Doodsgezicht
Blake Pierce


Een Zoe Prime Mysterie #1
“A MEESTERWERK VAN THRILLER EN MYSTERIE. Blake Pierce heeft op een fantastische manier personages ontwikkeld die een psychologische kant hebben die zo wel beschreven is dat het lijkt alsof we in hun hoofd zitten, hun angsten volgen en hun successen toejuichen. Dit boek zit boordevol onverwachte wendingen en houdt je tot de laatste bladzijde wakker.”

–-Books and Movie Reviews, Roberto Mattos (over Eens Weg)



DOODSGEZICHT is boek #1 in een nieuwe FBI thriller-reeks door USA Today bestseller-auteur Blake Pierce, wiens #1 bestseller EENS WEG (Boek #1) (een gratis download) meer dan 1.000 vijfsterrenreviews heeft gekregen.



FBI Special Agent Zoe Prime heeft een zeldzame aandoening die haar ook een uniek talent geeft – ze ziet de wereld door de lens van getallen. De getallen kwellen haar, maken het haar moeilijk andere mensen te begrijpen, en hebben hun weerslag op haar mislukte romantische leven – maar tegelijkertijd laten ze haar patronen zien die geen enkele andere FBI-agent kan zien. Beschaamd houdt Zoe haar aandoening angstvallig geheim, bang dat haar collega’s erachter zullen komen.



Maar wanneer een seriemoordenaar in het Midwesten toeslaat, vrouwen wurgt op afgelegen plekken, en op het eerste oog met volstrekte willekeur, staat Zoe voor het eerst in haar loopbaan voor een volledig raadsel. Is er een patroon? Kan het zijn dat er helemaal geen patroon is?



Of is deze dader even geobsedeerd door nummers als zij?



In een zenuwslopende race tegen de klok moet Zoe in de duivelse huid kruipen van een dader die steeds een stap verder dan zij lijkt te zijn, en hem tegenhouden voor hij zijn volgende slachtoffer maakt. Tegelijkertijd worstelt ze met haar eigen demonen, die uiteindelijk een grotere bedreiging kunnen vormen.



DOODSGEZICHT, een thriller boordevol actie en spanning, is boek #1 in een meeslepende nieuwe reeks die je tot diep in de nacht blijft lezen.



Boek #2 en #3 in de reeks —MOORDGEZICHT en ANGSTGEZICHT – kunnen eveneens voorbesteld worden.





Blake Pierce

DOODSGEZICHT




DOODSGEZICHT




(EEN ZOE PRIME MYSTERIE—BOEK EEN)




BLAKE PIERCE



Blake Pierce

Blake Pierce is de USA Today bestseller-auteur van de RILEY PAGE mysteriereeks die zestien boeken telt (en er komen nog meer bij). Blake Pierce is ook de auteur van de MACKENZIE WHITE mysteriereeks die uit dertien boeken bestaat (en er komen nog meer bij); van de AVERY BLACK mysteriereeks van zes boeken; van de KERI LOCKE mysteriereeks van vijf boeken; van de HOE RILEY PAIGE BEGON mysteriereeks die vijf boeken beslaat (en er komen nog meer bij); van de KATE WISE mysteriereeks van zes boeken (en er komen nog meer bij); van de CHLOE FINE psychologische mysteriereeks met vijf boeken (en er komen nog meer bij); van de JESSIE HUNT psychologische thrillerreeks van vijf boeken (en er komen nog meer bij); van de AU PAIR psychologische thrillerreeks van twee boeken (en er komen nog meer bij); en van de ZOE PRIME mysteriereeks die twee boeken telt (en er komen nog meer bij).



Als verwoed lezer en levenslange fan van het mysterie- en thrillergenre, zou Blake het heel leuk vinden van u te horen. Ga naar www.blakepierceauthor.com (http://www.blakepierceauthor.com/) om meer te weten te komen en contact op te nemen.








Copyright © 2019 door Blake Pierce. Alle rechten voorbehouden. Behalve zoals toegestaan onder de US Copyright Act van 1976, mag geen enkel deel van deze publicatie gereproduceerd, gedistribueerd of verzonden worden  in welke vorm of op welke manier dan ook, of opgeslagen in een database of zoeksysteem, zonder voorafgaande toestemming van de auteur. Dit e-boek is alleen voor persoonlijk plezier gelicentieerd. Dit e-boek mag niet doorverkocht worden of worden weggegeven aan andere mensen. Als je dit boek met een andere persoon wilt delen, koop dan voor elke ontvanger een extra exemplaar. Als je dit boek leest en het niet hebt gekocht of het niet alleen voor jouw gebruik is gekocht, stuur het dan terug en koop je eigen exemplaar. Bedankt voor het respecteren van het harde werk van deze auteur. Dit is een fictief werk. Namen, personages, bedrijven, organisaties, plaatsen, evenementen en incidenten zijn ofwel het product van de verbeelding van de auteur of worden fictief gebruikt. Elke gelijkenis met werkelijke personen, levend of dood, is geheel toevallig. Kaftafbeelding Copyright Fred Mantel, gebruikt onder licentie van Shutterstock.com.



BOEKEN VAN BLAKE PIERCE

DE AU PAIR

BIJNA WEG (boek 1)

BIJNA VERLOREN (boek 2)

BIJNA DOOD (boek 3)



ZOE PRIME MYSTERIEREEKS

DOODSGEZICHT (boek 1)

MOORDGEZICHT (boek 2)

ANGSTGEZICHT (boek 3)



SPANNENDE, PSYCHOLOGISCHE THRILLERS MET JESSIE HUNT

DE PERFECTE ECHTGENOTE (boek 1)

DE PERFECTE WIJK (boek 2)



RILEY PAIGE MYSTERIE-SERIE

EENS WEG (boek 1)

EENS GEPAKT (boek 2)

EENS BEGEERD (boek 3)

EENS GELOKT (boek 4)

EENS GEJAAGD (boek 5)

EENS WEGGEKWIJND (boek 6)



HOE RILEY PAIGE BEGON SERIE

IN DE GATEN (boek 1)



AVERY BLACK MYSTERIE-SERIE

MOORD MET EEN HOGER DOEL (boek 1)

OP DE VLUCHT VOOR HOGERE KRACHTEN (boek 2)

SCHUILEN VOOR HOGE VLAMMEN (boek 3)

REDEN OM BANG TE ZIJN (boek 4)

REDEN OM TE REDDEN (boek 5)



MACKENZIE WITTE MYSTERIE-SERIE

VOORDAT HIJ DOODT (boek 1)

VOORDAT ZE ZIET (boek 2)



KATE WISE MYSTERIE SERIE

WIST ZE MAAR (boek 1)



OPMERKING VAN DE AUTEUR:

Misschien is je opgevallen dat dit boek in eerste instantie gepubliceerd werd onder de naam “Stella Gold.” Ik mag soms graag experimenteren met nieuwe genres, en in dat geval gebruik ik vaak een pseudoniem om een en ander van elkaar te onderscheiden zodat mijn fans niet in verwarring komen. Ik heb dit boek in eerste instantie onder het pseudoniem van Stella Gold gepubliceerd. Niet zo lang na publicatie werd ik blijverrast met de positieve ontvangst en feedback van de lezers, en besefte ik dat dit boek en deze serie eigenlijk goed zou passen bij alle Blake Pierce fans. Dus heb ik mijn auteursnaam weer veranderd naar Blake Pierce. Als dit de eerste keer dat je een van mijn boeken leest, welkom in het universum van Blake Pierce! Ga gerust op ontdekking door mijn andere reeksen. De eerste boeken – en audioboeken – van de meeste van mijn reeksen heb ik gratis beschikbaar gesteld zodat je er lekker in kunt komen!



GEZICHT:

--De voorzijde van het hoofd dat bij mensen van het voorhoofd tot de kin loopt en waaronder de mond, neus, wangen en ogen vallen.



--In de wiskunde wordt de vorm begrensd door randen van een driedimensionaal object.



--Een van de polygonale oppervlakken van een veelhoek.




PROLOOG


Linda leunde achterover in haar fauteuil en probeerde op een of andere manier lekker te gaan zitten op de oude, versleten kussens. De fauteuil, die al vijftien of twintig jaar lang het gewicht van ontelbare pompbediendes had getorst, verkeerde in een al even goede staat van onderhoud als de rest van het gebouw.

Maar ze had tenminste een stoel. En de TV, ook al was die minuscuul en zo verouderd dat ze nog maar net wat gezichten kon onderscheiden door de ruis op het scherm.

Linda zuchtte en klopte een paar keer tegen de zijkant van de TV om beter beeld te krijgen. Ze zat te wachten op haar lievelingsserie, en wilde op z’n minst een idee kunnen hebben van naar welk personage ze zat te kijken.

In ieder geval zou ze waarschijnlijk niet gestoord worden. Deze uithoek in het westen van Missouri was niet bepaald welbezocht, en er zaten soms uren tussen klanten. In kilometers omtrek woonde helemaal niemand en de weg was zijn troon gestoten door een nieuwe snelweg die de mensen met minder omwegen naar hun bestemming bracht. Het waarschijnlijk slechts een kwestie van tijd voor de tent gesloten werd, dus genoot Linda van haar rust nu ze die nog kon pakken.

De herkenningsmelodie van haar serie begon. Ondanks de metalen klank van de televisieluidsprekers klonk het geruststellend vertrouwd. Linda wriemelde weer langs de leuning van de fauteuil om zo gemakkelijk mogelijk te gaan zitten, en pakte een zakje chips van de toonbank achter haar.

“O Loretta,” zei het personage op het scherm. “Hoe kon je me dit toch aandoen? Weet je dan niet dat we –“

De dialoog werd overstemd door het gerinkel van het belletje boven de deur. Linda schoot omhoog en struikelde bijna over haar eigen voeten in een poging te verhullen dat ze had zitten suffen. Beschaamd propte ze het geopende zakje chips op een plankje onder de toonbank.

“Hoi,” zei de klant met een glimlach. Hij keek geamuseerd, maar vriendelijk, alsof ze een privégrapje deelden. “Eh, mag ik alsjeblieft gebruik maken van jullie toilet?”

Het was een aardige vent. Een magere, jongensachtige man. Hij kon niet ouder zijn dan dertig. Linda mocht hem meteen. Ze had een soort van intuïtie waar het op klanten aankwam. Ze kon direct voorspellen of ze bonje zouden maken.

“Sorry schat,” zei ze. “Die is alleen voor betalende klanten.”

“O,” zei hij, met een blik om zich heen. Er stond een vitrinekast met goedkope snoepjes aan een kant van de toonbank. Die was speciaal ingericht om kinderen naar binnen te lokken, hun ouders aan de mouwen meesleurend. “Dan doe ik deze.”

Hij greep een zakje snoep en gooide die zachtjes voor haar op de toonbank. Hij zocht in zijn zakken naar kleingeld, en de correcte hoeveelheid muntjes volgde het zakje.

“Alstublieft, meneer,” zei Linda, terwijl ze een van de sleutels van het toilet naar hem toe schoof. “Het is achterin het gebouw. U moet naar buiten en de hoek om.”

“O, bedankt,” zei de man. Hij pakte de sleutel en tikte er met zijn duim tegenaan, terwijl hij naar de parkeerplaats keek. “Maarre…zou je me kunnen laten zien waar het is?”

Linda aarzelde. Haar serie was begonnen, en ze had er al zoveel van gemist. En ondanks haar gevoel dat dit een hartstikke goeie en normale kerel was – knap ook, als ze tien of vijftien jaar jonger was geweest – zat er wat lichte twijfel in haar achterhoofd. Moest ze nu echt de toonbank achterlaten om hem de WC te laten zien? Alleen, in het donker, met een vreemdeling, uit het zicht van de straat?

Ach, Linda, dacht ze bij zichzelf. Je probeert gewoon stiekem wat langer naar je serie te kijken. Vort, uit je stoel en doen waar je voor betaald wordt.

“Geen probleem,” zei ze, toch nog steeds wat terughoudend. “Kom maar mee.”

De zon was ongeveer een half uur geleden ondergegaan, en het was dus niet verbazingwekkend dat hij hulp nodig had om de toiletten te vinden. Zo gemakkelijk was het niet om in het donker op zoek te gaan naar een plek waar je niet mee vertrouwd was. Linda ging voor hem uit, de juiste richting op, over het onkruid dat uit het beton groeide.

“Wat een verlaten plek is dit, he?” zei hij.

“Inderdaad,” zei Linda. Beetje raar om zo’n opmerking in het donker te maken, of niet? Misschien was hij zelf ook wat benauwd en wilde hij gerustgesteld worden. Niet dat zij het nu zo leuk vond dat ze zo afgelegen zaten. “Dezer dagen komt er niet veel verkeer langs.”

“Ik heb altijd het idee dat je veel over een plek kunt vertellen aan de hand van de tankstations. Er zijn kleine dingen waaruit je een en ander kunt opmaken, weet je. Je kan patronen onderscheiden. Hoe welvarend een bepaalde gemeenschap is, bijvoorbeeld, of welk eten populair is.”

“Ik heb daar geloof ik nooit eerder bij stilgestaan.” Eerlijk gezegd had ze maling aan zijn uitleg over hoe dat allemaal zat met pompstations. Ze wilde zo vlug mogelijk naar de toiletten toe en weer terug naar binnen, geen mal gezeik. Maar ze wilde ook niet zo onbeschoft zijn om dat aan hem te zeggen.

“O, ja hoor. Ik bezoek graag verschillende tankstations. Sommige zijn enorm groot, weet je. En dan heb je van die kleine, bouwvallige stationnetjes buiten de gebaande paden, zoals deze. En je kan ook veel te weten komen over de mensen die er werken.”

Er liep een rilling over Linda’s rug. Hij had het over haar. Ze wilde niet vragen wat hij over haar te weten zou kunnen komen, of wat hij al wist. Ze dacht niet dat ze het leuk zou vinden.

“Het is een vreemde baan, zo in deze uithoek,” vervolgde hij. “Je bent vast erg vaak helemaal alleen. Als je hulp nodig hebt kom je daar waarschijnlijk niet zo gemakkelijk aan. Er is een bepaald type dat zo’n soort baan aanneemt. Vandaaruit kan je van alles voorspellen over gedrag, gebaseerd op patronen. Zoals hoe ver je zou gaan om een klant te bedienen.”

Linda versnelde haar pas over de donkere grond. Nu wilde ze zo snel mogelijk bij hem vandaan. De herinnering aan haar kwetsbaarheid was er niet eentje die ze op dat moment wilde horen. Een nieuwe rilling liep over haar rug, zelfs terwijl ze zichzelf erop berispte dat ze zich aanstelde. Ze voelde het harde metaal van de sleutel van de voordeur in haar zak, en klemde die tussen twee vingers vast, zodat het als wapen zou kunnen dienen.

Ze zweeg. Ze wilde hem geen aanleiding geven om nog iets te zeggen – of iets te doen. Hoewel ze niet onder woorden kon brengen wat hij volgens haar zou kunnen doen, wist ze wel zeker dat ze het niet wilde, wat het ook moge wezen. Ze liepen de lege parkeerplaats door – de auto van de klant was kennelijk aan de voorkant geparkeerd, bij de pompen.

“Daar verderop is het toilet,” zei Linda, wijzend met haar vinger. Ze had er geen behoefte aan nog verder te gaan. Als hij in zijn eentje doorliep, kon ze teruggaan naar haar toonbank, waar er een telefoon was waarmee ze om hulp kon bellen, en deuren die ze kon afsluiten.

De klant zei niets, maar hij haalde het zakje snoep uit zijn zak en trok het open. Hij keek niet eens naar haar, maar leek volledig op te gaan in zijn bezigheid terwijl hij het zakje omkeerde en alles eruit liet vallen.

De gekleurde balletjes snoep stuiterden en waaierden uit over het beton. Linda slaakte een gil, en deed een onwillekeurige stap naar achteren. Wie gooide er in godsnaam op die manier snoep op de grond? Alleen maar om haar te laten schrikken, of wat? Linda’s hand vloog naar haar borst in een poging haar razende hartslag te kalmeren.

“Moet je nou kijken!” De klant lachte terwijl hij naar de snoepjes wees. “Het is altijd hetzelfde, weet je? Willekeurigheid bestaat niet. Je krijgt altijd dezelfde patronen en figuren, en er is altijd wel iets. Ook al ben je niet aan het proberen om het te zien, je hoofd ziet toch een patroon, zomaar in de wilde weg.”

Linda had genoeg gehoord. Die gast was gek. Ze stond hier moederziel alleen, in het donker, iets dat hij waar hij haar nadrukkelijk op had gewezen. Ze moest weg van hem, terug naar de toonbank. Terug naar waar het veilig was.

Linda nam de kortste route die ze kon bedenken. Ze marcheerde in sneltreinvaart het laatste stuk naar de toiletten en ontsloot deze voor hem. Het licht boven de deur knipperde automatisch aan.

“O!” zei de jongeman. “Daar, kijk toch eens. Op je hand. Nog een patroontje.”

Linda verstijfde en keek omlaag naar haar sproeten, die nu zichtbaar werden in het vale oranje licht. Zijn aandachtige blik kroop over haar huid als een insect, iets dat ze instinctief van zich af wilde schudden.

“Ik moet terug naar de winkel,” gooide Linda eruit. “Voor het geval er andere klanten zijn. Laat de sleutel maar hier achter wanneer je klaar bent.”

Op een drafje begaf ze zich naar de voorzijde van het pompstation, naar de deur en de veilige toonbank. Er klopte iets niet aan deze jongeman, er klopte iets helemaal niet, en ze wilde geen seconde langer in zijn aanwezigheid verkeren – ook al betekende het dat ze later in haar eentje de sleutel zou moeten ophalen. Alle haren in haar nek stonden rechtovereind, en haar hartslag wilde maar niet bedaren.

Misschien moest ze iemand bellen. Ze dacht aan haar ex-man, kilometers ver weg in zijn huis, waarschijnlijk met zijn benen op de tafel voor de TV. Of haar baas, die evengoed in Canada had kunnen zitten, zo weinig kreeg ze hem te zien. Zouden ze überhaupt opnemen? En als ze dat al deden, wat konden ze dan doen om haar te hulp te schieten?

De politie dan misschien? Nee – dat was vast ook wat overdreven.

Linda struikelde bijna over een snoepballetje dat wat verder dan de rest was gestuiterd. Ze probeerde haar voeten wat gerichter neer te zetten door eerst naar de grond voor haar te kijken. Haar hart bonsde en ze hoorde haar eigen voetstappen veel te hard kraken terwijl ze zich naar de hoek van het gebouw haastte. Ze wilde dat ze minder geluid maakte, dat ze zich sneller voortbewoog op weg naar de deur.

Ze rende bijna, en haar adem stokte in haar borst. Ze ging de hoek om en voelde zich wat opgeluchter toen ze de vertrouwde deuren in het zicht kreeg.

Maar iets trok haar terug – iets dat zich om haar nek spande.

Linda’s handen vlogen instinctief omhoog, en grepen het dunne, scherpe koord beet dat haar in de vingers sneed terwijl ze er met alle macht grip op probeerde te krijgen. Haar voeten trachtten doelloos haar lichaam vooruit te duwen, maar de stuwkracht forceerde alleen maar haar hoofd verder naar achteren. Ze moest bij de deuren komen. Ze moest naar binnen!

Paniek vertroebelde haar zicht, en de martelende druk werd almaar opgevoerd tot deze plotseling ontaarde in een enorme bevrijding, iets nats en warms dat over haar borst omlaag klotste. Er was geen tijd om er wijs uit te worden. Er was alleen maar tijd om te happen naar adem en een nat en zuigend gevoel gewaar te worden op de plek waar het koord had gezeten, en toen de grond tussen haar knieën, en toen haar hoofd, en toen helemaal niets meer.




HOOFDSTUK EEN


FBI Special Agent Zoe Prime keek naar de vrouw naast haar in de bijrijdersstoel en probeerde niet geïntimideerd te zijn.

“Lekker in het diepe gegooid dan,” grapte Shelley.

Zoe wist precies wat ze bedoelde. Ze waren nog maar net tot partners gemaakt, en haastten zich nu al op weg naar een plaats delict. Een behoorlijk grote plaats delict. Eentje die volop in het nieuws zou komen.

Maar dat was niet wat Zoe hinderde. Dat was het feit dat ze moest samenwerken met een nieuwe agent die nu al stof had doen opwaaien binnen de FBI. Shelley Rose had een open, vriendelijk gezicht en een open, vriendelijke houding, en er werd verteld dat ze absoluut iedereen kon laten bekennen met een enkele glimlach. Als je een geheim te verbergen had kon je behoorlijk paranoïde worden als je met zo iemand moest samenwerken.

Om niet te zeggen dat Zoe, die nergens in door de FBI als de beste werd beschouwd, een niet onaanzienlijke mate van afgunst koesterde over hoeveel respect deze nieuweling zich nu al had weten te verwerven.

Shelley had een vrijwel symmetrisch gezicht, net 1,5 millimeter verwijderd van perfectie, een heel klein verschilletje tussen haar ogen. Niet verwonderlijk dat ze automatisch vertrouwen en vriendelijkheid opwekte in haar omgeving. Het was klassieke psychologie. Een minuscuul foutje dat haar schoonheid menselijker maakte.

Desondanks was ook Zoe gecharmeerd van haar nieuwe partner.

“Wat weten we tot nu toe?” vroeg Zoe.

Shelley bladerde door een stapeltje papieren in een dossier in haar handen. “Gevangene ontsnapt uit Tent City, in Phoenix,” zei ze. De woestijn van Arizona flitste aan de auto voorbij. “Hij is te voet gevlucht. Dat heeft hem kennelijk niet gehinderd. Tot dusver heeft hij, voor zover we weten, drie moorden gepleegd.”

“Bewakers?” vroeg Zoe. Haar gedachten begonnen vooruit te lopen. Ze telde de kilometers die een man te voet in deze hitte zou kunnen afleggen. Niet veel, zonder rust, beschutting en water. Gecorrigeerd voor het zuigkracht van het zandoppervlak zelfs nog minder.

“Nee, zomaar mensen die hij tegenkwam. Eerst twee lifters.” Shelley stopte even en zoog adem in tussen haar tanden. “De moorden waren…gewelddadig, zo te zien. Het laatste slachtoffer was een toerist op weg naar de Grand Canyon.”

“Daar gaan we nu naar toe,” veronderstelde Zoe. De landkaart van de omgeving ontvouwde zich in haar gedachten, sneed wegen en paden uit die elk slachtoffer waarschijnlijk had moeten nemen om op het pad van hun moordenaar te geraken.

“Juist. Ik denk dat we ons schrap moeten zetten.”

Zoe knikte zwijgend. Het was haar opgevallen dat het mensen als Shelley zwaarder viel om een plaats delict te bezoeken en het lichaam van het slachtoffer te zien. Ze voelden de pijn die was aangericht, en de lijdensweg. Zoe zag altijd alleen maar een lichaam – vlees. Vlees dat aanwijzingen kon bevatten die het onderzoek verder konden helpen, en de nummers die erom heen cirkelden.

Dat was waarschijnlijk hoe ze überhaupt had kunnen slagen voor al haar toelatingsexamens en in dienst kunnen treden als Special Agent – door kalm en beheerst te blijven, de feiten in plaats van de emoties te analyseren. Maar  het was haar stille geaardheid en neiging om terug te vallen op een onbewogen blik die haar een nieuwe partner had bezorgd. Het bleek dat de laatste Zoe te stil en te koeltjes had gevonden.

Ze had geprobeerd dit bij haar eerste zaak met Shelley te corrigeren door twee piepschuimbekertjes koffie te kopen en bij hun ontmoeting eentje aan haar partner aan te bieden, een schijnbaar eeuwenoud ritueel tussen collega’s. Het was positief ontvangen. Shelley was vriendelijk genoeg voor hen beiden, hetgeen Zoe hoopvol stemde dat dit een goedwerkende partnership zou kunnen worden.

Het kostte geen moeite de plaats delict te vinden. Plaatselijke politie in uniform wervelde rond onder de hete zon. De brandende stralen drukten zwaar op haar blote armen zodra Zoe uit de airconditioning van de auto stapte. Zonder bescherming was je huid binnen vijfenveertig minuten verbrand. Waarschijnlijk zou ze, tegen de tijd dat ze weer in de auto stapten, een kleurtje op haar wangen, neus en handen hebben.

Shelley stelde hen voor, en ze lieten beiden hun legitimatie zien aan de dienstdoende agent voor ze zich naar de plaats delict begaven. Zoe luisterde slechts met een half oor, en liet Shelley met plezier de leiding nemen. Zoe was weliswaar de senior agent, maar ze misgunde Shelley haar autoriteit niet. Zoe was het onderzoek al begonnen, keek om zich heen naar de sleutels die alles aan haar zouden openbaren. Shelley knikte haar toe, een zwijgende overeenstemming dat zij de plaatselijke politie op zich zou nemen terwijl Zoe de omgeving onder de loep legde.

“Ik weet niet ofdat je veel zal vinden,” zei de chef. “We hebben alles al zo ongeveer zo zorgvuldig doorzocht als het maar kan.”

Zoe negeerde hem en zette haar onderzoek voort. Er waren dingen die zij kon zien, dingen die anderen over het hoofd zagen. Dingen die evengoed in drie meter grote letters geschreven konden staan, maar onzichtbaar waren voor gewone mensen.

Dit was haar geheim; haar superkracht. Haar oog viel op zijn voetsporen in het zand, en de berekeningen verschenen ernaast, en vertelden haar alles dat ze moest weten. Het was net zo eenvoudig als het lezen van een boek.

Ze boog zich wat voorover om de dichtstbijzijnde sporen beter te bekijken en zag hoe ver ze zich uitstrekten voorbij het lichaam van het slachtoffer. De dader was een meter achtentachtig, las ze uit de lengte van zijn pas. Hij had gerend met gelijkmatige tred en had het slachtoffer met zes punt twaalf kilometer per uur benaderd tot hij deze belaagde, op te maken uit hoe ver de voetafdrukken van elkaar verwijderd waren.

Zoe liep verder en begon nu aan het onderzoek van het lichaam. De gevangene had een mes van negentien centimeter gebruikt, dat hij van bovenaf in het lichaam had gestoken in een hoek van negenenveertig graden. Hij was in noordwestelijke richting gevlucht, sneller ditmaal, negen en een halve kilometer per uur.

Het bloed in het zand liet haar weten dat dit minder dan vier uur geleden was gebeurd. De berekeningen waren eenvoudig. Ervan uitgaande dat de vermoeienis met gemiddelde snelheid toe zou slaan, gecorrigeerd voor hoe heet het vandaag was, keek Zoe op en staarde met vernauwde ogen de verte in. Ze beeldde zich welke afstand hij daarmee zou hebben kunnen afgelegd. Haar hartslag versnelde bij het idee dat ze hem zou aanhouden. Ze zouden hem gemakkelijk weten te pakken. Hij was al moe, had geen water, en geen mogelijkheid erachter te komen dat ze zijn misdaden al ontdekt hadden. Hier zouden ze snel een einde aan kunnen breien.

Haar aandacht verschoof naar de struiken en boompjes die in de omstreken groeiden, stukjes begroeiing verspreid over de ruimte, die een mens niet genoeg bescherming konden bieden. Ze zag de afstanden tussen hen en nummers sprongen voor haar ogen die haar het verhaal achter het patroon vertelden. Ver van elkaar verwijderd, weinig natuurlijke bronnen. Dicht bij elkaar, wortels die uitkwamen in een ondergrondse waterbron en aarde vol voedingsstoffen. Voor het ongeoefende oog leken ze misschien willekeurig, maar elk van hen was naar ontwerp geplaatst. Het ontwerp van de natuur.

“Heb je iets?” vroeg Shelley. Ze keek verwachtingsvol, alsof ze stond te wachten tot haar meer ervaren partner het de oplossing zo uit haar zak zou schudden.

Zoe schrok op met een schuldgevoel. “Hij die kant is opgerend, denk ik,” zei ze, wijzend in de overduidelijke richting van zijn voetstappen. In de verte lag een rotsformatie, een goede plek om even uit te rusten. De formatie vertelde haar over windpatronen, over duizenden jaren van scheppen en beeldhouwen. “Misschien is hij daar gestopt voor wat schaduw. Het is een warme dag.”

Een geheim was een geheim. Onder geen voorwaarde zou ze toegeven wat ze wist. Onder geen voorwaarde zou ze hardop zeggen dat ze een monster was dat de wereld begreep op een manier die niemand anders deelde. Of het andere toegeven – dat ze omgekeerd niet begreep hoe zij het wel zagen. Maar zoveel kon ze hen nog wel geven. Het soort aanwijzing dat een normale persoon zou kunnen zien.

De chef schraapte ter onderbreking zijn keel. “We hebben die richting al verkend, en niets gevonden. De honden zijn het spoor kwijtgeraakt. Er is daar verderop rotsgrond waarop geen voetsporen achterblijven. We gaan ervan uit dat hij gewoon rechtdoor is blijven rennen. Of misschien zelfs opgepikt door een voertuig.”

Zoe vernauwde haar ogen. Ze wist wat ze wist. Deze man rende in wanhoop, met grote stappen, lichaam laag bij de grond en voorovergebogen om snelheid te maken. Hij was niet op weg naar een reddingspoging, hij was zo ver weg dat ze hem nooit zouden vinden.

“Doe het om ons te plezieren,” stelde Zoe voor. Ze tikte op het zegel van de FBI op haar legitimatiepenning die ze nog altijd in haar hand hield.

Dat was het geweldige van een special agent te zijn: er werd niet steeds verwacht dat je verantwoording aflegde. Sterker nog, het stereotype was dat je je daarvan onthield.

Shelley verschoof haar aandacht van het bestuderen van Zoe’s gezicht naar de chef met een vastberaden houding. “Stuur de helikopter uit. Staan de honden klaar?”

“Prima hoor.” De chef knikte, hoewel hij er niet al te vrolijk uitzag. “Jij bent de baas.”

Shelley bedankte hem. “Laten wij ernaartoe rijden,” stelde ze aan Zoe voor. “Ik heb de piloot op de radio. Hij zal het ons laten weten als ze iets zien.”

Zoe knikte en stapte gehoorzaam weer in de auto. Shelley had haar gesteund, was haar bijgevallen. Dat was een goed teken. Ze was er dankbaar voor, en worstelde niet met haar ego over het feit dat Shelley de bevelen gaf. Het kwam allemaal op hetzelfde neer, zolang er maar levens gered werden.

“Oef.” Shelley pauzeerde, en ging leunde in de bijrijdersstoel met een uitgevouwen kaart in haar handen. “Het wordt nooit gemakkelijker he? Zo’n vrouw, in haar eentje, zonder enige provocatie. Ze had dat niet verdiend.”

Zoe knikte weer. “Juist ja,” zei ze, weifelachtig over wat ze nog meer aan het gesprek kon bijdragen. Ze startte de auto en reed weg, om de leegte te vullen.

“Jij bent niet erg spraakzaam he?” vroeg Shelley. Ze viel even stil voor ze daaraan toevoegde, “Dat geeft niet hoor. Ik ben alleen maar aan het aftasten hoe je te werk gaat.”

De moord was onverdiend, dat klopte. Zoe kon dat zien en begrijpen. Maar gedane zaken namen geen keer. Nu hadden ze een taak te vervullen. Seconden gingen voorbij, ver voorbij de normale grenzen van een verwacht antwoord. Zoe gooide een paar lijntjes uit, maar er kwam geen antwoord in haar op. De tijd verstreek. Als ze nu wat zei zou ze nog idioter klinken.

Zoe probeerde geconcentreerd een terneergeslagen uitdrukking op haar gezicht te houden tijdens het rijden, maar het was te moeilijk om allebei tegelijk te doen. Ze gaf de strijd op, en haar gezicht ontspande zich tot haar gewoonlijke onaangedane blik. Het was niet dat ze nergens aan dacht, of dat er geen enkele emotie achter haar ogen zat. Het was alleen moeilijk om na te denken over hoe haar gezicht eruit zag, en het bewust in een bepaalde uitdrukking te gieten, terwijl haar hoofd berekeningen maakte van de precieze afstand tussen elke markering op de weg, en ervoor zorgde dat ze bleef rijden met een snelheid waarvan de auto niet zou kantelen als ze moest zwenken op dit type asfalt.

Ze kwamen de hoofdweg op en volgden de kronkelingen van het effen wegdek door het vlakke landschap. Zoe kon nu al zien dat de weg de juiste richting op ging, en hen de kans zou geven hem in te halen als hij in een rechte lijn rende. Ze gaf stevig gas en gebruikte hun voordeel van het asfalt om voorwaarts te snellen.

Een stem kraakte op de radio en onderbrak Zoe’s gedachten.

“We hebben de verdachte in het zicht. Over.”

“Begrepen,” antwoordde Shelley. Ze was precies en verspilde geen tijd. Zoe kon dat waarderen. “Coördinaten?”

De helikopterpiloot dreunde zijn locatie op, en Shelley las de kaart aan Zoe voor. Ze hoefden niet van koers te veranderen – ze reden precies op het doel af. Zoe greep het stuur steviger vast en voelde haar gelijk in een vlaag van genoegdoening. Het klopte wat ze gedacht had.

Even later kwam de helikopter in zicht. Hij hing gestaag in de lucht boven een auto van de plaatselijke politie. De twee inzittenden van de auto waren kennelijk al uitgestapt en hadden de gevangene weten te pakken. Hij lag in het zand dat om zijn neergevallen vorm heen vloeide, en vloekte.

Zoe stopte de auto en Shelley sprong er ogenblikkelijk uit, terwijl ze informatie door haar draagbare radio doorgaf. Een klein groepje mannen met honden naderde al vanuit het zuidoosten. De honden blaften verheugd bij het vinden van de bron van de geur die ze hadden gevolgd.

Zoe pakte de kaart die Shelley had laten vallen, en vergeleek het met de GPS. Ze waren een achtste kilometer verwijderd van waar ze hem geschat had, in een directe lijn. Hij was waarschijnlijk uit de rotsformatie gevlucht toen hij de honden hoorde.

Ze gunde zichzelf een overwinningsglimlach en sprong de auto uit om zich met hernieuwde energie bij de rest te voegen. Onder de brandende zon grijnsde Shelley haar op gelijke wijze toe. Ze was duidelijk opgetogen dat ze hun eerste zaak samen nu al hadden afgerond.

Later, terug in de auto, viel het weer stil. Zoe wist niet wat ze moest zeggen – dat wist ze nooit. Beleefdheidsgesprekjes waren haar een volslagen mysterie. Hoe vaak mocht je het over het weer hebben voor dat een open deur werd? Hoeveel ritten moest ze besteden aan gortdroge conversaties over onbelangrijke dingen, voordat de stilte kameraadschappelijk in plaats van ongemakkelijk werd?

“Je was weinig spraakzaam daarstraks,” zei Shelley, die eindelijk de stilte verbrak.

Zoe aarzelde even voor ze antwoordde. “Nee,” stemde ze in, en probeerde het vriendelijk te laten klinken. Ze kon weinig anders dan instemmen.

Weer was het stil. Zoe telde de seconden in haar hoofd uit en realiseerde zich dat het langer had geduurd dan wat als een normale pauze in een gesprek werd beschouwd.

Shelley kuchte. “Mijn partners tijdens de training, daarmee oefende ik de zaak doorspreken,” zei ze. “Samenwerken om het op te lossen. Niet alleen.”

Zoe knikte, en hield haar ogen strak op de weg gericht. “Ik begrijp het,” zei ze, ook al begon de paniek op te wellen. Ze begreep het niet – of in ieder geval niet helemaal. Tot op zekere hoogte snapte ze wel hoe mensen zich in haar buurt moesten voelen, aangezien ze dit aan de lopende band van hen te horen kreeg. Maar wat ze eraan moest doen, dat wist ze niet. Ze probeerde het al, zo hard als ze maar kon.

“Praat de volgende keer met me,” zei Shelley, terwijl ze zich dieper in haar stoel nestelde alsof het allemaal al opgelost was. “We horen partners te zijn. Ik wil echt samenwerken.”

Dit beloofde weinig goeds voor de toekomst. Zoe’s laatste partner had er tenminste nog een paar weken over gedaan voor hij de moed had verzameld te gaan klagen over hoe stil en uit de hoogte ze was.

Ze had gedacht dat ze het ditmaal beter had gedaan. Had ze immers niet de koffie gekocht? En Shelley had eerder toch naar haar geglimlacht. Moest ze nu dan meer drankjes kopen, om het evenwicht te herstellen? Was daar een bepaalde hoeveelheid van die ze moest aanhouden om hun relatie weer te versoepelen?

Zoe keek naar de weg die langs de voorruit voorbijflitste, onder donker wordende lucht. Ze voelde dat ze iets moest zeggen, maar kon zich niet indenken wat dat dan wel moest zijn. Dit was allemaal haar schuld, en dat wist ze.

Het leek anderen altijd zo gladjes af te gaan. Ze praatten en praatten en praatten, en waren binnen de kortste keer de beste maatjes. Ze had het zo vaak gezien, maar er leken geen regels te zijn die ze kon volgen. Hoe lang het duurde, hoe vaak men elkaar ontmoet had, hoeveel ze gemeen hadden, leek allemaal niets uit te maken.

Ze waren gewoon magisch goed in de omgang met andere mensen, net als Shelley. Of niet. Net als Zoe.

Niet dat ze wist wat ze verkeerd deed. Mensen zeiden steeds dat ze warmer en vriendelijker moest zijn, maar wat betekende dat precies? Niemand had haar ooit een handleiding gegeven waarin stond wat ze moest weten. Zoe klemde het stuur steviger vast en probeerde niet te laten blijken hoeveel verdriet ze had. Dat was wel het laatste dat ze aan Shelley wilde tonen.

Zoe besefte wel dat zijzelf het probleem was. Daar had ze geen illusies over. Ze wist alleen niet hoe ze anders kon zijn dan ze was, en andere mensen konden dat wel, en ze schaamde zich dat ze het nooit had geleerd. Om dat toe te geven zou, op een of andere manier, nog erger zijn.


***

De vlucht terug naar huis was nog ongemakkelijker.

Shelley bladerde wat door de pagina’s van een damesblad dat ze op de luchthaven had gekocht. Ze deed weinig meer dan een snelle blik werpen op iedere pagina voor ze het opgaf en naar de volgende bladzijde ging. Toen ze het tijdschrift helemaal uit had, keek ze terloops naar Zoe alsof ze een gesprek wilde beginnen; toen bedacht ze zich kennelijk en opende het tijdschrift weer, ditmaal met wat meer aandacht voor de artikelen.

Zoe had een vreselijke hekel aan dat soort bladen. De foto’s, de woorden, alles besprong haar vanaf de pagina. Lettertypes die lukraak naast elkaar geplaatst waren, gezichten, en artikelen die zichzelf tegenspraken. Afbeeldingen die zogenaamd bewijs waren van de plastische chirurgie van een beroemdheid, terwijl die alleen de gebruikelijke, leeftijdsgebonden veranderingen aan een gezicht lieten zien, doodeenvoudig uit te rekenen voor iemand met minimale kennis van de menselijke biologie.

Tal van keren dwong Zoe zich ertoe iets te bedenken om tegen haar nieuwe partner te zeggen. Ze kon niet over het blad praten. Wat konden ze nog meer gemeen hebben? Ze kon de woorden maar niet vinden.

“We hebben onze eerste zaak goed afgesloten,” zei ze tenslotte. Ze mompelde het, bijna niet dapper genoeg om zelfs dat maar uit te brengen.

Shelley keek verrast op. Een moment waren haar ogen opengesperd en niet-begrijpend, toen verscheen er een grijns op haar gezicht. “O, ja, zeker weten,” zei ze. “Hebben we mooi gedaan.”

“Hopelijk loopt de volgende net zo soepel.” Zoe voelde haar maag ineen krimpen. Waarom was ze toch zo slecht in over koetjes en kalfjes praten? Het zoeken naar de volgende zin vereist ieder grammetje van haar concentratie.

“Misschien kunnen we het de volgende keer sneller doen,” stelde Shelley voor. “Weet je, als we elkaar echt aanvoelen kunnen we veel sneller werken.”

Zoe voelde dat als een mokerslag. Ze hadden die vent sneller te pakken kunnen krijgen, de helikopter naar zijn exacte locatie kunnen sturen vanaf het moment dat ze aankwamen, als Zoe maar had gedeeld wat ze wist. Als ze niet zo voorzichtig was geweest dat ze haar informatie verborgen had gehouden.

“Misschien,” zei ze, zonder zich ergens aan te binden. Ze probeerde Shelley’s kant op te glimlachen, op een manier die hopelijk geruststellend was, van een meer ervaren agent tot een nieuweling. Shelley beantwoordde die enigszins aarzelend, en keerde terug naar haar blad.

Tot aan de landing zeiden ze geen woord meer.




HOOFDSTUK TWEE


Zoe duwde de deur van haar appartement met een zucht van verlichting open. Hier was haar toevluchtsoord, de plek waar ze zich kon ontspannen en zich niet hoefde voor te doen als iemand die voor anderen acceptabel was.

Toen ze de lichten aandeed klonk er een zacht miauwtje uit de keuken, en Zoe liep er meteen heen nadat ze haar sleutels op het bijzettafeltje had gelegd.

“Hoi Euler,” zei ze, terwijl ze zich voorover boog om een van haar katten achter de oren te kriebelen. “Waar is Pythagoras?”

Euler, een grijze lapjeskat, miauwde slechts ter antwoord, en staarde naar het keukenkastje waar Zoe de zakken en blikken kattenvoer had staan.

Zoe had geen vertaler nodig om dat te begrijpen. Katten waren lekker eenvoudig. De enige omgang die zij echt vereisten was eten, en af en toe een krabbeltje.

Ze pakte een nieuw blik uit het kastje, opende die, en lepelde de inhoud in een bakje. Haar Burmese kat, Pythagoras, ving al gauw de geur op en kwam vanuit een ander deel van hun huis aangelopen.

Zoe keek een tijdje naar hen terwijl ze zaten te eten, en vroeg zich af of ze graag een tweede mens erbij zouden willen om hen te verzorgen. Alleenstaand zijn betekende dat ze eten kregen wanneer zij thuiskwam, op welk tijdstip dat ook mocht zijn. Ze zouden ongetwijfeld prijs stellen op een wat regelmatiger schema – maar ze konden natuurlijk wel altijd achter de buurtmuizen aan als ze honger kregen. En als ze het zo zag, was Pythagoras een paar pondjes zwaarder geworden. Een beetje dieet mocht wel.

Trouwens, Zoe stond niet bepaald op het punt in het huwelijksbootje te stappen – ten bate van de katten noch om enige andere reden. Ze had nog nooit een echte serieuze relatie gehad. Na de opvoeding die ze had doorstaan had ze zich er bijna in berust dat ze voorbestemd was tot haar dood alleen te blijven.

Haar moeder was streng gelovig geweest, en dat betekende intolerant. Zoe had nooit iets in de bijbel kunnen vinden waarin stond dat je op dezelfde manier als alle andere mensen moest communiceren, en in linguïstische raadsels moest denken in plaats van in wiskundige formules, maar haar moeder had het daar desondanks in weten te lezen. Ze was ervan overtuigd geweest dat er iets mis was met haar dochter, iets zondigs.

Zoe’s hand ging naar haar sleutelbeen, en maakte een omtrek van de lijn waar ooit een zilveren kruisje aan een zilveren ketting had gehangen. Gedurende de vele, lange jaren van haar jeugd had ze dat ding nooit af kunnen doen zonder van blasfemie te worden beschuldigd – ook niet bij het douchen of slapen.

Niet dat er veel andere dingen waren die ze had kunnen doen zonder ervan beschuldigd te worden dat ze een kind van de duivel was.

“Zoe,” zei haar moeder dan, terwijl ze een vinger heen en weer schudde en haar lippen opeenperste. “Je moet nu ophouden met die demonische logica. De duivel zit in jou, kind. Je moet hem verwerpen.”

Demonische logica was, zo bleek het, wiskunde, en zeker als het aanwezig was in een kind van zes.

Keer op keer bleef haar moeder erover doorgaan hoe anders ze was. Toen Zoe geen vriendjes werd met haar leeftijdsgenootjes op de kleuterschool en lagere school. Toen ze zich niet inschreef voor naschoolse clubs, op extra studie in wiskunde en exacte vakken na, en zelfs daar geen deel werd van een groepje, of vriendschappen sloot. Toen ze verhoudingen in het koken begreep zodra ze een keer haar moeder iets had zien bakken. Toen ze ontrafeld had wie van de kinderen in haar klas de sleutels van de juf had gestolen en verstopt, en waar deze verstopt moesten zijn, allemaal berekend uit afstanden en aanwijzingen, zei ze niets.

Eigenlijk was er niet veel veranderd sinds die kleine, angstige zesjarige, die zo wanhopig haar moeder tevreden wilde stemmen, niet langer alle rare dingen die in haar hoofd opkwamen uitsprak, en deed alsof ze normaal was.

Zoe schudde haar hoofd en probeerde haar aandacht weer naar het heden te verleggen. Dat was meer dan vijfentwintig jaar geleden. Het had geen zin er verder over na te denken.

Ze keek uit haar raam naar de horizon van Bethesda, zoals altijd in de precieze richting van Washington, D.C. Ze had berekend welke kant ze op moest kijken op de dag dat ze het huurcontract had ondertekend, door middel van herkenningspunten op een lijn die haar de kompasrichting aanwezen. Er was niets politiek of patriottistisch aan; ze vond het gewoon leuk dat ze zo mooi achter elkaar stonden, in een perfecte lijn op de kaart.

Buiten was het donker, en zelfs de lichten van de andere gebouwen rondom haar gebouw begonnen uit te gaan, een voor een. Het was laat; zo laat dat ze moest gaan doen wat ze moest doen en vervolgens haar bed in duiken.

Zoe deed haar laptop aan en tikte rap haar wachtwoord in. Ze opende haar inbox om te kijken of ze nieuwe e-mail had. De laatste activiteit van haar dag. Er waren een paar die zo weg konden – junkmail, voornamelijk berichtjes over de uitverkoop van merken die ze nooit kocht en oplichterij van zogenaamde Nigeriaanse prinsen.

Na het verwijderen van alle junkmail bleven er een paar over die ze kon lezen en dan verwijderen, boodschappen die geen antwoord vereisten. Updates van sociale media die ze nauwelijks bezocht, en nieuwsbrieven van websites die ze volgde.

Eentje was iets interessanter. Een doorgestuurd bericht van haar datingwebsite. Een kort maar lief berichtje – een jongen die vroeg of ze een afspraakje met hem wilde maken. Zoe klikte verder naar zijn pagina en keek bedachtzaam naar zijn foto’s. Ze maakte snel een berekening van zijn werkelijke lengte, en was blijverrast dat dit inderdaad overeenkwam met wat hij in zijn personalia geschreven had. Misschien toch iemand met een vleugje oprechtheid.

De volgende was zelfs nog intrigerender – desondanks voelde Zoe een sterke aandrang om het lezen even uit te stellen. Het kwam van haar mentor en voormalig docent, Dr. Francesca Applewhite. Ze kon voorspellen wat de doctor haar zou vragen nog voor ze het bericht gelezen had, en het zou haar behoorlijk tegenstaan.

Zoe zuchtte en opende het bericht toch maar, zich berustend in het feit dat ze het maar het beste achter de rug kon hebben. Dr. Applewhite was geniaal, het soort mathematicus dat zij altijd had willen zijn tot ze besefte dat ze haar talenten als agent kon aanwenden. Francesca was de enige andere persoon die wist hoe het werkelijk zat met haar hersenen – de synesthesie die in haar hoofd aanwijzingen tot visuele getallen en daarna weer tot feiten maakte. De enige persoon die ze leuk vond en genoeg vertrouwde om mee te praten.

Het was eigenlijk Dr. Applewhite geweest die haar op het pad van de FBI had geplaatst. Ze had veel aan haar te danken. Maar dat was niet waarom ze zoveel weerstand had tegen het lezen van het bericht.

Hoi Zoe, stond in de e-mail geschreven. Wilde alleen even vragen of je contact hebt opgenomen met die therapeut die ik had voorgesteld. Heb je al een sessie weten te plannen? Laat maar weten als ik ergens mee kan helpen.

Zoe zuchtte. Ze had geen contact opgenomen met de therapeut, en wist werkelijk niet of ze het überhaupt ging doen. Ze sloot de e-mail af zonder die te beantwoorden, en degradeerde het tot de problemen van morgen.

Euler sprong op haar schoot, duidelijk voldaan na zijn diner, en begon te spinnen. Zoe kriebelde hem weer, keek naar haar scherm, en woog af.

Pythagoras miauwde van verontwaardiging over zijn verwaarlozing, en Zoe keek hem liefdevol aan. Je kon het niet echt een teken noemen, maar het was genoeg om haar tot actie aan te moedigen. Ze ging terug naar het vorige bericht, van de datingsite, en typte een antwoord voor ze van gedachten kon veranderen.

Lijkt me heel leuk om af te spreken. Wanneer komt je uit? –Z.


***

“Na jou,” zei hij met een glimlach en een gebaar naar het broodmandje.

Zoe glimlachte terug en pakte een stukje brood. Haar hoofd berekende automatisch de breedte en diepte van elk stuk zodat ze eentje kon uitkiezen die ergens in het midden zat. Je zou maar te gulzig overkomen.

“En waar werk jij, John?” vroeg Zoe. Het was gemakkelijk het gesprek op deze wijze te beginnen – ze had genoeg afspraakjes gehad om te weten dat het een standaardzin was. Daarnaast was het altijd goed om te weten of hij een goed inkomen had.

“Ik ben advocaat,” zei John, terwijl hij zelf een broodje pakte. Grootste stuk. Ergens rond de 300 calorieën. Hij zou al halfvol zitten tegen de tijd dat hun hoofdgerecht arriveerde. “Ik doe voornamelijk vastgoedgeschillen, dus er is weinig overlapping met jouw vakgebied.”

Zoe dacht aan het gemiddelde salaris van een vastgoedadvocaat in deze contreien en knikte zwijgend terwijl de berekeningen door haar hoofd flitsten. Samen zouden ze zich waarschijnlijk ruimschoots de hypotheek op een vierkamerhuis kunnen veroorloven, en dat was nog maar het begin. Plaats voor een kinderkamer. Genoeg rek in de carrière om later iets beters te kopen.

Zijn gezicht was ook al bijna symmetrisch. Grappig hoe ze dat de laatste tijd zoveel tegenkwam. Er was maar een verschil, de manier waarop hij lachte. Hij trok zijn rechterwang op, terwijl de linker min of meer op dezelfde plaats bleef. Een scheve glimlach. Er was iets charmants aan, misschien omdat het niet symmetrisch was. Ze telde een correcte hoeveelheid perfect rechte, witte tanden tussen zijn lippen.

“En hoe zit het met je familie? Heb je broers of zussen?” probeerde John. Zijn stem haperde een beetje.

Zoe besefte ze op z’n minst iets had moeten zeggen over zijn werk, en schudde zichzelf wakker. “Ik ben enig kind,” zei ze. “Ik ben opgevoed door mijn moeder. We kunnen niet zo goed met elkaar overweg.”

John’s wenkbrauw schoot een kleine seconde in de lucht, vervolgens knikte hij. “O, wat rottig zeg. Mijn familie is behoorlijk hecht. We komen minstens eenmaal per maand bij elkaar voor een familiediner.”

Zoe’s ogen flitsten over zijn slanke lijf, en ze besloot dat hij niet tekort kwam tijdens die familiediners. Wel bezocht hij duidelijk de sportschool. Wat zou hij kunnen opdrukken? Zo’n 90 kilo misschien, aan die spierballen te zien die onder zijn blauw-gestreepte hemd opbolden.

Het was nu een paar momenten stil geweest tussen hen. Zoe scheurde een stuk van het brood af en propte het in haar mond. Toen kauwde ze zo snel als ze kon zodat haar mond weer vrij was. Mensen spraken niet terwijl ze aten, in ieder geval niet in beleefd gezelschap, dus wat haar betrof kon dit dienen als excuus.

“Ben jij enig kind?” vroeg Zoe, zo gauw de hap door haar keel gegleden was, dik en klevend. Nee, dacht ze. Minstens twee bloedverwanten.

“Ik heb een oudere broer en zus,” zei John. “Er zit maar vier jaar tussen ons, dus we kunnen het goed met elkaar vinden.”

Achter hem, over zijn schouder, zag Zoe hun serveerster van een meter zestig worstelen met een zwaar dienblad vol drankjes. Twee flessen wijn, te verdelen over zeven glazen, bestemd voor de rumoerige tafel aan het uiteinde van de rij tafeltjes. Allemaal van dezelfde leeftijd. Vrienden van de universiteit op reünie.

“Dat klinkt leuk,” zei Zoe vaag. Eerlijk gezegd dacht ze niet dat het leuk zou zijn om een oudere broer en zus te hebben. Ze had geen flauw idee hoe het zou aanvoelen. Het was gewoon een andere ervaring dan zij ooit gehad had.

“Dat dacht ik wel.”

Johns antwoorden werden steeds afstandelijker. Hij stelde haar geen vragen meer. En ze zaten nog niet eens aan het hoofdgerecht.

Met enige opluchting zag Zoe de serveerster twee borden brengen, professioneel gebalanceerd op haar arm, het gewicht evenwichtig tussen elleboog en handpalm verdeeld.

“O, hier is ons eten,” zei ze, meer om hem af te leiden dan iets anders.

John keek achterom met een gratie die zijn toewijding aan de sportschool onderstreepte. Hij was een prima vent. Knap, charmant, met een goede baan. Zoe probeerde haar aandacht op hem te gevestigd te houden, om haar best te doen. Tijdens het eten zou het gemakkelijker gaan. Ze staarde naar het eten op haar bord – zevenentwintig erwtjes, precies vijf centimeter hoog bovenop de steak – en probeerde zich door niets anders af te laten leiden van wat hij zei.

Desondanks hoorde ze de ongemakkelijke stiltes evenzeer als hij.

Aan het einde bood hij aan alles te betalen – haar deel bedroeg $37.97– en Zoe accepteerde dankbaar. Ze vergat dat ze het aanbod eigenlijk minstens eenmaal had moeten afslaan, zodat hij de kans kreeg om aan te dringen. Ze herinnerde het zich echter toen ze zijn mondhoeken lichtjes omlaag zag gaan terwijl hij zijn creditcard aan de serveerster overhandigde.

“Nou, ik heb een mooie avond gehad,” zei John, terwijl hij om zich heen keek en zijn blazer vastknoopte toen hij opstond. “Leuk restaurantje dit.”

“Het eten was heerlijk,” mompelde Zoe. Ze stond op, hoewel ze graag nog wat langer was blijven zitten.

“Leuk je ontmoet te hebben, Zoe,” zei hij. Hij stak zijn hand naar haar uit. Toen ze die aannam boog hij zich voorover en gaf haar een zoen op de wang, zo vluchtig als hij het maar kon maken, en liep weg.

Geen aanbod haar naar haar auto te begeleiden of een lift naar huis te geven. Geen omhelzing, geen verzoek haar weer te mogen zien. John was sympathiek – met zijn scheve glimlach en afgemeten gebaren – maar de boodschap was duidelijk.

“Jou ook, John,” zei Zoe. Ze liet hem als eerste het restaurant uit lopen terwijl ze haar handtas pakte, zodat er geen onhandige beleefdheidspraat nodig was op weg naar de parkeerplaats.

Alleen in haar auto zakte Zoe onderuit in de stoel en begroef haar hoofd in haar handen. Stom, stom, stom. Wie was er in godsnaam zo druk bezig met de lengte van de stappen van de obers dat er geen aandacht over was voor je charmante, knappe, zeer begeerlijke afspraakje.

Het begon uit de hand te lopen. Zoe wist het diep vanbinnen wel, en was zich er misschien al een tijdje van bewust. Steeds minder kon ze zich concentreren op sociale signalen zonder dat haar gedachten in beslag werden genomen door berekeningen en patroonherkenningen. Het was al erg genoeg dat ze niet alle signalen begreep wanneer ze die hoorde of zag, maar om ze helemaal niet op te merken was nog veel erger.

“Wat een mafkees,” mompelde ze tegen zichzelf. Ze wist dat ze de enige persoon was die het zou horen, en daarvan moest ze zowel lachen als huilen.

Tijdens de hele rit huiswaarts piekerde Zoe over de gebeurtenissen die avond. Zeventien ongemakkelijke stiltes. Minstens twintig momenten waarop John op wat interesse van haar zou hebben gehoopt. Wie weet hoeveel ze zelfs niet had opgemerkt. Een gratis steakmaaltijd – niet genoeg om te compenseren voor het gevoel dat je een buitenstaander was die later eenzaam en alleen op je sterfbed zou liggen.

Met katten, natuurlijk.

Zelfs Euler en Pythagoras, miauwend en elkaar rivaliserend in het recht om op haar schoot te springen, konden haar stemming niet verbeteren. Ze pakte hen beiden op en zette hen neer op de bank. Het verbaasde haar niks dat ze allebei ogenblikkelijk de interesse verloren en over de rug van de bank gingen rondsluipen.

Ze opende de e-mail van Dr. Applewhite nog eenmaal, en keek naar het nummer van de therapeut dat zij had doorgestuurd.

Het kon toch geen kwaad?

Zoe toetste het nummer op haar mobiele telefoon in met een cijfer tegelijk, hoewel ze het al na een enkele blik onthouden had. Ze voelde haar adem stokken terwijl haar vinger boven de groene oproepknop hing, maar dwong deze toch omlaag en deed de mobiel aan haar oor.

Tring-tring-tring.

Tring-tring-tring.

“Hallo,” zei een vrouwenstem aan de andere kant van de lijn.

“Hallo-“ begon Zoe, maar ze stopte onmiddellijk toen de stem verder sprak.

“Dit is het kantoor van Dr. Lauren Monk. Helaas zijn we op het moment buiten onze kantooruren.”

Zoe kreunde inwendig. Voicemail.

“Als u een afspraak wil maken, een gemaakte afspraak wil veranderen, of een bericht wil achterlaten, doet u dat alstublieft na de p-“

Zoe rukte de telefoon van haar oor alsof deze in brand stond en beëindigde het gesprek. In de stilte miauwde Pythagoras luid en sprong van de armleuning van de bank op haar schouder.

Ze moest de afspraak maken, en snel ook. Dat beloofde ze zichzelf. Maar een dagje wachten kon geen kwaad, toch?




HOOFDSTUK DRIE


“Je gaat branden in de hel,” kondigde haar moeder aan. Haar gezicht was triomfantelijk, en haar ogen werden opgelicht door een soort waanzin. Toen ze beter keek realiseerde Zoe zich dat het de weerspiegeling van vlammen waren. “Duivelskind, je brandt tot in de eeuwigheid in de hel!”

De hitte was ondraaglijk. Zoe worstelde om op te staan, te bewegen, maar iets bleef haar tegenhouden. Haar benen voelden als lood, in de grond verankerd, en ze kon hen niet optillen. Ze kon niet wegkomen.

“Mama!” gilde Zoe. “Mama, alsjeblieft! Het wordt heter – het doet pijn!”

“Je gaat voor eeuwig branden,” kakelde haar moeder, en voor Zoe’s ogen werd haar huid zo rood als een appel, groeiden hoorns uit haar hoofd en sproot een lange staart uit haar rug. “Je gaat branden, dochtertje van me!”

Het schelle gerinkel van haar mobiele telefoon wekte Zoe met een schok uit haar droom. Pythagoras opende een dreigend groen oog naar haar voor hij van zijn plekje bovenop haar enkels krabbelde en nuffig wegliep.

Zoe schudde haar hoofd en probeerde zich te oriënteren. O ja. Ze was in haar eigen slaapkamer in Bethesda, en haar mobiele telefoon ging af.

Zoe morrelde aan het apparaatje om hem te beantwoorden. Haar vingers waren log en dik van de slaap. “Hallo?”

“Special Agent Prime, mijn excuses voor het late uur,” zei haar baas.

Zoe keek op de klok. Net na drieën in de ochtend. “Geeft niet,” zei ze, terwijl ze zichzelf omhoog werkte naar een zithouding. “Wat is er?”

“We hebben een zaak in het Midwesten waar we je hulp bij kunnen gebruiken. Ik weet dat je net pas weer thuis bent – we kunnen wel iemand anders sturen als het je te veel is.”

“Nee, nee,” zei Zoe haastig. “Ik doe het wel.”

Het werk zou haar een klein beetje oppeppen. Zich verdienstelijk maken en zaken oplossen was het enige dat haar het gevoel gaf dat ze misschien toch iets gemeen had met haar medemensen. Na de afgang van gisteravond zou het een welkome verlichting bieden zich op iets nieuws te storten.

“Prima. Ik zorg ervoor dat jij en je partner over een paar uur op een vliegtuig kunnen stappen. Je gaat naar Missouri.”


***

Even ten zuiden van Kansas City kwam de huurauto tot stilstand voor een klein pompstation.

“Hier is het,” zei Shelley, terwijl ze een laatste keer de GPS raadpleegde.

“Eindelijk,” zuchtte Zoe. Ze liet haar harde greep op het stuur los en wreef in haar ogen. Het was een vroege ochtendvlucht geweest, die de opkomende zon achterna was gevlogen. Het was nog steeds pas vroeg in de ochtend en ze had nu al het idee dat ze een hele dag wakker was geweest. Dat kreeg je nu van slaapgebrek en meteen daarna opgejaagd proberen een vliegtuig te halen.

“Ik heb koffie nodig,” zei Shelley voor ze uit de auto sprong.

Daar was Zoe het niet mee oneens. De vlucht, zo kort als die was, was een opeenstapeling van onderbrekingen geweest. Het opstijgen, de stewardessen die maar liefst vijfmaal ontbijt en sappen hadden aangeboden, en toen de landing – geen tijd om een uiltje te knappen. Hoewel ze hun reis hierheen grotendeels in stilte hadden doorgebracht, alleen hun plannen voor de landing hadden besproken en waar ze de huurauto zouden ophalen, had dit hen niet geholpen wat meer uit te rusten.

Zoe ging achter Shelley het gebouw in. Wederom kwam dit niet overeen met haar positie als de senior en meer ervaren agent. Shelley werd dan misschien meer geprezen, maar Zoe was geen onnozel groentje. Ze had meer dan genoeg zaken op haar naam staan, en haar opleidingsjaren lagen zo ver in het verleden dat ze hen zich nauwelijks meer kon herinneren. Desondanks was het een fijn gevoel om iemand te volgen.

Shelley stelde zich voor aan de plaatselijke sheriff. Hij knikte en schudde beiden de hand toen Zoe haar eigen naam papegaaide.

“Blij jullie te zien,” zei hij. Dat was opmerkelijk. Gewoonlijk was de plaatselijke politie rancuneus, verbitterd van mening dat ze de zaak zelf ook wel hadden kunnen klaren. Pas als ze wisten dat iets echt boven hun pet ging stelden ze de hulp op prijs.

“Hopelijk hebben we dit tegen het einde van de dag kortgesloten en hoeven we je niet meer voor de voeten te lopen,” zei Shelley met een ontspannen grijns naar Zoe. “Special Agent Prime hier loopt op het moment als een trein. We hadden onze eerste zaak samen een paar uur afgerond, nietwaar, Z?”

“Drie uur en zevenenveertig minuten,” antwoordde Zoe, inclusief de tijd die het verwerken in het systeem van hun ontsnapte gevangene in beslag had genomen.

Ze vroeg zich even af hoe Shelley in staat was zo open en ontspannen naar haar te glimlachen. Het leek oprecht, maar Zoe was natuurlijk nooit goed geweest in het onderscheid maken – alleen als er een soort tic of teken in het gezicht te vinden was, een vouw bij de ogen in een bepaalde hoek ter indicatie dat er iets niet helemaal goed zat. Na hun laatste zaak, om maar niet te spreken over de vrijwel volledig gezwegen vlucht en autorit hiernaartoe, had ze verwacht dat er wat spanning tussen hen in zou staan.

De sheriff boog zich wat naar voren. “Ik zou er, om je de waarheid te zeggen, niets op tegen hebben jullie vanavond weer op het vliegtuig terug naar huis te zetten. Zou een last van mijn schouders zijn.”

Shelley moest lachen. “Geeft niet hoor. Wij zijn de kerels waar je nooit iets mee te maken wilt hebben, nietwaar?”

“Niet lullig bedoeld,” gaf de sheriff vrolijk toe. Hij woog vierentachtig kilo, dacht Zoe, terwijl ze hem zag lopen met die speciale wijdbeense hoek die gebruikelijk was bij het overgewicht.

Ze begaven zich naar zijn kantoor en keken het rapport door. Zoe pakte het dossier en begon erdoor te bladeren.

“Licht me effe in, Z,” zei Shelley, afwachtend achteroverleunend in haar stoel.

Het scheen dat ze al een koosnaampje had gekregen.

Zoe keek enigszins verrast op, maar toen ze zag dat Shelley serieus was begon ze hardop voor te lezen. “Drie lichamen in drie dagen zo te zien. De eerste was in Nebraska, de tweede in Kansas, en de derde in Missouri – hier dus.”

“Wat, is onze dader op rondreis?” zei Shelley smalend.

In gedachten markeerde Zoe de lijnen, verbindingen tussen de steden. De richting was voornamelijk naar het zuidoosten; hoogstwaarschijnlijk ging het hierna verder door de rest van Missouri naar Arkansas, Mississippi, misschien een stukje Tennessee in de buurt van Memphis. Vooropgesteld, natuurlijk, dat ze hem niet eerst oppakten.

“De meest recente moord was bij een tankstation. De enige pompbediende was het slachtoffer. Haar lichaam werd buiten gevonden.”

Zoe kon het zich inbeelden. Een donker, eenzaam tankstation, een stereotype kopie van alle andere eenzame tankstations in dit deel van het land. Geïsoleerd, de lichten boven de parkeergarage de enige in de verre omtrek. Ze keek door de foto’s van de plaats delict en overhandigde hen aan Shelley toen ze klaar was.

Het plaatje begon zich te vormen. Een vrouw was dood op de grond achtergelaten, met het gezicht naar de ingang – ze kwam terug van ergens. Was ze naar buiten gelokt en aangevallen tijdens een onbewaakt ogenblik? Een geluid waarvan ze had aangenomen dat het coyotes waren, of misschien een klant die klaagde over autopech?

Wat het ook was, het was genoeg geweest om haar het donker in te lokken, ’s avonds, in de koude lucht – weg van haar gebruikelijke stek. Er moest iets zijn geweest.

“Allemaal vrouwelijke slachtoffers,” vervolgde Zoe hardop. “Geen bijzondere overeenkomsten in hun uiterlijk. Verschillende leeftijdsgroepen, haarkleur, gewicht, lengte. Het enige dat ze gemeen hebben is hun geslacht.”

Terwijl ze voorlas stelde Zoe zich de vrouwen voor naast een plank voor politiefoto’s. Een meter drieënzestig, een meter zeventig, een meter zevenenzeventig. Nogal een verschil. Iedere keer zeven centimeter ertussen – zat het hem daar in? Nee; ze waren niet in volgorde vermoord. De korte vrouw was het zwaarst geweest, de lange het lichtst en dus slank. Waarschijnlijk gemakkelijker om fysiek te overweldigen, ondanks haar lengte.

Verschillende hoogten. Verschillende afstanden van plaats delict tot plaats delict – geen schijn van een formule of algoritme dat haar kon zeggen op welke afstand de volgende zou zijn. Topografie op de plaatsen delict was verschillend.

“Ze lijken…willekeurig.”

Shelley zuchtte en schudde haar hoofd. “Ik was al bang dat je dat zou zeggen. Hoe zit het met het motief?”

“Gelegenheidsmoorden misschien. Elke vrouw werd ’s avonds vermoord, op een afgelegen plek. Er waren geen getuigen en geen van de locaties had beveiligingscamera’s. Het forensisch team zegt dat er nauwelijks bewijsmateriaal is achtergelaten.”

“Dus als ik het goed begrijp hebben we hier een psychopaat met een moordneiging, die zojuist besloten heeft om zich eens flink te buiten te gaan, en toch genoeg zelfcontrole heeft om zichzelf verborgen te houden,” somde Shelley op. Aan haar droge toon kon Zoe merken dat ze zich net zo ongemakkelijk voelde als Zoe zelf.

Dit zou niet de eenvoudige, voordehandliggende zaak worden waarop ze gehoopt had.




HOOFDSTUK VIER


Het tankstation was griezelig stil toen Zoe, in haar eentje, op de plaats delict verscheen. Overal was politielint om eventuele toeschouwers op afstand te houden, en een enkele agent stond bij de voordeur op wacht om rebelleuze tieners tegen te houden.

“Mogge,” zei Zoe, terwijl ze haar legitimatie liet zien. “Ik ga een kijkje nemen.

De man knikte zijn toestemming, niet dat ze dat nodig had, en ze liep hem voorbij, bukkend onder het lint om naar binnen te gaan.

Shelley had de beste manier bedacht om hun unieke en specifieke bekwaamheden in te zetten. Zonder verder overleg had ze voorgesteld dat zij met de familie zou praten, en Zoe had ze naar de plaats delict van de meest recente moord gestuurd nadat die haar bij het huis van de familie had afgezet. Dat was hoe het moest zijn. Zoe kon hier naar patronen zoeken, en Shelley zou daar emoties en leugens kunnen lezen. Zoe moest haar dat meegeven.

Dus was ze ermee akkoord gegaan, en had alleen maar gedaan alsof ze de leiding had. Het was slechts door Shelley’s warme persoonlijkheid – en door het feit dat Zoe in het algemeen geen enkel belang hechtte aan het aanhouden van de hiërarchie, zolang de zaak maar werd opgelost – dat het allemaal goed aanvoelde. Shelley had er zelfs bijna verontschuldigend uitgezien dat ze, zo enthousiast om te tonen dat ze wist hoe het moest, per ongeluk een grens had overschreden.

Ze weifelde bij de deur van het tankstation, in de wetenschap dat alles daar begonnen moest zijn. Er waren lichte sporen op de grond, voetafdrukken die gemarkeerd waren met kleine vlaggetjes en plastic driehoekjes. De vrouw – de oudere vrouw met de stevige stappers en korte passen – was daar voorbijgegaan. Dit tankstation lag zo verlaten dat ze die dag niet meer dan een paar klanten moest hebben gehad, en er waren niet veel andere voetsporen buiten de gemarkeerde afdrukken die voor verwarring konden zorgen.

De vrouw was gevolgd, hoewel ze dat misschien niet had geweten. De getallen dansten voor Zoe’s ogen en vertelden haar wat ze moest weten: de afstand tussen hen gaf een ongehaaste pas aan. Er waren geen voetsporen die aangaven dat de dader uit het tankstation of ergens van de parkeerplaats was gekomen. De vrouw was met een rustige snelheid naar de hoek gelopen, met gelijkmatige tred. Daar was het warrig kluwen, maar Zoe liep eraan voorbij toen ze zag dat de voetafdrukken doorgingen – ze zou er later naar terugkeren.

In eerste instantie gingen de voetsporen met een iets versnelde tred verder. Wist de vrouw nu dat ze gevolgd werd?

Hier – vlak bij een paar balletjes snoep die over de grond verspreid lagen, misschien door een verkeerd gelopen levering of een onhandig kind – waren ze gestopt. De vrouw had zich omgedraaid om naar de man te kijken, en was daarna met een ruk gekeerd en was afgesneld op een deur aan de achterkant van het gebouw.

In het slot hing nog een sleutel, die af en toe heen en weer bewoog in de bries. De aarde was wat ingesleten op deze plek, waar het slachtoffer zich had omgedraaid om de sleutel in het slot te plaatsen en zich toen weg te haasten.

Haar voetsporen lieten hier een veel verder uitgestrekte looppas zien, een hogere snelheid. Ze had bijna gerend in een poging te ontkomen, terug naar haar winkeltje. Was ze bang geweest? Had ze het koud gehad in het donker? Had ze gewoon terug naar haar toonbank gewild?

De man was achter haar aan gegaan. Niet meteen; er was hier een inkeping, een klein stukje opgehoopte aarde aan de rand van een hielspoor waar hij zich langzaam had omgedraaid om haar te bekijken. Toen was hij achter haar aangegaan, met wat leek op een gemakkelijke, lichte tred, was rechtstreeks op haar afgestapt en had haar afgesneden om haar bij de hoek te bereiken.

Ah, hier was het weer troebel op de grond. Zoe ging op haar hurken zitten om het van dichtbij te kunnen zien. Hier was de grond flink omgewoeld, met duidelijk zichtbare slijtplekken waar het slachtoffer zich overeind had proberen te trappen tegen de grond. Het had misschien een paar seconden geduurd, of minder. Nog beter zichtbaar was de zware afdruk van een mannenschoen op deze plek waar hij een deel van haar gewicht met het wurgkoord had opgevangen.

Het lichaam was misschien al weggebracht, maar het bloed sprak voor zich.

Het was snel gegaan; ze had niet lang geworsteld.

Zoe ging de voetafdrukken van de man beter bekijken. Ze zagen er interessant uit. Ze kon vaag een patroontje ontwaren in de afdrukken van het slachtoffer – genoeg om een idee te geven van het merk en dat het gemakkelijke schoenen waren – maar zijn voetsporen waren weinig meer dan een vaag silhouet, voornamelijk bestaand uit een hielafdruk.

Zoe liep weer terug. Er waren maar twee plekken waarop ze zijn voetsporen kon ontwaren: bij de deur, waar hij had staan wachten, en hier, tijdens het plegen van de moord. In beide gevallen was alles dat hem zou kunnen identificeren – inclusief de lengte en breedte van de schoen – uitgewist.

Hij had, met andere woorden, zijn rommel achter zich opgeruimd.

“Op het lichaam na is geen enkel ander fysiek bewijs gevonden?” vroeg Zoe aan de bewaker, die nog niet van zijn plaats bij de deur was geweken.

Zijn duimen waren aan de lussen van zijn riem gehaakt. Met vernauwde ogen keek hij heen en weer over de weg. “Nee, mevrouw,” zei hij.

“Geen haarzakjes? Bandensporen?”

“Niets dat we op een dader kunnen vastpinnen. Het lijkt erop dat alle bandensporen op de parkeerplaats zijn uitgewist, niet alleen die van hem.”

Zoe kauwde bedachtzaam op haar lip. Hij had misschien wel zijn slachtoffers willekeurig uitgekozen, maar een ongeleide krankzinnige was hij geenszins. Net wat Shelley had gezegd – hij was beheerst. Sterker nog, hij was geduldig en nauwkeurig. Zelfs moordenaars die hun daden van te voren planden waren gewoonlijk niet zo goed.

De rinkeltoon van Zoe’s telefoon klonk als een luide gil temidden van de stille weg, en de bewaker maakte een sprong van schrik. “Special Agent Prime,” antwoordde ze automatisch, zonder zelfs maar naar het scherm te kijken.

“Z, ik heb een aanknopingspunt. Agressieve ex-man,” zei Shelley. Geen prietpraat. Haar stem was gehaast, opgewonden. De kick van een eerste aanknopingspunt. “De echtscheiding was kennelijk net doorgekomen. Wil je me ophalen zodat we het kunnen uitzoeken?”

“Niet veel te zien hier,” antwoordde Zoe. Het had weinig zin dat ze allebei de plaats delict zouden verkennen als er andere sporen te volgen waren. Los daarvan vermoedde ze dat Shelley heel graag weg zou willen blijven van de plaats waar een vrouw was omgebracht. In veel aspecten was ze echt nog een groentje. “Ik ben over twintig minuten bij je.”


***

“En waar was je gisteravond?” drong Shelley aan. Ze leunde voorover zodat de man het gevoel kreeg dat dit hun kleine geheimpje was.

“Ik was in een bar,” gromde hij. “Lucky’s, in het oosten van de stad.”

Zoe luisterde wel, maar meer ook niet. Vanaf het eerste ogenblik dat ze hierbinnen waren gelopen had ze geweten dat dit niet hun moordenaar was. De ex-man had misschien het overwicht willen hebben toen ze getrouwd waren, maar dat was nu net het probleem: zijn gewicht. Hij was minstens vijfenveertig kilo te zwaar om die afdrukken te hebben achtergelaten, en te kort bovendien. Hij was lang genoeg om zijn vrouw onderuit te halen – een vrij kleine vrouw die ongetwijfeld vaak met zijn vuisten in aanraking was geweest – maar niet het langste slachtoffer. Hij was een meter drieënzeventig, waarschijnlijk zelfs maar een meter tweeënzeventig. Hij had zich niet zo ver kunnen uitstrekken.

“Kan iemand bevestigen dat je daar was?” vroeg Shelley.

Zoe wilde haar eigenlijk laten ophouden met het gesprek zodat ze niet nog meer tijd zouden verdoen. Maar ze zweeg. Ze wilde niet iets proberen uit te leggen dat voor haar zo klaar als een klontje was.

“Ik lag onder de tafel,” zei hij, terwijl hij met zijn hand gefrustreerd in de lucht gebaarde. “Kijk maar naar de camerabeelden. Vraag maar aan de barman. Hij heeft me er ver na middernacht uitgegooid.”

“Heeft die barman nog een naam?” vroeg Zoe, terwijl ze een notitieblok pakte om een aantekening te maken. In ieder geval zouden ze het gemakkelijk kunnen verifiëren. Ze schreef op wat hij haar vertelde.

“Wanneer heb je je ex-vrouw voor het laatst gezien?” vroeg Shelley.

Hij haalde zijn schouders op. Zijn ogen bewogen zijwaarts terwijl hij nadacht. “Weet ik veel. Dat kutwijf stond me altijd in de weg. Paar maanden geleden, denk ik. Ze liep vreselijk te zeiken over de alimentatie. Ik had een paar overmakingen gemist.

De manier waarop hij sprak werkte duidelijk als een rode lap op Shelley. Er waren emoties die Zoe slechts met veel moeite kon herkennen, ongrijpbare dingen die niet echt namen hadden of voortkwamen uit bronnen waarmee ze zich niet kon identificeren. Maar woede was gemakkelijk. Woede had evengoed een rood knipperlicht kunnen zijn, en op dit moment ging het af boven Shelley’s hoofd.

“Beschouw je alle vrouwen als ongemakken, of alleen degenen die van je gescheiden zijn nadat je gewelddadig mishandeld hebt?”

De ogen van de man vielen praktisch uit zijn hoofd. “Zeg hoor eens, je kan niet-“

Shelley viel hem in de reden voor hij zijn zin af kon maken. “Je hebt in het verleden Linda mishandeld, toch? We hebben verscheidene arrestaties voor uiteenlopende klachten over huiselijk geweld op je strafblad gezien. Je had er kennelijk een gewoonte van gemaakt om haar verrot te slaan.”

“Ik…” De man schudde zijn hoofd, alsof hij zijn gedachten op een rijtje probeerde te zetten. “Ik zou haar nooit zoiets aandoen. Iets echt ergs bedoel ik. Ik zou haar nooit om het leven brengen.”

“Waarom niet? Toch wel lekker om die alimentatie niet meer te hoeven betalen?” drong Shelley aan.

Zoe verstijfde, en haar handen balden zich tot vuisten. Als dit zo doorging zou ze moeten ingrijpen. Shelley begon haar zelfbeheersing te verliezen, haar stem werd zowel hoger als luider.

“Ik betaalde die toch al niet,” merkte hij op. Zijn armen had hij defensief over elkaar gevouwen.

“Misschien werd het je wel rood voor de ogen de laatste keer. Je wilde haar pijn doen, en het ging verder dan normaal?”

“Hou op!” schreeuwde hij terwijl hij zijn kalmte verloor. Onverwacht deed hij zijn handen over zijn gezicht, en toen hij deze weer weghaalde was er nattigheid van zijn ogen tot zijn wangen. “Ik ben opgehouden alimentatie te betalen zodat ze me zou komen opzoeken. Ik miste haar, oké? Stom wijf had me in haar greep. Ik ga me iedere avond bezatten omdat ik helemaal alleen ben. Is dat wat je wilde horen? Tevreden?”

Ze waren klaar – dat was wel duidelijk. Desondanks bedankte Shelley de man stijfjes en overhandigde hem een kaartje met het verzoek te bellen als er iets in hem opkwam. Wat Zoe zou hebben gedaan als ze gedacht had dat het iets zou uitrichten. De meeste mensen belden Zoe niet terug.

In dit geval betwijfelde ze het ook ten zeerste dat Shelley gebeld zou worden.

Shelley ademde zwaar uit terwijl ze wegliepen. “Dood spoor. Sorry, onbedoelde woordspeling. Ik geloof hem. Wat moeten we nu doen, denk je?”

“Ik wil het lichaam zien,” antwoordde Zoe. “Als er al aanknopingspunten te vinden zijn, dan zijn die bij het slachtoffer.”




HOOFDSTUK VIJF


Het kantoor van de patholoog anatoom was een laag gebouw naast het politiestation, evenals zo’n beetje al het andere in dit kleine plaatsje. Er was maar een weg die er dwars doorheen liep, met aan weerszijden winkels, een kleine lagere school en alles dat een stadje nodig had om te overleven.

Zoe voelde zich er vreselijk ongemakkelijk bij. Teveel als thuis.

De patholoog wachtte hen beneden op. Het slachtoffer was al op de tafel voor hen uitgelegd als ware het een gruwelijke demonstratie. De man was wat ouder, slechts een paar jaar van zijn pensioen verwijderd. Hij was een beetje een kletsmajoor en begon aan een lange, omslachtige uitleg van zijn autopsie, maar Zoe sloot zich af voor zijn gepraat.

Wat hij haar vertelde kon ze zo voor zich zien. De snijwond in haar nek vertelde haar de exacte omtrek van het koord waar ze naar moesten zoeken. De vrouw woog iets meer dan 77 kilo ondanks haar klein postuur, hoewel een behoorlijk deel daarvan inmiddels uit haar gestroomd was, samen met meer dan drie liter bloed.

De hoek van de snee en de kracht waarmee die was aangebracht gaven twee dingen aan. Ten eerste was de dader tussen de een meter achtenzeventig en een meter tachtig. Ten tweede steunde hij niet op spierkracht om zijn moorden te plegen. Het gewicht van het slachtoffer had niet lang aan het koord gehangen. Toen ze ineenzakte, had hij haar gewoon laten vallen. In combinatie met de keuze voor een koord als wapen betekende dit dat hij waarschijnlijk niet heel sterk was.

Niet heel sterk gecombineerd met een redelijke lengte betekende waarschijnlijk dat hij gespierd noch dik was. Anders had zijn eigen lichaamsgewicht als tegengewicht kunnen dienen. Dat betekende waarschijnlijk dat hij een slanke bouw had, een gemiddelde man van gemiddelde lengte.

Er was maar een ding waarvan ze zeker wist dat dat niet gemiddeld was, en dat was het plegen van de moord.

Wat het overige betrof hadden ze weinig aanknopingspunten. Zijn haarkleur, zijn naam, uit welke stad hij kwam, waarom hij dit deed – geen van dat alles stond geschreven in het lege, verlaten omhulsel van het ding voor hen dat ooit een vrouw was geweest.

“Wat we hieruit dus kunnen aflezen,” zei de patholoog langzaam, met een koppige, langdradige stem. “Is dat de dader waarschijnlijk van gemiddelde lengte voor een man is, misschien tussen de een meter zesenzeventig en iets meer dan een meter tachtig.”

Zoe wist zich er nog maar net van te weerhouden haar hoofd te schudden. Dat was een veel te brede schatting.

“Is de familie van het slachtoffer nog in contact geweest?” vroeg Shelley.

“Niets sinds de identificatie door haar ex-man.” De patholoog haalde zijn schouders op.

Shelley greep naar een klein hangertje bij haar keel, en trok het heen en weer op een dun gouden kettinkje. “Wat zielig,” zuchtte ze. “Arme Linda. Ze verdiende beter.”

“Hoe kwamen ze over toen je ze ondervroeg?” vroeg Zoe. Een spoor was een spoor, hoewel ze er inmiddels behoorlijk van overtuigd was dat de keuze voor Linda als slachtoffer niets meer dan een willekeurige handeling van een vreemdeling was.

Shelley haalde hulpeloos haar schouders op. “Verrast door het nieuws. Niet overstuur. Ik geloof niet dat ze heel dicht bij elkaar stonden.”

Zoe vocht tegen de gedachte wie zich voor haar zou interesseren of haar lichaam zou komen bezichtigen als zij kwam te overlijden, en verving de gedachte door frustratie. Dat had ze in overvloed. Dit was weer een dood spoor – letterlijk. Linda had geen geheimen over om aan hen over te brengen.

Het was allemaal leuk en aardig om hier rond te hangen en medeleven te tonen voor de doden, maar het bracht hen niet dichter bij de antwoorden die ze zochten.

Zoe sloot even de ogen en draaide zich om, naar het andere einde van de kamer en de deur waardoor ze naar binnen waren gekomen. Ze moesten door, maar Shelley was nog steeds in gesprek met de patholoog, met een zachte, respectvolle intonatie, over wie de vrouw was geweest toen ze nog leefde.

Dat alles was totaal onbelangrijk. Kon Shelley dat niet zien? De doodsoorzaak was erg eenvoudig: ze had in een afgelegen tankstation gezeten, moederziel alleen, toen er een moordenaar op bezoek kwam. Er was niets anders van enig belang in haar hele leven.

Shelley leek Zoe’s wens om te vertrekken aan te voelen, begon zich langzaam haar kant op te begeven en creëerde op diplomatieke wijze afstand tot de patholoog. “Wat gaan we nu doen?” vroeg ze.

Zoe wilde dat ze daarop meer kon antwoorden, maar dat ging niet. Er was maar een ding te doen op dit moment, en het was niet de directe actie die ze eigenlijk wilde. “We gaan een profiel van de moordenaar maken,” zei ze. “Er moet een bericht uitgaan naar alle omringende staten om de ordehandhaving daar te waarschuwen om naar hem uit te kijken. Dan moeten we de dossiers van de eerdere moorden gaan bekijken.”

Shelley knikte, en liep ontspannen naast Zoe op de deur af. Ver hoefden ze niet te reizen.

Ze gingen de trap op en de deur van het kantoor uit. Zoe keek rond en zag de lijn van de horizon weer, die goed zichtbaar was voorbij de kleine collectie huizen en voorzieningen waaruit het stadje bestond. Ze zuchtte, kruiste haar armen tegen haar borst en dwong haar hoofd in de richting van het politiestation waar ze naartoe moesten. Hoe minder ze naar dit plaatsje hoefde te kijken, hoe beter.

“Jij bent geen fan van dit stadje, he?” vroeg Shelley naast haar.

Zoe was even verrast, maar Shelley had natuurlijk al bewezen dat ze zowel opmerkzaam als afgestemd op andermans emoties was. Eerlijk gezegd was het waarschijnlijk goed aan Zoe af te lezen. Iedere keer als ze op zo’n plek terechtkwam geraakte ze in een vreselijke stemming die ze maar niet van zich af kon schudden. “Ik hou gewoon niet zo van kleine plaatsjes,” zei ze.

“Je bent een echt stadsmeisje dan?” vroeg Shelley.

Zoe hield een zucht in. Dit was wat er gebeurde wanneer je partners had: ze wilden je altijd leren kennen. Alle kleine stukjes van de puzzel die je verleden was omhoog halen, en ze tegen elkaar aan rammen tot ze pasten op een manier die hun zinde. “Ze doen me denken aan waar ik ben opgegroeid.”

“Ahhhh.” Shelley knikte, alsof ze zag en begreep. Ze zag niets. Dat wist Zoe zeker.

Er was een pauze in hun gesprek terwijl ze door de deuren van het politiestation gingen, terug naar de kleine vergaderkamer die ze van de plaatselijke politie mochten gebruiken als hun uitvalsbasis. Toen ze zag dat ze alleen waren, plaatste Zoe een nieuw stapeltje papier op de tafel, en begon het rapport van de patholoog uit te spreiden, evenals foto’s en een paar andere verslagen van agenten die als eersten op de plaatsen delict waren gearriveerd.

“Je hebt dus geen prettige jeugd gehad?” vroeg Shelley.

Ah. Misschien zag ze dus wel. Meer dan Zoe haar had nagegeven.

Misschien had het haar niet moeten verbazen. Waarom zou Shelley niet in staat zijn emoties en gedachten te lezen op dezelfde manier waarop Zoe hoeken, maten en patronen kon lezen?

“Het was niet de beste jeugd,” zei Zoe, terwijl ze het haar uit haar gezicht schudde en zich op de documenten concentreerde. “En niet de ergste. Ik heb het overleefd.”

Er klonk een echo in haar hoofd, een schreeuw die tijd en ruimte doorkruiste. Duivelskind. Misser van de natuur. Kijk toch wat je ons nu hebt laten doen! Zoe sloot zich ervoor af, negeerde de herinnering aan een dag opgesloten te zitten in haar kamertje als straf voor haar zonden, negeerde de langdurige en harde eenzaamheid van isolatie als kind.

Shelley kwam snel tegenover haar staan, spreidde een paar van de foto’s uit de ze al hadden, en pakte toen de dossiers van de andere zaken.

“We hoeven er niet over te praten,” zei ze zacht. “Het spijt me. Je kent me nog helemaal niet.”

Dat “nog” beloofde niet veel goeds: het wees op een moment, ook al was dat in de verre toekomst, waarop Zoe geacht zou worden haar genoeg te vertrouwen. Wanneer ze al haar geheimen die sinds haar kindertijd in haar opgesloten zaten zou prijsgeven. Wat Shelley niet wist, en niet kon raden uit haar voorzichtige pogingen erachter te komen, was dat Zoe niemand zou vertellen wat er in haar jeugd gebeurd was – nooit.

Behalve misschien die therapeut die ze van Dr. Applewhite moest bezoeken.

Zoe duwde het allemaal weg en glimlachte en knikte stijfjes naar haar partner. Ze pakte een van de dossiers uit haar handen. “We moeten de vorige zaken bestuderen. Ik lees deze wel, en jij kan de andere lezen.”

Shelley trok zich terug op een stoel aan de andere kant van de tafel. Ze bekeek de afbeeldingen van het eerste dossier die over de tafel verspreid lagen terwijl ze op een van haar vingernagels kauwde. Zoe scheurde haar blik weg en concentreerde zich op de pagina’s voor haar.

“Het eerste slachtoffer werd omgebracht op een lege parkeerplaats voor een eethuis dat een half uur eerder was gesloten,” las Zoe hardop voor. Ze vatte de inhoud van het verslag samen. “Ze werkte daar als serveerster. Ze had twee kinderen, geen opleiding na de middelbare school, en was kennelijk haar hele leven in dezelfde omgeving blijven wonen. Er was geen enkel forensisch bewijs van enige waarde op de plaats delict; de methodologie was hetzelfde, de moord werd gepleegd met behulp van een koord, en daarna werden alle voetafdrukken en sporen zorgvuldig gewist.”

“Niets dat ons kan helpen hem te achterhalen, wederom,” zuchtte Shelley.

“Ze was aan het afsluiten nadat ze had schoongemaakt, op weg terug naar huis na een lange dienst. Het alarm werd vrij snel geslagen toen ze niet op haar gebruikelijke tijd thuis was.” Zoe bladerde naar de volgende pagina, en bestudeerde de inhoud op iets van waarde. “Ze werd gevonden door haar man – hij is naar het restaurant gereden toen ze haar telefoon maar niet opnam. Het is zeer wel mogelijk dat hij bewijsmateriaal heeft aangetast door het lichaam van zijn vrouw vast te grijpen bij zijn ontdekking.”

Zoe keek op. Deze zaak had duidelijk even weinig aanknopingspunten als de andere. Shelley zat zich nog altijd te concentreren, terwijl ze weer met haar hangertje aan de ketting speelde. Het werd opgeslokt door haar duim en wijsvinger, zo klein dat het daar volledig tussen verdween.

“Is dat een kruisbeeldje?” vroeg Zoe, toen haar nieuwe partner eindelijk opkeek. Het was iets om over te praten, dacht ze. Vrij normaal voor een agent om het met haar partner te hebben over de sieraden die ze gewoonlijk droeg. Toch?

Shelley keek naar haar borst, alsof ze zich niet gerealiseerd had wat haar handen aan het doen waren. “O, dit? Nee. Het was een cadeautje van mijn oma.” Ze haalde haar vingers weg, en trok het naar voren zodat Zoe het pijlvormige gouden hangertje kon zien, voorzien van een klein diamantje in de pijlpunt. “Maar mazzel dat mijn opa een goede smaak had. Het was van haar geweest.”

“O,” zei Zoe, met een zekere mate van opluchting. Ze had niet beseft hoe gespannen ze was geweest toen ze Shelley voor het eerst het kettinkje tevoorschijn had zien halen en ermee zien spelen. “Een pijl voor ware liefde?”

“Klopt helemaal.” Shelley glimlachte. Toen fronste ze wat, de verandering in Zoe’s stemming duidelijk gewaar geworden. “Was je bang dat ik vreselijk gelovig was ofzo?”

Zoe schraapte licht haar keel. Ze besefte zelf nauwelijks dat dat de reden was geweest voor haar vraag. Maar dat was het natuurlijk wel. Het was lang geleden dat ze dat verlegen kleine meisje was geweest met de overfanatieke godvrezende moeder, maar ze was nog altijd erg voorzichtig rond mensen die de kerk zagen als het belangrijkste in hun leven.

“Ik vroeg het me alleen maar af,” zei Zoe, maar haar stem klonk gespannen, en ze wist het.

Shelley fronste weer, en leunde voorover om het volgende dossier van de tafel te pakken. “Weet je, we gaan veel tijd samen doorbrengen als we partners blijven,” zei ze. “Misschien gaat het iets soepeler als we geen dingen voor elkaar achter houden. Je hoeft me niet te vertellen waarom je er bang voor was, maar ik zou de eerlijkheid wel waarderen.”

Zoe slikte terwijl ze neerkeek op het dossier dat ze al had gelezen. Ze raapte haar trots bijeen en sloot even de ogen om de stem die tegen haar zei nee, ze zijn niet exact hetzelfde, een van de dossiers is ongeveer vijf millimeter dikker tot zwijgen te brengen. Toen keek ze Shelley recht in de ogen aan. “Ik heb er geen goede ervaringen mee,” zei ze.

“Godsdienst, of eerlijkheid?” vroeg Shelley met een speelse grijns terwijl ze haar dossier opensloeg. Even later, terwijl Zoe nog zat te worstelen met de vraag wat ze daarop moest zeggen, voegde Shelley toe: “Dat was een grapje.”

Zoe glimlachte flauwtjes terug.

Toen pakte ze het nieuwe dossier en begon de foto’s van het plaats delict te bestuderen. Ze wist dat dit de enige manier was om het brandende gevoel in haar wangen en nek los te laten, evenals de ongemakkelijke sfeer in de kamer.

“Het tweede slachtoffer is een andere versie van hetzelfde verhaal,” zei Shelley hoofdschuddend. Een vrouw, die dood werd aangetroffen aan de kant van een weg aan de rand van een klein stadje. Het soort weg waar je over terug naar huis loopt na een late avond op het werk, waar ze was geweest. Ze was lerares…er was een stapeltje gecorrigeerde papieren om haar heen verspreid, waar ze die had laten vallen nadat haar nek was afgesneden door het wurgkoord.

Shelley stopte om door de foto’s te kijken, op zoek naar eentje waar de papieren op stonden. Ze hield hem even omhoog, beet op haar lip en schudde haar hoofd. Ze overhandigde hem aan Zoe, die trachtte het net zo zielig te vinden en erachter kwam dat dat niet lukte. De papieren maakten het volgens haar niet hartverscheurender dan elke andere moord. Sterker nog, ze veel wredere afslachtingen gezien die meer het medelijden waard waren.

“Ze werd vroeg in de ochtend gevonden door een fietser. Zijn aandacht werd getrokken door de beweging die de papieren in de wind maakten. Ze vormden een spoor over het trottoir en naar het lichaam dat deels tussen lang gras lag,” vatte Shelley de aantekeningen in haar dossier samen. “Het ziet ernaar uit dat ze naar de kant was gelopen, alsof ze iemand wilde helpen. Op een of andere manier is ze daar naartoe gelokt. Shit…het was een goedhartige vrouw.”

Een aantal scenario’s flitste door Zoe’s hoofd: een zogenaamde vermiste hond, een vreemdeling die de richting vroeg, een fiets met een losse ketting, een vraag hoe laat het was.

“Geen voetsporen op de harde grond, geen vezels of haren op het lichaam, geen DNA onder haar vingernagels. Even schoon als de andere plaatsen delict,” zei Shelley, terwijl ze met een zucht het dossier weer op de tafel plaatste.

Wat het ook was dat haar in een kwetsbare positie had gebracht – misschien was het zelfs alleen maar de verrassing en het afstapje van het trottoir terwijl ze worstelde met het koord om haar keel – meer dan dit hadden ze niet.

Zoe’s ogen dwaalden rusteloos over het papier in een poging verbindingen te maken die bij alle drie zaken pasten.

Twee gelukkig getrouwd, eentje gescheiden. Twee moeders, een kinderloze. Verschillende banen. Verschillende locaties. Eentje met universitaire graad, twee zonder. Geen bijzonder patroon in hun namen of netwerk via de bedrijven waar ze werkten.

“Ik zie geen link,” zei Shelley, de stilte tussen hen verbrekend.

Zoe zuchtte en sloot het dossier. Ze moest het toegeven. “Ik ook niet.”

“We zijn dus weer bij af. Willekeurige slachtoffers.” Shelley blies een ademstoot uit. “Wat betekent dat het volgende doelwit ook willekeurig zal zijn.”

“En een veel kleinere kans dat we het kunnen voorkomen,” voegde Zoe toe. “Tenzij we een werkbaar profiel bijeen kunnen schrapen om die vent op te sporen en aan te houden voor hij er de gelegenheid toe heeft.”

“Dan moeten we daaraan werken,” zei Shelley, met een vastberadenheid op haar gezicht die Zoe warempel een sprankje hoop gaf.

Ze legden een leeg vel papier over een ezel in de hoek van de kamer en begonnen door te nemen wat ze wisten.

“We kunnen zijn pad zien,” zei Zoe; iets dat ze al hardop had toegegeven, en dat een ander ook gemakkelijk had kunnen zien. “Hij is om een of andere reden op reis. Wat zou het kunnen zijn?”

“Misschien reist hij voor zijn werk,” stelde Shelley voor. “Een vrachtwagenchauffeur, een verkoper, zoiets. Of misschien reist hij alleen maar omdat hij er zin in heeft. En hij zou ook dakloos kunnen zijn.”

“Teveel opties om hier een duidelijk oordeel over te vellen.” Zoe schreef reizen op het bord en probeerde de gevolgen daarvan na te gaan. “Hij moet onderweg slapen. Motels, hotels, of misschien in zijn auto.”

“Als hij dat in zijn auto doet kunnen we het achterhalen wel vergeten,” merkte Shelley met neerwaarts gekeerde mondhoeken. “Hij zou in de hotels ook valse namen kunnen gebruiken.”

“Niet veel aanknopingspunten. Maar hij moet wel op een of andere manier reizen. Met gebruik van een voertuig, als je zo kijkt naar de afstanden tussen de plaatsen delict en de tijd die tussen hen zat.”

Shelley hief zich op om op haar mobiele telefoon te tikken. Ze haalde kaarten tevoorschijn en bekeek de locaties. “Ik geloof niet dat er een goede treinroute is. Misschien per bus of auto.”

“Dat verkleint de zaak een klein beetje,” zei Zoe, terwijl ze de opties aan de lijst toevoegde. “Hij zou kunnen liften, hoewel dat dezer dagen niet zo gebruikelijk was. Hoe zit het met zijn lichamelijke kenmerken?”

“Een wurgkoord wordt gewoonlijk gebruikt door mensen die niet heel gespierd zijn. Dus daaruit kunnen we misschien afleiden dat hij een gemiddeld postuur heeft.”

Zoe was blij dat Shelley dat had opgemerkt; weer iets waar ze geen vermoedens mee hoefde op te wekken. “Gemiddeld, maar hoogstwaarschijnlijk niet kort of klein. Ik heb het idee dat we wel kunnen vaststellen dat dit door een man gedaan is. Als de dader niet sterk of lang genoeg was hadden de slachtoffers hem eventueel kunnen overmeesteren en zich los kunnen rukken.”

“En als hij te kort was zou hij niet ver genoeg kunnen reiken,” voegde Shelley toe. “De slachtoffers waren waarschijnlijk allemaal vermoord terwijl ze stonden, en dat betekent dat hij gemakkelijk bij hun keel had moeten kunnen.”

Zoe moest toegeven dat ze onder de indruk was – ook al hield ze die gedachte voor zich. Ze schreef gemiddelde of bovengemiddelde lengte – een meter vierenzeventig tot een meter tweeëntachtig, gebaseerd op het verslag van de patholoog, en gemiddeld of slank postuur op het bord.

“En dan nu de psychologie,” zei Zoe. “Er is iets dat hem drijft tot moorden, ook al is het niet iets dat wij logisch zouden achten. Als er geen echte overeenkomsten zijn tussen de slachtoffers, moeten we die drijfveer beschouwen als iets in hemzelf zit.”

“Het lijken me gelegenheidsmoorden. Hij gaat alleen achter vrouwen aan, misschien omdat die zwakker zijn. Ze zijn alleen, weerloos, op een plek zonder actieve bewakingscamera’s, en met een lage kans op interruptie.”

“Ik zie twee mogelijkheden. De eerste is dat hij gedreven wordt door het doden zelf, en daarom deze slachtoffers uitkiest omdat die het perfecte profiel hebben om te voorkomen dat hij wordt gepakt. Om een of andere reden is hij daar nu op dit moment mee bezig, en allemaal tegelijk – dus dan hebben we te maken met een aanleiding,” zei Zoe, terwijl ze met het uiteinde van de pen tegen haar kin tikte. “De andere mogelijkheid is dat er iets aan deze slachtoffers in het bijzonder is dat iets in hem losmaakt. In dat geval weet hij zelf nog niet eens dat hij hen zal ombrengen tot het moment daar is.”

“Met andere woorden, hij zoekt deze vrouwen met opzet uit zodat hij ze om het leven kan brengen, of hij doodt uitsluitend bij gelegenheid, en iets in deze vrouwen haalt dat bij hem naar boven,” zei Shelley. Ze vernauwde haar ogen bedachtzaam.

“Je moet zo denken.” Zoe schudde haar hoofd terwijl ze voor de ezel begon te ijsberen. “Het is te perfect om zo willekeurig te zijn. Eentje per nacht – dat wijst op een drang. Als hij uitsluitend gedreven werd door triggermomenten, dan zouden we tijd zien tussen de moorden. Sommige nachten zou hij thuis zitten, of gewoon niemand tegenkomen die iets bij hem losmaakt. Nee, dit is bewust en berekenend. Er is een reden waarom hij elk van hen moet ombrengen, een boodschap of ritueel.”

Ze deed weer een stap naar voren en schreef een moord per dag – ritueel op het bord.

“En hoe zit het met de locaties?” vroeg Shelley. “Misschien valt daar nog iets uit af te leiden.”

Er was al een landkaart aan de muur, gemarkeerd met drie rode punaises waar de drie lichamen waren gevonden. Zoe bekeek het even, en gebruikte toen de rand van een stuk papier om verbindingslijnen tussen de punten te scheppen. Er was een directe lijn tussen de eerste en de derde. De tweede week er enigszins vanaf, maar het lag nog altijd grotendeels op hetzelfde pad.

“Welke plaatsen zijn dat?” Shelley wees in de richting van het uiteinde van het stukje papier, voorbij de laatste punaise, naar de bewoonde gebieden die in hetzelfde pad lagen.

Zoe somde een lijstje op van de namen op de kaart, met een kleine afwijking aan weerszijden voor het geval hij iets uit de richting ging, zoals hij al eerder had gedaan. “We moeten de autoriteiten in elk van die stadjes bellen. Ze moeten op de hoogte zijn van wat er eventueel komen gaat. Met versterkte beveiliging en politie op de uitkijk kan hij misschien gepakt worden.”

Zwijgend bekeken ze beiden het profiel dat ze hadden gemaakt, elk met hun eigen gedachten. Zoe probeerde het patroon te zien. Er waren maar drie dingen die ze kon zien: het feit dat het allemaal vrouwen waren, de tijdslijn, en dan nog iets met de locaties. Maar wat?

Ze dacht terug aan de kleurige snoepjes die over de grond bij het tankstation verspreid lagen. Niet te ver van Linda’s lichaam, over de parkeerplaats, over het pad dat ze moest hebben genomen naar de achterkant van het gebouw en terug. Het was zo vreemd. Het was natuurlijk hartstikke mogelijk dat een of andere koter het eerder die dag had laten vallen tijdens een korte stop met zijn ouders, maar…er was daar iets mee dat in haar hoofd bleef zeuren.

Misschien was het simpelweg het contrast. Bonte, vrolijke snoep op de plaats van een gewelddadige nachtmoord. Spatjes kleur op een bloedrode ondergrond. Misschien had het helemaal niks te betekenen.

“We hebben niet veel,” zuchtte ze tenslotte. “Maar het is een begin. Als we hieraan toevoegen dat hij waarschijnlijk een jonge man is, in ieder geval onder middelbare leeftijd, volgens de statistieken van de leeftijd waarop seriemoordenaars beginnen toe te slaan, en dan hebben we het voldoende teruggebracht om iets te presenteren. Ik zal de pathologen vragen ons wat meer concrete cijfers te geven op basis van wat ze hebben gevonden, dan kunnen we op z’n minst een beschrijving geven waar men naar kan uitkijken.”

Hetgeen een bijzonder schrale troost was, dacht ze, als de moordenaar vannacht weer een slachtoffer zou maken – en ze konden er bij lange na niets aan doen.




HOOFDSTUK ZES


Vannacht zou er een nieuw lichaam zijn.

Het was de vierde nacht, en dat betekende dat er een vierde lichaam moest komen.

Hij had de hele dag lang gereden, steeds dichter tot zijn doel. Ondanks dat hij flink opschoot werd hij steeds nerveuzer naarmate de zon boven zijn hoofd zich een weg over het hemeldek baande. Wanneer de avond viel moest hij op de juiste plek zijn, anders viel alles in duigen.

Hij mocht nu niet falen.

Hij wierp weer een blik op de mobiele telefoon die op zijn dashboard balanceerde. Het zat in een houder die aan een van de ventilatieklepjes vast was gemaakt. De online kaart update hier maar traag, het signaal was zo slecht. Gelukkig was de snelweg lang en recht, en hoefde hij niet af te slaan. Hij zou niet verdwalen, noch zijn bestemming per ongeluk voorbij rijden.

Hij wist precies waar hij heen moest. Het was helemaal voor hem uitgestippeld, in de sterren geschreven. Behalve dan dat dit patroon veel preciezer was dan die massa knipperende puntjes aan de nachthemel, en veel gemakkelijker te lezen. Natuurlijk kon een expert die patronen vinden, zelfs helemaal daarboven. Maar zijn patroon moest leesbaar zijn voor iemand die het normaal niet zou kunnen zien – en zien zouden ze, tegen de tijd dat hij klaar was.

Wie het zou worden was een tweede. Waar, en wanneer – ja, die werden door het patroon bepaald. Maar de wie was meer een kwestie van geluk, en dit was de reden waarom hij zijn been op en neer wiebelde boven de rem. Daarbij wipte zijn knie iedere keer op en sloeg bijna tegen het stuur.

Hij ademde diep in om zich te kalmeren, zoog de snel afkoelende lucht in. Je kon goed merken dat de zon aan het ondergaan was, maar het was nog niet te laat. De patronen hadden hem aangewezen wat hij moest doen, en nu ging hij dat gewoon doen. Daar moest hij vertrouwen in hebben.

De banden van zijn auto bulderden eindeloos over het gladde asfalt, een regelmatig achtergrondgeluid dat kalmerend werkte. Hij sloot even de ogen, erop vertrouwend dat de auto in een rechte lijn door zou rijden, en ademde weer diep in.

Hij trommelde met zijn vingers op de rand van het geopende raam, met een simpele en zich steeds herhalende maat, en begon zich te ontspannen. Het kwam allemaal goed. Evenals zijn auto hem al jaren niet in de steek had gelaten, altijd degelijk en betrouwbaar, zouden de patronen hem niet teleurstellen. Zolang hij maar de olie controleerde en het af en toe voor een servicebeurt bracht zou het blijven doorrijden. En als hij zichzelf op de juiste plek op de juiste tijd plaatste, zouden de patronen er zijn.

Ze waren overal om hem heen: de lijnen van de snelweg, recht en vernauwend in de verte, die hem precies vertellen waar hij naartoe moest. De reepjes wolken leken ook allemaal dezelfde richting op te wijzen, lange vingers die hem aanmoedigden zijn weg te vervolgen. Zelfs de bloemen aan de zijkant van de snelweg waren omgebogen, verwachtingsvol voorover leunend, als racestrepen die de kilometers onder zijn wielen opslokten.

Het begon allemaal op z’n plaats te vallen, net zoals die snoepjes waren gevallen voordat hij die vrouw bij dat tankstation had omgebracht. Het had hem precies aangegeven wat hij vervolgens moest doen, en had hem laten zien dat hij de juiste plaats was en het juiste slachtoffer had gevonden.

De patronen zouden uiteindelijk voor hem zorgen.


***

Ondanks alle geruststellingen die hij zich probeerde aan te praten ging zijn hart als een bezetene tekeer van de zenuwen. De zon begon steeds verder zinken, raakte al de horizon aan, en hij had nog steeds geen geschikte persoon gevonden.

Maar nu kwam het geluk hem weer tegemoet – de serendipiteit van het op de juiste plaats op de juiste tijd zijn, en vertrouwen dat het universum de rest zou doen.

Ze liep achterwaarts langs de berm van de snelweg, een arm uitgestrekt, met haar duim omhoog. Ze had zich waarschijnlijk omgedraaid zodra ze hem hoorde aankomen. Zijn motor en het geluid van de wielen hadden hem aangekondigd ver voordat ze elkaar daadwerkelijk konden zien. Ze droeg een rugzak die er zwaar uitzag, met een opgerolde slaapzak erbovenop. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat ze jong was. Niet ouder dan achttien of negentien, een onafhankelijke geest op weg naar een nieuw avontuur.

Ze was boterzacht en mooi, maar dat was onbelangrijk. Dat soort dingen was altijd onbelangrijk. De patronen, dat was het enige dat telde.

Hij stopte de auto even voorbij haar, en wachtte geduldig tot ze hem bereikte. “Hoi,” zei hij, terwijl hij het zijraam omlaag deed en zijn hoofd uitstak om haar aan te kijken. “Heb je een lift nodig?”

“Eh, ja,” zei ze. Ze keek hem wantrouwend aan en beet op haar onderlip. “Waar ga jij heen?”

“Naar de stad,” zei hij met een vaag gebaar vooruit. Het was een snelweg. Er zou aan het einde een stad zijn, en ze mocht zelf in haar hoofd bepalen welke. “Ik ben blij dat ik je heb gezien. Er zijn weinig auto’s op de weg rond deze tijd. Het zou een koude nacht zijn, hierbuiten.”

Ze glimlachte flauwtjes. “Ik kan dat wel aan hoor.”

Hij glimlachte terug, maar breder, sympathieker, en liet de glimlach zijn ogen bereiken. “Maar het kan beter,” zei hij. “Stap in. Ik zet je wel af bij een motel aan de rand van de stad.”

Ze weifelde nog steeds; een jonge vrouw bij een man alleen in de auto ging zitten – hoe aardig hij was deed er niet toe. Hij begreep wel dat ze sowieso nerveus zou zijn geweest. Maar haar blik ging over de weg en ze moest hebben gezien dat er zelfs nu, bij het vallen van de avond, in geen van beide richtingen enige andere koplampen te bespeuren waren.

Ze opende het portier met een zachte klik, schudde haar rugzak van haar schouders, en hij glimlachte, ditmaal voor zichzelf. Het enige dat hij hoefde te doen was te vertrouwen, en alles zou precies gaan zoals de patronen hadden gezegd.




HOOFDSTUK ZEVEN


“Oké, mag ik even de aandacht,” zei Zoe. Ze voelde zich al ogengemakkelijk, en dat werd er niet beter op toen het gebabbel in de kamer stopte en alle ogen zich op haar richten.

Shelley’s aanwezigheid aan haar zijde hielp de onplezierige druk niet te verminderen, het gewicht van de verwachtingen op haar schouders. De aandacht vestigde zich op haar als een brandspuit, voelbaar en schokkend. Dit was wat ze probeerde te vermijden waar ze kon, elke dag van haar leven.

Maar soms vereiste het werk het, en hoe graag ze het ook wilde, ze kon het Shelley niet aandoen om in haar eentje een profiel te presenteren. Niet waar zij de senior agent was.

Ze ademde in, liet haar blik glijden over al die politieagenten, die dicht op elkaar zaten in rijen van tijdelijke stoeltjes in de grootste vergaderruimte die sheriff rijk was. Toen keek ze weg, en vond een punt op de muur tegenover haar om tegen te spreken, veel minder intimiderend.

“Dit is het profiel waar we naar opzoek zijn,” vervolgde Zoe. “De verdachte is een man met een lengte van ongeveer een meter negenenzeventig, volgens de berekeningen van alle drie pathologen en het schaarse fysieke bewijs dat we op de plaatsen delict hebben gevonden. We denken ook dat hij een slank tot gemiddeld postuur heeft. Hij is niet bijzonder sterk, overweldigend of intimiderend.”

Shelley nam het van haar over en deed een stap naar voren voor haar moment in het voetlicht – iets dat ze prachtig in plaats van doodeng leek te vinden. Haar ogen glansden. “Hij maakt waarschijnlijk een ongevaarlijke indruk op de meeste mensen, tot op het moment van de moord. We denken dat hij zijn slachtoffers tot conversaties heeft weten te verleiden, en hen zelfs weg heeft weten te lokken van relatieve veiligheid, naar een open ruimte waar hij de situatie zodanig kon manipuleren dat hij achter hen kwam te staan. Hij is misschien zelfs charmant, beleefd.”

“Hij komt niet uit de buurt,” voegde Zoe toe. “Hij zal een kentekenbord van buiten de staat op zijn auto hebben. We hebben niet kunnen achterhalen uit welke staat hij komt, maar hij is op reis, en gaat daar waarschijnlijk mee door.”

Beelden van de vrouwen die hij had omgebracht verschenen op het projectorscherm achter hen. Ze leefden daar alle drie nog, glimlachend – lachend zelfs – naar de camera. Ze waren normale, levensechte vrouwen – geen modellen of kopieën van hetzelfde uiterlijk, of met iets speciaals. Gewoon vrouwen die tot drie nachten geleden allemaal nog leefden en ademden en lachten.

“Vrouwen zijn zijn doelwit,” zei Zoe. “Eentje per nacht, op afgelegen plekken waar de kans op heterdaad betrapt te worden of door een bewakingscamera gefilmd te worden minimaal is. Het is er donker, verlaten, en geeft hem de tijd en ruimte om de moord te plegen.”

“Hoe worden we geacht hem te pakken met zo’n profiel?” deed een van de staatspolitieagenten van zich horen temidden van het briesende groepje voor haar. “Er zijn wel duizenden lange, slanke mannen met een kenteken van buiten de staat hier.”

“We begrijpen dat het niet veel is,” viel Shelley in, waarmee ze Zoe afschermde van de irritatie die ze duidelijk met iets onplezierigs wilde beantwoorden. “We kunnen alleen werken met wat we hebben. Het nuttigste dat we met deze informatie op dit moment kunnen doen is mensen waarschuwen om afgelegen plekken te vermijden, helemaal als ze benaderd worden door een man die aan deze beschrijving voldoet, om op hun hoede te zijn.”

“In de hele staat?” Deze vraag werd gesteld door een van de plaatselijke politieagenten, van het kleine team van de sheriff wiens station in Missouri ze hadden overgenomen voor zowel hun onderzoek als deze presentatie.

Zoe schudde haar hoofd. “In verscheidene staten. Hij is al door Kansas, Nebraska en Missouri gereisd. Dat is een redelijke aanwijzing dat hij over lange afstanden zal blijven reizen om zijn misdaden te plegen.”

Gedempte geluiden van irritatie klonken in de kamer, geprevelde en gegromde uitingen van onwil.

“Ik snap dat het een enorm gebied beslaat,” zei Zoe streng. “En ik begrijp dat dit een vage waarschuwing is. Maar we moeten doen wat we kunnen.”

“Wie gaat de persconferentie doen?” vroeg de plaatselijke sheriff. Zijn houding leek er een van gehavende autoriteit, alsof hij bezweken onder het gewicht van al deze ordehandhavers, gepropt in zijn kleine politiestationnetje.

Zoe aarzelde even. Ze haatte persconferenties. Ze kreeg vaak kritiek over hoe stijf en emotieloos ze overkwam wanneer ze over slachtoffers of de potentiele dreiging van verdere slachtoffers sprak.

“Mijn collega, Special Agent Shelley Rose, gaat met de media praten,” zei ze. Ze merkte op hoe Shelley’s hoofd verrast omhoog sprong. “We nodigen hen uit voor een televisieconferentie later deze middag.”

De agenten in de kamer begonnen hun stoelen op te pakken, en het gemompel in het zaaltje rees tot gesprekken op volle sterkte. Shelley kwam boog naar Zoe en mompelde zenuwachtig “ik heb nog nooit een persconferentie gedaan,” zei ze.

“Weet ik,” antwoordde Zoe. “Ik dacht dat het een mooie gelegenheid voor je zou zijn om ervaring op te doen. Dit is het beste moment ervoor, nu het onderzoek pas gestart is. Hoe langer het doorgaat zonder oplossing, hoe valser de journalisten worden. Geloof me maar. Als we hem niet pakken voor een tweede persconferentie nodig is doe ik die wel, als senior agent.”

Shelley knikte. Een vlaag van opwinding gaf haar lichte blosjes. “Tjesis. Kan je me met oefenen wat ik moet zeggen? Ik ben nooit eerder op TV geweest, niet eens op de achtergrond.”

Zoe kon een glimlach niet tegenhouden. Iets aan Shelley’s enthousiasme was aanstekelijk, ook al zou ze nog altijd nooit van z’n leven plezier beleven aan persconferenties. “Natuurlijk. Ik help je wel een tekst in elkaar te flansen.”




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/bleyk-pirs/doodsgezicht/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


