Baas Gansendonck
Hendrik Conscience





Hendrik Conscience

BAAS GANSENDONCK





Herinnering


In een dorp tusschen Hoogstraten en Calmpthout, in de Antwerpsche Kempen, woonde Peer Gansendonck, de Baas uit de afspanning de St.-Sebastiaan.

Ik heb hem gekend na 1830, toen ik soldaat was. Van dien tijd weet ik echter niets meer over hem, dan alleenlijk, dat hij geene soldaten en boeren lijden kon en liefst met officieren te doen had. Ook was hij ten uiterste tegen den burgemeester verstoord, omdat deze den kapitein der compagnie in zijne eigene woning genomen had, de drie officieren bij den baron, den notaris en den dokter had gelegd, en hem, Peer Gansendonck, niemand te herbergen overgelaten had dan den sergeant-majoor, uwen ootmoedigen dienaar.

Ik herinner mij ook, dat ik mijne ledige uren veeltijds doorbracht met allerlei aardig speelgoed te maken voor Liesken, het vijfjarig dochterken van Baas Gansendonck. Het kind was ziek en scheen te verkwijnen; maar er was iets zoo lieftalligs in hare engelenoogskens, iets zoo zuivers in haar marmeren aangezichtje, iets zoo zoetklagends in haar zilveren stemmeken, dat ik er eene soort van geluk in vond, het kranke lam door spel, zang en vertellingen te troosten en te verkwikken.

Wat schreide Liesken bitter, hoe biggelden haar de tranen over de wangen, toen de trommels het laatste vaarwel roffelden, en dat haar goede vriend, de sergeant-majoor, met den ransel op den rug daar gereedstond om voor altijd te vertrekken!

Maar zulke indrukken verdwijnen zoo snel uit het jonge gemoed! Sedert heb ik nooit meer aan het kleine Liesken gedacht, en het kind heeft mij ongetwijfeld even diep vergeten.

Nu onlangs brachten mijne dwaalreizen door de Kempen mij voor de eerste maal weder in hetzelfde dorp. Ik trad er in zonder voorgevoel, zonder de minste verwachting.

Evenwel, niet zoohaast had ik het beeld der kerk, der huizen en der boomen in mijn binnenste ontvangen, of een glimlach van verrassing klom op mijn gelaat, en de borst zwol mij van blijde aandoening. Bovenal deed het gezicht van het oude uithangbord boven de afspanning mijn hart kloppen.... Ik boog het hoofd met ontsteltenis en bleef eene wijl roerloos staan, om den stroom van jeugdige herinneringen te genieten, die als een zoele balsemvloed mij door het hoofd golfde.

Wat moet in de jonkheid onze ziele toch beminnend en machtig zijn, daar zij alles, wat haar omringt, voor eeuwig in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult! Menschen, boomen, huizen, woorden, alles, – levend of levenloos, – wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziele loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene, en terwijl wij onophoudend het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, in de onbegrensde toekomst te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur eenstemmig met ons.

Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot, ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van hen roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij: zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdigde kracht bij dien roep.... en in stille, goedsdienstige aandoening dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat.

Voor de deur der oude afspanning staande, was ik gansch teruggetooverd naar betere tijden. Ik zag mijne kameraden, mijne officieren weder; de trommel bromde in de verte, ik hoorde het manhaftig commando klinken, den wegrukkenden zang boven de huizen galmen, den jagershoorn in het lindenloover schallen.... maar tusschen dit alles verscheen nog klaarder en frisscher het rustig engelenbeeld van Liesken, dat mij toelachte uit het verledene.

De gedachte des menschen schiet sneller door de wereld der gepeinzen dan het bliksemvuur door de ruimte des hemels: eene minuut slechts had ik ontroerd gestaan, en reeds ware vijf schoone maanden van mijn leven in volle helderheid voor mijne oogen heengewandeld.

Met groot verlangen en vroolijk gelaat stapte ik op de afspanning aan. – Liesken zal ik zien; zij kan mij niet herkennen, ik weet het wel, want het kind moet nu eene vrouw geworden zijn; haar aanblik toch zal mij verblijden. – Zij was ziek en kwijnend; misschien ligt zij onder de aarde op het stille kerkhof! Weg deze akelige gedachte, door de koele rede tusschen mijne warme herinnering geworpen!

Maar wat is mij dit hier vreemd en droef in den St.-Sebastiaan! Alles is veranderd: menschen en zaken. Waar is Baas Gansendonck? Waar is Liesken? Waar de schuiftafel, op welke ik met mijne kameraden zoo menige kanne bier verspeelde? Alles is verdwenen!

Arm Liesken, ik zie nog den hoek bij het venster, waar gij met uw hoofdeken op de knie uwer moeder te rusten laagt, waar ik u zoo verblijdde met dien kaartenwagen, door vier meikevers getrokken, waar uw trage oogslag als een gebedeken mij dankte voor mijne vriendschap.

Ik had het altemaal zoo diep vergeten! Ik wist zelfs niet meer, dat ik eens in deze streek gekomen was; maar nu ontspringt uit elke zaak een beeld, uit elk beeld eene stem; ik zie, ik hoor alles weder; alles wordt jong en lachend, – ook mijn hart, dat terugkeert in harmonische eenstemmigheid met deze gekende en geliefde natuur!

Zoet Liesken, wie zou alsdan gezegd hebben, dat ik eens uwe geschiedenis aan mijne landgenooten verhalen zou, gelijk ik eertijds uw hart verkwikte door kinderlijke vertellingen?

Het leven is gelijk aan eene dier reuzenstroomen van Amerika, die eenen tijd vreedzaam tusschen lachende oevers vloeien; maar dan eensklaps van eene berghoogte afstorten en in huilende draaikolken stormend en verbrijzelend voortrollen. De mensch is eene stroohalm, die vlot op den stroom; de stille vaart tusschen de bloeiende oevers is de jeugd; de brieschende waterval, de slingerende maalstroom is de menschelijke maatschappij, waarin de Man als een stroohalm wordt gestort; hij valt, hij gaat ten gronde, hij verheft zich weder, hij duikt opnieuw, hij wordt gefolterd, gekneusd, gepletterd, afgesleten. Wie kan weten, op welken oever de stroohalm zal worden geworpen?




I. Baas Gansendonck was een zonderling man…


Als niet komt tot iet,

Dan ken iet zich zelven niet.


Baas Gansendonck was een zonderling man. Ofschoon uit de nederigste dorpsbewoners geboren, had hij zich echter al vroeg gaan inbeelden, dat hij van veel edeler stof gemaakt was dan de andere boeren; dat hij alleen veel meer wist dan een gansche hoop geleerden te zamen; dat de gemeentezaken in de war liepen en den kreeftengang gingen, alleenlijk omdat hij, met zijn groot verstand, geen burgemeester was, – en vele andere dingen van dien aard.

En nochtans, de arme man kon lezen noch schrijven en had van de meeste zaken zeer weinig vergeten… maar hij had toch veel geld!

Langs dien kant ten minste geleek hij aan vele voorname lieden, wier verstand ook in eene kist onder slot ligt, of wier wijsheid, tegen 5 percent uitgezet, jaarlijks met den interest opnieuw in hun hoofd komt.

De bewoners van het dorp, dagelijks door de verwaandheid van Baas Gansendonck gehoond, hadden allengs eenen diepen haat tegen hem opgevat en noemden hem spottenderwijze den Blaaskaak.

De baas uit den St.-Sebastiaan was weduwnaar en had slechts één kind. Het was eene dochter van achttien of negentien jaren, zwak en bleek, evenwel zoo zuiver en zoo fijn van gelaatstrekken, dat zij de oogen veler jonkmans schemeren deed. Volgens het waanwijs stelsel haars vaders was zij veel te goed, te geleerd en te schoon om met eenen boerenzoon te trouwen. Hij had haar gedurende eenige jaren naar een vermaard pensionaat gezonden, om er Fransch te leeren en manieren aan te winnen, die met hare hooge bestemming mochten overeenkomen.

Gelukkiglijk was Lisa of Liesken, zooals de boeren haar noemden, even eenvoudig teruggekeerd, alhoewel er wel eenige kiemen van ijdelheid en lichtzin in haren geest gestort waren; maar de natuurlijke zuiverheid haars harten hield deze spruiten der ondeugd onderdrukt, terwijl hare maagdelijke onnoozelheid zelfs aan de teekenen er van iets bekoorlijks bijzette, dat alles in haar verontschuldigen deed.

Naar gewoonte had zij slechts eene halve opvoeding genoten; zij verstond het Fransch tamelijk wel, doch sprak het maar gebrekkiglijk. Daarentegen kon zij uitnemend keurig borduren, veelkleurige muilen en voetkussens maken, met parelen breien, bloemen uit papier snijden, uiterst vriendelijk goeden dag zeggen, nijgen en buigen, zeer kunstmatig dansen, – en vele andere liefelijkheden meer, die in het boerenhuis haars vaders te pas kwamen, gelijk een kanten kraag aan den hals eener koe, zooals het spreekwoord zegt.

Van hare kindsheid af was Lisa bestemd geworden om een huwelijk aan te gaan met Karel, den zoon des brouwers, die een der schoonste jongens was, die men vinden kon; daarbij zeer welhebbend voor eenen dorpeling, en tamelijk geleerd, vermits hij eenige jaren in het Collegie te Hoogstraten had doorgebracht.

Evenwel, de studie had hem weinig veranderd: hij beminde de ongedwongene vrijheid van het boerenleven, was vroolijk als een vogel, drinkende en zingende in eere en deugd met iedereen, vol levenslust, vriend en makker van elkeen, die hem kende.

De vroegtijdige dood zijns vaders had hem het Collegie doen verlaten, om, als leider der brouwerij, zijne moeder behulpzaam te zijn; en de goede vrouw dankte den Heer dagelijks, dat Hij haar zulken braven zoon tot troost gelaten had; want werkzamer en deugdelijker jongen was er waarlijk niet.

Slechts in tegenwoordigheid van Lisa verloor Karel zijne losse geestigheid en verviel in dichterlijken ernst en in onbestemde droomerijen. Dáár, bij de geliefde maagd gezeten, maakte hij zich kind met haar, vond genoegen in hare onbeduidende bezigheden en volgde met godsdienstige aandacht hare minste wenschen in. Zij was toch zoo teer, zoo zwak, maar tevens zoo zuiver schoon, zijne verloofde! Ook hij, de sterke, manmoedige jongeling, omringde het tengere meisje met eerbied, met toegevendheid en met angstige zorg, als ware hem het leven eener kwijnende bloeme toevertrouwd geweest.

Tot voor vijf of zes maanden had Baas Gansendonck er geen groot kwaad in gezien, dat zijne dochter de echtgenoote van Karel wierd. Wel is waar, het had nooit zijnen hoogmoed gansch bevredigd; doch daar een brouwerszoon, volgens zijne meening, hoogstgenomen geen boer was, had hij zijn lang gehouden woord niet willen breken en zelfs toegestemd, dat men alles voor het aanstaande huwelijk vergaderde en in gereedheid bracht.

Zoo stond de zaak der jongelieden op een tamelijk goeden voet, – toen de ongetrouwde broeder van Baas Gansendonck aan eene kortstondige ziekte overleed en eene schoone erfenis naliet, die niet lang daarna in klinkende munt, binnen de afspanning de St.-Sebastiaan, bij de andere hoopen schijven werd gestort.

Peer Gansendonck was met vele anderen van meening, dat het verstand, de edelheid en de voortreffelijkheid des menschen alleenlijk moeten afgemeten worden op het geld, dat hij bezit: en, alhoewel hij geen Engelsch kende, was hij niettemin uit natuur tot de verhevene Engelsche gedachte geraakt, dat de vraag: Hoeveel pond zilver weegt de man? op alles afdoende en onwederleglijk antwoordt, volgens het oud Vlaamsche spreekvers:

		Het geld, dat stom is,
		Maakt recht wat krom is,
		En wijs wat dom is.

Het spreek van zelf, dat met zulk schoon leerstelsel zijn hoogmoed of liever zijne dolheid nog meer dan zijne goederen was aangegroeid. Hij achtte zich ten minste gelijk met mijnheer den baron van het dorp; want hij geloofde, dat hij ruim zooveel pond woog als deze adellijke grondbezitter.

Van dien dag af kreeg Baas Gansendonck het nog meer in zijne bovenkamer, en waande zich een der eerste mannen des lands. Dikwijls droomde hij gansche nachten, dat hij van eenen edelen stam afkomstig was, en zelfs bij dag wiegelde deze streelende gedachte hem onophoudend in het hoofd. Om de tegenproeve dezer ingebeelde voortreffelijkheid te hebben, poogde hij menigmaal te ontdekken, welk verschil er tusschen hem en eenen edelman mocht bestaan; maar waarlijk, hij vond er geen.

Wel zeide hem zijn geweten somwijlen, dat hij te oud was om nu nog Fransch te leeren of om zijne levenswijs gansch te veranderen en in eene hoogere maatschappij te treden; maar kon hij zulks niet meer, zijne dochter ten minste zou opklimmen in de samenleving en trouwen met den eersten baron den beste. – Wat zalige zekerheid voor Baas Gansendonck! Eer hij stierve, zou hij nog het genoegen hebben zijne Lisa mevrouw de barones te hooren noemen! Hij zelf zou grootvader van eenige baronnekens zijn!

Daarom begon de liefde van Karel den brouwer hem geweldig tegen het hoofd te steken, en hij betichtte in zijn gemoed den vroolijken jonkman van een hinderpaal voor de toekomst zijner dochter te zijn. Reeds had hij, in Lisa's tegenwoordigheid, met bitsige kleinachting van Karel gesproken en dingen gezegd, die het meisje dusdanig gewond hadden, dat zij voor de eerste maal haars levens met spijt tegen haren vader was opgestaan, en wel gedurende twee uren bittere tranen had gestort.

Om zijne dochter niet te bedroeven, zag hij van allen rechtstreekschen aanval tegen de liefde des brouwers af; maar hij zou het huwelijk wel weten uit te stellen, totdat de tijd Lisa den blinddoek kwame afrukken, en zij zelve overtuigd wierd, dat Karel slechts een grove boer was gelijk de anderen.




II. Op den hof der afspanning St.-Sebastiaan waren de dienstboden en werklieden…


Wiens brood men eet,

Diens woord men spreekt.


Op den hof der afspanning St.-Sebastiaan waren de dienstboden en werklieden, reeds met het krieken van den dag, aan den gewonen arbeid bezig. Trees, de koemeid, stond bij den bornput en wiesch rapen voor het vee; in de opene schuur hoorde men het trippelend gekletter der dorschvlegels; de stalknecht zong een ruw lied en roskamde de paarden.

Een enkel man wandelde onachtzaam over en weder en rookte zijne pijp, terwijl hij hier en daar staan bleef om de anderen te zien arbeiden. Hij was insgelijks als een werkman gekleed, droeg een vest aan het lijf en houten klompen aan de voeten. Ofschoon zijn aangezicht in volle rust van onverschillige luiheid getuigde, blonk niettemin in zijne oogen zekere schalkheid en arglist. Overigens was het genoeg op zijne glimmende wangen en rooden neus te zien, dat hij aan eene vette tafel zat en den weg tot den kelder wist.

De koemeid liet hare rapen staan en naderde tot de schuur, waar de dorschers bezig waren met nieuwe schooven op den vloer te spreiden, en die gelegenheid waarnamen om tusschen den arbeid al een woord te wisselen. De man met zijne pijp stond er op te zien.

"Kobe, Kobe," riep de koemeid hem toe, "gij hebt het rechte briefken gevonden! Wij slaven ons dood van den morgen tot den avond, en krijgen voor allen loon wat scheldwoorden naar den kop. Gij hebt den wind van achter, gij wandelt, gij rookt uw pijpken, gij zijt vriend van den Baas, gij krijgt de vette brokskens. Gij moogt zeggen, dat uw brood in den honig gevallen is! Het spreekwoord heeft gelijk: menschen foppen is maar eene weet."

Kobe glimlachte met slimheid en antwoordde:

"Hebben is hebben en krijgen is de kunst; het geluk vliegt: die het vangt, die heeft het."

"Mouwvegen is bedriegen, en fleemen is kruipen," morde een der arbeiders met bitsigheid.

"Woorden zijn geene oorden," schertste Kob. "Ieder is op de wereld om den zoon zijns vaders deugd te doen; en die wat vindt, mag het oprapen."

"Ik zou beschaamd zijn!" riep de verstoorde arbeider. "Het is gemakkelijk riemen snijden uit een andermans leder; maar een varken wordt ook wel vet gemaakt, al werkt het niet."

"Het is den eenen hond leed, dat de andere in de keuken gaat," lachte Kobe. "Ongelijke schotelen maken kwade broeders; maar het is beter benijd dan beklaagd. En vermits een mensch op de wereld toch ergens zitten moet, zit ik liever op het kussen dan op de doornen."

"Zwijg, schuimer, en denk, dat het van ons zweet is, dat gij zoo vet wordt."

"Tistje, Tistje, waarom zijt gij dus op mij gebeten? Gij kunt niet verdragen dat de zon in mijnen vijver schijnt. Kent gij dan het spreekwoord niet: wie een ander benijdt, vreet zijn hart en verkwist zijnen tijd? – Zoo ik nu eens wat minder kreeg, zoudt gij er iets te meer om hebben? Ben ik hoogmoedig? Doe ik u kwaad? Integendeel, ik verwittig u tegen dat de Baas komt, en ik steek u al dikwijls eene goede kanne bier door het keldergat. Gij zoekt waar het niet verloren is, Tistje."

"Ja, ja, wij kennen uwe mildheid; gij slacht den pastoor: die zegent iedereen, maar hij zegent zich zelven eerst."

"Hij heeft gelijk en ik ook; die den autaar dient, mag van den autaar leven."

"Het is waar!" riep een ander arbeider. "Kobe is een goede jongen, en ik wilde wel, dat mijne voeten in zijne schoenen staken; dan zou ik ook mijn brood verdienen met wolkskens rook naar de kraaien te blazen; buiksken vol, harteken rust."

"Ja, dikke buik, slapende voet; – volle krop, dolle kop!"

"Laat ze maar praten, Kobe, elkeen kan geene even schoone star aan den hemel hebben; en ik zeg, dat gij veel verstand hebt!"

"Niet meer verstand dan de paddenstoel, die daar aan den kerseboom zit," antwoordde Kobe met gemaakten ootmoed.

Allen zagen verwonderd op naar eene groote zwamschijf, die tusschen de zwaarste takken des kersebooms groeide. Even ras keerden zij het gezicht naar Kobe om uit hem, volgens gewoonte, eene kluchtige verklaring te bekomen.

"Ah, ah!" riep de koemeid, "niet meer verstand dan de paddenstoel! Dan moet gij al een schrikkelijke lomperik zijn!"

"Gij weet het niet, Mieken. Wat zegt het spreekwoord?.... Het werken is voor de botterikken. Ik doe niets. Dus?...."

"Maar wat heeft de paddenstoel daarmede te stellen?"

"Zie, het is een raadsel: de schoone, groote kerseboom is onze Baas...."

"O, gij mouwveger!" riep de meid.

"En ik ben de arme ootmoedige paddenstoel...."

"Schijnheilige!" morde de gispende arbeider.

"En als gij dit kunt raden, zult gij weten, wat de kleine honden moeten doen, om met de groote uit denzelfden schotel te mogen eten zonder gebeten te worden."

Kobe meende hen nog langer met zijn dubbelzinnige woorden te plagen; maar hij vernam de stem van den Baas binnen in de afspanning, en zeide tot de arbeiders, terwijl hij zijne pijp in haren koker stak:

"Laat de boeren maar dorschen, jongens! Daar is onze brave vriendelijke Baas, die komt zien of het werk vooruitgaat."

"Wij gaan ons morgeneten krijgen: het zal weer geen klein geschreeuw zijn!" riep de koemeid, naar den bornput loopende.

"Zoo hij mij nog toesnauwt van dagdief en lompen boer, gelijk gisteren, dan werp ik hem den vlegel naar den kop," zeide een der arbeiders met gramschap.

"De kruik zou tegen den steen vechten, en zij viel aan stukken bij den eersten stoot," schertste Kobe.

"Wat mij betreft, ik lach met zijne scheldwoorden, en ik laat hem al aanrazen," sprak een tweede.

"Gij doet best," viel Kobe in, "zet uwe twee ooren wijd open, dan vliegt het langs hier in en langs daar uit. De Baas mag ook al wat hebben voor zijn geld. Geef hem gelijk, en doe wat hij zegt."

"Doen wat hij zegt? En als men het niet kan?"

"Dan geef hem toch gelijk, en doe het niet; – of liever, zeg niets en houd u, alsof gij van toeten noch blazen wist, en denk, dat zwijgen niet kan verbeterd worden."

"Alle menschen zijn menschen! Ik spot met zijne barschheid. Dat hij maar beginne, ik zal hem ook de tanden eens laten zien. Hij heeft geen recht om mij voor een beest uit te maken, al ben ik maar een werkman."

"Het is wel waar wat gij zegt, en toch slaat gij er nevens, Driesken," bemerkte Kobe. "Ieder moet zijne plaats in de wereld kennen. Wat zegt het spreekwoord? Zijt gij aanbeeld, verdraag als een aanbeeld; zijt gij hamer, sla als een hamer. Daarenboven, een klein, goed woord breekt groote gramschap. En wilt gij het beter hebben, gedenk, dat het moeielijk is met azijn vliegen of met trommelen hazen te vangen...."

"Kobe! Kobe!" riep eene stem van binnen met hoorbaar ongeduld.

"Zie, zie hem nu zijn hypokrietengezicht aantrekken!" spotte een andere dorscher.

"Dat is juist de kunst, die gij nooit zult leeren!" antwoordde Kobe.

En zich tot de inspanning keerende, riep hij op smeekenden toon, als ware hij verschrikt geweest:

"Ik kom, ik kom, Baas lief; maak u niet kwaad; ik vlieg, hier ben ik al!"

"Hij wint zijn brood met den schoothond te spelen!" morde de vergramde arbeider met verachting, "dan dorsch ik nog liever mijn geheele leven! Dit heeft men van mannen, die door alle netten gevlogen zijn, gelijk hij."

"Hij is tien jaar lang onder dienst geweest. Dáár leert men den onnoozele in de klucht spelen, om zoo weinig te doen als mogelijk is. Daarna is hij heerenknecht geworden, en van dit stieltje krijgt men ook geene weeren in de handen. – Maar wat aardig raadsel gaf hij ons daar op? Verstaat gij, wat het beteekent?"

"Och, het is gemakkelijk om te raden," antwoordde de eerste; "hij wil zeggen, dat hij den Baas op den nek zit en hem uitzuigt, gelijk de paddenstoel den kerseboom. Kom, kom, laat ons nu maar voortdorschen!"




III. "Welnu, Kobe," vroeg Baas Gansendonck aan zijnen knecht, "hoe zie ik er uit met mijne nieuwe muts?"


's Keizers kat is zijne nicht,

Groote lantaarn, maar klein licht.


"Welnu, Kobe," vroeg Baas Gansendonck aan zijnen knecht, "hoe zie ik er uit met mijne nieuwe muts?"

De knecht week twee stappen achteruit en wreef zich de oogen, als iemand, die over eene ongeloofelijke zaak verwonderd staat.

"Och, Baas," riep hij, "zeg het eens rechtuit: zijt gij het wel? Ik meende, dat ik mijnheer den baron zag staan. Maar, heilige deugd, hoe kan het zijn! Hef uwen kop eens wat omhoog, Baas; draai u nog eens om, Baas; stap nu eens voort, Baas. Zie, gij trekt op mijnheer den baron, gelijk een druppel water...."

"Kobe!" viel de Baas met gemaakten ernst in, "gij wilt mij vleien; dat heb ik niet gaarne."

"Ik weet het, Baas," antwoordde de knecht.

"Er zijn weinig menschen, die minder hoogmoed hebben dan ik, al zeggen zij uit nijd, dat ik hoovaardig ben, omdat ik geene boeren kan verdragen."

"Gij hebt gelijk, Baas. Wel, wel, ik twijfel nog, of gij de baron niet zijt!"

De vreugde blonk in de oogen van Baas Gansendonck; met het hoofd achterover en in fiere houding staande, bezag hij glimlachende den knecht, die voortging met allerlei gebaren van verwondering te maken.

Kobe had zijnen meester niet gansch bedrogen. Op het uiterlijke, en zijn dom gelaat niet in aanmerking genomen, geleek Baas Gansendonck zeer nauwkeurig op den baron. En geen wonder, hij had sedert maanden de dagelijksche klederen des barons doen namaken; iets, waarop weinig menschen acht gegeven hadden, dewijl de baron op zijn buitengoed in volle vrijheid leefde en slechts zeer gewone kleederen droeg.

Maar nu, vóór eenige weken, had de baron ook eene gril gehad. Wie heeft er geene? Een allerschoonste waterhond was hem gestorven, en hij had zich van de huid eene muts laten maken. Deze aardige muts had de oogen van Baas Gansendonck uitgestoken, totdat hij zich ook zulk eene in de stad had doen vervaardigen. Nu prijkte ze met hare duizenden krullen op het hoofd van den Baas uit de St.-Sebastiaan, die zich zelven niet genoeg in den spiegel bewonderen kon sedert de vleiende uitroeping zijns knechts.

Eindelijk maakte hij zich bereid om uit te gaan, en zeide:

"Kobe, neem mijne gaffel; wij gaan langs het dorp."

"Ja, Baas," antwoordde de knecht, zijnen meester met gemaakt gelaat op de hielen volgende.

Op de groote baan, tusschen de huizen, ontmoetten zij vele dorpelingen, die beleefdelijk hunnen hoed of klak voor Baas Gansendonck afnamen, doch in eenen lach schoten, zoohaast zij hem voorbij waren. Vele inwoners kwamen ook met nieuwsgierigheid uit huizen en stallen geloopen, om de haren muts van den Baas te bewonderen; deze groette niemand eerst en ging met het hoofd omhoog en met tragen, statigen tred voort, gelijk de baron gewoon was te doen. Kobe stapte met een schijnbaar onnoozel gelaat stilzwijgend achter zijnen meester, en volgde hem in al zijne wendingen zoo getrouw en zoo lijdzaam na, als hadde hij de plaats van eenen hond vervuld.

Alles verging wel tot voor de smidse. Dáár stonden eenige lieden te kouten. Zoohaast zij den Baas zagen aankomen, begonnen zij zoo luidop te lachen, dat het de gansche straat overklonk.

Sus, de zoon van den smid, die bekend was voor een schalkachtig spotter, wandelde met het hoofd achterover en op kunstmatigen tred voor de smidse, en bootste Baas Gansendonck zoo juist na, dat deze van spijt meende te barsten. In het voorbijgaan bezag hij den jongen smid met eenen vurigen blik, en trok zijne oogen bijna tot scheurens toe open; maar de smid bekeek hem met tergenden lach, totdat Baas Gansendonck, van gramschap dol, morrende en dreigende voortging en eene zijstraat insloeg.

"Blaaskaak! Blaaskaak!" riep men hem achterna.

"Welnu, Kobe, wat zegt ge van dat boerengespuis?" vroeg hij, toen zijn toorn wat gevallen was. "Dat durft mij tergen! mij voor den zot houden! Eenen man als ik!"

"Ja, Baas, de vliegen steken wel een paard, en dat is zulk groot beest."

"Maar ik zal ze vinden, die lomperiken! Dat ze maar opletten; ze zullen het duur bekoopen. Bergen loopen elkander niet in 't gezicht, maar menschen wel."

"Zeker, Baas, uitgesteld is niet verloren."

"Ik zou wel zot zijn, dat ik mijne paarden bij dien onbeschaafden dwarskop nog liet beslaan, of mijn ander werk liet doen."

"Ja, Baas, veel te goed is halfzot."

"Er zal niemand van mijne boden nog eenen voet in zijne smidse zetten."

"Neen, Baas."

"En dan zal de spotter staan kijken en op zijne vingeren bijten, niet waar?"

"Ongetwijfeld, Baas."

"Maar, Kobe, ik geloof, dat die schelmachtige smid van iemand betaald wordt om mij te vervolgen en te tergen. De veldwachter meent, dat hij het ook is, die op den laatsten Meinacht iets op ons uithangbord geschreven had."

"In den Zilveren Ezel, Baas."

"Het is niet noodig, die leelijke onbeschoftheden te herhalen!"

"Neen, Baas."

"Gij moest hem eens eene goede afrossing geven tusschen vier oogen, dat het niemand zie. En doe hem dan mijne komplimenten."

"Ja, Baas."

"Zult gij het doen?"

"De komplimenten? Ja, Baas."

"Neen, de afrossing."

"Dit is te zeggen, als ge mij gaarne zonder armen of beenen zoudt zien naar huis komen. Ik ben niet heel sterk, Baas; en de smid is geene kat om zonder handschoenen aan te pakken."

"Zijt gij van zulken laffen snoever vervaard? Ik zou beschaamd zijn!"

"Het is kwaad vechten tegen iemand, die zijn leven moede is. Beter bloode Jan dan doode Jan, zegt het spreekwoord, Baas."

"Kobe, Kobe, ik geloof, dat gij van moed niet sterven zult."

"Ik hoop het, Baas."

Al koutende verging de toorn van Baas Gansendonck. Tusschen vele gebreken had hij toch eene goede hoedanigheid: alhoewel hij zeer kort van stof was, vergat hij evenwel spoedig het leed, dat men hem aandeed.

Nu was hij tot achter eenige mastbosschen geraakt en wandelde er tusschen zijne eigene velden, waar hij allerlei redenen vond om zijn overdreven gevoel van eigendom lucht te geven, en tegen Jan en Alleman te bulderen en te kijven. Hier had eene koe zich mistrapt en van het pad op zijn land getreden; dáár had eene geit wat loof van zijn plantsoen gebeten; verder meende hij de voetstappen van jagers en de treden hunner honden te ontdekken.

Dit laatste bovenal deed hem trappelen van woede. Hij had op al de hoeken zijner velden hooge palen doen stellen met het opschrift Verbodene Jacht; en niettegenstaande dit was er nog iemand stout genoeg geweest om zijn recht van eigendom te schenden!

Hij was bezig met daarover eene gansche reeks gramme woorden in de lucht te werpen, en sloeg van toorn met de vuist tegen den stam van eenen beukeboom.

Kobe stond achter den Baas en dacht aan het middagmaal; want er zou een haas zijn. Hij droomde, dat men de saus niet goed zou bereiden, en stampte daarover ook al met den voet. Intusschen antwoordde hij niets dan "ja, Baas," en "neen, Baas," zonder acht te geven op hetgeen zijn meester zeide.

Eensklaps hoorde Peer Gansendonck eene stem, die spottend riep:

"Blaaskaak! Blaaskaak!"

Hij zag grammoedig in het ronde, doch bemerkte niemand dan zijnen knecht, die met de oogen ten gronde de lippen verroerde, als ware hij aan het eten geweest.

"Wat, schelm, zijt gij het geweest?" riep Baas Gansendonck woedend uit.

"Ik ben het nog, Baas," antwoordde Kobe. "Maar, och Heer, wat krijgt gij, Baas?"

"Ik vraag, lomperik, of gij het zijt, die daar gesproken hebt?"

"Gij hebt het immers wel gehoord, Baas?"

De getergde Gansendonck rukte hem de gaffel uit de handen en meende hem er mede te slaan; maar toen de verbaasde knecht bemerkte, dat het ernst was, sprong hij achteruit en riep, met de armen in de hoogte:

"Och Heer, och arme, nu is onze Baas geheel en gansch zot!"

"Blaaskaak, Blaaskaak!" riep weder iemand achter den rug van Peer Gansendonck.

Dáár zag hij in de takken van den beukeboom eene ekster zitten, en hoorde, dat de vogel het scheldwoord nog herhaalde.

"Kobe, Kobe," riep hij, "loop en haal mijn jachtgeweer. Het is de ekster van den smid: zij moet sterven, dat lompe beest!"

Maar de ekster sprong weg uit den boom en vloog naar huis.

De knecht schoot in zulken koortsigen lach, dat hij op het gras nederviel en zich daar eene wijl over- en wederrolde.

"Scheid uit!" schreeuwde de Baas, "of ik jaag u weg. Scheid uit van lachen, zeg ik u!"

"Ik kan niet, Baas."

"Sta op!"

"Ja, Baas."

"Ik zal uwe onbeschoftheid vergeten op ééne voorwaarde: gij moet de ekster van den smid vergeven."

"Waarmede, Baas?"

"Met vergift."

"Ja, Baas; als ze het maar wil eten."

"Schiet ze dan dood."

"Ja, Baas."

"Kom, laat ons voortgaan.... Maar wat zie ik ginder in mijn mastbosch? Wees dan al eigenaar om van iedereen geplunderd te worden!"

Bij deze woorden liep hij, door den knecht gevolgd, bulderend vooruit.

Hij had van verre gezien, dat eene arme vrouw en twee kinderen bezig waren met de dorre takken uit zijne mastboomen te breken en daarvan eenen grooten mutsaard samen te binden. Alhoewel eene overoude gewoonte den armen toelaat het droge hout uit de mastbosschen te halen, kon Baas Gansendonck dit echter niet lijden. Het dorre hout was immers zoowel zijn eigendom als het groene, en aan zijn eigendom mocht niemand roeren. Daarbij, het was eene vrouw, en hij had dus noch tegenstand noch spot te vreezen. Dit maakte hem moedig en liet hem nu eens toe den vollen toom aan zijne gramschap te vieren.

Hij vatte de arme moeder bij den schouder, terwijl hij uitriep:

"Onbeschaamde houtdieven! Op, vooruit, mede naar het dorp! In de handen der gendarmes! Naar het kot, luie schelmen!"

De bevende vrouw liet het opgeraapte hout vallen en was zoozeer door deze schrikkelijke bedreigingen verpletterd, dat zij sprakeloos begon te weenen. De beide kinderen hechtten zich aan de kleederen hunner moeder vast en vervulden het bosch met hun droef gekrijt.

Kobe schudde spijtig het hoofd; de onverschillige uitdrukking was van zijn gelaat verdwenen: men zou gezegd hebben, dat een gevoel van medelijden hem had bevangen.

"Hier, gij luierik!" riep de Baas hem toe, "steek al eene hand uit, om de dievegge naar de gendarmes te brengen."

"Man lief, ik zal het nooit meer doen!" smeekte de vrouw. "Zie toch mijne arme schaapkens van kinderen aan; zij sterven van schrik!"

"Zwijg, landloopster," bulderde de Baas, "ik zal u dat rooven en stelen wel afleeren!"

De knecht vatte de vrouw met geveinsde gramschap bij den arm en schudde haar hevig; doch hij mompelde terzelfder tijd zachtjes aan haar oor:

"Val op uwe knieën en zeg Mijnheer."

De vrouw wierp zich voor Baas Gansendonck geknield ten gronde, en, de handen tot hem opstekende, bad zij:

"Och, mijnheer, mijnheer, genade, als het u belieft, mijnheer! Och, voor mijne arme kinderkens, mijnheerken lief!"

Door eene verborgene oorzaak scheen de Baas getroffen. Hij liet de vrouw los en zag haar half droomend aan met een vermilderd en zoet gelaat; evenwel, hij deed haar niet opstaan.

Iemand voor hem nedergeknield! met de handen opgeheven! en smeekend om genade! Het was koninklijk!

Na eene wijl het grootste geluk gesmaakt te hebben, lichtte hij zelf de arme vrouw van den grond op en veegde zich eenen traan van ontroering uit de oogen, terwijl hij zeide:

"Arme moeder, ik ben wat haastig geweest; het is alweder gedaan. Neem gij uwen mutsaard maar op; gij zijt eene brave vrouw. Voortaan moogt gij het droge hout uit al mijne bosschen breken; en viel er wat groen tusschen, ik zou er nog niets op zeggen. Wees gerust, ik schenk u mijne volle genade!"

Met groote verwondering zag de vrouw de beide zonderlinge menschen aan, die voor haar stonden: den Baas met zijn beschermend gelaat, den knecht, die op de lippen beet en zichtbaar geweld deed om niet te lachen.

"Ja, moederken," herhaalde de Baas, "gij moogt hout breken in al mijne bosschen."

Dit zeggende, wees hij met de hand in het ronde, alsof de gansche landstreek hem hadde toebehoord.

De arme vrouw ging eenige stappen achteruit om haren mutsaard op te nemen, en zuchtte met dankbare ontsteltenis:

"God zegene u voor uwe goedheid, mijnheer de baron."

Eene rilling doorliep de leden van Baas Gansendonck; zijn gelaat werd als beglansd met het licht des geluks.

"Vrouw, vrouw, kom eens hier!" riep hij. "Wat hebt gij daar gezegd? Ik verstond het niet."

"Dat gij duizendmaal bedankt zijt, mijnheer de baron," antwoordde de houtraapster.

Baas Gansendonck stak de hand in den zak en haalde er een zilveren muntstuk uit, dat hij der vrouwe toereikte, terwijl hij met de tranen in de oogen haar zeide:

"Daar, moederken, wees gij ook al eens vroolijk, en als het winter is, kom dan alle Zaterdagen ginder in de St.-Sebastiaan: er zal u hout en brood in overvloed gegeven worden. Ga nu maar naar huis."

Met deze woorden verliet hij de vrouw en keerde haastig uit het bosch. Hij weende, dat de tranen hem over de wangen rolden. De knecht, die het bemerkte, veegde ook met de mouw van zijn vest aan de oogen.

"Het is wonder," zuchtte eindelijk de Baas, "dat ik geene menschen kan zien lijden, of mijn hart loopt er van over."

"Ik ook niet, Baas."

"Hebt gij het gehoord, Kobe? Die vrouw nam mij voor mijnheer de baron!"

"Zij heeft gelijk, Baas!"

"Zwijg nu een weinig, Kobe; wij zullen stillekens naar huis gaan."

"Ja, Baas."

Kobe schikte zich met de grootste onderdanigheid in het voetspoor zijns meesters. Beiden gingen droomend voort: de Baas dacht aan den schoonen naam, dien de arme vrouw hem gegeven had; de knecht mijmerde van hazenhutspot met wijnsaus.

Sedert eenige oogenblikken waren drie jagers van achter eenen eikenkant verschenen, en stonden daar nu, lachend en spottend op Baas Gansendonck te kijken. Het waren drie jonge heerkens in schoone jachtkleederen, met het geweer onder den arm.

Eén van hen scheen den Baas uit de St.-Sebastiaan bijzonder wel te kennen. Hij legde aan zijne makkers uit, door welken zonderlingen duivel van hoogmoed en waan de man bezeten was, en sprak hen met veel lof van Liesken, zijne dochter.

"Komt, komt," riep hij eindelijk, "wij zijn vermoeid; laat ons nu wat vroolijk zijn. Volgt mij, wij gaan met den Baas naar de St.-Sebastiaan eene flesch ledigen. Maar let op, dat gij hem eerbiedig toespreket en vele komplimenten maket; hoe gekker, hoe beter."

Dit zeggende, sprong hij met zijne makkers over de droge gracht en liep tot den Baas. Hij boog zich diep en groette hem met vele hoffelijkheden.

Peer Gansendonck nam zijne haren muts in de twee handen en poogde te doen wat de jonge heer hem had voorgedaan. De beide andere jagers, in stede van in deze plichtplegingen te deelen, verborgen zich achter den rug des knechts en deden daar een uiterst geweld om niet in eenen luiden lach uit te barsten.

"Wel, mijnheer Adolf, mijn vriend," zeide de Baas, "hoe gaat het met uwen papa? Nog altijd dik en vet? Hij komt ons niet meer bezoeken, sedert hij in de stad woont. Maar uit der oogen, uit der harten! zegt het spreekwoord."

Adolf greep eenen zijner lachende vrienden bij de hand en trok hem met geweld vóór den Baas.

"Mijnheer Gansendonck," sprak hij statig, "ik heb de eer u den jongen heer Baron Victor van Bruinkasteel aan te bieden; maar gij moet zijn gebrek verontschuldigen; het is eene zenuwkwaal, die hij uit de stuipen gehouden heeft: hij kan geen mensch bezien, of hij schiet in eenen lach."

Victor kon zich niet inhouden; hij wierp het hoofd achterover, trappelde met de voeten en werd paarsch en blauw van lachen.

"Gij gaat het spel bederven," snauwde Adolf hem in het oor. "Schei uit, of hij zal het merken."

"Doe maar naar uwe beliefte, mijnheer van Bruinkasteel," sprak de Baas, "van lachen zult gij toch geene eksteroogen krijgen!"

Zijne vriend weder bij den arm vattende, herhaalde Adolf zijne aanbeveling.

"Mijnheer van Bruinkasteel heeft de eer niet mij te kennen," sprak de Baas met eene buiging.

"Inderdaad," antwoordde Victor, "ik heb de eer u onbekend te zijn."

"Die eer is niet groot, mijnheer," zeide de Baas, zich buigend. "Mijnheer komt zeker met onzen vriend Adolf het jachtseizoen op het hofken doorbrengen?"

"Om u te dienen, mijnheer Gansendonck."

"Zijn heer vader heeft den Jachthof van ons afgekocht," sprak Adolf. "Mijnheer van Bruinkasteel zal jaarlijks gedurende den wintertijd, uw gebuur zijn en u waarschijnlijk dikwijls bezoeken, mijnheer Gansendonck."

"Maar, Adolf, mijn vriend, waarom blijft die andere jonge heer daar achter Kobe staan? Is hij dan vervaard van mij?"

"Hij is beschaamd, mijnheer Gansendonck: wat kan men er aan doen? De bittere jonkheid! Maar, mijnheer Gansendonck, gij bezit eene vrije jacht, zie ik; dus zijt gij ook jager?"

"Ik ben een groot liefhebber, niet waar, Kobe?"

"Ja, Baas, van hazen. Ik ook.... Als ze hem maar niet laten aanbranden," voegde hij er in zich zelven bij.

"Wat mompelt gij daar?" riep de Baas met hevige gramschap, om den heeren te doen zien, dat hij meesterschap over zijne dienstboden had, "wat mompelt gij daar, onbeschaamde lomperik?"

"Ik vraag, of gij niet gelooft, dat het tijd is om naar huis te gaan, Baas. En ik zeide zoo al in mij zelven: visschen en jagen maakt hongerige magen."

"Als een varken droomt, dan is 't van draf! Gij moet zwijgen."

"Ja, Baas, zwijgen en denken zal niemand krenken."

"Geen woord meer, zeg ik u!"

"Neen, Baas."

"Die heeren zullen mij wel de eer aandoen, een glas morgenwijn ten mijnent te drinken?" vroeg Peer Gansendonck.

"Het was ons inzicht, mijnheer, u dit te verzoeken."

"Wel, komt aan dan; gij zult er van weten te spreken, van dat wijntje. Niet waar, Kobe, gij hebt hem eens in uw leven geproefd? En zoo gij uwe vingeren er niet van aflikt, mijnheeren, zegt dan, dat ik een boer ben."

"Het is waar, Baas," antwoordde de knecht.

De baas trad statig in de baan voort en koutte vriendelijk met Adolf, terwijl diens beide makkers achteruitbleven om hunne vreugde lucht te kunnen geven. Kobe zag alles met schuinsche blikken na en zou ook wel gelachen hebben, hadde de hazenhutspot hem niet zoodanig in het hoofd gezeten, dat hij er krampen aan de maag van kreeg.

Het gezelschap trok langzaam naar de St.-Sebastiaan.




IV. Het was een prachtige morgenstond…


Breng den wolf in uwen schaepsstal nooit!


Het was een prachtige morgenstond. De zon verscheen op de kimme in eenen gloed van brandend goud, waaruit glanzende stralenbusselen door den ganschen hemel schoten. Haar glinsterend licht boorde spelend door de vensterruiten van de St.-Sebastiaan, en viel daar als eene roosvervige tint op het albasten voorhoofd eener maagd.

Lisa Gansendonck zat bij het venster, voor eene tafel. Zij droomde; – want hare lange zwarte wimpers hingen over hare oogappelen gebogen, en een stille glimlach dartelde om haren mond, terwijl bij poozen een rood wolkje op hare bleeke wangen van zekere aandoening haars harten kwam getuigen.... En dan weder rechtte zij zich eensklaps op haren stoel; een helder vuur scheen in haar oog te fonkelen, en meer zichtbaar lachte zij, alsof een gevoel van geluk haar ontroerde.

Zij vatte een Antwerpsch Fransch dagblad, dat voor haar geopend lag, en na er eenige regelen te hebben van gelezen, verviel zij in hare eerste, stille houding.

Wat was zij betooverend, daar zittend als een liefelijke droom! omringd door de diepste stilte en verlicht door den warmsten morgenstraal! bleek en tenger, jong en zuiver als eene halfgeslotene witte roze, wier hart eerst morgen zich openen moet!

Tonen, zoo fijn en zoo weifelend als de stervende zucht van een ver snarenspel, ontvielen haren lippen. Zij zeide zuchtend:

"O, in de stad moet men gelukkig zijn! Zulk een bal! Al die rijke toiletten, diamanten, bloemen in het haar, kleederen, zoo kostelijk, dat men er wel een half dorp mede koopen zou, alles glinsterend van goud en licht! En daarbij de beleefdheid, de schoone taal.... O, mocht ik dat eens zien, al ware het maar door een venster!"

Na eene lange mijmering scheen de wegrukkende gedachte van een bal in de stad haar te verlaten. Zij verwijderde zich van de tafel en ging voor eenen spiegel staan, waarin zij haar beeld aandachtig beschouwde, hier en daar eene plooi verbeterde en met de handen over het hoofd streek om haar schoon zwart haar te doen glimmen.

Zij was nochtans zeer eenvoudig gekleed, en voorzeker, men hadde op haar tooisel niet veel weten af te wijzen, ware het niet geweest, dat de reuk van den koestal, de berookte muren der afspanning en de tinnen kannen in het rek van alle kanten schreeuwden, dat juffrouw Lisa op hare plaats niet was.

Anders was haar zwart zijden kleed zeer effen en slechts met eenen enkelen volant; haar fichu was roosvervig; dit stond zoo schoon op haar zuiver bleek gelaat! Het haar droeg zij onbedekt; maar het was alleenlijk in blessen platgestreken en achter op het hoofd in een kroontje saamgebonden.

Na eenigen tijd voor den spiegel gestaan te hebben, keerde zij weder bij de tafel en begon onachtzaam aan eenen kanten kraag te borduren, terwijl hare dwalende blikken genoeg getuigden, dat hare onvaste gedachten van den arbeid weg waren. Welhaast zeide zij overpeinzend en met bijna onhoorbare stemme:

"De jacht is open; de heeren uit de stad gaan nu weder naar buiten komen. Ik moet hun vriendelijk zijn, zegt vader. – Hij zal mij mede naar de stad nemen, om een satijnen hoed voor mij te koopen.... Ik mag niet met de oogen neergeslagen zitten; ik moet lachen en de heeren in de oogen zien, als zij mij aanspreken? Wat wil vader daarmede? Ik weet niet waarvoor het goed kan zijn, zegt hij.... Maar Karel! Hij schijnt ontevreden, als ik mijne kleeding te dikwijls verander; hij lijdt, als de vreemdelingen te veel met mij spreken.... Wat moet ik doen? Vader wil het. Ik mag toch niet onbeleefd tegen de lieden zijn. Maar Karel wil ik ook geen verdriet aandoen...."

De stem haars vaders klonk voor de deur; zij zag hem buigen en gebaren van beleefdheid maken tegen drie jonge heeren in jachtgewaad. Een hevig rood klom op haar voorhoofd. Was het van verlangen of van beschaamdheid? – Zij streek nog eens over hare zwarte blessen en bleef zitten, alsof zij niets had gehoord.

Baas Gansendonck trad met zijn gezelschap binnen en riep in volle vreugde:

"Ziet, mijnheeren, dit is mijne dochter. Wat zegt gij van zulke bloem? Zij is geleerd, zij kent Fransch, mijnheeren; tusschen mijn Liesken en eene boerin is zooveel verschil als tusschen eene koe en eenen kruiwagen!"

De knecht schoot in eenen luiden lach.

"Onbeleefderik!" riep Baas Gansendonck in gramschap, "wat staat gij daar zoo lomp te lachen? Pak u weg!"

"Ja, Baas."

Kobe ging in den hoek van den haard zitten en snoof met wellust den hazereuk op, die uit eene achterkeuken in geurige walmen tot hem kwam. Onderwijl blikte hij in het vuur, en luisterde met schijnbaar onverschillig gelaat op hetgeen men omtrent hem al zeide.

Terwijl Lisa opgestaan was en in de Fransche taal eenige komplimenten met de heerkens wisselde, was Baas Gansendonck in den kelder gegaan en keerde even ras terug met glazen en eene flesch, welke hij vóór zijne dochter op de tafel plaatste.

"Zit neer, zit neer, mijnheeren," sprak hij, "wij gaan eens tikken met Lisa; zij zal u bescheid doen. Ah, het is in 't Fransch? Het is wonder, dat ik zoo gaarne Fransch hoor; ik zou er eenen ganschen dag op staan luisteren: mij dunkt altijd, dat ik liedekens hoor zingen!"

Hij vatte Victor bij den arm en dwong hem, nevens Lisa te zitten.

"Zoovele komplimenten niet, mijnheer van Bruinkasteel," riep hij, "doe, alsof gij te huis waart."

Het schoon en stil gelaat van Lisa had bij den eersten blik eene soort van eerbied aan twee der jonge jagers ingeboezemd; zij zaten aan de andere zijde der tafel en beschouwden sprakeloos de eenvoudige maagd, die zichtbaar geweld deed om beleefd te schijnen, doch wier verschrikte kuischheid haar voorhoofd als met rood vuur deed gloeien.




Конец ознакомительного фрагмента.


Текст предоставлен ООО «ЛитРес».

Прочитайте эту книгу целиком, купив полную легальную версию (https://www.litres.ru/hendrik-conscience/baas-gansendonck/) на ЛитРес.

Безопасно оплатить книгу можно банковской картой Visa, MasterCard, Maestro, со счета мобильного телефона, с платежного терминала, в салоне МТС или Связной, через PayPal, WebMoney, Яндекс.Деньги, QIWI Кошелек, бонусными картами или другим удобным Вам способом.


