat de ouders niet goed doen, daar zoo bitter over te klagen.”

„Gij kunt gelijk hebben,” gaf de vader ten antwoord en wierp daarbij een treurigen blik op zijne lievelingen.

„Het is twaalf uren, mijnheer. Ik ga beneden gauw onze breedte berekenen en zal dan de kaart hier meebrengen.”

Mijnheer Wilson bleef boven. Spoedig was hij in diepe, sombere gedachten verzonken. Geen wonder ook! Het schip een zinkend, verlaten wrak,—hij alleen op de breede watervlakte met vrouw en kinderen,—niemand tot zijnen bijstand dan een enkel mensch: en had ook deze ééne hem eens verlaten, gelijk de overigen deden, wat ware dan waarschijnlijk zijn lot geweest? De uiterste hulpeloosheid. En nu, wat hadden ze nu te hopen? Hunne stoutste hoop was, nog eenig eiland te bereiken en, gelukte dit, wellicht was het dan een woest eiland, misschien zelfs wel door wilden bewoond.—Wat was dan het vooruitzicht?—Vermoord te worden of van honger en dorst om te komen! Of gesteld ook, dat zij de middelen tot hun levensonderhoud vonden, wat dan nog? Zouden zij hun leven daar slijten moeten en onbekend en onbemerkt wegsterven? Het was eerst nadat hij deze treurige gedachten als met geweld had verbannen, dat de bedrukte man gevoelde moed te bezitten, om elke beproeving, die hem nog verder mocht worden opgelegd, als man door te staan.

„Hier is de kaart, mijnheer,” riep Flink. „Ik heb met eene potloodstreep onze breedte aangeduid. Zooals gij ziet, gaat zij juist midden door deze groep eilanden, en, naar ’t mij voorkomt, moeten wij er op dit oogenblik reeds tusschenin of er althans niet ver meer af zijn. Nu wil ik zorgen, dat wij vanmiddag iets te schaften krijgen, en dan moeten wij op den uitkijk, of zich ook land vertoont. Wilt gij onderwijl uwe oogen maar gebruiken, vooral naar voren en lijwaarts uit?”

De onvermoeide man ging zien, wat hij voor den maaltijd bijeen kon brengen; en gebrek daaraan bestond er niet, daar de matrozen bij hun vertrek slechts weinig en wat het naast bij de hand lag hadden meegenomen. Weldra vond hij een stuk pekelspek en eenige aardappelen, die hij in de braadpan legde en waarvan hij zich een voor de omstandigheden kostelijk gerecht beloofde.

Mijnheer Wilson stond nog voorop en zag over den boeg uit, toen de stuurman weer bij hem kwam.

„Flink, mij dunkt, ik zie iets, doch ik kan niet met zekerheid zeggen, wat het is. Het schijnt in de lucht te hangen en toch kunnen het geen wolken zijn. Zie eens, dáár, waar ik met den vinger heen wijs.”

„Gij hebt gelijk, mijnheer,” riep Flink; „daar is iets. Het is niet het land, dat gij ziet, maar ’t zijn boomen, die weerkaatst worden, gelijk men het noemt, waardoor het den schijn heeft, of zij in de lucht zweefden. Dit is een eiland; gij kunt daar staat op maken. Ik ga mijn kijker halen en dan zullen wij meer zien.”

„Het is werkelijk land mijnheer,” verzekerde hij, na het door zijn kijker te hebben opgenomen.—„Ja, ja, het is zoo,” ging hij nadenkend voort. „Ik wenschte, dat wij het vroeger ontdekt hadden; en toch moeten wij dankbaar zijn.”

„Hoe zoo, Flink?”

„Ik meen maar.... daar het schip zoo langzaam over het water glijdt, vrees ik, dat wij de kust niet voor den donker halen zullen, en ik had die liever nog bij daglicht bereikt, om eene gunstige plaats tot stranden te kunnen kiezen.”

„Er is weinig wind op dit oogenblik.”

„We willen dan hopen, dat we wat meer krijgen,” antwoordde Flink; „zoo niet, zullen we toch ons best doen. Maar nu is mijne plaats aan het roer, want wij moeten recht op het eiland aanhouden. Het te laten liggen gaat niet, want ofschoon het schip niet zooveel water meer maakt, als het gedaan heeft, wil ik u toch wel zeggen, dat het zich bezwaarlijk vierentwintig uren meer boven zal kunnen houden. Toen ik dezen morgen in het ruim peilde, dacht ik anders, maar daareven, bij het halen van het vleesch, ontdekte ik, dat wij in grooter gevaar verkeeren, dan ik had geloofd. Het land ligt daar nu echter vóór ons en wij hebben alle hoop.”

„Gelukkig!” sprak mijnheer Wilson.

Flink begaf zich aan het roer en richtte den koers recht op de kust, die niet zoo ver af lag, als men in den beginne geloofd had, daar het eiland zeer laag en vlak bleek te zijn. Van lieverlede verhief de wind zich eenigermate en dreef het schip rasscher voort. Aldra zag men de boomen, die eerst in de lucht schenen te zweven, te gelijk met het land en kon men dit als een laag, met groepen van kokosboomen overdekt koraaleiland onderscheiden. Van tijd tot tijd vertrouwde Flink het roer aan mijnheer Wilson toe en ging naar voren, om door zijn kijker te turen. Toen zij nog drie of vier mijlen van land verwijderd waren, kwam Flink van den bak terug en riep: „Ik geloof mijn weg nu vrij duidelijk voor mij te zien. Ge ziet, we zijn loefwaarts van het eiland en zulke koraalbanken hebben dáár altijd diep water, maar de klippen en ondiepten aan lij. We moeten de eene of andere kleine kloof in het koraal opzoeken en het schip daar doorheen brengen, omdat het anders licht weer van den grond afraakt en in het diepe water terugvalt. Mij dunkt, ik heb al een plek in ’t oog, waar ik het schip veilig op het droge kan zetten. Gij ziet daar die kokosboomen dicht bij elkander op het strand? Welnu, mijnheer, ik kan ze niet goed zien, terwijl ik het roer houd, maar ga gij naar voren en let wel op. Moet ik meer rechts sturen, steek dan de rechter-, meer links, steek dan de linkerhand op en zijn wij in de juiste richting, dan laat gij de hand weer zakken.”

„Ik begrijp u volkomen,” antwoordde mijnheer Wilson, die nu naar voren ging en den koers bedachtzaam aangaf. Zoo kwam men allengs nader. Op eene halve mijl afstands van de kust verkreeg het water eene andere kleur, waarover Flink zich zeer verheugde, doordien hij daaruit afleidde, dat de oever in dit geval minder steil dan gewoonlijk zijn zou. Niettemin was het toch een beangstigend gevoel, zoo op een geheel onbekend strand aan te loopen. Nog slechts eene kabelslengte waren zij daarvan af en nog schuurde het schip den grond niet. Nog wat verder en een dof gekraak steeg uit de diepte op, ’t was het breken en afbrokkelen der koraalboomen, die in gansche wouden onder het water voortwassen.—Toen opnieuw een gekraak, doch ditmaal sterker dan eerst;—toen herhaalde malen eene slingerende schommeling;—toen een schok, een stoot, die het wrak, nu de branding het voor de laatste maal in de hoogte beurde, tot in zijn binnenste deed sidderen en kreunen;—toen bleef het vast en onbeweeglijk zitten. Flink liet het roer varen, om zich van de ligging van het schip te overtuigen. Hij zag over den boeg naar alle zijden rond en bevond, dat het geteisterd wrak van het zoo trotsche schip De Vrede op een bed van koraalklippen roerloos vastzat.




ACHTSTE HOOFDSTUK

TROOST IN HET ONGELUK


Nauwelijks was dit gebeurd, of Willem kwam uit de kajuit aanloopen en riep: „Vader, moeder zendt mij bij u. Zij is wakker geworden door het gekraak van het schip en zeer ontsteld. Wilt gij niet eens bij haar komen?”

„Ja, mijn beste jongen, dadelijk,” was het antwoord.

„Wat is er dan toch, lieve, en waar zijt gij allen geweest?” riep mevrouw Wilson, toen haar man voor haar bed trad. „Ik ben zoo geweldig verschrikt:—ik lag gerust in slaap en werd door een vreeselijk leven gewekt.”

„Wees gerust, lieve,” antwoordde haar echtgenoot. „Wij hebben in groot gevaar verkeerd, maar thans, hoop ik, zijn wij behouden. Zeg mij, voelt gij u niet beter na uwe lange rust?”

„O ja, veel beter—veel sterker; doch zeg mij toch, wat er gebeurd is.”

„Veel, veel, beste vrouw, reeds voordat gij in slaap waart. Wij hebben ’t voor u geheim gehouden; maar thans, nu wij denkelijk spoedig aan land zullen gaan—…”

„Aan land gaan?”

„Ja, aan land. Welnu, wees maar bedaard en laat mij u vertellen, wat er al is voorgevallen en hoezeer wij reden hebben om dankbaar te zijn.”

Mijnheer Wilson gaf nu een nauwkeurig verslag van al het tot dusver gebeurde. Zijne vrouw hoorde hem aan zonder een woord te spreken, maar toen hij geëindigd had, zonk zij in zijn armen en weende bitterlijk. Hij deed alles om haar te troosten, tot eindelijk Juno met de kinderen terugkwam, want het was vrij laat geworden.

„Nu, mijnheer,” riep Flink, toen de heer Wilson weer bij hem op het dek kwam, „ik heb eens goed rondgekeken en vind, dat wij alle reden hebben om blij en dankbaar te zijn. Het schip ligt vast genoeg en zal zich niet verroeren, totdat er een nieuwe storm komt en het in stukken slaat. Zoo iets is echter vooreerst niet te vreezen. De weinige wind, die er nu nog is, gaat langzamerhand liggen en nog vóór den dag van morgen zullen wij volmaakt stil weer hebben.”

„Ik geef toe, Flink, dat er geen dadelijk gevaar is; maar hoe zullen wij aan wal komen—en, zijn wij daar, waarvan in de toekomst leven?”

„Ook daarover heb ik nagedacht en ik zal uw en zelfs Willems bijstand verzoeken, om de kleine boot aan boord te krijgen, waar ik ze kalefateren kan. De kiel is beschadigd, maar ik heb het timmermanswerk meer bij de hand gehad en met wat dik geteerd zeildoek zal ik haar wel zoo waterdicht maken, dat zij ons allen veilig aan land brengt.”

„En als wij nu aan land zijn?”

„Ei, mijnheer, waar kokosboomen in zoo groote menigte voorhanden zijn, als op het eiland vóór ons, is zeker geen hongersnood te vreezen, zelfs als wij niet nog al den proviand van ons schip hadden. Leelijker zal het er licht met het water uitzien, want het eiland is laag en smal; maar een mensch kan ook niet verwachten alles altijd zoo te vinden, als hij het juist wenscht.”

„Ik dank den hemel voor onze aanvankelijke redding, mijn vriend; maar heb toch nog altijd een gevoel van onrust in mijne borst, dat ik niet meester kan worden. Wij hebben hier zulk een woest eiland voor ons, dat misschien nooit door een ander schip wordt aangedaan, zoodat er weinig hoop voor ons is, om het ooit weer te kunnen verlaten. Hier zullen wij leven en sterven,—hier zullen mijne arme kinderen opgroeien—ja zelfs oud worden, nadat zij u en hun vader en moeder begraven hebben, en dan zullen zij die volgen in hetzelfde graf. Al hunne vooruitzichten en ook de mijne—ze zijn verijdeld,—al mijne verwachtingen teleurgesteld. O, het is een treurig, ja een wreed lot, Flink! Moet gij dat zelf niet erkennen?”

„Mijnheer Wilson, in vergelijking met u ben ik een oud man, en als zoodanig mag ik wel zeggen, dat gij u ondankbaar toont, wanneer gij op die wijze aan uwe smart toegeeft. En bovendien, wie weet of uit het schijnbaar kwaad niet nog veel goeds voor ons kan voortvloeien? Gij spreekt daar van uwe kinderen en hunne vooruitzichten, mijnheer; maar kunt gij wel zeggen, wat hun lot zou geweest zijn, als zij Sidney gelukkig bereikt hadden? Hoevele kinderen geven aanleiding tot de schoonste verwachtingen! En als zij tot rijpheid komen, vervullen zij dan altijd de hoop hunner ouders? Vergeef mij, mijnheer Wilson, ik hoop U niet beleedigd te hebben, maar waarlijk, ik voel mij verplicht zoo te spreken, als ik gedaan heb.”

„Gij hebt mij met volle recht bestraft, Flink, en van ganscher harte dank ik u daarvoor,” antwoordde de ander en drukte den zeeman diep bewogen de hand. „Ik wil niet langer klagen, neen; ik wil mij, zoo goed ik kan, aan mijn lot onderwerpen. Ik moet mij van nu af onder uwe orders stellen; want in onzen tegenwoordigen toestand zijt gij mijn meerdere: kennis en ervaring is hier zooveel als macht. Kunnen wij vandaag nog iets doen?”

„Ik wel, mijnheer Wilson, maar gij kunt mij morgen vroeg eerst helpen. Ofschoon neen, wacht—gij kunt mij deze twee spieren nog naar ’t achterdek helpen dragen; dan kan ik een bok opzetten en alles voor morgen klaarmaken, om de boot in te zetten. Gij ziet zelf, met zoo weinig armen aan boord en zonder masten, moeten we onze eigen krachten wel beproeven.”

De heer Wilson deed wat van hem verlangd werd. „Ga thans gerust naar beneden, mijnheer,” zeide Flink; „maar laat Willem vooral de honden losmaken en hun wat te eten geven. De arme dieren hebben wij immers geheel vergeten. Ik zal van nacht wacht houden, want ik heb nog veel te doen en te overleggen; en dus wel te rusten, mijnheer.”

Toen Flink alleen was, bond hij de spieren van boven stevig aan elkaar vast en maakte een takel gereed voor den volgenden morgen. Nadat dit verricht was, zette hij zich op een der kippenhokken neder en verzonk in gepeins. In ’t eind door waken en vermoeienis uitgeput, viel de oude man in diepen slaap. Met het aanbreken van den dag werd hij gewekt door de honden, die, door Willem losgelaten en nadat ze in het schip de ronde gedaan en niemand gevonden hadden, weder naar de kajuit waren teruggekeerd en voor de deur waren ingeslapen. Toen zij met zonsopgang weer op het dek kwamen en daar den ouden Flink op het hoenderhok slapende vonden, sprongen zij bij hem op en likten hem vol blijdschap de handen en het gezicht. „Aha,” zeide de oude man, terwijl hij van zijn hard leger opstond, „gij zult alle drie van nut zijn, verbeeld ik mij. Koest Viven, koest—arme dier! Gij hebt een goeden meester verloren, naar ik vrees.” „Stil—laat mij nu eens zien,” vervolgde hij, in zichzelf sprekende. „Eerst,—maar ik wil de lei en een stuk krijt halen en alles opschrijven; want mijn geheugen is niet zoo goed meer als in mijne jonge jaren.”

Flink legde de lei op het hoenderhok en schreef daar toen met krijt op: „drie honden, twee geiten en Billy; de big (ik meen, dat wij vijf varkens hadden in ’t geheel; hoenders die zijn er genoeg); drie of vier paar duiven (zooveel zeker); (de koe is gaan liggen en zal wel niet meer opstaan;—dan moeten wij haar slachten); dan het paar merino-schapen, dat mijnheer Wilson toekomt. Aan levend vee dus geen gebrek. Nu—wat hebben we eerst noodig, als we allen aan wal zijn?—Een spier en het groot-bramzeil tot een tent, of twee trossen, een paar matrassen voor mevrouw en de kleinen, twee bijlen, hamer, boor en spijkers; wat te eten—ja en ook wat om dat te snijden.—Ziezoo, dat is voor een gezin genoeg,” besloot Flink zijne alleenspraak. „Nu wil ik schielijk vuur aanmaken, ’t water overhangen en, daar ik dat toch heb, een paar stukken rund- en varkensvleesch koken om mee aan land te nemen. Dan wil ik mijnheer roepen, want ik reken, dat wij een zwaren werkdag in het vooruitzicht hebben.”




NEGENDE HOOFDSTUK

HET EILAND


Zoodra Flink het voorgenomene verricht en de dieren gevoederd had, ging hij in de kajuit en wekte vader en zoon. Met vereenigde krachten werd de bok opgericht en vastgezet; vervolgens haakte men de boot in, maar om deze onbeschadigd over het boord te hijschen, werd nog de hulp van een vierden persoon vereischt.

„Willem, loop schielijk naar Juno en zeg haar, dat zij op het dek moet komen, om ons te helpen;—wij moeten allen de handen uit de mouw steken! Uw moeder zal de kleinen wel een poosje bij zich nemen.”

De knaap was in een ommezien met Juno terug, die eene sterke meid was en braaf hielp om de boot uit te zetten, waarna zij naar de kajuit terugkeerde.

De boot werd onderstboven gekeerd en Flink begon zijn arbeid, terwijl mijnheer Wilson den teerpot op het vuur zette en alles gereedmaakte, om het zeildoek, zoodra ’t was opgespijkerd, behoorlijk te teren. Het liep reeds tegen den middag, toen Flink, die er duchtig op los hamerde, met het lappen der boot klaar kwam. Nu moest hij die nog met zeildoek bekleeden, dat vooraf door en door goed met teer was doortrokken.

„Zoo, denk ik, zal het wel gaan, mijnheer,” zeide hij. „Wij moeten haar nu naar den valreep brengen en in zee laten. Het is een geluk voor ons, dat zij de verschansing al vroeger weggenomen en ons daardoor nu vrij wat moeite bespaard hebben.”

Er werd een touw aan de boot vastgemaakt. Vervolgens werd zij door de beide mannen met vereende krachten neergelaten en scheen, tot hunne groote blijdschap, slechts weinig water in te laten.

„Wat dunkt u nu ’t best, mijnheer: zullen wij eerst de kinderen of liever vooraf het noodzakelijkste aan land brengen?”

„Hoe denkt gij daar zelf over, Flink?”

„Ik? Ei, mij dunkt, daar het water nu zoo glad als een spiegel is en wij ook overal landen kunnen, moesten gij en ik maar eerst overroeien, om de kust eens op te nemen. Het is slechts een klein tochtje en zal ons weinig tijd doen verliezen.”

„Zeer goed, Flink; maar eerst wil ik dat even aan mijne vrouw gaan zeggen.”

„En in dien tusschentijd zal ik het zeil en eenige andere dingen in de boot brengen; dan gaat er geen tijd verloren.”

Flink haalde het zeil, eene bijl, een geweer en eenig touwwerk. Mijnheer Wilson was spoedig terug. Toen lieten zij zich zakken in de boot en roeiden naar het land.

Bij het betreden van den wal bevonden zij, dat zij van het binnenste van het land niets zien konden, wijl de kokosboomen overal zoo dicht stonden. Aan hunne linkerhand echter, op ongeveer een vierde mijl afstands, ontdekten zij eene kleine zandige bocht, geheel omgeven met struikgewas, dat zich tot aan het hooge woud uitstrekte.

„Daar,” riep Flink, met den vinger er heen wijzende, „daar is onze plaats. Laat ons weer in de boot gaan en er heen roeien; het is een korte afstand voor ons, maar zou een lange weg zijn, indien wij ons goed er naar toe moesten sleepen.”

In weinige minuten bereikten zij de bocht; het water had weinig diepte en was zoo helder als kristal, zoodat zij de fraaiste schelpen op den bodem ontdekten en zagen hoe de visschen in alle richtingen vroolijk voortschoten.

Het vlakke oeverzand liep bij de vijftig passen landwaarts in en dan nam het kreupelbosch een aanvang, dat zich, met hier en daar een enkelen kokosboom daartusschen, bijna even ver uitstrekte, tot het ten laatste het hooge woud bereikte. Na weinige riemslagen schuurde de boot het witte zand en zij stapten aan wal.

„Welk eene heerlijke plek is dit!” riep de heer Wilson; „en wellicht werd zij nog nooit door een sterveling betreden.”

„Zoo gij het goedvindt,” antwoordde Flink, „willen wij het bosch een eind weegs ingaan. Neem echter het geweer mede, mijnheer. Niet, dat er veel kans is, dat wij het noodig zullen hebben; men vindt zelden een wild dier op deze kleine eilanden, of ’t mochten soms een paar zwijnen zijn, er vroeger aan land gezet,—maar men kan toch niet te voorzichtig zijn. Ik heb vroeger met een kapitein gevaren, die zelden een woest eiland aandeed, zonder er een paar biggen of eenig ander gedierte tot aanfokking achter te laten, voor ’t geval, dat eens een mensch daar schipbreuk lijden mocht. Een mooie trek, niet waar?”

„Dat was het zeker, vriend. Ziehier het bosch dan; wat wilt gij nu?”

„Ik zag naar eene plek uit, om voor het oogenblik eene tent op te slaan, mijnheer, en geloof, dat deze kleine hoogte daartoe wel geschikt is, totdat wij verder onderzoek doen en een betere woonstee vinden kunnen. Nu dadelijk hebben wij echter geen tijd, want wij dienen nog vrij wat riemslagen te doen, voordat het avond wordt. Mij dunkt, wij moesten het zeil en het andere goed nu eerst maar aan wal brengen en dan weer naar boord gaan.”

Onder het terugroeien naar het wrak, zeide Flink: „Daar bedenk ik, mijnheer, wat mogelijk wel het best zal zijn. Mevrouw zal zich toch niet al te ongerust maken, als gij niet bij haar zijt?—Zoo niet, zou ik zeggen, dat wij Juno en den kleinen Thomas eerst aan land moesten brengen, omdat zij daar dadelijk van dienst kunnen zijn.”

„Ik geloof niet, dat zij zich beangst zal maken, als wij haar met Willem en de kinderen aan boord achterlaten, wanneer ik maar weer bij haar ben, als zij met het kleintje het schip verlaat.”

„Welnu, zooals gij goedvindt, mijnheer. Wij laten Willem dus aan boord en ditmaal zet ik Juno met den kleinen Thomas over. Ook wil ik daarbij de honden niet vergeten; zij kunnen tot onze bescherming strekken, ingeval er iets gebeuren mocht. Terwijl gij met Juno aan land dan bezig zijt, roei ik terug en haal de andere dingen, die wij voor een begin noodig hebben.”

Terstond toen zij op het schip aankwamen, snelde mijnheer Wilson naar zijne vrouw om haar door het verhaal van wat zij gezien hadden te verblijden, en verkreeg ook gereedelijk hare toestemming tot het door Flink ontworpen plan. Terwijl de heer Wilson beneden was, had Flink de beide spieren, waaruit de bok bestond, losgebonden en ze in ’t water neergelaten, om ze aan een stuk touw aan de boot met deze naar den oever te boegseeren. Een paar minuten later verscheen Juno met Thomas op het dek. Flink pakte nog eenig timmergereedschap benevens een paar spaden in de boot, haalde ten laatste de honden nog, en voor de tweede maal landden zij in de zandige bocht. Thomas staarde langen tijd als verbijsterd rond, maar sprak geen woord, totdat hij aan het strand eenige bonte schelpen ontdekte, waarover hij luide juichkreten aanhief en die hij met beide handen begon op te rapen. De honden blaften en liepen in hun blijdschap, dat zij eindelijk weer op vasten grond waren, als dol en uitgelaten heen en weer. Ook Juno lachte en klapte in de handen, toen zij in het rond zag, en zeide tot Flink: „Wat ijselijk mooi land hier is, hier ikke wel wonen wil.”

„Nu zal ik een tijdlang met u aan land blijven, mijnheer Wilson,” zeide de oude zeeman. „Eerst willen wij het geweer laden, en dan moet gij dien kleinen jongeheer eens terechtzetten, die merk ik, alles met handen voelen en tasten moet. Wij met ons beiden zullen het zeil hierheen dragen; Juno kan het gereedschap nemen, en dan hebben wij nog eene vracht aan de spieren, het touw en wat wij meer vinden. Kom, kleine handjegauw, gij kunt althans een van de spaden dragen en dan zijt gij toch ook tot iets nut. Geen van ons mag vandaag luieren.”

Na eene lading op de kleine, vroeger door Flink gekozen hoogte gebracht te hebben, keerden zij naar het strand terug en haalden de spieren en het verdere gereedschap. Thomas droeg deze tweede reis de andere schop en was niet weinig trotsch, dat men hem zoo goed gebruiken kon.

„Deze beide boomen zijn volmaakt tot ons doel geschikt,” zeide Flink, „en staan ook juist ver genoeg van elkander. Wij moeten de spieren daar bovenaan vastbinden en dan het zeil daarover werpen, dat hierop aan weerszijden met pinnen in den grond wordt vastgemaakt. Dat is althans voldoende voor een begin; de volgende reis breng ik nog meer zeildoek over en dan maken wij tusschen gindsche twee boomen nog een tweede tent. Dan hebben we voor ’t minst toch onze twee tenten: de eene voor mevrouw, Juno en de beide jongens, de andere voor Willem, onzen knappen Thomas hier en ons beiden. Nu, mijnheer, zal ik u de spieren nog helpen vastmaken. Het overige moet ik dan aan uw eigen zorg overlaten, om spoedig weer aan boord terug te zijn.”

„Hoe kunnen wij echter zoo hoog reiken, Flink?”

„Wel, dat is zeer eenvoudig. Wij binden eerst de eerste spier zoo hoog als wij met gemak doen kunnen; dan klimmen wij daarop en brengen de volgende waar zij behoort. Ik zal nog eene spier aan wal brengen, die voor de tweede tent kan dienen.”

Zoodra de spier op de vereischte hoogte vastzat, wierpen zij het zeil daarover en bij het uitbreiden daarvan bevonden zij, dat zij eene zeer bruikbare tent van behoorlijke hoogte verkregen hadden.

„Nu, mijnheer, ga ik weer naar boord. Gij kunt inmiddels van het hout daar prikken snijden en het zeil daarmee in den grond vastslaan. Als gij dan met de schop den tentrand met zand bedekt, dat de einden neerdrukt, zal alles redelijk goed sluiten. Hier is mijn mes, zoo gij er zelf geen bij u hebt.”

„Ik zal in alles mijn best doen,” verzekerde mijnheer Wilson. „Als ik zoover ben, kan Juno mij het doek vast helpen aantrekken.”

„Goed; en onderwijl neemt Juno eene schop en maakt den grond onder de tent schoon en effen, ruimt alle dorre kokosbladeren weg en ziet daarbij wel toe, dat er niet het een en ander ongedierte onder schuilen blijft. Gij kleine Tom, moet niet wegloopen en moogt ook niet bij de bijlen komen, want zoodra ge die aanraakt, snijden ze u. Ook moeten wij afspraak maken, mijnheer, dat gij, zoodra u iets overkomt en gij mij noodig hebt, dadelijk het geweer lost. In een oogenblik ben ik dan bij u. Maar dat is wel niet waarschijnlijk,” besloot Flink eindelijk, ging naar de baai, stapte in de boot en roeide naar het schip terug.




TIENDE HOOFDSTUK

LANDING


Na zijne komst aan boord ging Flink eerst in de kajuit, om mevrouw Wilson te vertellen wat er al gedaan was. Deze was natuurlijk eenigszins bezorgd, dat haar man zoo alleen was achtergebleven; maar Flink stelde haar weder gerust en zeide haar, hoe hij met mijn heer Wilson was overeengekomen, dat deze bij het geringste onraad door het losbranden van zijn geweer een teeken geven zou.

Hierop begaf hij zich naar de zeilkooi, om eenig doek, een nieuw bramzeil benevens bindtouw, naalden en zeilgaren te halen. Nauwelijks had hij dit opgepakt, toen op eens, juist toen hij zijn voet op de trap zette, de knal van een geweer gehoord werd en mevrouw Wilson, doodelijk verschrikt, uit de kajuit kwam vliegen. De oude man nam oogenblikkelijk een ander geweer, liet zich daarmee in de boot afzakken en repte zich, wat hij kon, naar de kust. Toen hij geheel buiten adem aanlandde, vond hij mijnheer en Juno aan de tent bezig, Thomas zat daarbij en schreide en snikte al zijn best. Gelijk nu bleek, was de kleine deugniet, terwijl de anderen druk aan ’t werk waren, naar het geweer geslopen, dat men tegen een boom had gezet. Na het een poosje van alle kanten bekeken te hebben, kwam hij met de hand aan den trekker. Het schot viel. Daar echter de tromp van ’t geweer gelukkig naar boven gericht was, deed het niemand schade, ofschoon het den kleinen schutter toch duur te staan had kunnen komen,—en wee onzen Thomas, als die hem op het hoofd ware gevallen! Hij zou er dood onder gebleven zijn. Zijn vader, die wel begrijpen kon wat ontsteltenis dat schot aan boord veroorzaken moest, had hem duchtig onder handen genomen, en daar zat Thomas nu en schreide tranen met tuiten, om te toonen, hoe bitter berouw hij had.

„’t Zal wel het best zijn, dat ik dadelijk terugroei en mevrouw zeg wat hier gebeurd is,” zeide Flink.

„Ja, doe dat, mijn goede vriend,” bad mijnheer Wilson hem.

Dus keerde de oude man naar het schip terug en berichtte het voorgevallene. Vervolgens ging hij aan zijn arbeid. Vooreerst liet hij des zeilmakers zak met al het noodige, als priemen, garen, enz., in de boot neer, vervolgens twee matrassen en beddedekens uit de bovenkajuit, de bakpan met het pekelvleesch en eindelijk nog een spier, die hij weder achter aan de boot vastmaakte. Daarmee had hij zijne lading overvol; doch daar hij anders geen volk inhad, kwam hij nog al spoedig over. De twee aan land hielpen hem alles naar de hoogte overbrengen en hier werd de nokbalk der tweede tent spoedig aan twee andere boomen vastgehecht. Juno had de eerste tent van binnen netjes schoongemaakt en daarbij, naar zij verzekerde, geenerlei dier of insect onder het dorre loof gevonden. Voordat Flink vertrok, gaf hij Thomas een stok in de hand en zeide hem op het vleesch te passen en toe te zien, dat de honden daar niet bij kwamen; waarop Thomas, die al weer in vroolijk humeur was, zijn stok schouderde en zoo parmantig op schildwacht stond als een oud grenadier.

Onze stuurman roeide nog tweemaal naar het schip en bracht meer beddegoed, een zak met scheepsbeschuit, een tweeden met aardappelen, borden, messen, lepels, vorken en allerlei keukengereedschap van daar mede. Hierop wees hij Juno, hoe zij de einden van de eerste tent met het garen en ’t zeildoek, dat hij had meegebracht, aaneen moest hechten; zoodat de tent rondom dicht en goed gesloten werd; en Juno nam naald en draad en piekte er dapper op los. Uiterst voldaan, dat het meisje zoozeer haar best deed en zich zonder vreemde hulp redden kon, zei Flink ten laatste: „Mijnheer, wij hebben nog maar twee uren dag en het begint dus tijd te worden, dat ook mevrouw van het schip komt. Als ge ’t goedvindt, willen we gaan en haar met de kinderen halen. Voor den eersten nacht aan land zullen wij het, denk ik, vrij goed hebben. Zoo ’t weer goed blijft, kunnen wij morgen een heel stuk verder komen,—en waarlijk, ’t is noodig dat wij, zoolang het zóó blijft, ons uiterste best doen, om alles aan wal te krijgen, daar één duchtige storm het wrak waarschijnlijk geheel in stukken zal slaan. Ik heb alles zelf mee in het ruim helpen stuwen en weet de meeste dingen daar te vinden ofschoon wij er, vrees ik, niet veel meer uit zullen krijgen, dat ons van dienst kan zijn.”

Aan boord gekomen, ging mijnheer Wilson zijne vrouw dadelijk het voorstel doen, om thans mee aan land te gaan. Zij was zeer aangedaan en nog zwak en ongesteld, maar toch hield zij zich recht moedig en kwam, ondersteund door haar man, op het dek, waarheen Willem met zijn kleine broertje op den arm volgde, terwijl Flink zijne zuster Caroline aan de hand leidde. Het koste vrij wat moeite om allen goed in de boot te krijgen; maar dit gelukte toch eindelijk. De arme vrouw was echter zoo zwak, dat haar man haar in zijne armen overeind moest houden en zijn riem aan Willem overgeven. Zij landden gelukkig en brachten de zieke in de tent, waar men haar op een der bedden nederlegde. Zij verzocht om een weinig water.

„En ik, oude domkop, heb vergeten dat mee te nemen; doch ik ga het terstond halen,” riep Flink. „Zoo druk allen mogelijken voorraad over te slepen en toch het allernoodzakelijkste voor den mensch te vergeten! Wij moeten zoo spoedig mogelijk hier op dit eiland naar water omzien daar dit ons vrij wat moeite kan besparen.”

Flink keerde zoo snel mogelijk naar boord terug en bracht twee vaatjes water mede, welke hij en Willem naar de tent rolden.

„Voor vandaag heb ik nu mijne laatste reis gedaan,” zeide de oude man. „Ik ben moe—doodmoe.”

„Dat geloof ik wel, mijn goede vriend,” antwoordde mijnheer Wilson. „Gij hebt vele nachten achtereen gewaakt en over dag hard gearbeid. Aan verder werk moet gij heden niet meer denken.”

„En ik heb geen eten geproefd vandaag en zelfs geen druppel water over mijne lippen gebracht,” vervolgde Flink en zette zich op den grond neder.

„Hoe is het, beste Flink, zijt gij niet wel?” vroeg Willem.

„Een beetje flauw, mijn jongen; ik ben niet meer zoo jong als vroeger. Kunt ge mij wat water aanreiken?”

„Wacht, Willem, dat zal ik doen,” zei zijn vader en haalde een tinnen kan, die hij pas voor zijne vrouw gevuld had. „Hier, Flink, drink en wel bekome ’t u!”

„Het zal spoedig beter zijn, mijnheer. Ik zal mij een poosje neerleggen en dan een beschuit met wat vleesch gebruiken.”

De goede oude man was werkelijk geheel uitgeput, doch na iets gegeten te hebben, voelde hij zich spoedig veel beter. Juno was zeer ijverig. Ze had aan de kinderen wat pekelvleesch en beschuit gegeven; de jongste, benevens Thomas en Caroline, waren te bed gebracht, en de tweede tent was genoegzaam gereed.

„Voor dezen nacht zal het zeer goed gaan, Juno,” zeide haar meester. „Wij hebben vandaag veel afgedaan en de rust zal daar goed op smaken.”




ELFDE HOOFDSTUK

HET ONTBIJT


Mijnheer Wilson was den volgenden ochtend de eerste die ontwaakte en opstond. Hij verliet de tent en liet de oogen in het rond gaan. De hemel was helder als kristal. Een frisch morgenwindje streek over de watervlakte en de kleine golfjes speelden op het witte zand van de bocht. Aan de linkerzijde van deze klom het land tot kleine heuvels op, boven welke zich de voortzetting van het kokosbosch statig verhief. Rechts rees eene lange reeks koraalriffen genoegzaam loodrecht uit de zee op en paalde aan het frissche groen der heuvelhelling en aan het struikgewas, terwijl het wrak van De Vrede zich, als hoofdfiguur in deze schilderij, zwart en roerloos, als een gestrand zeemonster, aan den toeschouwer vertoonde. De zon brandde, waar zij hare stralen werpen kon, doch onder de kokosboomen, waar Wilson stond, was eene koele verkwikkende schaduw.

De uitnemende schoonheid van dit tooneel, hoewel eenigszins gematigd door de treurige vertooning van het gestrande vaartuig, maakte een diepen indruk op den bekommerden huisvader, die daar in diep nadenken verzonken stond.

„Ja,” dacht hij, „ware ik de wereld en hare beslommeringen moe geweest en had ik een oord gezocht, waar vrede en schoonheid om den prijs dingen, ik zou dat hier gevonden hebben. Hoe heerlijk is dat gezicht hier! Wat kalmte, wat zoeten weemoed wekt het op? Hoe genadig zijn wij bewaard, toen alle hoop reeds verdwenen scheen; hoe weldadig werden wij verzorgd na onze werkelijke redding—en toch—toch waagde ik het te klagen, toen vurige dankbaarheid mijn eenig gevoel had behooren te zijn!”

Hij keerde naar zijne tent terug. Willem, Thomas en stuurman Flink lagen nog in diepen slaap. „Brave oude man,” sprak hij bij zichzelf, „als wij ooit weder in de woelige samenleving terugkeeren, zal uwe goedheid haar loon erlangen; voor zoover het in mijne macht staat u te vergelden. Een edel hart is hier onder de ruwe schors verborgen. Zonder zijne verknochtheid,—zijne voorbeeldelooze zelfopoffering, zou ik, zouden deze lieve hulpelooze wezens niet meer bestaan!”

De honden, die in de tent gekropen waren en zich nevens Willem en Thomas op de matrassen hadden neergelegd, rezen nu op en naderden vleiend hun meester. Deze beweging deed Willem ontwaken. Zijn vader gaf hem een wenk, dat hij Flink niet wekken moest, en zachtjes kleedde hij zich aan en kwam buiten.

„Zal ik niet liever Juno wekken, vader?” vroeg hij. „Ik kan dat denkelijk wel doen zonder moeder te storen.”

„Doe het dan, mijn jongen, ik ga onderwijl zien, wat voor keukengereedschap Flink al aan land heeft gebracht.”

Willem was spoedig terug en berichtte, dat moeder nog gezond en vast sliep en dat Juno was opgestaan, zonder haar of de beide kleinen wakker te maken.

„Goed, dan zullen wij zien, of we niet een ontbijt voor hen gereed kunnen maken, Willem. Deze dorre kokosbladeren zullen heerlijk branden.”

„Maar, vader, waar krijgen wij het vuur vandaan? Wij hebben geen tondeldoos en ook geen zwam of vuurslag.”

„Neen, maar er zijn nog andere middelen, mijn zoon, ofschoon de tondel meestal daarbij noodig is. De wilden maken vuur door een week stuk hout tegen een hard voorwerp aan te wrijven. Ik vrees, dat ons dit niet zoo spoedig gelukken zou; maar wij hebben kruit en kunnen dit als tondel gebruiken, als wij ’t nat maken en op een stuk papier of, nog beter, op zacht hout wrijven. Het kruit aansteken kunnen wij op tweeërlei manier: door middel van steen en vuurslag, of anders met behulp van een brandglas.”

„Maar een brandglas hebben wij niet.”

„Neen; maar wij kunnen er een uit een verrekijker nemen als wij weer eens aan boord komen. Voor ’t oogenblik hebben wij geen ander middel dan met het geweer.”

„Maar, vader, als ons vuur aan is, wat zullen wij dan nog koken? Wij hebben immers thee noch koffie.”

„Dat is waar; ik geloof niet, dat wij een van beide rijk zijn.”

„Aardappelen hebben wij wel, vader.”

„Ja, mijn jongen; maar dunkt het u niet beter, dat wij ons vooreerst met koud vleesch en beschuit behelpen en de aardappelen sparen? Misschien hebben wij die alle noodig om te poten. Doch waarom gaan wij niet zelven aan boord van het schip? Gij kunt de riemen vrij goed hanteeren en wij moeten thans leeren arbeiden en niet alles aan den braven Flink overlaten. Het zal nog wel een tijd aanhouden, voordat wij zoo handig en op alles gevat zijn als de oude man, maar al doende leert men, en wij willen ten minste onzen goeden wil toonen. Kom, Willem.”

Zij gingen naar de bocht. De kleine boot lag nog aan het strand en schommelde zacht op de spelende golven. Zij bonden ze los en stapten er in.

„Ik weet, waar de kok zijne thee en koffie bewaarde, vader,” zei Willem onder het roeien. „Moeder zal die gaarne bij haar ontbijt hebben, en ik kan ook de geiten melken voor kleinen Albert.”

Hoewel geen van beiden in het roeien zeer bedreven, kwamen zij toch spoedig aan de zijde van het wrak en klommen zonder moeite aan boord, na de boot eerst stevig te hebben vastgebonden.

Willem liep eerst naar de kajuit om thee en koffie te zoeken en liet zijn vader inmiddels andere benoodigdheden bijeenpakken, terwijl bij de geiten melkte en de melk in een tinnen schotel deed. Vervolgens goot hij ze in een zuivere flesch over, opdat zij niet zuur zou worden en keerde toen naar zijn vader terug.

„Ik heb deze beide korven met eene menigte dingen gevuld, die uwe moeder zeer welkom zullen zijn, Willem. Wat zullen wij verder nog meenemen?”

„Dezen verrekijker in allen gevalle, lieve vader; en dan willen wij alle kleeren en linnengoed inpakken;—dat zal moeder verrassen. Het linnen ligt in de koffers; wij zullen er zeildoek omheen slaan. En dan, vader, zullen we ook eenige van de boeken meebrengen.”

„Dat is uitmuntend, Willem,” antwoordde de vader. „Ik wil eerst alles inladen en dan terugkomen en het overschot halen.”

Binnen het uur waren zij weer aan land. Daar vonden zij Juno, die zich intusschen gewasschen had en nu aan de bocht op hen wachtte, om hen bij het lossen behulpzaam te zijn.

„Wel, Juno, hoe hebt gij ’t van morgen?”

„Ikke heel goed, massa,” was haar antwoord en op ’t helder water wijzende, vervolgde zij: „Daar zwemmen geducht veel visch hier.”

„Ja, als wij maar vischtuig hadden,” antwoordde mijnheer Wilson. „Flink zal wel ergens haken en snoeren voor ons weten op te schommelen. Kom, meid, breng dezen bundel linnen naar uwe tent; het overige kunnen wij alleen wel bezorgen.”

„En neem ook deze flesch melk, Juno; ik heb haar voor kleinen Albert meegebracht,” zeide Willem.

„Dankje, dankje wel, massa Willem; datte heel zoet zijn van jonk massa.”

„En haast u maar wat, Juno; want daar is Thomas ook al op de been en springt in zijn hemd rond.”

Bij de tenten vonden zij allen wakker, met uitzondering van den ouden stuurman, die nog zeer vast scheen te slapen. Mevrouw Wilson had een zeer goeden nacht gehad en voelde zich verfrischt en gesterkt. Willem wreef een stuk papier met kruit in en bracht het door de glazen van den kijker aan het branden, waarop spoedig een helder vuur vroolijk opvlamde. Zijn vader had onderwijl aan het strand drie groote steenen gezocht, waarop de ketel geplaatst werd; en na een half uur kookte het water en was de thee gezet.




TWAALFDE HOOFDSTUK

DE HAAIEN


Juno had de kinderen naar de bocht meegenomen en, tot aan de knieën in het water wadende, hen daarin gedompeld, als het eenvoudigste middel om hen te wasschen. Vervolgens had zij hen aangekleed en aan mevrouw overgegeven, waarna zij Willem de kopjes en borden voor het ontbijt hielp bijeenzoeken. Alles werd sierlijk en net tusschen de beide tenten op den grond uitgezet en toen sloeg Willem voor, den goeden ouden Flink te wekken.

„Doe dat mijn jongen, nu is het tijd;—hij zal ook wel iets tot ontbijt willen hebben.”

Willem trad op Flink toe en tikte hem zacht op den schouder.

„Hoe is ’t, Flink, hebt gij nu goed uitgeslapen?” vroeg hij, toen de oude man opstond.

„Ja, beste jongen. Ik ben terdeeg onder zeil geweest, dunkt mij; maar nu wil ik mij haasten en zien, of ik wat tot ontbijt voor u allen klaar kan krijgen.”

„Doe uw best maar,” was Willems lachend antwoord.

Het aankleeden kostte Flink weinig moeite of tijd, daar hij bij ’t slapen gaan enkel zijn buis had uitgetrokken. Hij schoot dit weer aan en kwam toen buiten. Hoe vreemd stond hij te kijken, toen hij het gansche gezelschap met mevrouw Wilson, die met den kleinen was meegekomen, verzameld vond aan ’t ontbijt, dat op den grond gereedstond.

„Goeden morgen, Flink,” zeide mevrouw Wilson en reikte hem vriendelijk de hand. Ook haar man schudde de zijne en wenschte hem goedenmorgen.

„Gij hebt een langen, vasten slaap gehad, Flink,” zeide hij, „en ik wou u na dien zwaren dag van gisteren niet te vroeg wekken.”

„Ik dank u voor uwe goedheid, mijnheer, en ben hartelijk blij, mevrouw, dat ik u zoo wel vind,” antwoordde de oude man. „Ik heb geen berouw over mijn lang slapen, nu ik zie, dat gij allen u ook zonder mij zoo kostelijk redden kunt.”

„Ja, maar juist dat kunnen wij niet, vrees ik,” hernam mevrouw Wilson. „Wat zou zonder u en zonder uwe goedheid van ons geworden zijn?”

„Wij kunnen wel een ontbijt zonder u gereedmaken,” zeide haar man; „maar zonder u, brave vriend, hadden wij dat op dit oogenblik niet meer noodig gehad. Onder het eten zullen wij u alles vertellen wat wij gedaan hebben.”

Terwijl zij nu bij elkaar zaten, vertelde Willem zijn vriend, hoe zij naar boord geroeid waren en wat zij van daar al hadden medegebracht. Hij zeide hem ook, hoe Juno de kleinen in het water had laten spartelen en hoe dat zeebad allen zoo goed bevallen was.

„Maar dat mag Juno volstrekt niet meer doen,” sprak Flink „voordat ik eerst goed onderzoek gedaan heb. Gij weet wel, dat rondom deze eilanden haaien in menigte loeren en dat het daarom hoogst gevaarlijk is, in het water te gaan.”

„Mijn God, lieve man, wat gevaar zijn onze kinderen daar dan weer ontkomen!” riep de bezorgde moeder met innerlijke huivering.

„Dat is waar,” vervolgde Flink. „Evenwel zijn die booze gasten minder talrijk aan de loefzijde van de eilanden, ofschoon deze vlakke baai eene al te geschikte plaats voor hen is, dan dat zij er niet dikwijls komen zouden. Dus, Juno, zou ik u raden, niet weer te water te gaan, voordat ik eene plek heb opgezocht, waar gij veilig baden kunt. Nu echter is daar nog geen tijd toe, en zoodra wij uit het schip alles aan wal hebben, wat ons dienstig is, moeten wij eerst overleggen, of wij hier blijven willen of niet.”

„Hier blijven of niet, Flink hoe meent gij dat?”

„Wij hebben hier tot nog toe geen water gevonden en dit is toch de eerste behoefte des levens;—als er op deze zijde van ’t eiland geen water te vinden is, moeten wij onze tenten ergens anders opslaan.”

„Dat begrijp ik, zal noodig wezen,” antwoordde de heer Wilson.

„Ik wenschte wel, dat wij tijd hadden om eenig onderzoek te doen.”

„Dat kunnen wij ook; maar wij mogen daarom het fraaie weer niet ongebruikt laten voorbijgaan. Morgen kan het licht weer stormen en dan hebben we geen gelegenheid om iets van boord te krijgen. Het zou goed zijn, dat wij thans opbraken, mijnheer: gij, Willem en ik. Gij en uw zoon blijven aan boord, om het noodzakelijke bijeen te zoeken en ik zal de goederen in de bocht brengen, waar Juno ze afhaalt.”

In den loop van den dag haalden zij nog eene menigte dingen, waarvan zij verwachten konden in de toekomst dienst te zullen hebben. Nog vóór den middag waren de kleinere zeilen en al het touwwerk, bindgaren en doek, verder kleine tonnen, zagen, beitels en groote spijkers, eindelijk planken van iepen- en eikenhout aan wal gebracht. Na het gebruiken van een hartig maal begonnen zij den arbeid opnieuw. Stoelen en tafels uit de kajuit, de gezamenlijke kleedingstukken, eenige kisten met kaarsen, twee balen koffie, twee met rijst en twee met scheepsbeschuit, verscheidene stukken rund- en varkensvleesch, zakken met meel (men had veel moeite gedaan, om een geheel vat naar boven te krijgen, doch dit was niet gelukt), dan eindelijk de slijpsteen, nog meer drinkwater en mijnheer Wilson’s huisapotheek werden achtereenvolgens ontscheept. Toen Flink andermaal terugkwam, zeide hij: „Onze boot begint sterk te lekken en zal niet veel reizen meer doen kunnen, voordat ik ze gebreeuwd heb. Ook heeft Juno nog niet de helft van ’t goed naar de tenten gebracht; de last is voor één persoon te zwaar. Me dunkt, we kunnen het er heden bij laten, mijnheer Wilson, als wij voor den donker maar eerst al de dieren aan land hebben. Ik wil die niet gaarne aan hunne eigen zwemkunst overlaten en toch zijn het lastige potentaten in eene boot. De koe kunnen wij niet over krijgen; zij ligt altijd nog en zal ook wel niet meer opstaan;—zoo gaat het meestal met de beesten. Echter heb ik haar nog rijkelijk hooi voorgestrooid en als zij niet opstaat, moet ik haar slachten en het vleesch inzouten.”

Flink ging in het ruim, en het geknor van het varken liet zich weldra hooren. Hij had het over den rug geworpen en hield het bij de achterpooten vast. Zoo kwam hij er mee op het dek en liet het toen over de verschansing in zee neerploffen. Het zwijn spartelde eenigen tijd besluiteloos rond, maar keerde toen den kop van het schip af en zwom op het land aan.

„Het gaat regelrecht op den oever los,” merkte Flink aan, die het met de beide anderen naoogde, maar een oogenblik later riep hij:

„Ik heb het wel gevreesd,—’t is verloren!”

„Hoe zoo?” vroeg mijnheer Wilson.

„Ziet gij dat zwarte ding daar, hoe ’t pijlsnel over het water op het dier toeschiet? Dat is de staart van een haai en nu heeft het arme beest zijn langsten tijd van het leven gehad.—Kijk, daar gaat het al!” vervolgde Flink, toen het zwijn met een zwaren slag onder water verdween. „Die is er geweest. Beter dat stomme dier, dan uwe lieve kleinen, niet waar, mijnheer Wilson?”

„Ja, waarachtig!—Misschien is het monster dicht bij hen geweest, toen Juno met hen in het water stond.”

„De slokop was zeker niet ver uit de buurt,” antwoordde Flink; „maar nu moet hij zich met dien eenen hap tevreden stellen, want meer krijgt hij van ons niet. Wij zullen nu naar omlaag gaan en de andere vier varkens de pooten vastbinden; dan brengen wij ze in de boot, die met al wat er in is, dan hare behoorlijke lading heeft.”

Met de zwijnen in de boot, roeide Flink nu naar land, terwijl vader en zoon de schapen en geiten op het dek brachten en voor de volgende reis gereed hielden.

„Dat zal voor heden de laatste maal zijn,” riep de oude man bij zijne terugkomst, „en, vergis ik mij niet, de laatste maal in vele dagen, daar de wolken hare koppen ginder weer braaf beginnen op te steken. We zullen nog een zak met koren voor het vee meenemen, en dan zeggen we het schip voor een tijdlang vaarwel. Ik heb de koe weer een voorraad water en hooi voorgezet, maar geloof niet, dat wij haar nog levend vinden zullen bij onze terugkomst.”

Door de zwaarte van het graan ging de boot ditmaal zeer diep. Echter brachten zij het gelukkig nog tot den oever, ofschoon ditmaal niet zonder veel water in te krijgen. Willem dreef de schapen en geiten naar de tenten, waar zij zich rustig nederlegden; de zwijnen waren weggeloopen en ook de hoenders hadden zich verstrooid, ’t geen trouwens niet anders te verwachten was. Het strand was geheel overdekt met de menigte van goederen, die men heden had aangebracht.

„Wij hebben ons vandaag dapper geweerd, mijnheer Wilson,” zeide Flink met een vergenoegden blik op al dien voorraad, „en ook de kleine boot heeft zich goed gehouden. Voordat ik haar wat heb nagezien, mogen wij ons er echter niet weer in wagen.”

Het was hun na het harde dagwerk allesbehalve onaangenaam, dat Juno voor koffie had gezorgd, en onder het drinken verhaalden zij mevrouw Wilson, hoe het arme varken op eene zoo gruwelijke wijze door den haai verslonden was. De moeder drukte bij het hooren hiervan haar zoontje onstuimig aan het hart, en toen zij haar hoofd weer ophief, glinsterden tranen van dankbaarheid in hare zachte oogen. Ook de goede Juno was ontsteld en verzekerde in hare gebroken taal, voortaan wel zorg te zullen dragen, dat die booze zeeduivels niet bij hare lieve, kleine massa’s komen konden.

„Wij zullen hier morgen volop te doen hebben met al dat goed uit te zoeken en het eene behoorlijke plaats te geven,” sprak mijnheer Wilson tot Flink.

„Wij zullen een langen tijd de handen nog terdege vol hebben,” hernam deze. „Over een paar maanden omtrent kan de regentijd invallen, en zoo er eenigszins mogelijkheid toe is, moeten wij nog voor dien tijd onder dak zijn. Zonder eene degelijke beschutting kunnen wij dit weer niet afwachten, dat zeker tot het einde van het jaar aanhouden zal.”

„Waarmee moeten wij dan eerst beginnen?” vroeg mijnheer Wilson.

„Morgen zullen wij ’t best doen nog een of twee tenten op te slaan, om al de aan land gebrachte goederen daaronder te bergen. Hierna kunnen wij eens zien, waar wij onzen rijkdom voor de toekomst bewaren willen, en ook nagaan, wat ons nogal zoo ontbreekt.”

„Zeer goed; en wat moet er dan gebeuren?”

„Dan, mijnheer, dienen wij, dunkt me een klein tochtje naar het binnenste van het eiland te doen en de plek uit te zoeken, waar wij ons huis zullen opbouwen.”

„Kunnen wij een huis bouwen?” riep Willem verbaasd.

„Wel zeker, mijn kind; en dat zal ons minder moeite kosten, dan gij u misschien voorstelt. Er is geen nuttiger boom dan de kokosboom en daarbij is zijn hout zoo licht, dat wij het gemakkelijk van de plaats kunnen krijgen.”

„En waarin bestaat dan het groote nut van dien boom?” vroeg mevrouw Wilson.

„Dat zal ik u vertellen, mevrouw. Vooreerst geeft hij u hout, om er een huis van te bouwen; dan hebt gij de schors, waaruit ge touw, koord en, zoo gij verkiest, ook vischnetten maken kunt; vervolgens de bladeren, om uwe woning en, wilt ge, ook uw hoofd daar mee te dekken, want men kan zeer goed hoeden en ook manden daarvan vlechten. Verder hebben wij de vrucht, eene noot, die zeer goed te eten en ook gekookt voedzaam en lekker is. In de jonge noot is de zeer gezonde melk besloten en bovendien geeft zij nog lampolie en hare schil drinknappen en veldflesschen, als men die anders niet heeft. Eindelijk kan men nog een wijn uit den boom tappen, die versch gebruikt een aangename drank is, maar bedwelmt en dronken maakt, als hij langer bewaard wordt; en van dezen wijn kan men dan ook een zeer sterken drank brouwen. Oordeel nu zelve maar eens, mevrouw: kent gij een anderen boom, die den mensch zooveel nut aanbrengt en hem, zooals deze, bijna van al wat hij noodig heeft, voorziet?”

„Waarlijk, daar heb ik nooit iets van geweten,” was het antwoord.

„In allen gevalle zijn hier boomen in menigte,” zeide Willem.

„Ja, ja, mijn jongen, daar is hier geen gebrek aan; en dat verheugt mij hartelijk, want als er maar weinig waren, zou ik er niet gaarne een van omhouwen. Misschien konden in het vervolg nog anderen hier schipbreuk lijden en daarbij het noodzakelijkste missen, zoodat zij gedwongen waren, geheel alleen van de weinige kokosboomen te leven.”

„Maar nu, geloof ik, zou ’t voor allen goed zijn, dat wij te bed gingen,” zeide mevrouw Wilson.




DERTIENDE HOOFDSTUK

EERSTE VERRICHTINGEN OP HET EILAND


Wij kunnen voortaan in de geschiedenis van ons gezelschap op het eiland niet meer, als tot hiertoe, de dagelijksche verrichtingen optellen, daar wij genoeg te doen zullen hebben met de belangrijkste voorvallen en ontmoetingen van elken dag behoorlijk te vermelden. Den volgenden morgen na het ontbijt zeide Flink:

„Nu, mijnheer Wilson, moeten wij krijgsraad houden en aangaande een ontdekkingsreisje op morgen een besluit nemen. Is dit bepaald, dan zullen wij wel middel vinden, om dezen dag verder op eene nuttige wijze te besteden. De eerste vraag is: wie zullen mee van de partij zijn? Mag ik weten, hoe gij daarover denkt?”

„Wel, vriend,” antwoordde mijnheer Wilson, „mij dunkt, wij beiden, gij en ik, zullen gaan.”

„Toch beiden niet te gelijk, lieve man?” viel zijne vrouw hem in de rede. „Gij kunt u ook wel zonder mijn man redden, niet waar, Flink.”

„Ik had zeker wel gewenscht mijnheer Wilson en zijn goeden raad bij mij te hebben,” was het antwoord; „maar ik heb er ook al over nagedacht en geloof zelf, dat de kleine Willem geene toereikende bescherming voor u is; of althans zoudt gij hem daar niet voor houden, en dat komt voor uwe bezorgdheid nagenoeg op ’t zelfde uit. Dus, als mijnheer er niet tegen heeft, zal ’t het best zijn, dat hij u gezelschap blijft houden.”

„Wilt gij echter geheel alleen gaan, Flink?” vroeg de heer Wilson.

„Neen mijnheer; ik geloof niet, dat dit goed en verstandig zou zijn. Er kon mij immers een ongeluk overkomen, want niemand kan zeggen, wat er gebeuren kan. Ofschoon er alle schijn van veiligheid voorhanden is. Daarom wenschte ik wel iemand bij mij te hebben; de vraag is maar, of dat Willem of Juno zal zijn.”

„Neem mij mee!” riep Thomas op eens.

„U meenemen, kleine man!” zei Flink lachend; „dan diende ook Juno mee te gaan, om op u te passen. Neen, men kan u hier zeker niet missen; uwe moeder zou verlegen staan, als gij weg waart. Gij kunt zoo mooi brandhout en drooge prikken opzamelen en op uw zusje en kleine broertje passen, dat moeder zonder u geen raad meer weten zou. Dus moet Juno of broer Willem met mij gaan.”

„En wien van beiden hadt gij ’t liefst, Flink?” vroeg mevrouw Wilson.

„Uw zoon Willem, mevrouw,—hem verreweg ’t liefst, als gij hem aan mijne zorg wilt toevertrouwen. Ik vreesde enkel, dat gij misschien zwarigheid zoudt maken.”

„Ik heb het liever niet; ik zou mij liever een poos lang zonder Juno behelpen,” antwoordde de moeder. „Maar neen, ik heb ongelijk, lieve man,” vervolgde zij zich tot haren man wendende, die haar bestraffend aanzag. „Ja, ik heb ongelijk. Ziekte en lijden hebben mij niet alleen zwak en vreesachtig, maar, vrees ik, ook zelfzuchtig gemaakt. Ik wil mij daartegen verzetten. Tot hiertoe ben ik u lang tot last en bezwaar geweest, maar dat zal, hoop ik, eerlang beter worden en dan zal ik mij ook nuttig zoeken te maken. Zoo gij ’t beter acht, lieve Wilson, dat gij zelf, in plaats van Willem, met Flink gaat,—ik ben er nu niet meer tegen, ’t was heusch zeer verkeerd van mij, dat ik er mij een oogenblik tegen verzette. Ga dus gerust met onzen vriend mede.”

„Dat mijnheer meegaat is niet noodig, mevrouw,” hernam Flink; „uw wakkere Willem kan mij dezelfde diensten doen. Geloof mij, ik zou van harte gaarne alleen gaan: ik heb geen vrees, dat mij iets kwaads bejegenen zal; maar toch weten wij niets van den dag van morgen. Ik kon immers ook ziek,—kon door eenig toeval overvallen worden, ik ben een oud man; en dan, dacht ik, als mij een ongeluk trof, kondt gij mij missen. Dat is alles;—ik zeide ’t niet uit eigenbelang.”

„Daar ben ik volkomen van overtuigd, mijn goede oude vriend,” antwoordde mevrouw Wilson; „maar eene moeder is soms al heel dwaas en onverstandig.”

„Vergeef mij, mevrouw, niet dwaas, zooals gij zegt; slechts soms al te bezorgd en angstvallig.”

„Genoeg, Flink. Onze Willem zal dan met u gaan, dat is bepaald en besloten,” besliste de vader ten laatste. „Wat is nu aan de beurt?”

„Vooreerst moeten wij ons nu tot onzen marsch gereedmaken. Wij moeten wat mondkost en wat water bij ons hebben, daarbij een geweer en kruit, eene groote bijl voor mij en een kleinere voor mijn reismakker. Ook zal het goed zijn, dat Romulus en Remus meegaan; het dashondje kunt ge hier bij u houden. Gij, Willem, kunt nu dadelijk vier halve fleschjes met water vullen, terwijl ik voor ieder van ons een linnen knapzak in elkander naai.”

„En wat zal ik doen?” vroeg mijnheer Wilson.

„Gij, mijnheer, zoudt ons een grooten dienst kunnen doen, als gij zoo goed waart, deze twee bijlen op de slijpsteen wat aan te scherpen. Thomas zal wel draaien. ’t Is een sterke, fiksche jongen en frisch te arbeiden is altijd zijn lust en zijn leven.” Thomas stond dadelijk op. Hij was juist sterk genoeg, om den steen rond te draaien; maar gewoonlijk wilde hij liever spelen dan werken. Nu de oude man echter gezegd had, dat dit laatste zijn lust was wilde hij dat ook met de daad bewijzen en sloofde zich af, wat hij kon. Flink zat daarbij zijne reiszakken te naaien, en zoo vaak onze jongeheer lust gevoelde om het werk te staken, prees Flink hem, dat hij zich zoo dapper weerde en vertelde aan zijne moeder welk een knappe jongen hij was. Zoo dan ging Thomas, die zich gaarne hoorde prijzen, met zijn werk voort, totdat de zweetdruppels hem op het voorhoofd stonden. Vóór het avond werd, waren de bijlen geslepen, de zakken klaar en was alles gereed voor den volgenden morgen.

„Wanneer wilt gij morgen op weg gaan, Flink?” vroeg mevrouw Wilson.

„Het zal goed zijn, dat wij met het eerste daglicht opbreken, daar de hitte zoo vroeg nog niet sterk is.”

„En tegen wanneer denkt gij terug te zijn?”

„Ja, zie, mevrouw, wij hebben voorraad voor drie dagen bij ons. Als wij morgen, Woensdag, in de vroegte opstappen, kunnen we misschien Vrijdagavond hier terug zijn. In allen gevalle denk ik niet, dat het later dan Zaterdagochtend worden zal.”

„Goeden nacht, dan—en vaarwel, lieve moeder!” zeide Willem. „Ik zal u morgen vroeg niet meer zien.”

„God zegene en behoede u, mijn lief kind!” sprak deze. „Pas toch vooral goed op hem, Flink! En ook gij—goede reis en tot spoedig wederzien!”

De beangste moeder ging in hare tent, om de tranen te verbergen, die zij niet kon weerhouden. „Het is nog geheel nieuw voor haar,” merkte Flink aan; „als zij er meer aan gewoon is, zal eene korte scheiding haar zoo hard niet meer vallen.”

„Dat vertrouw ik ook,” antwoordde haar echtgenoot; „maar zij is nu nog zenuwachtig en ongesteld; en in aanmerking nemende, dat zij tot dusverre zelden langer dan een uur van hare kinderen gescheiden is geweest en haar zoon nu weggaat, zonder dat zij zelfs weet waarheen,—houdt zij zich, dunkt mij, nog al vrij standvastig.”

„Ja, waarlijk, mijnheer, dat doet zij,” erkende Flink; „de angst eener moeder is even natuurlijk als hare liefde. In allen gevalle wil ik, ook indien ik alles wat ik wenschte niet op eenmaal verrichten kan, toch op den bepaalden dag terug zijn en dan later nog eens een reisje doen.”

„Doe dat, Flink; dat zal haar geruststellen. En nu, vaarwel; wees voorspoedig en moogt gij uw doel bereiken!”




VEERTIENDE HOOFDSTUK

EERSTE UITSTAPJE OP HET EILAND


Nog vóór de zon was Flink op en wekte ook Willem uit den slaap. Zwijgend kleedden zij zich aan en vermeden elk gerucht, dat de moeder had kunnen doen ontwaken. Hunne reiszakken waren reeds gepakt. In ieder was een portie vleesch, dat zij dadelijk onder elkander verdeeld hadden, benevens twee waterfleschjes, in kokosbladeren gewikkeld, opdat zij minder licht breken zouden. Flink, die den grootsten reiszak droeg, had nog beschuit en verscheidene andere dingen bij zich, waarvan hij zich voor het geval van nood had voorzien. Om het lijf had hij twee strikken geknoopt, om, als dit vereischt werd, de honden daaraan vast te binden.

Zoodra zij de reiszakken hadden omgehangen, nam Flink bijl en geweer en vroeg Willem, of hij wel dacht een kleine spade, die zij te gelijk met de schoppen van het wrak gehaald hadden, op den schouder te kunnen dragen. De knaap antwoordde toestemmend. De honden, die schenen te weten, dat zij meegaan mochten stonden klaar, en nu ging de oude man naar een der watertonnen, nam zelf een duchtigen slok, spoorde Willem tot hetzelfde aan en liet toen ook de honden drinken, zooveel zij lustten. Hierop, juist toen de zon aan den hemel opging, traden zij het kokosbosch in en hadden de tenten spoedig uit het gezicht verloren.

„Nu, reiskameraad,” begon Flink en stond stil, toen zij een twintig schreden ver waren, „weet gij ook, op welke wijze wij den terugweg vinden kunnen? Gij ziet, in het dichte bosch konden wij licht verdwalen en er is geen pad, dat ons dan leiden zou.”

„Neen, waarlijk, dat weet ik niet; ik dacht daar juist aan, toen gij er over begont, en ook Klein Duimpje viel mij in, die broodkruimels uitstrooide om zijn weg weerom te vinden, maar hem toch niet vond, omdat de vogels zijne kruimels hadden opgepikt.”

„Ge ziet dus, dat Klein Duimpje de zaak niet goed overlegd had, en wij moeten het hem zoeken te verbeteren. Wij moeten doen, zooals de Amerikanen doen in hunne bosschen: wij moeten de boomen merken. Dit geschiedt door een enkelen slag met de scherpe bijl een kerfje in de schors van den boom te houwen, dat hun tot teeken dient, waaraan zij hun weg herkennen. Zij merken daarbij niet elken boom, maar altijd den tiende of zoo, die aan hun pad staat, en dan beurtelings een aan den rechter- en een aan de linkerhand. Het kost slechts weinig moeite; zij doen het onder het gaan, zonder dat het hen een oogenblik ophoudt. Laat ons nu ook daarmee beginnen; gij neemt de rechterkant: het zal u gemakkelijker vallen de bijl in de rechterhand te houden; ik voor mij kan evengoed ook de linker gebruiken. Zie, zoo maakt men slechts een kerfje in den bast:—de zwaarte van de bijl doet het bijna alleen en dat kan ons jaren lang tot wegwijzer door het woud dienen.”

„Dat is heerlijk bedacht!” riep Willem, en beiden vervolgden nu hun marsch, terwijl zij de boomen rechts en links op gezette afstanden teekenden.

„Ik heb evenwel ook nog een anderen vriend in den zak,” begon Flink weder, „en ik zal dien moeten gebruiken.”

„Wat is dat?”

„Het zakkompas van den armen kapitein Osborn. Gij ziet, Willem, het merken der boomen zal ons wel onzen terugweg aanduiden, maar kan ons niet zeggen, in welken koers we thans te sturen hebben. Op dit oogenblik weet ik nog, dat wij den rechten weg houden, daar ik door het geboomte achter mij heen zien kan: maar dikwijls zal dit niet mogelijk zijn en dan moet ik met mijn kompas te rade gaan.”

„Dat begrijp ik zeer goed; maar zeg mij, Flink, waartoe nemen wij die schop mede? Hoe kan ons die van dienst zijn? Gij zeidet er gisteren morgen niets van, dat gij er eene mee woudt nemen.”

„Neen, Willem, en ik zweeg er opzettelijk van, omdat ik uwe moeder niet beangst wilde maken. U echter durf ik wel zeggen, dat ik zelf omtrent één ding zeer bezorgd ben, en dat is, of hier water te vinden is of niet. Is er geen water, dan moeten wij het eiland wat vroeger of later toch verlaten, want men kan wel eenig water verkrijgen door kuilen in het zand te graven, doch dat is ziltig zeewater en zou ons bij voortgezet gebruik allen ziek maken. Van het schip hebben wij niet veel meegebracht, en als er stormachtig weer komt, kunnen wij er ook niet meer vandaan halen. Nu gebeurt het echter dikwijls, dat er ergens zoet water is, zonder dat men het aan den grond zien kan,—men moet er dan naar graven, en daartoe heb ik de spade meegebracht.”

„Gij denkt toch aan alles, Flink.”

„O neen, mijn goede Willem, dat doe ik niet altijd. ’t Is waar, in onzen tegenwoordigen toestand denk ik meer aan wat noodig is, dan misschien uw vader en uwe moeder; maar dat is, omdat zij nog nooit geweten hebben, wat het is aan zichzelf alleen te zijn overgelaten. Zij zijn nog nooit in ’t geval geweest, dat zij genoodzaakt waren aan zulke dingen te denken; als men echter zijn gansche leven op zee zwalkte, zooals ik—als men schipbreuk heeft geleden en rampen en gevaren van allerlei aard doorgestaan,—als men gedwongen was, uitkomst te verzinnen of te gronde te gaan, dan, Willem, verzamelt men zich nuttige kundigheden, niet alleen uit zijn eigen lijden, maar ook uit het verhaal van anderen, wanneer men hoort, hoe die zich er in de ellende hebben weten door te worstelen. Nood, zegt men, is de moeder der wijsheid, en dat is werkelijk waar, Willem, want hij scherpt het verstand; en het is dikwijls opmerkelijk, wat vele menschen, vooral zeelieden, als de nood hen tot handelen drijft, met de eenvoudigste middelen tot stand brengen.”

„En waar gaan wij dan nu naar toe, Flink?”

„Recht op de lijzijde van het eiland aan; en ik hoop, dat wij nog vóór het vallen van den donker daar zijn zullen.”

„Waarom noemt gij dat de lijzijde van het eiland?”

„Omdat de wind tusschen deze eilanden genoegzaam altijd uit dezelfde richting waait. Wij landden op de windzijde; thans hebben wij den wind in den rug; steek uw vinger maar eens op en gij zult hem zelfs hier in het bosch nog voelen.”

„Neen, ik merk niets,” verzekerde de knaap, terwijl hij den vinger omhoog hield.

„Maak uw vinger dan eens nat en beproef het nog eens.”

Willem bevochtigde zijn vinger met de tong en stak hem nogmaals op. „Ja, nu voel ik het. Maar hoe komt dat?”

„De wind droogt de vochtigheid van uw hand op; daardoor ontstaat koude, en deze is het, die gij voelt.”

Op eenmaal begonnen de honden te knorren, sprongen toen vooruit en blaften luid.

„Wat kan dat wezen?” riep Willem.

„Blijf staan, jongen,” sprak Flink en spande den haan; „ik zal vooruit gaan en zien.” De oude man sloop zachtjes voorwaarts, het geweer voorzichtig tegen de heup drukkende. Het geblaf der honden verdubbelde, en uit een hoop dorre kokosbladeren stoven daar op eenmaal.... al de varkens, die men een paar dagen te voren had laten loopen, voor den dag en zetten het op een galoppeeren, met de honden achter hen aan.

„Het zijn onze varkens maar, Willem,” riep Flink lachend, „Ik had nooit gedacht, dat een tam zwijn iemand zoo kon doen schrikken.—Hier, Romulus! Koest, Remus!” vervolgde hij, de honden roepende. „Nu, Willem, daar hebt gij ons eerste avontuur.”

„Ik hoop, dat wij er geen gevaarlijker beleven zullen,” gaf de knaap lachend ten antwoord. „Evenwel, ik wil wel bekennen, dat ik vrij wat ontsteld was.”

„Geen wonder, want ofschoon al niet waarschijnlijk, zou het toch mogelijk zijn, dat zich roofdieren of zelfs wilden op dit eiland ophielden. Wij moeten in een onbekend land steeds op het ergste gevat zijn, Willem. Men kan verschrikt wezen en daarom toch, evenals gij daareven, moedig standhouden. Wie echter bevreesd is, loopt weg.”

„Ik geloof niet, dat ik ooit wegloopen en u verlaten zal, als er gevaar aanwezig is, Flink.”

„Ik vertrouw er gerust op, Willem, dat gij dat niet doen zult; maar daarom moet gij toch niet onbezonnen en te haastig zijn. Wij willen nu verder gaan, als ik eerst mijn haan in rust gezet heb. Daar mij dit nu juist invalt, Willem, en gij dikwijls een geweer bij u zult hebben,—denk er toch aan, jongen, dat gij nooit uw haan gespannen laat. Ik heb daardoor alleen, dat velen den haan spanden en naderhand vergaten hem weder in rust te zetten, meer ongelukken zien gebeuren, dan gij u ooit zoudt voorstellen. Span nooit den haan, zoolang gij niet vuren wilt;—dezen raad moet gij altijd in gedachten houden. Nu moet ik eens op het kompas zien, want wij hebben op eens eene veranderde richting, zoodat ik niet meer weet, welken weg in te slaan.—Ziezoo, nu is alles goed. Vooruit, honden!”

Nog langer dan een uur vervolgden de wandelaars hun weg door het kokosbosch en vergaten daarbij niet, al voortgaande, de boomen rechts en links te teekenen. Eindelijk kozen zij een plekje uit, om er hun ontbijt te gebruiken, en de honden strekten zich daarbij nevens hen op den grond neer.

„Geef de dieren geen water en geen gezouten vleesch; geef hun niets dan beschuit.”

„Maar zij zijn zoo dorstig; moet ik hun niet een weinig te drinken geven?”

„Neen; vooreerst omdat wij alles voor onszelven noodig hebben, en bovendien verlang ik juist, dat zij dorstig zijn. En ook gij, Willem, volg mijn raad en drink maar weinig water op eens. Weinig is volkomen toereikend, om den dorst te lesschen, en hoe meer gij drinkt, des te meer voelt gij dorst.”

„Dan dien ik ook wel niet te veel gezouten vleesch te eten.”

„Juist; hoe minder gij eet, des te beter, als wij geen water vinden en onze fleschjes weer vullen kunnen.”

„Maar wij hebben onze bijlen immers en kunnen van tijd tot tijd ook eene kokosnoot afslaan en de melk daarvan drinken?”

„Ja, en het is een geluk voor ons, dat wij die uitkomst altijd nog hebben; maar toch zou kokosmelk alleen ons slecht bevallen, ook als die het gansche jaar door volop te krijgen ware.—Nu, Willem, willen wij weer opstappen, als gij niet te moe zijt.”

„Volstrekt niet; ik ben alleen moe niets dan de stammen der boomen te zien, en zal hartelijk blij zijn, als wij het bosch eens achter den rug hebben.”

„Hoe meer wij ons haasten, des te beter dus,” antwoordde Flink. „Voor zoover ik dit eiland bij onze aankomst beoordeelen kon, moeten wij thans ongeveer halfweg zijn.”

De wandelaars begaven zich met vernieuwde krachten op weg.

Na een half uur bevonden zij, dat de grond niet meer zoo effen was als vroeger en beurtelings begon te rijzen en te dalen.

„Het is mij zeer lief, dat ik het eiland hier niet meer zoo vlak vind, Willem. Wij hebben zoo meer vooruitzicht om water te vinden.”

„Ei, zie eens; daar wordt het nog steiler,” merkte Willem aan, terwijl hij een boom teekende; „daar is immers wezenlijk een heuvel.”

„Des te beter;—wakker voorwaarts!”

De bodem was thans meer golvend geworden. Echter was hij nog altijd met kokosboomen overdekt, die zelfs nog dichter stonden, dan tot dusver het geval was geweest. Zij vervolgden hun marsch, waarbij zij van tijd tot tijd op het kompas zagen, totdat Willem zijne vermoeidheid niet langer verbergen kon, want de weg door het woud was thans nog bezwaarlijker geworden dan in den beginne.

„Hoeveel mijlen denkt ge wel, dat we nu al gegaan zijn, Flink?” vroeg hij ten laatste.

„Acht ongeveer, denk ik.”

„Niet meer dan acht?”

„Neen, ik geloof niet, dat we, door elkaar gerekend, meer dan twee mijlen in het uur hebben afgelegd. Het gaat maar langzaam, als men naar het kompas reist en daarbij altijd de boomen merken moet; maar mij dunkt, dat het woud vóór ons lichter wordt, van den top van dezen heuvel gezien.”

„Ja, dat is zoo, Flink; ik verbeeld mij, den blauwen hemel weer te zien.”

„Uwe oogen zijn jonger dan de mijne, Willem, en mogelijk hebt gij goed gezien. We zullen dat spoedig vernemen.”

Zij daalden nu in een ravijn neer en klommen vervolgens weer een tweeden heuvel op. Zoodra zij boven kwamen, riep Willem overluid: „De zee, Flink! daar is de zee!”

„Zeer goed, Willem; ik voor mij heb daar volstrekt niets tegen.”

„Ik dacht al, dat wij nooit een einde aan dat donkere bosch zouden zien,” sprak de knaap en snelde ongeduldig vooruit; eindelijk stond hij aan den uitersten zoom van het kokoswoud en bleef staan. Flink stond spoedig aan zijne zijde, en beiden vestigden nu hunne oogen op het voor hen uitgebreide landschap.




VIJFTIENDE HOOFDSTUK

DE OOSTZIJDE VAN HET EILAND


„O hoe heerlijk!” riep Willem ten laatste: „zeker, hier zou moeder recht gaarne wonen. Ik hield de andere zij van het eiland voor heel lief, maar zij is toch niets bij deze vergeleken.”

„Het is hier werkelijk fraai,” antwoordde Flink in diepe gedachten.

Men kan zich trouwens niet licht een liefelijker tooneel voorstellen. Het kokoswoud werd ongeveer een vierde mijl van de kust eensklaps afgebroken door eene steile helling, die zich bij de dertig voeten boven het strand verhief. Dit strand zelf was een golvende, hier en daar met struiken begroeide groene vlakte en strekte zich tot op ongeveer vijftig schreden afstands van het water uit, waar het in verblindend wit zand overging, door ’t welk enkele smalle klippenreeksen van den oever landwaarts opliepen. Het water was van eene helder blauwe kleur en brak slechts aan de klippen in wit schuim. De riffen strekten zich mijlen ver van den oever in zee uit en op enkele plaatsen staken de punten der rotsen boven den rand des waters uit. Talrijke scharen van zeevogels hadden zich op die hoogten genesteld; anderen wiegden zich in de heldere lucht of schoten van tijd tot tijd in de blauwe zee neer, waaruit zij dan met hunne klauwen een van de visschen ophaalden, welke in menigte aan de zandbanken speelden en dikwijls zelf in vroolijke sprongen uit het water opwipten. De kust had de gedaante van een hoefijzer en vormde eene baai, besloten tusschen twee boschachtige landtongen, die zich aan weerszijden ver in zee uitstrekten. De horizon was helder en scherp tegen de zee afgeteekend.

Flink bleef een tijdlang stom, liet zijne oogen rechts en links langs den gezichteinder gaan, monsterde scherp de riffen in de verte en wierp toen een vorschenden blik op het land vóór hem.

„Waaraan denkt gij, Flink?” vroeg Willem ten laatste.

„Ik?—Ik denk dat wij zoo spoedig mogelijk naar water moeten omzien.”

„Maar waarom zuchttet gij daareven?”

„Omdat ik niet, gelijk ik verwacht had, nog een ander eiland aan lij ontdekken kan en er dus bijna geene mogelijkheid voorhanden is, dat wij dit hier verlaten. Bovendien is deze bocht hoe fraai gelegen ook, toch vol riffen, en ik zie nergens een ingang, wat de zaak om velerlei redenen hoogst bezwaarlijk maakt. Evenwel kunnen wij niet terstond op het eerste gezicht oordeelen. Eerst willen wij gaan zitten en ons middagmaal houden, dan kunnen wij verder zien. Halt, halt!—voordat wij van de plaats gaan, moeten wij aan de boomen bij den uitgang van het bosch een duidelijk teeken maken; zonder dat, zouden wij bij het terugkeeren onze merken moeielijk wedervinden.”

Hij sneed twee witte streepen in de stammen der kokosboomen en daalde toen met Willem naar het vlakke veld neer, waar zij zich neervlijden en hun eenvoudigen maaltijd hielden. Zoodra dit verricht was, stonden zij weder op en gingen aan het zeestrand. Flink keerde zich naar de landzijde, in de hoop van ergens eene kleine beekbedding of holte te ontdekken, die mogelijk zoet water bevatten kon. „Hier zijn eenige plekken,” zeide hij en wees ze met den vinger aan, „waar het water in den regentijd zijn afloop gehad heeft; wij moeten ze zorgvuldig onderzoeken, maar nu niet. Daartoe hebben wij morgen tijd genoeg. Eerst moet ik een middel uitvinden om onze kleine boot door gindsche klippen heen te krijgen; anders hebben wij een vreeselijken arbeid, als wij naar deze plaats verhuizen, namelijk, zoo wij al onze bezittingen door het woud aansleepen moesten en dat zou ons weken, zoo niet maanden kosten. Dus willen wij vandaag de kust goed onderzoeken, Willem, en dan morgen naar zoet water omzien.”

„Zie de honden eens, Flink; ze drinken zelfs zeewater, de arme beesten!”

„Zij zullen er niet veel van nemen. Zie, ze loopen er al van weg.”

„Wat zijn die koralen fraai! Zie, ze groeien als jonge boomen onder het water.—Ha, daar is een bloem, die op de rots uit het water opschiet.”

„Raak haar eens met den vinger aan, Willem,” sprak Flink.

Willem deed dit, en de bloem, gelijk hij haar noemde, sloot zich oogenblikkelijk.

„Hoe, wat is dat? Het is vleesch en leeft!”

„Dat is het ook. Ik heb ze vroeger meer gezien; men noemt ze, meen ik, zee-anemonen, doch ik kon nooit te weten komen, of het schelpdieren zijn of niet. De natuur is toch bewonderenswaardig! Maar laat ons nu die landtong eens opgaan en zien, of wij ook een doorgang door de riffen vinden kunnen. De zon gaat onder en wij hebben nu nog maar één uur licht. Vooraf moeten wij ook nog eene slaapplaats opzoeken.”

„Maar wat is dat?” riep Willem en wees naar het zand;—„dat ronde, zwarte ding?”

„Iets, dat ik blij ben hier te zien; eene schildpad. Zij komen om dezen tijd tegen den avond aan land, om hare eieren te leggen, die zij onder het zand begraven.”

„Kunnen wij haar niet vangen?”

„O ja; als wij haar slechts stilletjes naderen. Maar vooral moogt gij haar niet in den rug komen, want dan werpt zij met haar staart en hare achterpooten of vinnen zulk een wolk van zand over u heen, dat gij er blind van wordt en zij gemakkelijk kan ontsnappen. Om deze beesten te vangen, moet men hen van boven aanvatten en bij een der voorvinnen op den rug omwentelen. Dan kunnen zij zich niet meer bewegen en blijven stil liggen.”

„Laat ons het dan eens met deze hier beproeven.”

„Dat zou zeer onverstandig zijn, mijn beste Willem, daar wij het beest toch niet mee kunnen nemen en het morgen in de hitte sterven zou, zonder dat iemand er dienst van had. Men mag geen schepsel doelloos van het leven berooven, en zoo wij nu deze schildpad vermaakshalve dooden wilden, kon het licht gebeuren, dat wij een andermaal, als wij ze noodig hadden, er geen vonden.”

„Dat had ik niet bedacht, Flink. Als wij eens hier wonen, kunnen wij ze, hoop ik, zoo dikwijls vangen, als wij verkiezen.”

„Neen, dat is niet waarschijnlijk; zij komen alleen gedurende den broeitijd aan land. Maar wij willen ergens een schildpadvijver aanleggen, die uit zee frisch water krijgt en waaruit zij ons niet weder ontsnappen kunnen. Die wij dan vangen, zetten wij in den vijver en halen ze er uit, zoo dikwijls wij lust hebben.”

„Dat is een zeer goed plan,” antwoordde Willem.

Onder zulke gesprekken vervolgden zij hunne wandeling. Zij moesten zich met moeite een weg banen door het struikgewas, dat verder den landtong op steeds dichter werd, en stonden weldra op den uitersten uithoek.

„Wat is dat daar ginder?” riep Willem en wees met de hand naar de rechterzijde.

„Dat is een tweede eiland, Willem, en ik ben zeer verheugd het te zien, ofschoon ’t al niet gemakkelijk te bereiken zal zijn, als wij eens genoodzaakt mochten worden dit eiland hier om gebrek aan water te verlaten. Echter is ’t nog altijd mogelijk, dat dit ons gelukken kan. In allen gevalle is het een veel grooter eiland dan het onze,” vervolgde Flink en mat met de oogen de uitgestrektheid van den gezichteinder, aan welks rand hij de toppen der boomen zien kon. „Kom nu, jonge kameraad; voor onzen eersten dag hebben wij ons redelijk goed gehouden. Ik ben vrij moe, en gij, dunkt mij, zult ook uwe beenen wel voelen. Laat ons dus omkeeren en naar eene rustplaats voor den nacht omzien.”

Zij keerden naar den zoom van het kokosbosch terug. Daar pakten zij eenige hoopen dorre bladeren opeen en bereidden zich daaruit een zachte legerstede onder de boomen.

„Nu nog een teugje water gedronken en ons dan tot rusten neergelegd,” zeide de oude man. „Zie de lange schaduw, Willem, die de boomen in de zon werpen! Binnen een paar minuten zal deze geheel onder zijn.”

„Mag ik onzen honden nu water geven? Zie eens, de arme Remus heeft de tong uit den bek hangen en lekt aan de flesschen,—zoo’n dorst heeft hij.”

„Neen, neen, zij krijgen nu niets. Gij zult dit hard vinden, maar het moet zoo wezen. Morgen kunnen wij de scherpe zintuigen dezer dieren noodig hebben: hun dorst zal hun dan dubbel oplettend maken en kan ons van groot nut zijn. Wij weten nooit, welk lot ons boven het hoofd hangt. Had gij voor eene maand wel gedacht, dat gij u nu in ’t gezelschap van een oud man op dit eiland bevinden en daar onder den blooten hemel slapen zoudt? Als iemand u dat toen voorspeld had, zoudt gij het nooit geloofd hebben. En nu goeden nacht, mijn jongen!”




ZESTIENDE HOOFDSTUK

WATER


Willem sliep zoo goed, alsof hij op het zachtste bed en in een warm vertrek gerust had, en Flink insgelijks. Beiden ontwaakten eerst, toen de zon lang aan den hemel stond. De arme honden leden hevige dorst, en het deed Willem zeer aan het hart, te zien hoe zij huilend en bijna versmachtend met uitgestrekte tongen tot hem opkeken.

„Hoe is ’t Willem,” vroeg Flink hem, „willen we, voordat we opbreken, ons ontbijt nemen, of zullen wij eerst eene wandeling doen?”

„Flink, ik kan waarlijk zelf geen droppel drinken, ofschoon ik heel dorstig ben, voordat gij aan deze arme beesten een weinigje water geeft.”

„Ik heb medelijden met de arme stomme schepsels, zoo goed als gij, jongen, en geloof mij, het geschiedt niet uit onbarmhartigheid, maar integendeel tot hun eigen en ons aller best, dat ik hun dat nog onthoud. Laat ons dan maar dadelijk eens de ronde doen en zien, of wij niet ergens water vinden. Daar ginder bij die kleine kloof aan de rechterhand willen wij het eerst beproeven, en lukt het daar niet, dan gaan wij verder op en zien, waar het water gedurende den regentijd zijn afloop gehad heeft.”

De knaap keurde dit dadelijk goed. De honden volgden hen, en Flink had nog eene schop bij zich, die hij op den schouder droeg. Spoedig kwamen zij in de kleine laagte, waar de dieren den neus aan den grond brachten en hijgend rondsnuffelden.

Het oog van den ouden man volgde aandachtig al hunne bewegingen, totdat zij zich eindelijk kreunend nederlegden.

„Wij moeten verder gaan, Willem,” zeide hij, in gedachten verzonken. Zoo naderden zij eene plaats, waar een afloop van het water scheen geweest te zijn; de honden snuffelden hier nog ijveriger rond.

„Gij ziet, Willem, de arme dieren verlangen nu zoo geweldig naar water, dat zij het zeker oproepen, als het ergens voorhanden is, terwijl wij zonder hen nooit iets hadden kunnen vinden. Ik reken niet op eene openliggende wel, maar daarom is het toch wel mogelijk, dat hier of daar onder den grond water verborgen zit. Dit gedeelte van het strand is niet ver genoeg van zee verwijderd, anders zou ik hier in het zand daarnaar graven.”

„In het zand! Zou dat dan niet zout smaken?” vroeg Willem.

„Op behoorlijken afstand van het zeestrand niet: want gij moet weten, mijn jongen, dat het zand al langzamerhand het zeewater reinigt, zoodat men, als de zandige oever breed is, op punten, die het verst van het hoogste zeepeil af liggen, bij opgraving dikwijls zoetwater vindt, dat wel wat ziltig, maar toch goed om te drinken is. Ik wou wel, dat deze omstandigheid onder de zeelieden beter bekend was, dan zij werkelijk is;—menig brave jongen zou daardoor een langzamen marteldood ontgaan zijn. Er is niets vreeselijkers dan gebrek aan water te lijden. Ik weet wat het is op een pintje elken dag bepaald te zijn en hoop dat nooit weer te ondervinden.”

„Zie eens, Flink, hoe druk Romulus en Remus met hunne pooten daar omlaag den grond opkrabben.”

„Den Hemel zij dank, mijn goede Willem; gij weet niet, wat blijde tijding gij mij daar verkondigt, want om de waarheid te zeggen, begon ik mij al ernstig ongerust te maken.”

„Maar waarom wroeten zij dan toch zoo?”

„Wel omdat daar water is. Nu ziet gij, hoe goed het was, dat wij hen eenige uren dorst lieten lijden: ’t is waarschijnlijk ons aller behoud, daar wij eene wel moesten vinden of anders het eiland verlaten. Wij zullen de dieren nu met de schop helpen, en spoedig zullen ze drinken hebben in overvloed.”

De oude man ijlde op de plaats toe, waar de honden nog altijd met wroeten voortgingen. Zij waren tot den vochtigen bodem gekomen en werkten zoo ijverig, dat Flink moeite had hen van de stee te verdrijven, om zelfs de spade te kunnen gebruiken. Hij had pas twee voet diep gegraven, of het water begon te borrelen, en in minder dan vijf minuten was er reeds zooveel voorhanden, dat de honden naar hartelust drinken konden.

„Zie eens, Willem, hoe hen dat verkwikt. Dit was het eenige, dat ons ontbrak: maar ook iets, dat onontbeerlijk is. Thans hebben wij alles, wat wij op dit eiland wenschen kunnen, en zoo wij maar tevreden zijn, moeten wij hier recht gelukkig worden,—ja, rijker dan menigeen, die zich afslooft om rijkdommen bijeen te schrapen en toch niet weet wat gebruik hij er van maken moet. Kijk, onze goede dieren hebben nu ten laatste ook genoeg,—en wat hebben ze zich kogelrond gedronken! Wat dunkt u, Willem, zullen we thans omkeeren en zien, dat wij wat te eten krijgen?”

„Ja,” antwoordde deze; „nu zal mij dat eerst recht smaken en wil ik ook weer een duchtigen slok water nemen.”

„Dit is hier een rijke bron, daar ben ik zeker van,” zeide Flink, terwijl zij naar de plaats van hun nachtleger terugkeerden en hunne knapzakken onderzochten; „maar wij moeten haar hooger op onder de boomen nasporen, waar geen zon komt: daar hebben wij het water altijd koel en frisch en kan het niet opdrogen.—We zullen de handen vol werk krijgen, en dat voor maanden, indien we hier blijven willen. De plaats, waar we nu zijn, zal eene kostelijke gelegenheid wezen, om daarop ons huis te bouwen.”

Zoodra zij hun eenvoudig maal genuttigd hadden, stond de oude man weer op en zei:

„Kom jongen, nu naar ’t strand! Ik heb nog geen opening tusschen de klippen gevonden, en daar ons bootje altijd dezen kant van het eiland langs moet komen, dien ik toch te zien, of er niet een behoorlijke doortocht te vinden is. Het komt mij voor, dat de branding niet tot dat punt ginds reikt, en als daar een doorvaart is, mochten wij ons wel gelukkig rekenen.”

Aan den uithoek van de landtong gekomen, bevonden zij, dat Flink zich in zijn vermoeden niet had bedrogen. Het water was diep tot dicht aan het strand en vormde een kanaal van ettelijke roeden breedte. De zee was zoo effen, het water zoo glad en doorschijnend, dat zij tot op den rotsachtigen grond neerzien konden en de visschen in de diepte zagen zwemmen.

„Zie eens,” riep Willem en wees naar een punt op eenigen afstand in zee, „daar is een groote haai, Flink.”

„Ja, ik zie hem wel,” antwoordde deze. „Hier in het rond zijn die zeker in menigte, en gij moet uiterst voorzichtig zijn, als gij in het water gaat. De haaien houden zich altijd aan lij van de eilanden op, en in plaats van den eenen, dien wij ginds vonden, toen Juno uw broertje baadde, kunt gij hier vijftig zien. Het eerste, waaraan wij thans denken moeten, is dat wij zoo schielijk mogelijk van de andere zijde hierheen zoeken te verhuizen.”

„Zullen wij vandaag nog teruggaan?”

„Ik denk van ja, want hier kunnen wij toch niets doen, terwijl uwe moeder zeker reeds in angst en zorgen over u is. Het is nog geen middag, naar ’t mij voorkomt, en wij hebben nog tijd genoeg vóór ons, daar wij nu een bekend pad gaan en ons niet met merken en zoeken hebben op te houden. Onze bijlen en de schop kunnen wij hier laten; ze mee terug te sleepen zou vergeefsche moeite zijn. Het geweer zal ik bij mij houden, want ofschoon niet waarschijnlijk, kan dat toch te pas komen. Eerst zullen wij nog eens teruggaan en zien, of onze wel goed water geeft, en dan trekken wij op.”

Het strand langs gaande, zagen zij vele zeevogels, die dicht om hen heen fladderden. Plotseling kwam een zwerm visschen in bonte verwarring op den oever schieten; haar volgden eenige grootere, die nu ook op het drooge lagen en naar water snakten, totdat de zeevogels op eens dicht voor de beide wandelaars neerstreken, de visschen in hunne klauwen oppakten en met die prooi ijlings wegvlogen.

„Dat is toch vreemd,” riep Willem verwonderd.

„Ja, Willem, dat is het werkelijk. Maar daaraan kunt gij zien, hoe het in de wereld gaat: de kleine visschen werden door de grootere gejaagd en vluchtten in hunne angst op den oever. Die grootere waren zelve zoo begeerig, dat ook zij aan land kwamen, en toen schoten de vogels toe en pakten groot en klein op. Daar ligt een goede leering in, Willem: als men iets te driftig najaagt, stort men zich licht blindelings in gevaar.”

„Maar de kleine visschen hadden toch niets, dat zij najaagden.”

„Neen, ik bedoelde daarmee de grootere slechts;—bij de kleine was het hier van den regen in den drop, zooals het spreekwoord zegt. Maar laat ons nu naar de wel gaan.”

Zij vonden het gat, dat Flink gegraven had, geheel met water gevuld, en toen zij dit proefden, was het volmaakt zoet en aangenaam van smaak. Zeer verheugd over deze ontdekking, legden zij de dingen, die zij wilden achterlaten, onder de gemerkte kokosboomen neer, dekten er eenige takken en bladeren overheen en namen toen met hunne honden de terugreis aan naar de kleine bocht.




ZEVENTIENDE HOOFDSTUK

STORM AAN LAND


De teekens, die zij den vorigen dag gemaakt hadden, volgende, kwamen onze landontdekkers zeer spoedig door het woud en waren binnen twee uren dicht aan den uitgang, terwijl zij op den heenweg bijna acht uren hadden noodig gehad, om denzelfden afstand af te leggen.

„Ik voel den wind al, Flink,” zeide Willem, „en wij moeten het bosch nu bijna ten einde zijn. Het komt mij voor, dat het zeer donker is.”

„Dat heb ik daar ook al gedacht,” antwoordde de oude man, „en ’t zou me niet verwonderen, dat er weer een storm in aantocht was. We moeten ons dus haasten, daar uwe moeder zeker ongerust zal zijn.”

Het waaien en schudden der boomtakken, nu en dan eene windvlaag, waarop een zonderling gehuil en gekraak volgde, dit alles overtuigde hem spoedig, dat er werkelijk een storm te vreezen was; en toen zij uit het bosch traden, zagen zij den hemel, zoover hun oog reikte, met een donkere loodkleur overtrokken en van het vroolijk glanzend blauw, waarin hij zich tot hiertoe vertoond had, was geen spoor meer overig.

„Daar komt inderdaad een storm, en dat met volle zeilen,” zeide Flink bij het verlaten van het woud. „Schielijk naar de tenten, jongen; wij moeten zorgen, dat alles zoo zeker zij, als wij het met mogelijkheid maken kunnen.”

De honden liepen vooruit en hun geblaf lokte mijnheer Wilson en Juno naar buiten, die zoodra zij de beide aankomenden zagen, aan de moeder, die met de kinderen binnen was gebleven, het afgesproken teeken gaven. Een oogenblik later lag de knaap in de armen zijner hoogst verheugde moeder.

„Ik ben blij, dat gij terug zijt, Flink,” sprak mijnheer Wilson en schudde hem de hand, nadat hij Willem omhelsd had; „want ik vrees, dat er boos weer ophanden is.”

„Dat is zeker,” antwoordde Flink, „en wij moeten ons op een stormachtigen nacht voorbereiden. De hemel ziet er wezenlijk schrikwekkend uit. Het zal een van de stormen zijn, die gewoonlijk den regentijd voorafgaan. Intusschen brengen wij u goede tijding, mijnheer, en moeten dit als eene aansporing beschouwen, om onze verhuizing zooveel mogelijk te verhaasten. Na dezen storm zullen wij eene maand of daaromtrent goed weder hebben, misschien nu en dan eens met een kleinen storm daartusschen. Daartoe moeten wij thans terdeeg aan het werk; en als gij ’t goed vindt, mijnheer, zullen wij nu dadelijk den eersten noodigen maatregel van voorzorg nemen en naar het strand gaan, gij, Juno, Willem en ik. Daar moeten wij onze boot, zoover wij kunnen, op het drooge sleepen, want de zee zal hoog gaan en spoedig zal die boot onzen voornaamsten steun uitmaken.”

Flink ging nu de einden der tentsparren afzagen, ten einde ze onder de kiel der boot te leggen en zoo als rollen te gebruiken, en daarop daalden alle vier van den oever af. Met gezamenlijke krachten gelukte het spoedig, de boot hoog op tusschen de struiken te sleepen, waar Flink haar inderdaad ten volle in zekerheid verklaarde.

„Ik was eigenlijk voornemens, zonder uitstel aan het oplappen er van te gaan,” zeide hij: „maar nu moet ik wachten, tot de storm voorbij is. Ook had ik gehoopt, nog eens aan boord te zullen kunnen gaan, om nog eenige dingen te halen, die mij later invielen dat ons nuttig konden zijn, en dan te zien, of onze arme koe nog in leven is; maar ik vrees zeer,” vervolgde hij, naar de lucht ziende, „dat wij het wrak van De Vrede nooit weer betreden zullen. Hoor het loeien van den opkomenden storm, mijnheer; zie, hoe de zeevogels rondfladderen en krassen, alsof ze ons onheil te voorspellen hadden! Doch we mogen niet te lang dralen, mijnheer;—de tenten moeten steviger worden vastgemaakt, zoodat ze tegen de windstooten bestand zijn, want het zou een leelijk ding voor mevrouw en de kleinen zijn, als ze eens onverwacht werden opgenomen en naar den boschkant heengeblazen.”

Toen zij bij de tenten terugkwamen, vonden zij den kleinen Thomas, die met veel deftigheid op hen toetrad.

„Ei, dag, Thomas;—hoe gaat het u?” vroeg Willem.

„O, heel goed; ik ben wel en moeder ook; gij hadt gerust weg kunnen blijven; ik zorg voor hen allemaal.”

„Daar twijfel ik geen oogenblik aan, mijn beste jongen; gij zult wel goed voor alles gezorgd hebben,” gaf Flink ten antwoord. „Nu moet gij ons helpen, om zeildoek en touw bijeen te zoeken, opdat wij den regen beletten in moeders tent te dringen. Zoo, geef mij de hand maar en kom mee; wij zullen ’t aan Willem overlaten, aan moeder te vertellen, wat wij onderwijl gedaan hebben.”

Met de hulp van mijnheer Wilson pakte Flink stukken zeildoek en touwen, zooveel hij noodig had, bijeen en begon die als een dubbel dek tot beschutting tegen den regen over de tenten uit te spreiden. Het linnen werd door middel van stevige lijnen en koorden aan de boomen vastgemaakt, om te verhinderen dat de tenten omverwoeien, terwijl Juno gebruikt werd om de greppel, die reeds om de tenten heen liep, met eene schop nog verder uit te diepen, zoodat het water een behoorlijken afloop had. Zij werkten ijverig door, totdat alles verricht was, en zetten zich toen tot het gebruiken van een eenvoudigen maaltijd neder. Al voortarbeidende, had Flink mijnheer Wilson zijne ontdekkingen op het jongste verkenningstochtje meegedeeld, en allen hadden hartelijk gelachen, toen hij het avontuur met de varkens vertelde.

Na het ondergaan der zon werd het weder nog dreigender. De wind blies reeds hevig, de rotsige bocht werd door de golven gezweept en was met wit schuim overdekt, terwijl de branding woest brulde, zoo dikwijls zij over het zand van den oever brak. De geheele familie, met uitzondering van Flink, was te bed gegaan; deze had gezegd, het weer nog een weinig te willen afwachten, voordat hij zich ter ruste legde. De oude man ging naar den oever en zette zich op den rand van de boot, die zij daar straks eerst tusschen de struiken in veiligheid gebracht hadden. Hier bleef hij zitten en liet het scherpe grijze oog rondgaan in de verte, die slechts ééne dichte donkere massa vormde, waarin alleen het witte schuim van het water nu en dan enkele flauwe lichttinten wierp.

Nog niet lang had hij daar in gedachten verdiept gezeten of een vurige bliksemstraal benam den ouden man voor een korten tijd het gezicht. „De storm zal weldra zijne volle hoogte bereikt hebben,” dacht hij. „Ik zal naar de tenten gaan en zien, of die het tegen den wind uithouden kunnen.” Hij nam den terugweg aan, en nu begon de regen in stroomen neer te plassen en bulderde de wind met verdubbelde woede. In weinige minuten nam de duisternis zoodanig toe, dat hij het pad naar de hoogte slechts met moeite vinden kon. Hij keerde zich in ’t rond, doch kon niets zien, daar de regen hem de oogen verblindde. Daar hij toch niets doen kon, liep hij de tent in, om daar te schuilen, maar legde zich niet neer, in de verwachting dat zijn bijstand misschien spoedig zou vereischt worden. Hoewel al de overigen te bed waren gegaan, hadden slechts Thomas en de beide kleinen zich ontkleed, doch vader, moeder, Willem en Juno zich gekleed en al ter ruste gelegd.




ACHTTIENDE HOOFDSTUK

NA REGEN VOLGT ZONNESCHIJN


De storm woedde nu met geweld en bliksem en donder wisselden elkaar onophoudelijk af. De kinderen werden wakker en hieven een luid gejammer aan, totdat het eindelijk gelukte hen tot bedaren en weder in slaap te brengen. De wind loeide verschrikkelijk en stond met zijn volle kracht op de tenten, waar de regen kletterend op neer sloeg. Het eene oogenblik werd het linnen binnenwaarts gedrukt en schuurden en kraakten de touwen, alsof zij dadelijk in stukken zouden springen; dan weder dreef de tegenovergestelde luchtstroom het fladderende zeildoek naar buiten, terwijl de regen reeds op onderscheidene plaatsen begon door te dringen. Het was stikdonker en de woede der elementen scheen eindelijk haar toppunt te hebben bereikt. Gelijk wij vroeger gezegd hebben, was mevrouw Wilson’s tent niet zoover van het strand verwijderd als de tweede later opgerichte en stond dus ook meer aan den wind blootgesteld. Tegen middernacht scheen de gansche natuur in oproer te geraken. Op eens hoorden de mannen een luid gekraak, dat dadelijk door het noodgeschrei van mevrouw Wilson en Juno gevolgd werd. De tentprikken waren uit den grond gerukt en de verschrikte vrouwen zoo op eenmaal van alle dak en beschutting beroofd. Terstond vloog de oude man naar buiten en Willem en zijn vader volgden hem op den voet. De wind was zoo sterk, de regen sloeg hun zoo heftig in het gezicht en de nacht was zoo donker, dat zij alle krachten noodig hadden, om de vrouwen en kinderen uit de omvergeworpen tent te bevrijden. De kleine Thomas was de eerste, dien Flink beet kreeg. Zijn moed was geheel weg, hij gilde van angst en was niet tot bedaren te brengen, Willem nam zijn broertje Albert op den arm en droeg hem in de andere tent, waar Thomas in zijn doornat hemd op den grond omkroop en de jammerlijkste klaagtonen liet hooren. Juno, mevrouw Wilson en de kleine Caroline werden het laatst onder de tweede tent in veiligheid gebracht. Gelukkig had niemand zich bezeerd, maar allen waren doodelijk ontsteld en de kleine schreide en snikte luid, wat echter nauwelijks gehoord werd, daar het loeien der zee en het bulderen der windvlagen alle andere geluiden geheel verdoofde. Het was een lange vreeselijke nacht, dien men zoo in angst en zorg doorbracht, tot eindelijk de lang gewenschte morgen aanbrak. Met de eerste schemering verliet Flink de tent en bevond tot zijne geruststelling, dat de storm reeds zijne woede had uitgeput en merkbaar aan het afnemen was. Nochtans was het heden niet zulk een heldere vroolijke morgen, als waaraan zij sinds hunne landing op het eiland gewoon waren; de hemel stond nog dreigend, en zwart en wild dreven de wolken daaraan rond; de zon bleef onzichtbaar en niet een enkel plekje blauw was door de nevelachtige atmosfeer te bemerken. Het regende nog voortdurend, ofschoon niet sterk meer, en de grond was doorweekt en glibberig. De kleine baai, die nog den avond te voren een zoo stil en vreedzaam aanzien had, was thans door wildschuimende en loeiende golven opgevuld en de branding sloeg ver over het strand heen. De gezichteinder was mistig en onduidelijk; men kon den hemel niet van het water onderkennen en het gansche eiland scheen in een wijden kring van wit spattend zeeschuim besloten. Flink wendde zijne oogen naar de plaats, waar het schip op de riffen had vastgezeten. Daar was niets meer te zien,—het wrak was op eens verdwenen! slechts hier en daar zag men er de planken en luiken van, die met alles, wat in het ruim geborgen was geweest, overal ronddreven of nog in de woeste branding het strand beurtelings naderden en ontvloden.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/pages/biblio_book/?art=38307233) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.



notes



1


Moeder Carey is in de taal der Engelsche matrozen de zee zelve, die hen van der jeugd af op haren schoot draagt en hun kost en onderhoud verschaft.




2


Eene bezitting der Engelschen in Z. O. gedeelte van Nieuw Holland, waar zij hunne misdadigers heen zonden. De hoofdplaats heet Sidney.


